Presentatie van ‘Leeuwarden in de Gouden Eeuw’ (Hilversum: Verloren, 2016)


(Historisch Centrum Leeuwarden, 22 april 2016)

Waarde redacteuren en auteurs, beste collega’s, dames en heren,

Het lijkt een dooddoener, maar ik zeg hem toch: het is een grote eer voor mij om dit eerste exemplaar van Leeuwarden in de Gouden Eeuw in ontvangst te nemen. Natuurlijk in samenklank met de Gouden Eeuw zelf, waarin het eergevoel de basiswaarde van de samenleving was, en elke gift terecht een ‘verering’ werd genoemd. Maar ook vanwege Leeuwarden. U zult niet weten dat Leeuwarden al bijna mijn hele leven op mijn netvlies staat. Het was, na de Gelderse steden en het voor Zutphenezen even onvermijdelijke als verfoeilijke Deventer, de eerste buitenlandse stad (want zo moet ik het hebben gevoeld) die ik mocht ontdekken. Mijn vader, vakfotograaf in Zutphen, had namelijk een ateliermedewerker die Athanasius heette en uit Dokkum kwam, en omdat zijn familie katholiek was, mocht ik al heel jong twee weken lang bij zijn ouders thuis gaan logeren, midden dat oude stadje dat ik onmiddellijk in mijn hart sloot. Ik herinner me nog heel goed hoe we met de boot over de Dokkumer Ee naar Leeuwarden voeren, voor mij een unieke belevenis, en hoe we daar de stad verkenden. Leeuwarden kende ik dus al vóór Amsterdam, waarin ik als 12-jarig knaapje voor het eerst kwam met de nachtelijke Stille Omgang van de katholieke middenstand – en Amsterdam by night is natuurlijk een ander soort belevenis dan Leeuwarden by day, zelfs met de Stille Omgang.

Leeuwarden hoort dus bij de kiemen waaruit mijn belangstelling voor de Gouden Eeuw ontsprong. Zutphenezen (dat zijn geboren Zutphenaren) zijn allemaal vreselijke chauvinisten, ongetwijfeld net als de Leeuwarders, en daar is op zichzelf niets mis mee. Ik zou bijna zeggen: je wordt dan een dwang-historicus, want wie in een historische stad is geboren en daar een deel van zijn identiteit aan ontleent, komt daar zijn hele leven niet meer vanaf. Ook met Leeuwarders moet het zo gaan, dat lees ik af aan het kennelijke plezier en de hartverwarmende acribie waarmee de artikelen in deze bundel zijn geschreven. De auteurs houden van hun stad; ze willen dat zo nauwkeurig mogelijk boekstaven en hun enthousiasme overbrengen. De Gouden Eeuw is voor hen niet alleen een legitiem en spannend studieobject, maar een springlevend deel van de geschiedenis en de identiteit van huidig Leeuwarden.
U begrijpt, ik heb het boek al mogen inzien en dat geeft mij een comfortabele voorsprong op bijna de hele zaal. Ik zal het niet gaan samenvatten en het is niet de bedoeling dat ik alle auteurs bij naam en toenaam ga feliciteren, al zou dat volkomen terecht zijn. Dat doe ik dus maar collectief. Maar ik wil toch enkele impressies geven. Toen ik het boek opende, viel ik onmiddellijk met mijn neus in de boter. Ik zat net een artikel over Nederlanders in Saumur te corrigeren, de Franse stad aan de Loire waar een zo heerlijk verfrissende wijn wordt geteeld dat de jonge Gouden Eeuwers er niet van konden afblijven en dat ze alleen al daarom massaal naar Frankrijk trokken. En warempel, het eerste artikel in het boek gaat over Edo Neuhusius die zijn zoon naar Saumur stuurde. Ik had die geste al in een voetnoot bij mijn artikel geëerd, want de auteur van het artikel, Piter van Tuinen, had daar al eerder over gepubliceerd. Maar ook omdat, en dat kon hij niet weten, zoon Reinier Neuhusius als een van de weinige Nederlanders zich niet alleen in Saumur ging bezatten of er leerde schermen en paardrijden, maar ook echt in Saumur ging studeren, en dat zelfs, nog zeldzamer, op de Latijnse school, de onderbouw van die academie, het wat liberalere jongere zusje van Genève. Vader Edo had goed begrepen welk fundament echte wetenschap dient te hebben, en het moet gezegd dat Reinier weliswaar niet Leeuwarden trouw bleef, maar wel zijn vader – hij schreef zijn biografie. Maar vader sommeerde hem wel zijn studiereis in Frankrijk af te breken om rector van de school van Harlingen te worden, en later kwam hij in Alkmaar terecht – West-Friesland natuurlijk, maar toch. Wat we hiervan leren, is dat Europa, de studiereis en de Grand tour, waarover ook een mooi artikel in de bundel staat, al in de vroege zeventiende eeuw op het netvlies van de Friezen stonden. Wie het boek goed leest zal getroffen worden door al die interprovinciale en internationale uitzaaiingen van Leeuwarden en zijn cultuur.

