‘Een pedante kerel, overigens zeer geschikt’


De stadsarchivaris Wopke Eekhoff (1809-1880) en het Fries Genootschap

Jan Folkerts

Wopke Eekhoff (1809-1880)De Leeuwarder stadsarchivaris Wopke Eekhoff, meer dan veertig jaar prominent lid van het Fries Genootschap, was zelfs honderd jaar na zijn dood nog een figuur die heel uiteenlopende reacties losmaakte. Zijn alomtegenwoordigheid in het Leeuwarder historische leven van een groot deel van de negentiende eeuw had hem al tijdens zijn leven niet alleen vrienden opgeleverd.
Na de (enige) biografie van Eekhoff van 1980, door C.P. Hoekema , lijkt de belangstelling voor Nederlands eerste stadsarchivaris wat verflauwd; het wachten is nu op de dissertatie van Goffe Jensma, die naar verwachting zal aantonen dat de uit de hand gelopen practical joke van het Oera Linda Bok uit de jaren 1870, onder meer bedoeld was om Eekhoff te foppen.
In dit artikel wordt getracht wat nader tot Eekhoff, en dan vooral tot zijn rol in het Fries Genootschap, te komen. Wat was de kern van Eekhoffs verdienste en wat was de kern van de kritiek op deze self-made historicus?

Eekhoff als ‘model-archivaris’

Er moet toch iets bijzonders aan de hand geweest zijn met Eekhoff als nog in 1967 de toenmalige rijksarchivaris in Friesland, S.J. Fockema Andreae, zich geroepen voelt om in een kort artikel met malicieuze ondertoon Eekhoffs kwaliteiten als archivaris ter discussie te stellen. De archivistische relevantie van deze kritiek was immers nihil. Het was weinig opmerkelijk dat Eekhoff in zijn functie van stadsarchivaris bij de ontsluiting van het stadsarchief vooral belangstelling had voor losse stukken, niet voor de series. Dat gold namelijk voor nagenoeg alle archivarissen van zijn tijd. Dat Eekhoff nog niet kon profiteren van de wetenschappelijke grondslag waarop het fameuze driemanschap van Muller, Feith en Fruin in 1898 de archivistiek zou baseren valt hem al evenmin te verwijten. De bekende Handleiding van de drie dateert immers van bijna twintig jaar na Eekhoffs dood. Toch is dat precies de kern van Fockema’s kritiek.
Interessanter is waarom een Friese archivaris nog in 1967 in een korte bijdrage van nog geen twee pagina’s maar liefst drie insinuerende opmerkingen maakt. De eerste opmerking betreft een citaat uit Henry Havard’s Voyage aux villes mortes du Zuiderzee. Eekhoff wordt daarin een model-archivaris genoemd. Hij had volgens Havard in zijn eentje meer gedaan voor de geschiedenis van Friesland dan al zijn voorgangers bij elkaar. Fockema Andreae schrijft dat Havard dit wel niet zelf bedacht zal hebben, met andere woorden dat dit uit de koker van Eekhoff zelf komt. Ook had hij aan Havard bijgebracht dat hij de enige archivaris van Friesland zou zijn. Bewijzen worden voor deze veronderstellingen niet aangedragen, ze zijn ook in het boek van Havard niet te vinden. Dat Havards boek de verstandhouding tussen Eekhoff en diens provinciale collega Jacob van Leeuwen niet verbeterd heeft, lijkt meer hout te snijden, jalousie de métier was immers ook in de negentiende eeuw geen onbekend verschijnsel.
Fockema Andreae vestigt verder de aandacht op de merkwaardige blauwkleurige blikken archiefdozen waarin verschillende van de door Eekhoff bewerkte archieven waren verpakt. Zij waren in 1967 nog te vinden in het archief van de gemeente Tytsjerksteradiel in Burgum. Deze archiefdozen zal men wel bij Eekhoff (die immers ook boekhandelaar was) hebben kunnen kopen, zo veronderstelt Fockema, daarbij suggererend dat Eekhoff vooral aan zijn eigen zakelijke belang dacht.
Laten we eens kijken naar wat ten grondslag kan hebben gelegen aan deze opmerkelijke karaktermoord, ruim tachtig jaar na dato. Waarom irriteerde Eekhoff sommigen zo mateloos, terwijl hij anderen juist weer bewondering afdwong?
Daarvoor allereerst nog even terug naar het boek van Havard, dat gebaseerd is op diens reis door Friesland in de zomer van 1874, het tijdstip waarop Eekhoff wel op het toppunt stond van zijn invloed in Leeuwarden. De beschrijving van Havards bezoek aan ‘het heiligdom van den eerbiedwaarden heer Eekhoff’ is inderdaad ongemeen gunstig voor de stadsarchivaris. ‘Het was den heer Eekhoff niet genoeg alleen als model-argivaris op te treden; door zijne ervarenheid in het rangschikken der kostbare oorkonden, welke zich onder zijne handen bevonden, is het hem mogen gelukken het verleden van zijn geliefd geboorteland te ontwarren en eenmaal zoover gekomen, heeft hij zich doen kennen als de moderne geschiedschrijver van het oude Friesland’ . Zo’n positieve waardering, en dan nog wel uit buitenlandse bron, het moet Eekhoff toch minstens enige voldoening hebben gegeven toen hij deze passage onder ogen kreeg.

