Burmaniahuis


Het eerste huis van Leeuwarden: Van Burmaniastins tot stadskantoor

N.B.: Gepubliceerd in het kader van de opening van het nieuwe stadskantoor in 1994

Inleiding

De ingebruikname van het nieuwe stadskantoor, gebouwd rondom het Burmania-huis in het gebied waar de vroegste bewoning in de huidige Leeuwarder binnenstad gesitueerd wordt, is de directe aanleiding geweest tot het samenstellen van dit informatieve boekwerkje over de geschiedenis van het Burmaniahuis en zijn bewoners.

De initiatieven hiertoe werden genomen door het gemeentebestuur, met name door oud-burgemeester G.J. te Loo, de verzekeringsmaatschappij AEGON, eigenaar van het huis van 1912 tot 1989 en de uitgeverij Eisma B.V. De opdracht tot het schrijven werd door het College van Burgemeester en Wethouders verleend aan het Gemeentearchief van Leeuwarden.

Zonder aarzeling hebben de medewerkers de uitdaging aangenomen om de bouw- en bewoningsgeschiedenis van de stins op een voor de geïnteresseerde lezer aantrekkelijke manier naar voren te brengen. Het oudste Gemeentearchief van Nederland herbergt immers met het archievenbestand, de topografische historische atlas, de stedelijke bibliotheek en de documentatieverzameling bijna al het materiaal dat benodigd is voor het schrijven van een dergelijk boekje.

De verschillende aspecten van de situering van de Burmaniastins bij de terp Oldehove, het belangrijke hoofdelingengeslacht Burmania, de verzekeringsmaatschappij AEGON, de oorlogsperiode en de nieuwe functie van het Burmaniahuis als stadskantoor komen aan de orde en maken de context van het historische verhaal interessant.

De bestaande literatuur werd als basis genomen, aangevuld met het resultaat van enig bronnenonderzoek. De pretentie is zeker niet het publiceren van uniek wetenschappelijk materiaal van hoog niveau; een dergelijke opgave is bestemd voor de talrijke professionele historici waaraan Leeuwarden rijk is. Dit bescheiden uitgangspunt heeft consequenties voor de vraagstelling, de redenering, de conclusie en de annotatie van het verhaal.

Dankbaar is gebruik gemaakt van zowel de gepubliceerde als de (nog) ongepubliceerde kennis van beroepshistorici en geschiedvorsers, waarbij hier dan ook de hoop wordt uitgesproken dat in de nabije toekomst al het nog ongepubliceerde wetenschappelijke materiaal in daartoe geëigende publicaties geopenbaard kan worden en dat initiatieven tot wetenschappelijk onderzoek op het terrein van de stadsgeschiedenis in al haar facetten van overheidswege ondersteund en gestimuleerd zullen worden.

Onderdelen van het onderzoek werden uitgevoerd door medewerkers van het Gemeentearchief, te weten Annelies Abelmann, Dineke Dam, oud-medewerker Wim Dolk, Wim van Driel, Jan Faber, Jelle Hoekstra, Wim van Rijnsoever, Marga ten Hoeve en Klaas Zandberg. De fotoresearch en de illustratiekeuze vielen onder de verantwoordelijkheid van Dineke Dam en de uiteindelijke tekst werd gerealiseerd door Annelies Abelmann.

Buiten het Gemeentearchief werd welwillend medewerking verleend door Gerk Koopmans, conservator van het Verzetsmuseum, Gert Elzinga, conservator van het Fries Museum, Piet Nieuwland, hoofd studiezaal en inlichtingen van het Ryksargyf, Jan de Lange, studiezaalmedewerker van het Rijksarchief in Drenthe en Leo van der Laan, hoofd van het Bureau Monumenten van de Gemeente Leeuwarden. Marten Meijer is zo vriendelijk geweest het hoofdstuk over de bewonings- en bouwgeschiedenis door te lezen en van commentaar te voorzien.

Leeuwarden, 1993

Hoofdstuk 1

Het Burmaniahuis: het verhaal van Oldehove in het kort

De archeologen aan het woord
Het Burmaniahuis staat op de terp Oldehove, één van de drie nederzettingen waaruit Leeuwarden ontstaan is; de andere twee, Nijehove en Hoek, zijn van later datum. De eerste bewoners van onze huidige stadskern streken in het begin van onze jaartelling neer bij deze Oldehove-terp. Van de zeer vroege geschiedenis zijn géén schriftelijke bronnen overgeleverd, daarom moeten hier de archeologen op basis van archeologische vondsten en bestudering van de grondlagen aan het woord gelaten worden. Over de allervroegste nederzettingen in de omgeving van Leeuwarden brachten onder meer de opgravingen in 1966 aan de Pieter Stuyvesantweg op de plaats waar indertijd het kantoor van de Coöperatieve Condensfabriek gepland was, méér duidelijkheid. De eerste bewoners waren Drenten Deze opgravingen haalden onder andere het ’Ruinen-Wommels aardewerk’ naar boven, dat behoort tot het oudste type aardewerk dat in de Friese gebieden is gevonden en dat gedateerd wordt in de periode 600 - 400 v.C. De benaming ’Ruinen-Wommels’ geeft al aan dat hetzelfde aardewerk óók in Drenthe is gevonden. Deze oer-Drenten werden verdreven uit hun woongebied door grote zandverstuivingen, die hen het leven aldaar zwaar bemoeilijkten. Dit vormt de aanleiding voor de veronderstelling dat de mensen die dit aardewerk vervaardigd of meegenomen hebben afkomstig moeten zijn geweest uit de huidige provincie Drenthe.

De grote invloed van de Middelzee
De wording van het gebied rondom Leeuwarden is sterk beïnvloed door de transgressie en regressie van de Middelzee: het overstromen en het terug trekken van het water. Dit terugtrekken van de Middelzee in de periode 1200 - 300 v. C., maakte migratie naar en vestiging in het Noorden mogelijk. Op terpen bouwde men primitieve nederzettingen. De mogelijkheid voor bewoning bleek niet van lange duur te zijn, omdat de transgressie van de zee in de daaropvolgende periode het gebied onder water zette. Archeologen durven inmiddels met zekerheid te stellen dat het gebied Leeuwarden, samen met centraal Westergo en noordelijk Oostergo, in het begin van onze jaartelling tot de dichtst bevolkte delen van Friesland behoorde, ondanks de periodieke dreiging van het water. In deze gebieden komen dus vanaf de tweede eeuw v.C. talrijke voor bewoning geschikt gemaakte terpen voor: de terp Oldehove behoort tot deze categorie.
De ligging van Oldehove was op dat moment niet direct aan de Middelzee, maar aan de Ee, uitmondend in de Boorne, die vervolgens in de Middelzee stroomde, waardoor het wonen op de terp veilig was.

De terp Oldehove en de St.Vitus
Uitgebreid archeologisch onderzoek naar de terp en de bouwgeschiedenis van de kerk van St.Vitus, uitgevoerd in 1968-1969, resulteerde onder meer in de wetenschap dat Oldehove in enkele stadia was gevormd en dat de vorm in feite een kunstmatig, tot vier meter boven N.A.P. opgehoogd plateau was met daaronder een oorspronkelijk veel kleinere terp.

Grootzegel van Leeuwarden met afbeelding van St. Vitus, 1323Sporen van een vroegere kerk zijn helaas niet gevonden, maar naar aanleiding van de vondst van een ouder grafveld wordt aangenomen dat er wèl een voorganger geweest moet zijn. Over het tijdstip van de bouw van de vermoedelijk tufstenen kerk St.Vitus verschillen de historici van mening: de dateringen lopen van de late 11e eeuw terug naar de Karolingische periode.
Deze mening van recente datum is gestoeld op het gegeven dat de terp rond 800 door de inmiddels al weer verschoven kustlijn direct aan de Middelzee lag, waardoor de positie uitermate kwetsbaar moet zijn geweest en dat al heel vroeg in de Karolingi-sche tijd uitgekeken moest worden naar andere mogelijkheden van bewoning. In dit stramien past de veronderstelling dat het ’oude Leeuwarden’ in de 9e en 10e eeuw weggespoeld werd door het water. Voor alternatieve bewoning kwamen de nu nog duidelijk herkenbare en verder landinwaarts gelegen terpen in aanmerking, waarop later de nederzettingen Nijehove en Hoek ontstaan zijn.
Snelle ontwikkeling van Nijehove tot economisch centrum In daarop volgende eeuwen ontwikkelde zich het ’nieuwe’ Leeuwarden in een snel tempo tot een economische kern; aan het eind van de 12e eeuw zou dit gebied al kerkelijke zelfstandigheid verkregen kunnen hebben. Vandaar de naam Nijehove en de op dat moment aan de St.Vitus-kerk toebedeelde naam van Oldehove. In dit nieuwe gebied vestigden zich in het midden van de 13e eeuw de Dominicanen, die een sterke impuls gaven aan de ontwikkeling van het territoir van Nijehove. Met de uiteindelijke losmaking van Oldehove nam Nijehove als de nieuwe bedrijvige kern de naam Leeuwarden met zich mee.
De betekenis van het ’oude’ en ’nieuwe’ Leeuwarden In de vroege Middeleeuwen, de 9e en 10e eeuw, moet Leeuwarden, gelegen op en rond de terp Oldehove, niet méér dan een traditionele agrarische nederzetting geweest zijn. In vergelijking met andere nederzettingen langs het kustgebied zal de terp wat betreft afmeting en rechthoekige opzet niet veel afgeweken hebben. Hieruit volgt de conclusie dat het ’oude’ Leeuwarden in deze periode géén uitzonderlijke economische rol vervuld heeft en dat deze bedrijvigheid pas met de stichting van Nijehove ingezet is. De ligging van de Burmaniastins in de nabijheid van juist de Oldehove-terp is dan ook bepalend voor de verdere loop van de geschiedenis van huis en bewoners.

Hoofdstuk 2

Titelblad van de ’Chronique van Vrieslant’ door Pier Winsemius, 1622 Het Burmaniahuis: het verhaal van enkele bewoners
De ’eerste’ Burmania: de legende van kruisvaarder Douwe De oudst bekende vertegenwoordiger van het geslacht Burmania was kruisvaarder Douwe. Over de heldendaden van Douwe kan echter absoluut niets met zekerheid gezegd worden. Frappant is in dit opzicht dat in de meeste familieverhalen en genealogieën met geen woord gerept wordt over deze illustere voorvader. De oorsprong van de legende lijkt terug te gaan op Pier Winsemius, die het verhaal van de kruisvaart van Douwe beschrijft:

"Douwe van Burmania. Opdat wij wederom tot die reysen ende peregrinatien van onsen Edelen comen, was in den jare elleff hondert seven ende tsestich na Italien gereyst, alwaer hy sich by den Paus Alexander (welcke in geduyrige questien ende verschillen met den Keyser stonde) aengevende dienste becomen heeft. Van daer gaende na den Hertoge van Venetien die sich in die gemeyne beroerten van Italien moeste versekeren ende in gonst des Pauses mede sterck maecken tegens den Keyser. Is by den selven acht jaren na ’t schrijven van onse Chronique in dienst geweest, van waer hy gaende (na dat de oorlogen in Italien meerendeel gheleyd waren) is den Coninck Balduinum in den heyligen oorloghe toe ghetoghen van welcke hy Ridder des H. Grafs geslagen zynde. Is naermaels na Babylonien ghereyst van waer hy keerende ende nu zijn reyse van derthien jaren volbracht hebbende is na Vrieslant gereyst ende by zyne vrunden (welcke hem voor lange al verwachtet hadden) seer heerlycken en vruntlycken ontvangen."

Op zich is het best mogelijk dat een Burmania deelgenomen heeft aan de kruistochten en in het geval van Douwe zal dit dan de tweede kruisvaart geweest zijn. Vele Friese kruisvaarders hebben immers tijdens deze tocht geholpen bij de verovering van Lissabon op de Moren (1147) en hebben deelgenomen aan het Beleg van Acco (1189-1191). Ophitsende predikingen van een meester Olivier maakten veel Friezen enthousiast om naar het Heilige Land te gaan. Bekend is dat onder meer vanuit Dokkum, waar Olivier in 1214 kruisvaarders ronselde, een Friese vloot vertrok. Een koggeschip als windwijzer op de spits van de Dokkumer toren herinnert hier nog aan. Ook later meldden zich nog Friezen voor de tocht naar het Heilige Land in 1270, onder aanvoering van koning Lodewijk IX de Heilige. Deze kruisvaart eindigde echter voortijdig door het overlijden van de Franse koning in Tunis.
De nauwe relatie tussen de Burmania’s en de St.Vitus Na dit romantische verhaal kunnen wij met meer zekerheid iets vertellen over de Burmania’s in de periode rond 1300.
In dat jaar raakte dit hoofdelingengeslacht het patronaatsrecht van de priesters van Oldehove kwijt. Dit recht hebben zij vermoedelijk verkregen door hun inzet bij de bouw, verbouw en ingebruikname van de kerk. Dat dit recht zo lang in stand gebleven is weten wij uit een akte van 13 maart 1300 waarin Altetus en Renaldus, de zonen van Fredericus Buremanninghe optreden die afstand doen van hun patronaatsrechten op de kerk van St. Vitus ten gunste van de abt van Mariëngaarde. Het is van belang te weten wat dit patronaatsrecht van 1300 precies inhield: namelijk het recht op presentatie van geestelijken aan de bisschop, waaraan overigens geen recht van investituur (bevestiging van de ambtelijke waardigheid) gekoppeld was en ook geen recht op een prebende (rente uit kerkelijke goederen aan een clericus of kanunnik toegekend als vergoeding voor een door hem te verrichten geestelijke bediening).

De herkomst van de naam Burmania

Een concrete herkomst van de naam Burmania is niet bekend. Er is wel gewezen in de richting van de Westfaalse variant Burmann; Burmania zou dan een verfriezing zijn. De mogelijke ambtelijke functie van deze Burmania’s zou in verband kunnen hebben gestaan met het beheer van landerijen. In dit kader zou gedacht kunnen worden aan de kloostervoogd of mogelijk de meier of rentmeester, de eigenlijke beheerder van het goed in opdracht van de eigenaar. De woning van deze beheerders was in feite een ambtswoning.

De abdijkerk van Corvey aan de Weser

Perikelen rondom landgoed en kerk

De gang van zaken met betrekking tot het landgoed en de bijbehorende kerkelijke goederen verliep niet zonder problemen. In de twaalfde eeuw wilde de abt van Corvey, Henric van Nordheim, het land en de kerk van Leeuwarden verkopen. Dit ging echter niet door; niet alléén vanwege het feit dat Henric in 1143 op een dubieuze manier aan zijn ambt gekomen was, namelijk onder bepaald weinig zachtzinnige aandrang van zijn broer graaf Siegfried, maar óók omdat men waarde hechtte aan het bezit van de St.Vitus en het omliggende vruchtbare land en verkoop van dit kerkelijke bezit als een welhaast godslasterlijke daad beschouwde. Drie jaar later werd Henric dan ook afgezet als gevolg van deze strubbelingen en opgevolgd door Wibald, op dat moment abt van Stavelot. Maar de problemen waren hiermee nog niet opgelost. Uit verschillende brieven van Wibald blijkt dat men in Leeuwarden, waar aan de St.Vitus vier priesters verbonden waren, zich erg onafhankelijk opstelde ten aanzien van het gezag van de abt van Corvey of van de bisschop van Utrecht. Van kerkelijke hogerhand werd de priesters voor de voeten geworpen dat hun het recht van zielzorg en het recht het altaar te bedienen niet ordentelijk verleend was door de bisschop. Daarbij kwam nog dat de priesters de tweejaarlijkse cijns niet hadden betaald en niet op reis waren gegaan naar Corvey om hun respect te betuigen aan de nieuwe abt. Al met al genoeg redenen om in 1149 deze priesters uit hun ambt te zetten.

De ontknoping in 1300

Méér dan een eeuw later, in 1285, verschijnt dan de Praemonstratenzer abdij Mariïngaarde ten tonele in relatie tot Oldehove. Het gaat hier in feite om het directe voorspel tot de afstand in 1300 van het presentatierecht door de twee zonen van Fredericus Burmania.
De aanzet werd gegeven door de nog niet nader geïdentificeerde Eppo, pastoor van Oldehove, die zijn recht op de kerk ten gunste van Mariïngaarde wilde afstaan en de elect-bisschop van Utrecht, Jan van Nassau, verzocht dit goed te keuren. Een dergelijke vraag richtte Epppo tegelijkertijd aan de officiaal van St.Salvator, die in naam van de bisschop belast was met het toezicht op de geestelijke belangen in Oostergo. De uitvoering van het verzoek gaf men aan de abt van het klooster Bethanië of Foswerd onder Ferwerd, dat net als Corvey een Benedictijner abdij was. Dit vermoedelijk om problemen met de Benedictijner orde te voorkomen, want Mariïngaarde behoorde, zoals gezegd, tot de Praemonstratenzer orde.
De eerder genoemde akte uit 1300 moet geplaatst worden tegen de achtergrond van de ontwikkeling, waarbij de kloosters de zielzorg méér en méér naar zich toetrokken ten koste van de ’viri militares’, de hoofdelingen, die van oudsher belast waren met deze zorg.
Een tastbare aanwijzing van de keus voor Mariëngaarde werd gevonden tijdens een opgraving in de terp van Wyns, waar de begraafplaats van het klooster Bethlehem was, in de vorm van een zegelstempel afkomstig van een zekere priester Liudo (Lieuwe) met als omschrift:

"S.Liudonis sacerdotis de Livert".

De keuze voor Mariëngaarde is niet volledig helder, maar aangenomen moet worden dat dit klooster al van oudsher invloed heeft gehad in Leeuwarden en omstreken en dat deze invloed bepalend is geweest voor de keus. Frederik van Hallum stichtte het klooster Bethlehem tussen 1163 en 1175 om de monniken en nonnen in het eveneens door hem gestichte Mariïngaarde van elkaar te scheiden. De hierboven genoemde priester Liudo, wiens overlijden gemeld wordt in 1285, was de voorganger van de eerdergenoemde Eppo. Zijn begraafplaats op de terp van Wyns wijst op de relatie met het klooster.
Een sprong naar de 15e eeuw: de Burmaniastins De omgeving van het huidige Burmaniahuis wordt aangewezen als een oor-spronkelijke woonplaats van de Burmania’s van waaruit de verschillende leden van dit geslacht vanaf de vroegste geschiedenis geopereerd hebben.
Echte aanwijzingen en harde bewijzen zijn hiervoor echter niet te geven en het gebrek aan concrete bronnen werpt dan ook over het geheel een wazig licht. Maar de stins heeft als zetel van dit hoofdelingengeslacht niet voor niets een zodanige naam en faam opgebouwd, dat de reputatie tot in onze tijd gehandhaafd bleef. Niet alle Burmania’s zullen op het goed gewoond hebben en slechts in incidentele gevallen kan door middel van een kleine verwijzing in bronnen of anderszins een directe bewoning bewezen worden.
Door latere generaties zal het huis voornamelijk in de winter bewoond zijn geweest: een gebruik dat onder aanzienlijke families veel voorkwam en waarbij men in de zomer koos voor een verblijf in een huis op het land.
Daarnaast zal de stins ook verhuurd zijn geweest of tijdelijk bewoond zijn geweest door verwanten of kennissen. De ’oudste’ Burmania’s zullen evenwel allen woonachtig geweest zijn op de plaats van het huidige Burmaniahuis. Over het officiële bezit van de Burmaniastins kunnen wij met grote mate van zekerheid stellen dat dit in principe overging van vader op oudste zoon, tot aan de laatste Burmania die in het huis gewoond heeft. Vanaf de 15e eeuw zijn schriftelijke bronnen overgeleverd, waar deze gegevens aan ontleend kunnen worden.
De ’stamvader’ van de Burmania’s was eigenlijk een Gratinga Rienck, zoon van Upcke Riencks Gratinga en Tet Jongema, tooide zich met de naam Burmania, naar het bezit van zijn vrouw Aack Douwes, dochter van Douwe van Burmania. De schoonvader van Rienck was rond 1441 mederechter in Leeuwarderadeel en bezegelde samen met zijn grietman Heinko Tadingha en zijn mederechter Wblo Wiisma officiële stukken middels een zegel met een leeuw. Rienck zelf behoorde tot de belangrijkste Friese hoofdelingen en als olderman van Leeuwarden, een functie die hij vanaf 1482 uitoefende, had hij een grote invloed op de gang van zaken in de stad zelf. Vóór die benoeming tot olderman was de band met de stad minder, onder meer vanwege de excentrische ligging van het Burmaniahuis en het vrijwel ontbreken van bezit in de bebouwde kom. Uit het huwelijk van Rienck en Aack kwamen vier zonen voort: Tjaard, Douwe, Upco en Rienck. In 1494 maakten beide echtelieden hun testament op; zij overleden nog voor het einde van dat jaar en werden begraven in de St.Vitus vóór de preekstoel. In hetzelfde graf zal later zoon Upco worden bijgezet.

Ridder Tjaard van Burmania

Tjaards geboorte- en sterfdatum zijn respectievelijk ca. 1480 en 31 maart 1541 ’sub medium noctem’. Na zijn overlijden werd hij ook in de St.Vitus begraven. Zowel met zijn eerste en als tweede echtgenote woonde Tjaard op het "Olde Bourmanye Huys". Dit huis en omliggende goederen zal hij gekregen hebben van zijn ouders. Tjaard was net als zijn vader een aanzienlijke figuur die tal van functies bekleed en opdrachten uitgevoerd heeft. Op 1 juli 1515 werd hij op het koor in de St.Vitus door de stadhouder in naam van Karel van Bourgondië tot ridder geslagen en op 14 november 1520 samen met zijn broer Douwe in de Rijksadelstand bevestigd. Naar aanleiding van zijn ridderslag noemde Tjaard zich navenant ridder, met het predikaat heer en zijn zoon Joost nam de titel jonker aan. Deze titels waren eigenlijk niet erfelijk, maar ook Gemme, de zoon van broer Douwe die niet tot ridder geslagen was, staat bekend als ridder. Het doorgeven van dergelijke titels van vader op zoon kwam overigens frequent voor.
De beide broers Douwe en Tjaard hebben in ieder geval veel bijgedragen aan de vestiging van het gezag van Bourgondië in Friesland. Naast ’erebaantjes’ oefende Tjaard ook functies uit van grietman, rentmeester en dijkgraaf in het Bildt; werd hij benoemd tot drost op het blokhuis van Dokkum, staat hij vermeld als grietman in Wymbritseradeel en als dijkgraaf en gedeputeerde van Oostergo. Net als zijn vader was hij olderman van Leeuwarden.

