Een rondgang door het Stadhuis

Historie
Het Leeuwarder stadsbestuur vergadert al sinds 1618 op de huidige locatie. De magistraat nam toen op deze plek de oude Aucka­mastins in gebruik als raadhuis. Voor die tijd zetelde het stadsbestuur onder meer in de Grote Hoogstraat en in het Waltahuis, op de hoek van de Nieuwestad en het Herenwaltje. De Auckamastins verkeerde in slechte staat en in 1713 werd dan ook besloten tot de bouw van een nieuw stadhuis op dezelfde plek, dat als ‘cieraad en ornament’ recht zou doen aan ‘de luister ende eere van de stadt.’

In 1715 werd op de fundamenten en kelders van de oude stins een nieuw stadhuis gebouwd. Kort daarvoor was de Ee op die plek overkluisd zodat het ruime Raadhuisplein was ontstaan. Deze open grote ruimte gaf het nieuwe raadhuis de allure die het verdiende.

 

Decoratieve figuren boven en rond de ingang en in het fronton belichamen de kerntaken van het stadsbestuur. In het midden van het fronton is het stadswapen afgebeeld met daaromheen (van links naar rechts) de Wet, Gerechtigheid, Wijsheid en Voorzienigheid. Boven de ingang staat in het Latijn geschreven ‘Pace et Justitia’, oftewel door vrede en gerechtigheid, wat ook wordt belichaamd door de beelden aan weerszijden van het raam boven de toegangsdeur. Links is Vrede en Overvloed uitgebeeld, met een lauriertak en de hoorn des overvloeds. Rechts staat Gerechtigheid, met een hoed in de linkerhand, een bundel pijlen in de rechterhand en een kat aan de voeten. Via het grote venster met het hekje kon het stadsbestuur belangrijke besluiten proclameren. De versieringen in natuursteen zijn vermoedelijk gemaakt door de in Leeuwarden geboren Gerbrand van der Haven (voor 1690-1765). De beelden in het fronton zijn gemaakt door Pieter Nauta. De carillon-klokken in de achtkantige koepel zijn in 1687 gemaakt door de Amsterdamse klokkengieter Claude Fremy en hingen oorspronkelijk in de in 1884 afgebroken Nieuwe Toren in de Grote Hoogstraat. Het automatische speelwerk (elektronisch gedreven) laat sinds 1972 op het volle en het halve uur overdag een liedje spelen. Zie hier het volledige overzicht van de ten gehore gebrachte melodieën.

 

Het raadhuis werd gebouwd door stadstimmerman Claes Bockes Balck (1683-1748). De driejarige Willem Carel Hendrik Friso (1711-1751), zoon van de overleden stadhouder Johan Willem Friso (1687-1711) en later bekend als Willem IV, legde de eerste steen in het bijzijn van zijn moeder prinses Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765).

In de afgelopen 300 jaar heeft het stadhuis de nodige verbouwingen ondergaan. In 1760 werd het pand aan de achterzijde uitgebreid. Pieter de Swart (1709-1772) maakte het ontwerp voor de rococo-gevel met de opvallende grote Leeuwarder leeuw en de nieuwe raadzaal op de eerste verdieping. Deze keer werd de eerste steen, namens prins Willem V (1748-1806), gelegd door Robert van Hambroick (1708-1789), de opperhofmeester van Willems grootmoeder prinses Maria Louise. Zo’n honderd jaar later, in 1845, verhuisde de raadzaal naar de door stadsarchitect Thomas Romein ontworpen Nieuwe Zaal.

Ook de voorgevel van het stadhuis onderging een metamorfose. Romein plaatste grote ramen in empire-stijl in de vensters en verving het ronde bordes door een rechthoekige variant.

In 2005 heeft het stadhuis een grondige verbouwing en restauratie ondergaan. Architect Marc van Roosmalen kreeg de opdracht om zoveel mogelijk van de allure en grandeur van het achttiende-eeuwse pand te bewaren, maar het gebouw tegelijkertijd op moderne wijze toegankelijker te maken voor bestuurders èn burgers. De hoofdentree van het stadhuis werd verplaatst naar de in 1760 aangebouwde vleugel. Middels een modern glazen trappenhuis werd het stadhuis verbonden met de in 1847 door stadsarchitect Thomas Romein (1811-1881) gebouwde naastgelegen Hoofdwacht, waar Van Roosmalen een nieuwe raadzaal situeerde. Het stadhuis werd op 27 mei 2005 feestelijk geopend door prinses Margriet.

Deze uitgave vertelt aan de hand van de bijzondere wandversieringen, decoraties, schilderijen en meubels het verhaal van de rijke geschiedenis van het stadhuis van Leeuwarden.

 

Centrale hal en oude entree
Vanuit het trappenhuis komt men via een poortje in de centrale hal van de stadhuisbouw uit 1715. Hier ligt een kostbare witmarmeren vloer. Het fraai gestucte plafond met in het midden het wapen van Leeuwarden is in 1724 vervaardigd door de uit Italië afkomstige stucwerkers Joseph Barberino en Gianbatista Albisetti. Aan deze hal grensden vroeger de voornaamste vergaderruimtes. Vanaf het poortje gezien rechts de kamer van de vroedschap en het werkvertrek van de presiderend burgemeester en links de kamer van de officieren van de schutterij en het secretariaat.

Aan de wanden hangen portretten van vooraanstaande burgers, leden van adel en het patriciaat van de stad, en er staat een aantal fraaie meubelstukken. Interessant zijn de portretten van een viertal vroegere burgemeesters van Leeuwarden. Het oudste portret hangt rechtsboven en stelt Wybe Gerrits Jelgerhuis voor. Hij is afgebeeld met een boek in de hand, in de rechterbovenhoek staan zijn familiewapen en een inscriptie met de belangrijke functies die hij bekleedde in het stadsbestuur. Wybe Gerrits Jelgerhuis werd rond 1460 geboren. Tussen 1512 en 1533 was hij verschillende keren burgemeester. Ook zijn zoon, Gerrit Wybes Jelgerhuis was burgemeester. Openbare functies werden binnen de voornaamste families in de stad vaak doorgegeven. Het is een van de oudste nog bekende Friese portretten en vóór 1534, het jaar van zijn overlijden, geschilderd.