Hier dus niet die naar binnen gerichte, slechts op eigen roem bedachte Gouden Eeuw die nu in Holland en tot in het parlement wordt gepromoot, en die zijn hoogtepunt heeft gevonden in de aankoop van twee staatsieportretten van poenerige nouveaux riches, die het equivalent van het cultuurbudget van een kleine stad gaan opslokken. In zijn heldere artikel over de rijkdom in de Friese Gouden Eeuw laat Yme Kuiper dan ook discreet maar efficiënt zien dat het spraakmakende boek van Kees Zandvliet over de 250 rijksten van de Gouden Eeuw op verkeerde premissen is gebouwd: het behaagt de Gouden-Eeuw-droom van de politiek, het publiek en de grote graaiers van Quote, maar kan de toets van de historische kritiek niet doorstaan. De Leeuwarders waren rijker dan de overige Friezen, maar niet zo waanzinnig rijk dat we hen alleen maar met open mond kunnen blijven aanstaren. Zelfs stadhouders Willem Frederik die zich met zijn rijke dagboek al een ereplaats onder de Gouden Eeuwers had verworven, en Albertine Agnes, maar ook de heer van Ameland, toch de rijksten van de stad, zien we hier op de eerste plaats als Leeuwarders, midden in de stad, de bevolking nabij, stukken gewoner en daarmee ook sympathieker dan hun neef, houwdegen en rokkenjager Maurits, of de hautaine, grimmige Hollanders Willem II en III, die we om hun  politiek kunnen kapittelen  of prijzen, maar die menselijk op zo’n grote afstand staan dat ze nauwelijks sympathie wekken. De status als hofstad heeft Leeuwarden in de Gouden Eeuw beslist een aparte kleur gegeven, maar rijkdom was hier minder poeha, minder exclusief gefocust op geld- en statusbejag, meer op levensinstelling en levensgenot, op stedelijke waarde of een gewestelijk gemeenschapsgevoel. Fraai geïllustreerde artikelen over het beeld van Leeuwarden binnen- en buitenshuis, over de schilders en het kroegleven, over mannen maar ook vrouwen, en natuurlijk de wat obligate, maar toch verhelderende lofspraak van Rector Neuhusius op zijn stad, maken dat duidelijk.

Ik weet het, Friezen zijn bescheiden en down to earth. Het ontbreekt hen aan de protserige grootspraak en de zelfgenoegzaamheid waarmee Holland zich de Gouden Eeuw heeft toegeëigend. Als in dit boek met enige trots wordt gesteld dat er in Leeuwarden niet minder dan 133 schilders in de Gouden eeuw werkzaam waren, wordt onmiddellijk opgemerkt dat er in vergelijkbare steden zeker evenveel waren. Wel was de helft van die 133 spookschilder omdat al hun werk is verdwenen, als het al bestaan heeft; maar de bloemstukken van Abraham de Lust zijn inderdaad een lust voor het oog, en de stillevens van Margareta de Heer kunnen ons alleen maar ontroeren! Als dat niet wordt erkend, wordt het natuurlijk nooit wat met die Friese Gouden Eeuw. Geen klatergoud, en zelfs geen verguld zilver, maar ontluisterende realiteitszin. In deze bundel wordt dan ook minder van de Gouden Eeuw gedroomd, maar meer getoond en meegeleefd. Het Downton Abbey-gevoel, als ik het zo mag zeggen: je ziet de welvaart, maar ook de onderkant, je proeft hoe mooi sommige dingen, daden, relaties en gevoelens waren, maar merkt ook dat lang niet alles volmaakt was, en dat zowel hoog als laag problemen konden hebben om met de eisen van hun eigen stand rond te komen, maar toch de schijn hoog hielden.