’Hoge bomen vangen veel wind’

Op de landdag in Sneek in 1522 kwamen vele aanklachten binnen over het beleid van Tjaard. Om een summiere indruk te geven: op eigen gezag zou hij troepen naar het Sticht gezonden hebben, die veel schade hadden berokkend; ter betaling van een troep van vierhonderd man had hij zonder machtiging een belasting van twee stuivers op de floreen geheven; hij had verwarring veroorzaakt en tweedracht gezaaid in eigen gelederen en ook werd hem grote nalatigheid verweten bij het bevel over de troepen, waardoor veel ellende door muiterij ontstond. Ondanks de veelvuldige en toch wel felle aanklachten werd geen actie ondernomen in de richting van de beschuldigde. Een man in een dergelijke positie had natuurlijk zonder meer vele vijanden. In politiek opzicht werd hem gebrek aan vaderlandsliefde verweten; een verwijt dat door zijn tegenstander Jancko Douwama in een scherpe persoonlijk getinte kritiek verwoord werd naar aanleiding van een mogelijk huwelijk tussen zijn dochter en de zoon van Tjaard in een ’Instructie an sijn Wijff’:

"Ick hebbe dij cortelingen gescrewen, woe dw unse dochter niet soldeste ge-wen an Heren Tjaert Burmannije soen; [........] Tjaert den soect der werlt; he bemint hoege dinghen ende begeert te regeren; en daertoe is he gecomen niet met Godt, dan met sunde ende scanden"

over Tjaards vrouw Tets Unia wordt eveneens een fel oordeel geveld:

"se solden hoer kynderen bandreheren ghenoeten maecken, al sullendse met den ene foet daerom in de hel comen".

Baanderheren zijn edelen, die het recht hebben hun welgeboren mannen onder een banier ten strijde te voeren. Een verbinding tussen beide families door middel van een huwelijk was duidelijk niet mogelijk! Over de uitoefening van het ambt van olderman van Leeuwarden door Tjaard had Douwama zo zijn eigen mening:

"de stadt fan Lewerden hadden hem gemaect hoer Olderman; de ere hebbense oeck wal een schoemaecker gedaen bij mijner tijt; so wast dertijt, ende noch wesen mach, allet een gewoente to Lewerden ende oever al Frieslant, dat de jongen luden hoer bij en ander goersammelden up den laetste dach fan December, in de awent stondt ende gingen an den rijcke luden husen singhen ende foerkunden het nije jaer; dat liet Tjaert foerbeden in Lewerden, doer cracht van zijn officie; ende dat foerdroet den Sassen Heren; ende een fan de Heren, genoempt Segemon Meltes, quam up den awent tot saligen Frans Mennema, ende dede so foele, dat se beiden met hoer deners gingen foer Buermannije huis, ende songen dat nije jaer aldaer, hem tot spijt, tot se feer.." 

De bezittingen van Tjaard

In het eerste decennium van de zestiende eeuw kunnen wij enkele bezittingen van Tjaard exact terugvinden, allereerst de huisrenten op het Oldehoofster espel en vervolgens de landrenten. Het Oldehoofster espel was één van de rechtsgebieden binnen Leeuwarden.

"Een leegh steed daer Lijsbeth olijslagers kinden up verbrant sint, den steden Tijard Buurmanie;
Gosso Kupers huus selff, den steden Tijard Buurmanie;
Peter Lambertz. huus Hort Sijard Buurmanie, den steden Marigaerd;
[...]
Dew Gowertshuus hort Tijard Buurmanie, den steden utsupra (betekent: als boven);
Dirck Backers huijs selff, den steden utsupra;
[...]
Hilek Naaister camer ende steden Tijard voorseid;
Tijeths camer ende steden utsupra;
Andries Kistemaker huus selff, den steden Tijard Buurmanie ende Peter Jansz.
Betaalt van Tjard Burmannie scherp IV pondematen fennen bij dat Blockhuus; IV florijnen.
Rijoerdt Smidt II koegras, van Tijart Buurmannie in Burmannia fen; II florijnen.
Sijmon Backer...II koegras van Tiard Buurmannia, in Buurmannia fenne;
Mester Hemmo II koegras, van Tijard Buurmannia, in Buurmannia fenne;
Tijard Buurmania bruijckt selff VII pondematen seedlandt voer IV florijnen, betaalt XVIII pondematen, meden ende seedlandt van olden Her Albert voer XII florijnen".


De brand waarnaar verwezen wordt in de eerste post, is de beruchte stads-brand van 1511 geweest, die dus ook het bezit van Tjaard aangetast heeft.
Tot zijn bezittingen behoorden ook enkele landerijen in Smallingerland, Tietjerkstradeel en Idaarderadeel.
Nog méér bezittingen: een ’weide ofte fenne....van Burmannia genaempt’ Uit het testament van Tjaards broer Upco, opgemaakt op 13 juni 1557, wordt een goed genoemd waarvan de opbrengst speciaal bestemd werd voor het onderhoud van het Burmaniahuis:

"In den eersten instituere ende maecke erffgenaem ick testator Heer Rijenck van Burmannia, ridder ende drossard tot Coeverden, mijnen neeff in ende tot seeckere nyuwe weide ofte fenne, het tweede keer van Burmannia genaempt, liggende buyten onse L. Vrouwenpoorte deser stede Leuvarden, soeals mij d’selve toecompt welverstaende ende mit conditie nochtans dat d’selve weide nae mijn ende oick zijnen doet altijt ende tot evighen daghe zal bliven vrij ende onbelast in eigendom van de besitter van Burmanniahuys, staende alhier binnen deser stede Leuvarden, den voirnoemden Heer Rienck toebeho-rende, soodat d’selve weide tot ghenen tijden zal moghen worden verset, beswaert noch gealiëneert ende oick tot ghenen tijden zal moghen vererven, comen ofte vervallen in enige vremde graden, niet wesende van de stamme ofte geslachte van Burmannia. Dan zal ’t voirs. Burmanniahuys mitten jaerlijcxe pacht ofte opcomste van de voirs. weide bij den besitter van ’t voirs. huys, die altijt wesen zal moeten van Burmannia geslachte tot evigen dagen jaerlijcx gerepareert ende onderhouden worden." 

De spilzieke Joost van Burmania

In zijn testament van 9 januari 1541 vermaakte Tjaard huis, goed en andere zaken aan zijn oudste zoon Joost. Uit het testament kunnen wij tevens afleiden dat het Burmaniahuis via fideïcommis vererft. De Nederlandse term voor deze vorm van vererving is ’making over de hand’. Hierbij roept een erflater achtereenvolgens verscheidene personen tot één zelfde making. Voor deze vorm werd vooral gekozen door adellijke families die de stamgoederen in de familie wilden houden. De onlosmakelijke verbondenheid van huis en goed en de vererving voor de toekomst wordt in het testament als volgt onderstreept:

"[...]dattet zelve huijs ende gerechtigheden mit dien voorscreven hondert carolusgulden renthen alletoes bij zijn voorschreven huijs blijven zal ende ’t voorschreven huijs mit toebehoiren voorschreven, in zijn leven noch in zijn doot swijgelick ofte expresselicken doer eenich contracten, misbruijck ofte anders, hoe ende in wat manieren dat ’t zelve geschien mochte, nijet zal moegen vervreemden ofte alieneren, vuijt mijn agnatie. Dan zal altoes ende nu ende in ’t eeuwich d’ eene knape kindt ofte mans oer opten anderen succederen."

Joost, van wie de geboortedum niet bekend is en de overlijdensdatum omtrent 1544 vermoed wordt, was getrouwd met een dochter van Teso Kater, Baef. Hij was onder meer werkzaam in het Groningse als ’redger’(Friese vorm van ’raetgever’, met een zeker gezag bekleed persoon) te Westerdijk (Grijp-skerk) rond 1538. In 1541 wordt hij genoemd als hoofdeling te Grijpskerk en zijn zonen Claes en George worden in 1557 en 1558 eveneens genoemd als hoofdelingen in dezelfde plaats.

Joost was berucht om zijn kwistig gedrag en werd door zijn vader zo strak mogelijk gehouden om deze spilzucht in te tomen. Zo kreeg hij, zoals wij in het testament kunnen lezen, zijn legitieme, zesde deel van de nalatenschap in de vorm van een jaarlijkse uitkering van honderd carolusgulden. Joost werd duidelijk te verstaan gegeven dat hij niets zou mogen ondernemen om het bezit te verkwanselen, op de volgende manier verwoord in het al eerder genoemde testament van Tjaard:

"Sal oick die voornoemde Joest hebben ende beholden den gront daer zijn huijs als te Leeuwaerden op staet, met den gront opt zuijden ende west tot aen den dijck ende opt noorden tot aen ’t kerckhoff ende alle ’t geene aen zijn huijsingen bij mij ende mijn eerste huijsfrouwe, zijn moeder milder gedachtenisse, aen steen, kalck, iserwerck, holt, leijen ende arbeijtsloon verlecht is."

Het nieuwe Burmaniahuis van Joost en Baef

De reeds vermelde naam ’Olde Bourmanye Huys’ staat logischerwijs in tegenstelling tot een ’nieuw’ Burmaniahuis. Dit nieuwe Burmaniahuis werd door Joost, samen met zijn vrouw Baef Kater, gebouwd met een flinke geldelijke ondersteuning door zijn ouders. In de stukken betreffende een geschil naar aanleiding van de dood van Baef wordt met zoveel woorden gezegd:

"...dat wijlen Joest van Burmania het nijeu Burmania huijs heeft laten timmeren".

De drost van Coevorden als eigenaar van het oude Burmaniahuis Uit het al eerder genoemde testament van Upco is bekend dat aan Rienck van Burmania, ridder en drost van Coevorden en eigenaar van het oude Burmania-huis werd vermaakt:

"seeckere nyuwe weide ofte fenne het tweede keer van Burmannia genaempt liggende buyten onse Lieve Vrouwe poorte"

tot onvervreemdbaar deel van het bezit van het huis, voor het onderhoud daarvan. Van deze Rienck, een broer van Joost, vinden wij een tastbare herinnering in een gevelsteen uit 1555 met als opschrift:

"Rienck va(n) Burmania ridder en(de) drost tot Coevarde(n) anno 1555."

Deze gevelsteen was ingemetseld boven een achterpoortje aan het Oldehoofster kerkhof, vermoedelijk van het oude Burmaniahuis.
De levenswandel van Rienck Rienck was getrouwd met Deytzen Jantjesdr. van Unema, van Blija, die in 1566 kwam te overlijden. Zelf overleed hij al in 1558, kinderloos. Het ambt van stadhouder van Drenthe en drost van Coevorden was Rienck toebedeeld als gunsteling van Karel V. Na de dood van George Schenck van Toutenburg in 1540 werd Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren, stadhouder en behield Rienck alléén de functie van drost en slotvoogd van Coevorden. Hij had hiermee een niet gering inkomen: een jaarwedde van vierhonderd carolusguldens en een derde deel van de boeten, waarvan hij voor zeshonderdveertig goudguldens een troep van zevenentwintig bewapende soldaten moest onderhouden op het Coevordense kasteel. Naast de uitoefening van het drostambt hield Rienck zich ook intensief bezig met de exploitatie van veengebieden in Drenthe, ’t Gorecht (ongeveer de huidige gemeente Haren) en Friesland, samen met zijn aangetrouwde neef Johan van Ewsum. Hiertoe werd met Reinier van Aeswijn, heer van Brakel en een neef van de drost, een maatschappij opgericht, welke het beheer zou voeren over gebieden in Drenthe. In 1551 werd begonnen met de werkzaamheden op grote schaal uit te voeren door het graven van een kanaal bij Veenhuizen. De hele exploitatie bracht de volgende jaren een uitgebreid financieel beheer met zich mee en het overlijden van Rienck, twaalf jaar later, ontketende een groot conflict over de erfenis.

De zegels en stempels van Tjaard

Na het overlijden van Joost van Burmania kwamen het Burmaniahuis en de daarbijbehorende goederen terecht bij de juist genoemde Rienck en na diens kinderloze dood bij Joosts oudste zoon Tjaard, die eveneens kinderloos overleed. Diens broer Claes, die in 1558 de volgende erfgenaam werd, liet alle zegels en stempels van Tjaard vernietigen, zodat deze niet onrechtmatig gebruikt konden worden:

"[...] tot versoecke van Joncker Claes van Burmannia ter presentie van ondergescreven tuygen overgelevert alle de zegelen ende signetten, zoe die by sa. de voorschreven Joncker Tziaerdt in zyne leven gebruyckt zyn geweest, te weten een golden signet, een groot sulveren zegel, een cleyn plat coperen signetke ende een wapen in yser om tin ofte anders mede te mercken, omme deselve signetten ende zegel gecasseert ende in stucken geslaegen te worden, ten eynde men daer mede nyet meer mochte signeren, segelen ofte mercken."

Claes maakte vanaf 1570 een reeks landerijen en renten daaruit op het Nieuwland, ten westen van de stad, te gelde. In 1574 verkocht hij, ten verzoeke van zijn crediteuren, "nije Bourmania blaeuw leyde huysinge" voor twaalfhonderdvijfenveertig gulden aan zijn zuster Anna, die toen denkelijk al weduwe van Johan van Ewsum was. Bij zijn overlijden in 1581 liet Claes alleen dochters achter en ook het oude Burmaniahuis met de fenne ging toen naar Anna, inmiddels hertrouwd met Claes Kater. De bepalingen in grootvader Tjaards testament konden niet voorkomen -er waren namelijk van hem geen mannelijke afstammelingen meer- dat de bezittingen buiten het geslacht Burmania zouden vererven.
Het echtpaar Ewsum-Burmania: de ’grand seigneur’ en de zuinige Friezin De keuze van Johan van Ewsum voor de dochter van Joost, die met drie broers vaders nalatenschap zou moeten delen, was vanwege de ongunstige erfrecht-positie niet logisch. Vermoedelijk heeft hierbij meegespeeld het vooruit-zicht op het beheer van een veenexploitatie-vennootschap na de dood in 1558 van haar kinderloze oom Rienck van Burmania, drost van Coevorden. Johan van Ewsum was na zijn huwelijk een beschaafde, cultuurminnende landjonker geworden, samen met zijn vrouw wonend in Roden. Hij moet een groot liefhebber van de jacht geweest zijn, vooral van de valkenjacht, en had dan ook een zekere vermaardheid opgebouwd in het africhten van valken en jachthonden.
Ook zijn tuinier- en hovenierschap was bekend: de tuin in Roden stond vol met allerlei gewassen, die botanieliefhebbers uit alle streken naar Drenthe brachten.

’Hand op de knip’

In de financiële perikelen rondom de veenexploitatie zou vrouw Anna een niet echt gunstige rol gespeeld hebben. Ook in de nalatenschapskwesties naar aanleiding van het overlijden van Rienck van Burmania en Anna’s moeder heeft haar onwrikbare opstelling vermoedelijk veel familieleed veroorzaakt. Ewsum stond juist bekend om zijn genereuze instelling, maar kon plotseling over kleine uitgaven de grootste problemen maken. Hierop zou de invloed van de Friezin terug te vinden zijn:

"Anna [...] meende altijd dat de dingen te veel geld gekost hadden of te weinig hadden opgebracht. Zij begreep niet wat ze aan haar positie en waardigheid verplicht was, beknibbelde iedereen, wilde geen tegenspraak hooren en beleedigde oude, vertrouwde dienaren door hen zonder motief van oneerlijkheden te beschuldigen."

Zo liep de rechtszaak tussen broer Claes en zuster Anna over hun moeders erfenis in 1566 dramatisch uit de hand: na een aanvankelijk vriendelijke schikking tussen de beide zwagers ontstond een geschil dat eerst voor het Hof van Friesland terecht kwam en vervolgens voor de hoofdmannenkamer (hoogste rechtscollege van de Groninger Ommelanden), omdat de uitvoering van het door het Hof geëiste compromis onoverkomelijke moeilijkheden opleverde. Twee onpartijdige mannen moesten uiteindelijk als scheidslieden de erfenisdeling uitvoeren.
Na de dood van Ewsum heeft Anna diverse huisvrienden en vertrouwelingen behoorlijk tegen zich in het harnas gejaagd! Zoals hierboven al vermeld werd, hertrouwde zij met Claes Kater. Zij overleed twee jaar na de dood van haar tweede echtgenoot in 1597. De naam ’Katershuis’, waarmee het gehele Burmaniacomplex ook wel aangeduid werd, is ingegeven door dit huwelijk en niet door het huwelijk van Joost en Baef.
Verwikkelingen rondom zestien ’koegrasinge’ behorende bij het Burmaniahuis In 1588 ontstond er een conflict tussen Gemme, "de oldste van Burmanniage-slachte", en Claes Kater over het stuk grond dat door Upco was bestemd voor het onderhoud van het oude Burmaniahuis. Claes had het voornemen twee pondemaat van het goed te veilen. Maar de Burmania-clan ging hiertegen fel in verweer. Voor de notaris werd een verklaring afgegeven waarin nog eens weergegeven werd wat de bedoeling van Dr.Upco geweest was:

"...dat tot ewige daegen Burmaniahuijs binnen Leeuwarden gebruijckt ende bewoent solde worden bij ijemant van ’t geslachte van Burmania ende dat an ende tot ’t selffde huiijs ende d’ onderholdinge van dien, tot ewige daegen mede gebruijckt solde worden zeeckere weijde ofte keer groot ontrent XVI koegrasinge, leggende ten suijden van Papinga fenne, vuijt welcke dese geproclameerde II pondematen worden vercoft, sonder dat deselffde tot enige tijden sullen moegen worden verset, vervreemdt, vercoft ende gealieneert."

Vier jaar later wordt de verklaring nog eens herhaald en wordt de ligging van het stuk grond nader gepreciseerd:

"...ten suijden van Papinga fenne ende op het noort van de galge fenne."

In ieder geval werd een dreigende verkoop door Claes Kater door de ’echte’ Burmania’s definitief gefrustreerd.
Een tussentijdse huurder van het Burmaniahuis: ’it lytse Geuske’ De Burmaniastins was een aantal jaren verhuurd geweest aan Upco van Burmania, die het protest tegen de verkoop van het stuk grond mede onder-steunde in 1592.
Deze Upco heeft van mei 1591 tot mei 1595 diverse onderhoudswerkzaamheden laten uitvoeren aan het huis. Upco heeft de bijnaam ’it lytse Geuske’ gekregen vanwege het feit dat hij één van de eerste Friese protestanten van adel was, lid van het Verbond van Edelen en gedeputeerde in de jaren 1601 en 1609. Daarnaast is hij werkzaam geweest als historicus en genealoog en van zijn hand stamt dan ook het Burmaniaboek uit 1589. Hij overleed in 1615.
Gemme van Burmania (ca. 1523-1602), de ’Stânfries’, op een wandschildering in de Statenzaal van het Provinsjehûs te Leeuwarden

Leegstand van het Burmaniahuis

Het huis zal enkele jaren leeg hebben gestaan aangezien de eigenares Anna van Burmania elders woonde. Tijdens de hele kwestie rondom de afwikkeling van de nalatenschap van Baef werd de eventuele aanspraak op niaerkoop (eerste recht van naaste bloedverwanten van de verkoper om in de plaats van de koper te treden) van Adda van Burmania in 1599 afgekocht.
Na het overlijden van Anna ging het bezit over aan Joost van Ewsum, zoon uit haar eerste huwelijk, die het nieuwe Burmaniahuis direct verkocht aan Gemme van Burmania.
De koper van het Burmaniahuis: de mythische ’stânfries’ Gemme Gemme van Burmania werd geboren rond 1523 en is overleden in 1602 en zou in Brussel de eed voor Filips II staande hebben afgelegd, de woorden uitsprekend:

"Wy Friezen, wy knibbelje allinne foar God"

Of de eed werkelijk staande is afgelegd en of deze woorden werkelijk zijn uitgesproken valt moeilijk te bewijzen. Slechts Winsemius, en dan nog alleen in de tweede druk van diens Rerum Frisicarum uit 1646 en in zijn voetspoor Schotanus vermelden deze historie. Als bron wordt opgegeven een edelman die de gebeurtenis bijgewoond zou hebben. Winsemius heeft hiermee een tweede legende aan het Burmania-geslacht gekoppeld!
Geen legende is het lidmaatschap van Gemme van het verbond van Edelen, waarvoor hij in 1568 moest uitwijken naar Keulen, omdat hij hiervoor door Alva ter verantwoording geroepen was. Hij bleef ruim vijftien jaar in Keulen; na een kort verblijf in Alkmaar keerde hij terug naar Friesland waar hij tot aan zijn dood verbleef op Juwsmastate in Ferwerd. Hij was getrouwd voor de tweede maal in 1550 met Jel van Aylva, weduwe van Sjouck van Mellema. Zij overleed in 1560 en had zes kinderen ter wereld gebracht. Beiden komen overigens ook voor op de gevelstenen in het achterpoortje aan het kerkhof met hun beider wapens.