Eekhoff en de archiefwereld

Hoewel Eekhoff ongetwijfeld een deel van zijn gezag en status ontleende aan het feit dat hij in 1838 door het stedelijk bestuur van Leeuwarden benoemd was tot Nederlands eerste bezoldigde stadsarchivaris, zal hij zich zelf vooral toch ook vooral opgevat hebben als historicus, of anders gezegd, het nu zo gebruikelijke onderscheid tussen deze kwaliteiten heeft hij vermoedelijk zelf veel minder gevoeld. Wie in de uitgebreide brievenverzameling van Eekhoff nagaat wie nu zijn voornaamste correspondenten waren komt tot de interessante constatering dat onder de twintig personen met wie hij het meeste schreef zich niet één archivaris bevond. Toch had dit gemakkelijk anders kunnen zijn: weliswaar was Eekhoff de eerste Nederlandse gemeentearchivaris, hij werd al gauw door anderen gevolgd en na het midden van de eeuw zijn er vrijwel overal ook provinciale archivarissen, de voorgangers van de latere rijksarchivarissen in de provincie.
De archivarissen in den lande maakten wel een steeds belangrijker deel uit van het netwerk van correspondenten van het Fries Genootschap. De belangrijksten van Eekhoffs collega’s werden gaandeweg allen tot buitengewoon lid van het Genootschap benoemd.
De betrekkelijk geringe plaats die de archivarissen in Eekhoffs correspondentie innamen zou gemakkelijk tot de conclusie kunnen leiden dat voor Eekhoff de geschiedenis van Leeuwarden en Friesland belangrijker was dan het ordenen en beschrijven van de onder zijn beheer berustende archieven. Een dergelijke conclusie zou mijns inziens geen recht doen aan de werkelijkheid: veeleer is het zo dat Eekhoff de inventarisatie van de archieven nog uitdrukkelijk zag als niet meer dan een instrument ten dienste van de geschiedbeoefening. Hij wenste zichzelf niet als waterdrager van de historici te zien, maar wilde vooral ook zelf van zijn positie gebruik maken ten bate van eigen onderzoek en eigen publicaties. Een dergelijke visie op het vak is met bijna evenveel recht en reden modern te noemen als ouderwets. Ook tegenwoordig nog staan de opvattingen van degenen die vooral de instrumentele functie van het archiefvak benadrukken tegenover degenen die van mening zijn dat - met name in de laatste decennia - de kloof tussen archiefwetenschap en geschiedenis veel te groot is geworden.
Expliciet kwamen de archieven niet vaak aan de orde in de vergaderingen van het Genootschap, maar als dat wel het geval was, speelde Eekhoff een vanzelfsprekende rol. Dat was bijvoorbeeld zo toen in 1847 besloten werd een commissie op te richten die zich onder meer met de opsporing van archieven bezig moest houden en met de medewerking aan een plan van jaarlijkse landelijke bijeenkomsten van alle archivarissen. Deze commissie en zijn doelstelling stonden niet op zichzelf, de inspanningen van het Genootschap maakten deel uit van een herlevende landelijke belangstelling voor de lotgevallen van de archieven in de provincies, de steden en ten plattelande. Uiteraard maakte Eekhoff deel uit van de Friese commissie, die geinstalleerd werd op 30 september 1847. Andere leden waren Eekhoffs provinciale collega Jacobus van Leeuwen, J.H. Beucker Andreae, U.A. Evertsz en Jhr. H. Baard van Sminia. De doelstelling van de commissie zal Eekhoff hebben aangesproken: men wilde een bijdrage leveren aan het doel van de regering om te bevorderen dat de ‘archieven in ons Vaderland tot de Geschiedenis der Nederlanden op de doelmatigste wijze kunnen dienstbaar worden.’