Links en rechts van de doorgang naar het trappenhuis hangen de voorname portretten van Pier Zeper en zijn tweede vrouw Fenna Hesselink (1779-1848) met wie hij in 1797 trouwde. Ze zijn gekleed volgens de mode van hun tijd en in 1823 en 1826 geschilderd door een van de belangrijkste portretschilders van Friesland, Willem Bartel van der Kooi (1768-1836). Pier Zeper werd in 1761 geboren. Zijn familie bezat onder meer een zeepziederij waaraan ze hun naam ontleenden. Hij bekleedde tal van functies in de stad. In de Franse tijd werd hij gekozen in het stadsbestuur en in 1802 tot drost (te vergelijken met een burgemeester) van Leeuwarden. Onder koning Willem I was hij in 1816 lid van de vroedschap en een jaar later een van de vier burgemeesters. Hij stierf in 1845.

Onder de portretten staan twee fraaie console- of wandtafels met marmeren blad die rond 1700 zijn gemaakt. De onderstellen zijn van hout met prachtig snijwerk met acanthusbladeren, monsterkoppen, ranken en guirlandes. Het houtwerk is wit geschilderd met details in goud.

Aan de linkerwand hangt boven in het midden het portret van jonker Willem Hendrik van Hambroick van Weleveld, geheel volgens de mode afgebeeld met een grijs gepoederde staartpruik. Het schilderij is omstreeks 1785 door een onbekende schilder gemaakt. Jonker Willem van Hambroick werd in 1744 in Leeuwarden geboren. Zijn vader was de opperhofmeester van prinses Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765). Ook jonker Willem bekleedde functies aan het hof van de prinses en was lid van de vroedschappen van IJlst en Leeuwarden. Tussen 1777 en 1794 was hij hier burgemeester en lid
van de Staten van Friesland. Willem van Hambroick overleed in 1822 in Den Haag.

Linksonder hangt boven de bank het portret van Jacobus Bourboom. Ook hij draagt een modieuze lange grijs gepoederde pruik. Het portret is omstreeks 1740 gemaakt door Bernardus Accama (±1697-1756) die honderden portretten van adellijke lieden en van de stadhouderlijke familie maakte. Jacobus Bourboom werd in 1690 in Leeuwarden geboren. Al in 1714 werd hij lid van de vroedschap van Leeuwarden en daarna zou hij in tal van andere functies deel uitmaken van het stadsbestuur, onder meer als schepen (te vergelijken met een wethouder) en verschillende keren als burgemeester. Hij overleed in 1764.

 

De bank onder het portret van Jacobus Bourboom stond ooit in het huis van zijn broer dr. Petrus Bourboom (1694-1780) en diens vrouw Gerbricht Reitsma, dochter van de ontvanger-generaal van Friesland. Petrus Bourboom was advocaat en bekleedde tal van openbare functies. Hij was onder meer procureur-generaal van Friesland. Aan de bovenkant van de wit gemarmerde houten bank met prachtig snijwerk met krullen is het alliantiewapen Bourboom-Reitsma aangebracht. Het paar trouwde in 1723 en de bank is mogelijk voor die gelegenheid gemaakt. Het was een prestigeobject en zal op een belangrijke plaats in hun huis hebben gestaan. Aan de andere kant van de hal staat net zo’n bank, met een onbekend familiewapen. Deze bank is iets ouder en zal rond 1700 gemaakt zijn.

 

Opvallend is de hoge zetel naast de oude toegangsdeur naar het bordes. De stoel in Lodewijk XIV-stijl is gemaakt van notenhout. Op de rug is het wapen van Leeuwarden geborduurd, op het zitkussen staat een onbekend wapen. Deze ceremoniële stoel uit 1724 was bestemd voor de ontvangst van de stadhouder. Er heeft ongetwijfeld een voetenbankje bij de hoge stoel gehoord zodat de jonge stadhouder letterlijk hoog verheven op zijn zetel zat.

 

Boven de wit gemarmerde poort naar het trappenhuis zit een grisaille (een schildering in monochrome tinten, veelal grijs of bruin), in 2004 geschilderd door Huub Kurvers (1940-2010) ter gelegenheid van de restauratie van het stadhuiscomplex. Afgebeeld is de Vrede die Onrust verjaagt, links staat het wapen van Leeuwarden. Het is een kopie van de originele schildering door Freerk Haijema uit 1715 met daaraan toegevoegd een tekst die verwijst naar de restauratie. Het schilderij van Haijema was in zeer slechte staat en hangt nu in het trappenhuis.


De vertrekken rond de centrale hal

Vroedschapskamer

In deze ruimte, direct bij de voordeur, vergaderde de vroedschap, een uit de burgers gekozen bestuurscollege. De leden van de vroedschap kozen, meestal uit hun midden, vier burgemeesters. De voorzitter van deze burgemeesters resideerde in de hiernaast geleden presidentskamer, direct bij het poortje. Tegenwoordig zijn de beide ruimten in gebruik als wethouderskamer.

De vroedschapskamer is bij de restauratie van 2005 voorzien van een fraaie wandbespanning. De marmeren schouw in rococo-stijl is mogelijk gerealiseerd bij de uitbreiding van het stadhuis in 1760. Het schoorsteenstuk van omstreeks 1715 is geschilderd door Freerk Haijema. Passend bij de vroegere functie van de kamer is het een allegorie op het stadsbestuur. De vrouwfiguur in het midden houdt in haar rechterhand een staf met een lint waarop ‘iubet & prohibet’ (zij gebiedt en zij verbiedt) staat geschreven, een verwijzing naar een tekst waarin het volk de wetten bepaalt en verboden stelt. Op haar schoot ligt een boek met de tekst ‘in legibus salus’ wat verwijst naar de latijnse tekst ‘in legibus salus civitatis est’ wat betekent ‘het welzijn van de staat berust op wetten’. Het engeltje met de knuppel in de hand is Hercules die al in de wieg slangen vermorzelde, oftewel het Kwaad vernietigde, het engeltje met de bundel pijlen verbeeldt de Eenheid van Bestuur. Freerk Haijema maakte ook het schilderij boven de deur, dat tot de oorspronkelijke inrichting van de kamer behoort. Het is een allegorische voorstelling van de Zwijgzaamheid voorgesteld door een vrouw die een vinger tegen haar lippen houdt. Naast de deur staat een fraai laat achttiende eeuws kabinet van gefineerd wortel­noten hout in rococostijl.