Het testament van Gemme en het bezit in Ferwerd

In 1592 sticht Gemme in zijn testament een fideïcommis voor zijn huis in Ferwerd met de daarbij behorende bezittingen; deze dienden te blijven bij de afstammelingen uit zijn eerste huwelijk:

"[..]Eerst ende voor all d’oldste ofte voorkinderen van de jongste ofte naekinderen ende haer moeder aff te scheijden ende te separeren, niet alleen in’t geene eenijder van hen van mijn nae te latene goeden sall mogen competeren, dan mede in’t gene hen van haer salige moeder ende broeder enigsins beuren mach. [...]
Ende in eijgendom van de besitter van dien, deurwelcken ick testator will dat altijt sall wesen van Burmania geslachte ende stamme.[...]
In voegen voorschreven altijt den oldsten ende in gevalle hij mede sonder soone ofte soonen geraeckt te versterven geen mans hoir achterlatende, sall ’t voorschreven praerogatijf komen op Rienck Burmania ende sijn descenden-ten in linea masculina mede als vooren, ende bij gebreecke van dien ten laesten op Sjuck d’oldste van mijn testateurs naekinderen, ende soo wederomme op de oldste soone ende soons soone.."

Gemmes aankoop van het nieuwe Burmaniahuis

De verkoop in 1599 van het nieuwe Burmaniahuis door Joost van Ewsum aan Gemme wordt als volgt omschreven:

"Joncher Gemme van Burmanya heeft deur cope van Joncher Joest van Ewssum in eijgendomme vercregen Nijeuw Burmanya huys, staende ten westen annex aen out Burmanija huijs met ’t hoff ende plaetzen daeraen behorende, nament-lijck d’ledijge plaetze ten westen vandyen, streckende aende camers ten noerden aen ’t kerckhoff ende zeeckere reijdacte huijs, ende ten zuijden aende strate, den poerte aldaer metten muijr met ijseren tralijen daeronder begrepen, exempt zeeckere acht holtvoeten plaets op ’t oest van ’t cleijn huijs daer den backer in woent, d’ welcke acht holtvoetten plaetze voer aen den straet an ’t cleijn huijs voorschreven zullen wezen ende blijven ende dat alles voer den summa van negenhondert goudguldens."

De gang van zaken rond het oude huis

Ten einde te voorkomen, dat Gemme zou gaan procederen bij de eventuele vervreemding van het oude Burmaniahuis, had Joost in 1598 al een contract met "sijnen neve Gemme van Burmania, als tegenwoordelick wesende de oudste ende naeste in Burmannia gradt" gesloten, waarbij hij hem ook voor eenen dertighonderd goudguldens overdroeg:

"oudt Burmaniahuys, met hoff, gracht, plaetsen ende muyren, streckende ten noorden aen het kerckhoff, ten oesten aan de rectoers huys ende eenige oude camers staende in Burmanniasteegh, ten suyden aen de strate ende eenige nyewe geboude camers ofte huysen, ten westen aen nieu Burmaniahuys ende plaetse van dien, item de blauwe poorte staende aen de straet naest Anne Jorits camer, sampt oock sesthien pondematen buyten de poorte leggende, Burmania anderde keer genompt."

Nadat Gemme het Burmaniahuis heeft verworven maakt hij in 1599 een codicil op zijn testament waarin enkele bedingingen ten gunste van de nakomelingen uit zijn tweede echt gesteld zijn:

"bij gebreke van manoor in den neergaenden graede wil ik testator dat de voors. huisinge, landen ende plaetsen... sullen vervallen op den naesten en oudsten manoor van Burmania in de zijdlingen.... ende dat mede man agter man tot euwigen dagen ende soo lange als eman van Burmania geslaghte manoor ende name te vinden sal wesen."

Gemmes nakomelingen

De in de eerste plaats bedachte zoon Upke stierf kinderloos en de goederen vererfden op diens broeder Rienck, grietman in Ferwerderadeel van 1614 tot 1636. Na diens eveneens kinderloos overlijden in 1645 kwam het complex aan de jongste zoon Sjuck jr. van hun reeds in 1597 overleden broeder Sjuck (de oudere zoons Edzart en Laes waren ook al gestorven). Sjuck jr. stierf in 1650, opvolger in het fideïcommis werd diens oudste zoon Gemme Laes, dijkgraaf en grietman in Wymbritseradeel van 1626 tot 1647, op zijn beurt weer opgevolgd door de oudste zoon Sjuck Tjaard.
De Ferwerder goederen uit Gemmes fideïcommis van 1592 ten gunste van de kinderen uit zijn eerste echt, waren door het ontbreken van kleinkinderen Burmania, ook beland bij Sjuck sr. Door een iets andere formulering van de bepalingen kwamen die huizen en landerijen toe aan Sjucks kleinzoon Jarich, een zoon van de genoemde vooroverleden Edzart. Jarich stierf in 1661, opvolger werd zijn zesjarige zoon Edzart. Tot meerderjarigheid gekomen, spande deze Edzart een proces aan voor het Hof van Friesland tegen Sjuck Tjaard om ook het Burmaniahuis toegewezen te krijgen. Daarbij werd de vererving van beide complexen breedvoerig uit de doeken gedaan. Het Hof verklaarde 2 juni 1685:

"de requirant tot sijn genomen eysch ende conclusie niet ontfangbaar... De requirant.... revijs versocht hebbende, heeft het Hoff bij deselve sententie gepersisteert. Actum den 15 july 1704."

Opvolger van de in 1729 zonder mannelijke nakomelingen overleden Sjuck Tjaard werd zijn broer Rienck. De aangifte voor de belasting op het collateraal luidt aldus:

"Jonker Watze Julius van Burmania en de Luitenant Jacobus Graatsma schriftelicke last en procuratie hebbende van de old overste Jonker Rienck van Burmania successeur in ’t eeuwig duijrent fidi commis van Jonker Gemme van Burmania, geven aan ’t collatorael van naevolgende fidicommaire effecten door versterven van de heer S. T. van Burmania op welgedagte heer Rienck van Burmania gedevolveert:
Het kleijn en groot Burmaniahuijs binnen Leeuwarden met het hoff en stallinge reel doende: 40,-- (in de marge: huijr 200,--)
De kamer op ’t Oudehoofster kerckhoff in ’t reel: 3,18 (in de marge 18,--) Het landt bij Casper Zeth gebruijkt, gelegen buijten de Vrouwenpoort:
32,10;
Te samen waardigh aan capitael,......exempt het huijs naast de barriere van Burmaniahuijs bij de backer bewoont nogh disputabel, den 2 januarij 1730."


Nog in datzelfde jaar stierf Rienck; de al genoemde Watze Julius Justus Dominicus Botnia van Burmania, zijn zoon, werd de volgende bezitter.

Het land van de Burmania’s

De in 1511 genoemde Burmaniafenne is ook terug te vinden in de Beneficiaal-boeken (1543). De erfgenamen van heer Tjaard bezitten dan onder meer "fenland aan de Marssumerwech" en landerijen op "Leeuwarder nielandt bij de Heerne (Ter Herna) lopende in ’t west aen die Swet". Er was daar ook een "Joest Buermaniezaete strekkend in ’t west nae die Swette". Hier, tussen Papinga- en Galgefenne, zullen de zestien koegrasinge (soms ook zestien pondematen genoemd) weiland gelegen hebben, waarvan 1588-1592 twee pondematen dreigden te worden verkocht. Méér dan een eeuw later, bezat grietman Sjuck Tjaerd van Burmania, blijkens het floreenkohier van 1700, er achttien pondematen los land, in twee gedeelten, bezwaard met dertien florenen.
De landerijen omvatten toen het land van de erven van Tierck Scheltinga, ten zuiden het eigendom van mevrouw Camstra te Minnertsga, ten westen het land van Dr.H. Popta en ten noorden de stadslanden en de eigendommen van de heer Sminia. Het bezit wordt in latere kohieren op dezelfde wijze omschreven. In 1798 wordt het Fonteinsdijkje als zuidelijke belender genoemd. In 1816 zijn de achttien pondematen omschreven als twee percelen uitmuntend greidland, gelegen aan het Marsummer binnenpad. Ze kunnen thans gesitueerd worden tussen het verlengde van de Molenstraat en Fonteinstraat/P.C.Hooftstraat.
Onlangs is het "Burmannya fen" gesignaleerd in een bron van 1458; het wordt gesitueerd tussen de tegenwoordige Bildtsestraat en de Zwette.

De eigenaars zijn ver van huis

Rienck en zijn oudste zoon Watze Julius waren beiden militair. Rienck, geboren in 1665, was kolonel infanterie in dienst van de hertog van Saksen van 1710 tot 1725. Zijn oudste zoon Watze Julius zag het levenslicht in Kortrijk in 1707 en heeft net als zijn vader de functie van kolonel infanterie in het leger van de Saksische hertog bekleed.

Het Burmaniahuis wordt verhuurd

Vanwege de afwezigheid van de eigenlijke eigenaars kon het huis verhuurd worden aan relaties. Niet altijd zal een huurprijs gevraagd zijn: familie-leden zullen vermoedelijk wel een lange tijd ’gelogeerd’ hebben in het riante onderkomen in Leeuwarden. Zo is het huis enige tijd bewoond geweest door de broer van Rienck, Frans Eysinga van Burmania. Op het Burmaniahuis overleed diens eerste vrouw Eduarda Maria van Camstra. Frans zelf stierf in 1717 en als wapenfeiten worden van hem vermeld dat hij op de begrafenis van stadhouder Hendrik Casimir het wapen van Oranje droeg en tijdens de uitvaart van Johan Willem Friso diens sporen.
Eveneens is bekend dat rond 1720 Jeanno van Sevenaer medebewoner van het huis was, gegeven een onderschrift bij de tekening van Stellingwerf van het Burmaniahuis. Deze Jeanno overleed in 1725 op vierenzestig jarige leeftijd en was getrouwd met Helena Lucia van Burmania, jongste dochter van Gemme Laes. Deze heer Van Sevenaer was commandant in het regiment Van Grovestins.
Fok Helena, een dochter van Sjuck Tjaard, stierf in 1723 op tweeëentwintig jarige leeftijd op het Burmaniahuis. De oorzaak van haar dood waren "sware koortsen en kinderpocken". In hetzelfde jaar en aan dezelfde ziekte overleed op dertigjarige leeftijd haar broer Gemme Rienck op Jornsmastate in Britsum, waar zij beiden begraven zijn. Hun beider vader overleed op eenenzeventig jarige leeftijd in 1729 nadat hij:

"een geruime tijt met ’t graveel was geincommodeert geweest, waar bij eindel(oze) koortsen quamen".

Eduard Marius van Burmania schreef een lijkdicht op het overlijden van Sjuck Tjaard:

"Lyktranen gestort over het Salig afsterven, van den Hoog Welgeboren Heer, den Heere Sjuk Tiaerd van Burmania, Grietman van Menaldumadeel, Christelyk ontslapen op Jornsma, den XXIII van Wynmand MDCCXXIX. Aet. 71.
Aloudts en Edelst huis daar Staat en Lant Attlassen/ Voor Euwen herrewaards veelvoud zyn uitgewassen/ Veel Cato’s Alcides die ’t veege Vaderland/ Met ’t Staal of Nestors raad in de algemene brand/ Manmoedig reddeden; hier komt nu ’t nagtspook waren/ Hier treft de hemelvuist Burmanja’s Silvre haeren/ Gunt dan Mynheer dat ik deez rouwklagt U toezing/ Nu ’t eedelste Juweel der dertig steende ring/ Stort uit zyn Kas. Leent aan myn Lykgedigt uw oren/ Wyl ’s Hemels groot Heraut u ’t naar besluit doet horen/ Dat ’s Levens fackel van Heer Sjuk heeft uitgeligt/ En dat die grote Ziel verdwynt uit ons gesigt/......"

De huurwaarde van het huis zelf

Uit de Reéelkohieren kennen wij de officiële huurprijs, fluctuerend van honderdnegentig gulden rond 1716 tot het hoogste bedrag van vijfhonderd-vijftig gulden in 1791. In deze lange periode stond het huis ook enkele jaren leeg: van 1733 tot 1740 en in 1748.
Wat waren nu de oorzaken van deze fluctuaties? Allereerst is het bekend dat de huurwaarde van gebouwen hoger werd na renovatie, restauratie of een ingrijpende verbouwing. Ten tweede werd ook wel gekeken naar de financiële draagkracht van de huurder; in het geval van een overleden kostwinner bijvoorbeeld, ging de huur naar beneden, zodat de weduwe in het huis kon blijven wonen. De stijging die in de jaren na 1743 opvalt, is veroorzaakt door een verbouwing onder leiding van Coulon, maar ook door een vertroebelde verhouding tussen de toenmalige eigenaar en huurder. Nadat deze huurder vertrokken was, daalde de prijs weer drastisch! Met de komst van de grietman D’Arnaud steeg de prijs weer en het hoogste bedrag werd betaald door een ver familielid Burmania Rengers en de erfgenamen van G.M. van Welderen, baronesse van Steenhuis. In de jaren negentig werden gedeelten van het huis verhuurd: zo huurde ritmeester Gasinjet twee kamers en een keuken voor honderdvijftig gulden en stond het huis voor de rest leeg. In 1794 trok de eigenaar weer in het Burmaniahuis.

Een romance tussen huurster en verhuurder

Aankondigingen in de Leeuwarder Courant vermelden in 1762 de verkoping van de nalatenschap van Anthony d’Arnaud en een jaar later de verkoop van een ’zeer welsprekende papegaai’, misschien ook nog afkomstig uit dezelfde boedel! Na het overlijden van de heer D’Arnaud werd diens nalatenschap dus flink opgeruimd. Zijn weduwe bleef in het huis wonen. De huurprijs daalde vanaf 1763 prompt met tweehonderd gulden. In 1767 wordt in het Kohier vermeld:

"De Heer grietman D’Arnau weduwe, hertrout aan Burmania" Deze weduwe is dus ......Anna Dodonea van Burmania, de tweede vrouw van Watze Julius!

De huurders van de bakkerij en andere delen van het goed

Al in 1598 en gedurende de gehele achttiende eeuw werd een klein pand naast het Burmaniahuis verhuurd aan bakkers.
Deze bakkerij was gelegen ten westen van de voortuin van het Burmaniahuis. Zo huurden vanaf 1716 tot 1721 Sibrandus Richaus en zijn vrouw de bakkerij voor honderd carolusgulden. De huurovereenkomst duurde tot 1721. Vervolgens namen Rijk Buitenpost en Anna Catherina van Bou de bakkerij over tegen aanvankelijk dezelfde prijs, maar geleidelijk aan werd een huurverhoging van twee en een halve carolusgulden van kracht. Vermoedelijk is het huis opgeknapt door de verhuurder. In 1730 werd bakker Pieter Wybrens huurder; de huurprijs bleef netjes op peil. In deze periode werden ook de tuin en een kamer, de stal en de kelder van het Burmania-compex voor honderdtwintig en een halve gulden verhuurd. Het grote huis stond op dat moment leeg tot 1743 en waarschijnlijk trad Minse als huisbewaarder op. In 1743 huurde Miente Freerks Backerus de bakkerij. Zijn weduwe bleef na 1775, het jaar van zijn overlijden, nog zeventien jaar in het huis wonen. De huurprijs werd met een verlaging van twee en een halve carolusgulden op een schappelijk niveau gebracht. In 1794 werd de bakkerij verhuurd aan Jacob Derks Radersma. Net als al zijn voorgangers was Jacob meester-bakker; zijn onderkomen wordt aangeduid als het ’haldershuisje nabij de Vrouwenpoort’. De betekenis van ’holdershuske’ is eenvoudig ’een kleine woning’. Opvolgers in direkte lijn waren de broodbakker Jan Wiarda, wiens broer, de boekverkoper Pieter Wiarda, het huisje in 1816 voor f. 2623,25 aankocht; van 1842 tot 1853 de koekbakker Wiebo Jacobus Ypma en tot 1865 de banketbakker Jacob Paten. Het daaropvolgende decennium werd het huis bewoond door confiturier Sipke Johan Tuinstra.
Bekende namen onder de officiële huurders: Eduard Marius van Burmania In 1745 werd het huis door Watze verhuurd voor een periode van twee jaar aan zijn volle neef Eduard Marius, zoon van Frans Eysinga van Burmania en Wilhelmina van Tamminga, en samensteller van een dankbaar geraadpleegd familieregister. Eduard Marius werd in 1700 geboren en stierf in 1789. Hij was als opvolger van zijn vader houtvester en pluimgraaf van Friesland. Eduard studeerde rechten in Leiden en was korte tijd raad in het hof van Friesland. Hij had een grote voorliefde voor geschiedenis en oudheidkunde, vooral van Friesland, en bracht een uitgebreide bibliotheek en verzameling hierover bijeen. Hij zou hebben meegewerkt aan het werk van J.W.te Water, Historie van het Verbond en Smeekschrift der Edelen, en aan hem wordt eveneens toegeschreven: Naamrol des Raden ’s Hoffs van Friesland (1499- 1742) enz., waarachter verscheide gedichten van Friesche Edelen (Leeuwarden, 1742). Ook de Beschrijving van de Friese dorpen (Leeuwarden, 1749); Analecta of enige oude ongedrukte Schriften van diversen inhoud tot Friesland alleen specterende (Leeuwarden, 1750); Frisia nobilis, of lijk-en graf-sampt mengelgedichten enz. op diverse Friesche edelen (Leeuwarden 1755) en nog vele andere geschriften zijn vermoedelijk van zijn hand. In dit laatste werk komen tweeëntwintig Latijnse gedichten op Burmania’s voor.
Eduard Marius was geen gemakkelijke huurder: hij stelde hoge eisen aan het huis en dwong zijn neef dan ook tot een degelijke verbouwing en renovatie van het pand in 1742-1743. De wens van de huurder werd niet zomaar ingewilligd en de verhouding tussen de beide familieleden is hierdoor danig bekoeld. De hoge huurprijs zou hier wel eens een gevolg van kunnen zijn.
Sara Adel van Huls, de weduwe van Onno Zwier van Haren Van 1781 tot 1789 werd het huis bewoond door Sara Adel van Huls (1718- 1793), die een huurprijs van vierhonderdvijftig en later van vierhonderd-vijfentwintig gulden betaalde. In een artikel in de Gids van 1875 wordt melding gemaakt van een grondige restauratie van het Burmaniahuis in 1785 en van de inmiddels bijna blinde weduwe, die samen met haar wees geworden kleindochter het huis bewoonde.

De schrijver van het artikel schetst het beeld van een oktoberavond in het jaar 1786. Het huis wordt op dat moment wel verwarmd, ondanks de gewoonte voor 1 november het vuur niet aan te maken. Dit hield verband met de lichamelijke conditie van de zeventigjarige weduwe. Een beeldende beschrijving krijgen wij van haar:

"’t Is een door en door edele figuur, die zeventigjarige dame; ongebogen draagt haar forsche gestalte de zware kroon der grijsheid; uit al hare gelaatstrekken spreekte eene onplooibare vastheid van karakter; om hare lippen zweeft echter dikwijls een glimlach vol goedigheid, en waren hare oogen helaas! thans niet met een dikken nevel bedekt, zoo zoude ons ook uit hare blikken tegelijkertijd goedhartigheid en kracht hebben toegeschenen. Te midden van de wintersneeuw des ouderdoms is op haar gelaat nog iets van de frischheid der lenterozen zigtbaar."

Op de bewuste avond krijgt zij bezoek van doctor Simon Stijl en samen met haar kleindochter Ada worden verzen gereciteerd van Delille, Cicero en natuurlijk van Onno Zwier van Haren, om wie het in feite gaat. De persoon van Onno vormt de achtergrond waartegen en passant de politieke troebelen tussen patriotten en prinsgezinden belicht worden; Stijl staat immers bekend als een patriot en de kringen van de Van Haren’s daarentegen als fel oranjegezind, hoewel de weduwe gematigd in haar politieke opvattingen was. Zwier van Haren schreef de meeste van zijn gedichten na zijn val als staatsman tijdens zijn verblijf in Wolvega. Uit de mond van de kleindochter wil Stijl het gedicht de Schimmen horen en praten met de weduwe over de achterliggende betekenis.

De laatste Burmania in het Burmaniahuis

Uit het eerste huwelijk van Watze werd te Mechelen in 1748 de laatste bewoner van het huis met de naam Burmania geboren: Cornelius Julius, kolonel van het regiment infanterie Baden Durlach, drossaard van Ameland en burgemeester van Leeuwarden. In deze laatste functie werd hij benoemd in 1808 door Lodewijk Napoleon en in mei 1813 opgevolgd door Bernardus Buma.
Burmania was een aanhanger van de nieuwe regering, blijkens zijn lidmaatschap van een commissie, bestaande uit afgevaardigden van de marine, de landmacht en de stad Amsterdam; in totaal vijftig personen, die in 1810 afreisden naar Parijs om op 15 augustus te worden toegelaten bij Napoleon.
Woordvoerder was admiraal C.H. Ver Huell, die aangewezen was:

"de gevoelens van bewondering, vertrouwen en gehoorzaamheid, welke hen bezielden, eerbiedig uit te drukken, nu het Hollandsche volk, ten gevolge van de groote gebeurtenissen in Europa, zijne eens zo duur verkregene onafhankelijkheid aan den drang der omstandigheden moest opofferen, en eindelijk, vereenigd met het eerste volk der wereld, door den grootsten Vorst van het Heelal geroepen werd om in de weldaden te deelen,die zijn uitgestrekt genie en zijne vaderlijke goedheden alom overvloedig op zijne gelukkige onderdanen uitstorten. Dewijl de Hollanders daarvan reeds de bewijzen ontvangen hadden, durfden zij zich vleijen, dat zij de bescherming van een magtig, grootmoedig, regtvaardig en weldadig gouvernement door hunnen gehoorzaamheid en verknochtheid aan hunnen Vorst en Vader zouden verdienen."

