Rond tuinen in Leeuwarden

De ‘Stadswandeling’ van Leeuwarden: Parken en Monumenten

Nagenoeg letterlijke tekst van de gelijknamige in 1986 verschenen brochure met bijdragen van: A.G. Appelman, E. Hof-de Boer en G.P. Karstkarel.

Inleiding
De in de zestiende en zeventiende eeuw vorm gekregen Nederlandse steden raakten in de achttiende eeuw zo verdicht van structuur dat vele toch al niet zo weidse stadstuinen geheel of gedeeltelijk raakten volgebouwd. Het is opvallend dat het gebruik van de wallen rond de stad in de zeventiende eeuw nog aan regels gebonden was. Vrijwel alle niet-militaire activiteiten waren verboden, terwijl daarna, met het afnemen van het strategische belang van de vestingen, het gebruik van de wallen vrijer werd. Bij gebrek aan groen in de binnensteden gaan de stedelingen zich verpozen op de veelal met bomen beplante wallen. Al spoedig wordt deze rondgang over de beplante wallen “de stadswandeling” genoemd. Ook in Leeuwarden heeft die stadswandeling bestaan en aan deze is na de ontmanteling van de vesting tussen 1825 en 1850 zelfs nog meer allure gegeven door de aanleg van parken. Daarvan zijn sindsdien weer belangrijke delen verdwenen maar in het noordwesten en noorden heeft de oude binnenstad haar groene stadswandeling nog behouden. Het vormt de kern van de hier gepresenteerde wandeling langs groene, stenen en kunst-monumenten en kreeg daarom de traditionele naam van “de stadswandeling”.

De stadswandeling is te volgen op het kaartje. De nummers zijn ook in de tekst opgenomen. De stadswandeling is op initiatief van de Nederlandse Tuinenstichting en de Bond Heemschut tot stand gekomen ter gelegenheid van de viering van Leeuwarden 700. Samenstellers zijn medewerkers van de D.S.O. afdeling Plantsoenen en de Monumentenzorg van de gemeente Leeuwarden en een lid van de Tuinenstichting. De Stichting Moderne Architectuur Friesland was bereid om de uitgave van het boekje te verzorgen. De kern van de stadswandeling, parken en plantsoenen uit de negentiende en twintigste eeuw, paste goed in haar streven om de kennis over de architectuur en stedenbouw uit die periode te verspreiden.


1. Station
2. Voormalige Veemarkt
4. Vrouwenpoortsdwinger
5. Westerpark
6. Vrouwenpoortsbrug met brugwachterswoning
7. Beeld Van Welderen Rengers
8. Plastiek "De Bijenkorf"
9. Oldehove
10. Beeld Troelstra
11. Plastiek "Gevleugeld Denken"
12. Noorderplantage
13. Beeldje "Koerierster"
14. Pier Pander-tempel
15. Prinsentuin
16. Zomerhuis, thans Theeschenkerij
17. Pier Pander-museum
18. Orkestschelp
19. Verzetsmonument
20. Nieuwe Stads Weeshuis
21. Nieuw St. Anthonij Gasthuis
22. Gasthuistuin
23. Complex van de vm. Coöperatieve Handelsdrukkerij
24. Voormalige Hoofdwacht
25. Stadhuis
26. Wilhelminaboom
27. Voormalig Stadhouderlijk Hof
28. Beeld Willem Lodewijk
29. Voormalig Frysk Letterkundich Museum
30. Voormalig Catharinaklooster
31. Voormalige pastorie Nijehove
32. Grote - of Jacobijnerkerk
33. Julianaboom
34. Boshuisen Gasthuis
35. Binnenterrein achter Stads Weeshuis
36. Luilekkerland
37. Wissesdwinger
38. Rengerspark
39. Oude Algemene Begraafplaats

De “Stadswandeling”
In het midden van de vorige eeuw kon Leeuwarden een van de groenste steden van Nederland genoemd worden. De binnenstad was toen vrijwel geheel omvat door een fraaie groene gordel waarvan de Prinsentuin midden in het noordelijk deel van die gordel het hoogtepunt vormde. Sindsdien is er veel veranderd en het groen moet thans vooral gezocht worden in het noorden van de binnenstad, een zeer gevarieerd gebied met een boeiende afwisseling van oude en minder oude monumenten. Het is dus zaak oom juist dat gebied, met nog steeds de Prinsentuin als hoogtepunt, te leren kennen.

De tocht kan het best begonnen worden bij het station (1). Daar zijn op het voormalige veemarktterrein zeer ruime parkeervoorzieningen en in een zijvleugel van het station is het V.V.V.-kantoor aanwezig.

De spoorlijn Harlingen-Leeuwarden kon in 1863 geopend worden en een jaar later werd het station, het standaardtype van de 3e klasse van de Staatsspoorwegen, geopend. De verbinding werd in 1866 naar Groningen doorgetrokken. In 1868 kwam de spoorlijn naar Zwolle tot stand en in 1883 die naar Sneek en vervolgens naar Staveren. Het witgepleisterde gebouw met een rondbogig vensterritme als een neo-classicistische colonnade moest verschillende malen vergroot worden en kreeg lange vleugels. In 1904 verbouwde men de hal tot een zeer decoratief geheel met o.a. gekleurd glas en tegeltableaus en toen werd ook de grote driedelige overkapping met lange marquises toegevoegd en twee fraaie houten kiosken gebouwd. Op het plein voor het station staat een oude plataan met een kunstwerk in de vorm van een plantenbak. Deze boom is te herkennen aan de afschilferende bast, het grote blad en zijn aparte vruchten.

De Sophialaan die loodrecht op het station uitkomt, leidt naar de binnenstad en laat aan de oostzijde nog de witte villa’s zien die het hoogtepunt vormden (en nog vormen) van de zuidelijke stadsuitleg die in de jaren 1860 tot ’80 gestalte kreeg tussen oude stad en station. Rijen lindebomen midden op het trottoir verhogen de allure van de laan. Aan de westelijke zijde ligt de voormalige veemarkt (2), lang een ruim en kaal parkeerterrein, waar voorheen lindebomen een dak boven het vee vormden. Inmiddels volgebouwd met kantoorgebouwen. We kunnen linksaf slaan om langs de moderne kantoren van de Lange Marktstraat de Verlaatsbrug te bereiken. Voor ons ligt de Tesselschadestraat met grote kantoorblokken (met het hoogste gebouw van Noord-Nederland) die rechtstreeks naar de Frieslandhal leidt, maar wij gaan over de brug onmiddellijk rechts af de Westersingel op. Omstreeks 1900 zijn hier enkele woonstraten buiten de stadsverdedigingsgracht gegroeid: een charmant en afwisselend architectonisch geheel en terecht “meegenomen” binnen de grenzen van het beschermd stadsgezicht. De hoge populieren langs de waterkant vormen het aangename profiel van de Westersingel. Van dat grensgebied van het historische Leeuwarden uit is er goed zicht op de stadsrand aan de overzijde van het water die omstreeks 1850 nog geheel groen was. Bij de hiervoor genoemde zuidelijke stadsuitleg is het zuidwestelijke gedeelte verstrakt en versteend, maar ten noorden van de pijp (stenen overkluizingen worden in Leeuwarden pijpen genoemd) over de uitgang van het Schavernek, daar waar de stadsgracht een flauwe knik naar het noordwesten maakt, is nog een fraai gedeelte van de “stadswandeling” te zien, de Vrouwenpoortsdwinger (4), ook wel Westerplantage genoemd.

