door Jan Faber

Gepubliceerd in: Leovardia, historisch tijdschrift voor Leeuwarden en omgeving; nr. 1, mei 2000 (N.B. de gebruiksgeschiedenis na 1971 is later aan deze webpagina toegevoegd en ontbreekt in het artikel waarnaar hier wordt verwezen). 

In maart 1999 werd het Leeuwarder Gemeentearchief [sinds mei 2001 Historisch Centrum Leeuwarden] benaderd door een medewerkster van Japan-Euro Promotions B.V., die in opdracht van een Japanse televisieproducent wilde nagaan of er bij het Gemeentearchief [HCL] ook iets bekend was over Saskia Ulenburgh, dochter van een Leeuwarder burgemeester en de eerste vrouw van Rembrandt Harmensz. van Rhijn. Zij werkte aan een Japanse televisie-documentaire in het kader van de 400-jarige handelsbetrekkingen tussen Nederland en Japan. Vluchtig literatuuronderzoek leerde dat hoofdonderwijzer D.J. van der Meer uit Reduzum jarenlang met noeste ijver had gespeurd naar het familieverleden van de Ulenburgh’s. In 1971 werd zijn speurwerk bekroond met een publicatie van de genealogie Ulenburgh in het Genealogysk Jierboekje. De genealoog J.C. Kutsch Lojenga voegde nog belangrijke feiten toe in zijn publicatie over de familie Van Loo in het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie. Gezien de volledigheid van beide artikelen ga ik hier niet al te diep in op de familiebetrekkingen van Saskia Ulenburgh, maar beperk ik me tot de hoogst noodzakelijke.

Bezoek ook het Rijksmuseum in Amsterdam

De vader van Saskia - Rombertus Ulenburgh - werd rond 1554 in Bergum geboren. Op 10 september 1578 promoveerde hij, na aan de universiteit in Heidelberg te hebben gestudeerd, tot doctor in de rechten. Ongeveer 30 jaar oud, werd hij burgemeester van Leeuwarden, in 1585 Gedeputeerde Staat van Friesland en in 1597 raad ordinaris in het Hof van Friesland. Van Rombertus Ulenburgh is bekend dat hij op 10 juli 1584 als een van de laatsten prins Willem van Oranje in levende lijve heeft gezien en gesproken. Bij onderhandelingen in Den Haag en Delft trad hij op namens de stad Leeuwarden en zijn gewest. Die bewuste avond dineerde hij bij de prins. Deze werd na de maaltijd door Balthazar Gerards doodgeschoten. Rombertus huwde voor 1591 met Siuckien Ulckedr. Aessinga, uit welk huwelijk acht kinderen zouden worden geboren, waarvan Saskia - gedoopt op 2 augustus 1612 - de jongste was. Na het overlijden van haar vader op 3 juni 1624 - haar moeder was vijf jaar daarvoor reeds overleden - werd Saskia toevertrouwd aan de zorgen van haar zwager dr. Gerryt van Loo en haar oudere zuster Hiske Ulenburgh. Op 22 juni 1634 zou Saskia in Sint Annaparochie in het huwelijk treden met de uit Amsterdam afkomstige kunstschilder Rembrandt Harmensz. van Rhijn. Aldus Van der Meer in 1971.

Op de onderste regel de doopinschrijving van Saskia Ulenburgh d.d. 2 augustus 1612