Het antwoord van de keizer was geheel in stijl en kwam er op neer dat hij Holland, jarenlang speelbal van Engelse en Pruisische overheersing, eindelijk een " Prins van den bloede gegeven" had, de rust in dit land had doen terugkeren en Europa had opengesteld voor de produkten van de Hollandse volksvlijt.
Tijdens zijn burgemeesterschap heeft Cornelius Julius ondermeer gezorgd voor de confiscatie van de Jansenistenkerk in Leeuwarden als kantoor van de douane. Over deze kwestie ontstond zes jaar later in 1820 een conflict tussen het gemeentebestuur en een van de betrokken eigenaren over een eventuele huureis. Het gemeentebestuur heeft alsnog een huurprijs van bijna driehonderdtweeënzeventig gulden betaald over de drie jaren waarin de kerk gebruikt werd als onderkomen voor de douane.
Deze Burmania is eveneens lid van de Provinciale Staten van Friesland geweest. Hij werd samen met een broer en twee neven in 1814 geadeld.
Cornelius trouwde tweemaal: eerst met Geertruyd Walraven van Zuylen van Nievelt, overleden te Leeuwarden in 1790 en een jaar later met Anthonia Jeannette Jurriana Wilhelmina van Lynden, die haar echtgenoot ruimschoots zou overleven. Hij bewoonde het huis tot 1816, het jaar van zijn dood. Veel wapenfeiten heeft deze Burmania niet op zijn naam staan: over zijn burgemeesterschap en lidmaatschap van de staten valt niet veel opzienbarends te melden. Zijn overlijdensadvertentie in de Leeuwarder Courant luidde:

"Leeuwarden,den 17 Mei 1816. Hedenavond ten half acht uren, overleed te Leeuwarden, aan een langzaam verval van krachten, Jonkheer Julius van Burmania, Lid van de Staten van Vriesland, in den ouderdom van 66 jaren en 10 maanden."

De erven verkochten in dat jaar het huis. De verkoop werd aangekondigd in de Leeuwarder Courant van 1816:

"Mr.J.C.Bergsma, zal in qualiteit door Mr. J.D.Wierdsma, openbaar notaris te Leeuwarden, publiekelijk presenteren te verkoopen:
1. Eene schoone, groote en moderne Heerenhuizinge, het Burmaniahuis genaamd, gequoteerd Letter E, No. 411, met de daar agter liggende spatieuse tuin. Waarop geboden is f. 13600,--;
2. Een Stal en Wagenhuis, agter No. 1 liggende, gequoteerd Letter E. No. 391. Waarop geboden is f. 656,--;
3. Eene wel ter nering staande Huizinge, thans tot een Bakkery, in gebruik by...Wiarda, gequoteerd Letter E, No.410. Waarop geboden is f. 2622,25;
4. Een Huizinge op het Oldehoofster Kerkhof, gequoteerd Letter E, No. 386. Waarop geboden is f. 427,75;
5. Eene dito aldaar, Letter F, No. 104. Waarop geboden is f. 277, 75;
6. Achttien Pondematen uitmuntend Greidland, gelegen aan het Marssumer Binnenpad, en zulks in twee Percelen. Waarop per pondemate geboden is f. 500,--;
Welke Vastigheden, op de Verkoopdag, door een ieder te zien zyn. Wie hier aan gadinge maken, komen op Maandag den 7den October aanstaande, by de finale toewyzing, des avonds ten 5 uren precies, ten huize van Johannes Zylstra, koffyschenker te Leeuwarden, en koopen op Conditien als dan voortelezen, en inmiddels te vernemen by den notaris J.D.Wierdsma."


Het geslacht Burmania verliest hiermee het huis en goed dat het al die eeuwen zo goed behouden en beheerd heeft. Dit geslacht sterft uiteindelijk in 1825 uit.

’Meer een karakter dan eene capaciteit’: Idzerd Aebinga van Humalda Colenbrander typeerde jonkheer Aebinga van Humalda (1754 - 1834) in de Leeuwarder Courant van 1934 ter gelegenheid van de herdenking van de honderdjarige sterfdag. Het was niet de minste persoon die het huis kocht:
Idzerd Aebinga van Humalda was gouverneur van Friesland. Het Burmaniahuis werd door deze bewoner niet alleen een politiek-bestuurlijk centrum, maar ook een ontmoetingsplaats voor intellectuelen en kunstenaars. Een bindend element binnen deze cultuur- en wetenschap minnende elite was de belangstelling voor de Friese literatuur en beschaving.
De liefde voor de Friese cultuur had Aebinga al tijdens zijn vooropleiding voor de universiteit in Deventer, waar hij zich aansloot bij andere Friezen ’om utens’, onder wie rector J.Terpstra en de conrector van de Latijnse school J.Ruardi. De universitaire opleiding volgde Aebinga in Franeker, waar hij student was van de professor in de taalkunde, Wassenbergh, hoewel hij officieel ingeschreven stond voor rechten. Hierin promoveerde hij in 1780 uiteindelijk met zoveel overtuigingskracht dat hij onmiddellijk in aanmerking kwam voor de zetel van raadsheer in het Hof van Friesland. Zijn liefde voor de Friese literatuur was echter niet gedoofd: hij zou jarenlang onderzoek doen naar de Friese dichter Gijsbert Japiks.
Aebinga van Humalda werd op 28 augustus 1814 bij souverein besluit door Willem I als edele van Friesland erkend. Samen met H.W. baron van Aylva, opperhofmaarschalk, en W.F.R. baron Rengers, secretaris van het kabinet des konings, voorts diende hij de vorst van advies inzake de adelsverheffing van een aantal Friese patriciërs.

Voor- en tegenspoed in woelige tijden

De periode waarin Idzerd het Burmaniahuis bewoonde was zonder meer zijn succesvolste levensfase. Daarvoor, aan het einde van de achttiende eeuw, Jhr. Idzerd Aebinga van Humalda; 19de eeuwse foto van een miniatuurportret van omstreeks 1800 moest hij vanwege de politieke omwenteling naar Duitsland vluchten, hij was namelijk fel orangistisch. Zijn woonplaats werd Leer in Oost-Friesland. Hij fungeerde als een soort intermediair tussen de prins in Engeland, in Hamptoncourt, en de koning van Pruisen. De herinnering aan de prins van Oranje werd in Leer levendig gehouden, door veel Friezen uit te nodigen en door regelmatig oranjegezinde gedichten en liederen voor te dragen en te zingen. Geliefd was het vers dat opgedragen werd bij de blijde intocht van de prins in Leeuwarden in 1773:

"Neê Prins, ’k forjit myn libben neat jons oofkomst, ’k tins so faek Jons Aders beste wirken nei: ’k liez korts jitt’ mei formaek, Het dij al diens for uwz Lan,
In for de oprieugte Leere.
Zo lang as wij ’t Oranjebloed bihade, zil ’t wol gaen,
Zo tink ik faak, hoe near, ja brijk, ’t ek mei uws Lan mei stean;
God havt oon uws tro her zijn han, Nin ien kin uws het deere"


Hij oefende op het moment van zijn uitwijking het ambt van grietman van Hennaarderadeel uit, als opvolger van zijn vader. Een goed financieel beheerder was hij in ieder geval niet, zoals bleek gedurende zijn afwezigheid toen zijn zwager Frans Julius Johan van Eysinga (1752 - 1828), getrouwd met Clara Tjallinga, het beheer van zijn goederen en financiën overnam. Dit tijdelijk beheer resulteerde in een sanering van de talrijke schulden. Hiervoor had Eysinga dan ook een aantal jaren nodig: pas in 1803 overtroffen de inkomsten de uitgaven. Bij Aebinga’s terugkeer in Nederland, was het financiële beheer dan ook aanmerkelijk beter dan bij zijn vertrek.
Een ’In Memoriam’ van een Leeuwarder archivaris Wopke Eekhoff had persoonlijk contact met Aebinga van Humalda. Toen Humalda overleed op de respectabele leeftijd van 82 jaar op Hobbemastate in Dronrijp verscheen in de Leeuwarder Courant van 4 maart 1834 een In Memoriam van de stadsarchivaris. Hierin werden niet alleen de werkzaamheden van de man verheerlijkt, maar ook diens karakter en bovenal diens liefde en inspanning voor het culturele leven in Friesland. Zoals reeds werd opgemerkt werd in 1934 de honderdjarige sterfdag uitgebreid herdacht: in de krant van 21 februari verscheen een artikel over Aebinga van Humalda: "Een edelman van den ouden stempel, bevorderaar van de Friesche cultuur, taal- en letterkunde" en een bundel in het Fries met Shakespeare-vertalingen door Ds. Rinse Posthumus werd speciaal aan hem opgedragen, met daarin een lofdicht:

"Humalda! Edel ûnder de edelljiuw,
Fen myn ljeaf Fryslan, ’k liz jo hjir for eagen
In skilderij fen ús en ús bidriuw,
Hwer jo ek mei yn spylje, en rjue fen seagen.
’t Is skilderwirk fen ’e greate Shakespeare, dy
Us minskehert trochseach mei al syn tochten,
’t Sa swiet bisong, mei ’n masterhan derby
It skilderd hat yn al syn streken bochten."


De herdenking van Aebinga van Humalda was vooral te danken aan zijn stimulerende houding ten aanzien van de Friese taal en cultuur. Het lijkt wel of de bewondering voor het Friese elan van deze edelman in de eeuw na zijn dood alleen maar is toegenomen.

Nieuwe bewoners

Rond 1843 betrekt Idzerd Frans van Eysinga (1794 - 1870), grietman van Hennaarderadeel van 1816 tot 1846 en Statenlid, samen met zijn echtgenote Wiskje van Heemstra (1796 - 1871) het Burmaniahuis, dat hij erfde van zijn oom. Hun vier kinderen, allen omstreeks die tijd in de twintig, zullen het ouderlijk huis toen inmiddels al wel verlaten hebben. Idzerd was rond 1850 een van de tien allergrootste landeigenaren van Nederland. Tot deze selecte groep behoorden vier Friese edellieden en één patriciër. Idzerd Frans van Eysinga was een lid van een van de meest in aanzien staande geslachten in Friesland, die gedurende de Republiek een leidende rol in politiek-maatschappelijk opgezicht gespeeld hebben. De familie bracht, vergelijkbaar met de Burmania’s, talrijke grietmannen, statenleden en gedeputeerden voort.
Hierin kwam met de Bataafse tijd een korte onderbreking en pas in 1808 aanvaardden de Eysinga’s weer een ambt: Idzerd Frans van Eysinga zelf werd in 1816 grietman van Hennaarderadeel.
In de familie stond Idzerd Frans bekend als een bescheiden, intellectuele figuur die samen met zijn vrouw rustig en wat teruggetrokken op het Burmaniahuis de laatste vijfentwintig jaar van zijn leven sleet.
De indrukwekkende loopbaan van zoon Frans Julius Johan Idzerds oudste zoon Frans Julius Johan (1818 - 1901) heeft, in tegenstel-ling tot zijn vader, een indrukwekkende carrière doorlopen. Hij kreeg in 1878 niet de aanvankelijk fel begeerde bekroning op zijn loopbaan met de benoeming tot commissaris des konings in Friesland, maar hij werd in 1880 wel door Willem III benoemd tot voorzitter van de Eerste Kamer en zeven jaar later tot Minister van Staat. Beide benoemingen brachten Leeuwarden in euforie: serenades werden gebracht in opdracht van de gemeenteraad, het garnizoen paradeerde voor het huis en toespraken werden afgestoken. Niet alleen in politiek-maatschappelijk opzicht had de loopbaan van deze Eysinga zich goed ontwikkeld, ook in financieel opzicht wist hij het niveau van het beleid van zijn vader te evenaren. In 1880 nam hij de vierde plaats in op de lijst van hoogst aangeslagen voor de directe belastingen. Beide Eysinga’s waren rond hun vijftigste meervoudig miljonair.

Vererving in de vrouwelijke lijn

In 1871 vererfde het huis op de dochter van Idzerd Frans en Wiskje, Clara Tjallinga Aedonia (1823 - 1898). Zij was gehuwd met Bernhardus Hopperus Buma (1826 - 1892), laatstelijk burgemeester van Kollumerland en Nieuw-kruisland.
Voor zijn vertrek naar Leeuwarden woonde Buma op Huize Nijenburg onder Kollum. Het echtpaar liet het oude Burmaniahuis en het bakkershuisje afbreken en vestigde zich in 1875 in het door de architect Jurjen Daniels Bruns ontworpen, geheel nieuwe, thans nog aanwezige huis. Bernhardus kreeg in 1867 toestemming om zijn ’doopnaam’ Hopperus toe te voegen aan zijn geslachtsnaam. Het echtpaar kreeg een zoon, Wiardus Willem Hopperus Buma (1865 - 1933), die met zijn vrouw Petronella Jacoba ter Haar het huis bleef bewonen tot 1898. In dat jaar werd hij benoemd tot burgemeester van Hennaarderadeel en vertrok hij naar Wommels. De kinderen zijn op het huis geboren, onder wie de latere burgemeester van Smallingerland, Barend. In 1906 is er sprake van een mogelijke verkoop en afbraak van het huis en de bijbehorende goederen. De gemeente voert hiertoe intensief overleg met Buma, die samen met zijn vrouw in ’Villa Bella Vista’ in Baden-Baden blijkt te verkeren en het jaar daarop naar Haarlem, Heemstede gaat verhuizen.
Resultaat heeft de briefwisseling hoegenaamd niet opgeleverd.

Wederom huurders in het Burmaniahuis

Het Burmaniahuis werd in 1899 verhuurd aan Jacob Jan Lodewijk Hangest baron d’Yvoy, heer van Houten. Tijdens zijn huurderschap kwam de verkoop en afbraak van het huis ter sprake: vanwege de voortzetting van het huurcontract kon Buma de beslissing hierover uitstellen.

’Daar het wel wat onheusch zou zijn om dien heer nu direct met juni uit het huis te zetten, daar het wel mogelijk is dat hij door overlijden van ambtenaren spoedig promotie kan maken, heb ik gedacht hem het huis nog voor een jaar te verhuren.’

In 1909, drie jaar na deze brief, vertrok hij naar ’s-Gravenhage waar hij het bracht tot procureur-generaal van het Gerechtshof. Jacob Jan was gehuwd met Margaretha Cornelia Wilhelmina Clotterbooke Patijn en werkte in Leeuwarden als advocaat-generaal.
Van 1912 tot 1913 was Mr. Johan de Vries van Doesburg de volgende bewoner. Ook hij werkte bij het Openbaar Ministerie als officier van Justitie in Leeuwarden en in ’s-Gravenhage.

Einde van de Burmaniastins als particulier woonhuis

Het personeel in de nieuwe kantoren van de ’Algemene Friesche’, in het Burmaniahuis, 1914 Met de verkoop in 1912 van het huis aan de ’Algemeene Friesche Levensverze-keringsmaatschappij’ werd een begin gemaakt met het ’kantoorbestaan’ van de Burmaniastins. De maatschappij maakte aan de Nieuwestad een indrukwekkende groei door, die leidde tot diverse verbouwingen van het pand en expansie in de omgeving. Uiteindelijk waren alle mogelijkheden van expansie benut en moest worden uitgekeken naar een ander onderkomen. De medewerkers van het verzekeringsbedrijf AEGON verlieten het Burmaniahuis op 16 november 1989, een karakteristieke, en voor vele ouderen, een dierbare werkruimte achterlatend.

Hoofdstuk 3

Het Burmaniahuis: symbool van onderdrukking en verzet

Voor veel Leeuwarders die de oorlog bewust hebben meegemaakt zal het Burmaniahuis het symbool van onderdrukking en tevens verzet tegen die onderdrukking zijn en blijven. De bewoners die de kortste periode hebben doorgebracht in dit huis, hebben de meeste indruk achtergelaten.
Van 25 februari 1945 tot 14 april 1945 werd het oude deel van het gebouw namelijk gebruikt door de Sicherheits Dienst, afgekort de SD. Ter herinnering aan de martelingen en verhoren heeft ondermeer de Vereniging Friesland 1940 - 1945 in overleg met de gemeente het initiatief genomen een blijvend monument op te richten aan deze bewogen geschiedenis. Dit gedenkteken zal in het Burmaniahuis te zijner tijd geplaatst worden.

De Sicherheitsdienst in Leeuwarden

De SD was de Nationaal-Socialistische Duitse inlichtingen- en spionage-dienst, opgericht en uitgebouwd door Himmler en Heydrich in 1931-1932 als speciale afdeling van de SS. Na de machtsovername door de NAZI’s verkreeg de SD een officiële politiestatus en groeide uit tot een van de meest gevreesde politieke instrumenten van het NAZI-bewind, waarbij de competen-tie tussen SS, SD en Gestapo veelal onduidelijk geregeld was. Taak van de SD was bovenal het opsporen van alle categorieën van tegenstanders van het regime in het rijk en in de bezette gebieden.
Kopstukken in de SD in Leeuwarden waren onder meer ’Hauptsturmführer’ Albrecht, ’Untersturmführer’ Vogt en ’Oberscharführer’ Grundmann. De dienst verhuisde van het Spaarbankgebouw aan het Zaailand naar het kantoor van de ’Algemeene Friesche’. Gedurende de oorlog door bleef de verzekeringsmaatschappij in het nieuwe gedeelte van het Burmaniahuis doorwerken, terwijl de SD het oude gedeelte occupeerde. Direct na de oorlog nam de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten, afgekort de N.B.S. het oude gedeelte tijdelijk in.

De film "Verzet in Leeuwarden"

De verhuizing van de SD van het Zaailand naar de Nieuwestad was gauw bekend bij de Gewestelijk Sabotageleider Piet Oberman en het Hoofd van de Sectie Inlichtingen "Eppie" Bultsma. Nauwelijks op een kilometer afstand van het hoofdkwartier was in het pand van boekhandel Wielenga in de Nieuwe Ooster-straat 9 in een razendsnel tempo een luisterpost ingericht, van waaruit alle telefoongesprekken en verhoren in het Burmaniahuis woordelijk gevolgd konden worden. Gelukkig bestaat er vrij veel informatie over het verzetswerk binnen dit specifieke kader van de Luisterpost: niet alleen de schriften met de woordelijke verslagen van hetgeen zich heeft afgespeeld in het Burmaniahuis zijn bewaard gebleven; er is ook een film gemaakt, direct na de bevrijding, waarin alle personen het verhaal van hun verzetswerk nog eens voor de camera naspelen. Dit unieke document dook eind ’91 vrij plotseling op, toen de in de Verenigde Staten woonachtige Jake Bultsma, zoon van de maker van de film de spullen van zijn overleden vader, die zich in de nalatenschap van zijn in 1991 overleden moeder bevonden, selecteerde en een gedeelte van het materiaal stuurde naar het Verzetsmuseum in Leeuwarden.

Het verzetsverhaal in romanvorm

Een derde document dat hier niet onvermeld mag blijven is de in ’48 verschenen roman Grensconflict van Frank Wilders, schrijversnaam van Fokke Sierksma. Sierksma was één van de verzetsstrijders die de luisterpost bemand hebben. Zijn verhaal heeft hij in deze roman verteld, precies overeenkomstig de verfilming door Bultsma en Plantinga. Het verhaal begint met een man die met een camera het hele verhaal gaat vastleggen en eindigt met het opruimen van het filmmateriaal: na de vondst van de film werd duidelijk dat Sierksma de scenes over de verfilming niet verzonnen heeft.
De luisterpost Het afluisteren van de SD was de laatste grote slag van het Leeuwarder verzet vlak voor het eind van de oorlog. Op een handige manier werd van de gelegenheid gebruik gemaakt toen er een nieuw telefoonnet in het Burmania-huis geïnstalleerd werd. E. Bultsma en P. Oberman ronselden twee ondergedoken verzetsmensen J. Roukema en T. Bosman, die in principe wel kans zagen om een technisch plan voor het afluisteren in elkaar te zetten. Het materiaal werd ter beschikking gesteld door de radiozaken Vaartjes en Wiersma. De microfoons zouden aanvankelijk achter de wandbekleding geplaatst worden, maar de SD was sneller in het huis dan verwacht. Ook het plan om bij nacht binnen te dringen in het gebouw werd te gevaarlijk gevonden.
De enige optie die overbleef was het installeren van de microfoons in het reguliere telefoonnet. Hiervoor moesten twee PTT-ers gerecruteerd worden en uiteindelijk wilden J. Miedema en S. Wassenaar de afluisterapparatuur wel aanbrengen in de telefoonbel; de microfoons werkten via de telefooncentrale van het Burmaniahuis. Drie microfoons werden onder de ogen van de Duitsers ingebouwd en vier lijnen werden afgetakt. Ook de huislijn van Albrecht werd afgetapt. De verbinding tussen het Burmaniahuis en de afluisterpost liep via het bestaande PTT-net. In de straat naast het Burmaniahuis werd een gat gegraven en lasser Bruinsma splitste in zijn tentje alle lijnen uit. In de nieuwe Oosterstraat werd dezelfde dag eveneens een gat gegraven waar een nieuwe lijn aangelegd werd. Voor het installeren van de luisterpost waren nodig:

"Een paar honderd meter draad, een stuk of wat accu’s welke vaak leeg waren, een paar pakjes Beka (shag) die constant hetzelfde euvel vertoonden, vier gehoorschelpen, twee koptelefoons, acht stopcontacten, een paar potloden, enige kladblokken, twee elektrische kacheltjes, met als gevolg een ietsje clandestiene stroom en een versterker die altijd gauw zwakker werd."

De afluisterpost, die heel goed verborgen was in het huis, werd dag en nacht in wisseldienst, volgens een vast schema, bemand door vijf mannen: Eeuwke Koopmans ("Kopie"), Taeke Kuipers, Fokke Sierksma, Lo van der Werf en Lyckle van Dijk.

"Dag en nacht werkte deze dienst; een viertal jongens deed regelmatig dienst. Een zware tijd hebben deze jongens gehad, onder leiding van onze oude K.P.-er Kopie; vooral de laatste tijd was onhoudbaar. Tot de dag der bevrijding is dit apparaat perfect blijven werken. Velen onzer zijn door deze luisterpost in het leven gespaard gebleven en veel kon door ons tijdig ondernomen worden. Ondanks dat de mofffen wisten, dat er iets niet in de haak was, hebben zij nooit uit kunnen vinden hoe het mogelijk was, dat zij altijd te laat waren."