De uit de jaren -1600 daterende gebastioneerde stadsverdedigingswallen werden van 1824 af geslecht. Leeuwarden behoorde met Arnhem, Haarlem en Utrecht tot de Nederlandse steden die zich het eerst gingen ontmantelen. Het kreeg hier gestalte met een groene stadswandeling aan noord-, west- en zuidzijde, maar de ingrijpende vernieuwing, werkzaamheden op het gebied van ruimtelijk ordenen van ongekende omvang, had ook tot gevolgd dat huisvesting van allerlei nieuwe functies in die stadsrand gerealiseerd werd: een gevangenis met huis van bewaring, een stadsziekenhuis, een militair hospitaal, een manege, een kazerne, een theater- en concertgebouw, een beursgebouw. De ontwikkeling in Leeuwarden waren niet anders dan die in andere Nederlandse vestingsteden, maar deze stad was er wel vroeg mee. De uniforme harde groene stadsrand van weleer veranderde in deels een versteende omgeving van kades en bebouwing en anderdeels parken die met een glooiend en golvend verloop een zachte stadsrand opleverde. De plantsoenering van de stadswallen vond plaats vanuit de Prinsentuin die het centrum van de groene gordel is gebleven. De hele operatie stond onder leiding van stadsarchitect Gerrit van der Wielen (1767-1858) en ontwerper van de fraaie plantsoenen was Lucas Pieter Roodbaard (1782-1851). De Lieve Vrouwenpoort bij de noordwestelijke ingang van de stad werd in 1837 gesloopt, de dwinger (in Friesland en de stad Groningen worden bastions of bolwerken altijd dwingers genoemd) gedeeltelijk geslecht en geplantsoeneerd.

Het is het eerste stuk van de groene zoom dat we kunnen aanschouwen. Recht tegen de Vrouwepoortsdwinger ligt aan de Westersingel het Westerpark (5), dat bij de Leeuwarders bekend staat als het Vosseparkje, omdat Vosman ten noorden van dit park zijn molen had staan. Van oorsprong is het geen park, maar een gebied dat met een grote verswatervijver in een eerste levensbehoefte van de inwoners van Leeuwarden moest voorzien. In 1826 was er aan de andere kant van de stad bij de Oostersingel aan de overzijde van de Kazerne een eerste verswatervijver aangelegd. Roodbaard was er de ontwerper van. Een heringericht restant is er met enig plantsoen, het Oostervijverpark genaamd, nog te vinden. Deze vijver bleek bij lange na niet te kunnen voldoen aan de in warme en droge zomers zeer dringende behoefte. Daarom werd aan de westelijke zijde van de stad aan de Westersingel op een terrein van 3 ha. een tweede vijver gegraven. “Tuinaanlegger” Gerrit Lambertus Vlaskamp (1834-1906) uit Hardegarijp ontwierp in 1872 een golvend en fraai beplant terrein om de ruime vijver. De betekenis voor de watervoorziening van de vijver met plantsoen nam geleidelijk af nadat Leeuwarden in 1888 en volgende jaren van een drinkwaterleiding werd voorzien. Het park is in 1926 heringericht in landschapsstijl. Deze uit Engeland afkomstige stijl kwam in Nederland aan het einde van de achttiende en het begin van de negentiende eeuw tot ontwikkeling. Kenmerken zijn o.a. glooiende hellingen waardoor de gazons vaak geschulpt van vorm werden, de lange vijvervorm, waarmee men bij de illusie van een meanderende beek ook wilde bereiken dat het park groter leek dan het in werkelijkheid was. Solitaire bomen of boomgroepen op de verhoogde terreingedeelten die de ervaring van het park nog eens dramatiseerden en houten bruggen, pergola’s en andere bouwsels moeten het zeer afwisselende geheel dan completeren. In het Westerpark is bijvoorbeeld de rustieke steiger overkoepeld door het gebladerte van paardekastanjes en vormt er een uniek gegeven. De beplanting bestaat overwegend uit loofhout. Exotische en bijzondere exemplaren zijn o.a. papierberken (met hun afschilferende bast), treurwilgen, kurkeiken, vleugelnoten, blauwe atlasceder en een ginkgo biloba. Deze ginkgo is een bladverliezende boom uit het fossiele tijdperk, hetgeen aan de bladvorm duidelijk te zien is.

De Westersingel verder afwandelend komen we bij de Vrouwenpoortsbrug (6). Hier werd kort na het midden van de vorige eeuw een ijzeren draaibrug geplaatst. Er moesten al spoedig herstellingen plaatsvinden, omdat zij niet goed sloot. In 1869 brak zij in tweeën. De nieuwe draaibrug die twee jaar later gebruikt kon worden, bleek te zwaar om gedraaid te worden en opnieuw moest de brug hersteld worden wat nagenoeg neerkwam op een kostbare vernieuwing. Intussen was er in 1864 naar het ontwerp van stadsarchitect Thomas Romein (1811-1881) een aardige brugwachterwoning in de classicistische rondbogenstijl tot stand gekomen die, evenals die bij de Noorderbrug, nog bestaat. De draaibrug van 1879 bleef op den duur toch moeilijkheden veroorzaken. De draaipijler was te licht gefundeerd om de zware brug te kunnen blijven dragen en de smalle structuur bleek in de jaren -1930, toen het wegverkeer een hoge vlucht nam, van te geringe capaciteit. In het ontwerp-uitbreidingsplan was aangegeven dat er in het verlengde van de Nieuwestad een nieuwe brug over de rechtgetrokken stadsgracht zou komen, maar toen financiële middelen in 1932 ter beschikking werd gesteld, achtte men het raadzaam om de oude plaats te handhaven. De fraaie Vrouwenpoortsdwinger, waar toen al een café met terras stond, kon zo gehandhaafd worden. Er kwam een basculebrug die met verzorgd gemetselde walkanten en borstweringen, maar zonder versierend beeldhouwwerk, omdat de crisistijd dat niet mogelijk maakte, zich goed voegt in de plantage. De herstructurering van het verkeersplein in de jaren -1970 is overigens wel ten koste van flinke stukken plantsoen geschied.

Over de brug de binnenstad binnengekomen, zien we rechts voor de heuvelvormige Vrouwenpoortsdwinger (4) het in 1955 door Hildo Krop vervaardigde bronzen herdenkingsbeeld van Theodorus M.T. van Welderen Rengers (7) (1867-1945), staatkundige en sociaal hervormer. Vermeldenswaardige bomen op deze dwinger zijn o.a. de monumentale paardekastanjes en de goudessen. Van deze essen wordt het blad naarmate het jaar vordert steeds geler en ze steken daarmee af tegen het donkere gebladerte van de overige bomen. Aan de andere zijde van de heuvel staat aan het water het ijzeren plastiek Bijenkorf (8) dat W.J. Valk in 1955 vervaardigde, maar hier in 1964 geplaatst werd.

