Oppa nye merkit


Monumenten aan en rondom de Tweebaksmarkt

Open Monumenten in Leeuwarden 1998


Woord vooraf
Dit jaar organiseert de Stichting Aed Levwerd voor de 12de maal de Open Monumentendag in Leeuwarden. Het kiezen van een thema was deze keer niet moeilijk. Al jaren bestond het plan de stratenrij Turfmarkt, Tweebaksmarkt en Druifstreek, centraal te stellen. Het wachten was alleen op een geschikte aanleiding. Die aanleiding is er dit jaar: de herdenking Fryslân 500.

"Oppa nye merkit" zoals de Turfmarkt, de Tweebaksmarkt en de Druifstreek in 1504 genoemd werden, staan een aantal belangrijke overheidsgebouwen. In het kader 500 jaar centraal gezag in Friesland, verdient 'het huis' van het provinciaal bestuur van Friesland bijzondere aandacht. Naast andere overheidsgebouwen zoals de Kanselarij en de gevangenis bevinden zich "oppa nye merkit" vele monumentale woonhuizen zoals het Eysingahuis, het Haersmahuys en het Vierssenhuis. Heel bijzonder is natuurlijk het bankgebouwtje dat door de verzekeringsmaatschappij De Utrecht gebouwd is.
Al met al worden er dit jaar tenminste veertien monumentale panden opengesteld. Daarnaast zal een enkele binnentuin toegankelijk zijn. Zoals gebruikelijk worden er weer een aantal aanvullende activiteiten georganiseerd, zoals rondritten, rondvaarten en tentoonstellingen. De aanwezige horecabedrijven zullen door het inrichten van terrassen aan de levendigheid op straat bijdragen.

De Stichting Aed Levwerd vindt dat de Turfmarkt, de Tweebaksmarkt en de Druifstreek al deze aandacht ten volle verdienen. Ondanks de betreurde demping in 1894 is de stratenreeks één van de monumentaalste stadsgezichten van Leeuwarden. Natuurlijk zijn er in het verleden aanslagen op het straatbeeld gepleegd. Het prachtige Landschapshuis is gesloopt. Het op die plek gebouwde nieuwe Ritske Boelema Gasthuis is ook al weer met de grond gelijkgemaakt. De Galileërkerk werd in 1940 gesloopt en ook de monumentale huizenrij op de hoek van de Tweebaksmarkt en het Droevendal werd afgebroken. Op deze plek verrees het veel te grootschalige gebouw van PTT-telecommunicatie. Niet echt een aanwinst.
Gelukkig werd na veel discussie en actievoeren afgezien van de bouw van een luchtbrug tussen de Kanselarij en het Fries Museum. Zo bleef het mooie zicht op de 'Roomse toren' bestaan. Herinrichting van de straten, terugdringing van het autoverkeer en een passende beplanting met bomen, kunnen het monumentale karakter van de straten nog meer versterken.

De 12de Open Monumentendag in Leeuwarden zou niet mogelijk zijn zonder de medewerking van de eigenaren van de opengestelde panden, de subsidiënten, de vrijwilligers, het provinciaal bestuur van Inleiding

Wie over de Turfmarkt, de Tweebaksmarkt en de Druifstreek loopt, kan zich met recht afvragen waarom deze straat zonder noemenswaardige onderbrekingen in drie afzonderlijke straten is opgedeeld. Het Blokhuisplein zou bovendien evengoed onder deze ene straat gerekend kunnen worden. Het is immers in een rechte lijn met de andere drie straten verbonden en een echt plein is het niet. Maar degene die op zoek gaat naar de reden achter deze wat vreemde indeling zal een vrij onbevredigend antwoord op zijn vragen krijgen. Ooit, toen er nog geen huisnummers waren, was het handig om grote lange straten in kleine straatjes op te delen. En later is deze situatie officieel vastgelegd door de gemeenteraad, die het kennelijk niet nodig achtte de oude vertrouwde indeling te wijzigen. Men zou het dus toeval kunnen noemen. Maar hoewel er geen motief achter zit, is deze overdaad aan straatnamen toch wel een beetje symbolisch.
Ondanks het wat stille voorkomen wordt dit stukje Leeuwarden namelijk gekenmerkt door een grote stedebouwkundige en architectonische diversiteit. Vroeger prominent aanwezige functies als rechtspraak en onderwijs zijn inmiddels verdwenen, maar er wordt nog volop gewoond, gewerkt, gewinkeld, geconserveerd, gedetineerd, ge-kerkt, geregeerd en sedert enige jaren ook gerecreëerd (terrassen en galerieën). Oude en nieuwe, saaie en prachtige gebouwen wedijveren met elkaar om de aandacht van de voorbijganger. Deze rijke schakering is niet alleen typerend voor het actuele straatbeeld, maar ook voor het verleden van dit deel van de binnenstad. Terwijl de geschiedenis van veel straten zich laat vertellen als een verhaal met een duidelijke kop en staart, heeft de geschiedenis van de Tweebaksmarkt cum annexis veel meer het karakter van een verhalenbundel.


Van stadsgracht naar binnengracht
Waar nu plaveisel ligt, liep ooit de gracht die de stad omringde. De oudste stadsgracht van Leeuwarden werd waarschijnlijk aan het eind van de veertiende eeuw aangelegd. Deze gracht omsloot echter nog niet de helft van de huidige binnenstad. Onder andere het gebied tussen de Voorstreek en de Tweebaksmarkt c.a. lag destijds nog buiten de gracht. Ergens in de loop van de veertiende eeuw is ook dit gedeelte binnen de omgrachting getrokken. De toentertijd gegraven oostelijke stadsgracht kwam later van noord naar zuid Turfmarkt, Tweebaksmarkt, Druifstreek en Zwitserswaltje te heten. Over de vroegste bewoningsgeschiedenis van de Tweebaksmarkt c.a. is weinig bekend. Duidelijk is wel dat hier in de veertiende en vijftiende eeuw niet de meest gegoede burgers woonden. Weliswaar verrezen in het nieuwe gedeelte van de stad wel degelijk grote burgerhuizen, maar deze werden allemaal gebouwd langs de toenmalige hoofdwaterweg van de stad, de huidige Voorstreekgracht. Aan de Turf- en Tweebaksmarkt stonden de wat mindere huizen en dan alleen nog aan de westzijde, want de buiten de stadsgracht liggende oostzijde bleef tot in de zestiende eeuw schaars bebouwd.
Aan het eind van de vijftiende eeuw was er al geruime tijd behoefte aan een nieuwe stadsgracht. Leeuwarden (Nijehove) was sinds 1435 officieel verenigd met de buiten de stadsgracht gelegen 'buitenbuurten' Oldehove en Hoek. Zuidwestelijk van de omgrachte stad was er bovendien een nieuwe buurt ontstaan, de Nieuwestad. Verder werd Friesland aan het eind van de vijftiende eeuw geplaagd door vele gewapende conflicten. Een goede verdedigingsgracht was beslist geen overbodige luxe. Dat werd in 1487 pijnlijk duidelijk toen de stad door een Schieringer troepenmacht werd ingenomen en geplunderd. In 1496 voltooide men de gracht die bijna de gehele huidige binnenstad omsloot. De voormalige oostelijke stadsgracht was nu een binnengracht geworden.


Het blokhuis
De totstandkoming van de stadsgracht was niet de enige gebeurtenis op de drempel van de zestiende eeuw die bepalend zou zijn voor de ontwikkeling van het straatbeeld van de Tweebaksmarkt c.a. In 1498 werd hertog Albrecht van Saksen gehuldigd als landsheer van Friesland. Hiermee kwam een eind aan een lange periode in de Friese geschiedenis waarin een centraal gewestelijk bestuur nagenoeg ontbrak. Niettemin bleek het voor het Saksische bestuur een lastige opgave om in Friesland vaste voet aan de grond te krijgen. Veel Friezen voelden er niets voor om zich te onderwerpen aan een vreemde landsheer. Om zijn positie in Friesland zeker te stellen liet de hertog van Saksen daarom in de strategisch belangrijke plaatsen Harlingen en Leeuwarden blokhuizen of dwangburchten oprichtten.
In Leeuwarden werd de nagenoeg onbebouwde zuidoosthoek van de stad de meest geschikte plaats voor een dergelijke burcht geacht, waar deze in 1499 dan ook verrees. Voor de Leeuwarders overigens geen reden tot feest. Zij beseften maar al te goed dat het blokhuis er niet in de laatste plaats toe diende om de stad in bedwang te houden. Maar wat het nog erger maakte, was dat de kosten van de bouw voor rekening van de stad Leeuwarden kwamen. De stad had dit aan zichzelf te wijten. Het was namelijk een represaille voor het verzet dat aanvankelijk door de stad tegen de Saksische hertog geboden was. De blokhuizen alleen bleken evenwel niet afdoende voor de Saksische hertogen om hun gezag voorgoed in Friesland te vestigen. Het gewest bleef roerig en in 1515 deed de toenmalige hertog George, teleurgesteld in zijn trouweloze Friese onderdanen, de rechten op Friesland over aan Karel V. Voor de nieuwe landsheer was het Leeuwarder blokhuis eveneens een belangrijk instrument om zijn gezag in Friesland te consolideren.


Het klooster Galilea
De militair onrustige situatie rond 1500 had nog een belangrijk gevolg voor de ontwikkeling van het zuidoostelijk deel van de binnenstad. Het klooster Galilea dat in 1472 ten noordoosten van de stad gesticht was, werd in 1498 verhuisd naar de oostzijde van de huidige Tweebaksmarkt. De beweegreden hiervoor waren overwegend van militair-strategische aard. Vijandelijke troepen die de stad wensten te belegeren konden het onversterkte kloostercomplex buiten de stad makkelijk innemen en als uitvalsbasis gebruiken om de stad aan te vallen. Bovendien kregen de Franciscaner monniken door de verplaatsing van hun klooster een veiliger onderkomen binnen de kort daarvoor gereed gekomen stadsgracht.
Het klooster Galilea bepaalde in de zestiende eeuw in belangrijke mate de stedebouwkundige ontwikkeling van de zuidoostelijke binnenstad. Een aanzienlijk deel van de ruimte ten zuidoosten van de Tweebaksmarkt werd door het kloostercomplex in beslag genomen. Dit werd gebouwd in de zestiende eeuw. De meest monumentale gebouwen van het klooster waren: het Kapittelhuis en de Galileër kerk. Deze twee gebouwen verdwenen in respectievelijk 1849 en 1940 uit het straatbeeld.


Hoofdstad en episcopaat
De vestiging van een centraal gezag in Friesland ging niet alleen met wapengekletter samen. Geweld was voor de landsheren weliswaar een noodzakelijk middel om het gewest onder controle te krijgen, maar om het gewest onder controle te houden was een deugdelijk bestuur vereist. Een belangrijke rol was hierbij weggelegd voor de stadhouder, die de persoonlijke vertegenwoordiger van de landsheer in het gewest was. Indien hij in Leeuwarden was, dan resideerde hij doorgaans op het blokhuis.
De stadhouder regeerde samen met het Hof van Friesland, de belangrijkste bestuursinstelling in de landsheerlijke tijd. Het Hof had zowel gerechtelijke als bestuurlijke taken. Aanvankelijk had de Saksische hertog het Hof in Franeker gevestigd, een stad die zich van het begin af aan loyaal aan de nieuwe landsheer had betoond. Een definitieve regeling met betrekking tot het gewestelijke bestuur werd echter pas in 1504 getroffen. In dat jaar werd het Hof verplaatst naar Leeuwarden, dat daarmee tot hoofdstad van Friesland werd gekroond.
Het Hof van Friesland vond aanvankelijk een onderkomen in een gebouw dat even westelijk van het blokhuis stond, de oude Kanselarij. Echter in 1542 werd het gebouw, alweer uit militair-strategisch oogpunt, gesloopt. Het Hof werd toen provisorisch in het ziekenhuis van het klooster Galilea ondergebracht. Ondertussen werd er druk bij de centrale regering in Brussel gelobbyd om een nieuwe Kanselarij. Na lang dralen van Karel V en zijn opvolger Philips II kon pas in 1566 met de bouw begonnen worden en in 1571 werd de mo-numentale Kanselarij opgeleverd die nog steeds de Turfmarkt siert.
Terwijl de Kanselarij verrees vestigde zich op de Tweebaksmarkt nog een belangrijke instelling. Bij de herindeling van de bisdommen in 1570 was Friesland namelijk een zelfstandig bisdom geworden. Cunerus Petri, de eerste (en tevens laatste) bisschop van Leeuwar-den, koos een bescheiden huis schuin tegenover de Galilëer kerk als bisschoppelijk 'paleis'.


Opstand
Hoewel de Habsburgers (Karel V en Philips II) in Friesland veel steviger in het zadel kwamen dan hun Saksische voorgangers, bleven de verhoudingen tussen de landsheer en zijn Friese onderdanen gespannen. Bovendien kreeg ook in Friesland het protestantisme steeds meer aanhang, een doorn in het oog van de streng katholieke Habsburgers. Na een lange tijd van oplopende spanning en toenemende polarisatie, gebeurde wat onvermijdelijk was geworden. Tussen 1576 en 1580 ging Friesland hortend en stotend over naar het kamp van de opstandelingen tegen Spanje. Deze overgang werd gemarkeerd door de inname van het blokhuis in 1580 door de Leeuwarder burgerij onder leiding van burgemeester Adie Lammertsz.
Nu de Friezen Philips II als landsheer hadden afgezworen, werd het blokhuis - symbool van de landsheerlijke macht - ontmanteld. En de dwangburcht was niet het enige dat ontmanteld werd. Met het afzweren van de landsheer was ook het oude geloof afgezworen. Het calvinisme was nu de officiële godsdienst. De vele kloosters in en om de stad werden opgeheven en de kerken werden geschikt gemaakt voor de calvinistische eredienst. Dit lot was ook het klooster Galilea en de Galileër kloosterkerk beschoren. Met de ontmanteling van het kloostercomplex werd er ruimte geschapen voor de verdere ontwikkeling van de zuidoostelijke binnenstad.
Ruimte had men rond 1580 in Leeuwarden wel nodig; de stedelijke bevolking nam vanaf die tijd snel in omvang toe. In de jaren tachtig van de zestiende eeuw werd het gebied ten oosten van de Tweebaksmarkt daarom herverkaveld in regelmatiger percelen. Bovendien werd de rooilijn vastgesteld van de nieuwe straten in dit stadsdeel. Deze nieuwe wijk werd gestaag volgebouwd, vooral met huizen voor de minder vermogenden. Het geheel werd aan de zuid- en oostzijde omsloten door een nieuw gegraven binnengracht, die aanvankelijk het Blokhuisdiep genoemd werd en later de chiquere naam Keizersgracht kreeg.
Het Blokhuisplein en naaste omgeving boden rond 1580 nog een desolate aanblik. Langs de zuidelijke stadswal - in de richting van de Huizumer pijp of waterpoort - was reeds de Blokhuissteeg ontstaan. Ten noorden van het Zwitserswaltje bevond zich op de plek van de in 1498 geplunderde en nadien gesloopte Uniastins een ruim marktplein, alwaar de handel in ossen werd gedreven en dat uit dien hoofde ook wel werd aangeduid als het 'Ossenhyem'. De omgeving die we tegenwoordig kennen als het Blokhuisplein behoorde toe aan het blokhuis en diende tot 1580 tot het houden van wapenschouwingen. Ook stond hier het zogenaamde 'Ossenhuys'. Na ontmanteling van de sterkte in 1580 had het terrein haar oorspronkelijke functie verloren. Het 'Ossenhuys' werd gesloopt en de vrijgekomen gronden werden verkaveld en ter bebouwing afgestaan. In 1613 besloot het stadsbestuur dat men 'tot chiraet van de stadt bij het Blockhuijs een sierlijck lyndhoff planten sall'. Sindsdien werd het Blokhuisplein ook wel aangeduid als 'Op het Lyndehoff' (1642) of 'Onder de Boomtjes' (1810).