Hoewel Van der Meer in zijn artikel melding maakt van de aankoop in 1595 door Rombertus Ulenburgh van een huis bij de ‘Blockhuyster piep’, laat hij de lezers in het ongewisse over de exacte lokatie van dit pand. Wel spreekt hij het vermoeden uit dat Rombertus en de zijnen dit pand jaren lang moeten hebben bewoond en dat Saskia in dit huis geboren zou zijn. Volgens Van der Meer was het pand evenwel niet eenvoudig te localiseren. In het zogenaamde Schoorsteengeldregister - een uit 1606 daterend register waarin de opbrengsten van een belasting op schoorstenen werden geregistreerd - wordt ‘mynheer Wijllemborg’ als eigenaar-bewoner van een huis in Keimpema-espel vermeld. Met name de vermelding ‘bij de Blockhuyster piep’, alsmede de situering in Keimpema-espel maakte mij nieuwsgierig. Omdat ik nauw betrokken was bij de organisatie van de Open Monumenten Dag in 1998, waarbij panden aan de Turf- en Tweebaksmarkt, de Druifstreek en het Blokhuisplein te bezichtigen waren, had ik uitgebreid onderzoek gedaan naar de bewoningsgeschiedenis van het perceel Blokhuisplein 18. Bij het terugvolgen van een gebouw in de tijd moet vaak worden teruggevallen op koopcontracten van belendende percelen, omdat die de namen van de eigenaren van de buurpanden bevatten. Zodoende had ik reeds de gehele gevelwand van het Blokhuisplein en een deel van het Zwitserswaltje in kaart gebracht. Hoewel vooral bij de hoek van het Blokhuisplein en het Zwitserswaltje veel panden werden aangeduid met ’gelegen bij de Blokhuisterpijp’, kwam de naam van Rombertus Ulenburgh niet als eigenaar van een van deze percelen voor. Aangezien het hiervoor aangehaalde Schoorsteengeldregister wel degelijk een logische volgorde kent - namelijk de route die de belastingcollecteur liep - werd al snel duidelijk dat het pand van Ulenburgh in de onmiddelijke nabijheid van de hoek Zwitserswaltje-Blokhuisplein moest worden gezocht en wel nabij de pijp die het Blokhuisplein tot 1894 met het straatje de Ossekop verbond. Nadere beschouwing van het reeds door Van der Meer genoemde koopcontract van 1 maart 1595, leerde dat het bewuste perceel zowel ten noorden als ten zuiden belendende percelen kende. Zonder dat er in het koopcontract sprake was van een straat ten westen, rees, gezien de noord-zuidrichting van de bebouwing, al vrij snel het vermoeden dat het geboortehuis van Saskia aan de Ossekop moest worden gezocht en wel ergens tussen de percelen 1 en 13. Op genoemde datum droegen Mr. Eco Isbrandi, Secretaris van Gedeputeerde Staten van Friesland, en diens huisvrouw Eets Douwesdr. voor de somma van 1300 goudguldens hun huis over aan burgemeester Rombertus Ulenburgh en zijn huisvrouw, waarbij het verkochte alsvolgt werd omschreven: ‘zeeckere huysinghe metten boomen, achterplaatze ende schuijre, achter ande voersscreven plaats opde waterswal getimmert ende tot d’voersscreven huysinge behoorende’. Uit deze omschrijving blijkt dus dat de eigendom aan de achterzijde - dus ten oosten - grensde aan een water. Uit nadere bestudering van de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603 bleek dat zich in het Keimpema-espel slechts één situatie voordeed waarbij de achtererven van woningen aan de oostzijde aan een gracht grensden en dit bevestigde wederom het eerder geuite vermoeden dat het bewuste pand aan de Ossekop moest worden gezocht. Aangezien het pand niet op een hoek was gelegen, doch zowel ten noorden als ten zuiden belenders kende, diende dus het aantal woningen tussen Ulenburgh’s pand en een hoekpand te worden bepaald. Gelet op de nadere omschrijving ‘bij de Blockhuysterpijp’ leek dus een hoekpand ten zuiden - dus nabij het Blokhuisplein - het meest voor de hand te liggen. In het eerdergenoemde koopcontract werd als belender ten zuiden Mr. Focco Rommarts, raadsheer ordinaris in het Hof van Friesland en zoon van wijlen de oud-stadssecretaris Mr. Matthijs Rommarts, genoemd. Ook deze verkocht datzelfde jaar zijn huis en plaats bij ‘de oude Blockhuysterpijp’: ‘hebbende de Herevaart ten oosten en zuiden en Mr. Eco Isbrandi ten noorden’. Met deze omschrijving en door vergelijking van de zeer gedetailleerde wijkkaarten uit 1843 en 1876 zou het raadsel dus zijn opgelost: precies daar waar de van het noorden naar het zuiden lopende voormalige Heregracht een bocht naar het westen richting de Weaze maakte, stond het laatste pand dat nog aan de Ossekop nummerde en sedert 1876 als nummer 13 bekend staat. Rombertus Ulenburgh moest dus haast wel zeker het ten noorden daarvan gelegen perceel Ossekop 11 hebben bewoond.