Als ik het allemaal goed heb gelezen, zie ik drie thema’s domineren: drank, geld en geloof. Die drank bestond vooral uit het zware en koppige Leeuwarder bier – dat konden die stoere Friezen dan toch maar aan! Of ontbreekt hier nog een hoofdstuk over geweld in de kroeg, op straat en in huis? Ik heb er ook veel thema’s in herkend die bij mijzelf  centraal staan, inclusief het veel bekritiseerde stokpaardje van het boek dat ik met Marijke Spies over het ijkpunt 1650 schreef: de discussiecultuur. Want dat is wat Anna Maria van Schurman ons toont, wat we in de levensbeschrijving van Andriese van Bronkhorst kunnen bespeuren, en het is ook de andere kant van die Jan Jansz Starter waarvan wij gewend zijn vooral de literaire producten te bekijken – maar die producten speelden een rol in de samenleving, in de omgang tussen de Leeuwarders, en die rol begint zich hier te ontplooien.

Natuurlijk zijn er meer aanzetten voor zulke herinterpretaties, voor een nieuwe blik. Ik noem er maar één, de andere moet u zelf ontdekken. Nemen we noot 24 op blz. 65 (ja, ik lees ook de voetnoten). Die geeft in enkele regels een belangrijke discussie weer. Het gaat om een schenking van brood en wijn voor het protestantse avondmaal door een katholieke familie. Tegenover de opvatting van de ons recent ontvallen Wiebe Bergsma, die hier een confessionele geste in zag (en aan wiens grote kennis en inzicht ik hier overigens graag eer betoon), stelt de auteur dat het juist om een daad van seculiere verhoudingen ging omdat de geefster katholiek was. Dat betekent een omslag van een confessionele interpretatie naar een ruimere maatschappelijke en culturele blik, en die omslag wasemt door heel deze bundel. De stad wordt er op heilzame wijze in ontconfessionaliseerd, en het is weer mogelijk om onbevangen over de relaties tussen mensen van verschillend geloof te spreken, inclusief de katholieken, hier wat ruimer en vaker aanwezig dan ik had verwacht. Maar het is geen dominees- en geen priestercultuur die we hier te lezen krijgen, zoals in het verleden vaak het geval was, Het is een prachtige bundel geworden, met een in veel opzichten verrassende inhoud over de brede Leeuwarder cultuur in de Gouden Eeuw. En ook heel concreet: je komt bij de Leeuwarders binnen, en kunt ze je aan tafel voorstellen. Aantekenboeken, boedelinventarissen, huisinrichtingen – alles komt samen om het de lezer helder te maken. Het is ook een verrassend mooi geïllustreerde bundel met (althans voor mij) weinig bekende afbeeldingen van personen, ruimtes, straten, interieurs, dingen – kortom, al die zaken die de Gouden Eeuwers na aan het hart lagen en die ze zich wilden herinneren of waardoor ze herinnerd wilden worden. Maar wel steeds met menselijke maat. Hier portretten, tekeningen, prenten die de Friezen als gewone mensen neerzetten, wel met trots en ambitie, maar niet volmaakt, en in de soms wat onbeholpen stijl die hen aandoenlijk en ook voor ons nog heel herkenbaar maakt, zoals de jonge Bartel Douma, die we ook op de achterflap zien, de zoon van een grietman. Zijn kostuum is goed gesneden maar niet luxueus. Zelfs de kanten kraag kan er maar net mee door. Trots toont hij de wapens van zijn ouders die hij voorbestemd is op te volgen. Ambitie dus, en standsbesef, en dat valt ook aan zijn gezichtsuitdrukking te zien. Juist dat verheft zo’n portret boven de atelierkunst en geeft ons toegang tot wat een jongeman in de Gouden Eeuw kon bezielen en wat hij van zijn leven wilde maken.

Eigenlijk zou een andere titel dus nog beter zijn. Niet Leeuwarden in de Gouden Eeuw, alsof die eeuw over Leeuwarden heen zweeft, maar: de Gouden Eeuw van Leeuwarden, de eeuw die Leeuwarden zelf heeft gemaakt. Een eeuw van gewone mensen, maar mensen met plezier, trots, initiatief en ambitie. Ik feliciteer de tekst- en beeldredacteuren, de auteurs en de uitgever daar graag mee, en wens u veel leesplezier en een weg naar dieper inzicht in de historische identiteit en de herinneringscultuur van Leeuwarden!

Terug