Nieuwe machthebbers
Bij de politieke omwenteling tussen 1576 en 1580 ging de soevereiniteit over het gewest van de landsheer over op de statenvergadering, waarin de afzonderlijke steden en grietenijen vertegenwoordigd waren. De Staten hadden in de landsheerlijke tijd een ondergeschikte rol gespeeld in het gewestelijk bestuur. Zij werden slechts dan bijeengeroepen als de landsheer dat nodig vond. De Staten hadden dan ook geen vaste vergaderruimte. Statenvergaderingen, landsdagen, werden soms gehouden in het Dominicaner klooster in Leeuwarden, maar ook wel in Harlingen en Franeker.
Nu de soevereiniteit bij de Staten lag, was het wenselijk dat zij een permanenter karakter kregen. Sinds 1594 kwamen zij daarom op een vaste plaats bijeen, namelijk in het voormalige Kapittelhuis van het Galileër klooster dat toen werd ingericht als Landshuis. Niettemin kwam de voltallige statenvergadering maar gedurende enkele weken per jaar bijeen. Het dagelijks bestuur over het gewest kwam in handen van de Gedeputeerde Staten. Dit college vond onderdak in het bij de Reformatie geconfiskeerde bisschoppelijk paleis.
De nieuwe positie van Friesland als soeverein gewest binnen de Republiek had nog meer gevolgen voor het straatbeeld van de Tweebaksmarkt c.a. Op het terrein van het ontmantelde klooster Galilea werd in 1580 de Friese munt gevestigd, waarin gedurende een eeuw munt is geslagen. Tevens werd hier de militaire gevangenis van de geweldige provoost (1589-1824) gevestigd.


Markten in de zestiende en zeventiende eeuw
Hoewel de instellingen die zich in de zestiende eeuw op de Tweebaksmarkt c.a. vestigden beslist allure hadden, hebben zij op de naamgeving van de straat uiteindelijk geen invloed gehad. Van het begin af aan werd er namelijk ook markt in deze straat gehouden. Al vroeg in de zestiende eeuw komen we de straat - toen nog in zijn geheel - tegen als de Nieuwemarkt. (1504 oppa nye merkit) Gedurende de hele zestiende eeuw bleef deze straatnaam in gebruik. Waarschijnlijk werden op de kaden van de gracht verscheidene goederen verhandeld, maar in de loop van de zestiende eeuw concentreerde zich hier de handel in twee specifieke producten: turf en beschuit.
De Turfmarkt was zeker sinds 1582 het decor van de handel in turf. In de gracht lagen de turfschepen van waaruit de handel gedreven werd. De meeste turf die hier verkocht werd, was bestemd voor verbruik in het klein. Grootverbruikers zoals brouwers en bakkers bestelden meestal hele scheepsladingen buiten de markt om. Dit was voor hen veel voordeliger. Zij bespaarden zo op de kosten die door tussenhandel gemaakt werden, en bovendien hoefden ze dan de stedelijke accijns op turf niet te betalen.
Met tweebak wordt beschuit bedoeld. Deze wordt namelijk tweemaal gebakken: één keer bij lage temperatuur om hem gaar te maken en één keer bij hoge temperatuur om hem bros te maken. In 1581 besloot het stadsbestuur na een klacht van de Leeuwarder bakkers dat 'de vreemde luyden met scheepen incomende twyback te vercopen, met de selve schepen leggen zullen voorde olde cancelarije van geleyster pijpe aff voorts nae 't olde blockhuys strekkende. Ende zullen aldaer mogen vercopen uuyte scheepen ende van de wall op de weeckmerckten ende jaarmerckten'. De beschuitschippers kwamen merendeels uit Holland en verkochten de producten van de opkomende Zaanse beschuitindustrie. Halverwege de zeventiende eeuw ging deze industrie echter hard achteruit en tegelijkertijd verdween de beschuitschipperij. De Tweebaksmarkt werd toen overgenomen door de groentehandelaren.
Stadsarchivaris Wopke Eekhoff beklaagde zich er halverwege de negentiende eeuw over dat de Tweebaksmarkt toen nog altijd die naam droeg "dewijl hier sedert 200 jaren geen markt van beschuiten meer wordt gehouden". Hij stelde voor de naam in Heerengracht te veranderen, wat overigens geen ingang vond. Wel was het hem gegund het zuidelijke deel van de Tweebaksmarkt om te dopen in Druifstreek, genoemd naar de daar sedert lange tijd gevestigde brouwerij de Druif.


Het ontmantelde blokhuis
Na de inname van het blokhuis in 1580 werd niet het hele complex gesloopt. Veel elementen van de burcht kregen een andere functie. Van de vier rondelen van het blokhuis bleef de zuidoostelijke, de zogenaamde pijnigtoren, overeind staan. Deze werd in de verdedigingswal van de stad opgenomen en deed later tevens dienst als kruitmagazijn. De kapel van het blokhuis kreeg een vergelijkbare functie als ammunitiehuis. Het hoofdgebouw werd daarentegen door de Staten van Friesland ingericht als gewestelijke gevangenis. Tegen de westgevel van dit gebouw werd een schavot opgericht waar executies uitgevoerd werden.
In 1660 werd besloten om op het nog openliggende deel van het blokhuisterrein een onderkomen te bouwen voor het gewestelijke tuchthuis. Op 26 september 1661 werd dit gebouw opgeleverd. In dit Werck- ende Ambachtshuyse werden bedelaars en kleine criminelen opgesloten "om eene ambacht geleert te worden om haer eygen kost sonder beswaringhe van andere te konnen verdienen". Een kleine eeuw na de oplevering, in 1754, werd het gehele Tuchthuis door brand verwoest, waarbij enkele gevangenen in de vlammen omkwamen en anderen van de gelegenheid gebruik maakten om te ontsnappen. Vrij snel werd echter met de bouw van een nieuw en groter Tuchthuis begonnen, dat in 1756 op de plaats van het oude verrees.


Bewoning in de zeventiende en achttiende eeuw
Doordat de belangrijkste gewestelijke bestuursinstellingen op de Tweebaksmarkt c.a. gevestigd waren, kreeg deze straat ook een zeker cachet als woonstraat - in het bijzonder voor diegenen die beroepshalve met het provinciaal bestuur verbonden waren. Enkele advocaten en procureurs woonden er op kruipafstand van hun werk. Tevens verrezen er in de achttiende eeuw twee voorname adelshuizen: het laat 18de-eeuwse Eysingahuis (Turfmarkt 24) en het herenhuis dat in 1739 gebouwd werd in opdracht van Catharina van Sminia, weduwe van Gozewijn baron van Coehoorn (Tweebaksmarkt 36). Toch was het niet alleen de elite die hier woonde. Er woonden ook middenstanders als bakkers, brouwers, herbergiers en winkeliers. En in de zijstraten en -stegen van de Tweebaksmarkt c.a. woonden zelfs zeer armlastige gezinnen.


Bestuursinstellingen in de negentiende en twintigste eeuw
In de Bataafs/Franse tijd verloor Friesland haar positie als soeverein gewest. De Staten moesten voortaan in de nationale regering hun meerdere erkennen. Deze ondergeschikte positie werd halverwege de negentiende eeuw nog eens versterkt met de invoering van de Grondwet en de Gemeentewet. Enigszins symbolisch kwam dit ook in het straatbeeld van de Tweebaksmarkt c.a. tot uiting. In 1849 werd het Landshuis - eens de zetel van de trotse soevereine Friese Staten - afgebroken om plaats te maken voor het nieuwe Ritske Boelema Gasthuis. Het provinciaal bestuur werd in zijn geheel gehuisvest in het voormalige College van Gedeputeerde Staten. Door verscheidene uitbreidingen groeide dit gebouw uit tot het complex dat we nu kennen als het Provinsjehûs.
De ondergeschikte positie van Friesland binnen de Nederlandse eenheidsstaat had niet alleen gevolgen voor het bestuur van de provincie. In 1811 werd het Hof van Friesland, de hoogste instantie van het eigen Friese rechtsstelsel, opgeheven. Voor de Kanselarij moest derhalve een andere functie gezocht worden. Voor de restauratie van het gebouw in 1892-1897 zou het onder andere als militair hospitaal en huis van bewaring dienen.


Bewoning in de negentiende en twintigste eeuw
Ook in de negentiende en het begin van de twintigste eeuw woonden er veel deftige burgers op de Turf- en de Tweebaksmarkt, zoals juristen en politici. Van de Leeuwarder burgemeesters woonden achtereenvolgens Feenstra, Bieruma Oosting, Zimmerman en Patijn aan de Tweebaksmarkt. Ook parlementariërs als Van Eysinga en Bloembergen hadden hier hun woning. Doordat de grote herenhuizen vaak uitgebreid werden door de belendende huizen in te kapselen, zal het cachet van de straat nog verder zijn vergroot. Toch kreeg de Tweebaksmarkt ook in de negentiende eeuw geen exclusief karakter. Er bleef ruimte voor middenstanders en hun bedrijven.
In de twintigste eeuw is de woonfunctie van de Turf- en de Tweebaksmarkt gestaag verminderd - een lot dat ook veel andere hoofdstraten in de binnenstad heeft getroffen. Door de almaar toenemende ruimtebehoefte van bureaucratische instellingen en bedrijven als de PTT bleef er weinig ruimte voor wonen over. Bovendien veranderden de woonwensen van de maatschappelijke bovenlaag door de groeiende automobiliteit. De binnenstad legde het af tegen de buitenlucht. Bewoners uit andere sociale groepen namen eveneens grotendeels de wijk. Verder is in het midden- en kleinbedrijf de afgelopen eeuw het wonen steeds meer gescheiden van het werken. Ten slotte werden de mingegoeden door de sociale woningbouw uit hun schamele woningen in de binnenstad weggelokt.


Gevangenis en ziekenhuis
Gedurende de afgelopen twee eeuwen zijn de taken van de overheid fors uitgebreid. Bovendien zijn veel taken van de lagere overheden naar de nationale overheid overgeheveld. Beide ontwikkelingen zien we terug in het gevangeniswezen en de gezondheidszorg, twee overheidstaken die het gezicht van het blokhuisterrein flink zouden veranderen.
Bij Koninklijk Besluit van 4 november 1821 werd het blokhuiscomplex, bestaande uit Tuchthuis en Provinciale Gevangenis, aangemerkt als één van 's Rijks Grootste Gevangenissen. Na meerdere ingrijpende verbouwingen, werd het complex in 1889 nogmaals omgedoopt, ditmaal in Bijzondere Strafgevangenis en Huis van Bewaring. In deze gevangenis kwamen de zwaar gestraften (vijf jaar of meer) uit het hele land. Sinds 1970 doet de strafgevangenis als zodanig geen dienst meer en wordt alleen het Huis van Bewaring nog gebruikt.
Tegenover de gevangenis had in 1825 het Stadsziekenhuis een onderkomen gekregen in een gebouw dat eerder als militair hospitaal en daarvoor als scherprechterswoning had gediend. Dit gebouw moest in 1841/'42 plaats maken voor een nieuw ziekenhuis, gebouwd naar een ontwerp van de stadsarchitect Thomas Romein. Het Stadsziekenhuis was aanvankelijk bedoeld voor de armere Leeuwarders. De meer welgestelden werden thuis verpleegd. Langzaam is het Stadsziekenhuis uitgegroeid tot een modern ziekenhuis waarin de zieken niet alleen opgevangen maar ook behandeld werden. Het Stadsziekenhuis is in 1971 gesloopt, kort na de opening van het beter geoutilleerde Triotel (thans MCL Zuid). Enkele noviteiten ter plekke zijn de ‘Arkeltoren' (afkomstig van het St. Frederiksgesticht aan de Keizersgracht) en de Blokhuisbrug.


Demping grachten
Grachten werden in de negentiende eeuw steeds meer beschouwd als bronnen van stank en besmettingsgevaar. Door een andere inrichting van handel en verkeer waren zij bovendien steeds minder belangrijk voor de stedelijke infrastructuur. Net als in veel andere steden werden daarom veel grachten in Leeuwarden gedempt. In 1894 viel dit lot ook de Tweebaksmarkt c.a. ten deel. Overigens niet zozeer om de omwonenden van de stank te verlossen; er was zoveel achterstallig onderhoud aan de kademuren dat demping simpelweg de goedkoopste oplossing was. De Keizersgracht bleef bij deze operatie evenwel gespaard. Deze werd pas in de jaren vijftig van onze eeuw gedempt om het toenemende autoverkeer de ruimte te geven.
Tijdens de demping van de gracht onderging het straatbeeld van de Tweebaksmarkt c.a. nog een ingrijpende wijziging. Tegelijkertijd werd namelijk het vaarwater van de Tuinen verbreed. Hiervoor werden de huizen aan de zuidzijde van de Tuinen, tussen de Turfmarkt en de Voorstreek, afgebroken, waaronder het hoekhuis aan de Turfmarkt. Het vrijgekomen gedeelte aan de Tuinen z.z. kreeg een bestemming als handelskade, maar heeft als zodanig nooit gefloreerd. Wel kwam zo een brede rijweg beschikbaar aansluitend op de Tweebaksmarkt c.a., na de demping van de gracht eveneens een brede rijweg.

Cultuurschatten
Gedurende de twintigste eeuw is de Tweebaksmarkt c.a. lange tijd dé straat geweest waar veel van de provinciale cultuurschatten bewaard werden. Na de restauratie van de Kanselarij in 1892-1897 vestigden zich in dit monumentale gebouw de Provinciale Bibliotheek en het Rijksarchief van Friesland. In 1921 kreeg tevens de Openbare Bibliotheek onderdak aan de Tweebaksmarkt. Deze instellingen hebben inmiddels een onderkomen elders in de stad gevonden. Maar gebleven is de provinciale schatkamer bij uitstek: het Fries Museum.
In 1879 had het Friesch Genootschap het monumentale Eysingahuis aangekocht om daar het Fries Museum in onder te brengen, dat in 1881 werd geopend. Aangezien de museumcollectie al in de beginjaren snel groeide, werd het museum al spoedig met de belendende panden uitgebreid. En dat was nog maar het begin. Sindsdien is het museum meerdere malen uitgebreid en verbouwd. Bij de laatste verbouwing in 1993-97 is het Fries Museum middels een ondergrondse tunnel verbonden met de Kanselarij, waar sinds het vertrek van het Rijksarchief in 1976 het Verzetsmuseum was gevestigd. Voor de samengevoegde musea verrees naast de eeuwenoude Kanselarij een opvallend modern entreegebouw.
De laatste verbouwing van het Fries Museum heeft de gemoederen in de stad stevig in beroering gebracht. Aanvankelijke plannen om het Eysingahuis en de Kanselarij door een luchtbrug met elkaar te verbinden stuitten op zoveel weerstand dat uiteindelijk voor de minder opvallende tunnel is gekozen. Het hypermoderne ontwerp van de nieuwe entree stuitte eveneens op veel bezwaren, maar hier werd geen gehoor aan gegeven. Het straatbeeld van de Tweebaksmarkt c.a. is veel Leeuwarders duidelijk dierbaar. En uit de verbouwing van het museum blijkt ook dat dit straatbeeld nog steeds in beweging is.


1. Turfmarkt 8 en Tuinen 2

Turfmarkt 8
Het meest interessante aan het huis Turfmarkt 8 is dat het toegang verschaft tot de achterzijde van de curieuze gevelwand aan de zuidzijde van de Tuinen. De smalle gang voor de bediening van de toonkasten is nog intact. Het voormalige urinoir en andere aanbouw uit 1933 is vervallen en bij nr. 8 getrokken, hoewel nog deels herkenbaar. Het in 1857 ingrijpend verbouwde herenhuis verdient zelf overigens ook enige aandacht. Het huis heeft een lijstgevel met op de verdieping drie zesruitvensters. De ingang zit rechts, met daarnaast twee ramen. De gevel is van keurig gevoegde bruine baksteen opgebouwd en wordt afgesloten door een kroonlijst. Alle openingen worden ontlast door hanekammen. De deur heeft een fraai bovenlicht en een keurige omlijsting.
Het pand heeft een boeiende gebruiksgeschiedenis. In de achttiende en het begin van de negentiende eeuw werd deze "sterke en plaisierige huizinge" door adel en patriciaat gebruikt als beleggingsobject. Het huis, destijds met een waarde van rond 1400 gulden ging vaak in andere handen over en werd in de regel verhuurd aan notabelen. Omstreeks 1820 woonde er stadssecretaris Ypey, berucht door het verkopen van een groot deel van het oud-archief van de stad als 'scheurpapier'. De geneesheer Nicolaas Lobry van Troostenburg de Bruyn liet in 1857 het pand ingrijpend verbouwen. Diens opvolger was de als taal- en oudheidkundige bekend geworden arts Johan Winkler. Ook een zus van de schrijver François Haverschmidt en de architect Herman Rudolf Stoett met zijn gezin woonden hier een aantal jaren. Vanaf circa 1920 werd het huis gebruikt als kantoorruimte ten behoeve van achtereenvolgens de Belastingen, Rijkswaterstaat en de B.B. De bovenverdiepingen zijn weer als woonruimte ingericht. Nog dit jaar zal op de begane grond een galerie worden gevestigd.