De huwelijksinschrijving in het trouwboek van St. Annaparochie van Rembrant Hermens van Rhijn en Saskia van Ulenborgh op 22 juni 1634 (Ryksargyf yn Fryslân)

Echter om er geheel zeker van te zijn dat de bebouwingssituatie aan de Ossekop tegen het einde van de 16de eeuw vergelijkbaar is met de huidige toestand, werd ook de ten noorden van Ulenburghs pand gelegen bebouwing aan een nader onderzoek onderworpen. Het koopcontract uit 1595 maakt melding van een ‘camer, toebehorende het weeshuys’ als noordelijke belender. Een nadere bepaling in hetzelfde koopcontract luidde dat de koper (Ulenburgh) gerechtigd was om ‘door de caamer, staande op’t noord (deeser huysinge) t’heymelijck gemack t’allen tyden te moogen reijnighen oft leedigen’. Enige maanden eerder, te weten op 1 december 1594, had de eerder in dit artikel genoemde Mr. Focco Rommarts in één koop een aantal panden overgedragen aan Jan Hendricxzn. Rhala, ontvanger van de kloosteropkomsten in Friesland. Deze overdracht behelsde naast een aantal kamers in de Oude Oosterstraat, het hoekpand op de hoek van de Oude Oosterstraat en de Ossekop, ook wel aangeduid als de ‘gladde gevel’, het ten zuiden daarvan gelegen Ossekop 3 alsmede een ‘ledige plaatze dair aan ten zuijden’. Als ten zuiden belendende percelen werden vermeld aan de straatzijde het weeshuis en aan de achterzijde Mr. Eco Isbrandi. In verwarring gebracht door de huidige situatie - de percelen Ossekop 5 en 7 zijn in vergelijking met de naastliggende panden namelijk relatief ondiep waarbij de panden Ossekop 3 en 9 als het ware deze woningen omsluiten - rees even het vermoeden dat het pand van Isbrandi en later van Ulenburgh misschien toch niet Ossekop 11 doch 9 (voorheen Drukkerij Wielsma) is geweest, waarbij op de toenmalige ledige plaats ten zuiden van Ossekop 3 in 1596 door de meester metselaar Utse Riemers het perceel Ossekop 5 is gebouwd en dat Ossekop 7 eigendom van het Old Burger Weeshuis is geweest. Nadere beschouwing van genoemde wijkkaarten bleek naadloos op deze theorie aan te sluiten: immers tussen de percelen Ossekop 9 en 11 leek hoe dan ook geen kleinere woning te (hebben) bestaan.

Het raadsel van de ’ledige plaatze’
Tijdens de aanvankelijke euforische stemming die heerste over de nieuwe ontdekking en het feit dat de Japanse televisie reeds zijn opwachting maakte voor opnamen, lekte dit enigszins wat premature vermoeden uit naar de lokale pers, die er prompt een ‘Dossier Leeuwarden’ aan wijdde. Achteraf bleek het oorspronkelijke vermoeden toch te worden bevestigd door de ontdekking van een koopcontract, waarbij Brecht Jacobsdr., weduwe van Hans Croes ‘de Jonge’, in juni 1576 ‘seeckeren huys metten annexen ende vrien grondt van dien’ voor 180 goudguldens overdraagt aan de voogden van het Old Burger Weeshuis. Blijkens de rekeningboeken van het weeshuis, waarin ondermeer de inkomsten uit verhuur van onroerend goed werden geadministreerd, bleek dat deze woning tot het jaar 1604 door het weeshuis aan diverse personen werd verhuurd totdat melding werd gemaakt van verkoop van het pand aan ......... Den Edel Achtbaren ende Hoechgeleerden Heere Doctor Romberto Ulenburch, mede Raedt ordinaris inden Hove van Frieslandt, ende Sijuckyen Wlcke Reijnsdr., echtelieden te Leeuwarden. De alfabetische ingangen op de zogenaamde consentboeken noemden deze overdracht echter niet onder de aan de Ossekop gelegen woningen, doch achteraan bij de zogenaamde ‘aantekeningen’, dan wel de niet te lokaliseren percelen. Het van 29 november 1604 daterende koopcontract vermeldt de overdracht van ‘zeeckere camer ofte olde behuysinge, zampt d’loedtzen daerachter, met allen voorderen annexen ende gerechticheijdt zoe ende als ‘t weeshuijs aldaer competeert, staande ten noorden vande voersschreven heeren Ulenburchs huijsinge, als nu tegenwoordich bij hem ende zijn huijsfrouwen bewoent’. Dr. Ulenburgh en zijn huisvrouw kochten dit pand voor 399 goudguldens, waarbij de volgende kantekening werd geplaatst: ‘alsoe wij Ulenburch ende Sijuckien voersschreven den voersschreven camer ofte olde behuijsinge all opden eersten Maij laestleden angevaerdet ende d’zelve oeck t’onsen wille vernijeut ende verbout hebben ende alsoe in goede possessie vandien zijn, soe bedancken wij d’voersschreven weesmeesteren ende administratoers voer goede traditie ende nemen derhalven aen ende beloven d’zelve administratoers ten proufite van t’weeshuijs voersschreven aende bovengemelde Rentemeester ofte zijnen successor in officio d’resterende twije derde parten der opgemelte penningen te voldoen ende betalen’.