 

Presidentskamer

De presidentskamer heeft weinig originele kenmerken maar er hangt wel een aantal aardige schilderijen uit de collectie van de stad. Boven de schouw hangt De jacht op het everzwijn van de schilder Juriaen Jacobs (1624-1685) die gespecialiseerd was in het schilderen van jachttaferelen. Juriaen Jacobs was afkomstig uit Hamburg maar werkte in de tweede helft van de zeventiende eeuw in Leeuwarden als hofschilder voor stadhouder Hendrik Casimir II van Nassau-Dietz (1657-1696). De jacht op het everzwijn en specifiek die op het mythologische Caledonische zwijn komt veel voor op zeventiende eeuwse prenten en schilderijen. Het is niet bekend waar dit schilderij vandaan komt.

Links en rechts van de schouw hangen twee genrevoorstellingen uit 1834 van de Leeuwarder schilder Wytze de Haan (1804-1848). De Haan was een echte genreschilder, hij schilderde vooral taferelen uit het dagelijks leven. Op het ene schilderij zien we een man die een vogel plukt, op het andere schilderij een zogende moeder. Het thema van de zogende moeder komt vanaf het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw veel voor in de genreschilderkunst. In het gezin werd de rol van de moeder steeds belangrijker, het moederschap werd geïdealiseerd. De maatschappelijke rol van de vrouw bleef echter grotendeels daartoe beperkt.

 

Aan de wand hangt verder nog een zeldzaam havengezicht van Rinse Verzijl uit 1712. Het italianiserende landschap met de resten van een Romeinse tempel en het klassieke standbeeld ademt een exotische sfeer. Italianiserende gezichten waren in de zeventiende en achttiende eeuw zeer gewild. Over Rinse Verzijl is bijna niets bekend. Hij werd in 1690 in Leeuwarden geboren, na 1720 komt zijn naam niet meer in de archieven voor.

 

De kamers aan de andere kant van de hal hebben geen originele kenmerken of bijzondere schilderijen of meubels. Het vertrek aan de voorzijde, de vroegere schutterijkamer, heeft bij de restauratie van 2005 een moderne betimmering gekregen.

Trappenhuis en kelders
De massieve eikenhouten trap met zijn fraaie balusters is gemaakt door de beeldsnijders Benjamin Dijkstra en Pieter Nauta (die ook de beelden in het driehoekig fronton boven de entree van het stadhuis maakte). De trap leidt halverwege naar de in 1760 gebouwde raadzaal en naar het boven de centrale hal gelegen Blanke Ruim. In het trappenhuis hangt een aantal schilderijen uit de collecties van de stad en van het Fries Museum.

Onder aan de trap naar de kelders hangt aan de muur een in eikenhout gesneden allegorische voorstelling van de stad Leeuwarden. Het laat achttiende-eeuwse houtsnijwerk wordt toegeschreven aan de Leeuwarder beeldsnijder Jacob Sijdses Bruinsma (1698-1763). Hij leerde het vak bij beeldsnijder Pieter Nauta en bij de halfbroer van zijn moeder, Berend Storm, die sinds 1710 stadssteenhouwer was. Net als zijn oom werd Bruinsma later stadssteen- en beeldhouwer.

De bebaarde man in het midden is vermoedelijk de god Poseidon of Neptunus (met afgebroken drietand), de naakte vrouw naast hem met het vat waaruit water stroomt stelt een stroomnimf voor.

Neptunus staat symbool voor de zeevaart, de stroomnimf mogelijk voor de rivier de Ee die langs de vroegere Auckamastins op deze plek stroomde. Neptunus zit op een hoorn des overvloeds. Rechts onder staat een zwaan met een halsband, links in een rocaille, een rococo-ornament, het wapen van Leeuwarden, een klimmende leeuw. Achter Neptunus en de nimf staat rechts de godin Minerva of Athene met helm, harnas en lans. Zij staat symbool voor Wijsheid en Kunsten maar ook voor Strijd. Links zweven in een wolk een tweetal engeltjes. Een daarvan houdt een spiegel vast waar zich een slang omheen slingert. Dit is de Spiegel der Wijsheid, de slang staat symbool voor Voorzichtigheid. In de lucht zweeft Hermes of Mercurius, die symbool staat voor de handel. Het geheel staat symbool voor handel, zeevaart en landbouw, de pijlers waarop de welvaart van Leeuwarden berust.

 

De overwelfde kelders van de Auckamastins waar het stadhuis in 1715 op werd gebouwd, zijn grotendeels bewaard gebleven en worden tegenwoordig gebruikt voor ontvangsten. Er zijn nog drie cellen te zien waar eeuwenlang veroordeelden voor diefstal of mishandeling voor meerdere dagen op water en brood werden gezet. Veelal belandden deze criminelen ook op de pronkpaal die buiten voor het stadhuis stond. In de volksmond werd het ondergrondse cellencomplex ‘ ’t Hondegat’ genoemd.

Terug naar het trappenhuis. Het grote schilderij in het trappenhuis is in 1742 gemaakt door Rienk Keijert en is eveneens een allegorische voorstelling van de stad Leeuwarden. De jonge vrouw met ontblote borst in het midden verbeeldt de stedenmaagd. In haar hand houdt zij een staf met daarop een zogenaamde Frygische muts. Die muts staat symbool voor Vrijheid. Links van haar staat Hercules, symbool van Moed en Kracht. Rechts van de stedenmaagd zien we nog een vrouw met ontblote borst met een spiegel in de hand en om haar arm een slang. Dit is Prudentia, symbool van Wijsheid en Voorzichtigheid. Drie engeltjes dragen ook enkele symbolen: een pijlenbundel als zinnebeeld van de gezamenlijke stedelijke kracht, een gesel of roede verwijst naar de rechtspraak en de daarmee gepaard gaande straffen en de stempenningen werden gebruikt bij het kiezen van de burgemeesters van de stad. Aan de voeten van de stedenmaagd is de blauwfluwelen stemzak met het wapen van Leeuwarden afgebeeld. Deze voorstelling vertelt dus ook iets over de praktijk van het stemmen.

Rienk Keijert (1709-1775) vervaardigde tal van schilderijen voor het stadsbestuur, onder meer voor de nieuwe raadzaal uit 1760 (tegenwoordig de Oranjezaal). Zijn stadhoudersportretten in die zaal zijn in de Franse tijd verdwenen maar de grisailles erboven zijn nog aanwezig. Zoals veel schilders had hij nog een aantal nevenberoepen: hij was kamerbewaarder voor de Staten van Friesland en lid van de vroedschap van Leeuwarden. Het schilderij in het trappenhuis zal ooit op een prominente plaats bij een stadsbestuurder thuis hebben gehangen. In 1974 werd het voor Leeuwarden interessante werk door het Fries Museum op een veiling in New York gekocht.