Eekhoff als lid van het Fries Genootschap

Het was in de vergadering van 22 september 1834, dat Eekhoff tot lid van het Fries Genootschap werd benoemd . Eekhoff was toen vijfentwintig jaar en het zou nog vier jaar duren voordat het Leeuwarder stadsbestuur hem als stadsarchivaris aanstelde. Niet alleen Eekhoffs leeftijd was opmerkelijk, vooral ook het feit dat hij als autodidact van betrekkelijk eenvoudige komaf toegelaten werd tot dit wat bedaagde en elitaire gezelschap. Het Genootschap bestond toen zeven jaar en op haar vergaderingen verschenen meestal hooguit enkele tientallen leden. Het Fries Genootschap was zeker in de beginjaren grootburgerlijk van karakter. Stedelingen, adel en academici waren er sterk in vertegenwoordigd . In dit gezelschap was de van afkomst typisch kleinburgerlijke Eekhoff een vreemde eend in de bijt. Naast zijn onmiskenbare en in het oog springende kwaliteiten als gedreven onderzoeker en verzamelaar was het dan ook hoge bescherming die voor hem de weg baande naar deze kring. Bij die protectie moet vooral gedacht worden aan de voormalig gouverneur van Friesland, jhr. I. Aebinga van Humalda en na diens dood in 1834 aan de auditeur-militair mr. Arent van Halmael.
Toen Eekhoff op 23 maart 1835 voor het eerst acte de presence gaf, waren er naast de vijf bestuursleden, vier zgn. werkende leden en elf gewone leden aanwezig. In de vergadering daarop werd Eekhoff ook tot werkend lid benoemd, samen met J.G. Ottema en J. Van Leeuwen.
Al gauw legt Eekhoff in het Genootschap een grote activiteit aan de dag. Leeftijd noch anciënniteit weerhielden hem ervan voortdurend met voorstellen te komen, lezingen te houden of voorwerpen aan te bieden. Op 3 oktober 1836 hield hij een lezing over Simon Abbes Gabbema , in 1838 over de hoogleraar Johannes Henricus Regenbogen , in 1842 over de dichter Jan Janszoon Starter , in 1848 over Foeke Sjoerds , in 1852 over de geschiedenis van de uitgave van het charterboek , in 1853 over A. Van Halmael en in 1854 over Petrus Wierdsma . Niet voor niets gingen de meeste van Eekhoffs lezingen over personen. Het waren korte levensbeschrijvingen die vaak later gepubliceerd werden. In de levensbeschrijving vond Eekhoff veel voldoening.
Vele andere voordrachten zouden nog volgen. Maar de lezingen vormden uiteraard maar een aspect van de prominente plaats die Eekhoff in het Genootschap in de loop van de tijd steeds meer zou gaan innemen.
Interessant is daarbij om op te merken dat terwijl Eekhoffs historiografische belangstelling zich geheel richtte op de geschiedenis van Leeuwarden en Friesland, hij in zijn contacten uitdrukkelijk verder keek dan de Friese grenzen. Hij was niet alleen lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde , maar hij stond ook in geregeld briefcontact met een groot aantal personen uit andere provincies, voor een groot deel niet-Friezen. De meeste van zijn correspondenten waren verzamelaars, bibliothecarissen en historici. Geregeld ook ging hij op reis, waarbij hij zijn correspondenten met een bezoek vereerde, congressen bezocht en in vreemde archieven naspeuringen deed ten behoeve van de Friese geschiedenis. Als we ons niets aantrekken van de door Goffe Jensma zo bestreden gelijkstelling van de Friese beweging aan de Friese taalstrijd, kunnen we Wopke Eekhoff door zijn ijveren voor alles wat met de Friese geschiedenis (en archeologie) te maken heeft, gerust beschouwen als een belangrijke exponent van die Friese beweging. In het licht van het bovenstaande - zijn nationale en internationale contacten - is er bij Eekhoff in ieder geval geen sprake geweest van cultureel isolationisme.