De hoek Turfmarkt-westzijde / Tuinen-zuidzijde
Ondanks de verwijdering van de Tuinsterwaterpoort in 1818 en de vervanging van de Tuinsterbrug in 1859 werd de toegang tot de binnenstad vanaf de oostzijde steeds problematischer voor het verkeer. Zelfs drastische maatregelen als het afbreken in 1890 van de huizen Voorstreek 276 en Turfmarkt 2 (oude nummering) en de grachtdemping van 1894, waardoor de smalle houten trapjesbrug die de oostzijde van de Turfmarkt met de noordkant van de Tuinen verbond overbodig werd, boden slechts tijdelijk soelaas. Toen in de jaren twintig het autoverkeer in een stroomversnelling raakte, bleek de aansluiting op de straten aan de noordzijde van de Turfmarkt nog steeds slecht.
De directeur van Gemeentewerken, C.H. van der Vlis, werkte in 1931-'32 een plan uit om het bruggenpaar over Tuinen en Voorstreek te verenigen tot een brugplein zonder niveauverschil en te verbinden met de Turfmarkt. Wederom moest er langs de Tuinen-zuidzijde een aantal panden worden gesloopt. De opruimwoede trof aan de Turfmarkt een 17de-eeuws huis met trapgevel en een zeperij die omstreeks 1780 reeds bestond. Aan de Voorstreek werd het ouderlijk huis van de publicist Alexander Cohen afgebroken. Door de sloop kwamen onverzorgde zijgevels in het zicht en bleef er een scheef kavel grond over, 49 meter breed en aan de Voorstreek-kant 4,6 meter diep en aan de Turfmarkt-zijde slechts 60 centimeter!

Tuinen 2
In 1933 werd voor dit merkwaardige kavel door stadsarchitect Justus Zuidema een bebouwingswand ontworpen. Aan de ene zijde had hij slechts ruimte voor een drietal toonkasten, aan de andere zijde nog ruimte voor twee winkeltjes of kiosken. Daartussen kon hij een traforuimte voor het elektriciteitsbedrijf, een pompgemaaltje voor grachtwater, een zandbergplaats en een openbaar urinoir plaats geven. De gevel kreeg bovendien de voor die tijd bijzondere functie van reclameprojectiewand. Op de hoek Tuinen/Voorstreek werd een lichttoren gebouwd. Aan de Turfmarktzijde kwamen op de toonkasten vijf lichtbakken met elk drie vakken, waarvan de laatste even uitstak over de Turfmarkt.
Die vele verschillende functies heeft Zuidema samengevat in een eenheidscheppende architectuur. De stijl, verwant aan de Amster-damse School, is Zakelijk Expressionistisch te noemen. Het geheel vormde een merkwaardig moderne ingreep in de historische stad. Er werd zeer uiteenlopend gereageerd op de Tuinenwand. De Schoon-heidscommissie ging slechts akkoord op voorwaarde dat de aan te brengen reclames telkens opnieuw ter beoordeling zouden worden voorgelegd om ontsiering van het stadsbeeld te kunnen voorkomen. In de vooroorlogse jaren was de wand zo'n opzienbarend fenomeen dat architecten en reclamedeskundigen speciaal naar Leeuwarden kwamen. Bijzonder was eveneens dat het project winst opleverde.
Na de oorlog is de reclamefunctie van de wand geleidelijk verlopen. De radiohandel en het sigarenmagazijn, die waarschijnlijk in het winkelgedeelte gevestigd waren, werden naar elders verplaatst. De firma Vermeulen Bouwmaterialen, die in de jaren zestig het grootste deel van het complex gebruikte als showroom, liet het gebouw behoorlijk aanpassen. De kiosken werden tot één verkoopruimte verenigd, waarbij het kantoorgedeelte verdween. De kleine erkerachtige etalages en het daartussen gelegen buitenmuurgedeelte werden vervangen door een geheel glazen etalagepui die van de vloer tot aan de bestaande luifel liep. De lichtbakken werden buiten gebruik gesteld en de lichttoren werd voorzien van lichtletters.
Het fraaie metselwerk van gele steen is vuil geworden in de loop der jaren. De aangeplakte affiches ogen slordig. De aanwezigheid van een bloemenzaak fleurt het geheel nog wat op. Ondanks de recente 'verrijking' van de gevel met een abri voor de stadsbusdienst en een spandoek van het Fries Museum, verdient deze wand meer initiatieven.


2. Turfmarkt 12
Het pand Turfmarkt 12 grenst links en rechts aan de reeks panden die tot het Fries Museum behoren. Het is sedert enkele jaren eigendom van de Stichting Friesland 1940-1945. Deze stichting heeft tot doel de zorg voor de nagelaten betrekkingen van verzetsslachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Het verzorgingsgebied omvat het grootste deel van de provincie Friesland. In het zuidwesten van de provincie werkt de Stichting Sneek 1940-1945.
Ten tijde van de grootscheepse verbouwing en uitbreiding van het Fries Museum heeft de Stichting, die eerder aan de Westersingel was gehuisvest, het pand aangekocht als zetel voor bestuur en admini-stratie, maar ook om onderdak te verschaffen aan de unieke bibliotheek van het Verzetsmuseum dat deel uitmaakt van het Fries Museum. Zo ligt er een duidelijke relatie met het Fries Museum.
Het betrekkelijk eenvoudige pand staat op een zeer ondiep perceel. De bebouwing is hier duidelijk van later datum dan de panden aan de Voorstreek met hun diepe achterterreinen. Aan de achterkant heeft Turfmarkt 12 alleen een bescheiden platje. Een merkwaardigheid is dat het pand geen eigen zijmuren heeft. Aan beide kanten rusten de balken op de muren van de buurhuizen.
De bouw wordt gesteld op de eerste helft van de zeventiende eeuw. De ontlastingsbogen boven de later gewijzigde vensters in de voorgevel herinneren duidelijk aan deze periode. Waarschijnlijk had het gebouw oorspronkelijk een trapgevel. Aan het eind van de achttiende eeuw zal deze zijn vervangen door de huidige bekroning met een kroonlijst en dakkapel. De indeling van de ramen op de verdieping zal uit de tweede helft van de negentiende eeuw dateren. Omstreeks 1920 kreeg het pand beneden een breed etalageraam. Bij de jongste restauratie is de oude indeling van de gevel hersteld.
In de loop van zijn bestaan heeft het huis vele en zeer afwisselende bewoners gekend. Allerlei beroepen zijn hier uitgeoefend.
Over de eerste eeuw zijn we slechts spaarzaam ingelicht. Zeker is dat het huis in 1749 door Anna van Velsen, weduwe van Anthony Korf, werd verkocht aan mr. bakker Nollius Hajonides. Deze verkocht het in 1762 aan Pieter Boorsma, mr. verver en glasmaker.
Reeds in de achttiende eeuw was het pand in tweeën gesplitst. Doordat het huis bovendien naast de hoofdbewoners vaak ook inwonenden kende, is het door zeer velen bewoond geweest.
Tot de bewoners hebben behoord Juffer Dodonea van Idsinga, uit een bekende Friese familie (circa 1800); zilversmid A.J.Rooswinkel, van wie enig werk in het Fries Museum aanwezig is (circa 1820); in 1829 kleermaker Ruurd Boshuyer en in 1839 weer een zilversmid Joh. Jungers van Hofhuizen. In 1843 staat het pand bekend als 'veerhuis van Suawoude'.
Tussen 1860 en 1893 waren er kleermakers gevestigd. Verder woonden er in deze periode een telegrafist en een opzichter telegrafie. Opvallend voor Leeuwarder begrippen was ongetwijfeld de kapitein der infanterie G.Ph.P. baron Creutz, zoon van een Zweeds officier die in Nederlandse dienst was getreden. Hij was in 1858 op St. Eustatius getrouwd met de op het eiland geboren Patricia Moore. Tegen het eind van de eeuw woonde in het pand onder meer S. Sitters, Joods godsdienstleraar en meer dan veertig jaar Oppervoorzanger in de Synagoge. In latere jaren was hij in het Leeuwarder straatbeeld met zijn dagelijks gedragen hoge hoed, zijn onberispelijke zijden sjaal, zijn wandelstok met zilveren knop en zijn lange witte baard hét prototype van de Joodse patriarch. Ook woonden er de orgelmaker A. Timmenga, oprichter van de bekende nog bestaande orgelmakerij Bakker en Timmenga, en de muziekonderwijzer B. Posthumus.
Later werd het pand ook voor opslag gebruikt. Toen het door de Stichting Friesland 1940-1945 in 1993 werd aangekocht was het in desolate staat. Door de intensieve bewoning waren veel oude onderdelen verdwenen.
Bij de renovatie is het huis opnieuw ingericht en aan de tegenwoordige eisen aangepast, waarbij zoveel mogelijk met de oude elementen rekening is gehouden. Zoals vanouds wordt het pand gesplitst gebruikt. Beneden is de Stichting gevestigd, boven is een atelierwoning, bewoond door de beeldend kunstenaar Syb Velink. De indeling van de benedenverdieping sluit aan bij de oude situatie met aan de straatzijde een vertrek op de begane grond en aan de achterzijde een opkamer boven de nieuwe kelder. De kamers staan met elkaar in open verbinding. De voorkamer doet dienst als bestuurskamer voor de Stichtingsraad en de achterkamer huisvest het secretariaat.
In de benedenverdieping is de oude balkenzoldering te zien. In de voorkamer is nog een deel van een later plafond aanwezig. Vanaf het platje is de zorgvuldig gerestaureerde tuitgevel te bewonderen, die veel meer dan de voorgevel het 17de-eeuwse karakter heeft bewaard.
In de bovenwoning bevat het trappenhuis de bij de restauratie aangetroffen spiltrap uit de bouwtijd, terwijl in het atelier de oorspronkelijke balkenzoldering en dakconstructie te zien zijn.


3. Turfmarkt 11 (Kanselarij en Eysingahuis)
Leeuwarden is rijk aan monumentale bouwwerken, zoals de Oldehove, de Grote Kerk, het pastoorshuis, de Kanselarij, of de Bonifatiuskerk, waarvan de toren nog steeds het silhouet van het centrum beheerst, enzovoort. Wanneer men nu historisch geïnteresseerden zou vragen een voorkeur uit te spreken voor één van die bouwwerken, dan is het goed denkbaar dat veelvuldig de Kanselarij zal worden genoemd. Ook thans nog wordt de reguliere bebouwing onderbroken door deze steenkolos, die ondanks zijn architectonisch fraaie uitdossing nog steeds een grimmige indruk wekt.
De Kanselarij was dan ook ontworpen om gezag uit te stralen. Het bouwwerk kwam tot stand in de jaren 1566-1571. De bouwheer was Philips II en de bouwmeester was Bartholomeus Janszoon. Het gebouw diende oorspronkelijk als gerechtsgebouw, maar werd later voor tal van functies gebruikt.
Bij het ontwerp van het gebouw is goed gekeken naar het type woonhuis dat de voorkeur van de adel genoot. In de eerste helft van de 16de eeuw, en kort daarna, was het complexe huis in zwang; een bouwwerk van een haaks op elkaar staand voor- en achterhuis met een traptoren. Aan de straat kreeg men een diep of een dwarshuis. De traptoren kwam veelal in de kruising van de twee bouwdelen.
Het voordeel van een diep huis aan de straat was de mogelijkheid tot de aanleg van een voorplein. Bij het Kapittelhuis, waar de Kanselarij een buurpand van werd, was voor deze opzet gekozen. Bij de aanleg van de Kanselarij achtte men een voorplein niet nodig. Het gewenste effect van overheidsgezag kwam beter tot uitdrukking in een forse massieve dwarsvleugel langs de straat.
Achter deze vleugel staat haaks een kort, maar even hoog aangebouwd diep huis. Op de snijding van deze twee bouwdelen is een traptoren. Intern is in bouwkundig opzicht veel fraais te bespeuren. De in de koker aangebrachte trap heeft een getordeerde stenen spil met eikenhouten treden. Het gebouw heeft een fraaie kelder met kruisgewelven. De bel-etage en de verdieping hebben plafonds die gedragen worden door zware moerbinten, met dwars daarop kinderbinten. Het gebouw wordt gedekt door een geheel eiken kap.
Sinds de bouw van de Kanselarij is er veel veranderd in het stukje stedelijk weefsel aan de Turfmarkt en daaromheen. Langs de straat aan de overzijde, de Turfmarkt-westzijde, verrezen huizen voor de gewone burgers. Dit waren hoofdzakelijk huizen met een langskap en een architectonisch voorkomen dat niet misstond bij de Kanselarij.
Dit veranderde in de 18de eeuw. In de periode 1779-1783 werd één van de twee dwarshuizen aan de Turfmarkt-westzijde, het Vegelinhuis, tegenover de Kanselarij, gedeeltelijk afgebroken en trok men hier een herenhuis op, het Eysingahuis. De bouwheer was jonker Frans Julius Johan van Eysinga (1752-1828).
Het Eysingahuis werd niet in één operatie neergezet. Voor de bouw van het huis was een reeks percelen aan de zuidzijde van de Turfmarkt en de noordoostzijde van de Koningsstraat vereist. Jonker Frans slaagde er weliswaar in de meeste benodigde percelen te verwerven, maar uitgerekend het hoekpand kreeg hij niet. Dit hoekpand stond bekend als De Bargekop en hier woonde de boekhandelaar en drukker Johan Seydel. Niettemin werd begonnen met de bouw van het Eysingahuis dat gerealiseerd werd zonder bebouwing van het hoekperceel. In 1806 kwam De Bargekop toch nog in de handen van jonker Frans en completeerde men het herenhuis.
De statische bouwvorm van het Eysingahuis sloot niet aan bij de levendige gevelornamentiek van de huizen noordwaarts in de straat. De allure en maatvoering wedijveren met de Kanselarij in monumentaliteit. Het evenwichtig gelede en plechtige Eysingahuis doorbrak de architectonische en bouwhistorische rust aan de Turfmarkt. Hier zou het niet bij blijven.
Tot 1879 bleef het Eysingahuis in particulier bezit. Het huis werd toen door jonkvrouw C.A. de Beaufort verkocht aan het Friesch Genootschap. De jonkvrouw was mede erfgename met jongheer Tjalling Aedo Johan van Eysinga (1790-1858), die in 1790 geboren werd in het Eysingahuis en daar zichzelf in 1858 van het leven benam.
In 1881 werd het Eysingahuis door het Friesch Genootschap in gebruik genomen als Fries Museum. Het museum breidde zich uit door de aankoop van naburige panden. Grote uitbreidingen vonden plaats in 1974-1976 en in 1993-1997. Gedurende beide bouwoperaties kwam het erop neer dat een aantal van de panden aan de Turfmarkt-westzijde werden opgeruimd om plaats te maken voor museumruimte. Ook aan de overzijde waren de veranderingen van het straatbeeld door het zich uitbreidende museum groot. Opgenomen in de instelling het Fries Museum werd ook de Kanselarij. Door de uitbreiding bevonden de ruimten van het museum zich nu aan weerszijden van de Turfmarkt, waardoor het logistiek probleem van een verbinding zich voordeed. De oorspronkelijk voorziene luchtbrug werd afgekeurd, zodat als enige oplossing een tunnel resteerde.
De interieurs van zowel de Kanselarij (Turfmarkt 11) als het Eysingahuis (Turfmarkt 24) zijn thans in gebruik als expositieruimten. In het kader van de Open Monumentendag kan echter gewezen worden op de bouwhistorische aspecten die deze gebouwen te bieden hebben. In de Kanselarij, het laatste gotische bouwwerk van de stad, kan men middeleeuwse bouwkunst ervaren. Het Eysingahuis bezit vertrekken in de Lodewijk XVI-stijl.
De gotische bouwaspecten van de Kanselarij blijken uit de constructie, zoals het gewelftype van de kelder, het samengesteld balksy-steem, de zware muren en de forse kap. Het meest sprekende onderdeel van het gebouw is de gevel. De verdiept liggende nissen met driepassen in de boogvelden boven de ramen zijn nog gotische kenmerken. In het levendige gebruik van natuursteen en twee kleuren baksteen, herkent men echter ook al renaissancistische trekken.
Een groot deel van het Eysingahuis is aangepast aan de eisen van de presentatiefunctie, waardoor van het oorspronkelijk interieur maar weinig te zien valt. Anders is dat met de bel-etage. Hier zijn de vertrekken in ongeveer de originele staat teruggebracht. Men herkent de strakheid van de Lodewijk XVI-stijl met de daarin verwerkte klassieke ornamentering.


