Goutum

 

In 1787 werd Goutum als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Goutum, ook Dola-Goutum, tot onderscheiding van Goutum in Wymbritzeradeel. Dit Dorp ligt een groot half uur ten Zuiden van Leeuwarden aan den Oostkant des rydwegs van Leeuwarden naar Sneek. Ten Noorden van Goutum ligt Drinkuitsma State, waar mede thans vereenigd is het Hornleger van Putsma. Laatst is dit huis bewoond geweest by Jr. Ruurd Juckema van Burmania. Ten Westen van dit Dorp ligt Wyarda State, alwaar in 1404 woonde de Potestaat Sivert Wyarda, en in 1673 Syds van Eminga. Goutum bevat 28 stemmen." 

625-Goutum-Google Streetview
Dorpskern met Hervormde Kerk te Goutum. Foto: Google Streetview, 2010: klik op de foto voor een digitale
verkenningstocht.

De geschiedenis

Uit: Open Monumenten in de dorpen ten zuiden van Leeuwarden. Leeuwarden, 1989; auteur: Jan Pieter Janzen

In de jaren-zestig en -zeventig heeft Goutum zich naar vorm en functie revolutionair ontwikkeld. Het boerendorp, dat van oudsher nooit meer dan zo’n driehonderd inwoners telde, werd in rap tempo getransformeerd tot een forensenplaats van ruim zeventienhonderd zielen. En blijkens de nieuwste gemeentelijke "Dorpennota" is het einde van de groei nog niet in zicht: "De toekomstige ontwikkeling van Goutum zal worden afgestemd op de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte van het stadsgewest". Dat betekent dus voortgezette suburbanisatie, met als herinnering aan het plattelandsverleden nog slechts de naamgeving van de nieuwbouwwijken.

"Nòch is Goutum in fleurich doarp mei in eigen oansjen", zo schreef de historicus van Ljouwerteradiel vijf jaar geleden. Dat fleurige mag waar zijn, het eigen gezicht heeft wel bijzonder aparte trekken: een losjes bebouwde oude kern, her en der wat lintbebouwing het eerst aan de oostkant van de nogal afgelegen Brédyk en dat opgevuld met een zestal eigentijdse en dus blokvormige wijken met zulke authentieke namen als Haven, De Pôlle, Oer de Feart, De Tilbarten en De Tolve. Zo staat de kerk toch weer enigszins in het midden, op een terp die rond 1900 zo drastisch werd afgegraven, dat naderhand enkele percelen opnieuw moesten worden opgehoogd. Plannen om dit archeologische monument in de oude vorm te herstellen, zijn nooit uitgevoerd. Wel is de nieuwbouw er tot een minimum beperkt, waardoor het groene dorpshart goeddeels intact is gebleven.

Behalve de terp is er de afgelopen eeuw meer waardevols verdwenen. Het begon in 1882 met de afbraak van Wiardastate. Het monumentale slot vormde, volgens een ooggetuige, "met zijn poort, zijn ruim voorplein, zijn bloemtuin, zijn bouwschuur en stalling een deftig en indrukwekkend geheel, door een breede gracht omringd". Aan de Singel, zoals dit deel van de Buorren tot 1950 heette, ontstond zodoende een groot gat. Dat werd "as teken fan nije, earmoediger tiid", slechts gedeeltelijk opgevuld door een met behulp van het afbraakmateriaal opgebouwd boerderijtje, al snel Het Slot genoemd. Die moest in het begin van de jaren-zeventig op haar beurt het veld ruimen. Alweer een teken des tijds. Toen werden namelijk de laatste grachten en sloten weerszij de Buorren gedempt en vervangen door meer hedendaagse voetpaden (een proces dat zich ook langs de Wergeaster- en Goutumerdyk voltrok). De iepziekte voltooide enkele jaren later de aftakeling van de eens zo fraaie ieperen Singel. Op het (afgegraven) terrein van de voormalige state liggen nu het dorpshuis Ien en Mien en de Wiardaskoalle. Op een terprestant oostelijk daarvan wordt de herinnering aan het slot bewaard door een kubusvormig, marmeren gedenkteken, honderd jaar na dato door de nazaten opgericht "ter nagedachtenis aan hun voorouders en aan de in 1882 afgebroken Wiarda-State". De bijbehorende tuin aan de overkant van de weg is bebouwd onder de naam Binnentûn.