Verder op de trap naar boven hangen naast elkaar twee grisailles met allegorische voorstellingen. Ook deze zijn van de hand van Rienk Keijert. De ene is een voorstelling van de triomf van Vrijheid en Vrede, de andere van Liefde en Geloof. Op beide grisailles staan twee vrouwenfiguren met tussen hen in een bazuinende engel, de verbeelding van de triomf die aan het gewone volk verkondigd wordt. Vrijheid wordt verbeeld door een vrouw met op een staf een vrijheidshoed zoals eerder al te zien bij de allegorische voorstelling van de stedenmaagd. De vrouw daarnaast is de verbeelding van Vrede, de zwaan staat voor voorspoed en de olifant voor kracht. Op de andere grisaille draagt een van de vrouwen een wereldbol in haar hand, terwijl haar andere hand naar haar hart wijst. Zij is de personificatie van de Liefde. De andere vrouw leunt op een leeuw, een symbool van kracht, en heeft op haar hoofd een kroon. In de rechterhand houdt zij een ketting. Zij verbeeldt Geloof of Hoop.

 

Verderop hangt nog een schilderij van Rienk Keijert. Het stelt de afgoderij van koning Salomo voor en is in 1757 geschilderd. De knielende man met de hermelijnen mantel is Salomo. In zijn handen zwaait hij een wierookvat. Vrouwen om hem heen dragen bloemen aan als offergave voor het beeld van de heidense godin Astarte. De mannen op de achtergrond kijken afwijzend toe. Aan het eind van zijn leven kwam Salomo, mogelijk onder invloed van de vele ‘heidense’ vrouwen uit zijn harem, tot afgoderij tot afgrijzen van rechtschapen joden.

 

Het bloemstilleven is in 1778 geschilderd door Sytse Roelofs Nicolai. Het samengestelde boeket bestaat uit bloemen uit verschillende jaargetijden, zoals een pioenroos, narcissen en chrysanten. Schilders gebruikten eerder gemaakte studies of voorbeeldboeken om hun boeketten samen te stellen. De vogels geven de schildering een exotisch tintje. Het werk is een bedriegertje; de schilder heeft geprobeerd in het platte vlak een driedimensionaal beeld te creëren van een nis met daarvoor het aan een lint hangende boeket.

Sytse Roelofs Nicolai werd in 1736 in Drogeham geboren. Hij werd in 1764 burger van Leeuwarden en wordt ook wel genoemd als rijtuigschilder. De schilder was vermoedelijk zeer welgesteld want hij komt in archieven voor als koper van aanzienlijke panden. Hij stierf in 1779 in Leeuwarden “zeer subiet aan de rode hont, nalatende een weduwe met zes kinderen, gaande van de zevende zwaar”. Ze was dus in verwachting van het zevende kind. Het stilleven is waarschijnlijk als schoorsteenstuk geschilderd voor een huis aan de Kruisstraat in Leeuwarden.

Blanke Ruim
Vanuit het trappenhuis komt men in het boven de centrale hal gelegen Blanke Ruim, zo genoemd naar de lichte eiken vloer. Deuren leiden rechts naar de vroegere Vertrekkamer (nu secretariaat) en de aan de voorzijde gelegen Raadkamer, nu de kamer van de burgemeester. Links leiden deuren naar de in 1847 gebouwde Nieuwe Zaal. In het Blanke Ruim hangen zelfportretten van Friese schilders uit vroeger eeuwen en van portretten van leden van de Friese adel, afkomstig uit de collecties van de stad en van het Fries Museum.

Op de rechterwand hangt boven in het midden het zelfportret van Tjeerd Andringa dat hij omstreeks 1825 schilderde. Met het potlood in de hand en gezeten voor een ezel laat Andringa zien dat hij kunstenaar is. Ook het gipsbeeld op de achtergrond wijst daar op. Gipsbeelden werden in het onderwijs gebruikt om na te tekenen en te schilderen en zo de techniek te leren.

Tjeerd Andringa werd in 1806 in Leeuwarden geboren. Hij leerde het vak bij Willem Bartel van der Kooi (1768-1836) en vervolgens in Amsterdam bij Cornelis Kruseman (1797-1857). Beide leermeesters behoorden tot de belangrijkste portretschilders van hun tijd. Andringa werd beschouwd als een veelbelovend kunstenaar, maar overleed al jong in 1827 in Amsterdam aan tuberculose.

Bij het raam hangt het zelfportret van een andere veelbelovende kunstenaar die jong stierf, namelijk Dirk Jacobs Ploegsma. Hij was bevriend met de schilder Willem Bartel van der Kooi (1768-1836). Toen Ploegsma in 1791 op 22-jarige leeftijd stierf, schilderde Van der Kooi een dubbelportret waarin hij wijst naar het portret van zijn overleden vriend als zijn voorbeeld in de schilderkunst (collectie Fries Museum). Op het zelfportret heeft Ploegsma zichzelf afgebeeld met een witte muts op zijn hoofd, zijn linkerhand wijst omhoog in een spreekgebaar. Hij heeft het portret kort voor zijn overlijden geschilderd.

Tussen de deuren aan de rechterkant hangt het zelfportret van de schilder Jan Hendrik Heijmans uit 1852, zelfbewust afgebeeld in een armstoel, zijn linkerhand haakt met de duim in zijn vest. Heijmans werd in 1806 in Leeuwarden geboren. Hij werkte in Dresden, Zwolle en Leeuwarden. Dit schilderij maakte hij in het jaar van zijn vertrek naar Arnhem waar hij in 1888 overleed. Een van zijn topwerken, een meisje in het blauw met Friese hoofdtooi, hangt aan de overkant bij het raam. Hij schilderde dat onbekende meisje in 1829.

Links van de deur naar het Blanke Ruim hangen de zeventiende-eeuwse portretten van twee zusters: tegen de achterwand Trijn van Walta en tussen de deuren Wick van Walta, geboren rond 1600. Ze zijn omstreeks 1620 door een onbekende kunstenaar geschilderd in olieverf op eikenhouten panelen. Beide zijn gekleed volgens de mode van die tijd: Trijn heeft een kanten molenkraag en Wick een opvallend roze-rood kostuum met een kanten, opstaande kraag. Het zijn welgestelde dames. Hun rijkdom blijkt vooral uit de juwelen die zij dragen. Wick draagt zelfs een van de schouders tot haar middel afhangende vijfstrengs gouden ketting. Op beide portretten zijn de familiewapens weergegeven van de ouders Sijbren van Walta en Tjets van Holdinga.