Uitsnede van de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603, waarop de oorspronkelijke panden die in 1604 werden samengevoegd, samen met het nog steeds bestaande achterhuis staan weergegeven. Tussen Ossekop 11 en 13 de poort door welke Rombertus Ulenburgh gerechtigd was wijnen te kelderen

Waarschijnlijk heeft Ulenburgh spijkers met koppen geslagen en de oude vervallen woning tot één geheel met zijn eigen grote huis laten verbouwen. In ieder geval is nadien geen sprake meer van een gescheiden verkoop. De ‘ledige plaatze’ ten zuiden van Ossekop 3, waarvan in 1594 sprake was, heeft zich dus veel verder zuidwaarts uitgestrekt dan aanvankelijk werd aangenomen. Jan Hendrickszn. Rhala verkocht in 1596 slechts een klein gedeelte van deze lege plek aan de meester metzelaar Utse Riemers, die er de percelen Ossekop 5 en 7 op liet bouwen. Op het meest zuidelijke deel van de onbebouwde huisstede liet Rhala voor zichzelf het huidige pand Ossekop 9 bouwen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat ook het grote pand van Ulenburgh tot 1569 in eigendom toebehoorde aan de weduwe van de jonge Hans Croes of Cruys. Reeds op 12 september 1526 is er ter plekke sprake van onroerend goed van Hans Cruys. Het stadsbestuur verhuurde op die datum aan laatstgenoemde en aan Lenart Huges de tot dan toe braak gelegen hebbende grond ten noorden van het Oud Hengstewad (Zwitserswaltje) - de latere Uniabuurt - waar (tot 1498) de verwoeste Uniastins had gestaan: ‘............ dat tot profytt der stadt hebben verhuijrt ende voerpacht die ledighe plaets, liggende bij ende omtrent dat Henxtewad, ter oestzijde soe wydt ende langck ende breet als dat water van dat Henxtewad wtstreckt, ende niet vorder nae die straete soverre Hans Kruijshair huijss ende woeninge’. Onduidelijk is of hier de ‘jonge’ Hans Cruys wordt bedoeld, dan wel zijn vader, die tussen 1531 en 1535 en in 1537 burgemeester van Leeuwarden was en die reeds in 1511 als inwoner van het Keimpema-espel wordt vermeld. Deze Hans Cruys ‘de oude’ moet rond 1538 zijn overleden. Beiden worden overigens gelijktijdig genoemd in enkele belastingomslagen van het Keimpema-espel uit 1531. Zij wonen dan bij elkaar in buurt.