Twee jaar voor het slot verdween werd even zuidwestelijk ervan de nieuwe pastorie met koetshuis gebouwd. Een indrukwekkend voorbeeld van de toen gangbare neoclassicistische stijl. In de loop der jaren heeft het pand wel iets van zijn oorspronkelijke karakter verloren - bij een verbouwing in 1935 verdween een deel van het stucwerk aan de voorgevel evenals het balkon boven de voordeur - maar het is toch een van de fraaiste monumenten van Goutum gebleven, ook al benemen forse kastanjes het uitzicht enigszins en zijn de zesruitsvensters onlangs vervangen door groten ramen in kunststof.

Ook uit de vorige eeuw dateren de panden zuidelijk van de kerk, waar de Buorren een scherpe bocht naar links maakt. De nummers 15, 17 en 19 zijn respectievelijk het voormalige schoolmeestershuis met zijn glooiende tuin, een vroegere bakkerswoning die onder een royale schildkap is gebouwd en daardoor wel eens met de pastorie wordt verward, en de kosterij met haar sierlijk gemetselde paardenstalling.

Afgezien van de hierna behandelde objecten is Goutum niet (meer) rijk aan monumentale bouwwerken. Wellicht blijkt te zijner tijd dat de lacunes door de "kapitale" nieuwbouw op acceptabele wijze zijn opgevuld.


Agneskerk
In de loop van de twaalfde eeuw kreeg Goutum een (tuf)stenen kerkje, dat aan de Romeinse tienerheilige Agnes was gewijd. Rond 1250 werd het flink verbouwd en grotendeels uit rode (Friese) baksteen opgetrokken. In de tweede helft van de vijftiende eeuw volgde een laatste ingrijpende verbouwing: het schip werd verhoogd en naar het oosten verlengd, terwijl aan de westkant een 33 meter hoge zadeldaktoren verrees. Daarmee kreeg de Agneskerk haar huidige, gotische vorm. De laatste restauraties dateren van het begin van deze eeuw. Het kerkhof is volledig omgeven door leilinden en een smeedijzeren hek.

Aan het exterieur is de bouwgeschiedenis goed af te lezen: een bont schouwspel van verschillende steensoorten, metselverbanden, verbouwings- en restauratiesporen. In de noordmuur springen de restanten van de tufstenen kerk in het oog, gemetseld in afwisselende lagen staande en liggende blokken, waarin betrekkelijk grote rondboogvensters waren uitgespaard. Ook de laat-middeleeuwse verhoging is eenvoudig te traceren. Enkele gotische vensters zijn naderhand kennelijk weer verkleind en van houten ramen voorzien.

De ommantelde toren is versierd met spitsboognissen en samengesteld uit blokvormige geledingen met in de eerste een gedenksteen met het jaartal 1651 en in de twee een met 1757. In de noordoostelijke hoek een voorbeeld van negentiende-eeuws steunwerk.

In het heldere interieur vallen twee (gerestaureerde) rouwborden op. Het grootste is een wapenbord ter nagedachtenis aan een van de bewoners van Wiardastate, Ruerd Carel van Cammingha, overleden in 1793. Het meubilair, inclusief de sobere, zestiende-eeuwse preekstoel en het Van Damorgel uit 1864, was donkerbruin, totdat het in 1970 in bronsgroene tinten werd geschilderd. De balken die het tongewelf ondersteunden, zijn in 1895 afgezaagd en vervangen door ijzeren trekstangen. Onder de toren bevindt zich een grafkelder; zes loden platen, afkomstig van grafkisten aldaar, zijn verhuisd naar de consistoriekamer.

Zowel kerk als toren staan momenteel op de wachtlijst voor restauratie.


Brandspuithuisje
In zijn "Geschiedenis van Goutum" neemt R.K. de Jong de lezer mee op een wandeling door de Buorren anno 1880. Het dorp had toen juist de beschikking gekregen over een moderne handbrandspuit. Conform de voorschriften werd het nieuwe apparaat, dat wel vijftien meter hoog kon spuiten, eenmaal per jaar op zijn deugdelijkheid beproefd, tot groot vermaak van met name de jeugd.