Als we ons nu omdraaien en de Westerplantage in noordelijke richting uitlopen dan belanden we aan de voet van de scheve en kromme Oldehove (9), het symbool van Leeuwarden.

De nooit voltooide toren kreeg zijn naam van de terp Oldehove, een middeleeuwse agrarische nederzetting die van oudsher een uithof van het klooster Corvey in Duitsland was. Dat klooster stichtte er al vroeg een parochiekerk. Toen Leeuwarden in de late middeleeuwen tot een flinke stad gegroeid was, beviel de oude kerk niet meer en maakte men plannen om een nieuwe en fraaie kerk te bouwen. In 1529 kon onder leiding van bouwmeester Jacob van Aken begonnen worden met de bouw van een grote toren aan de westzijde. Meester Jacob zorgde voor een goede fundering van de zware toren, maar had te weinig ervaring op niet erg stabiele kleigrond. Toen de torenbouw een meter of tien gevorderd was, begon de toren naar de noordwestelijke zijde te zakken. Toch bleef men doorwerken en wel te lood, maar de toren bleef zakken. In 1532 overleed Jacob van Aken, naar gezegd wordt van chagrijn om het ongelukkige verloop van de bouw. Ook daarna werd het werk voortgezet, nu onder leiding van Cornelis Frederiks. De torenromp bleef niet alleen scheefzakken, maar werd geleidelijk hoger en krommer, omdat er steeds te lood gewerkt werd. Na voltooiing van de tweede trans werd de bouw in 1533 gestaakt. Met de kerk waarvan de aanzetten van de bogen aan de oostzijde van de toren te zien zijn, is niet eens begonnen en de oude, bouwvallige kerk werd in 1595/’96 gesloopt.

De indrukwekkende Oldehove, een fraai staal van laat-gotische bouwkunst, is slechts een aanzet tot een omvangrijk, maar mislukt bouwprogramma. Ten noorden van de Oldehove is in 1962 het door Hildo Krop vervaardigde bronzen standbeeld geplaatst van de in Leeuwarden geboren en getogen Friese dichter en socialistische staatsman Pieter Jelles Troelstra (10). Aan de overzijde van de Boterhoek en ten westen van het moderne bibliotheekgebouw van Tresoar (ontwerp P.H. Tauber 1959, voltooid 1969) is midden in een carré-vormige zithoek in 1969 het bronzen beeld “Gevleugeld denken” (11) van Ybe van der Wielen geplaatst.

We kunnen vervolgens de Noorderplantage, de voormalige Noorderdwinger (12) opwandelen. Aanleg en beplanting van deze dwinger, een onderdeel uit de eerder genoemde ontmanteling van de vestingwallen, vond in 1843 plaats en betekende een forse uitbreiding van het Prinsentuingebied (anno 2005 meer teruggebracht in de Roodbaardstijl), waar deze plantage op aan werd gesloten. De dwinger was vroeger vooral met iepen beplant. Deze voor het noorden zo kenmerkende bomen zijn door iepziekte aangetast en moesten gekapt worden. Nieuwe aanplant van verschillende boomsoorten moet voor een lommerrijke omgeving voor de komende generaties zorgen. De op de Noorderdwinger gehandhaafde molen werd later gesloopt, maar een van de molenaarshuizen is gehandhaafd en bij de restauratie in de jaren -1970 uitgebreid. Aan het water staat het kleine bronzen beeldje “de Koerierster” (13), vervaardigd door Tineke Bot en in 1981 geplaatst na een anonieme schenking ter herdenking van de laatste oorlogswinter.

De blikvanger op de Noorderplantage is de Pier Pander-tempel (14). De uit Friesland afkomstige beeldhouwer Pier Pander (1864-1919) won in 1886 met het beeld “Stroomnimf” de Prix de Rome. Bottuberculose verhinderde een spoedige studiereis naar Rome. Toen hij na twee jaar toch naar de eeuwige stad kon afreizen, vestigde hij zich er voorgoed. Zijn huis in Rome werd een ontmoetingsplaats voor Nederlandse kunstenaars; Louis Couperus was een van zijn gasten en hij heeft zijn bewondering voor Panders kunst verschillende malen gepubliceerd. Het idealistische classicisme van Pander werd in het fin de siècle zeer gewaardeerd en in 1900 mocht hij de nieuwe beeldenaar van de zilveren munten met koningin Wilhelmina ontwerpen. Pier Pander was toen net aangevangen met de ideevorming van een totaal-kunstwerk, een kunsttempel met beelden. Na zijn dood, toen de gemeente Leeuwarden zijn legaat aanvaardde, ontwierp Panders vriend, architect Joan Melchior van der Mey met de vormgever N.P. de Koo en in samenwerking met de dienst der Gemeentewerken een rond tempeltje in de vorm van een antiek baptisterium of martyrium om daar de beeldengroep in onder te brengen. Ernesto Gazzeri uit Rome voerde de gipsen modellen van Pander in marmer uit: personificaties van de ochtend, het ontwakend gevoel, de opkomende gedachte, de moed en de kracht. Het tempeltje werd in 1924 geopend. Bezoek is mogelijk na aanmelding in het Pier Pandermuseum (zie nr. 19).

De Prinsentuin (15) is een van de belangrijkste historische monumenten van Leeuwarden. Niets herinnert op zo’n aangename wijze aan het feit dat Leeuwarden van 1584 tot 1765 hofstad was.