De ruimte is door Fokke Sierksma in zijn roman als volgt beschreven:

"[...]3 x 4 x 2,5 meter, het pakhuisje dat wij nooit bewoonbaar konden maken. Rechts van hem (de cameraman) gaat de ene zijwand schuil achter een smalle stelling van houten planken, waarop ontelbare dozen, doosjes en stapels papier zijn opgetast. De andere zijwand en de achtermuur verdwijnen achter eendere, maar bredere stellages. In de buitenmuur zijn, behalve een ruwhouten deur met roestige grendel, twee brede ramen. Het uitzicht, dat men door deze ramen verwacht, wordt op twee meter afstand brutaal gecou-peerd door een stompzinnige muur."

De registratie van de gesprekken

Van alle gesprekken werd nauwkeurig aantekening gemaakt. Veel gesprekken gingen over koetjes en kalfjes, maar ook de teksten van verhoren staan in extenso in de schriften, soms de laatste woorden van een later ter dood gebrachte gevangene of levensbedreigende notities. De dichtbeschreven vellen vormen een koele, afstandelijke neerslag van vaak dramatische gebeurtenissen.
Op een dag als zaterdag de 7de april konden berichten genoteerd worden met een strekking van:

"12.37. José belt Albrechts. Vraagt waar dit of dat is. Dat is in het kastje, waar de telefoon staat, en waar zijn pistool in ligt."

tot een compleet verhoor:

"antw. ’Ze hebben alles geregeld; een zekere Joop was commandant van de ploeg en daar was ik ook bij.’
vr. ’En van wie kwam die boodschap?’
antw. ’Dat weet ik niet; ik heb hem niet gezien of het moet een geweest zijn, die ik wel ken, maar ik heb hem niet gezien.’
’Dat geloof ik niet.’
vr. ’Hoe werd hij genoemd?’
antw. Antw.niet te verstaan (Peter?)
vr. ’Wat was die Joop van beroep?’
antw. ’Ik weet het niet’
vr. ’Waar kun je hem bereiken?’
antw. ’Hij was niet te bereiken, tenminste door mij niet.’


Het gaat verder over N.B.S. De vraag hierover, betrekking hebbende op volgend antw. was niet te verstaan.

antw. ’Hij zei, Gerard van de N.B.S.; dat moest ik toch wel aannemen.
’ vr. ’Ik wil de naam hebben!!’
[......]
vr. ’Hoe oud ben je?’
antw. ’27 jaar’ (?)
[......]
vr. ’Ik wil de waarheid weten.’
antw. ’Maar ik heb alles gezegd, meer weet ik niet. Alle vragen heb ik toch beantwoord. U vraagt naar een commandant, maar ik ken alleen die Toon. Maandag zou ik aan ’t werk zijn gegaan bij ... ? aan de Hoven, Dan was ik van alles af. Ik wil graag aan het werk.’


(Hij spreekt over Napoleon, niet te volgen waarop dit betrekking heeft)

’Waar moet ik op antwoorden, als ik niet weet waarop ik moet antwoorden.’
(Wordt weggebracht)

De nauwe cel in het Burmaniahuis

Martelingen en isoleercel

De verhoren in het Burmaniahuis gingen niet zachtzinnig: naast intimidatie en bedreiging kwam ook marteling voor. De na de bevrijding terug gevonden waterkist, ploertendoder en duimschroef zijn hiervan de voorbeelden.
Om de kwelling van de gevangenen nog te vergroten, werden zij opgesloten in een kokernauwe cel, waarin geen bewegingsruimte was en waarin de opgeslotene wel in paniek moest raken.

Een globale indruk van de berichten

Het rapporteren van de telefoongesprekken begint op 4 maart. De eerste notitie betreft een mededeling dat honderd man op transport gesteld worden, gevolgd door een aantekening van nog eens zestig de dag daarop. Deze mannen worden te werk gesteld in Drenthe. Ook wordt melding gemaakt van diefstal en aanslagen door terroristen. Zo wordt 8000 kg kaas uit een schuit te Oosterlittens gestolen en een boerderij in Rohel (Haskerland) overvallen. Op 6 maart komt het bericht binnen dat het kantoor van de Stelle Deutsche Dienstpost te Leeuwarden door een man of vier overvallen is: de telefoon en een stoorzender worden stuk geslagen en de wacht wordt van zijn pistool beroofd. Bijna elke dag komen er berichten binnen van sabotage-activiteiten.
Aan de berichten valt te merken dat het einde van de oorlog nadert en dat ook onder Albrechts mannen de oorlogsmoeheid optreedt: er moet het nodig iets ondernomen worden om het moreel op te vijzelen. Zo wordt geopperd de verjaardag van de ’Führer’ te vieren, maar helaas weet niemand de juiste datum (bericht van 25 maart): "Dat zijn van die dingen die zo eenvoudig zijn dat men ze vergeet," aldus Albrecht. Langzaam maar zeker dringt het besef door in het hoofdkwartier dat de oorlog een voor Duitsland ongunstige wending gaat nemen, onder meer door het binnensijpelen van de berichten over de geallieerde bombardementen in het vaderland. Ook in Friesland zelf worden de sabotages driester en brutaler: op 20 maart wordt bekend dat de spoorlijn over Hallum en Ferwerd op tweeëndertig plaatsen opengebroken is; er volgen geen represailles omdat de lijn toch niet meer in gebruik zou zijn, maar de SD-commandant was danig onder de indruk. De afluisterpost krijgt ook berichten te horen over de grote aantallen Engelsen en Amerikanen aan het Westfront, de desertie van Duitse soldaten en de teleurgestelde reacties van Albrecht op de naderende ondergang van het Duitse leger: woedend reageert Albrecht op de eis zes SD’ers mee te laten doen met een oefening van de Wehrmacht:

"Als de Tommy’s er aankomen, maken die idioten voor het laatst nog een keer proefalarm. We liggen nota bene zowat in de oorlogszone. Ze lijken wel gek.
Als ze werkelijk komen, nemen we een U-boot en duiken onder- maar komen niet weer boven."


Ondertussen gaan de voedseldiefstallen en sabotages rustig door, terwijl ook in het Burmaniahuis de vrijages tussen Albrecht en zijn secretaresse bij de luisterpost luid en duidelijk overkomen.
Over het algemeen zijn na de oorlog de onderwerpen van de berichten na de oorlog wel bekend geworden. Slechts in een enkel geval is er sprake van een uniek bericht: de inval bij Bertus Rozema, een kopstuk uit de CPN in Huizum, waar een archief gevonden werd met een grote hoeveelheid informatie over de CPN.
In het zicht van de onvermijdelijke nederlaag wordt door de SD, als een laatste wanhopige poging het heft in eigen handen te houden nog de opdracht gegeven voor de gruwelijke executie van verzetsmensen in Dronrijp.

Levensgevaarlijk

Een levensbedreigende situatie voor de bemanning van de luisterpost ontstaat wanneer in het begin van april onder de verhoorde NSB’ers een PTT’er blijkt te zijn, die meegeholpen had de telefoonkabels aan te leggen.
De familie Wielenga verhuisde voor alle zekerheid naar een ander adres.
Drie afluisteraars echter bleven op hun post, onder bescherming van drie KP’ers en voorzien van eigen wapens, om hun werk voort te kunnen zetten. Op een gegeven moment echter werd het ook hen te heet onder de voeten toen de naam van de Oosterstraat via de koptelefoon binnenkwam: de post raakte onbezet. Maar in opdracht van Bultsma gingen Kopie en zijn compagnon weer aan de slag en na korte tijd kwamen ook de andere twee assistentie verlenen.
De grootste dreiging was echter geweken, omdat de SD zich ging concentreren op de aanstaande vlucht. De papieren moesten worden verbrand en de wapens werden verdeeld. Albrecht:

"Wij rijden over Harlingen; ik moet nog zien waar we terecht komen; in ieder geval gaan wij een zwerversleven tegemoet."

Aan deze spannende tijd komt voor de luisterpost een einde wanneer op 14 april de telefoon in het SD-hoofdkwartier niet meer wordt opgenomen, omdat de SD definitief vertrokken is.

Het doek valt voor de luisterpost op een manier zoals in de roman beschreven werd:

"LP, dat de gevangenis van onze angsten was en dat wij omtoverden tot een paleis van hoogmoed, is over de rand getuimeld. Wat er is overgebleven, is een banaal, rommelig pakhuisje. Wat is dat pakhuisje wel geweest? Een onderkomen, waar wij, voor één lange nacht geëvacueerd, onze povere, maar kostbare luxe hebben opgeslagen, verpakt in angst. Wat er vóór die nacht, zal er nu weer zijn: de vrouw, die ons de liefste is, ons werk, onze dromen, de maskerade van ons colbert...en onze koorddanserij."

Na de bevrijding: het bezoek van Gerbrandy

Direct na de bevrijding werd het Burmaniahuis in gebruik genomen als hoofdkwartier van de Nederlandsche Binnenlandsche Strijdkrachten. Begin mei bracht minister-president mr.P.S.J.Gerbrandy een bezoek aan dit hoofdkwartier en maakte toen kennis met de kopstukken van de N.B.S. en het verzet.
In de Leeuwarder Koerier van 8 mei 1945 verscheen het volgende berichtje:

"Minister Gerbrandy te Leeuwarden. Het was ongeveer 10 uur gisteravond toen een groepje menschen, dat voor hotel de Klanderij om een auto stond geschaard tot de ontdekking kwam, dat deze auto behoorde aan minister Gerbrandy. ’Ik ben blij op Frieschen bodem te staan.’ zoo sprak hij tot de omstanders. ’Ik ben blij de Friezen weer recht in de oogen te kunnen zien. Wij zijn vrij en nu moet Japan er onder. Jullie hebt je in deze jaren best gehouden.’ ’Maar u ook’ klonk uit het publiek. ’Dat weet ik niet’ ant-woordde hij bescheiden, en terwijl hij deze woorden sprak, stapte hij in de auto, welke gereed stond om te vertrekken."

Een tentoonstelling in het Burmaniahuis

Meer dan 10.000 mensen bezochten de tentoonstelling ’Nood en Strijd in Bezet Amsterdam’ in het Burmaniahuis van 4-21 juli 1945 Opmerkelijk is het feit dat in het oude gedeelte van het Burmaniahuis, van 4 tot 21 juli, een tentoonstelling gehouden werd van het werk van illegale fotografen in Amsterdam. Op deze tentoonstelling, getiteld ’Nood en Strijd in Bezet Amsterdam’, waren vooral veel foto’s uit de hongerwinter te zien.
De inkomsten uit deze expositie zouden ten goede komen aan het Fonds voor een oorlogsmonument in Leeuwarden. De Leeuwarder Koerier van maandag 9 juli meldt:

"Tentoonstelling Nood en Strijd. De belangstelling voor deze tentoonstel-ling, die gehouden wordt in het Burmaniahuis te Leeuwarden, is zoo groot, dat a.s. Zaterdag of Zondag de 10.000e bezoeker verwacht wordt. De leiding van de tentoonstelling wil dit feit niet ongemerkt voorbij laten gaan en zal den gelukkige het boekwerk: Amsterdam tijdens den hongerwinter 1944-’45 aanbieden."

De tienduizendste bezoeker kon op zaterdagavond ontvangen worden in de persoon van mej. R. Luinstra uit Leeuwarden en zij ontving een bos bloemen en het boekwerk. Na het afbreken van de tentoonstelling op 21 juli en de ontbinding van de N.B.S. op 22 juli 1945 door prins Bernhard werd het normale kantoorleven in het Burmaniahuis weer hervat en nam de "Algemeene Friesche" weer bezit van het oude gedeelte. Aan de meest bewogen periode uit de geschiedenis van het Burmaniahuis is een eind gekomen.

Hoofdstuk 4

Het Burmaniahuis: het verhaal van de bouw

Wederom de archeologen aan het woord
In het voorjaar van 1992, in de beginfase van de bouw van het nieuwe stadskantoor, heeft het ’Argeologysk Wurkferbân’ enige pogingen gedaan om resten van het oudste Burmaniahuis te vinden. De resultaten vielen jammergenoeg tegen, omdat een noodzakelijke damwand langs de Torenstraat niet geslagen werd waardoor goed onderzoek onmogelijk was.
Men heeft nog wel overblijfselen van een oude gracht, gelegen ten westen van het huis gevonden, wat slachtafval, enige houten paalresten en enkele oude baksteen dakpanfragmenten. Hieruit zou af te leiden zijn, dat het oudste gebouw niet eerder dan in 1300 gebouwd kan zijn, daar bij de opgraving de onberoerde zeeklei bereikt werd. Nog op de valreep zijn tijdens de bouw van het stadskantoor in het voorjaar van 1993 in een oostmuur van het huidige Burmaniahuis muurresten gevonden, die misschien toegeschreven zouden kunnen worden aan de nieuw gebouwde hoofdvleugel uit het begin van de zestiende eeuw. Deze muurresten zijn echter alweer door een dikke pleisterlaag bedekt, zodat ze niet meer te bekijken zijn.

Het Burmaniahuis als prestedelijk relict

Als wij er van uitgaan dat de Burmaniastins van oudsher min of meer op de huidige plaats gesitueerd was, dan is het huis te beschouwen als een overblijfsel van de bewoning van vóór de stedelijke periode van Leeuwarden.
Zoals uit de geschiedenis van de bewoners al naar voren gekomen is, was de actieradius van de Burmania’s vooral gericht op Oldehove en de nieuwe landen in de vroegere Middelzee. Pas na de eenwording van Oldehove, Nijehove en Hoek in 1435 en na de aanleg van een nieuwe vestinggracht (in de periode 1481-1496) werd de relatie met de stad in ruimtelijk opzicht sterker. Het Burmaniahuis draagt in zijn zelfstandige, van de omringende stadsbebouwing onafhankelijke situering dan ook de kenmerken van de stinzen en states op het platteland. Er is immers geen enkele primaire relatie met een rooilijn of een stedelijke verkaveling te bekennen.
De gracht die om het huis lag, benadrukte -naast de verdedigbaarheid van de het huis- de zelfstandigheid van de ligging nog.

Ontwikkeling van de Nieuwestad tot handelskwartier

In de loop van de vijftiende eeuw ontwikkelde het gebied van de Nieuwestad zich tot een handelskwartier, vanwege de markt- en overslagfunctie van de zuidelijke kade. Dankzij de vermelding van een waag op dit terrein in 1468 kunnen wij concluderen dat de functie van marktterrein vermoedelijk van oudsher bestond in dit kwartier.

De ligging van het Burmaniahuis: zestiende eeuwse kaarten

Omdat de archeologische stemmen wegens gebrek aan vondsten zwijgen, springen wij naar het midden van de zestiende eeuw, de periode waaruit de allereerste plattegronden van het gebied stammen.
Uit ca. 1550 dateert een plattegrond, getekend door Jacob van Deventer.
Op deze plattegrond is de stadsgracht aangegeven, de beide kadegedeelten en de Burmaniastraat. Aan de Nieuwestad valt een betrekkelijk leeg gebied op met slechts wat verspreide bebouwing en een iets groter huis, omringd door kleinere huisjes. Dit moet het Burmaniahuis zijn. Globaal valt hierin de vorm te ontdekken die wij van latere tekeningen kennen. Met enige goede wil zijn een toren te onderscheiden en de hoofd- en de zijvleugel. Deze voorstelling wordt versterkt door een tweede plattegrond uit het eind van de zestiende eeuw, die gebruikt is voor een uitgave van Guicciardini uit 1581.
Bij de betrouwbaarheid van Guicciardini moeten overigens wel kanttekeningen geplaatst worden. Op deze kaart is heel duidelijk de zaalvormige stins te zien met een toren die zijn ligging achter de vleugel doet vermoeden.
De provinciale landmeter Johannes Sems geeft een redelijk betrouwbare weergave van de toestand in 1600

Zeventiende eeuwse plattegronden

Op de redelijk betrouwbare kaart uit 1603 van Johannes Sems, die de gegevens hiervoor in 1600 vergaarde, is het Burmaniahuis ten opzichte van de kaart van Guicciardini beter te herkennen.
De toren staat duidelijk aan de voorzijde en de rondom liggende bebouwing aan de Nieuwestad is nauwkeurig weergegeven. De kleinere zijvleugel aan de oostzijde van het hoofdgebouw is zichtbaar. Ten oosten van het huis ligt nog een hovenierswoning met schuur en verder zijn de boompjes op het perceel ingetekend.

Enkele stedebouwkundige aspecten rondom de Burmaniastins

In de directe omgeving van het Burmaniahuis zijn een paar vreemde stedebouwkundige aspecten te zien: allereerst de manier waarop de Kleine Kerkstraat uitkomt op de Nieuwestad, de kromming van de gracht ter hoogte van de Duco Martenapijp en de daarmee samenhangende profielvernauwing op dit punt. Deze opvallende aspecten zijn misschien beïnvloed door de eerdere situering van de Burmaniastins. Op de kaart van Sems is te zien dat de verkavelingsstructuur van het gebied tussen de Burmaniastraat en de Kleine Kerkstraat duidelijk afwijkt van het omringende gebied. Misschien dat de kade-aanleg tussen de Burmaniastraat en de Duco Martenapijp van latere datum is geweest: mogelijk werd de aanleg van de kade eerder verhinderd en draaide de loop in de richting van de Kleine Kerkstraat. Vrijwel zeker hebben de Burmania’s hierin een hand gehad: het grondgebied zal namelijk doorgelopen hebben tot de gracht, zodat zij toestemming moesten geven om op dit grondgebied een kade aan te leggen. Gezien de ligging van de stins, niet omgeven door enig verdedigingswerk, zal dit vanuit strategisch oogpunt aanvankelijk afgewezen zijn.

Aanleg van de omwalling

Na de bouw van de Onze Lieve Vrouwenpoort en de aanleg van de omwalling viel dit argument weg, waardoor andere perspectieven zich openbaarden. De mogelijkheden voor de aanleg van een smalle kade tussen de Burmaniastraat en de Kleine Kerkstraat en de achtererfbebouwing van het hoekhuis aan de pijp, zijn op de kaart van Sems te zien. In vergelijking met de kaart van Van Deventer is de bebouwing flink toegenomen. De ruimte pal voor het Burmaniahuis bleef onbebouwd, maar aan weerszijden is het aantal diepe huizen in aantal vermeerderd. Ook de Torenstraat is in 1603 al aan beide zijden bebouwd. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw zal de buurt rondom het Burmaniahuis min of meer zijn definitieve vorm gekregen hebben en zou pas weer afgebroken worden in onze eeuw, in verband met de kantoor-uitbreidingen van de AEGON. De plattegrond van Pieter Feddes uit 1622 is veel minder nauwkeurig dan zijn voorganger.
Wel blijven toren en beide vleugels herkenbaar, maar de directe omgeving is gereduceerd tot een kale vlakte met links een omheinde tuin.

Achttiende- en vroeg-negentiende eeuwse plattegronden

Een plattegrond uit de achttiende eeuw is die van Knoop uit 1760.
Op deze kaart is de curieuze vorm van het gebied rond het Burmaniahuis goed te zien. Ook de schematische weergave van het oude en nieuwe Burmaniahuis is verbeeld door twee rechthoeken aan één punt samengevoegd. De omliggende bebouwing heeft niet veel veranderingen ondergaaan. Een kaart van Hansum uit 1821, geeft in de tekening van de directe omgeving wel een andere vorm weer.

In de parkaanleg is de meest opvallende verandering de afbeelding van een vrij grote vijver aan de rechterkant van het huis. De plattegrond van het huis zelf, lijkt helemaal niet meer op die van Knoop: duidelijk is een forse uitbouw en uitbreiding aan de achterkant van het complex te zien.

De oude zaalstins

De globale indruk die de zestiende en zeventiende eeuwse kaarten geven, is dat het Burmaniahuis een zaalstins geweest moet zijn van twee bouwlagen en een kelder. Aan het eind van de zestiende eeuw, om precies te zijn 1598, is een reconstructie van het complex te geven aan de hand van de beschrijving in de stukken betreffende de verkoop door Joost van Ewsum aan Gemme van Burmania. Het nieuwe Burmaniahuis is ten westen gesitueerd van het oude huis en het bijbehorende terrein wordt aan de achterzijde begrensd door een huis met een rieten dak en de kamers aan het kerkhof. Aan het terrein dat bij het oude huis hoort, grenst het kerkhof. Naast het oude gedeelte, aan de oostkant, is de woning van de rector en daarvoor liggen de oude kamers in de Burmaniasteeg. Aan de voorzijde van de oude stins bevinden zich de straat en enige nieuwe huizen met wat meer naar het westen de blauwe poort.
Nog verder naar het westen voor het nieuwe gedeelte staat een poort met ijzeren tralies. Direct daaraan grenzend ligt het huis van de bakker.