4. Koningsstraat 10
Het charmante pand Koningsstraat 10 met zijn elementaire neo-klassieke uitdrukking is voorzien van een voor Leeuwarden zo karakteristieke ronde hoek. Toen in de tweede helft van de vorige eeuw plannen werden ingediend om hoekpanden te verbouwen of te renoveren werd er van stadswege vaak op aangedrongen om dergelijke afron-dingen uit te voeren. Dit om het nemen van bochten door het steeds drukker wordende stadsverkeer te vergemakkelijken. Hiertoe werden zelfs subsidies verstrekt. Waarschijnlijk heeft de bekende architect Stoett, die voor het eerst het afronden van hoekgevels in Leeuwarden heeft toegepast, dit pand ontworpen. De afbraak en herbouw zou in 1880 kunnen hebben plaatsgevonden, toen het kleermakersgezin Elzinga het huis in mei verliet en de nieuwe bewoners - de boekbinder Kühn en familie - ruim een half jaar later de woning betrokken. In de ruim vijf maanden dat er op dit adres niet is gewoond, zou het pand dan gebouwd moeten zijn. Ook berust in het Gemeentearchief nog een brief - gedateerd 10 februari 1881 - van hoofdopzichter Noordendorp van Gemeentewerken, die namens zijn zieke directeur Thomas Romein voorstelt om de krappe vierkante meter grond van de eigenaar over te nemen die vrij was gekomen door de afronding van het hoekpand. Men is kennelijk niet tot overeenstemming gekomen want op 21 augustus 1894 doet Noordendorp, dan inmiddels directeur, wederom een zelfde voorstel.
Vanaf de Tweebaksmarkt gezien behoort het pand tot één van de smalste huizen van de stad. Echter aan de zijde van de Koningsstraat kan worden gesproken van een tamelijk diepe woning. Het pand is gebouwd op de kelderverdieping van zijn voorganger. Het huis valt niet alleen op omdat het zo smal is. Ook de trapstoep, waar onlangs twee sierlijke leuningen aan zijn toegevoegd, springt meteen in het oog, zoals ook de kleine keldervensters in de gepleisterde plint. De winkel - recentelijk weer tot leven gewekt dankzij het antiquariaat van Auke van Kammen - wordt aan de bovenzijde afgesloten met een kroonlijst. Het pand is opgetrokken uit grauwbruine baksteen en bezit nog zijn oorspronkelijke T-vensters. De gevel wordt beëindigd door een kroonlijst. Het meest fascinerende onderdeel van het exterieur is de afgeronde dubbele deur met glaspanelen en bovenlicht, die nog in oor-spronkelijke staat verkeren. Zelfs het opmerkelijk kleine brievenbusje is nog intact.

Ook het interieur verkeert nog in redelijk oorspronkelijke staat. De kleine winkelruimte heeft nog verticale houten delen op de wanden. Een grote zeldzaamheid! Vensteromlijstingen en aardig stucwerk op het plafond completeren het interieur. De achtersalon, nu bij de winkel getrokken, is vernieuwd. Achter in die salon is het trapje naar de kelder. In die kelder is een tussenwand gedeeltelijk weggehaald. In het achterste gedeelte zit nog een flinke, met witjes betegelde schouw.

Natuurlijk mag niet onvermeld blijven dat eind jaren vijftig de kelder van dit pand was ingericht als Griezelkelder. Oprichter en 'directeur' Wierstra wist 'de eerste Leeuwarder griezelkelder met gevangenismuseum annex wassenbeeldenkabinet' uit te bouwen tot een bijzondere toeristische attractie. In de Griezelkelder waren met behulp van oude etalagepoppen opstellingen gemaakt van "feskrikkelijke dingen die in Friesland gebeurd binne". Naast dat er een folterkamer was ingericht, werd ook het voltrekken van de doodstraf uitgebeeld. Een aardappelschilmesje - het 'corpus delicti' waarmee de beruchte 'anarchist' IJe Wijkstra de kelen van vier veldwachters zou hebben afgesneden - alsmede enkele tijdens opgravingen gevonden schedels, hadden een
prominente plek in de expositie. In 1959 verplaatste 'Wiepie' Wierstra zijn museumpje naar een kelder aan het Herenwaltje. De belangstelling van publiek en media nam snel af, zodat na enkele jaren de Griezelkelder werd opgeheven.


5. Tweebaksmarkt 15 (Ritske Boelema Gasthuis)
Het Ritske Boelema Gasthuis is ontstaan uit het Soete Naam Jezus Gilde. De oorsprong van dit gilde is niet meer te achterhalen. De oudste vermelding hierover is te vinden in een privilege van Karel V uit 1548, waarin hij het gilde toestond om het gebouw dat door de gestorven gildebroeder Ritske Boelema in 1547 was nagelaten te accepteren. Ook gaf hij toestemming om jaarlijks maximaal 500 goudgulden als schenking te mogen aanvaarden. Het gilde verrichtte menslievend werk dat in de zestiende eeuw onder de gelovigen gebruikelijk was. Na de Reformatie in 1580, toen de Rooms-Katholieke eredienst door de Staten van Friesland werd verboden, zette het gilde het charitatieve werk voort onder de naam Ritske Boelema Gasthuis. Hoofdtaak werd het verlenen van onderdak aan bejaarde vrouwen in een gasthuis.

Het eerste gasthuis met enkele kamers werd in het door Ritske Boelema in 1547 nagelaten pand aan de Speelmansstraat ingericht. Dit gebouw werd in 1580 uitgebreid, maar door het toenemend aantal behoeftige vrouwen moest het gasthuis in 1623 naar een ruimer pand in de Monnikemuurstraat verhuizen. Hier stonden eerst acht kamers ter beschikking van de vrouwen. Tot 1849 was het Ritske Boelema Gasthuis hier gevestigd. Van dit pand is het noordelijke gedeelte bewaard gebleven. Hierin zijn nog de kenmerken van de 17de-eeuwse bouwstijl herkenbaar.
In 1849 besloot de voogdij te verhuizen. Hiertoe verwierf men de grond van het in 1849 afgebroken Landschapshuis, dat vanaf 1594 als vergaderplaats van de Staten van Friesland diende. Dit oude gebouw met een fraaie gevel uit 1616 moest het veld ruimen voor nieuwbouw. Slechts het poortje is gespaard gebleven en herplaatst als toegangspoort van Martenastate te Cornjum. Het bouwterrein naast de Kanselarij bleek bijzonder geschikt voor het nieuwe gasthuis, dat door de voor Leeuwarden zo belangrijke architect Frederik Stoett was ontworpen. Hij ontwierp een gebouwen- complex rond een ruime binnenplaats waarin lange gangen werden gevormd. Hieraan lagen de meeste kamers. In 1863 werden aan de zijde van het Droevendal zeven kamers aan het complex toegevoegd, waarmee het totale aantal op 42 werd gebracht.
Het Ritske Boelema Gasthuis is het vroegste gasthuisontwerp van Stoett. Hierbij had hij neo-classicistische stijlkenmerken toegepast, die het bakstenen gebouw een sober en strak uiterlijk verleenden. De strenge geleding van het pand was karakteristiek in de gasthuisarchitectuur van het midden van de negentiende eeuw. Het gasthuis had een lange, geleidelijk risalerende voorgevel waarvan het middelste gedeelte het meest uitsprong. Deze drie traveeën brede middenpartij werd door een extra uitbouw boven de hoofdingang geaccentueerd. Hierin werd de voogdenkamer ondergebracht. Het middengedeelte bevatte op de begane grond twee ramen aan weerszijden van de toegangsdeur, waartussen dubbele pilasters werden geplaatst, terwijl boven drie vensters gesitueerd waren. Deze driedeling keerde in de twee lagere armen van het gebouw terug waar de muurvakken eveneens door drie vensters werden onderbroken.
Het gebouw kreeg een sterk horizontaal accent, zowel door de eenvoudige kroonlijst als door de natuurstenen lijst die de benedendorpels van de zes-ruitvensters met elkaar verbond. Ook de natuurstenen plint versterkte het horizontale effect. Alleen in het centrale gedeelte was een verticaal accent te bespeuren dat door het plaatsen van een fronton boven het middelste raam was verkregen. Het strakke uiterlijk werd slechts in het vooruitspringende middengedeelte verzacht door een speels element: de kroonlijst was hier versmald zodat boven de deur en de twee ramen boogvormige bakstenen 'spaarvelden' ontstonden. In het gebouw waren de kamers 3.40 x 2.80 m. groot, waarin het dagelijks leven van de bewoonsters zich afspeelde.
Begin jaren tachtig voldeden de woningen niet meer aan de welstandsnormen. Omdat een ingrijpende verbouwing vanwege de plaatsing van het pand op de Monumentenlijst niet tot de mogelijkheden behoorde, wendde de voogdij van het gasthuis zich tot de Raad van State om een sloopvergunning te verkrijgen. Dit college oordeelde positief over het verzoek en niets stond nieuwbouw meer in de weg.
Na de afbraak in 1986 van het oude gasthuis werd op het terrein naar bouwresten van het vroegere Kapittelhuis, de voorganger van het genoemde Landschapshuis gezocht, waarvan de fundamenten inderdaad zijn teruggevonden. Uit de opgravingen blijkt dat van een permanente bewoning op deze plaats sinds het begin van zestiende eeuw sprake is. De vroegste sporen van bebouwing dateren van eind veertiende eeuw.
In samenwerking met de Vereniging voor Volkshuisvesting verrees een nieuw gebouw, ontworpen door architect C. Vegter met wooneenheden naar de maatstaven van onze tijd en die ook door echtparen (en niet alleen door dames) kunnen worden betrokken. Achter het huidige flatgebouw van de Ritske Boelema Fundatie ligt de tuin waarin op originele wijze de schitterende grafzerk in renaissancestijl is geplaatst. Deze houdt de herinnering levendig aan de grondlegger van het gasthuis, Ritske Boelema.


6. Droevendal 1
Het gaat hier om een voornaam pand met een op zich eenvoudige, maar harmonische architectuur uit de zeventiende eeuw, maar dat vanzelfsprekend in de loop der tijden wat verbouwingen heeft gekend. De brede voorgevel van nu bestaat uit vijf traveeën en is symmetrisch van opzet. De ingang heeft een monumentaal 18de-eeuws karakter. Boven de deur en de ramen zijn de oorspronkelijk 17de-eeuwse ontlastingsbogen nog zichtbaar. Dit geldt ook voor de achtergevel. Binnen loopt vanuit de entreehal een centrale gang door tot aan de achtergevel. Aan die kant heeft het pand ook een brede serre. Het pand bezit een stijlvolle entreehal met ornamentiek die op onderdelen doet denken aan die van het trappenhuis van het voormalige Stadhouderlijk Hof; ook die van de eerder genoemde gang heeft een vergelijkbaar karakter.

Het pand ligt aan het Droevendal, een straat die dateert uit 1581 en die vroeger ook wel de Nieuwe Hofstraat werd genoemd (1594, 1664). Deze laatste naam slaat volgens Eekhoff (1846) op het destijds nabijgelegen Hof van Friesland. Volgens een andere lezing heeft de naam echter te maken met de hof (tuin) van het voormalige klooster. De meest genoemde aanduiding is toch de huidige benaming Droevendal (Drovendal (1580), Droevigendal (1594) en Droevendalstraet (1604). Ook voor die naam bestaan er weer meerdere verklaringen. Het kan zijn dat de naam verwijst naar een beschutte plaats, waar de monniken destijds druiven kweekten. Aanneme-lijker is een relatie met de geringe kwaliteit van de bebouwing die hier verrees na de kloostertijd.

Het huis heeft veel welgestelde bewoners gekend, zoals in de achttiende eeuw meerdere generaties van de familie Gerroltsma, waarvan de meest bekende waren: Dr. Zacheus Gerroltsma, advocaat van het Hof van Friesland en Dr. Simon Gerroltsma, stadsarchitect. In het begin van deze eeuw woonden er onder andere de gymnasiumdirecteuren Dr. Petrus Johannes en Dr. Sjoerd Wartena, aan wie het huis zijn bijnaam 'rectorshuis' te danken moet hebben. De afgelopen decennia heeft het pand de functie vervuld van opvanghuis voor vrouwen en meisjes. Het pand is thans eigendom van de NV Stadsherstel en zal worden verbouwd tot appartementencomplex.


7. Droevendal 9 (Galileakapel) en voormalige kloostertuin
Ten oosten van de tuin achter de Kanselarij ligt, omsloten door de straten Oosterkade, Droevendal, Turfmarkt en Tuinen z.z., een prachtig maar verborgen binnengebied. In het kader van de stadsver- nieuwing heeft hier in het midden van de jaren tachtig een grote hersteloperatie plaatsgevonden. De omringende bebouwing is gerestaureerd, gerenoveerd en gedeeltelijk vernieuwd. In het binnengebied is de oude, vervallen bebouwing gesloopt waardoor er ruimte kwam voor een mooie binnenstadstuin.
Oorspronkelijk maakte dit gebied deel uit van het Minderbroeder- of Franciscanerklooster Galilea. Omstreeks 1500 werd dit klooster van het Oldegalileën verplaatst naar deze plek binnen de stadsgracht. Na 1580 verloor het klooster zijn functie. De gebouwen kregen een andere bestemming of werden gesloopt. De kapel van het klooster, de Galileërkerk, bleef tot 1940 in gebruik en werd toen jammer genoeg ook gesloopt om plaats te maken voor het lelijke gebouw van PTT-telecommunicatie.
Het binnengebied was toegankelijk door een aantal stegen zoals de Wijdesteeg, de Kloksteeg, de Schipperssteeg, het Jousterkwartier en het Tuinster Achterom.
Een kleine steeg tussen Tuinen-zuidzijde no. 38 en no. 42 gaf toegang tot een kleuterschool (no. 40) die later de naam 'De Tuinfluiter' kreeg. In 1846 kocht de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen het vroegere Martenahuis op de Tuinen. Na een verbouwing vond op 15 september 1847 de opening plaats van een bewaarschool voor kinderen uit de gegoede stand. De opstandige, in Leeuwarden geboren schrijver Alexander Cohen, zat op deze school. In zijn autobiografie 'In opstand' schreef hij hierover: "De poort der Kennis werd mij ontsloten op de bewaarschool van juffrouw Hutchinson, een lange schrale dame, met vale oogen en een mosterd-kleurige chignon. De school lag aan het eind van een op de Tuinen uitkomend gangetje. Het was er licht, luchtig en prettig. Ik leerde er, zonder ernstige herseninspanning, dat A een Aapje is, B de Bakker, en dat de voornaamste bezigheid van Charlotte in chocola-drinken bestaat. Maar aan het telraam, met zijn rode, zwarte en witte bolletjes was ik een sukkel. Het rekenen, en ook het berekenen, is mij altijd slecht afgegaan!"
Een ander steegje, lopend vanaf de Oosterkade, gaf toegang tot het zogenoemde Armenkerkje. Het kerkje was van de Hervormde Gemeente. Het werd gebouwd in 1850. Onder verantwoordelijkheid van de Commissie van Toezicht op het Godsdienstonderwijs werden er bijbellezingen voor behoeftigen gehouden. Naast de naam 'Armenkerkje' was ook de naam 'Schipperskerkje' in gebruik omdat veel schippers de oefeningen bijwoonden. Nog een andere naam was 'eerdappelkerkje'. De verklaring voor deze naam is dat bezoekers aardappelkistjes meenamen naar de bijeenkomst om zo verzekerd te zijn van een zitplaats. Bij de inwijding op 3 december 1850 schonk emeritus predikant ds. Samuel Crommelin een orgel. Later is dit orgel verplaatst naar de Hervormde kerk van Rottevalle.


In 1930 werd het kerkje eigendom van de Vereniging van Vrijzinnig Hervormden. Architectenbureau Roosma en de aannemers Lerk verzorgden de renovatie en verbouw. Door een uitbreiding kon de grote zaal plaats bieden aan ongeveer 200 personen. Een kleinere zaal werd bestemd voor catechesaties en vergaderingen. De overige ruimte was ingericht als vestiaire, gang en bestuurskamer. Ten tijde van de feestelijke ingebruikname werd het interieur verfraaid door een werk van Toorop, voorstellende de apostelen Simon en Johannes. Een halve eeuw later noodzaakte een drastisch afkalvend ledenaantal de Vrijzinnig Hervormden hun kerkgebouw van de hand te doen. In het begin van de jaren tachtig bood het gebouw kortstondig onderdak aan een dansschool.