In 1648, het jaar van de vrede van Munster die een einde maakte aan de 80-jarige oorlog, verzocht Willem Frederik, graaf van Nassau-Dietz, de vierde staatse stadhouder sinds de opstand, het Leeuwarder stadsbestuur om een deel van de Doeledwinger, de middelste van de noordelijke stadsverdedigingsbastions, in te mogen richten tot lusttuin. De wallen en onmiddellijke omgeving mochten eigenlijk uitsluitend voor krijgskundige doeleinden gebruikt worden, maar de magistraat kon niet weigeren. De stadhouderlijke tuin is de volgende eeuw herhaaldelijk verfraaid en uitgebreid. In 1652 toen Willem Frederik ging trouwen met de dochter van Frederik Hendrik, Albertina Agnes die het Haagse hof was gewend, liet hij niet alleen het stadhouderlijk hof verbouwen maar ook de lusttuin verbeteren. Gardeofficier jonker Doecke van Hemminga had bij de inrichting de leiding nadat hij bij Jacobs Cats die het buiten Zorgvliet (thans het Catshuis genoemd) bij ’s-Gravenhage had aangelegd, advies ingewonnen. De zoon van de stichter, stadhouder Hendrik Casimir II, breidde de tuin naar het oosten en westen uit. Aan de oostzijde kwam de keukentuin met gewassen voor de consumptie. Er werd een orangerie voor het kweken van speciale bloemen en planten, een broeikas en een hovenierswoning gebouwd. Op de punt van de dwinger liet de stadhouder een fraai zomerhuis met een pilastergevel optrekken. Johan Willem Friso was tijdens zijn korte leven zo vaak op krijgstocht in de zuidelijke Nederlanden dat hij zich niet om de tuin - die na het overlijden van Willem III de Prinsentuin genoemd kon worden, omdat de Friese stadhouder zich toen Prins van Oranje Nassau kon noemen - heeft kunnen bekommeren. Zijn weduwe Maria Louise van Hessen-Kassel haalde vanuit haar voorouderlijk hof aan de Fulda een bekwaam hovenier, Johann Hermann Knoop. Die legde voor zijn vorstin niet alleen het buiten Mariënburg even ten zuiden van de stad aan, maar was ook verantwoordelijk voor het onderhoud en verbetering van de Prinsentuin. In enkele boeken over hovenierskunst die hij later publiceerde, heeft Knoop bijzonderheden over deze tuinen neergelegd. In 1734, toen Willem Carel Hendrik Friso met de Britse kroonprinses Anna van Hannover ging trouwen, werd de tuin met Franse élégance aangepakt. Met decoratieve verfijning van geschoren heggen, gesnoeide vormbomen, espaliers, berceaus, pyramides, busquets en rondelen werd de natuur beheerst. Zelfs de moestuin richtte Knoop op een gewilde wijze in. Er werden loden beelden om de kruisvormige vijverpartij gezet en elders luisterden trappenvluchten, ijzeren vazen e.d. de tuin op. De stadhouder werd in 1747 echter uitgeroepen tot algemeen stadhouder van de verenigde provincies en vertrok met zijn hele hofhouding naar ’s-Gravenhage. Douairière Maria Louise bleef tot haar dood in 1765 in Leeuwarden wonen. De tuin raakte nagenoeg buiten gebruik. Na de burgerrevolutie raakten de Nassau’s de Prinsentuin kwijt en de patriotten konden de tuin openstellen voor “fatsoenlijke lieden”. Nadat Nederland een koninkrijk was geworden en Willem I de historische bezittingen teruggekregen had, verzocht het stadsbestuur hem de tuin aan de stad te schenken. In 1819 droeg de koning de Prinsentuin aan de stad over met de wens dat hij bestemd zou blijven tot wandelplaats voor alle ingezetenen. Twee tuinarchitecten, Roodbaard uit Groningen en De Vries uit Weesp, werden vervolgens gevraagd een plan voor de herinrichting te maken. Dat van Lucas Pieter Roodbaard werd gekozen en het werk kon in 1820 beginnen.

Van de formele tuin resteerde al weinig en Roodbaard zorgde dat het slecht onderhouden gebied aangepakt werd in de Engelse landschapsstijl. De strikt gevormde vijver werd een onregelmatige kom, de grillig verlopende paden gingen om perken en boomgroepen die een natuurlijk groeiproces moesten suggereren, slingeren, maar de tuin bleef wel omsloten door de kante verdedigingswal met bastions. Die werd pas in 1842 vergraven tot een glooiende en golvende parkrand met plekken die uitzicht boden naar de toen nog weinig bebouwde gebieden ten noorden van de stad. Echte zichtassen vanuit de tuin werden niet geboden, maar het was ook een stadspark.

Bijzondere bomen in het park zijn, naast de zeer grote en oude populieren met hun fraaie baststructuur, exemplaren van exotische aard, zoals plataan, ginkgo biloba, een bladverliezende conifeer (een prehistorische soort), moerascypers, suikeresdoorn. Buiten deze exotische beplanting kan men vooral in het voorjaar ook een enorme rijkdom aan stinzenflora bewonderen, voornamelijk bolgewassen zoals winterakoniet, holwortel, longkruid, bostulp en daslook. Het is mogelijk dat Roodbaard deze soorten heeft geplant, daar ook in de door hem ontworpen tuinen van buitens in Friesland deze stinzenflora aangetroffen wordt. De Prinsentuin is de laatste jaren ook in gebruik als passantenhaven voor waterrecreanten. Het maakt het park uniek voor Nederland, maar daarbij moet men bedenken dat de slijtage van het park beduidend is toegenomen.

In 1842 werd het zomerhuis (16) ook vervangen door een nieuw in de voor de negentiende eeuw karakteristieke rondbogenstijl. Dit gebouw is sindsdien, vooral inwendig, vaak verbouwd. In de jaren -1920 werden er twee vleugels aangebouwd, de westelijke ging een theeschenkerij bevatten en de oostelijke vleugel werd bestemd tot Pier Pandermuseum (17). Dit bevat een flinke collectie kleine en grote gipsmodellen en uitgevoerde werken van de neo-classicistische beeldhouwer o.a. Psyche waar Louis Couperus in Rome de volgende indruk van neerschreef: “Wat is zij mooi, de vleugellooze zittende Psyche, in klei nog - Wat is zij teeder jong en kinderlijk mooi”. Aan de andere zijde van de vijver staat de orkestschelp (18), die er in 1881 volgens ontwerp van de directeur der gemeentewerken J.E.G. Noordendorp opgetrokken werd. De gemetselde onderbouw bevatte oorspronkelijk een wijnkelder voor de exploitant van de Prinsentuin. In de negentiende en twintigste eeuw is de Prinsentuin met opvoeringen en concerten een openluchttheater van betekenis geworden. De podiumschelp in neo-renaissance-vormen met in nissen de portretten van Beethoven, Mozart en koningin Wilhelmina is daar het middelpunt bij gebleven. Op de hoogste heuvelrug naast de vijver is in 1955 het door Auke Hettema ontworpen verzetsmonument (19) geplaatst.

Wandelen we vervolgens de oostelijke flank van de Prinsentuin uit en gaan dan onmiddellijk rechts af dan moeten we de Groeneweg oversteken om het wigvormige pleintje van het Schoenmakersperk te bereiken. Links zien we een van de gevels van het voormalige Nieuwe Stads Weeshuis en rechts een vleugel, de zgn. Julianavleugel van het Nieuw St. Anthony-gasthuis. Het Nieuwe Stads Weeshuis (20) is in 1675 gesticht toen oorlogsomstandigheden de oorzaak van vele wezen was en een slepend conflict met het burgerweeshuis het stadsbestuur noopte om ook iets te doen voor de arme wezen. De ingang van het carrévormige gebouw kwam aan het Jacobijnerkerkhof. De westelijke vleugel aan het Schoenmakersperk bevatte nog resten van het zeventiende-eeuwse pesthuis en wellicht ook nog van het veel oudere klooster van de Dominicanen. In 1884 verbouwde men dit gedeelte ingrijpend en het kon vier jaar later dankzij een flink legaat naar ontwerp van A.T. van Wijngaarden ook een nieuwe gevel ontvangen. Deze strikt symmetrische, levendig gelede en rijk versierde gevel is in neo-mariënistische stijl vorm gegeven, een stijl die op de bouwtrant uit de late zestiende eeuw in Vlaanderen teruggrijpt. Hier aan het Schoenmakersperk is de hoofdingang van het Natuurmuseum Fryslan, dat grondige verbouw en herinrichting in dit voormalige weeshuis is gehuisvest.