Omgekeerd wil dit overigens niet zeggen dat Eekhoff geen belangstelling had voor de studie van de Friese taal. Hij leverde er zo nu en dan zelf ook bijdragen aan, en werd op later leeftijd nog benoemd tot ‘arbeidzjend lid’ van het Friestalige Selskip foar Fryske tael- en skriftekennisse. Het zou de moeite waard kunnen zijn om Eekhoffs plaats te bepalen in de door Breuker veronderstelde strijd tussen een Friestalige richting in het Genootschap en de richting van de Hollandstalige, meer op de beoefening van de geschiedenis gerichte fractie in de periode 1827-1837. Deze laatste richting had - volgens Breuker - omstreeks 1835 het pleit gewonnen.
Eekhoffs rol in het Fries Genootschap is te belangrijk geweest en heeft zich over een te lange periode uitgestrekt om meer dan enkele hoofdlijnen ervan te kunnen beschrijven. Belangrijk was natuurlijk dat hij als werkend lid al gauw voorzitter werd van de Tweede Afdeling, de afdeling die zich met geschiedkunde en aardrijkskunde bezighield. Tientallen jaren nam hij daardoor een centrale plaats in in het Genootschap, meer nog dan door het in 1852 aanvaarde en tot 1878 beklede penningmeesterschap . Als Eekhoff samen met de Leeuwarder apotheker J.J. Bruinsma in de vergadering van 9 oktober 1845 bericht over de terpafgravingen in Wirdum, Kimswerd en Pingjum wordt hij samen met Bruinsma nog op dezelfde vergadering benoemd in de commissie ‘tot ontgraving van terpen en opdelving van oudheden’ . Als zodanig brengt hij geregeld verslag uit van recente vondsten. In 1850 wordt Eekhoff ook nog benoemd tot lid van de vaste commissie tot de uitgave van de werken des Genootschaps. Al met al kunnen we hem zeker na het midden van de eeuw enkele decennia lang tot de centrale figuren van het Fries Genootschap rekenen.
In de jaren na 1850 zien we bij Eekhoff ook een groeiende belangstelling voor de bronnen voor de Friese geschiedenis buiten de Nederlandse grenzen. Zo stuurt hij aan een groot aantal Europese landen verzoeken om inlichtingen over Friese charters in hun archieven. De missives gaan uiteraard steeds vergezeld van exemplaren van Eekhoffs eigen kleine Geschiedenis van Friesland en zijn tweedelige Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden. In 1856 onderneemt hij een reis onder meer naar Munster en stelt hij kopieën van stukken uit Kopenhagen te laten vervaardigen. Ook wil hij dan betrekkingen aanknopen met verschillende Duitse organisaties.
Eekhoffs steeds belangrijker wordende rol in het Fries Genootschap zal bij anderen zeker irritatie, mogelijk ook afgunst hebben opgewekt. Wat verbeeldde deze man zich eigenlijk wel die niet kon bogen op een academische achtergrond en misschien door zijn afkomst soms ook wat opkeek tegen de kring waarin hij zelf was komen te verkeren? En bemoeide hij zich niet met zaken waarvan hij geen verstand had? Eekhoff vertoonde ongetwijfeld sommige van de irritante trekken van de social climber, waarbij de negentiende-eeuwse opvattingen van wellevendheid bij hem ten opzichte van hoger geplaatsten soms ontaardden in overdreven gedienstigheid en serviel gevlei. Verschillende keren werd Eekhoffs gebrekkige kennis van het Latijn hem door anderen onder de neus gewreven. Toen Eekhoff in 1864 voorstelde een Nederlandstalige