8. Tweebaksmarkt 34
Tweebaksmarkt 34 is zo'n vroeg 17de-eeuws stadshuis waarvan er destijds dertien in het dozijn gingen en waaraan op het eerste oog niets bijzonders te ontdekken is. Wel een beetje smalletjes met z'n twee raamvakken, maar verder gewoon twee bouwlagen die in de authentieke toestand overgingen in een geveltop - vermoedelijk een getrapte - en later, nadat die top misschien wel neergehaald moest worden wegens bouwvalligheid, een beëindiging in de vorm van een kroonlijst kregen. Aan de achterkant is nog een geveltop aanwezig, een sobere tuitgevel zoals vroeger gebruikelijk was. En verder het te verwachten zadeldak, dat bij diezelfde verbouwing aan de voorzijde een schild kreeg maar aan de achterkant nog in de oude vorm verkeert.

Toch heeft het woonhuis wel degelijk iets dat het onderscheidt van andere huizen, namelijk een steeg aan de zuidzijde, welke is opgenomen in het gebouw. Deze gemeenschappelijke steeg zorgde vroeger (en zorgt nog steeds) voor de ontsluiting van een reeks achtererven van verschillende eigenaars en moest dus begaanbaar blijven. Kan de smalle strook grond niet bebouwd worden, dan bouw ik er wel overheen, zo moet de eigenaar van het perceel nr. 34 gedacht hebben. De consequentie is onder meer geweest dat er beneden in het huis wat geschipperd moest worden met de beperkte ruimte. Zo kreeg de traditionele spiltrap in de kern van het pand een ongebruikelijke aanzet, waarvan de vorm overigens niet meer bekend is; de eigenlijke spil begint op ongeveer twee meter boven straatniveau, bovenop het ‘ plafond ' van de steeg.
Over het gebruik van het pand valt weinig spectaculairs op te merken. Vanaf het midden van de vorige eeuw werd het huis bewoond door kleine middenstanders als een schoenmaker, een
kleermaker en een barbier, terwijl de benedenverdieping was ingericht als winkel. Begin negentiende eeuw - en waarschijnlijk ook al eerder - was het pand in gebruik bij de eigenaar van het door notabelen bewoonde Tweebaksmarkt 32.
Nadat de voorgevel reeds in 1974 was hersteld, is het woonhuis in 1998 ingrijpend gerestaureerd. Tijdens de voorbereidingen bleken er geen monumentale interieuronderdelen meer aanwezig. Wel konden de oorspronkelijke stookplaatsen worden aangewezen. Op zolder zijn in de borstwering aan de straatzijde de ontlastingsbogen boven de vensters van de eerste verdieping te zien, die aan de buitenkant aan het zicht worden onttrokken door de kroonlijst. De vensters in de voorgevel zullen dateren uit de eerste helft van de negentiende eeuw en konden hersteld worden. De vensters aan de achterkant waren in zeer slechte staat en zijn vervangen maar, behoudens het isolatieglas, wel in de aangetroffen 18de-eeuwse vorm.


9. Tweebaksmarkt 36
Het herenhuis Tweebaksmarkt 36 heeft één van de mooiste lijstgevels uit de eerste helft van de achttiende eeuw in Leeuwarden. En afgezien van de ramen, waarvan de roedenverdeling aan het begin van de negentiende eeuw in het toen modieuze Empire is veranderd, is die Lodewijk XIV-gevel met een royale trapstoep ervoor ook nog eens volledig gaaf. De gaafheid blijft hier gelukkig niet beperkt tot de façade; aanzienlijke delen van het interieur hebben de opeenvolgende bewoners eveneens overleefd.

De Lodewijk XIV-barok is door Daniël Marot vanuit Frankrijk naar Nederland overgebracht en door Marots leerling Anthony Coulon in Friesland en in het bijzonder Leeuwarden tot bloei gebracht. Er is ook al eens geopperd dat Coulon achter het ontwerp voor dit huis zou kunnen zitten. Wat het bouwjaar betreft kan het kloppen. Uit archieven valt namelijk af te leiden dat het huis in 1739 moet zijn gebouwd en wel door Catharina van Sminia, weduwe van Gozewijn baron van Coehoorn.
Het uit dieprode baksteen opgetrokken pand valt op door zijn brede gevel en detaillering. Het huis heeft een souterrain, twee bouwlagen en wordt gedekt door een schilddak. De gevel is vier traveeën breed. De stoep met hek vormt een extra accent voor de in het tweede travee geplaatste ingangspartij, die een fraaie omlijsting en een lantaarn in het bovenlicht bezit. Behalve de deuromlijsting trekt de barokke kroonlijst de aandacht. Deze rust op vijf rijk gesneden consoles voor een sobere paneellijst, die opvallen door het daarin verwerkte klassieke motief van acanthusbladen. De dakkapel midden daarboven, met een segmentvormig fronton en eenvoudige wangen, benadrukt de asymmetrie in de gevel.

De tuin in landschapsstijl aan de achterzijde is voor een historische binnenstad ongekend ruim van afmetingen. De bekende landschapsarchitect L.P. Roodbaard, schepper van vele romantische tuinontwerpen in Leeuwarden en bij talrijke buitenplaatsen in de provincie, heeft de tuin in 1842 un peu métamorphosé. Er lag overigens al eerder een zogenaamde Engelse tuin, welke in 1828 wordt genoemd. Roodbaards hand is thans nog vagelijk herkenbaar. Ooit stonden er twee tuinkoepels en een kas.
De Tweebaksmarkt is altijd een aantrekkelijke woonlocatie geweest, zo schuin tegenover het (gesloopte) Landschapshuis, waar het bestuurlijk centrum van Friesland was gehuisvest. De voorganger van het huidige huis was dan ook zeker vanaf het begin van de achttiende eeuw bezit van voorname geslachten. Eigenaar in 1716 was de grietmansfamilie Glinstra. Deze familie woonde er echter niet zelf maar verhuurde het pand, dat opviel door de aanwezigheid van een gevelsteen met een 'bonte hond'. Het huis dat Catharina van Sminia er na het overlijden van haar man in 1739 voor in de plaats liet neerzetten, zou ze bewonen tot haar dood in 1759. Daarna bleef haar familie eigenaar tot aan het begin van de negentiende eeuw. De erfgenamen verhuurden het aan voorname geslachten zoals de Wyckels en de Vierssens.

Over het interieur van het huis is uit die tijd geen beschrijving bewaard gebleven. Toch kunnen we ons een beeld vormen van de indeling toentertijd, omdat deze beschreven staat in een koopakte uit 1828 en bovendien de huidige indeling nog voor een deel overeenkomt met de oorspronkelijke. In 1828 werd het pand eigendom van burgemeester Thijs Feenstra. Stadsarchitect Gerrit van der Wie-len kocht het voor Feenstra aan, waarna nog eens ƒ 7.510,- in een verbouwing werd gestoken. Denkelijk heeft Van der Wielen die verbouwing uitgevoerd.
Het huis bevat(te) op de begane grond aan de voorkant een grote en een kleine kamer, aan weerszijden van de gang. Daarachter lagen een grote en een kleine tuinkamer. Boven bevonden zich aan de straat twee voorkamers en daarachter een zaal met drie ramen; een fraaie indeling. Verder waren er nog enkele kamers. Op de zolder en de vliering bevonden zich meerdere ruimten en de mangelkamer. Interes-sant is de vermelding van een kantoor dat Feenstra ten behoeve van zijn kassiersfirma nodig had. De kamers waren (en zijn) aangekleed met stucwerk, behang en houten betimmeringen en gemeubileerd met kostbare meubels waaronder veel van mahoniehout.

Het voorname woonhuis werd in 1842 door de advocaat mr. Jan Bieruma Oosting, later eveneens burgemeester van Leeuwarden, aangekocht. Hij was zeer ingenomen met de ruime woning, waarbij de tuin hem in het bijzonder behaagde. Hij was ook degene die Roodbaard voor de herinrichting aantrok. Al na één jaar verwisselde Oosting echter het pand voor een nog ruimere woning. Nadien is het huis bewoond geweest door onder andere mr. A. Bloembergen - advocaat, later kassier - die bekend is geworden als gedeputeerde van Friesland en lid van de Eerste Kamer (eind vorige eeuw), de bekende arts W.F.J. Uffelie (begin van deze eeuw) en laatstelijk door makelaar J. Boomsma.


10. Tweebaksmarkt 48 (Utrecht)
Leeuwarden wordt wel een kantorenstad genoemd. Toch heeft de kantoorbouw nog geen lange traditie. In het begin van onze eeuw vestigde verzekeringmaatschappij 'de Utrecht' een bijkantoor in Leeuwarden. De maatschappij wenste onder leiding van een dynamisch directeur de allure van het bedrijf ook in de architectuur uit te drukken. En de Utrecht had contacten met de zeer jonge Amsterdamse architecten A.J. Kropholler en J.F. Staal, die maar al te graag deze ideeën wilden verwerkelijken. Na enkele andersoortige opdrachten werd het Leeuwarder gebouwtje het eerste kantoor dat zij voor de Utrecht ontwierpen. Er was voor het kleine gebouw in het bestek een bouwtijd voorzien van vier maanden; het zeer gedetailleerde bouwwerk vergde ruim een jaar bouwen en decoreren. De architecten gaven de schuld aan de Leeuwarder aannemer Coenraad Lerk "de aannemer, die door zijn ondoordachte zuinigheid en zijn vitterigheid op allerlei kleinigheden het werk heeft vertraagd" en aan "de onbekwaamheid en ongeoefendheid der Friesche arbeiders...voor dit voor hen ongewoon en ingewikkeld gedetailleerd werk".

Ter verdediging van aannemer en arbeiders moet thans nog tegen de veeleisende architecten ingebracht worden dat er zelfs in hun oeuvre geen ander bouwwerk aan te wijzen is dat zo is overwoekerd met arbeidsintensieve decoraties dan juist het Leeuwarder kantoor. Het is een gebouw geworden dat in steden die ongewoon rijk zijn aan panden uit de Jugendstil- of Art Nouveau-periode, steden als Antwerpen, Brussel of Nancy, zelfs nog een opvallend figuur zou slaan. Het is in elk geval een van Nederlands fraaiste voorbeelden van de rijk gedetailleerde bouwstijl van het fin-de-siècle. Binnen is het gebouw nog fraaier dan buiten. Het is er overwoekerd met reclame en symboliek van het verzekeringsbedrijf.

Ook aan de buitenzijde is veel af te lezen. Het tentdak van het lichttorentje wordt bekroond met een vierzijdige pelikaan, symbool voor de levensverzekering, vervaardigd door de vooraanstaande beeld-houwer J. Mendes da Costa. Deze kunstenaar maakte ook de twee gevelstenen met leeuwen, symbolen van wachters, beschermers voor het gedeponeerde kapitaal. Goed herkenbaar is de ruimtelijke driedeling: de vestibule met lichttoren, de wachtkamer voor het publiek en het eigenlijke kantoor.
Het is vanwege de overdaad ondoenlijk om alle symbolische decora-ties die binnen te vinden zijn in het bestek van deze bijdrage op te sommen, laat staan te beschrijven. Daarom enkele saillante versie-ringen.
De lichthal heeft een marmeren lambrizering en een mozaïekvloer met de afbeelding van een pelikaan die zijn jongen voedt. Op de balkjes van het plafond met glaspanelen is een verzekeringspreuk te lezen en ook de fraai bewerkte deur naar het grote kantoor is voorzien van spreuken en symbolen (zelfs stapeltjes muntgeld). In de wachtkamer zit een cassetteplafond met rijmpjes van twee of drie woorden: Telt uw geld- Keer hier weer- Ziet 't verschiet- enzovoort. Ook de grote kantoorhal, ca. zes meter hoog (!), heeft een fraai bewerkt cassetteplafond, maar hier zijn de symbolische versieringen op en in de wanden te vinden. In de ruim twee meter hoge kastwanden zijn tientallen deurtjes aangebracht die alle met gouden regen-struiken versierd zijn. Boven de kasten zitten glas-in-lood vensters met de wapens van de steden met bijkantoren van het bedrijf, tussen versierde randen met allegorische dieren: bijen en mieren. Boven de ramen zitten tegeltableaus met opnieuw de aanduidingen van de bijkantoren in woorden, wapens en vlaggen. Op allerlei zeer verzorgd gevormde versieringen wordt de bezoeker attent gemaakt op de goede geldbelegging van een levensverzekering en de kwaliteiten van de maatschappij. Het kantoor is één grote binnenstebuiten gekeerde symbolistische reclamezuil.

In het kantoorgebouw Tweebaksmarkt 48 is thans een restauratie-atelier gevestigd. Als het niet met tientallen tegelijk is, stelt men belangstellenden in de gelegenheid het gebouw ook van binnen te bekijken.

11. Tweebaksmarkt 25 (postkantoor)
Een postzegel kun je er niet meer kopen, maar toch oogt het gebouw aan de Tweebaksmarkt door zijn herkenbare bouwstijl nog steeds als een postkantoor. In zijn functie als Rijksbouwmeester bij het Ministerie van Financiën realiseerde C.H. Peters ruim honderd nieuwe post- en telegraafkantoren en een mogelijk nog groter aantal ver-bouwingen. Cornelis Hendrik Peters werd in 1847 in Groningen geboren. Aanvankelijk was hij voorbestemd om dominee te worden, maar na een conflict moest hij het gymnasium voortijdig verlaten. Zijn keuze van een nieuw beroep kwam wat merkwaardig tot stand. In de familie van zijn moeder kwam een architect voor en men achtte dat beroep even waardig als dat van dominee. Peters startte met een opleiding in de praktijk, eerst bij Albert Breunissen Troost in Sneek en daarna op diens voorspraak bij P.J.H. Cuypers in Amsterdam. Dat de katholieke Cuypers de protestantse Peters aannam zegt wel wat over zijn kwaliteiten. Voor het bureau Cuypers hield Peters toezicht op de kerken, die zijn leermeester toen in Friesland bouwde onder andere in Wytgaard en Sneek. Als woonplaats koos hij Bolsward, waar hij tevens directeur van de gasfabriek was.
Grote bekendheid kreeg hij door de bouw van het nieuwe ministerie van Justitie in 1876. In de jaren tachtig werd hij, inmiddels als rijksbouwmeester belast met de bouw van een groot aantal postkantoren. Tot ver in de negentiende eeuw was het postkantoor gevestigd ten huize van de plaatselijke postmeester. Door de groei van het postverkeer en de combinatie met de rijkstelegraaf was deze toestand onhoudbaar geworden en wilde men eigen gebouwen hebben. In Leeuwarden verrees in 1870 het eerste kantoor op de hoek van de Eewal en de Wortelhaven. De architect hiervan was Herman Rudolf Stoett. Ook hier bevatte het gebouw behalve vertrekken voor het postverkeer op de begane grond en ruimte voor de telegraaf op de verdieping een royale woning voor de directeur. In het begin van deze eeuw was dit gebouw te klein geworden. In 1902 werd ten behoeve van een nieuw postkantoor een rijtje huizen aan de Tweebaksmarkt tussen de Galileërkerk en de Driekramersteeg ge-sloopt. In 1903 werd begonnen met de bouw en in 1905 kon het in gebruik genomen worden. Echter niet alles van de sloopte panden is verloren gegaan. Een fraai poortje dat deel heeft uitgemaakt van de oude bebouwing is herplaatst aan de achterzijde van het nieuwe postkantoor.
Deze nieuwbouw was zeker een grote gebeurtenis in de stad, want de Leeuwarder Courant wijdde er meerdere artikelen aan. Ook hier trof men de combinatie van post- en telegraafkantoor met een ditmaal wel zeer royale woning voor de directeur aan. De telefoon was toen nog in particuliere handen.
Het gebouw valt op door zijn uiterst gedetailleerde vormgeving. Het lijkt de Kanselarij naar de kroon te willen steken. Veelvuldig is gebruik gemaakt van speciaal gebakken profielstenen en natuurstenen onderdelen op constructief belangrijke plaatsen. De vele smalle vensters ontleende Peters aan de middeleeuwse kerken op het Groninger platteland. Het meest spectaculaire vertrek in het interieur is de lokettenhal, de zogenaamde wachtzaal, die een opengewerkte houten overkapping heeft met verlichting van bovenaf. Ook het meubilair werd door Peters ontworpen. In de loop der tijden onderging het gebouw, vooral inwendig vele wijzigingen. Zo werd in de late jaren twintig een speciale telefooncel ingericht voor het verkeer met Nederlands Indië (Hallo Bandoeng). In 1994 verhuisde het postkantoor naar het nieuwe stadskantoor aan het Oldehoofsterkerkhof en kwam een einde aan 90 jaar postgeschiedenis aan de Tweebaksmarkt.