Het Nieuwe St. Anthony-gasthuis (21) werd in 1909/’10 uitgebreid met een forse vleugel aan het Schoenmakersperk. Deze Julianavleugel, ontworpen door W.C. de Groot, kreeg tegenover de neo-mariënistische gevel van het weeshuis juist een vormgeving van de stijlzuivere neo-renaissance die teruggaat op de renaissance in de noordelijke Nederlanden van de decennia rond 1600. Het pleintje heeft zo twee gevelwanden gekregen die twee uiteenlopende opvattingen van de neo-renaissance laat zien. Rechts kunnen we het Perkwaltje oplopen, een naam die herinnert aan het feit dat door dit gebied nog een gracht liep. Deze is 1860/’63 gedempt. Toen werd het grote nieuwe St. Anthony-gasthuis onder architectuur van Frederik Stoett gebouwd. Aan de Groeneweg kwam een lange lage vleugel (die thans op de Prinsentuin uitkijkt) en aan de zijde van het Perkwaltje - waar de ingangspartij van de lage vleugel bekroond wordt door een neo-classicistisch klokkenkoepeltje - werden lage vleugels aangebouwd die afgesloten werden met paviljoengebouwen van twee bouwlagen. Met omlijste vensters, geaccentueerde hoeklisenen, verzorgde ingangstraveeën en namen en wapen van de families die het gasthuis gesteund hebben in de bekroningen, bezitten de paviljoens een deftige monumentaliteit. De met een ijzeren hek afgegrensde royale tuin (22) bevat twee fraaie tuinhuizen. De tuin is met rijk plantsoen aangelegd. Behalve de paarse beuken valt vooral de apenboom (Araucaria araucana) op. In Leeuwarden zijn er weinig of geen exemplaren te vinden die in zo’n perfecte conditie verkeren.

Terugkerend op onze schreden kunnen we rechts de Pijlsteeg opgaan. Het is te merken dat we de oude Nijehove-terp beklimmen. Rechts is een klein restgebied achter een hek tot tuintje ingericht. De muren zijn er als een openluchtmuseum vorm gegeven: allerlei gevelstenen, afkomstig van andere plaatsen in de stad, werden hier bijeen geplaatst.

Tegenover deze tuin bevindt zich de poort van de voormalige Coöp. Handelsdrukkerij (23). Aan de poort is in overdadige neo-renaissancestijl vorm gegeven en het industriële complex is gerestaureerd en gerenoveerd tot een geheel van woningen (1979/’81). Deze poort mogen we ingaan om op het binnenterrein van de voormalige drukkerij te komen om daar te zien dat het complex bestaat uit belangrijke elementen uit de vijftiende tot de zeventiende eeuw. Er moesten ook enkele woningen geheel vernieuwd worden. Vóór de ingrijpende opknapbeurt was het binnenterrein vrijwel geheel volgebouwd. De tuin is in 1981 aangelegd en de inrichting is vooral afgestemd op de omringende bewoning. De boom recht tegenover de poort is een hemelboom die vanwege zijn bladvorm, herfstkleuren (geel) en vruchten van bijzondere waarde is. De pijlers van geglazuurde keramiek vormen het (onvoltooide) project “topje terp” van kunstenaar Auke Zandstra. Een groen binnenterrein als dit vormt een groot contrast met de stenige ruimte van straten en stoepen; een contrast dat kenmerkend is voor de historische binnenstad, maar dat door de verdichting van de bebouwing op veel plaatsen verloren is gegaan.

Doorlopend door de Beyerstraat komen we rechts afslaand op een reeks pleinen: Gouverneursplein, Hofplein en Raadhuisplein. Hofplein en Raadhuisplein zijn vrijwel geheel omringd door bouwwerken die thans in gebruik zijn door de gemeente Leeuwarden. Het Hofplein ontstond in 1688 toen de gracht tussen het stadhouderlijk hof en het stadhuis overkluisd werd. Onmiddellijk achter het stadhuis bouwde men de hoofdwacht (24) voor het garnizoen en de garde van de stadhouder. In 1844 ontwierp stadsbouwmeester Thomas Romein een nieuw gebouw, het wit gepleisterde neo-classicistische bouwwerk links, waarbij de rondbogige galerij van ramen nog herinnert aan de zuilencolonnade van de oude hoofdwacht. Met een verrassende indeling en het gebruik van allerlei charmante classicistische motieven heeft Romein er een origineel bouwwerk van gemaakt.

Naast de hoofdwacht ligt achter een binnenterrein met fors hek de in 1760 gebouwde raadszaal van het stadhuis (25), die naar ontwerp van stadstimmerbaas Jan Noteboom een pronkgevel in rococo-vormen kreeg. Opvallend zijn de ingangspartij met doorgezakt kalf, door traag krulwerk omvat venster en bekroning met inscriptie en de van nog rijker krulwerk voorziene omlijsting van de Leeuwarder wapenleeuw op de attiek: de fiere stadsleeuw die de staart bescheiden naar binnen krult. Aan de raadzaal is binnen vorm gegeven door de Haagse hofbouwmeester Pieter de Zwart. Het eigenlijke stadhuis dat hierop volgt is in 1715 naar ontwerp van Claes Bockes Balck gebouwd, een streng classicistisch bouwwerk dat de kelders van de laatmiddeleeuwse Auckamastins is opgetrokken. De ingangspartij is omlijst en het daarboven liggende raam wordt geflankeerd door personificaties van de vrede en gerechtigheid en voor het dak kwam een fronton met persoonsverbeeldingen van wijsheid, wet, gerechtigheid en voorzienigheid. De klokkenkoepel draagt een carillon van Claude Fremy. Het stadhuis bevat vele interessante interieurs.

Op het Raadhuisplein is ter gelegenheid van de troonsbestijging van koningin Wilhelmina in 1889 een linde, de Wilhelminaboom (26), geplaatst. Het perk is omvat door een buitengewoon sierhek dat van deuren is voorzien in de richting van de verschillende straten die op het Raadhuisplein uitkomen. Deze deuren worden geflankeerd door symbolen van het koningsschap: het rijkszwaard, scepter en de rijksappel en het geheel is versierd met oranjetwijgen met bloesem en appels. Gekroonde letters W en hellebaarden maken het decoratieve programma compleet. Het hek werd door architect Hendrik Kramer ontworpen.

Tegenover de noordelijke zijgevel van het stadhuis ligt het voormalige stadhouderlijk hof (27), later koninklijk paleis, dat thans een hotelfunctie heeft.

In 1587 kochten Gedeputeerde Staten ter huisvesting van stadhouder Willem Lodewijk, zijn familie en hofhouding dit grote woningcomplex. Het hof is door de eeuwen heen vaak verfraaid en uitgebreid, verloor zijn functie in 1747, maar werd in 1814 door koning Willem I teruggekocht. In de volgende jaren werd het paleis ingrijpend verbouwd en in 1880 toen het bestemd werd tot ambtswoning van de commissaris des konings, gebeurde dit andermaal. Hierdoor bleef van buiten en binnen geen enkel spoor van de zestiende en zeventiende eeuw bewaard.