Tegen de achterwand van het Blanke Ruim staat verder nog een keeftkast uit het midden van de zeventiende eeuw. De naam keeftkast is afkomstig uit het oudfries. Waarschijnlijk heeft het woord te maken met het woord kievit, de vogel die nogal eens op de kast werd afgebeeld. Het is een tweedeurs eikenhouten kast opgelegd met ebbenhout, met op de deurpanelen fraai snijwerk met pilasters en guirlandes met maskers, bladranken en putti. De decoratie in deze vorm is kenmerkend voor een Friese keeftkast.  

De vertrekken rond het Blanke Ruim
De Raadkamer
De Raadkamer, tegenwoordig burgemeesterskamer, was vroeger het belangrijkste vertrek in het stadhuis. Hier vergaderde het stadsbestuur, de magistraat, bestaande uit vier burgemeesters, zes schepenen en twee bouwmeesters. Tegenwoordig is
De Raadkamer een totaalkunstwerk met een beschilderd plafond, een marmeren schouw met schoorsteenstuk en wanden bekleed met gobelins. Het ontwerp is mogelijk van de Franse architect Anthony Coulon (1681/1684-1753) die bedreven was in ontwerpen in de zogenaamde Marotstijl. Deze stijl was genoemd naar Daniël Marot (1661-1752), een uit Frankrijk gevluchte architect die in Leeuwarden de barokke Lodewijk XIV-stijl introduceerde. Zowel Coulon als Marot werden aangetrokken voor bouwprojecten van het Stadhouderlijk Hof. Beide architecten waren betrokken bij de uitbreiding van Huis ten Bosch in Den Haag in 1735.

De schilderingen in de Raadkamer zijn van Freerk Haijema en zijn de belangrijkste bijdrage van deze schilder aan het stadhuis. Met de in perspectief geschilderde balustrade langs de randen van het plafond creëerde Haijema een sterk ruimtelijk effect in de kamer. De allegorische voorstelling op het plafond verbeeldt Het Verbond der Unie, oftewel de Unie van Utrecht van 1579, waarin de Zeven Provinciën zich verenigden in hun verzet tegen de Spanjaarden en afspraken maakten over defensie, belastingen en godsdienst. Het Verbond is de basis van de latere Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, het huidige Nederland. In de hoeken worden in grisailles symbolische voorstellingen van deugden weergegeven zoals Zwijgzaamheid, Deugd en Liefde. Op de omringende balustrade spelen kinderen te midden van bloemen en fruit, tekenen van welvaart.

 

Ook het schoorsteenstuk is een allegorie op het goede bestuur. De gekroonde vrouw in het midden is een personificatie van de Republiek, de pijlenbundel in haar hand verbeeldt de Eenheid. Naast haar staat Athena of Minerva, godin van kunsten en wetenschappen. De man aan de andere kant symboliseert mogelijk het Nederlandse volk. De figuren worden verbonden door een draad of lint: een verder bewijs van Eenheid. Boven de deur zit in de betimmering een bloemstilleven: mogelijk verwijzen de bloemen eveneens naar de eenheid van een goed bestuur. Aan de wanden hangen gobelins (wandkleden). Ze stellen de vier werelddelen voor: Europa, Azië, Afrika en Amerika. Australië was als continent wel bekend maar speelde als vijfde werelddeel nog geen rol van betekenis. De weergegeven continenten op de wandkleden vertegenwoordigen de wereld waarvan de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en dus ook Leeuwarden deel uitmaakte.

Links in de hoek hangt Afrika. In het weelderige en exotische landschap zijn mensen afgebeeld. In het midden zit een vrouw naast een leeuw. Zij draagt als een koningin een scepter en een verentooi. Achter haar staat een donkere vrouw met een schildpad in haar linkerhand en een bos graan, symbool voor landbouw en vruchtbaarheid, in de rechterhand. Op haar hoofd draagt zij een olifantsmasker. Zij is de personificatie van Afrika. Rechts leunt een oude man op een kruik waaruit water vloeit, een stroomgod en mogelijk symbool van de rivier de Nijl.

Het grote tapijt stelt Europa voor. Opnieuw is een weelderig landschap te zien met veel mensfiguren. De afbeelding valt in drie delen uiteen. In het midden staat een klassiek baldakijn met daaronder drie vrouwen. Alle drie hebben ze een scepter in de hand. Ze worden links geflankeerd door een paard met een gevleugelde ruiter (heraut) en rechts door de personificatie van een rivier. De gekroonde vrouw is een allegorische voorstelling van Europa. De kronen aan haar voeten zijn niet alleen algemene verwijzingen naar landen of machten, maar - binnen de context van dit wandtapijt - zeer waarschijnlijk ook naar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Op de voorgrond liggen diverse voorwerpen en attributen verspreid zoals een wereldbol (met daarop Indië weergegeven), boeken, gereedschap (een passer, liniaal en beitel), muziekinstrumenten, een schilderspalet en een portretbuste. Het zijn symbolen van kunsten en wetenschappen. Ook illustreren ze de verhevenheid van Europa ten opzichte van alle andere werelddelen. Helemaal links staat een vrouw met een borstschild en een wereldbol met de tekst ‘omnibus unus’ d.w.z. ‘een voor allen’. Zij staat voor de eendracht op de wereld. Het rechter deel van het tapijt verwijst naar het klassieke Rome als voorbeeld en basis van Europa.

Het wandtapijt links van de deur stelt de Amerika’s voor. Het decor is weer een weelderig landschap met mensfiguren. Centraal staat een vrouw met een wapperende mantel, een verentooi en een pijl in de rechterhand die naar beneden wijst. Aan haar voeten ligt een grote krokodil. Rechts van haar zit een man met een verentooi en een boog. Links op het tapijt zit een andere man, donkerder van huid, gekleed in veren, met een boog en een papegaai. Achter beide mannen is de spiegel te zien van een schip met de naam Fortuna en het jaartal 1718, het jaar waarin de tapijten geleverd zijn. Rechts staan vrouwen gekleed in veren en met sieraden, op de voorgrond planten en exotische schelpen en dieren (slang, schildpad). Alle mens- en dierfiguren en ook het schip verwijzen naar Noord- en Zuid-Amerika.