12. Tweebaksmarkt 52 (Provinsjehûs)
De gehele bebouwing aan de Tweebaksmarkt tussen Korfmakersstraat en Oude Oosterstraat behoort tot het provinciehuis. Al meer dan 400 jaar vergadert het College van Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van de provincie, op deze plaats. Tevens komen sinds 1896 Provinciale Staten, het hoogste bestuursorgaan van de provincie, hier bijeen. In het gebouw zetelt ook de Commissaris van de Koningin. Het provinciaal bestuur wordt bijgestaan door een ambtelijk apparaat met aan het hoofd de griffier.

Bouwgeschiedenis
Het oudste gedeelte van het gebouwencomplex, met het provinciewapen en het opschrift 'Provinsjehûs' op de geveltop, bevat de hoofdentree. Midden zestiende eeuw was dit pand in het bezit van de abt van het Nicolaasklooster te Bergum. Tussen 1570 en 1578 diende het als woonplaats voor de Leeuwarder bisschop Cunerus Petri. Als gevolg van de Hervorming werd het paleis na de vlucht van de bisschop geconfiskeerd. In 1579 stelde de stadhouder het paleis aan de provinciale bestuurscolleges ter beschikking als vergoeding voor "gepresteerde en nog te leveren krijgsdiensten en geleden nadeel". Sinds de inbeslagname is het de zetel van Gedeputeerde Staten.
De Provinciale Staten, oftewel de Staten, vergaderden elders. Vóór 1594 kwamen ze bijeen in het Jacobijner klooster achter de Grote Kerk en daarna in het Landschapshuis, naast de Kanselarij. Het paleis van de bisschop bleek na verloop van tijd te klein. Het werd in 1668 en 1710 uitgebreid en verbouwd. In het laatste jaar werd de pilastergevel in kolossaalorde aan de Korfmakersstraat gebouwd. De naburige panden tot de hoek werden geleidelijk aangekocht en 'ingelijfd'. Een vijfde pand, een hoekhuis, verwierf men pas in 1830.
In 1784 kreeg het tegenwoordige hoofdgebouw van het provinciehuis het uiterlijk dat het nu nog heeft. Met behulp van een aquarel van H. Wensel uit 1783 kan men zich een beeld vormen hoe het gebouw er voor de verandering van 1784 uitzag. Deze afbeelding toont een langwerpig gebouw met twee bouwlagen en een hoge kap, welke aan de linkerkant van een trapgevel is voorzien. De voorgevel bevat elf vensters, elk met 24 ruitjes op de eerste verdieping en tien vensters en een ingangspoort op de begane grond. Het gedeelte met de hoofdingang springt enigszins vooruit en is extra versierd. Aan weerszijden van de deur met fraai bovenlicht bevinden zich pilasters die een hoofdgestel dragen. Het raam erboven is rijk versierd met beeldhouwwerk. Dit middenstuk wordt door een halsgevel met klauwstukken en een segmentboog bekroond. In de segmentboog bevindt zich het wapen van Friesland. Opvallend is de fraai gelede kroonlijst over de gehele breedte van de gevel. In het dak waren twee dakkapellen geplaatst.
In 1784 werd het gebouw verhoogd waarvoor de oude geveltop moest wijken. Door verlenging van de gevel is een versobering van het exterieur waar te nemen. De ingangspartij ontving een opvallende deuromlijsting van ionische halfzuilen met kroonlijst. Ze wordt door twee ramen geflankeerd. Het drie ramen brede middenstuk wordt door geblokte dorische pilasters geaccentueerd in de gehele hoogte van de façade. Voorts is het door een segmentvormig fronton met het wapen van Friesland bekroond. De oorspronkelijke schuiframen met 24 ruitjes werden in de vorige eeuw door grote ruiten (zes in elk venster) vervangen.
De zijgevel van het provinciehuis aan de Korfmakersstraat bestaat uit vier delen. Naast de zijkant van het hoofdgebouw bevindt zich de pilastergevel uit 1710, dan volgt een in oorsprong 17de-eeuws en aan het einde van de vorige eeuw gereconstrueerd pand met trapgevel en de brede in eclectische stijl opgetrokken façade van na 1908 van architect H.H. Kramer. In 1970 kwam een nieuwe vleugel aan de Herestraat gereed.
Het gebrek aan ruimte bleef, ondanks de uitbreidingen, een probleem vormen. Er kwamen eind jaren zeventig zelfs plannen om een geheel nieuw provinciehuis te bouwen op het terrein waar tegenwoordig de Leeuwarder Courant is gevestigd. Uiteindelijk werd besloten dat het provinciaal bestuur toch op de oude historische plek aan de Tweebaksmarkt kon blijven. Tussen 1980 en 1985 vond de meest ingrijpende verbouwing van het provinciehuis plaats. Het Drachtster architectenbureau Van Manen en Zwart ontwierp de uitbreiding en renovatie. Enkele beeldbepalende herenhuizen moesten worden ge-sloopt vanwege de bouw van een ondergrondse archiefruimte en parkeerplaats. Het monumentale pand van de openbare leeszaal op nummer 64 werd aangekocht en aangepast. De bibliotheek, die sinds 1921 gevestigd was aan de Tweebaksmarkt, verhuisde naar het beursgebouw. Tweebaksmarkt 54 kreeg een extra verdieping om daarmee een evenwichtiger gevel te creëren. Oude delen van het provinciehuis werden gerestaureerd. De Statenzaal werd in de oorspronkelijke staat teruggebracht. De glas-in-lood ramen werden gerestaureerd en de oude bankjes weer in gebruik genomen.
Zaal van Gedeputeerde Staten

Het provinciehuis moet niet alleen functioneel zijn ingericht, ook is er een behoefte aan representatie. Het interieur van de voormalige raadkamer, thans de zaal van Gedeputeerde Staten in het midden van de eerste verdieping, kreeg zijn vorm tijdens de verbouwing in 1784. De zaal toont de kenmerken van de zogenaamde Lodewijk XVI-stijl. De wanden zijn op classicistische wijze geleed met halfzuilen vóór brede pilasters op hoge basementen. De basementen zijn even hoog als de lambrizering. De gegroefde zuilen flankeren de grijs marmeren schouw, het middelste raam en de twee deurpartijen. Zuilen en pilasters bezitten alle ionische kapitelen. De wandvelden zijn omkaderd door meanderlijsten en zijn bespannen met zachtgroen damast met bloempatroon. De kroonlijst onder het plafond is samengesteld uit een eier-, een blok- en een looflijst. Ze springt boven de pilasters en zuilen even naar voren.
Het plafond is van prachtig stucwerk voorzien in de vorm van een ovaal die op een koof rust. In de rand van het grote dieptemedaillon zitten tussenvelden met versieringen van loofwerk en trofeeën. De trofeeën bestaan uit attributen van de oorlog, zoals harnas, helm, kanonsloop, zwaard en banieren; uit attributen van de wetenschappen als aesculaap, vijzelbak, inktpot, boek, weegschaal, medisch gereedschap. Voorts ziet men agrarische voorwerpen als schop, zeis, sikkel, graanschoof, hark en rogge, en met betrekking tot de zeevaart de verrekijker, kaart, roeispaan, aardbol en kompas. De vakken zijn door consoles met guirlandes van elkaar gescheiden. In het medaillon werd de landsmaagd met het wapen van Friesland, met het alziend oog en een staaf uitgebeeld. Zij is omgeven door engeltjes (putti) die naar hun attributen als symbolen van de standvastigheid (zuil), gerechtigheid (weegschaal, zwaard, blinddoek), heldhaftigheid (pijlenbundel), roem (lauwertak), voorzichtigheid (spiegel), welvaart (hoorn des overvloeds) en handel (caduceus) kunnen worden geïdentificeerd.

Een ander opvallend element in de inrichting vormt de schouw met hangende acanthusbladen en guirlandes in de flanken. Op de mantel bevindt zich een spiegel met lijstversiering in rococostijl met veel krulwerk en een decoratieve segmentvormige bekroning. Het schoorsteenstuk daarboven heeft als onderwerp het bezoek van de koningin van Sheba aan koning Salomo. Het schilderij zou door Gerard de Lairesse (1640-1711) zijn vervaardigd. Het is afkomstig uit het huis van jonkheer C. van Eysinga in de Grote Kerkstraat. De zaal is te bereiken via het monumentale trappenhuis met een brede trap van St. Anna-marmer en met een sierlijke lambrizering van tegels die om en om de F van Friesland en het oude wapen van Friesland dragen. Een nieuw raam met afbeeldingen van Friese folkloristische gebruiken in gespoten spiegelglas is door Jentsje Popma vervaardigd.


Statenzaal
De meest monumentale ruimte van het provinciehuis is de Statenzaal. De Staten hadden al vanaf 1849, het jaar van de afbraak van het Landschapshuis, behoefte aan een geschikte vergaderruimte. Ze weken voor korte tijd uit naar de Grote Raadzaal in het stadhuis. Sedert 1851 hielden ze hun zittingen in het door de provincie Friesland gestichte Paleis van Justitie, zetel van het Gerechtshof en de Arrondissementsrechtbank. Toen in 1875 de rechterlijke macht in Leeuwarden aanzienlijk werd uitgebreid, was er niet voldoende ruimte meer over voor de vergaderingen van de Staten. Men begon onderhandelingen met het Rijk over de stichting van een nieuwe ruimte voor de Staten. De hoofdingenieur van Waterstaat, Hayward, ontwierp een plan voor een gebouw naast het provinciehuis, dat ook de Provinciale Bibliotheek zou herbergen. Deze ruimte bleek echter ongeschikt, mede door het feit dat het bewaren van de archieven van de provincie ook al zeer problematisch was. In 1890 werd een overeenkomst bereikt waarbij de provincie het Paleis van Justitie kostenloos en de drie al eerder aangekochte huizen naast het Provinciehuis voor ƒ 12.365,- aan de Staat overdroeg als het Rijk zich tot de bouw van een Statenzaal bij het Provinciehuis zou verplichten. Tevens kwam men overeen dat de Provinciale Bibliotheek in de Kanselarij werd ondergebracht. In 1891 ontwierp rijksbouwmeester Jacobus van Lokhorst de Statenzaal en hield toezicht op de bouw ervan. In 1895 kwam de Statenzaal gereed. In de openingsrede op 3 maart 1896 sprak de Commissaris van de Koningin mr. B.P. baron van Harinxma thoe Slooten: "Laten deze muren getuigen van Frieslands kracht en ontwikkeling".
De neo-gotische Statenzaal bevat vele Friese symbolen en historische taferelen. De twaalf prachtig beschilderde glas-in-lood ramen stellen de wapens van de drie kwartieren, de elf steden en de dertig grietenijen voor. Ze werden door de glazenier Nicolaas van Roermond vervaardigd. Het houten plafond is in 72 vakken verdeeld waarop de namen en blazoenen van geslachten van grietmannen (vergelijkbaar met de huidige burgemeesters) zijn aangebracht. Aan de wand achter de zetels van het College van Gedeputeerde Staten werden vier muurschilderingen aangebracht. Deze tonen taferelen uit de Friese geschiedenis. Het eerste is het verhaal van Verritus en Malorix, de twee Friese vorsten die in 59 na Chr. naar Rome gingen om daar voor de belangen van hun volk te pleiten. Ze bezochten er het theater van Pompeius. Toen ze zagen dat op de tribunes naast de senatoren vreemdelingen plaatsnamen, vroegen ze wie dat waren. Hen werd verteld dat deze plaats gereserveerd was voor personen die uitblonken door moed en trouw. Toen besloten ze onmiddellijk om zelf ook daar te gaan zitten. Ze zouden tevens hebben gezegd: "Niemand kan de Friezen in dapperheid en trouw overtreffen".
De tweede afbeelding toont Bonifatius (of Winfried), de stichter van het klooster te Fulda die meerdere malen naar Friesland kwam om het evangelie te prediken. In 754 verbleef hij met 52 volgelingen in Friesland om de Friezen te kerstenen. Hij werd echter bij Dokkum vermoord. Het derde tafereel laat de edellieden Eelcke Liauckama en Feike Botnia zien die door Godfried van Bouillon, één van de leiders van de eerste kruistocht, tot ridder worden geslagen. De scène vindt vlakbij de stadspoort van Jeruzalem plaats. Op de vierde muurschildering staat Gemme van Burmania met nog enkele Friese edelen voor de troon van Philips II bij zijn inhuldiging. De zelfbewuste Fries weigerde te knielen bij de aflegging van de eed voor de koning. Hij riep uit: "Wy Friezen knibbelje allinne foar God!" De Haagse Henrieux ontwierp de taferelen terwijl Reclair van Roermond de uitvoering voor zijn rekening nam.

Boven de taferelen bevindt zich de personificatie van de acht deugden die de Staten tot het goede dienen te vermanen; de matigheid, kracht, hoop, geloof, liefde, waarheid, goedertierendheid en ingetogenheid. Boven de schouw aan deze wand is fijn beeldhouwwerk van Te Poel en Stoltefus aangebracht. In het midden ziet men de personificaties van de gerechtigheid, de voorzichtigheid en de macht. Deze eigenschappen zijn van vitaal belang voor het bestuursbeleid van de Staten. Tussen deze figuren zijn de wapens van Friesland aangebracht. Het onderschrift luidt: "Concordia res parvae crescunt" (Eendracht maakt kleine zaken groot). Tegenover de wand met de muurschilderingen bevindt zich de publieke tribune, bereikbaar via een wenteltrap. Boven de tribune zijn Friese spreekwoorden aangebracht, zoals "Wierheit boppe al". Tussen de geschilderde spitsbogen bevinden zich de personificaties van vrijgevigheid en spaarzaamheid, die beide van grote invloed kunnen zijn op de besluiten over de begroting. De balken van dit balkon worden door zeventien korbelen gesteund waarop de namen van bekende Friezen als Menno Simons, Gysbert Japicx, Willem en Onno Zwier van Haren voorkomen.


Koffiekamer
De koffiekamer aan de Korfmakersstraat is een van de meest oorspronkelijke vertrekken van het Provinciehuis. De kamer is in renaissance-stijl ingericht en wordt gebruikt voor vergaderingen en recepties. De zoldering bestaat uit moer- en kinderbalken. De wanden zijn tot bijna halverwege met eikenhout beschoten. Boven de met tegels beklede schoorsteen hangt het portret van Maria Louise van Hessen-Kassel, echtgenote van Johan Willem Friso. Enkele andere portretten herinneren aan de band tussen de provinsje Fryslân en het vorstenhuis. In de drie kruisramen van dit vertrek bevinden zich de wapens van de waterschappen en de voormalige veenpolders. Boven de deur vindt men de spreuk: "De tiid hâldt gjin skoft". Achter de koffiekamer in het pand met de renaissancegevel, bevond zich het woonhuis met koetshuis van de heer dr. J. Baart de la Faille. De provincie kocht dit aan om daar de bureaus van Provinciale Waterstaat en de ruimten voor het nieuw archief (na 1813) van de provincie te creëren. Voor de bouw van deze uitbreiding werd door het Rijk zorg gedragen. Het oude archief werd in 1897 naar de Kanselarij overgebracht.

De ruimten in het Provinciehuis vormen een aangename omgeving voor de ambtenaren, de statenleden en de gedeputeerden die er hun taak vervullen, maar ze zijn voor de geïnteresseerde bezoeker zeker ook interessant.