De verbouwingen van 1638 en 1639

In de jaren 1638 en 1639 vonden ingrijpende verbouwingen plaats, die een oorzaak kunnen zijn voor de metamorfose van de oude zaalstins, die op de tekening van Stellingwerf te zien is. Op deze tekening uit 1723 wordt voor het eerst een duidelijk beeld van de architectuur gegeven.
De gegevens over de verbouwingen kunnen worden ontleend aan een uitgebreide rekening voor Rienck van Burmania, de zoon van Gemme, van de steenhouwer Henricus Schotanus.
Uit de diverse posten, waarvan er hier enkele voorbeelden geciteerd worden, blijkt dat het om flinke verbouwingen ging. Het verband met het Burmaniahuis wordt gelegd op basis van de vermelding ’groot huijsinge’, maar het is niet met absolute zekerheid te stellen dat alle posten ook daadwerkelijk slaan op het huis. Vanaf de tweede post wordt namelijk melding gemaakt van een nieuw huis:

"Gemaeckt aende groot huijsinge staende ontrent de Ljef Vrouwenpoort, de voortrap, de mangaten losgehouden, de borgen ende mangaten kelder op njeu te passen gemaeckt ende begooten, aen verdient: 2-8-0;
[...]
Van een old stuck lijst den clapmuyts gemaeckt, comende op de aftergevell van de njeuwe huisinge, geboudt in ’t plaetse van Burmanjapoort, totaal: 0- 9-0;
Ende onderste boogen vande voorgevell aende voorschreven huijsinge gelevert twee dubbelde boogstucken, ende vjief enkelde, ’t samen negen boogstucken, totaal: 2-19-0;
[...]
Van olde stenen njeuwe lijst gemaeckt tot negen voeten ende een half, de voet vjier stuijvers: 1-18-0;
Tusschen de kosijnen gemaeckt den poordt voorschreven van hardsteen, met het geschrift daeronder comende vjer voeten hoog, is te samen aen verdient:
14-16-0;
In de tweede lijst gelevert negen voeten lijst en een vjerdeel de voet acht stuijvers: 3-19-0;
[...]
Gelevert vjef njeuwe cantelen, ’t stuck tot vjefendetvjntich stuijvers: 6- 5-0;
[...]
Een spiegellraempt komende boven in den gevell, gemaeckt van hardsteen,
totaal: 2-18-0;
[...]
Tot den binnenboog gemaeckt twee boogstucken met een slodtstuck, een engels tronij opgemaeckt, ’t somma: 2-17-0;
Gelevert de hardstenen drompell tot de stoepsteen ende veell breder als ’t ander gemaeckt, totaal: 2-18-0;
[...]
Een groote graeuve stenen waterback aen stucken gekloofd, des bodems zijnde het grootste stuck, dat zeer scheef was, deur langh ende svaer arbeijden recht ende van schelfte gemaeckt, ’t samen aen verdient: 5-16-0;
Noch gemaeckt den sonnewijeser van hardsteen van derde half voeten lanck en 2 1/9 breedt ofte hoogh, is aen verdient, acht carolusgulden, tijen stuijvers: 8-10-0’"

Stellingswerfs weergave uit 1723

Het Burmaniahuis, hier genoemd Katersplaats, in 1723. Tekening door J. StellingwerfDe tekening van Stellingwerf laat een drie verdiepingen hoge gevel zien en een lager gebouw aan de rechterkant. Omringd door een gracht waaroverheen een brug ligt, die leidt naar de centrale uitgebouwde ingangspartij. Aan de linkerkant van die toegangspoort staat een achtkantige traptoren met een ingesnoerde spits. De prent geeft de indruk dat ook het voorplein door een gracht gescheiden is met daarvoor een hek en twee flankerende pilaren met leeuwen die wapenschilden vasthouden. Een opvallende boom staat rechts van de toegang tot de hoofdvleugel en bedekt een gedeelte van de voorgevel.
Opvallend is het ontbreken van een serie ramen op de eerste verdieping aan de linkerkant van de toren en de afwezigheid van de twee ramen op de tweede verdieping, daar direkt boven, die ontlastingsbogen aan de bovenkant hebben (de enige van het gehele gebouw). Onduidelijk is de uitgebouwde entree aan de rechterkant van de toren die gedeeltelijk verdwijnt achter de boom en in de oksel van de traptoren en de woonvleugel staat. De hoofdvleugel wordt afgesloten door twee trapgevels. Aan de rechterkant bevindt zich het oude Burmaniahuis, met een topgevel aan de Nieuwestadszijde, een samengesteld zadeldak en een zij-aanbouw onder een aangekapt dakschild. De ramen zijn eenvoudige kloosterkozijnen voorzien van een luik aan de onderkant en glas aan de bovenkant en een enkel kruiskozijn (een dubbel kloosterkozijn). Uit de tekening blijkt dat de oorspronkelijke middeleeuwse zaalstins een verandering ondergaan heeft doordat de traditionele twee verdiepingen uitgebreid zijn met nog een laag. Ook de ingangspartij, moeizaam voor de hoofdvleugel geplaatst en naast de van oudsher aanwezig traptoren, moet tijdens deze verbouwing gebouwd of op zijn minst aangepast zijn. Bij bestudering van de tekening zou men misschien vraagtekens kunnen zetten bij de vleugel, die wat te breed opgezet is, en de verdeling van de raamvlakken. Bekend is dat Stellingwerf niet altijd nauwkeurig in de weergave van de proporties was.

Een tweede verbouwing onder toezicht van architect Anthony Coulon

In het midden van de 18e eeuw, om precies te zijn in de jaren 1741 en 1742, heeft nog een verbouwing plaatsgevonden van het Burmaniahuis, de zijvleugel en het koetshuis in opdracht van majoor Watze Julius. De werkzaamheden stonden onder leiding van de bekende architect Coulon (1682-1749) en de eigenlijke betaling van de werkzaamheden werd verricht door Eduard Marius van Burmania.
Deze constructie was niet zozeer ingegeven door familie-liefde, maar door een verschil van mening over de reparatie van gebreken die Eduard Marius als huurder had geconstateerd aan het huis waarvan Watze Julius de eigenaar was. In 1741 worden door aannemer J.Snoek in opdracht van Coulon bestek en voorwaarden opgesteld voor de verbouwing. De offerte werd verdeeld in het binnen- en buitenwerk en de speciale opdrachten. In het interieur moest veel worden gedaan aan bijvoorbeeld het beschieten en ondersteunen van de plafonds, de schoorstenen en het vernieuwen van de kozijnen. In een enkele kamer moest een deur gemaakt worden en een extra wand:

"13. Het tweede cabinet met een scheiding daar in een deur te maken, met banden en sloten, om in de keuken te gaan, en het ander vertrek ook met latten te maken om bekleed te worden.......f. 10,12"

De totale kosten van de verbeteringen in het interieur kwamen op ruim driehonderdenzeven carolusgulden. Voor wat betreft het buitenwerk werden voornamelijk schoorstenen opnieuw aangebracht of verbeterd, goten aangelegd, raampjes in de gevel geplaatst en vochtproblemen opgelost:

"8. De muur in ’t voorhuis die doorsloeg verandert, met medicamenten, en in de keuken....f. 3,--"

Totale kosten voor het buitenwerk werden berekend op ruim honderdzevenendertig gulden. Naast reparaties moesten ook enkele dingen speciaal gemaakt worden. Hiervoor kreeg de aannemer de beschikking over:

"Het nieuwe hout op ’t Burmaniahuys zijnde, zal ten dienste van de aanneemer weesen om tot ’t huys te gebruiken met de oude lambrisseringen.........
f.75,--"


Van dit hout werd een schutting gemaakt tussen de woning van de bakker en de tuin, daarnaast werd een turfkoker geplaatst in de keuken, de oude stal weggebroken en het overgebleven hout netjes in de kelder gelegd. Een speciale offerte werd gemaakt voor de constructie van een hek en het opknappen van het koetshuis. Na het restaureren en verbouwen kwam de schilder langs, in dit geval Pieter Boorsma, die voor zijn klus ruim tweehonderdzevenenvijftig gulden kreeg:

"Het Burmania Huis. Geheel van binnen eens lijn verft en twee maal met olij verf geverft, geackoordeert, voor verf, arbeijtsloon samen voor twee hondert en veertig carolusgulden."

En als laatste werd notaris Theodorus van der Leij afbetaald vanwege geleverde juridische ondersteuning in de hele onderneming, want zoals gezegd was de samenwerking tussen de neven niet bijzonder hartelijk:

"...de somma van twe en veertig carolusguldens wegens gedane diensten, vacatien en expensen over de saacken en negotiatie van Burmaniahuis binnen Leeuwarden."

Voor zover het zich laat aanzien heeft de verbouwing vooral ten doel gehad het eigenlijke huis te restaureren en op te knappen en hebben er geen ingrijpende bouwkundige veranderingen plaatsgevonden.

Een afbeelding uit 1788

Uit 1788 is een prent in aquatint gedrukt "Gesigt van ’t Schavenek op d’Oudenhooft en Bourmainjehuis tot Leeuwarden" bewaard gebleven. Naast de aardige eind-achttiende eeuwse sfeertekening interesseert ons voornamelijk de weergave van het Burmaniahuis. Deze is heel schematisch en als gevolg van een wat onbeholpen perspectivische werking in de situering, vertekend. Echter heel opvallend is de verandering die het uiterlijk van het hoofdgebouw heeft doorgemaakt sinds 1723. De ingangspartij met de traptoren is verdwenen, de gracht eveneens en midden op het dak is een barokke geveltop geplaatst. Helaas is de prent te vaag om hierover meer informatie te verstrekken. De gracht is daadwerkelijk ook verdwenen: algemeen wordt aangenomen, dat die tussen 1723 en 1760 gedempt werd.
De verbouwing die debet was aan deze veranderingen zou kunnen hebben plaatsgehad rond 1770. Dit valt af te leiden uit de drastische verhoging van de huurprijs die in 1771 ingaat; huurverhoging was vaak het gevolg van verbouwing en verbetering.

Een uitgebreide beschrijving uit 1816

Ten behoeve van de verkoop in 1816 werd een uitgebreide beschrijving opgesteld van het pand:

"Eene groote fraaye en moderne huizinge, het Burmaniahuis genaamd, staande te Leeuwarden [...] met den daar agter gelegen tuin, groot circa twee pondematen, voorzien met uitmuntende vrugtbomen. Bestaande de huizinge in een voorhuis en gang met marmeren steenen, aan de regterzijde eene fraaye behangene kamer of zaal met marmeren schoorsteen en met twee schuiframen op het plein voor het huis uitziende, daar agter eenen kamer met een schuifraam in de tuin uitziende waaragter nog eene kamer met schoorsteen en schuifraam, aan de linkerzijde der gang eene fraaye behangene voorkamer met schoorsteen en met twee schuiframen op het plein uitziende, daarnaast eene dito kamer met een schuifraam en venster, eene grotere dito met schoorsteen en twee schuiframen, waar nevens een desertkamertje met twee kasten en twee schuiframen, welke kamers op elkander volgen en ook afzonderlijke ingangen hebben in eenen dwarsgang, waarin een doorloop naar de keuken met twee afgeschoten kasten een groote keuken met schoorsteen, oven en fournuis en met regen en putwaterspompen met twee vensters in den tuin uitziende, waarnevens een groten turfhok. In de gang een doorlopend secreet aan de regterzijde boven eene kamer met een venster en alcove, waarnevens eene dito met een schoorsteen, uitziende met een venster in den tuin, een portaal waarop een secreet en een kamer met bedsteden in kast in den tuin uitziende, boven een groote linnenzolder. Aan de linkerzijde boven een grote gang, waarop een behangen kamer met een schuifraam, voorzien van eene groote en ruime kast, daarnevens eene behangene dito met twee schuiframen en schoorsteen, vervolgens eene dito met een schuifraam, kast en schoorsteen, hoger een gang, waarop eene kamer met twee bedsteden, eene dito met schoorsteen en twee vensters, een dito met twee vensters en schoorsteen, welke kamers hun uitsigt hebben op de straat, boven welke eene ruime en grote zolder. Boven de keuken een turfzolder, staande deze huizinge op drie kelders, waarvan een verwulft agter deze huizinge de boven gedagte tuin waarin secreet, asbak en kast."

Enige afbeeldingen uit het midden van de negentiende eeuw

Van de oude stins zijn nog enkele afbeeldingen bewaard gebleven uit de negentiende eeuw, waaronder een tekening uit ca. 1850 van Bonga.
Deze toont een hoog zadeldak met pannen, een schoorsteen in het midden en twee dakkajuiten. Op de kroonlijst staat ’Burmaniahuis’ vermeld. Verder heeft de hele woonvleugel hetzelfde aanzicht als de prent uit 1788. Alleen de barokke geveltop is inmiddels weer verwijderd.

De tekeningen van Martin uit 1873

Een drietal tekeningen van Martin uit 1873 verschillen nauwelijks van elkaar, behalve in de stoffage.
In vergelijking met de tekening van Bonga valt op dat het hoge zadeldak met pannen vervangen is door een laag zinken dak. De voorgevel en het dak zijn inmiddels voorzien van twee klassicistische dakkajuiten voorzien van kleine pilasters en een driehoekig fronton en van een eenvoudige kroonlijst met daarop de naam ’Burmaniahuis’ en daarboven een gesloten attiek met verdiepte vakken. De 19e eeuwse archi-tectuur toont zes vensterassen en de vier duidelijk herkenbare muurankers doen vermoeden dat het huis zes balkvakken breed was. Het is heel wel mogelijk dat de muurankers afkomstig zijn van de middeleeuwse stins.
Duidelijk is de ingang te zien, bestaande uit een opgang van drie treden met daarboven een eenvoudige marquise. De zijvleugel is op de drie tekeningen van Martin duidelijk zichtbaar en heeft eveneens in de loop der tijd grote veranderingen ondergaan: de trapgevels zijn verdwenen en een schuurachtig gebouwtje is tegen het aanzicht gebouwd, waarvoor de muur loopt.

Een Makkumer aardewerkbord

Een variatie op de tekeningen van Martin vormt een Makkumer aardewerkbord, vervaardigd in opdracht van Frans Julius Johan van Eysinga, waarvan de datering moeilijk exact te geven is.
De afbeelding is gemaakt naar een foto van E.Fuchs. Het bord kende een pendant met de afbeelding van de Sminiastate in Wommels. De verschillen tussen de tekeningen en de afbeelding op het bord liggen vooral in de belendende aanbouw aan de zijkanten, die op het Makkumer bord in extenso weergegeven is. In vergelijking hiermee heeft Martin vermoedelijk een aantal beeldbepalende elementen geëlimineerd.
Dit wordt bevestigd door een foto uit ongeveer 1870, met de hand ingekleurd, aafkomstig uit het atelier van Th. M. Staas, de opvolger van Fuchs.
Op de foto staan mensen gegroepeerd voor het hek van het Burmania-huis.
Met uitzondering van de groep is de overeenkomst tussen bord en foto treffend.

Verbouwingen in een notedop tot de afbraak in 1873

Een foto van het Burmaniahuis uit ca. 1870 door E. Fuchs. Het origineel is met de hand ingekleurd door zijn opvolger Th. StaasWij weten dus hoe de situering was in 1598 van het gehele complex van het oude en nieuwe Burmaniahuis. Tevens is het uiterlijk van het gebouw in 1723, in 1741-1742 en uit een afbeelding in 1788 bekend. Deze laatste afbeelding, hoewel heel onduidelijk, geeft een sterk veranderd uiterlijk weer en ditzelfde geldt voor de latere negentiende eeuwse afbeeldingen. De beschrijving van 1816 bevestigt deze verandering. De grootste veranderingen moeten dus hebben plaatsgevonden nà 1742 en vóór 1788: in die periode kreeg de stins ’van Stellingwerf’ het uiterlijk van het gebouw dat tot 1873 zou blijven staan. Blijkens de fluctuaties in de huurprijs zou een ingrijpende verandering rond 1770 moeten hebben plaatsgevonden en volgens een niet op feiten gegronde vermelding in het artikel over Sara Adel van Huls zou in 1785 nog een en ander aan het huis vertimmerd zijn. Deze verbouwing heeft echter géén noemenswaardige invloed op de huurprijs gehad, die overigens sinds 1771 fors was. Maar de datering van de plaatsing van de geveltop blijft dan nog wel een probleem. Misschien dat Coulon hier de hand in heeft gehad in 1742, maar dat zal toch niet gebeurd zijn zonder de ingangspartij te veranderen, een grootscheepse ingreep die vermoedelijk rond 1770 plaatsvond. Is de geveltop geplaatst in 1770, dan is deze in 1850 al weer verwijderd. Helaas is door gebrek aan archiefbronnen en relevante afbeel-dingen de oplossing niet voorhanden.

De omvang van het Burmaniahuiscomplex

In 1832 heeft de eigenaar van het Burmaniacomplex de volgende bezittingen:
een huis aan het Oldehoofsterkerkhof, in 1877 afgebroken, een huis in de Burmaniastraat, in 1913 meeverkocht aan de ’Algemeene Friesche’, de tuin, het Burmaniahuis zèlf, een bergplaats in de Torenstraat, in 1888 verbouwd tot wagenhuis en erf en een stal in de Torenstraat, eveneens in 1888 herbouwd.
De vijver van de kaart van Hansum, zal tot 1914 op kaarten en plattegronden terug te vinden zijn.

De nieuwbouw door J. D. Bruns

Van de oude stins is behalve de tekeningen en prenten nauwelijks iets bewaard gebleven. In opdracht van B. Hopperus Buma pakte architect Jurjen Daniels Bruns de herbouw grondig aan en maakte het gebouw met de grond gelijk. Tegelijkertijd kreeg de architect de opdracht Villa Vaartzicht aan de Potmarge in Huizum voor het echtpaar Hopperus Buma-Van Eysinga te bouwen. Van de opdracht zijn het bestek en de voorwaarden bekend waarin het ’amoveren’ van het totale Burmaniacomplex vermeld wordt en het bouwen van een ’heerenhuizinge’ en een wagenhuis, stalling en koetsierswoning wordt opgedragen. De eerste steen van de nieuwbouw voor Villa Vaartzicht werd gelegd in 1874 op 9 april door zoon Wiardus Willem en de eerste steen van het Burmaniahuis op 27 juni door dochter Clara. In 1875 was eerst de villa klaar, waarin de familie tijdelijk resideerde en kort daarop vertrokken zij naar het gereedgekomen Burmaniahuis waar tot 1898, het jaar waarin dochter Clara overleed, zij bleven wonen.

De architectuur van het Burmaniahuis en Villa Vaartzicht

De architectuur van zowel het Burmaniahuis als Villa Vaartzicht is typerend voor de architectuur in Friesland aan het einde van de negentiende eeuw.
Villa Vaartzicht is vijf raamvlakken breed, waarvan het middelste vlak uitsprong en een bouwlaag hoger is uitgebouwd. De stijl is een typische mengstijl waarin het klassicisme van de pilasters en de kroonlijsten overheerst. Het Burmaniahuis werd een kap en twee bouwlagen boven een souterrain hoog, Villa Vaartzicht kreeg maar een bouwlaag. Deze villa had op het zuiden een grote serre en in het park eromheen waren tuinhuizen en vijvers te vinden en aan de Wirdumervaart een ruim boothuis.
Ook rondom het Burmaniahuis werd veel aandacht besteed aan de tuin en de inrichting. Zo werden in 1874 een stal, wagenhuis en koetsierswoning gebouwd, waarvoor Hopperus Buma de directeur van gemeentewerken vroeg de rooilijn te bepalen.

Een prachtig koets-en wagenhuis

Het ontwerp voor het wagenhuis lijkt op de stijl van de architectuur van het Burmaniahuis zelf. In 1875 verzoekt de eigenaar om toestemming voor het aanleggen van zijwegen naar zijn fraai koetshuis en om verbetering van de trottoirs.
Het wagenhuis, waarvan wij nu nog alleen het ontwerp hebben, was in een eclectistische stijl opgetrokken. Aan weerszijden van de centrale ingangs-partij zijn de vleugels gebouwd in een hiërarchische volgorde. De toegang is risalerend, vooruitspringend, bestaande uit twee bouwlagen onder een langsgeplaatst zadeldak met een zeer flauwe helling en twee topgevels.
De risaliet is op de hoeken afgesloten door blokken op de begane grond en lijstpilasters met verdiepte vakken op de eerste verdieping. Helemaal bovenaan bevindt zich een rondboogfries, waartegen dunne consoles met diamantkop-decoratie, onder een eenvoudige daklijst waarop in zink uitgevoerde versieringen in de vorm van dakversieringen en een windvaan. De vleugels hebben een onregelmatige traveemaat met twee bouwlagen, waarvan de tweede geïntegreerd is met dakschilden, en worden op dezelfde wijze afgesloten als het middenelement. Op de scheiding van de verdiepingen zijn geprofileerde waterlijsten aangebracht en vleugels onder een schilddak met een vermoedelijk zinken dakbedekking. De dakgoot is op eenvoudige klossen geplaatst. De ingangspartij heeft een dubbele paneeldeur met decoratieve ijzeren roosters. In het midden van beide vleugels zijn op de tweede bouwlaag dubbele deuren aangebracht die worden voortgezet tot kajuitachtige elementen onder aangekapte zadeldakjes. Waarschijnelijk was de tweede bouwlaag bestemd voor opslag van bijvoorbeeld hooi, dat werd binnengehaald door deze dubbele deuren. De muren hebben aan de onderzijde een plint met hoekblokken en pilasters. Het is aannemelijk dat het geheel bedekt was met pleisterwerk. De totale lengte van de voorgevel was ruim vierendertig meter.

De aankleding: de leeuwen van het Burmaniahuis

Uit 1874 dateren de karakteristieke liggende zandstenen leeuwen die de ingang flankeerden. De afmetingen zijn bijna levensgroot en het is niet bekend wie het ontwerp gemaakt heeft.
Hoewel het zandsteen op veel plaatsen uitgesleten is, is de weergave goed herkenbaar. In het bestek worden de twee leeuwen door Bruns als een aparte post opgevoerd.
Het is mogelijk dat de leeuwen in het steenhouwersate-lier van L. Joh. van der Meulen vervaardigd werden.
Het ’nieuwe’ Burmaniahuis op een ingekleurde foto door Th. Staas, ca. 1880

De overige versiering

Uit het al eerder genoemde bestek zijn meer posten te halen die melding maken van de aankleding van het gebouw. Zoals de acht kapitelen voor de pilasters aan de voorgevel, drie witte marmeren fonteintjes, elf marmeren mantels met zij- en achterplaten van graniet, het wapen en de lantaarn in de hoofddeur van het Burmaniahuis, de letters in de hoofdfacade, de balusters op de hoofdtrap, de ornamenten en gesneden leden in de gestuca-doorde bovenmantels van de haarden en de gestukadoorde ornamenten bij de poortopeningen. Tot slot worden nog minstens achtendertig paar ivoren krukken vermeld. Van de lambrizering uit 1874 is nog een gedeelte bewaard gebleven, doordat deze overgeplaatst is naar de woning van de directeur Oosterhoff van de "Algemeene Friesche", Zuidergrachtswal nr. 3.