Wisselende eigenaars
Op 4 juli 1628 maken de proclamatieboeken melding van de verkoop van ‘de huijsinge ende hovinge cum annexis bij de heer Ulenburgh ende Siucktien Aesinga, echtelieden naegelaten’. Het huis werd door de raadsheer ordinaris Gellius van Jongestall voor 2600 goudguldens gekocht van de erfgenamen van genoemde echtelieden, te weten ‘vande minderjaarige bij decreet ende vande andere sonder decreet’. Helaas zijn de decreetboeken van het Hof van Friesland over deze periode verloren gegaan, zodat we over de indeling van het pand niet worden ingelicht. In het koopcontract uit 1595 wordt in een nadere bepaling wel melding gemaakt van het feit dat de woning een kelder bezat: ‘mit oock de gerechticheyd omme over d’plaatze ofte poorte vande voersscreven vercofte huysinge van Focke Rommerts an dr. Jan Loo (Ossekop 13) te moogen wynen opslaan ende voorts kelderen inde kelder vande vercofte huysinge’. Pas in 1682, wanneer de erfgenamen van Allert Pijter van Jongestall het pand voor 3430 goudguldens overdragen aan Bruno van Vierssen uit Koudum, worden we uitvoeriger ingelicht. Gezien de waardestijging van het pand sedert 1595 en de integratie van de ten noorden gelegen oude woning mag worden geconcludeerd dat aanvankelijk Rombertus Ulenburgh het pand al drastisch zal hebben laten verbouwen. Indien ervan uit mag worden gegaan dat er tussen 1628 en 1682 sprake is geweest van een inflatiepercentage van rond de 30%, dan zou het pand, afgezien van enkele kleine verbeteringen, in laatstgenoemd jaar nog de oorspronkelijke indeling uit 1628 hebben gehad. Het verkochte wordt dan omschreven als ‘seeckere heerlijcke en voortreffelijcke huisinge, voorsien met een voorhuis, costelijcke groot beneden zaal, een achter camer, twe kelderscamers, een clein schrijffcamerke, een groote kelders keucken, met watersteen, regenwaters back, en dan noch twe andere bierkelders, vier boven camers, kostelijcke kleersolderen, een tuijn en bleeckvelt achter de huisinge, met een nieu geboude camer, keucken, waschhuis, turffsolder, put en back, secreet en ander gerijff meer, staande aan ‘t water achter voorschreven voorhuisinge’.

Druifstreek westzijde ca. 1860, met geheel links de ’nieu geboude camer aen ’t water’, later de werkplaats van goudsmid Pieter Adama HJzn.

Als Bruno van Vierssen het pand in 1696 voor 4400 goudguldens overdraagt aan de raadsheer Aggaeus van Hamerster, lijkt de indeling nog hetzelfde. Ook wanneer de erfgenamen van laatstgenoemde in 1738 de woning verkopen aan de heer Colonel Eelco van Glinstra, lijkt met een koopsom van 5000 goudgulden de waardevermeerdering binnen acceptabele grenzen te liggen, zij het, dat de beschrijving van het interieur uitgebreider is. De hoofdindeling lijkt echter nog hetzelfde als in 1682 en het pand kende nog steeds één verdieping met daarboven een zolder. In 1795, wanneer Arend Johan van Glinstra voor 2002 goudguldens 3/5 deel van het huis koopt van de mede-erfgenamen van zijn ouders, lijkt er zelfs sprake van een waardedaling van het pand. Omgerekend zou de totale waarde van het pand destijds 3337 goudguldens hebben bedragen.

In 1811 wordt het pand door de erven van Arend Johan van Glinstra overgedragen aan de echtelieden Jan Thomas Ferdinand Huguenin, destijds Maire van Sonnega, en Lamberdina Henriëtta Huber, beiden woonachtig te Wolvega. De weduwe verkoopt het op haar beurt rond 1834 aan de goud- en zilversmid Pieter Adama HJzn. Hij verwijderde hoogstwaarschijnlijk, gelet op de neoclassisistische stijl van de gevellijst, de topgevels en liet een 19de eeuwse lijstgevel aanbrengen. De befaamde tekenaar en schilder Willem Bartel van der Kooi, van wie nog vele fraaie stadsgezichten op het Gemeentearchief[HCL] en het Fries Museum worden bewaard, huurde het huis tot ca. 1833. Grietje Adama werd in 1888 de nieuwe eigenaresse. Zij sloopte het bouwsel dat aan de oostzijde van de tuin aan de oude Herengracht lag en dat als werkplaats van Pieter Adama had gediend.