Achter het grote gebouw ligt een fraaie binnentuin. De hoftuin is weer zo’n voor de stad kenmerkend binnenterrein. De bomen konden door de relatief veilige plaats uitgroeien tot de weinig oude en grote exemplaren die de Leeuwarder binnenstad rijk is. Bijzonder is vooral dat er in deze tuin een kolonie ransuilen woont. Ze hebben zich aan de toenemende drukte van de binnenstad aan kunnen passen, omdat dit geleidelijk is gebeurd. De tuin is voor speciale groepen op aanvraag te bezichtigen.

Midden op het Hofplein werd in 1906 het standbeeld (28) van de eerste staatse stadhouder van Friesland, Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dietz (1560-1620) onthuld. Bart van Hove ontwierp het bronzen beeld, de sokkel werd vervaardigd door Willem B.G. Molkenboer, die lange tijd als tekenleraar en beeldhouwer in Leeuwarden gewerkt had. De inscriptie laat de spreuken lezen: “Den vader van zijn volk. Den strijder voor ’s lands vrijheid”. De eerste der Nassause stadhouders werd zo geëerd en zijn bijnaam ús heit (= onze vader) is ook op het monument overgegaan.

We gaan weer terug, de Beyerstraat op. Daar zien we rechts de achterzijde van het voormalige Frysk Letterkundich Museum en Dokumentaesjesitrum (29) dat gehuisvest is in een L-vormige stins met traptoren uit 1545. Als we rechts om het gebouw de Grote Kerkstraat inlopen is te zien dat het aan de voorzijde in de late achttiende eeuw een lijstgevel ontving.

Het geheel volgende bouwblok rechts heeft deel uitgemaakt van in 1507 gestichte Witte Nonnen- of St. Catharinaklooster (30). De Waalse kerk die er in 1530 als kloosterkerk kon worden ingewijd staat er, zij het verbouwd, nog steeds en ook de huizenreeks ter weerszijden van de kerk bezit nog veel elementen (b.v. de dwarskappen tussen topgevels en veel muurwerk) van het oude klooster. Na de hervorming kwam het klooster in 1580 aan de stad. Stadhouderlijk hof en garnizoen brachten veel Frans sprekenden binnen de stad. Zij vormden een Waalse gemeente die de kerk in 1659 in bruikleen kreeg. De gemeente werd in 1888 weer opgeheven. Het orgel, een instrument van J.M. Schwartsburg met een buitengewoon fraaie kas, is de trots van de kerk. Het is een geschenk van Maria Louise van Hessen-Kassel, de weduwe van stadhouder Johan Willem Friso.

Even verderop zien we rechts een middeleeuwse zaalstins (31) die de Keimpemastins wordt genoemd, maar oorspronkelijk het in het begin van de veertiende eeuw gebouwde pastoorhuis van de parochiekerk van Sint Marie van Nijehove (in 1765 afgebroken) is. De onderkelderde zaalstins met zadeldak is vele malen verbouwd en kreeg o.a. grote ramen in de achttiende eeuw. Er zijn sporen gevonden van de veertiende-eeuwse lichtspleten en naast de huidige hoofdingang is nog het spoor te zien van een smal venster van omstreeks 1500 dat beneden luiken en boven glas bezat. De stins is een van de gaafste middeleeuwse woningen die in Leeuwarden bewaard is.

De grote Jacobijnerkerk (32) bepaalt vervolgens het gehele gezichtsveld. De kloosterkerk van de Dominicanen dateert uit de dertiende en het begin van de veertiende eeuw, is later enkele malen uitgebreid, maar is een van de gaafste bouwwerken uit de vroegste geschiedenis van de stad Leeuwarden en een van de meest boeiende middeleeuwse kloosterkerken van Nederland. De zuidbeuk, bestaand uit vier dwarskapellen, kwam later tot stand evenals het westelijke travee met sierlijke laat-gotische tuitgevel en de nog voor de hervorming gebouwde sacristie in de zuidoosthoek tussen zuikbeuk en koor. Het koor is van het eind van de zestiende eeuw af in gebruik geweest als begraafplaats van de stadhouderlijke familie. De huidige kosterij op de hoek van de Brede Plaats en Achter de Grote Kerk met nog een stuk kloostergang is het enige belangrijke restant van het oude klooster. In 1984 is er een moderne verbindingsgang tussen dit stuk klooster en de kerk tot stand gekomen.

In de noordwesthoek van het Jacobijnerkerkhof is in een rechthoekige perk de Julianaboom (33), natuurlijk een linde, geplant, terwijl na de restauratie van de Jacobijnerkerk en herinrichting van het kerkhof de zomen van het in ruimtelijke zin zeer gevarieerde gebied met leilinden zijn beplant. Dat is een problematische operatie geweest omdat het kerkhof aan de noordelijke marge van de oude Nijehove-terp ligt en het gebied zeer vochtig is. Achter de Julianaboom bevindt zich de dubbele poortingang van het Boshuisen-gasthuis (34). Dit is het enige zeventiende-eeuwse van de vele gasthuizen die in Leeuwarden gesticht werden. Anna van Eysinga legde in 1652, het jaar van overlijden van haar man philip van Boshuisen, grietman van het Bildt, de grondslag van het hofje dat uit negentien woningen rond een bleek ging bestaan. Nadat de ringmuur om het kerkhof in 1830 was afgebroken bleef de buitenpoort bestaan. Het muurwerk ter weerszijden van de poort geeft een lange spreuk te lezen: “Het geen hierstaet uyt nijt oft haet doch niet beschout tot armoedts hulp en weduws troost is het geboudt”. In het fronton van de met natuursteenblokken versierde binnenpoort is op de stichtingssteen te lezen: A V E Aâ—‹MCDLII (= Anna van Eysinga 1652). Bij de jongste restauratie zijn de ruimtes herverdeeld, maar kon het gasthuis zijn oorspronkelijke bestemming behouden. Het grasveld in het midden wordt thans niet meer als bleek gebruikt. Links van het gasthuis rijst de voorgevel van het Nieuwe Stads Weeshuis op (zie nr. 20). Daarin valt vooral het fraaie poortje in classicistische barok op dat bekroond wordt door een fronton met het stadswapen tussen draperieën. De hoekkamer is het voogdenvertrek dat geheel beheerst wordt door een monumentale schouw met een marmeren onderbouw en een brede en hoge schoorsteenboezem met subliem barok snijwerk. Door de steeg tussen weeshuis en gasthuis kunnen we in noordelijke richting naar de Groeneweg lopen. Het binnenterrein (35) is 1983/’84 ontstaan en is een gevolg van de stadsvernieuwing. Het met rijk plantsoen aangelegde terrein is een groene verbinding tussen Jacobijnerkerkhof en Groeneweg/ Nieuweburen. Het min of meer cirkelvormige pleintje kan als ontmoetingsplaats van de omwonenden dienen. De bomen (sierkersen) bloeien zowel net voor als na de winter.