Verandering van de ingangspartij

Na enkele jaren bewoning bleek het balkon niet zo stevig geconstrueerd te zijn en moest de opvolger van Bruns, Hendrik J. Kramer, in 1889 de ingangs-partij verstevigen, waarbij hij de marquise voorzag van glas en ijzer en gietijzeren zuilen met ionische kapitelen aanbracht, die hij bestelde bij een Haagse firma en waarop de Leeuwarder firma J. Kroes jr. fijn smeedwerk aanbracht. Het verloop van de verbouwing was als volgt: op 21 december 1888 inspecteert de architect de balkons aan de voorgevel en geeft de opdracht tot de voorlopige herstelling. In het voorjaar van ’89 rapporteert hij over scheuren en afwijkingen aan het Burmaniahuis: een rapportage die f. 7,50 kost. Enkele maanden later levert hij een plan in voor de versterking van de balkons, voor de totale somma van zevenhonderdenvijftig gulden. Op 29 september begint het werk en in november wordt de totale rekening voor de bouw van de marquise goedgekeurd:

"S.Swart timmerwerk f. 443,37
J.Kroes jr. ijzerwerk f. 962,65
Gebr.Bakker loodgieterswerk f. 138,55
L.Joh v.d. Meulen steenhouwerswerk f. 67,40"


De totale rekening wordt op 18 maart ingediend en een dag later betaald.
In 1894 wordt een deel van het bijgebouw afgebroken en meldt opzichter Buwalda dat verder alles, óók de constructie van het hoofdgebouw, in orde is bevonden.

Onderhandelingen over afbraak

Enkele ambtenaren van de gemeente Leeuwarden vatten in 1906 het plan op om een nieuw onderkomen te zoeken voor de kantoren van de hypotheken, het kadaster, de controleur van de grondbelasting en de registratie der domeinen. Hiertoe knoopten zij onderhandelingen aan met het echtpaar Buma:
twee voorstellen werden geponeerd waarbij optie A, de afbraak en optie B, het behoud van het huis inhield. Zowel voor de verkopende als de kopende partij was de vraag over het behoud van het huis niet van belang: het draaide om de prijs. Buma wilde voor het gehele complex een ton hebben, de gemeente benaderde deze vraagprijs bij lange na niet. In geval dit bedrag wel op tafel werd gelegd, stelde Buma als enige voorwaarde dat de stenen van het oude poortje, de marmeren gedenkplaat van de eerste steenlegging en enkele wapenstenen behouden zouden blijven. De stenen van het poortgebouw dienden geschonken te worden aan het Friesch Museum. Door de voor de gemeente te hoge vraagprijs werd de kwestie op de lange baan geschoven. Drie jaar later, in 1909, speelde de zaak opnieuw, maar ook toen werden geen knopen doorgehakt.

Ingrijpende veranderingen ten behoeve van de "Algemeene Friesche"

Achterzijde van het Burmaniahuis met tuin en conciergewoning, ca. 1914 Van particulier woonhuis naar een efficiënt kantoorgebouw is een zeer ingrijpende verandering. De grootste verandering onderging de ornamentrijke voorgevel. Hendrik Kramer, onder wiens leiding de omtovering naar kantoor-gebouw plaatsvond, had moeite met de vereenvoudiging, maar ook met de architectuur van Bruns. Hoewel dit laatste misschien een treffend voorbeeld van ’jalousie de métier’ is. Zelf was hij een pure ornamentalist en eens in een interview op hoge leeftijd zei hij dan ook naar aanleiding van het project Burmaniahuis/kantoor:

"Ieder die de gewone timmermanswerkplaats te gering voor zich achtte, noemde zich architect. En sommigen van ’deze architecten’ wisten zich nogal op den voorgrond te dringen. De gevolgen bleven dan ook niet uit. Men denke slechts aan het Burmaniahuis, dat het eenvoudige, maar imposante oude Burmaniahuis, moest vervangen. Toen het later in handen kwam van de AFLM heb ik nog getracht er althans van te maken wat er van te maken was. Zoo heb ik er pramen vol versierselen van pleisterwerk uitgehaald."

De ’commissariskamer’, ca. 1914 De rijk versierde ramen kregen een strakke omlijsting, de versierde kroonlijst werd afgevlakt en de paneelvormige attiek op de dakvoet is verdwenen. Het ornamentrijke fronton heeft plaats moeten maken voor een eenvoudig, zwaar geprofileerd driehoekig fronton. En dit is nog maar een klein voorbeeld van de vereenvoudiging. De vestibule heeft de oorspronkelijke inrichting behouden met het fraaie pleisterwerk en een gedenksteen van de eerste steenlegging, maar de hal die er op volgt is door Kramer in 1914 geheel verbouwd en strak geleed met bekledingen van pijlers en lambrizering met fijn dooraderde marmerplaten. Tevens zijn toen de mozaïek-vloeren voor de twee veranda’s met de inscripties "1844- 1914" en "A. F. L. M." gelegd en een keramische gedenkplaat, vervaardigd door de Porceleyne Fles in Delft met een rooster voor een grote cv-radiator geplaatst. De oorspronkelijke sfeer uit 1874 is nog terug te vinden in de hal op de eerste verdieping waar het stucplafond met koof- en kroonlijst nog compleet is en de deuren de rijke versieringen behouden hebben.

Het 75-jarig jubileum

In 1919, niet lang na de ingebruikname van het Burmaniahuis als kantoor, kon het 75-jarig jubileum van de verzekeringsmaatschappij gevierd worden. Naar aanleiding hiervan werd een monument opgericht met eenvoudige versiering en aan beide zijden bloembakken. Het monument draagt de tekst:
"Ter huldiging van de Algemeen Friesche Levensverzekeringsmaatschappij bij haar 75-jarig jubileum".

Extra archiefruimte

Enkele jaren later, in 1923, vond een kleine ’tussentijdse’ uitbreiding plaats door de constructie van een archiefruimte door H. H. Kramer links naast het Burmaniahuis. Dit archief was van een dermate stevige bouw dat het als schuilkelder diende in de Tweede Wereldoorlog voor het gezin van directeur Oosterhoff.

Verdere verbouwingen en aanpassingen

Het snel expanderende bedrijf had steeds meer ruimte nodig. Hiervoor moest gestadig het oude huis uitgebreid worden met nieuwbouw. Een aanzienlijke uitbreiding vond plaats in de jaren 1933-1935. Al jaren lang was een nijpend ruimtegebrek ontstaan in de kantoor en archiefruimte. De directie besloot dan ook eind 1933 tot een forse uitbreiding, waarvoor een gedeelte van het terrein achter het Burmaniahuis, strekkend tot het Oldehoofster kerkhof, gebruikt werd. Een late opvolger van Kramer en Bruns, de architect Andries Baart Sr. kreeg de opdracht. Helaas moest de woning van de conciërge worden opgeofferd om een goede aansluiting mogelijk te maken.

Het plan van architect Baart

Het plan behelsde de opoffering van veertienhonderd vierkante meter tuin zodat bij eventuele latere uitbreidingen de bebouwing langs het Oldehoofsterkerkhof en de Torenstraat kon worden voortgezet. Het nieuwe gebouw moest een flinke paalfundering krijgen, bestaande uit vierhonderdendertig holle betonpalen. In het midden werd een kelder geconstrueerd als ruimte voor de centrale verwarming. Naast deze ruimte bevond zich een fietsen-kelder.
De nieuwe kantoorruimte was bestemd voor de huisvesting van tenminste honderdtachtig ambtenaren van de afdelingen "algemene zaken, controle, quitanties, boekhouden, wiskunde, winstverdeling en adresso-graph".
Het ontwerp omvatte ook een riante, brandvrije archiefruimte met een oppervlakte van tweehonderdvijfentwintig vierkante meter, een ontwerp voorzag eveneens in de mogelijkheid voor een toekomstige uitbreiding op tweeënhalve meter hoogte door het aanbrengen van roosters. Het geheel werd opgetrokken in gewapend beton. Ook aan het interieur besteedde de architect veel aandacht: gebruik van Groninger cellensteen, linoleum vloeren en lambriseringen (tegen geluidsoverlast), binnenwand-constructie van staal en spiegelglas, stalen ramen, deuren, bureau’s en loketkasten en in de archiefruimten een lichtvoorziening van prisma kristaltegels. Ten behoeve van de interne communicatie legde men een huistelefoonnet en een omroeps-systeem aan. De buitenkant was voorzien van dunne, rode Friese handvorm-steen.
Ook in het bestaande Burmaniahuis werden veranderingen aangebracht:
een tourniquet waardoor men de grote hal betrad, een commissariskamer aan de linkerkant van de hal, waarvan de betimmering en de meubilering ontworpen was door de architect zelf. Ook de kleuren van de stoffering, een witte wandbekleding en zilvergrijze gordijnen, harmonieerden met de blank eikenhouten betimmering. De meubilering was bekleed met donker leer en op de grond lag een handgeknoopt donkerbruin tapijt. Al met al een afgewogen en harmonieus ontwerp.

De inrichting van de tuin

Een gedeelte van de tuin moest worden opgeofferd om de uitbreiding mogelijk te maken. Dit betekende niet dat het overgebleven gedeelte onverzorgd bleef liggen. Tuinarchitect W.J.Verdenius uit Groningen ontwierp de tuininrichting met daarin als centraal punt een tuinmonument bestaande uit een fontein en een beeldhouwwerk van een vrouw met kind. Gerrit J. van der Veen uit Amsterdam ontwierp dit beeld, dat het werk van de levensverzekerings-maatschappij symboliseert.

De zandstenen poortjes in de conciërgewoning

In de nieuwe conciërgewoning werden met behulp van de overblijfselen van de oude zandstenen poortjes uit de voormalige huisbewaarderswoning nieuwe ingangen geconstrueerd, wat een enigszins bizar beeld geeft. De oudste delen van de deuromlijstingen zijn de pilasters, die vermoedelijk uit de late 17e eeuw stammen. De decoraties zijn gevarieerd: geprofileerde basementen waarvan twee voorzien zijn van een kraallijstje, rijk gebeeld-houwde schachten met druivetrossen, blad- en loofwerk en bloemknoppen opgehangen aan een gestrikt lint. Hierop rusten korinthische kapitelen. De jongste delen zijn de sluitingen van de muuropeningen die de vorm hebben van twee naar beneden hangende vissen en een voluutvormige beëindiging hebben. Een schelp vormt de bekroning van het geheel. De datering is moeilijk te geven: vermoedelijk eind vorige eeuw.

De koppen van Johan de Witt en Christiaan Huygens

Andere versieringen waren de aardewerk koppen van Johan de Witt en Christiaan Huygens van beeldhouwer W. J. Valk uit Eelderwolde. Deze terracotta plaquettes dragen de signering "W.Valk" en werden gemetseld in de zuidmuur van de kantooruitbreiding. Beide figuren zijn à trois quarts geportretteerd en hun gelaatstrekken zijn zeer geprononceerd weergegeven. De figuren van Johan de Witt en Christiaan Huygens zijn in relatie te brengen met het werk van een levensverzekeringsmaatschappij. Zowel De Witt als Huygens hebben aan de wieg gestaan van een wetenschappelijke methode voor lijfrenteberekening die in de tweede helft van de zeventiende eeuw in verschillende landen op gang kwam. De Witt zette zijn gedachten in 1671 op schrift in Waerdye van Lijfrenten naar proportie van Los-renten.
Feestelijke aanbieding van de fontein in de tuin, ter gelegenheid van de voltooiing van de uitbreiding, 1935

De ingebruikname

De officiële openstelling van de uitbreiding van het Burmaniahuis vond plaats op 18 mei 1935. Een uitnodigingskaart laat de diverse stadia van het Burmaniahuis zien: het in 1874 afgebroken gebouw, het aangepaste huis in 1914 en de uitbreiding van 1935. In hotel De Nieuwe Doelen luisterde men de opening feestelijk op met een diner bestaande uit verschillende gangen. Het ging goed met de ’Algemeene Friesche’!

Nog méér beeldhouwwerk

Het laatst aangebrachte beeldhouwwerk sprong tot voor kort het meest in het oog. Het betreft twee zandstenen beeldengroepjes, die pal aan de ingang van het Burmaniahuis stonden. Deze beeldengroepjes waren geplaatst op de baksteenpenanten van het toegangshek en zijn meer dan manshoog. Het ontwerp is van Tjipke Visser: de rechter beeldengroep bestaat uit een geknielde werkmansfiguur met een spade in de handen, omringd door een jongen en een hond. In de baksteenpenant is een plaquette aangebracht met de tekst:

"aangeboden bij het 100-jarig bestaan van de Algemeene Friesche Levensverzek. mij. door den Binnen- en Buitendienst 1 oktober 1944’

Aan de linkerzijde is een zittende vrouwenfiguur weergegeven die een baby de borst geeft, omringd door een jongen, een meisje en een schaap. In de baksteenpenant zijn kleine plaquettes aangebracht met onder meer wapens en een pelikaan met jongen. Dit laatste is het symbool van de opofferingsgezindheid. De beelden symboliseren samen het gezin, de hoeksteen van de samenleving, het belangrijkste object van de levensverzekeringsmaatschappij.
De beide beelden zijn gesigneerd "Tjipke Visser". Een tweede beeldengroep met een kleine variatie op hetzelfde thema werd door de beroepsagenten eveneens ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan aangeboden. De beelden stellen voor een vrouw met de handen in elkaar geslagen voor de buik, een naakt jongetje voor zich en een man die het handje vasthoudt van een klein, netjes gekleed meisje met een bosje bloemen. Hoewel het jubileum in 1944 plaatsvond werd het gevierd in 1946.

Het verhaal gaat door "vlak aan de voet van d’Oldehove"

De groei van het bedrijf noopte in 1952 tot een volgende flinke expansie.
Aan het gedeelte dat in 1934 aangebouwd was, werd een extra verdieping toegevoegd met een recreatiezaal en een biljartkamer. De totale omvang van de uitbreiding bedroeg vijfentwintig duizend kubieke meter. Met de uitbreiding reikte het kantoor nu van de Nieuwestad tot aan het Oldehoofsterkerkhof.
Dezelfde architect die in 1934 de grote uitbreiding gerealiseerd had, A.Baart was verantwoordelijk voor ontwerp en uitvoer van de uitbreiding.
Op 23 en 24 april 1954 werd de nieuwbouw feestelijk in gebruik genomen met een programma dat het feest van twintig jaar geleden nog overtrof. Dit feest, dat twee dagen duurde, werd ondermeer bezocht door de toenmalige minister van financiën J. A. van de Kieft, Mr. P. A. V. baron van Harinxma thoe Slooten, Mr. dr. J. van Bruggen, president van de raad van commissarissen, de commissaris van de koningin Mr. H. P. Linthorst Homan en de burgemeester van Leeuwarden Mr. A. A. M. van der Meulen, was helemaal compleet met een maaltijd in Zalen Schaaf, een feestvoorstelling, een tentoonstelling, een bal met medewerking van het dansorkest ’De Amalfi’s" en natuurlijk een feestlied:

"Vlak aan de voet van d’Oldehove
Groeit gestaag een prachtbedrijf;
Het houdt beslist met zijn garanties
Voor menigeen de zorg van ’t lijf."

Ter ere van de nieuwbouw

Het personeel had aan Cor Reisma de opdracht gegeven een wandschildering te maken voor de nieuwe recreatiezaal. De kunstenaar maakte een schildering van de dierenriem rond een klok als symbolische weergave van tijd en eeuwigheid. Ook het agentencorps koos voor een kunstwerk: de inmiddels in deze kringen al bekende Willem Valk werd gevraagd een gedenksteen te vervaardigen, waarin de zekerheid van de maatschappij te midden van de storm van de tijd werd verzinnebeeld. Een derde initiatief kwam van een groep topfunctionarissen die voor de hal een gebrandschilderd raam aanbood, ontworpen door het atelier Bogtman in Haarlem. Voor de recreatiezaal leverde de personeelsvereniging een complete geluidsinstallatie. Het grootste cadeau voor de maatschappij was echter het feit dat het verzekerd kapitaal van de levensverzekeringsmaatschappij het bedrag van 1 miljard gulden bereikt had!
1963: het ruimtegebrek wordt nu wel heel nijpend In 1963 moeten echt noodsprongen genomen worden om het expanderende bedrijf te laten functioneren. De binnentuin, waarvan zo langzamerhand niet veel meer over was, werd volgezet met houten noodgebouwen, waarvan de eerste exemplaren al enkele jaren eerder, in 1959 neergezet waren. Verder ging de directie over tot aankoop van panden in de directe omgeving. Men brak de aangekochte panden af en zette nieuwe kantoorgebouwen daarvoor in de plaats.

Tien jaar later: herhaling onder protest

Vanaf 1967 eiste de informatisering en automatisering van het kantoorbedrijf ruimte in de vorm van een computercentrum. Eind zestiger jaren was men al begonnen met het bouwen van extra vleugels aan het Oldehoofsterkerkhof en achter de Kleine Kerkstraat. Voor het nieuwe computercentrum had men echter meer ruimte nodig. Daartoe kocht de AGO enkele panden aan de oostelijke zijde van de Torenstraat aan, met de bedoeling deze te slopen en daarvoor in de plaats een nieuw modern computercentrum neer te zetten. Het verlenen van de bouwvergunning aan de AGO door de Gemeenteraad verliep niet zonder problemen. Het kwam zelfs tot een ongebruikelijke stemming in de raad over een motie naar aanleiding van de vergunningverlening tegen het advies van de commissie ruimtelijke ordening in. De wethouders die het niet eens waren met deze gang van zaken verlieten en bloc de vergadering. De uitslag was een afkeuring door de raad van het beleid van burgemeester en wethouders inzake de Torenstraat met achttien tegen veertien stemmen.
De laking van het B. en W. beleid werd ondersteund door protestbrieven van de bond Heemschut, de werkgroep ’Binnenstad’ van de partijen de PVDA, PPR, AXIES en D’66 en inwoners van Leeuwarden. Deze acties mochten niets uithalen, maar precies op de dag waarop de sloop zou moeten beginnen ’s nachts om twaalf uur, startte de actiegroep ’Kloppend Hart’ in Leeuwarden met een kraakactie die de gemoederen danig in beweging zou brengen. In een pamflet uitten de activisten kritiek op de afbraak van dit oude stukje Leeuwarden aan de voet van de Oldehove en op de zich almaar uitbreidende kantoormolog van de AGO. Zeventig mensen deden mee aan de kraakactie, maar ondanks de grote deelname mislukte het protest en kon de politie met de wapenstok de panden ontruimen. De sloop ging gewoon door en het computercentrum is er gekomen. Het appèl aan de Rijksdienst voor de Monumentenzorg om de Torenstraat aan te wijzen als beschermd stadsgezicht kwam te laat.
Van de hand van Piter J. de Groot verscheen in de Fryske Skriuwerskalinder van 1975 het volgende gedicht:

"By de útwreiding fan de AGO
It oarlochs-ach-en-wé
fan in himmel alkoofke
yn de Wite Kousebuert
nei fiifentweintich jier
toboppen yn it húske himmelheech
eilings en to’n lesten
regeare myn skoalfreontsjes
yn in niemaelklearen crapaud
harren lúukse wrald
en litte it bigreatsjen
om de Wite Kousebuert
oan dy ’t it witte kinne
sij net
it bigreate harren
al to lang."

Definitieve beslissing

In 1973 was toch zo langzamerhand wel een einde gekomen aan de uitbreidingsmogelijkheden in en rondom het Burmaniahuiscomplex. Niet alleen het oude complex zelf was geheel in bezit genomen door kantoorruimten, ook de naaste omgeving werd geoccupeerd. Dit was een ontwikkeling die niet geheel in overeenstemming was met de moderne en efficiënte bedrijfsvoering van de AGO en de ideeën omtrent het leefbaar maken van de binnenstad. In 1980 had men nog, na de pensionering van conciërge Carolus, de woning stilletjes aan de kantoorruimtes toegevoegd, maar veel soulaas had dit toch niet gebracht.
De directie besloot dan ook om het Burmaniahuis te verlaten en uit te zien naar nieuwe vestigingsmogelijkheden voor het verzekeringskantoor. Het oog viel op het oude veemarktterrein. Inmiddels is daar een prachtig nieuw kantoorgebouw opgetrokken: de Leeuwenborg. In maart 1987 werden de koop- en verkoopkontracten van het Veemarktterrein en het Burmaniahuis getekend.
Toen de verzekeringsmaatschappij, inmiddels getooid met de naam AEGON, na een respectabele periode van vijfenzeventig jaar het Burmaniahuiscomplex verliet, werd de gemeente Leeuwarden de nieuwe eigenaar.

Nieuw doel gezocht

De gemeente trachtte aanvankelijk het Burmaniahuis te verkopen of te verhuren en liet hiertoe een speciale vekoopbrochure maken in 1987. Het duurde echter lang voordat er reacties kwamen van mogelijke geïnteresseerden.
De HEAO overwoog even haar opleiding onder te brengen in het huis.
Vanwege het uitblijven van serieuze kopers of huurders besloot de gemeente het complex vanaf 1989 enkele jaren dienst te laten doen als asielzoekers-centrum, totdat de bewoners het nieuwe centrum in Lekkumerend in 1991 zouden betrekken. Het geschikt maken van het Burmaniahuis als opvangcentrum voor tweehonderdvijfenzeventig personen bracht nogal wat kosten met zich mee, ruim zes ton, maar daar stond weer tegenover dat het drieëndertig banen opleverde. In datzelfde jaar werd de beslissing genomen dat in de directe toekomst het Burmaniahuiscomplex dienst zal gaan doen, na ingrij-pende nieuwbouw, als nieuw stadskantoor. De bouw van het nieuwe kantoor raamde men op drieëndertig miljoen gulden en de financiële haalbaarheid bekeek men zeer kritisch. Niet iedereen stond positief tegenover het plan: in de gemeenteraadsvergadering stemden PAL en de VVD tegen, maar de vereiste meerderheid haalde men desalniettemin wel. En zo kon overgegaan worden tot het ontwerpen en bouwen van het nieuwe stadskantoor.