De spuit werd in de bocht van de Buorren (nummer 20) gestald in een nieuw opgetrokken brandweerhuisje. Dat verloor die functie toen de brandweer in 1925 werd gemotoriseerd. De handbrandspuit verdween, het onderkomen raakte in verval.

Bij de aanleg van de Haven, vijftig jaar later, werd het brandweerhuisje door timmerbaas Willem Kimsma van de definitieve ondergang gered door het helemaal af te breken en als oud te herbouwen. Alleen de deuren, met het opschrift "Brandspuit", zijn nog oorspronkelijk. Het bedrijfsmonumentje is er echter niet minder curieus om. Tegenwoordig worden er fietsen gestald; ter gelegenheid van de Open Monumentendag is er weer een handbrandspuit opgesteld.


Boerderij Heechhiem

Nog in 1951 voerde vanaf de Wergeasterdyk "een rustiek laantje, als een groene tunnel, met een bevallige slinger naar de boerderij met zijn oeroude Doeke Martens appelbomen". Door de aanleg van de wijk Heechhiem/Binnentûn is die situatie sinds 1970 drastisch gewijzigd: de oprijlaan is verdwenen, de boerenplaats is net niet opgenomen in de nieuwbouw.

De boerderij is er een van het negentiende-eeuwse stelptype: het woon- en bedrijfsgedeelte onder één vierzijdig schilddak, traditiegetrouw respectievelijk bedekt met geglazuurde (blauwe) en ongeglazuurde (rode) pannen. De eerste steen van Heechhiem, een naam die zowel de voor- als zijgevel siert, werd blijkens een inscriptie gelegd op 17 juli 1889. Aan het front is sindsdien het een en ander veranderd. Zo werd een blinde nis vervangen door een raam en naar het zuiden verplaatst. De fraai gesmede muurijzers bleven bewaard.

Bijzonder is de uitgebouwde melkkelder aan de noordzijde, oorspronkelijk een (nieuw) onderdeel van de bouwboerderij die hier sinds 1581 stond. De uit gele baksteen opgetrokken ruimte heeft een deur naar het "stalt", de spoelplaats aan de gracht, die ooit vrijwel het hele terrein omgaf. De kelder, die met de opkomst van de zuivelfabrieken zijn functie verloor, is nog goeddeels intact: een estrikken vloer, sporen van "zuivelblauwe" muurverf, binnen- en buitenluiken, tralies om-en-om van ijzer en hout en een brede deur, waardoor men met twee emmers gemakkelijk toegang had tot de karnhoek in het nieuwe bedrijfsgedeelte. Boven de melkkelder bevindt zich een ruime zolder met uitgebouwde kajuit.

Ook de "tsjerneharne" is nog grotendeels authentiek: veel tegelwerk, waaronder twee tableaus met niet geheel natuurgetrouw afgebeeld vee, een asymmetrische schouw en in het plafond nog goed zichtbaar het polsgat voor de karnton.

Nadat de boerderij in 1963 haar agrarische bestemming verloor, is de schuur ingrijpend verbouwd. Ook in het woongedeelte is veel vernieuwd. In de "goeie keamer" resteert echter nog een betimmering met een (kinder) bedstee en een fraaie porseleinkast, voorzien van karakteristieke negentiende-eeuwse houtimitatie.


Gelede boerderij in het Goutumer Nieuwland

Ten westen van de Brédyk c.q. de Overijsselseweg lag ooit de Middelzee. Nu ligt er het Goutumer Nijlân, een weids en praktisch boomloos landschap zonder noemenswaardige bebouwing.

Precies driehonderd jaar na de aankoop van een plaats aldaar liet het Sint Anthony Gasthuis in 1908 op een dichter bij de rijksweg gelegen perceel (Overijsselseweg 18) een compleet nieuwe boerderij bouwen "volgens ’t Zuid Hollandsch Systeem", ook wel gelede bouw of lengtebouw genoemd. Kosten: ruim 16.000 gulden, voor die tijd een vrij hoog bedrag. Over het resultaat was boerderijdeskundige G.J.A. Bouma anno 1949 nog slecht te spreken: "De bouwkosten zijn hoger, het voederen van hooi kost meer arbeid en het uiterlijk is aanzienlijk minder fraai dan dat van een stelp of een kop-hals-romp".