Het wandtapijt rechts van de deur stelt Azië voor. Ook hier weer een landschap met allerlei figuren. Rechts is een gebouw met een baldakijn te zien met daarnaast een obelisk. Onder het baldakijn staat een groep vrouwen en mannen in rijke gewaden met regalia zoals een scepter en attributen als een diadeem, een lans of een vaandel. Op de voorgrond is een soort hoorn des overvloeds weergegeven met een wapentrofee en bloemen en fruit. Links ligt een kameel, centraal in een groep van drie vrouwen: één zittend op het dier, getooid met een bloemenkrans en in haar linkerhand een wierookvat, de andere zijn staand weergegeven en dragen een parasol ter bescherming van de zittende vrouw en een drinkbokaal (in schelpvorm). De zittende vrouw verbeeldt mogelijk Flora, de godin van planten, bloemen en vruchtbaarheid. De kameel en de exotische figuren symboliseren Azië. De tapijten zijn vervaardigd in het Amsterdamse atelier van Alexander Baart, waarschijnlijk naar ontwerpen van de Antwerpse schilder Lodewijk van Schoor.

 

Vertrekkamer

De Vertrekkamer was oorspronkelijk bedoeld voor vergaderingen van raadscommissies. Nu zetelt hier het secretariaat van de burgemeester.

In deze ruimte springt de grote wandschildering van schilder Harmen Wouters Beekkerk(1756-1796) uit 1788 direct in het oog. Beekkerk schilderde Mozes die zich in de woestijn met uitgestrekte armen richt tot een groep Israëlieten. Midden op de voorgrond staan een jonge man met een rode toga en een oude man met baard en tulband, op de achtergrond het tabernakel of de Arke des Verbonds met erboven een rookpluim. Het stuk verbeeldt het verhaal van Mozes die tijdens de tocht door de woestijn genoeg krijgt van de jammerklachten van het volk en zegt dat de verantwoordelijkheid hem te zwaar wordt. God antwoordt hem dan: “Verzamel mij zeventig mannen uit de oudsten Israëls van welke gij weet, dat zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult hen brengen voor de tent der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen” (bijbelboek Numeri, hoofdstuk 11). Mogelijk verbeeldt de wandschildering de vroedschap luisterend naar het volk. Beekkerk heeft zich laten inspireren door de reusachtige afbeelding van Mozes en de zeventig oudsten in de vroedschapskamer van het stadhuis van Amsterdam, in 1735 geschilderd door Jacob de Wit (1695-1754).

 

Het schoorsteenstuk boven de schouw is rond 1720 geschilderd door Freerk Haijema. Het is een allegorie op de Wijsheid verbeeld door Athene of Minerva, de godin van de kunsten.

 

Nieuwe Zaal

Tegenover de Raadkamer en de Vertrekkamer ligt de Nieuwe Zaal. Stadsarchitect Thomas Romein kreeg in 1847 de opdracht deze ruimte als raadzaal in te richten. Hij maakte een ontwerp in empirestijl, met veel in imitatiemarmer geschilderde wanden en stucwerk, dat we in veel vorstelijke gebouwen en stadhuizen uit die tijd terugzien. Het plafondstucwerk is gemaakt door de Leeuwarder Jan Mertens. Tegenwoordig is de Nieuwe Zaal de vergaderruimte voor het College van Burgemeester en Wethouders. In de zaal hangen portretten van leden van het koninklijk huis. Boven de schouw het portret van prinses Beatrix (1938), in 1982 geschilderd door Koosje van Keulen (1940). Hier tegenover dat van haar grootmoeder koningin Wilhelmina (1880-1962), in 1948 naar een foto geschilderd door de Leeuwarder kunstenaar Dick Osinga (1913-1997). In de zaal hangen verder de portretten van de drie eerste vorsten uit het huis Oranje namelijk die van koning Willem I (1772-1843), koning Willem II (1792-1849) en koning Willem III (1817-1890). Ze zijn alle drie rond 1860 geschilderd door Johan Joeke Gabriël van Wicheren (1808-1897) die zich hierbij baseerde op portretten van andere kunstenaars.

 

De zolder (tweede verdieping)

Boven aan de statietrap komt men op de zolder waar tot 1970 het gemeentearchief van de stad huisde. In 1970 verhuisde het archief naar een pand in de Grote Kerkstraat, maar sinds 2007 is het gemeentearchief onder de naam Historisch Centrum Leeuwarden (HCL) gevestigd aan de Groeneweg. Aan het gemeentearchief herinnert nog de ingebouwde ladenkast in de kamer rechts vooraan. De kast zal gemaakt zijn in opdracht van Wopke Eekhoff (1809-1880), in 1838 de eerste betaalde stadsarchivaris van Nederland. In de vele laden werden de archiefstukken opgeborgen. De kast kon alleen met twee verschillende sleutels, die beheerd werden door twee bodes, worden geopend. Aan de wand in het ruim hangen pen­tekeningen met portretten van alle burgemeesters van Leeuwarden sinds 1824. Ook zijn twee bijzondere schilderijen met Leeuwarder stadsgezichten te zien.

Tussen de ramen hangt een gezicht op de Kanselarij aan de Turfmarkt, in 1862 geschilderd door Kasparus Karsen (1810 –1896). Het geeft een geromantiseerd beeld van de Kanselarij en de Turfmarkt. Het rechts gelegen zestiende-eeuwse Landschapshuis was rond 1850 al afgebroken en vervangen door het in 1984 afgebroken Ritske Boelema Gasthuis. Op die plek staat nu een appartementencomplex. De Kanselarij zelf werd in de periode 1566-1571 gebouwd, vermoedelijk op kosten van de Spaanse koning Filips II, als zetel van het Hof van Friesland, het hoogste juridische orgaan van het gewest.

Rechts hangt een gezicht op de Vismarkt te Leeuwarden die vroeger halverwege de Voorstreek werd gehouden. Het is waarschijnlijk rond 1835 gemaakt door de schilder Otto de Boer (1797-1856). Op de voorgrond is de bedrijvigheid van de Vismarkt te zien, op de achtergrond een doorkijkje door de Koningsstraat naar de Kanselarij. De banken op de Vismarkt werden in de loop van de negentiende eeuw afgebroken en de vismarkt verhuisde naar de Oosterkade. Het tweedeurs kabinet links van de ingang stamt uit het midden van de zeventiende eeuw.