inleiding te publiceren bij een nieuwe editie van de Lex Frisionum door Karl Freiherr von Richthofen, werd door de secretaris van het Genootschap fijntjes te verstaan gegeven dat zulks niet nodig was: de belangstellenden in de Lex Frisionum beheersten immers ’t Latijn! Na een schrijven van Verwijs trok Eekhoff zijn voorstel in. Het is dezelfde provinciale archivaris Eelco Verwijs die vijf jaar later in de vergadering van het Fries Genootschap voor het eerst gewag maakt van het ‘handschrift van den heer Over de Linde’, het Oera Linda Boek, dat onder heel veel meer kan worden gezien als een grootscheepse poging om Eekhoff op zijn nummer te zetten. Dat Verwijs en Eekhoff geen goede vrienden waren blijkt ook wel uit de spotnamen die Eekhoff van Verwijs ontving: Wopke Profeet en ‘de laatste der archivariussen’. Hoewel Eekhoff door zijn vrienden in niet mis te verstane bewoordingen geadviseerd werd niet in deze val te trappen was de verleiding om door middel van deze curieuze vondst de geschiedenis van Leeuwarden met vele eeuwen te kunnen opvoeren blijkbaar toch te groot. Al te openlijk omarmen wilde Eekhoff het Oera Linda Boek niet, maar hij kon niet laten er op de allereerste pagina van zijn lang verwachte inventaris van het stedelijk archief uit 1880 melding van te maken.
Hoewel er dus na 1869 al fors gezaagd werd aan de stoelpoten van Eekhoffs reputatie, zou het nog tot na de fameuze historische tentoonstelling van 1877 duren voordat Eekhoff door een conflict in het bestuur na bijna vijftig jaar uit het centrum van het Friese genootschapsleven verdween. Dit conflict - en overigens ook enkele andere - is uitvoerig beschreven door Hoekema, die schrijft dat Eekhoff hierbij tenslotte struikelde ‘over zijn al te grote voortvarendheid, zijn liefde tot het Genootschap, en zijn eigengereidheid’. Hoekema bestrijdt nadrukkelijk het gerucht dat Eekhoff zakelijke en privé-belangen dooreenhaalde.
Misschien dat latere generaties hun beeld van Eekhoff te veel hebben ontleend aan de laatste tien levensjaren van Eekhoff toen diens ster langzaam begon te verbleken en hij geleidelijk wat van zijn invloed moest inleveren. Hoewel ogenschijnlijk een gemeenplaats komt misschien Hoekema wel het dichtste tot de waarheid als hij concludeert dat Eekhoff zijn verdiensten had, ‘zelfs grote, (maar) hij had ook zijn tekortkomingen. Van de eerste was hij zich altijd bewust, van de laatste ten dele. Ook daarin bleek hij een man te zijn, die niet veel afweek van zijn medemensen.’
Het is mogelijk dat Eekhoff ook op zichzelf doelde toen hij in 1877 bij het vijftigjarig bestaan van het Genootschap in zijn herdenkingsrede stelde dat men de genootschappen ‘als een zwak te laste gelegd (had), dat het kweekplaatsen waren voor de ijdelheid, voor de eer- en roemzucht.’ Maar, zo gaat hij verder, ‘ons genootschap heeft daarvan geen last of, zoo die zucht bij enkelen bestond, wel genot en voordeel gehad.’ En Eekhoff keek zeker terug op zijn eigen leven toen hij vervolgde met de uitroep: ‘Wat zijn wij mensen toch zonder prikkels die ons drijven, zonder bedoelingen die ons aanzetten, wat zonder idealen en illusien, die de verbeelding ons voor den geest spiegelt?’
Een wel heel korte samenvatting van Eekhoffs kwaliteiten gaf op 20 mei 1863 de bibliothecaris van het Fries Genootschap C.W.A. Buma in een brief: ‘Het is een pedante kerel, overigens zeer geschikt’ , een opvatting waarin Buma zeker niet alleen stond.