Hoofdstuk vijf

Het Burmaniahuis: hart van het nieuwe stadskantoor

Van decentraal naar centraal

Sinds 1851, het jaar waarin de gemeentewet van Thorbecke officieel van kracht werd, is tot begin van de jaren tachtig het gemeentelijk apparaat sterk gegroeid. Niet alleen in kwantitatief opzicht: het aantal ambtenaren en het aantal taken, maar ook in kwalitatief opzicht: het aspiratieniveau van de uitvoering van de taken. Deze ontwikkelingen hebben natuurlijk gevolgen gehad voor de organisatie en de huisvesting van de ambtelijke diensten. Het Leeuwarder gemeentelijk apparaat dat van oudsher gekenmerkt wordt door ruimtelijke decentralisatie gaat met de ingebruikname van het nieuwe stadskantoor een nieuwe periode in: een periode van centralisatie en concentratie. Deze tendens is niet uniek voor Leeuwarden, al was in deze gemeente de huisvesting wel héél decentraal van karakter. De algemene politiek van bezuinigen, herwaarderen, concentratie op de kerntaken, de zich-terugtrekkende-overheid en inkrimping van het ambtelijk apparaat zowel op rijks- als op lokaal niveau is hieraan gedeeltelijk debet. Een grote reorganisatie in 1990 luidde het begin van deze ontwikkeling in waarbij in prachtige termen gesproken werd van herstructurering van het gemeentelijk apparaat. Het uitvoeren van kerntaken op een zo efficiënt mogelijke manier is goed te combineren met een centralisatie van de overgebleven ambtelijke diensten in een stadskantoor.

De diensten in het nieuwe stadskantoor

Naar het nieuwe stadskantoor verhuizen in ieder geval de vijf diensten: de dienst Bestuurszaken, de dienst Welzijn, de dienst Economische en Sociale Zaken, de dienst Stadsontwikkeling en Milieu en de dienst Stadsbeheer.
Naast deze diensten is ook een facilitair bedrijf werkzaam, dat in feite de taken van de diverse afdelingen Interne/Algemene Zaken van de vijf dienst overneemt.

De diensten buiten het Burmaniahuis

De drie ’instituten’: keramiekmuseum het Princessehof, het Gemeentelijk Muziekinstituut en het Gemeentearchief en de ’buitendiensten’ zullen blijven waar zij nu gehuisvest zijn. Het Woningbedrijf, in de naaste toekomst samen te gaan met de particuliere stichting St.Joseph, staat op de nominatie om te privatiseren; de Brandweer werkt in een breder regiover-band; de Gemeentepolitie, vanaf 1994 ondergebracht in een regionale dienst, krijgt een andere status en de dienst Sociale Werkvoorziening zal ook gaan verzelfstandigen.

Middelpunt en middelpunt

Al eerder was de statige woning van Hopperus Buma het middelpunt van een groot complex, namelijk van het AEGON-complex. Nu lijkt de geschiedenis zich te herhalen en wordt het huis het middelpunt van het gemeentelijk ambtelijk apparaat, het stadskantoor. Er is echter een groot verschil: was de uitbreiding van het AEGON-complex stapsgewijs en ingegeven door schrijnend ruimtegebrek, de bouw van het nieuwe stadskantoor rondom het Burmania-huis is weloverwogen en als een geheel ontworpen, gebouwd en uiteindelijk in gebruik genomen. Een verschil dat eigenlijk verder niet hoeft te worden uitgelegd.

Het ontwerp: teruggeven van het complex aan de binnenstad

De verantwoordelijke architecte voor het ontwerp van het stadskantoor is ir. Jeanne Dekkers, werkzaam bij het architectenbureau EGM architecten bv. in Dordrecht.
Zij was de winnares van een prijsvraag voor het beste ontwerp voor het Leeuwardense stadskantoor. Samen met vier andere collega’s had zij meegedongen naar de verkrijging van de opdracht. De uitgangspunten van het winnende ontwerp waren de kennismaking van de architecte zelf met de vriendelijke sfeer in Leeuwarden, typerend voor een plaats tussen dorp en stad in:

"Mensen groeten elkaar. Wij werden soms ook begroet."

Ontwerp voor het Stadskantoor door ir. Jeanne Dekkers, 1990


Ook het gegeven dat de binnenstad niet helemaal volgebouwd is, maar nog ruimtelijk werkt en de kleurstellingen in de stad heel vriendelijk zijn, met kleuren zoals geel, roomwit en oranje, is een sterke inspiratie voor het definitieve ontwerp geweest. De drijfveer was de idee het nieuwe complex ’terug te geven aan de binnenstad’. Dit teruggeven betekent letterlijk dat ook niet-ambtenaren middels een looproute door het huidige Burmaniahuis makkelijk de stadstuin van dertig bij dertig meter kunnen bezoeken. Deze tuin vormt samen met de stadshal de verbinding tussen de verschillende onderdelen.

Vier onderdelen

De architectuur bestaat in feite uit vier hoofdelementen: het Burmaniahuis, het gekromde bouwdeel langs de Torenstraat, de stadshal en een vierkant bouwblok op het terrein zelf, die los-vast met elkaar verbonden zijn waardoor licht en ruimte vrij spel hebben. Dit teruggeven aan de stad is niet alleen ingegeven door omgevingsfactoren en sfeer, maar ook door de functie van het stadskantoor als dienstverlenend bedrijf. Het stadskantoor moet zich voegen in de stad en tegelijkertijd als instelling een geheel blijven.

De functie van het Burmaniahuis in het nieuwe stadskantoor

Het Burmaniahuis na afbraak van alle omringende aanbouwsels, 1992Het Burmaniahuis vormt de entree van het stadskantoor aan de Nieuwestad. De zelfstandigheid blijft gehandhaafd, maar de luifel en de toegang zijn enigszins aangepast. Op de begane grond vormt het huis gedeeltelijk een geheel met de achterliggende stadshal: precies op deze overgang staat de receptiebalie. Op de eerste verdieping zijn vergaderruimten en representatieve kantoren ingericht. De maatvoering en richting van het Burmaniahuis gevat in een maatraster blijkt 18 bij 18 meter te zijn. Wanneer men dit uitzet op de omgeving dan blijkt de Oldehove bijvoorbeeld eveneens in dit raster te vallen, waardoor de maatvoering van het totale ontwerp zowel de oude als de nieuwe elementen omvat.

De overige delen van het ontwerp: de kromming

Het gekromde bouwblok bestaat uit vier lagen en een terugliggende dakver-dieping met gepleisterde gevels in een bruine tint. De gevel aan de Torenstraat is vertikaal geleed met uitstekende erkers. De kant die aan de zijde van het Burmaniahuis ligt, is zodanig geconstrueerd dat het oude gebouw goed zichtbaar blijft. Een glazen bouwstenen trap fungeert als herkenningspunt in de binnenstad. Aan de andere zijde van dit deel ligt de ingang aan het Oldehoofsterkerkhof met de toren als kopelement. Het Burmaniahuis is door middel van loopbruggen verbonden met dit onderdeel en met het carré.

Het vierkante blok

Dit carré heeft een open binnenplaats zodat vanuit de omringende werkvertrekken de tuin en het terras gezien kunnen worden. De glazen opzet van het gebouw vormt een goed samenspel met de omgeving aan de binnenkant van het complex. De gepleisterde gevels hebben een oranje-okerkleurige tint meegekregen.

De stadshal

Een centrale plaats is de overdekte buitenruimte, de stadshal. Die drie verdiepingen hoog is en overdekt met een glaskap. De hal vormt de verbinding tussen de verschillende onderdelen van het complex en tussen de ingang aan het Oldehoofsterkerkhof en aan de Nieuwestad door middel van loopbruggen, die zijn geplaatst aan de randen van de hal.

De relatie met de omgeving

Het Oldehoofsterkerkhof is een begrenzing van het complex. Het plein zelf is echter onduidelijk begrensd, waardoor de afbakening duidelijker moet worden door middel van een ommuring en een dubbele bomenrij. Het aldus afgebakende terrein zal verder ingericht worden met parkeerplaatsen, groen en objecten en aan de zuidzijde geschikte ruimten voor verpozing. Langs de Burmaniastraat wordt de begrenzing met de stadstuin weggelaten, zodat dit een onderdeel van het aangrenzende gebied wordt. Het Burmaniahuis en de ingang aan de Nieuwestad worden gekenmerkt door de aanwezigheid van een koffieruimte en een terras buiten. De Torenstraat wordt ruimtelijk afgesloten door de scheve toren. Een indrukwekkender relatie tussen het oude Leeuwarden en het zich steeds maar vernieuwende Leeuwarden is niet denkbaar.
Zoals wethouder Timmermans tijdens de opening van de Open Monumentendag 1993 opmerkte, is de gemeente niet alleen verantwoordelijk voor het in stand houden van ’oude’ monumenten maar ook voor het oprichten van ’nieuwe’ monumenten. 

Notenapparaat met vermelding van literatuur en bronnen

Hoofdstuk 1 Het Burmaniahuis: het verhaal van Oldehove in het kort

  1. Waterbolk,H.T, ’Van Rendierjagers tot Terpbewoners’, hoofdstuk 1,in Geschiedenis van Friesland onder redactie van
    J.J.Kalma, J.J.Spahr van der Hoek en K.de Vries,
    Drachten 1968. N.B.Het verhaal over de pre-historie is vooral gebaseerd op deze publicatie.
  2. Schuur, J.R.G., Leeuwarden vóór 1435. Een poging tot reconstructie van de oudste stadsgeschiedenis, Zutphen 1979, p.25-59.
  3. Halbertsma, H., ’Leeuwarden’ in Bulletin van de Nederlands Oudheidkundige Bond, 67, p.114-115. Overgenomen door W.A. van Es en M.Miedema, ’Leeuwarden, small terp under the Oldehove cemetery’, in Berichten van de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderonderzoek, jaargang 20-21, 1970- 1971, p.89-117.
  4. Langen, G.J. de, Middeleeuws Friesland. De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle Middeleeuwen, Groningen 1992, p.197 e.v. N.B. De gegevens voor het verdere verhaal van hoofdstuk 1 zijn vooral aan dit werk ontleend.

Hoofdstuk 2 Het Burmaniahuis: het verhaal van enkele bewoners

  1. Winsemius, P., Chronique ofte Historische Geschiedenis van Vrieslant..., Franeker 1622, p.143. GAL, Stedelijke Bibliotheek 188.
  2. Voor de genealogie van Burmania is gebruik gemaakt van ondermeer:
    1. Burmania, Upco van, Tractatus de Nobilitate of Burmaniaboek, 1589, handschrift in RAF, Archief Vegelin van Claerbergen, 323, inv. nr. 1323 B en de bewerking van F.Heemstra uit de eerste helft van de 18e eeuw, idem, inv.nr. 1323 C;
    2. Burmania, Eduard Marius van, Het Familieregister Burmania, handschrift in GAL, Archief Burmania, inv.nr. 121;
    3. Ferwerda, A., Adelijk en aanzienlijk wapenboek, Leeuwarden 1760, p.21-26 in GAL, Stedelijke Bibliotheek H37;
    4. Haan Hettema, M.de, en A.van Halmael jr., Stamboek van den Frieschen, vroegere en latere adel, Leeuwarden 1846, p.57-61 idem I16.
    5. Beelaerts van Blokland, M.A., ’Burmania’ in De Nederlandsche Leeuw, maandblad van het Koninklijk Nederlandsch Genootschap voor Geslacht- en Wapenkunde, jaargang CVII, nov./dec 1990, p.419-442: Dit artikel, postuum verschenen, is geschreven op basis van onderzoekin-gen in de jaren dertig;
    6. Mol, J.A. en P.N.Noomen, Prekadastrale Atlas fan Fryslan, deel 4, ’Frjentsjerteradiel en Frjentsjer’, Fryske Akademy, Ljouwert 1990, p.20 e.v.;
  3. Over de relaties tussen de St. Vitus en de Burmania’s: Halbertsma, H., ’De Burmaniastins’ in Imago, jaargang 1 nr.7, maart 1970, p.3-20; Beelaerts van Blokland, idem 6; Verwijs, E., De abdij van Corvey en de kerk van Leeuwarden, 1864, p.62. e.v.; Buitenen, M.P. van, St.Vitus van Oldehove. Episoden uit de strijd van Leeuwardens kerk 1146-1580, Utrecht 1950.
  4. De Vrije Fries, jaargang XVIII, 1895, p.286/ afb.III.
  5. Jancko Douwama’s geschriften; Boeck der Partijen, Articulen van Foerantvording, Instructie an sijn Wijff, Tractaet fan sijner Rekenscop, Handel sedert 1520. In IV Quartieren verschenen in de reeks Werken uitgegeven door het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en taalkunde, Leeuwarden 1849, p.505-507.
  6. RAF, Register van den Aanbreng uit 1511, dit register is het oudste kohier van de heffingen van de floreenrente of grondbelasting; de daaropvolgende kohieren lopen pas weer vanaf 1700. In het citaat worden de bedragen weggelaten en wordt volstaan met de vermelding van de bezittingen.
  7. GAL, Archief Burmania, inv.nr.8.
  8. GAL, Archief Burmania, inv.nr.1.
  9. Formsma, W.J., R.A. Luitjens-Dijkveld Stol en A.Pathuis, De Ommelander Borgen en Steenhuizen, Assen 1973, p.144 e.v. N.B. in Grijpskerk is op het goed Reitsema een Burmaniastede bekend.
  10. GAL, Archief Burmania, inv.nr.22, p.3.
  11. GAL, Notarieel protocol Nicolaes Cleuting, nr.260, p.504- 505.
  12. Hartgerink-Koomans, M., Het geslacht Ewsum, geschiedenis van een jonkersfamilie uit de Ommelanden in de 15e en 16e eeuw, Groningen 1938, p.195 e.v. N.B. de gegevens over Anna van Burmania en Joost van Ewsum en over Rienck van Burmania, drost van Coevorden, zijn grotendeels ontleend aan dit boek.
  13. GAL, Archief Burmania, inv.nr.15.
  14. GAL, Archief Burmania, inv.nr.23.
  15. GAL, Archief Burmania, inv.nr.19. N.B. deze Adda was een dochter van Claes van Burmania, de tweede zoon van Joost en Baef.
  16. GAL, Archief van Burmania, inv.nr.16.
  17. GAL, Oud-rechterlijk archief EE3, p.154.
  18. RAF, B1714, geldt eveneen voor citaat codicil.
  19. RAF, Floreenkohieren van 1700, 1728, 1758 en 1798.
  20. Schroor, M., "De laat-middeleeuwse namen van de klokslag van Leeuwarden", in It Beaken nr.53, p.187-188.
  21. Burmania, E.M. van, Frisia Nobilis, of lijk- en graf- sampt mengelgedichten enz op diverse Friesche edelen, Leeuwarden 1755, p.304.
  22. RAF, Reëelkohieren over de jaren 1716, 1721, 1722, 1723, 1725, 1730, 1733, 1737, 1740, 1743, 1745, 1747, 1748, 1749, 1750, 1751, 1752, 1753, 1755, 1757, 1758, 1760, 1763, 1764, 1765, 1766, 1767, 1768, 1769, 1770, 1771, 1772, 1773, 1774, 1775, 1776, 1777, 1780, 1781, 1782, 1783, 1785, 1789, 1791, 1792, 1794 en 1795. RAF, Personele Quotisatie van 1749. N.B. het perceel is bekend in het kadaster onder nummer C785.
  23. Heeckeren, J.A.F.L. van, ’De weduwe van Onno Zwier van Haren’, in De Gids, 1875, III, p.493-540.
  24. Eekhoff, W., Friesland in 1813; historische bijzonderheden omtrent hetgeen vóór en tijdens de verlossing en herstelling van Nederland van 1810 tot 1815 in Friesland en inzonderheid te Leeuwarden is voorgevallen, Leeuwarden 1863, p.8-9.
  25. GAL, Algemeen Secretarie Archief 1811-1851, besluiten van de raad 1820.
  26. Kuiper, Y., Adel in Friesland, Groningen 1993, p.298, 209 en 339. De overige informatie over Aebinga van Humalda is ontleend aan de Leeuwarder Courant van 17 februari 1934. N.B. aan deze dissertatie zijn ook de gegevens ontleend over Idzerd Aebinga van Humalda c.s. en Idzerd Frans van Eysinga c.s., en wel de pagina’s 3, 5, 6, 93, 162 en 298.
  27. Berg, Herma . van den, Noordelijk Oostergo, Ferwerderadeel, De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, 's-Gravenhage 1981, p.167.
  28. GAL, Archief van de directeur van gemeentewerken, inv.nr. 292. Het citaat is eveneens uit dit dossier afkomstig en de betreffende passage in hoofdstuk vier is ook gebaseerd op deze bron.
  29. Efdée, R., Leeuwenborg, over mensen en bouwen, Aegonverzekeringen/’s Gravenhage 1990. In hoofdstuk 5 wordt vooral aandacht geschonken aan bouwaktiviteiten van deze maatschappij rondom het Burmaniahuis.

Hoofdstuk drie Het Burmaniahuis: symbool van onderdrukking en verzet

    34. Wijbenga, P. Bezettingstijd in Friesland III; Het laatste bedrijf, Leeuwarden 1978, p. 318-319. Andere citaiten en gegevens uit dit boek: het eerste citaat p.319, een globale indruk vande berichten p.320 e.v., de vlucht van de SD p.322, e.v. en het archief van de CPN in Huizum p.326.
    35. Verzetsmuseum, dossier Bultsma, rapport van E.Bultsma, maart 1947, p.16.
    36. Silvas, T.da, en D.Stam, Sporen van de oorlog. Ooggetuigen over plaatsen in Nederland, 1940 -1945, Anne Frankstichting/Amsterdam 1989, p.44.

Hoofdstuk vier Het Burmaniahuis: het verhaal van de bouw  

    37. Prins, D.J., ’"Het Burmaniahuis is een prestedelijk relict", gesprek met Alexander Jager’ in Kort Bestek, 21e jaargang, nr.1, jan.1993, p.21-25 en A.Jager, ’Middeleeuwse muurresten van het Burmaniahuis’ in idem, nr.4, april 1993, p.12-13.
    38. Meijer, M., Adelshuizen in Leeuwarden; een ruimtelijk historische studie naar de verschijningsvorm van adelshuizen en naar de stedebouwkundige aspekten van het partikuliere ’grootgrondbezit’ binnen de wallen, Scriptie, september 1980, p.25-30. N.B.De opmerkingen over de stedebouwkundige aspecten van het gebied rondom het Burmaniahuis zijn voornamelijk ontleend aan deze scriptie.
    39. GAL, topografisch historische atlas, nr. D20.
    40. GAL, topografisch historische atlas, nr. D24.
    41. GAL, topografisch historische atlas, nr. D26.
    42. GAL, topografisch historische atlas, nr. D29.
    43. GAL, topografisch historische atlas, nr. D51.
    44. GAL, topografisch historische atlas, nr. D52.
    45. GAL, topografisch historische atlas, nr. D262.
    46. GAL, Archief Burmania, inv.nr.35. Na doorlezing van het manuscript heeft Marten Meijer een kritische kanttekening bij deze paragraaf geplaatst, met de opmerking dat enkele posten van de rekening, namelijk de posten 2 t/m 10 misschien kunnen slaan op het huis dat in de plaats van de Burmaniapoort geplaatst is. Deze poort en later dus het huis zou gelegen hebben aan de Nieuwestad bij de Burmaniastraat en zou vereenzelvigd moeten worden met de Burmania Zuiderpoort of Blauwe Poort . Dit huis werd in 1727 door Sjuck Tjaard aan derden verkocht met de aanduiding ’voerende de Burmania poort in de gevel’. (Groot Consentboeken ee 34, f. 139)
    47. GAL, Archief Burmania, inv.nr.119.
    48. GAL, topografisch historische atlas, nr.D287, de prent is getekend door N.Baur in 1788 en gemaakt door Le Campion, gedrukt in Amsterdam door Jos.Buffa et Comp. en in Parijs door Ambresonne.
    49. RAF, Notariele Archieven, inv.nr. 83002, not.Weidema.
    50. Fries Museum, topografisch historische atlas nr.31-52.
    51. GAL, topografisch historische atlas, nr.D263, Fries Museum, topografisch historische atlas nr. 57-2 en 57-4.
    52. Museum het Princessehof, tentoonstelling Friese platen, schilderijen in faience, 16-11-1989 tot 14-1-1990. Bijbehorende tentoonstellingscatalogus p. 28.
    53. GAL, top.hist.atlas D.IX.95.
    54. GAL, Archief van het Kadaster 1832.
    55. Karstkarel, P., Leeuwarder Courant, 21-3-1986.
    56. GAL, Archief Gemeentewerken, ingekomen stukken 1873, rub.3, nr.634; uitgegane stukken 1874, rub.3, nr.85.
    57. GAL, Archief Secretarie, 1875.
    58. Bureau Monumentenzorg, dossier Burmaniahuis. Alle gegevens over de versierselen in en om het Burmaniahuis zijn ontleend aan dit dossier.
    59. GAL, Archief Secretarie 1897.
    60. Valk, L., ’700 jaar bouwen in Leeuwarden’, in Huis aan Huis, 8-2-1989.
    61. Friesch Dagblad, 22 februari 1972
    62. Dossier Torenstraat/AGO van H. ten Hoeve.

Hoofdstuk vijf Het Burmaniahuis: hart van het nieuwe stadskantoor

    63. Dekkers,J. e.a., Presentatie ontwerp stadskantoor, Dordrecht 1990.
    64. Informatief, 16 november 1990, p.2.

Gebruikte afkortingen

FM           Fries Museum
GAL         Gemeentearchief Leeuwarden
Part. Coll. Particuliere Collectie
RAF         Rijksarchief Friesland
RUG         Rijks Universiteit Groningen
VMF         Verzetsmuseum Friesland

Terug