 

De Oranjezaal
In het trappenhuis voeren dubbele deuren op het tweede bordes naar de majestueuze Oranjezaal die bij de uitbreiding van het stadhuis in 1760 als raadzaal werd ingericht. Het ontwerp was van hofarchitect Pieter de Swart (1709-1772). De nieuwe raadzaal kreeg een betimmering in rococostijl waarin acht grote vlakken uitgespaard waren voor portretten van de zeven Friese stadhouders. Tegenwoordig zijn er zes portretten te bewonderen, de vlakken aan weerszijden van de monumentale schouw zijn in de negentiende eeuw vervangen door grote ramen. Boven elk portret en ook boven de vier paar dubbele deuren zijn grisailles met symbolische voorstellingen te zien. De grisailles zijn van Rienk Keijert (1709-1775), de voorstellingen boven de deuren zijn van hem en Rienk Jelgerhuis (1729-1806). Rienk Keijert was de grote decorateur van de uitbreiding van 1760, zoals Freerk Haijema dat was van de bouw van het stadhuis in 1715. De symbolische voorstellingen op de grisailles verwijzen allemaal naar goed bestuur. De stadhoudersportretten van zijn hand werden in 1795 door patriotten uit het stadhuis gesloopt en verbrand. De grisailles bleven gespaard.

In de negentiende en twintigste eeuw eeuw werden de lege vlakken geleidelijk gevuld met portretten van de achtereenvolgende Nederlandse vorsten, geschilderd door de vooraanstaande Friese kunstenaars van hun tijd.

 

Op de schouw prijkt een door Willem Bartel van der Kooi (1768-1836) geschilderde kopie van een portret van prinses Maria Louise van Hessen-Kassel (1688-1765). De kopie werd in 1836 vervaardigd naar een portret van de Friese schilder Matthijs Accama (1702-1783) van omstreeks 1760 waarin de prinses in weduwedracht is weergegeven. Haar echtgenoot prins Johan Willem Friso (1687-1711) verdronk bij Moerdijk in het Hollands Diep tijdens een zware storm. Na de dood van haar man trad Maria Louise op als regentes voor hun zoon Willem Karel Hendrik Friso (Willem IV) die uiteindelijk in 1731 stadhouder werd. Maria Louise was geliefd bij de plaatselijke bevolking en werd Marijke Meu genoemd(tante Marijke).

 

Naast de schouw hangt het portret van koning Willem I (1772-1843), in 1832 door dezelfde Willem Bartel van der Kooi geschilderd. Hij is net als bij alle volgende vorstenportretten ten voeten uit afgebeeld. De koning staat voor een stoel op een verhoging en is sober gekleed in een uniform met epauletten op de schouder en een ordeteken op de borst. Boven de koning bevindt zich een grisaille van Rienk Keijert met een allegorische verbeelding van diverse deugden, voorgesteld door vrouwenfiguren op wolken: links Fortitudo( Kracht) met harnas en knots en rechts de Deugd of Liefde wijzend naar haar hart en met een lauwerkrans en een speer.

 

Tussen de deuren volgt het portret van koning Willem II (1792-1849), omstreeks 1865 geschilderd door Johan Joeke Gabriël van Wicheren (1808-1897). Het is een kopie naar een ouder portret uit 1841 door Jan Adam Kruseman (1804-1862), een in zijn tijd gevierd portretschilder van de Nederlandse society. Ook Willem II is gekleed in een kostuum met grote epauletten, maar anders dan zijn vader heeft hij een hele serie ordetekenen op zijn borst en wordt hij afgebeeld met de symbolen van het koningschap: een hermelijnen mantel, kroon en scepter. De grisaille boven zijn portret verwijst naar de kracht en vooruitziendheid van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Op wolken zitten twee vrouwenfiguren met tussen hen in een medaillon in de vorm van een lauwerkrans. Links een vrouw met helm, speer en een zwaard met een slang in de handen. De attributen horen bij Minerva en beelden Fortitudo (kracht) uit. Rechts een vrouw met een spiegel in haar hand en een diadeem op haar hoofd. Zij stelt Prudentia voor, haar standaard attributen zijn de spiegel en de slang. De krans is een zegekrans van laurier met in het midden onder meer een trofee met zeven vaandels die de gewesten in de Republiek voorstellen.

 

Bij het raam hangt het portret van koning Willem III (1817-1890). Hij is net als zijn vader afgebeeld met alle symbolen van het koningschap. Ook dit portret is omstreeks 1865 geschilderd door Johan Joeke Gabriël van Wicheren. Het is een kopie naar het statieportret van Nicolaas Pieneman (1809-1860) uit 1856. De grisaille daarboven toont de symbolische voorstellingen van Wijsheid en Zwijgzaamheid: Zwijgzaamheid met een vinger aan de mond en Wijsheid met ontblote borst en een offerschaal. Ze verwijzen naar eerbied of edelmoedigheid en naleving van de statuten van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

 

Rechts naast de schouw vinden we de portretten van achtereenvolgens de koninginnen Wilhelmina, Juliana en Emma. Koningin Wilhelmina (1880-1962) werd in 1906 geschilderd door de oorspronkelijk uit Leeuwarden afkomstige schilder en professor aan de Amsterdamse Rijksacademie, Johannes Hendricus Jurres (1875-1946). Net als haar vader en grootvader is zij afgebeeld met de koninklijke regalia. Boven haar hangt de grisaille die verwijst naar Overwinning en Noodlot ofwel een verwijzing naar de zegevierende Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en haar bedreiging, namelijk de Vergankelijkheid of het Lot. Ook hier zitten twee vrouw­figuren met tussen hen in een medaillon in de vorm van een lauwerkrans. Links zit waarschijnlijk de gevleugelde godin Nike, met lauwerkrans en mare- of olijftak, symbool van de Overwinning. Rechts een vrouw met een vogel (duif of raaf) op haar hand en een ster boven haar hoofd, waarschijnlijk de verbeelding van het (Nood)lot. In het midden van de krans een trofee en erboven een oog (in een wolk) met daaronder een zwaard, lauwertak en papierrol. Een oog in een wolk of driehoek is meestal het symbool van het Goddelijke Oog en de Drie-eenheid: hier waarschijnlijk de Eenheid van de Republiek.

 

Het portret van koningin Juliana (1909-2004) werd in 1949 geschilderd door Piet van der Hem (1885-1961). Ook zij staat weer op een verhoging voor een stoel. Het enige koninklijke attribuut is de hermelijnen mantel. Haar portret is opvallend lichter van toon dan de overige vorstenportretten. Boven het portret is de grisaille te vinden met de symbolische voorstellingen van Vrijheid (vrouw met vrijheidshoed) en Godsdienst en de spreuk Je maintiendrai (Ik zal handhaven) . In het medaillon is de hand van God weergegeven. De voorstelling verwijst naar de godsdienstvrijheid in de Republiek en de handhaving hiervan onder het gezag van de Oranjes.