13. Tweebaksmarkt 41
Het pand op de hoek van de Tweebaksmarkt en het Nieuwstraatje doet met de ronde hoektoren en het koepeltje enigszins denken aan een verkleinde vorm van Parijse boulevardbebouwing. Mogelijk heeft de architect, Hendrik Kramer daaraan gedacht, toen hij in opdracht van de bankiers, de gebr. Gratama in 1885 dit kantoor ontwierp. Vreemd is deze gedachte niet, want Kramer (1850-1934) genoot een deel van zijn opleiding in Brussel.
Voordat de Gratama's bij hem kwamen voor een nieuw pand waren zij al enkele jaren op deze plek gevestigd. Tjepke (1838-1920) en Gajus (1844-1917) waren telgen uit een Harlinger koopmansgeslacht. Gajus had in 1878 het pand Tweebaksmarkt 39 als woning gekocht en Tjepke woonde op no. 43. In 1882 dienden zij een verzoek in om een nieuw bankgebouw te mogen optrekken. Aanvankelijk reageerde de gemeente negatief, omdat door de hoogte van het pand het Nieuwstraatje te donker dreigde te worden.
Het monumentale pand staat met twee traveeën en de hoektoren aan de Tweebaksmarkt en met zeven traveeën aan het Nieuwstraatje. De begane grond, die een natuurstenen basement heeft, is vrij laag gehouden. Samen met de kleine ramen straalt dit de soliditeit uit die men van een bankgebouw verwacht. In contrast hiermee staat de bel-etage, die uitzonderlijk rijzig is; een effect dat nog versterkt wordt door de relatief smalle vensters. Een zware kroonlijst sluit de gevel af. Op plaatsen waar de gevel risaleert bevinden zich frontons. Om het niet te stijf te maken heeft het middenrisaliet aan het Nieuwstraatje een rechte afsluiting. Boven de vensters in de risalieten bevinden zich gebeeldhouwde koppen, onder andere Mercurius en een gekroonde vrouwenkop. Aanvankelijk waren de gevels nog kwistiger gedecoreerd: de ronde hoektoren had boven de vensters van de bel-etage een tegeltableau met het opschrift: ' gebr. Gratama kas-siers '. Daarboven was de koepel opgesierd door elf guirlandes, alles geleverd door een firma uit Brussel.
De eveneens verdwenen frontonvullingen kwamen uit Parijs. Het interieur moet een grote luister uitgestraald hebben, getuige de twee vertrekken, die nog de oorspronkelijke uitmonstering hebben. Het betreft de hoekkamer op de bel-etage en de daarnaast gelegen antichambre. In de antichambre bleven onder andere bewaard de lambrizering en de paneeldeuren in geprofileerde omlijstingen.
In de hoekkamer, wellicht het voormalige directeursvertrek, bleven bewaard de lambrizering (hoger dan in de antichambre), paneeldeuren, resten van een kastenwand en een zwartmarmeren schoorsteenmantel met tegen de boezem twee boven elkaar gelegen spiegels, geflankeerd door ionische pilasters. De wanden zijn naar boven afgesloten door een hoofdgestel met een tandlijst.
Het stucplafond heeft in het midden een langwerpige cartouche, die omgeven is door schilderwerk dat met onder andere goudverf brokaat imiteert. Dit veld wordt omsloten door een langwerpige zeshoek van balken, die op de hoekpunten bezet zijn met rozetten. Deze zeshoek is door middel van zes korte balken verbonden met de wanden.
Met de gebr. Gratama is het slecht afgelopen. In 1904 raakten zij geheel onverwacht failliet door roekeloze speculaties en het verstrekken van grote, niet behoorlijk gedekte kredieten. Dit wekte veel beroering in Leeuwarden, want de uitdrukking 'zo solide als Gratama' was een begrip.
In hun val dreigden ze vele andere bankiers mee te slepen omdat het publiek massaal geld opeiste bij de andere kassiers, die hieraan slechts met veel moeite konden voldoen. Uiteindelijk lieten ze een miljoenenschuld na die, naar de curatoren schatten, maar voor een derde kon worden terugbetaald. De broers vluchtten 's avonds in een geblindeerde koets de stad uit, Tjepke naar Amsterdam en Gajus naar Den Haag.
Het pand kwam in handen van de Nederlandsche Bank en nog later van de Provinciale Waterstaat, die nagenoeg het hele interieur verbouwden en het exterieur sterk versoberden, zodat het eens zo trotse bankgebouw nu niet meer dan een schim is van wat het eens was.


14. Tweebaksmarkt 49 (Haersmahuys)
Tweebaksmarkt 49 c.a. verdient om allerlei redenen een afzonderlijke publicatie en die zal er ook nog wel eens komen. Voorname onderdelen zijn onder andere het beschilderde houten plafond in het voorhuis én het bijzondere achterhuis, dat met een zijgevel op de Nieuwe Oosterstraat uitkijkt. Naar alle waarschijnlijkheid dateren beide uit het derde kwart van de zeventiende eeuw.
Wie het ook zijn geweest die opdracht voor de bouw van het achterhuis hebben gegeven, zij hebben de Friese hoofdstad een van de fraaiste en op regionale schaal vermoedelijk ook invloedrijkste huizen uit de tweede helft van de zeventiende eeuw bezorgd. Een huis in de trant van het Hollands classicisme zoals dat eerst is ontwikkeld door Jacob van Campen, bouwer van het Amsterdamse stadhuis, en na hem door Pieter Post en Philips Vingboons. Een huis dat weliswaar de rijke gevelplastiek mist die de meeste ontwerpen van de voornoemde bouwmeesters kenmerkt en dat ook het bijpassende klassieke fronton ontbeert, maar waarvan de twee op het zicht staande (helaas door verbouwingen ernstig verminkte) gevels wél geleed zijn door pilasters in de kolossaalorde onder een rijzige en voorname kroonlijst voor de hoge kap.
De pilasterkapitelen zijn overigens echte beeldhouwwerken in zandsteen. In de tuingevel, boven de vroegere entreepartij, bevindt zich nog het gebeeldhouwde doch blindgekapte alliantiewapen van de stichters van het huis. Binnen hebben nogal grondige verbouwingen en verstoringen plaatsgehad, maar twee onderdelen verraden nog iets van de vroegere rijkdom. Dat zijn op de begane grond het restant van de gang met gewelven op consoles in de vorm van zandstenen ramskoppen en de ruime trappenvlucht met leuningen op karakteri-stieke classicistisch-barokke balusters.
Het decoratief geschilderde plafond in het voorhuis is een zeldzaamheid in heel het noorden des lands. Het zal aangebracht zijn tijdens een verbouwing, want het voorhuis zelf dateert uit omstreeks 1585. Helemaal compleet is het niet meer, maar wat er is overgebleven, de schildering op de balken en de tussenliggende plafondplanken, geeft nog een zeer goede indruk hoe het ooit geweest moet zijn. Rozen, anjers, tulpen, appels, zangvogels, papegaaien en veel loofwerk, alles fijntjes en in heldere kleuren uitgevoerd.

In het complex zijn ruwweg vier bouwfasen te onderscheiden. Het oudste element is het dwarsgeplaatste, acht meter brede huis aan de Tweebaksmarkt zelf. Het is gebouwd, niet lang nadat de Blokhuisgracht in 1580 was gedempt en het terrein ten noorden daarvan in percelen was verdeeld, doch vóór 1595, het jaar van de vroegstbekende verkoping. De verkoper heette Iepe van Bootsma, "woonende tot Collum", zodat aangenomen mag worden dat hij de bouwer is geweest. Het huis kreeg spoedig een eerste uitbreiding. Op de kaart van Sems uit 1603 is namelijk in de noordoosthoek een uitbouw waarneembaar.
De metamorfose van een royaal stadshuis naar een voornaam en luxueus herenhuis gebeurde met de bouw van het achterhuis. Het preciese bouwjaar is ongewis, mede doordat het alliantiewapen is blindgekapt, maar vermoedelijk is het kort na 1655 of kort na 1669 geweest, jaren waarin het huis van eigenaar wisselde. Het alliantiewapen zou dan dat van Hogenhuys-Hartmans of van Ockinga-Camstra zijn. Nu had het complex de ruimtelijke opzet gekregen, die sindsdien in grote trekken ongewijzigd is gebleven. Wel zijn meermalen intern verbouwingen uitgevoerd, waarvan onder meer het laat 17de-eeuwse classicistische poortje in de oksel van het voorhuis en de eerste uitbouw een spoor is.
Het complex onderging nog twee belangrijke wijzigingen. Aan het begin van de negentiende eeuw kreeg het, toentertijd modieuze, Empire-vensters en bovendien is het huis van binnen gemoderniseerd, wat onder meer het stucplafond achterin op de begane grond bewijst. Het complex werd grote schade toegebracht in 1912, toen er een garagebedrijf in werd gevestigd. Op de begane grond werd de oude structuur vrijwel volledig uitgebroken en het achterhuis kreeg in de zijgevel aan de Nieuwe Oosterstraat een enorme etalagepui, waarachter de auto's konden staan te pronken.
Halverwege de jaren negentig is het complex grondig gerestaureerd en verbouwd. De begane grond is in gebruik genomen als horecagelegenheid en op de verdiepingen zijn appartementen gerealiseerd. Het café is vernoemd naar de bekendste oud-bewoner: Aurelia (Auck) van Haersma, die Tweebaksmarkt 49 c.a. in eigendom had in het midden van de achttiende eeuw.


15. Druifstreek 63
Aan het einde van de jaren zeventig werd de Stichting Moderne Architectuur Friesland door geïnteresseerden in de architectuur attent gemaakt op belangwekkende bouwwerken in Leeuwarden van de architect Piet de Vries (Oostvoorne 1897 - Bergen 1992). Het betrof met name zijn eigen woonhuis/atelier aan de Druifstreek, no. 63, en de woonhuizen aan de Groningerstraatweg, die opvielen door hun eigen karakter. Dit leidde tot nader onderzoek en in 1980 tot een tentoonstelling in het Fries Museum.
Nu, 18 jaar later, wordt het huis aan de Druifstreek beschreven in het kader van de Open Monumentendag. Dit is aanleiding om eerst kort de ontwikkelingen in de Friese architectuur rond de jaren twintig en dertig en de rol van architect Piet de Vries daarin te schetsen. Tenslotte volgt een beschrijving van het woonhuis/atelier.

Toen Piet de Vries in 1921 een eigen architectenbureau in Friesland begon, was het in de architectuurwereld allerminst rustig. Verschillende vernieuwende bewegingen waren gaande: de 'Amsterdamse School', 'De Stijl' en het functionalisme, ook wel 'Nieuwe Zakelijkheid' genoemd. Deze vernieuwende bewegingen hebben zich ook in de provincie gemanifesteerd, zij het op een bescheiden schaal. Immers het bouwen in de provincie heeft zich altijd gekenmerkt door een zekere terughoudendheid ten opzichte van die vernieuwende bewegingen. Friesland vormde hierop geen uitzondering: de traditionele bouwstijlen werden tot ver na de Eerste Wereldoorlog toegepast.

Het werk van Piet de Vries kon duidelijk in een aantal perioden verdeeld worden. In de eerste jaren treden de invloeden van de 'Amsterdamse School' sterk naar voren in de decoratieve behandeling van de muurvlakken. Dit is goed te zien bij de dubbele woonhuizen aan de Groningerstraatweg. Daarna volgde in de jaren dertig een periode waarbij het functionele aspect de nadruk kreeg. De plasticiteit wordt gezocht in de verhoudingen van de bouwvolumes ten opzichte van elkaar, waarbij horizontale en verticale lijnen elkaar in evenwicht houden. Detailversieringen worden alleen gebruikt om bovengenoemde principes een extra accent te geven. Verschil in functie wordt aangegeven door een afwijkende detaillering in bijvoorbeeld de roedenverdeling van ramen, een ander bouwvolume of toegang. Tegen het einde van de jaren dertig raakte Piet de Vries volledig onder de invloed van de vormentaal van de 'Delftse School'-richting. Na de Tweede Wereldoorlog volgde de laatste periode waarin de architect een sobere functionele aanpak voorstond. Een strakke en zakelijke bouw met slechts hier en daar accenten in bijvoorbeeld balkons, trappenhuizen en ingangen.

Het huis van de architect aan de Druifstreek, no. 63, bezit een aantal kenmerkende eigenschappen. Op uiterst verfijnde wijze houden horizontale en verticale elementen elkaar in evenwicht. Links is een opgaande muurdam, waarin de schoorsteen is ondergebracht, en rechts het ronde balkon; deze twee elementen worden met elkaar verbonden door het raam op de verdieping, dat over de volle breedte van de gevel gaat en het balkon daarboven, ontstaan door het terugspringen van de bovenste verdieping. Het verschil tussen wonen en werken wordt aangegeven door de roedenverdeling in de vensters; bovendien zijn de ingangen gescheiden.

Het gehele oeuvre van Piet de Vries kenmerkt zich door het vasthouden aan een duidelijke en overzichtelijke ordening van de massa's, het aangeven van de functie, evenwicht tussen horizontaal en verticaal en een eenvoudige detaillering, die bovengenoemde lijnen alleen maar accentueren. Ondanks het feit dat hij verschillende stijlinvloeden onderging, bleven deze principes gehandhaafd en getuigen zijn bouwwerken van karakter. Zijn zuiverheid in ontwerpen maakte hem tot één van de voornaamste architecten, gedurende het tweede en derde kwart van deze eeuw, in de provinsje Fryslân. Voor het in architectonisch opzicht behoudende gewest Friesland is het werk van Piet de Vries in het algemeen, en het gebouw Druifstreek 63 in het bijzonder, op zijn minst uitzonderlijk. Hij heeft in niet geringe mate met dit gebouw het betrekkelijk rustige klimaat op het gebied van de architectuur in deze provincie opgefrist.
De laatste tientallen jaren is het pand Druifstreek 63 verhuurd geweest op een wijze die aan de kwaliteiten van het woonhuis met atelier niet een meerwaarde toevoegde. Nu de laatste gebruiker de huur heeft opgezegd is de weg vrij om te zoeken naar een nieuwe vorm van beheer en bestemming. De daarbij gehanteerde uitgangspunten zijn het in stand houden van het gebouw op de langere termijn, het herstel van het interieur en het gebruik moet in overeenstemming zijn met het karakter en de kwaliteiten van het gebouw. Ook moet het nieuwe gebruik op enigerlei wijze ter nagedachtenis zijn van 'Piet de Vries' zijn opvattingen en oeuvre.

16. Keizersgracht 1
Na de recente schoonmaak van de gevel en een verfbeurt van het houtwerk onderscheidt het pand op de hoek van de Druifstreek en de Keizersgracht zich sterk van de aansluitende panden aan de gedempte gracht. Toch zijn ze in 1905 door de architect W.C. Metzelaar alle tegelijk gebouwd als dienstwoningen voor personeel van de tegenoverliggende gevangenis. Het hoekpand was de woning voor de adjunctdirecteur van de gevangenis en de andere panden waren een hoofdbewaarderswoning en zes bewaarderswoningen.
Op een foto van rond de eeuwwisseling van H.J. Craije staan op deze plek een reeks kleine smalle pandjes met hoge daken, waarin kleine neringdoenden woonden. Volgens het Groot Consentboek was in 1664 in het hoekpand een brouwerij gevestigd, die de voor een bierbrouwerij merkwaardige naam 'De druijff' droeg. Dit bedrijf wordt nadien herhaaldelijk genoemd. De gevelsteen, die in 1998 herplaatst is, wordt reeds genoemd in 1634.
Voorgesteld is een druiventros, hangend aan een steel met bladeren en een onderschrift "DIT IS DE KEISERSGRACHT/GEGRAVEN 16(74)". Dit is onjuist, want de Keizersgracht is ongeveer een eeuw eerder gegraven.
In de loop der tijden heeft het pand diverse bestemmingen gehad. De laatste bewoner was een barbier, die zich er in 1897 vestigde. In 1903 moest hij vertrekken, omdat het pand gesloopt werd. De gevelsteen werd aan het Fries Museum geschonken door de toenmalige directeur van Gemeentewerken W.C.A. Hofkamp.
De nieuwbouw telt twee bouwlagen met een afgeknotte schildkap en is opgetrokken uit gele baksteen met ontlastingsbogen van rode steen boven de vensters. Aan de zijde van de Druifstreek zijn er twee en aan de Keizersgracht vier traveeën met een misschien later aangebouwde keuken. De hoek is afgeschuind. Merkwaardig is dat de plint van natuursteen is, behalve bij de keuken. De gevels zijn sober uitgevoerd. Alleen de ingang heeft enige versiering.
Ook het interieur is vrij eenvoudig. De woonvertrekken hebben stucplafonds met in het midden een ovaal met versieringen in de trant van Vredeman de Vries. In de woonvertrekken bevinden zich zwartmarmeren schoorsteenmantels, die vrijwel zonder versiering zijn. In de keuken bleef de originele vloer bewaard met okeren tegels met een zwarte rand en een schouw. De trap heeft een bewerkte paal en gietijzeren spijltjes. De indeling van de vertrekken op de verdieping is gelijk aan die van de begane grond. Hier zijn de schoorsteenmantels nog iets eenvoudiger.