Dat laatste valt te bezien. De Leeuwarder architect W.C. de Groot heeft met deze nieuwerwetse boerenplaats een alleszins acceptabel gebouw op zijn naam geschreven in een voor hem karakteristieke decoratieve stijl (vgl. de Hollanderwijk en het Gabbema-gasthuis aan de Wijbrand de Geeststraat). Zowel het woon- als het bedrijfsgedeelte is voorzien van gele consoles, doorlopende gele dorpelbanden en ander siermetselwerk. De schoorsteenbroden zijn even royaal als sierlijk en De Groot heeft niet nagelaten het nokwerk te voorzien van pironnen.

De voorgevel van het breed opgezette woongedeelte is een studie waard: het geheel kleurrijk gemetseld, de ramen voorzien van luxueuze zonnewering (een combinatie van blinden en luiken) en bekroond met fraaie boogtrommels. Aan de noordkant staat een aangebouwde serre annex werkruimte.

Het bouwwerk kreeg het gelede karakter, doordat woning, stal en hooiberging in afzonderlijke, slecht door deuren met elkaar verbonden ruimtes werden ondergebracht. Dat had zowel wat de brandveiligheid als wat de hygiëne betrof zijn voordelen (het streven was toen om de melk bacterievrij te houden teneinde een bijdrage te leveren aan het bestrijden van de gevreesde volksziekte tuberculose). Bovendien werd de (gestukadoorde) stal op "Hollandsche" wijze ingericht: het vee in een dubbele rij met de kop naar de voergang en dus niet zoals bij de "Friese stal" met de kop naar de muur en een voergat in de zolder. De ruime stal verkeert niet meer in de oorspronkelijke staat, het gevolg van een poging tot modernisering in de jaren-zeventig. In dat opzicht had de bouw van een ligboxenstal meer effect. Het gebinte in de hooischuur is origineel, de zoldering niet.

Vanuit het woongedeelte bieden de ramen in de gang en in het "feintekeamerke" uitzicht op het "bûthús". De gang en de betegelde woonkeuken verkeren nog goeddeels in de oorspronkelijke staat.


Het pompstation van de Waterleiding

Een jaar na de oprichting in 1887 telde de Leeuwarder Waterleiding Maatschappij 36 aangesloten percelen. Begin 1904 waren het er al twaalf keer zo veel. Door de droge zomer groeide het aantal aansluitingen dat jaar explosief. Met alle gevolgen van dien: vooral op zaterdag, wanneer alles in en om huis werd schoongemaakt, was de toevoer af en toe onvoldoende. Klachten over deze situatie, met name van ziekenhuizen, leidden tot de bouw van een kelderreservoir met een hulppompinrichting bij Goutum. Hiermee kon de druk op de persbuis vanuit Grouw, waar het water werd gewonnen, worden verminderd, zodat de kans op buisbreuken kleiner werd. Bovendien kon de capaciteit iets worden vergroot.

Het aanjaagstation (Overijsselseweg 84) werd in 1905 gebouwd door de Leeuwarder architect H.H. Kramer, die ook verantwoordelijk was voor de twee belendende woningen-onder-één-kap. De onderste helft van de even speels als evenwichtig opgebouwde voorgevel is in rode baksteen uitgevoerd, de bovenste wit bepleisterd. Boven de woonkamer een charmante driedelige raampartij die meeloopt met de dakrand. Achter de woningen is in een grasveld de welving van het "laagwater reservoir" nog zichtbaar.

Het oorspronkelijke aanjaagstation werd vanwege bouwtechnische gebreken al in 1928 vervangen. Het nieuwe gebouw kreeg een platte dakconstructie met vlak onder de daklijst een drietal kleine raampjes. De ver overstekende daklijst wordt nog een geaccentueerd door uitstekende gemetselde lijsten bij de hoekramen en uitbouwsels op de begane grond met een soortgelijke dakconstructie. Door deze bloksgewijze geleding ademt het station een kubistische, zo men wil expressionistische geest.

Terug