 

Bij het raam in de frontgevel hangt tenslotte het portret van koningin/regentes Emma (1858-1934), in 1893 geschilderd door Christoffel Bisschop (1828-1904), een in die tijd vooraanstaand schilder van vooral grote pronkstillevens in de zeventiende-eeuwse traditie. Hij werd net als Piet van der Hem in Leeuwarden geboren. Bisschop heeft de koningin staand op een verhoging weergegeven gekleed in een zwart kostuum met sleep. Het enige accent komt van het rode gordijn. Boven haar portret bevindt zich een allegorische voorstelling van het bestuur van stad en land. Ook hier twee vrouwenfiguren met tussen hen in een medaillon. De vrouw met ontblote borst verwijst naar de stedenmaagd maar ook naar de Hollandse maagd, de bundel pijlen naar de eenheid van de gewesten binnen de Republiek.

 

Naast het portret van koning Willem I hangt van Keijert en Jelgerhuis de voorstelling van een gehelmde vrouw met in haar rechterhand palmtakken met op het lint in het latijn ‘Pro lege et grege fidelis’ (Getrouw voor de wet en het volk). Andere symbolen verwijzen naar hetzelfde zoals de weegschaal naar gerechtigheid. Tussen de koningen Willem II en Willem III hangt de voorstelling van een vrouw met in de ene hand een olijftak en in de andere een scepter omslingerd met een rol met het opschrift ‘Juste Regendo’ (Om goed te regeren). Op haar schoot ligt een opengeslagen bijbel: zij zit aan het roer van een schip met naast haar een passer en boeien, een erekrans wordt haar aangereikt. Zij is de verpersoonlijking van Vrede en Gerechtigheid. De voorstelling naast koningin Wilhelmina is een allegorie op Veiligheid, Kracht en Orde verbeeld door allerlei symbolen (leeuw, handboeien enz. ) en benadrukt door het lint met het opschrift ‘Securitas publica’ (Openbare veiligheid). Tussen de koninginnen Juliana en Emma tenslotte hangt een allegorie op Overvloed en Eenheid. De Overvloed wordt verbeeld door hoornen des overvloeds gevuld met schatten en fruit en de Eenheid o.a. door de bundel pijlen. Het lint met het opschrift ‘Antiqua virtute et fide’ (Door de oude deugd en trouw) benadrukt nog eens wat de voorstelling wil zeggen.

 

In het fraai gestucte plafond zijn in de hoeken voorstellingen te vinden die het programma rond het goede bestuur van stad en land nog eens benadrukken. Opnieuw zien we symbolen die we elders in het gebouw al eerder gezien hebben o.a. Prudentia (Voorzichtigheid) met spiegel en slang, Justitia (Gerechtigheid) met weegschaal, Overvloed en Liefde en Geloof met de hand op het hart. Het stucwerk is van Jean Baptist Singer. Hij werkte ook aan de raadhuizen van Sneek, Workum en Franeker. Bij de restauratie van 2005 werd de raadzaal omgedoopt tot Oranjezaal. De zaal is tegenwoordig een geliefde trouwlocatie en wordt ook veel gebruikt voor andere feestelijke aangelegenheden.

 

Trappenhuis

Vanuit de Oranjezaal komt men in het trappenhuis dat bij de restauratie van het stadhuiscomplex in 2005 als verbinding tussen de oude en de nieuwe raadzaal in de Hoofdwacht is gerealiseerd. Het trappenhuis met liftschacht is gemaakt van een lichte staalconstructie met glas en gesitueerd in de oude binnenplaats. In de houten gekantelde kubus op poten zijn de sanitaire voorzieningen ondergebracht.


De Raadzaal

Vanuit het trappenhuis komt men in de raadzaal met de moderne vergaderopstelling met drie ovale ringen. Er is een royale publieke tribune. De nieuwe raadzaal is op knappe wijze in de naast het oude stadhuis gelegen Hoofdwacht ingebouwd. De gevel van de Hoofdwacht wordt gekenmerkt door de neoklassieke stijl van architect Thomas Romein met zijn gestucte gevels, zuilen en rondbogige ramen.

 

Dit pand dateert uit 1845, maar al sinds 1688 was hier de Hoofdwacht gehuisvest met de stadhouderlijke garde die verantwoordelijk was voor de bewaking van het tegenover gelegen Stadhouderlijk Hof.

 

Het gebouw deed later onder meer dienst als kantongerecht en politiebureau en huisvestte gemeentelijke diensten.

 

Naast de raadzaal zijn in het pand enkele fractiekamers en vergader- en kantoorruimten ingericht.


Bekende Leeuwarders in de toegangshal

De entree van het stadhuis bevindt zich in de zijvleugel die in 1760 in Lodewijk XV of rococo stijl werd gerealiseerd. Het ontwerp is van hofarchitect Pieter de Swart (1709-1772), die ook verantwoordelijk was voor de bouw van Paleis Lange Voorhout (tegenwoordig Museum Escher in Het Paleis) en de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Stadstimmerman Jan Nooteboom (1734-1812) was belast met de uitvoering en voerde een paar kleine wijzigingen door in het ontwerp.

 

 

In het plafond van de toegangshal zijn 28 portretten van beroemde Leeuwarders weergegeven. Naast een aantal Friese stadhouders zijn de portretten te zien van onder meer Saskia van Uylenburgh (1612-1642), de jong overleden vrouw van Rembrandt van Rijn (1606-1669), en van de beroemde Mata Hari, die in 1876 in Leeuwarden geboren werd als Margaretha Geertruida Zelle en in 1917 in Vincennes (bij Parijs) wegens vermeende spionage werd gefusilleerd. Daarnaast zijn de schilders Lourens Alma Tadema (1836-1912) en Gerrit Benner (1897-1981) afgebeeld en ook de schrijvers Jan Jacob Slauerhoff (1898-1936) en Sjoukje Bokma de Boer, pseudoniem van Nienke van Hichtum (1860-1939), echtgenote van de eveneens in Leeuwarden geboren politicus Pieter Jelles Troelstra (1860-1930). De plafondpanelen zijn ontworpen door Berber van den Brink van Loft Webdesign en Grafische Vormgeving.

 

Colofon
Tekst: Gert Elzinga, onder redactie van het Historisch Centrum Leeuwarden (HCL)
Ontwerp: Richard Bos
Foto’s: Harrie Muis, Fotobureau Het Hoge Noorden, Joop van Reeken Fotografie

 

 

Terug