17. Blokhuisplein 18 (In de Leyhamer)
Ter gelegenheid van de Open Monumentendag 1991, toen de Eewal centraal stond, is uitgebreid aandacht besteed aan het woonhuis van de leidekker Dirck Alles. Van diens zoon Alle Dircks werd in 1991 beweerd dat deze in 1620 was overleden in het huis 'In de Leyhamer' aan het Blokhuisplein 18. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat hier één en ander dient te worden rechtgezet. Gebleken is namelijk dat het sterfhuis van Alle Dircks niet aan het Blokhuisplein, doch iets noordelijker, aan de overzijde van de in 1894 gedempte binnengracht moet worden gezocht. In 1633 wordt dit pand - alwaar 'De Witte Leijhammer' uithangt - door de erfgenamen verkocht aan de leidekker Pieter Ruijrts. Deze zou er zijn bedrijf tot aan zijn dood in 1655 blijven uitoefenen. Tegenwoordig kennen we dit pand als 'Café Silbermann' aan de Druifstreek, no. 59. Door toedoen van wie en wanneer het pand aan het Blokhuisplein werd gesierd met de gevelsteen 'In de Leyhamer' zal uit de hierna te volgen beschrijving blijken.
De vroegste bebouwingsgeschiedenis van het perceel Blokhuisplein 18 reikt terug tot circa 1585. Reeds in 1597 kan ter plekke een aaneengesloten bebouwing worden geconstateerd. Een koopbrief van 4 augustus 1608 maakt melding van de verkoop van "seeckere camer ofte huisinge met allen annexen ende gerechticheden vandien, staende in plaets van het Ossenhuijs, ten westen nevens over het blockhuijs, wesende den vierde camer vande noorder hoeck aff te tellen". Deze verkoop had betrekking op het pand Blokhuisplein 20. In 1585 wordt als eigenaar van het noordwestelijke belendende pand van deze 'kamerwoning' Uble Wierts genoemd. Deze verkoopt in juli 1586 een nieuwe kamer tegenover het oude blokhuis en wel het latere perceel Blokhuisplein 16. Zowel ten noorden als zuiden wordt de verkoper als naastligger genoemd.

Op 12 maart 1587 treffen we de eerste proclamatie aan van de voorgenomen verkoop van het perceel Blokhuisplein 18. De echtelieden Uble Wyerdts en Abel Hayema geven dan te kennen hun bezit voor 144 gulden en 4 stuivers over te willen doen aan de Harlinger schipper Jan Dircx. Het over te dragen onroerend goed wordt als volgt omschreven: "Een camer, loodtse ende plaetse ter zyden van de selve, met het mede gebruyck van 't gemack inde loodtse voorsschreven, omme 't selve met de bewoonders van de noordtwester camer gebruyckt ende geledicht te worden, elcx voor de helfte, metten solders plancken althans opten camers balcken los leggende".
Na in kort tijdsbestek een aantal malen van eigenaar te zijn gewisseld, ontstaat in 1590 pas enige continuïteit in de eigendom van de 'nieuwe' kamer wanneer het echtpaar Jacob Nannes en Doed Eepes deze voor de som van 250 gulden verwerven. De eerstvolgende overdracht vindt pas op 30 augustus 1617 plaats, als een nichtje van Doedt uit bittere noodzaak de door haar tante geschonken kamer van de hand moet doen. Zij stond namelijk wegens geleverde waren nog voor 219 gulden in het krijt bij de koper. Deze werd na aftrek van de openstaande schuld, voor 100 gulden in het bezit van de kamerwoning gesteld. Op 29 april 1618 wordt het pand voor 300 gulden verkocht aan de toenmalige huurders, de slotmaker Jacob Roelofs en Marij Daems "in voegen d'echteluyden copers de zelve thien continue jaren bewoont ende gebruict hebben". Het verkochte wordt slechts summier beschreven.
Vier jaar later doet zich voor Jacob Roelofs een buitenkansje voor om een drietal 'olde woningen' in een steeg achter zijn woning aan te kopen, doch die waren zo bouwvallig, dat ze na bij trommelslag als te koop waren aangekondigd, niet méér opleverden dan 105 gulden, waarna de verkoping werd uitgesteld. Uit de strekking van de koopbrief blijkt dat ook toen leegstand en verpaupering al op de loer lagen! Jacob Roelofs had namelijk het oorspronkelijke bod op de drie krotten opgeschroefd naar 150 gulden "uijt oorsake dat d'zelve woningen achter zijn huijs zijn gelegen, ende om hem te ontlasten vande armeluyden ende dieven die inde zelve gatten van woningen in sluijpten ende haer grote quellingen deden". Aldus werd Jacob voor het door hem geboden bedrag in het bezit van de krotwoningen gesteld. Twee van deze krotten werden in 1631 meeverkocht aan de gortmaker Willem Lefferts. Met deze transactie was een bedrag gemoeid van 1470 gulden. Gezien de bijna vervijfvoudiging van de koopsom en een passage in een koopbrief uit 1625 welke betrekking heeft op het ten zuiden gelegen pand, kan worden geconcludeerd dat de oorspronkelijke kamerwoning tussen 1622 en 1625 een drastische verbouwing moet hebben ondergaan. Ook kan het in zijn geheel zijn vervangen door het huidige pand. In laatstgenoemde koopbrief wordt namelijk gewag gemaakt van de medeëigendom van de nieuwe gevel van het huis van Jacob Roelofs. In 1641 doen de erfgenamen van Willem Lefferts hun bezit voor 1176 gulden over aan 's Landschaps Scherprechter Lucas Salomons van Lingen, die zich hiermee een optrekje op loopafstand van 'zijn werk' verwierf.

Op 29 december 1714 blijkt Marijke Antonides - weduwe van de kleermaker Abraham Savoij - eigenares van het pand te zijn. Zij verklaart voor 602 gulden het huis alwaar 'De Drie Sleutels' hebben uitgehangen verkocht te hebben aan de leidekker Ype Pieters Wijngaarden. In 1698 heet het nog dat Blokhuisplein 16 was gelegen naast 'De Drie Kayen'. Voor het eerst wordt nu het interieur van de woning beschreven: "Een voorhuis, voorkamer met een bedsteed en een spijskamer, kelder, keucken, plaets en thuin, back en secreet, een groote bovenkamer met twee bedsteeden, kleer- en turffsolder". Het is heel goed mogelijk dat Ype Wijngaarden - op 22 juli 1718 door Gedeputeerde Staten benoemd tot 's Landschaps Leidekker - de hand heeft weten te leggen op de nog ongehavende gevelsteen aan de Druifstreek en deze in de gevel van zijn woning heeft laten plaatsen. Als in 1744 Ype's erfgenamen het pand van de hand doen wordt echter nog steeds gerefereerd aan 'De Drie Sleutels' die daar ooit zouden hebben uitgehangen. Hieruit blijkt dat oude koopbrieven die werden overlegd soms klakkeloos werden overgeschreven. Het huis werd voor 1600 gulden verkocht aan de Statenbode Johan Emanuel Dipelius. Gezien het feit dat het pand voor duizend gulden meer werd verkocht dan waarvoor het dertig jaar eerder was aangekocht, zal ook de familie Wijngaarden fors in het pand hebben geïnvesteerd.
In 1749 verwierf Dipelius eveneens de belendende kamer ten noorden in eigendom, waardoor de percelen Blokhuissteeg 18 en 16 voor langere tijd zouden versmelten. In 1773 doet hij zijn bezit voor de somma van 2400 gulden over aan een collega. Het geheel wordt dan omschreven als huis, tuintje, bleek en zomerhuis, met nóg een kamer met een loods ten noorden. In 1796 en 1799 dragen de gebroeders Pieter en Nicolaas Lourens, erfgenamen van de vorige eigenaar, ieder hun aandeel van beide panden over aan de collecteur Broer Feenstra en diens huisvrouw. In 1810 blijken de panden te zijn nagelaten door de procureur Johannes Strooband, die het in 1806 voor 1925 gulden had gekocht van de weduwe Feenstra. Het dubbelpand wordt datzelfde jaar voor 2076 gulden overgedragen aan de zilversmid Petrus Schuil. De omschrijving luidt dan: "Zeekere deftige en hegte huisinge met plaats en bleekveld, staande en geleegen Onder de Boomtjes". In 1843 werd het pand door het echtpaar Schuil, dat zijn intrek had genomen in het St. Anthony Gasthuis, verkocht.
Van 1850 tot 1860 werd het pand verhuurd aan de provincieambtenaar Broer Tjitze Schuil, zoon van de vorige eigenaar. In laatstgenoemd jaar werden de woningen Blokhuisplein 18 en 16 overgedragen aan de schoorsteenveger Antonius Johannes Beltrami, die zich er op 22 mei van dat jaar vestigde. In 1863 liet Beltrami zijn bezit verbouwen, waarna Blokhuisplein 16 blijvend werd afgesplitst. Zijn weduwe verkocht de beide panden in 1904.

We maken een sprong naar recente tijden. Kaashandelaar Theodorus Jozef Dames kocht in 1955 het sterk verwaarloosde en onbewoonbaar verklaarde pand aan en liet het inrichten als kaaspakhuis. Groot was diens verassing toen in 1957 bij de restauratie van het pand in de voorkamer een vroeg 18de-eeuws schoorsteenstuk werd ontdekt. Het betrof een voorstelling van een vrouwenfiguur met fijnbesneden Grieks profiel, die in bevallige houding op een soort canapé zit. Daarnaast gaf het vroeg 17de-eeuwse pand, waarin nog duidelijk een viertal ontlastingsbogen zijn te herkennen, in 1957 nóg een aantal geheimen prijs. Boven de voordeur werd een rijkbesneden balk uit dezelfde tijd als het schoorsteenstuk aangetroffen. Midden door het huis liep een wenteltrap naar de vliering die was gevat in een rijk betegeld trapgat. In 1988 uiteindelijk, werd het exterieur grondig onder handen genomen en werd de oorspronkelijke 'dodekopkleur' weer op het pand teruggebracht. Ook werd door de schilder de gevelsteen gerestaureerd. Aan de hand van de gevelsteen aan Eewal 78 werd een nieuw afgietsel van het reliëf gemaakt en op de kale steen in de voorgevel aangebracht.


18. Blokhuisplein 40 (Huis van Bewaring)
Omstreeks het midden van de vorige eeuw was de Leeuwarder gevangenis, toen Huis van Opsluiting en Tuchtiging geheten, nog steeds gevestigd in de oude gebouwen op het Blokhuisterrein. De omstandigheden, waaronder de gevangenen waren opgesloten, waren niet best. Het grote aantal sterfgevallen in 1860 trok zelfs de aandacht van de Tweede Kamer. De gevangenen werkten overdag op slecht geventileerde werkzalen, waarvan de weefzaal de meest beruchte was vanwege het ronddwarrelende stof.
Het nachtverblijf was al niet veel beter. Ze sliepen op grote zalen in hangmatten tot drie rijen hoog. Dit gaf de gevangenen de gelegenheid om met elkaar om te gaan, wat leidde tot het smeden van ontsnappingscomplotten en wat zo mogelijk nog erger werd gevonden: deze toestand gaf aanleiding tot onzedelijkheid.
In 1868 deden zich enkele spectaculaire ontsnappingen voor uit het Leeuwarder Tuchthuis, die in de Tweede Kamer bij de behandeling van de begroting voor 1869 aan de orde waren gesteld, omdat ze in Friesland grote opschudding en een gevoel van onveiligheid hadden teweeggebracht. In enkele steden was dit aanleiding geweest om de schutterij onder de wapenen te roepen. Men weet deze ontsnappingen voor een groot deel aan de toestand van de gebouwen, zelfs aan de nieuwe vleugel uit 1860.
Er ontstonden plannen om de gevangenis naar elders te verplaatsen. De redding kwam in 1870 toen de Ingenieur-Architect voor 's Rijksgevangenisbouw J.F. Metzelaar (1818-1897) de opdracht kreeg het oude blokhuis af te breken en een nieuw alcovengebouw, een kommandantswoning en een militaire wacht te bouwen. Het meest imposante gedeelte is het poortgebouw. De architect heeft zich hier duidelijk laten inspireren door de waterpoort van Sneek.

De torens, die de grote poort flankeren, geven het gebouw een weerbaar karakter. In het linker gedeelte van dit gebouw werd de militaire wacht gevestigd en in het rechter was de woning van de directeur. Het kolossale gebouw op de hoek van het Blokhuisplein en de Zuiderstadsgracht was het alcovengebouw, dat slaapzalen bevatte, die opgedeeld waren in bedstede-achtige slaapplaatsen. Het exterieur oogt als een conventionele baksteenbouw, maar in het interieur is veel gebruik gemaakt van ijzer en gietijzer.
Heel ingenieus zijn de holle gietijzeren kolommen, die een ventilatiesysteem bevatten, dat ook nu nog werkt. In een hoog tempo werden de andere gebouwen op het terrein vernieuwd, waarbij de oorspronkelijke plattegrond van het Blokhuisterrein met de rechthoekige binnenplaatsen werd gevolgd. In 1876 was het complex, dat nu de functie van Bijzondere Strafgevangenis had, dat wil zeggen dat er straffen van vijf jaar tot levenslang werden uitgezeten, klaar.

Het Huis van Bewaring voor gevangenen die nog niet door de rechter veroordeeld waren, was sinds 1824 in de Kanselarij gevestigd. Ook hiervoor werd een passender behuizing gezocht en gevonden op het oostelijke gedeelte van het Blokhuisterrein. W.C. Metzelaar (1848-1918) was inmiddels in 1886 zijn vader opgevolgd als architect van Justitie. Eind 1889 werd met de bouw begonnen en medio 1891 kon het al in gebruik genomen worden.
Het Huis van Bewaring kreeg een eigen ingang aan de oostzijde, waarvoor een gedeelte van de Keizersgracht gedempt moest worden. De beide gevangenissen stonden dus ruggelings tegen elkaar. Er was aanvankelijk zelfs geen doorgang. Het nieuwe gesticht bestond uit een administratiegebouw en een evenwijdig met de voorgevel opgetrokken verblijfsgebouw. Het administratiegebouw bevatte op de begane grond het bureau voor de directeur, de regentenkamer en een portiersloge.
Op de verdieping waren onder andere de krijgsraadkamer, het vertrek voor de geneesheer en een wachtkamer voor getuigen. Vanzelfsprekend kreeg ook dit gedeelte een directeurswoning, rechts van de administratievleugel. Deze woning was in overeenstemming met zijn traktement eenvoudig gehouden. Het verblijfsgebouw van 45 meter lang bevatte in het noordelijk gedeelte cellen voor afzonderlijke opsluiting en in het zuidelijk gedeelte ruimten voor gemeenschappelijke opsluiting. Voor vrouwen was op de tweede verdieping een afzonderlijke ruimte ingericht met een vertrek voor een bewaarster. Tevens waren er een bibliotheek, een onderwijzerskamer en ziekenvertrekken. Voor het luchten van de gedetineerden was aan het eind van de vleugel een ommuurde open plaats gereserveerd.
Na het gereedkomen van het Huis van Bewaring onderging ook de Bijzondere Strafgevangenis een uitbreiding. Een nieuwe cellenvleugel, die in 1894 gereed kwam, verrees langs de Keizersgracht. Deze langwerpige vleugel van drie verdiepingen hoog heeft inwendig gietijzeren galerijen, die naar de cellen leiden. De constructie is heel open gehouden, wat het toezicht vergemakkelijkt. De cellen bevinden zich thans nog in nagenoeg originele toestand. Ze hebben een gewelfd plafond en in de deuren zitten schaftluiken en een kijkgat. Alleen de hoogte van de deuren is thans een probleem, want de gevangenen zijn in de loop van de eeuw steeds langer geworden. De ventilatie van de cellen geschiedt door middel van de holle vensterbanken. Aan de binnenzijde kan de bewoner met drie klepjes zelf de toestroom van buitenlucht regelen.

Eind jaren zestig werd de Strafgevangenis gesloten en het gehele complex bestemd tot Huis van Bewaring. Aanvankelijk bestond het plan alle gebouwen te slopen, maar later werd besloten tot instandhouding met behoud van het oude aanzicht. Een omvangrijke ver-bouwing startte, die extra gecompliceerd was, omdat tijdens de werkzaamheden het gebouw als gevangenis in gebruik bleef. Sporen van de ingrepen zijn aan de buitenkant zichtbaar onder andere in de nieuwe hekwerken voor het poortgebouw en de liftschacht aan het alcovengebouw.

Terug