Op de Groeneweg gekomen slaan we rechts af en komen dan langs Luilekkerland (36). Dit complex volkswoningen is in het begin van de achttiende eeuw door de diaconie gesticht en bevatte een flinke reeks rug-aan-rug woningen van een bouwlaag overdekt met één hoog en breed zadeldak. Het complex is aan de westelijke zijde ingekort, maar de rest is in de jaren -1960 ternauwernood van de sloop gered en gerestaureerd. Dankzij herindeling konden er behoorlijke woningen in worden ondergebracht. Helaas zijn de gemetselde waterbakken, voorzieningen voor een eerste levensbehoefte, toen verdwenen. De schuiframen en tweedelige deuren die een aantrekkelijk gevelritme vormen en de voor de woningrij geplaatste linden konden gehandhaafd worden. Deze leilinden dienden vroeger als een groen soort luxaflex tegen een teveel aan zonlicht in de woningen. Luilekkerland is met de linden een van de schilderachtigste hoekjes van Leeuwarden.

We steken nu over naar de Wissesdwinger (37), het bastion dat in 1825 als eerste stuk stadsverdedigingswal vergraven werd. Tussen 1858 en 1860 werd de noordelijke hoek van de oude binnenstad opnieuw gestructureerd. De gracht om de Wissesdwinger werd gedeeltelijk gedempt, de Noorderkade werd de Noorderweg en de stadsgracht verbonden met de Ee, waardoor het laatste stukje Ee tot stadsgracht werd en de Arendstuin binnen de stad kwam te liggen. Op het hoogste gedeelte van de Wissesdwinger was in 1837 onder architectuur van de stadsarchitect Gerrit van der Wielen al een militair hospitaal (ook wel lazaret of infirmerie genoemd) gebouwd. Het is een streng gebouw dat bestaat uit drie zijden van een vierkant. Tot 1850 is het gebouw als gerechtsgebouw in gebruik geweest, maar daarna konden zieke soldaten er toch verpleegd worden. Het grote bouwwerk heeft zijn monumentale kwaliteit te danken aan het regelmatige metrum van ramen, niet aan specifieke architectonische bijzonderheden. In de jaren -1880 werden galerijen aan de binnenzijde gebouwd en kwam er aan de noordzijde een barak voor besmettelijke ziekten tot stand. Daarvóór staat bij de Noorderbrug een brugwachterwoning in classicistische rondbogenstijl van architect Thomas Romein, die vergelijkbaar is met die bij de Vrouwenpoortsdwinger (vgl. nr. 6).

Over de Noorderbrug komen we op de Spanjaardslaan die naar het Rengerspark (38) en de oude Algemene Begraafplaats leidt. Mr. Wilko Julius van Welderen baron Rengers, die van 1877 tot 1883 burgemeester van Leeuwarden en later lid van de Tweede en Eerste Kamer was, bood met zijn vrouw in 1902 drie percelen land met een totale oppervlakte van 3½ ha. aan met de wens om er een park op aan te leggen. Het terrein was aan de Spanjaardslaan ten noorden van de stad tussen het dichtgebouwde Camstraburen (met ijsbaan) en de oude Algemene Begraafplaats gelegen. Het ontbrak de gemeente aan geld om een wandelpark aan te leggen. Het St. Anthony-gasthuis, de Spaarbank en enkele particulieren schonken de stad aanzienlijke sommen om Rengers’ wensen te kunnen inwilligen. Dertien tuinarchitecten werden vervolgens verzocht om plannen te leveren, maar voor geen van de ontwerpen bleken de middelen toereikend te zijn. Hendrik Copijn uit Groenekan bleek evenwel bereid om het park voor het beschikbare bedrag in te richten. In april 1905 - dat jaartal is in het plaveisel bij de entree met ijzeren hek verwerkt - opende men het Rengerspark waar niet aan te merken is dat het met beperkte middelen tot stand is gekomen. Het rijke assortiment aan houtgewassen (ongeveer 50 soorten bomen) en de sublieme vijver maken het tot een van de fraaiste stadsparken van Leeuwarden.

Bijzondere boomexemplaren zijn de grootbladige populier, de liquidambar stryraciflua (de amberboom), bruine beuk, suikeresdoorn en bontbladige esdoorn. Naast een aantal zomereiken zijn er ook de moseik, de Amerikaanse eik en de moeraseik te vinden. Verder staat er de trompetboom met grote roze bloemen, de notenboom, moerascypres en zijn er prieelberken en prieeliepen. Bijzonder is ook het gebruik van coniferen. De coniferengroep is van compositie zeer fraai te noemen.

Copijn legde een boeiend contrast in het park door een formele promenade met uitgelijnde bomenrijen en siervazen bij de entree verder te laten volgen door een park in de afwisselende landschapsstijl met een bewust gearrangeerde natuurlijkheid. De vijver is daar het boeiendste element in. Aan de noordelijke oever staat het bronzen beeldje “Kind met vogel” dat Maria van Everdingen in 1965 vervaardigde. Ten noorden van het park leidt een wandel- en fietspad, het Nutssingeltje, naar de kinderboerderij met speeltuin.

Ter noordwesten van het park ligt al sinds 1835 de oude Algemene begraafplaats (39), een fraai funerair park waarmee Leeuwarden zich kan meten met Utrecht dat het fraaie Soestbergen van tuinarchitect Jan David Zocher bezit. Zocher leverde in Leeuwarden een ontwerp in voor een monumentale ingangspartij die zeer op die te Utrecht leek. Hij kreeg de opdracht niet.

Leeuwarden heeft zelfs enkele jaren getracht onder de plicht tot het aanleggen van een begraafplaats uit te komen. In de zomer van 1827 had Willem I ter bevordering van de volkshygiëne besloten dat alle gemeenten met meer dan 1.000 inwoners een begraafplaats buiten de bebouwde kom moesten gaan aanleggen. In kerken mocht helemaal niet meer begraven worden en in de winter van 1828 volgde het verbod om binnen steden nog te begraven. In 1830 koos het stadsbestuur pas de Fiswerd-terp uit. In de middeleeuwen had daar het klooster van de Grauwe Begijnen gestaan en het terrein was vrij hoog gelegen. Er werden een ringgracht en een waterverbinding met de stadsgracht gegraven.

Lucas Pieter Roodbaard, die bij de herinrichting van de Prinsentuin en de plantsoenering van de ontmantelde vesting al zijn kwaliteiten had bewezen, moest de inrichting ontwerpen. Hij ontwierp niet alleen een praktische begraafplaats, maar een gebied dat beantwoordde aan de toenmalige visie op de landsschappelijke inrichting van parken en welke door de schilderachtige aanleg ook geheel paste bij de funeraire romantiek van die dagen. In de verschillende ovale en boonvormige begraafperken liggen de graven traditioneel georiënteerd, d.w.z. gericht op de oost-west as. Het monumentale ijzeren hek met de spreuk Memento Mori en allerlei doodssymbolen werd in 1832 ontworpen door Jaane van der Wielen, de zoon van stadsarchitect Gerrit van der Wielen. De twee witgepleisterde en van zuilenportieken en rieten daken voorziene gebouwen die de entree accentueren, werden niet ontworpen door laatstgenoemde, maar door de Amsterdamse architect Israël Warnsinck.