Een metamorfose
Nadat de gracht in 1894 was gedempd werd hier ter verkrijging van een betere rooilijn een strook grond van 100 m2 voor 680 gulden aan de stad overgedragen. In 1897 werd het pand verkocht aan de N.V. Leeuwarder Waterleiding Maatschappij, die er enige jaren kantoor en magazijn hield, waarna het - na nog enige jaren in gebruik te zijn geweest als was- en strijkinrichting - in 1921 in gebruik werd genomen als zusterhuis van het nabijgelegen Stads Ziekenhuis. Bij de drastische verbouwing die in 1920 en 1921 heeft plaatsgevonden en waarbij het pand werd voorzien van een extra verdieping, is de oorspronkelijke indeling van het pand helaas volledig verstoord. De verbouwingsplannen werden door de toenmalige directeur van Gemeentewerken alsvolgt omschreven: ‘Het maken van een keldertje van gewapend beton, een verwarmingskelder met brandstofberging. Op den beganen grond: een portaal met garderobe en vestibule met trap, ontbijt- of conversatiezaal, keukentje en W.C., en 2 slaapkamers voor te zamen 5 bedden. Op de verdieping: trap, badkamer, leerkamer, W.C., 3 kamers elk voor één bed en 2 kamers elk voor 2 bedden. Op de 2e verdieping: trap, W.C., 2 kamers met elk één en 2 kamers met elk 2 bedden. Voorts een dienstbodenkamer boven de badkamer’. In 1921 heette het, dat het gebruik van het gebouw zeer goed aan zijn bestemming voldeed: ‘Van een oud uitgewoond heerenhuis is een vriendelijk en gezellig tehuis voor het verplegend personeel gemaakt’. Dat het voorkomen van het pand in 1920/21 een ingrijpende metamorfose heeft ondergaan, valt eveneens te constateren als we een panoramafoto uit 1877 van Gerharda Henriëtta Mattijssen (1830-1907) vergelijken met een panoramafoto uit de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Weergave van het bestaande frontaanzicht van het perceel Ossekop 11 op een verbouwingstekening van 1920/21

Vóór 1920 telde het gebouw boven de begane grond nog één verdieping met daar boven een zolder voorzien van twee dakkajuiten. Wat bouwhoogte betreft, viel Ossekop 11 bijna geheel in het niet bij buurpand nummer 9. Het huidige dak heeft een centrale dakkajuit en links bevindt zich een zijkajuit. Toch zijn de verbouwers niet geheel voorbij gegaan aan de historische kenmerken van het exterieur. De bestaande kroonlijst met een geprofileerde dakgoot op een reeks klossen lijkt omhoog gebracht. Ook aan de achterzijde toont het pand nog onmiskenbaar zijn 16de eeuwse oorsprong, waarbij de gehandhaafde dubbele dakconstructie verraadt dat hier twee panden hebben gestaan, ooit in opdracht van Rombertus Uylenburgh tot één woonhuis verenigd. Het destijds van het Old Burger Weeshuis aangekochte pand toont aan de achterzijde nog het oorspronkelijke 16de eeuwse kruisvenster, zij het, dat het is herplaatst op de nieuwe verdieping. Het buitenmuurwerk van het dubbelpand is tot aan de eerste verdieping opgetrokken uit ruim 50 centimeter lange en 9 centimeter dikke kloostermoppen. Het is niet geheel ondenkbaar dat hier bouwmaterialen zijn hergebruikt die na de verwoesting van de Uniastins in 1498 op het stinsterrein zijn blijven liggen, dan wel oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de fundering van deze sterkte. Toen in 1526 dit terrein door de stad aan Hans Cruys en Lenart Huges in verhuur werd afgestaan, werd in het huurcontract de bepaling opgenomen dat de huurders het terrein dienden ‘to slichten ende to bereyden’. Hieruit mag men afleiden dat de grond er toen nog als een puinhoop bij moet hebben gelegen. Ondanks de rigoreuse bouwkundige ingrepen laat het interieur van Ossekop 11 nog steeds een duidelijke scheiding tussen de twee oorspronkelijke panden zien. Ondanks het feit dat het metselwerk door een dikke pleisterlaag aan het zicht wordt onttrokken, verraden ontlastingsbogen boven de doorgangen, dat dragende (buiten)muren zijn doorgebroken. Tenslotte zijn in de achterkamer van het voorhuis nog de oorspronkelijke moerbinten zichtbaar waarvan er één rust op een 16de eeuws sleutelstuk. Bekijk ook het filmpje waarin de vier bouwfasen van het pand zijn gevisualiseerd.