De gerestaureerde grafzerk van Wopke Eekhoff en echtgenote op de Algemene Begraafplaats aan de Spanjaardslaan.

Ofschoon Eekhoff nu juist zelf een van de weinige professionals was in het Friese culturele leven van de negentiende eeuw - hij werd immers als stadsarchivaris bezoldigd, zodat hij niet alleen van zijn boekhandel behoefde te leven - is de kloof met mannen als Verwijs misschien toch ook het gevolg geweest van de verdere professionalisering van de terreinen waarop het Genootschap actief was. Voor bevlogen, maar niet-academische liefhebbers was binnen de kring van het Genootschap geleidelijk aan wellicht minder plaats.
Toen Wopke Eekhoff op 12 februari 1880 de laatste adem uitblies, had het Fries Genootschap zes weken eerder juist het pand op de hoek van de Koningstraat en de Turfmarkt gekocht en was de basis gelegd voor het Fries Museum. Daarmee braken voor het Fries Genootschap definitief andere tijden aan.


Literatuur:

P.C.J.A. Boeles, ‘De auteur van het Oera-Linda-Boek’, in: De Vrije Fries 28 (1928), 437-471.
Ph.H. Breuker, ‘It Friesch Genootschap, it Friesch Jierboeckjen en it Oera Linda Boek. De striid om taalbefoardering tusken 1827 en 1837’, in: De Vrije Fries 60 (1980), 49-65.
Freark Dam, ‘“Alteast ienige ienheid”... Fryske “staveringsstriid” yn en om it jier 1877’, in: De Vrije Fries 57 (1977), 75-80.
W.W. van Driel, ‘Gerard Jacob Voorda 1735-1805, de eerste stadsarchivarius van Leeuwarden 1803-1805’. In: Nederlands Archievenblad 1981, 312-323.
S.J. Fockema Andreae, ‘Een Model-Archivaris’, in: Nederlands Archievenblad 71 (1967), 229-230.
Henry Havard, Een togt langs de kusten van de Zuiderzee. Haarlem, s.a.
C.P. Hoekema, Peter Karstkarel, Ph.H. Breuker, Eekhoff en zijn werk. Leven en werk van Wopke Eekhoff (1809-1880) stadsarchivaris en boekhandelaar te Leeuwarden. Leeuwarden, 1980
Goffe Jensma, ‘Lees, leer en waak. Het Oera Linda Bok. Een rondleiding.’, in: De Vrije Fries 72 (1992), 8-52.
Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw. Leeuwarden, 1998.
M. de Jong Hzn., ‘Johan Winkler en het Oera-Linda-Boek (een inleidende studie), in: De Vrije Fries 28 (1928), 111-127.
C. Sepp, ‘Levensschets van Wopke Eekhoff’, overgedrukt uit de levensberichten van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, 1880-1881. Leiden, 1881.
G.A. Wumkes, Paden fen Fryslân, Samle opstellen II, 1800-1934, (Boalsert, 1934), ‘Wopke Eekhoff’, 299-307.

Het bovenstaande artikel van Jan Folkerts verscheen eerder in De Vrije Fries 82 (2002), 148-156.

Terug