Het begraafpark is van 1833 tot 1969 in gebruik geweest, maar het bleef ook daarna een geliefde wandelplaats. Groen en grafmonumenten zijn thans in verval, hetgeen de romantische schilderachtigheid heeft verhoogd. Er zijn wel plannen om het verval te sluiten en het fascinerende begraafpark te restaureren.

Na dit mo(nu)mento mori kunnen we naar de binnenstad terugkeren. Een route die tot besluit kan worden aangeraden is een wandeling over de Noordersingel. We gaan dan niet de Noorderbrug over, maar slaan er vlak voor af naar rechts. Aan de overzijde zijn dan achtereenvolgens de Wissesdwinger met infirmerie, de Prinsentuin met zomerhuis en Pier Pandermuseum, de Noorderplantage met Pier Pandertempel vanuit andere gezichtshoeken te zien. De Oldehove, het monument bij uitstek van Leeuwarden, lijkt zich bij deze singelwandeling als een historische coulisse voortdurend achter deze gordel te verplaatsen.

De buiten de stadswandeling gelegen parken in Leeuwarden

Julianapark. Het tussen de Julianalaan en Vincent van Goghstraat gelegen park is in 1939 naar ontwerp van Jan Vroom aangelegd aan de uiterst zuidwestelijke rand van Huizum dat toen nog behoorde tot de gemeente Leeuwarderadeel. Het park dat groots opgezet was, is bescheidener uitgevoerd. Er zijn wel een speelweide, brede lanen, een flinke waterpartij tot stand gekomen, maar de geplande muziektent is niet voltooid en de uitspanning is bibliotheek geworden. Na de oorlog is het park opgeknapt, omdat er verzakkingen waren opgetreden.

Dr. Zamenhofpark. In de Tweede Wereldoorlog kwam in het kader van de werkverschaffing naar ontwerp van het hoofd van de Leeuwarder plantsoenendienst, A.M. van Essen, een park in het oosten van de stad tot stand. Dit park tussen Boerhaavestraat en Robert Kochstraat is genoemd naar de esperantist Dr. Zamenhof en werd na de oorlog onder leiding van A.M. van Essen verbeterd. Toen is er het beeld van Zamenhof, een werk van een amateurkunstenaar, geplaatst.

Froskepôlle. Op een eiland ten zuidoosten van de stad, tussen Wijde Greuns, Woudmansdiep, Lange Deel en het Van Harinxmakanaal werd omstreeks 1953 naar ontwerp van A.M. van Essen een baggerdepot omgetoverd tot recreatiepark. Het had een speciale charme, omdat het uitsluitend met een pontje te bereiken was. Thans is er vanaf het industriegebied De Hemrik een brugverbinding. Op de oostelijke punt is de Zwettemolen te vinden, een achtkante bovenkruier die het als wind-watermolen landschappelijk buitengewoon goed doet. Het park is aangelegd in de landschapsstijl met een zeer lange zichtas en interessante doorzichten, fraaie boomzomen en een waterplas waar vooral kleine kinderen goed in kunnen baden. De Froskepôlle (vertaald uit het Fries: kikkereiland) is een oase van rust en een uitstekend gebied voor natuurbeleving. Het is rijk aan vogels, er zijn verschillende soorten stinzenplanten te vinden en het vormt een geliefd oord voor watersporters, die er een goede gelegenheid vinden om te bivakkeren.

Groene Ster. Ten oosten van de stad, tussen de Grote en Kleine Wielen en op het gebied van de gemeente Tietjerksteradeel (sinds 1984 gemeente Leeuwarden), is vanaf de jaren -1960 een uitgebreid recreatieproject tot stand gekomen. Het gebied waarin bospercelen, grootse speelweiden en flinke waterpartijen een veelheid aan recreatieve activiteiten ondergebracht is, werd ontworpen door het Bureau van ruimtelijke ordening OD 205 en aangelegd door de Heidemij. Er kan bij de stranden gezwommen worden en op de Wielen wordt intensief geplankzeild. Er zijn recreatiewoningen en er kan gekampeerd worden. Er zijn sportvelden, een golfbaan en wandelaars en fietsers hebben in het natuurgebied alle ruimte.

Abbingapark. Ten zuiden en oosten van de begraafplaats te Huizum is in de jaren -1970 een functioneel park aangelegd, ontworpen door de afdeling Plantsoenen van de Gemeente in samenwerking met Ingenieursbureau Oranjewoud en uitgevoerd door Struiksma b.v. Voor allerlei spel en sport, o.a. voor vissen is er ruimte en er is een aardige dierweide die mede voorziet in het onderhoud van het park: de dieren begrazen de weiden en de weiden worden verhuurd. In het park is ook het woonwagenpark van de kermisexploitanten opgenomen, zodat tegen de zuidoostelijke hoek van de Leeuwarder rondweg een boeiend en afwisselend gebied is ontstaan van een oude dorpskern, een begraafplaats, een woonwagenpark en een recreatiepark.

Ander groen
De in de wandeling opgenomen tuinen, parken en plantsoenen en de hiervoor genoemde parken en recreatiegebieden kenmerken zich door hun ligging en omvang. Zij vormen als het ware op zichzelf staande buurten of wijken: groene enclaves temidden van steen en asfalt. Vroeger waren deze terreinen alleen overdag open. Hekken, muren of sloten (Rengerspark) schermden de parken af en ’s avonds gingen ze op slot en grendel. In de wijken rondom de oude binnenstad, de zgn. schilderswijken, treffen we pleinen en plantsoenen aan die als het ware in de buurten geïntegreerde miniatuurparkjes zijn. Het Mozartplantsoen, Van Miereveltplantsoen en het Oranje Nassauplein zijn er voorbeelden. Van. De inrichting van de “echte” parken en plantsoenen was afgestemd op de functie van kijk- en wandelparken. De beplanting bestaat daar ook veelal uit exotische bomen en rijkbloeiende heesters.

De groenvoorzieningen van formaat uit de afgelopen tientallen jaren zijn veelal verweven met de woonomgeving. Op sportparken en recreatieterreinen na, is er eigenlijk geen sprake meer van parken, maar meer van groen zones. De inrichting van dergelijke groengebieden is functioneel van aard. Als voorbeeld kan de groene zone die midden door de wijk Westeinde loopt, genoemd worden. Behalve als wandelgebied hebben zij ook functies voor sport, spel, educatie en dergelijke. De beplanting bestaat hoofdzakelijk uit bosplantsoen dat minder kleur- en geurrijk is dan dat van de oudere parken.

NB: groen in Camminghaburen en Zuiderburen, alsmede de Leeuwarder dorpen is niet opgenomen in dit overzicht.

Terug