Het perceel Ossekop 11 in 1976 (bestaande situatie)

Op 14 april 1971 vertrokken de laatste leerling-verpleegsters naar een nieuw onderkomen aan de Borniastraat en werd het gebouw ingericht als opleidingsschool voor leraren van de Stichting Leraren Opleiding Ubbo Emmius. Vanwege de ongeschiktheid van de bovenverdieping als lesruimte werd in de loop van dat jaar al weer uitgeweken naar andere lokaties in de stad en bleef alleen de administratie van de lerarenopleiding achter in het pand. In 1976 verhuisde 'Ubbo' naar het gebouw van de voormalige Middelbare Landbouwschool aan de Vredeman de Vriesstraat. Vervolgens werd het overgrote deel van het pand voor vijf jaar verhuurd aan de Algemiene Fryske Underrjocht Kommissje (AFUK). Daarnaast huurden de Provinciale Onderwijsraad, de Commissie Wetenschappelijk Onderwijs, Frysk en Frij, de Coöperatieve Uitgeverij en de Ried fan de Fryske Beweging er kantoorruimte. In 1981 verkocht de gemeente het pand aan  advocatenpraktijk Stoop c.s. die op dat moment reeds kantoor hield in het belendende pand Ossekop 13. Vanaf 1984 - nadat Mr. J.C. Stoop uit de maatschap was getreden, veranderde de naam in Advocatenkantoor Bierman & De Goede en na het vertrek van Bierman in 1987 in De Goede & Koster. Na in 1989 te zijn gefuseerd met Advocatenkantoor Trip uit Groningen werd de praktijk tenslotte omgedoopt in Trip & De Goede Advocaten. In 1994 verliet de danig uit haar jas gegroeide advocatenpraktijk beide panden aan de Ossekop om zich in de verlaten Willem Lodewijkschool aan de Druifstreek te vestigen, waarna in 1995 Ingenieursbureau DHV - zij het slechts voor vier jaar - zijn intrek in Ossekop 11 nam. Sedert mei 1999 biedt het statige pand onderdak aan de bekende strafpleiters Anker & Anker, tot dat jaar reeds zelfstandig werkzaam in het kantoor van Trip & De Goede. Met hen lijken de oorspronkelijke bewoners - de raadsheren van het Hof van Friesland - waardige opvolgers te hebben gekregen.

Omslag 10 jaar Anker & Anker aan de Ossekop 11In 2009 vierde de maatschap Anker & Anker Strafrechtadvocaten haar 10-jarig bestaan, hetgeen o.a. leidde tot het uitbrengen van de hiernaast afgebeelde gelegenheidspublicatie. Naast een samenvatting van de hierboven vermelde geschiedenis, licht Mr. Evert Kuiters van Anker & Anker de meest recente geschiedenis van de praktijk toe en is tevens een bloemlezing van diverse verhalen van bewoonsters van het zusterhuis toegevoegd. De betreffende publicatie kan worden gedownload door op de boekomslag hiernaast te klikken.

 

 

 

 


Bekijk ook de tweede aflevering van Rembrandt en ik - Saskia van Uylenburgh 
Neem daarnaast kennis van het overzicht van de manifestatie Sporen van Saskia, hét evenement dat op 13 oktober 2012 ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van Rembrandts grote liefde en muze heeft plaatsgevonden. Tenslotte draaide tijdens Open Monomentendag 2013 in het speciaal voor die gelegenheid opengestelde Anker & Ankerpand een diavoorstelling, welke hier in PDF (5 Mb) kan worden bekeken of gedownload


Terug