Jan Faber

Het hieronder weergegeven artikel is gepubliceerd in Dr. Henricus Popta, over zijn leven en nalatenschap, p. 10-30, Marsum 2012. De publicatie is uitgebracht ter gelegenheid van de 300ste sterfdag van Dr. Henricus Popta.

Als stadsarchivaris Wopke Eekhoff de lezer van zijn in 1846 voltooide Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden meevoert op een fictieve stadswandeling door midden-zestiende-eeuws Leeuwarden, maakt hij in het voorbijgaan van het door Duco Martena bewoonde en in 1552 vernieuwde steenhuis ter plaatse van de huidige Cinema-bioscoop aan de Nieuwestad de volgende opmerking: ‘Een weinig verder is een kleiner adellijk huis van Sybolt van Aylva en zijne vrouw Eesck van Popma, welke laatste hier achter aan den wal eenige huisjes heeft laten bouwen die zij door arme weduwen om niet laat bewonen.’ In een toelichting achter in het boek gaat hij hier nader op in: ´Toen zij dit huis in 1589 bij testament aan Keimpe van Donia besprak, wilde zij, dat dit voorregt ook in de toekomst bestendig zoude worden genoten. Ruim eene eeuw later bewoonde Dr. Henricus Popta , de bekende stichter van het Marssumer Gasthuis, dit huis. Het is zeer waarschijnlijk, dat deze die woningen in 1696 verbouwd en vermeerderd heeft. Althans in den zeer ouden muur van eene derzelve, in het Ruiterskwartier, heeft hij zijn wapen en naam laten plaatsen. In Februarij 1846 is deze muur echter afgebroken. Ook heeft hij de, aan eene bleek gelegene, woningen een uitgang bezorgd naast zijn huis op de Nieuwestad, door een fraai gebeeldhouwd poortje, dat sedert het Popta-poortje, doch naar een lateren bewoner veelal het Struivings-poortje genoemd werd.´

Het gerestaureerde Popta- of Struivingspoortje aan de Nieuwestad in 2010 Bron: Internet (Google Streetview)
Het gerestaureerde Popta- of Struivingspoortje aan de Nieuwestad in 2010 Bron: Internet (Google Streetview)

Getoetst aan eigentijds bronnenmateriaal lijkt de geschiedenis, zoals door Eekhoff voorgesteld, aan alle kanten te rammelen. Een schier eindeloze rij auteurs, te beginnen met A.W. Weissman, auteur van het ter gelegenheid van het 200-jarig bestaan van het Dr. H. Poptagasthuis uitgegeven boek Het gasthuis van Dr. Popta en Heringa State te Marssum (1912) tot en met de samenstellers van het voorlaatste Open Monumentendagboekje (2010), refereert aan wat Eekhoff ooit ´uit de losse pols´ heeft geschreven. Als verzachtende omstandigheid mag gelden dat Eekhoff nooit de beschikking heeft gehad over welke nadere toegang op (onderdelen van) het Oud Rechterlijk Archief van Leeuwarden dan ook. Bovendien werd dit archief pas na zijn dood door de toenmalige Rijksarchivaris in de Provincie Friesland aan het Gemeentearchief in bewaring gegeven. Eerst zijn latere opvolgster Mej. Rinske Visscher heeft baanbrekend werk verricht om de vele tienduizenden transportakten op zowel straatnaam als namen van kopers te ontsluiten.

Waarschijnlijk heeft Eekhoff zijn theorie ten aanzien van de ´Poptakamers´ louter gebaseerd op de inhoud van het mutueel testament dat Sybolt van Aylva en Eesck van Popma op 12 januari 1589 hebben laten opmaken en dat hij als lid van het Fries Genootschap mogelijk ooit onder ogen heeft gehad. In het testament wordt melding gemaakt van twee eerdere echtgenoten van Eesck, namelijk Bocce Wattama, haar eerste man, en Tiepcke van Gerbranda, met wie zij in een tweede echt was verbonden geweest. Tiepcke was in 1582 als balling te Emden overleden, waarna ze voor de derde keer in het huwelijk trad met Sybolt van Aylva. Met hem bleef ze wonen op Gralda State te Menaldum. Ook Sybolt had reeds een eerder huwelijk met Frouck van Goslinga achter de rug.

Copie testament Sijbolt van Aylva en Eesck van Popma, opgemaakt op 12 januari 1589, naar een copie van 12 augustus 1595
Copie testament Sijbolt van Aylva en Eesck van Popma, opgemaakt op 12 januari 1589, naar een copie van 12 augustus 1595

Het is hier dat Eekhoff voor de eerste maal de plank mis slaat! Afgezien van het feit dat we Sybolt van Aylva niet hebben kunnen betrappen op enig onroerendgoedbezit in Leeuwarden, ´staande echte´ met Eesck kan hij onmogelijk al vóór 1550 een adellijk huis aan de Nieuwestad hebben bezeten. Wel bezat Eesck met haar tweede echtgenoot Tiepcke van Gerbranda een huis aan de zuidkant van de Nieuwestad, waarvan zij in het hiervoor aangehaalde testament gewag maakt.

Achter deze woning had zij op een kavel ´overdwars´ een nieuwe woning laten bouwen die via een steeg ten oosten van haar oude woning te bereiken was. Het was deze nieuwe woning, welke zij in haar testament legateerde aan haar ´lieve swager´ (lees: schoonzoon) Keimpe van Donia, die gehuwd was geweest met haar eveneens in 1582 te Emden overleden dochter Margaretha van Gerbranda. Ook de drie huisjes of kamers die zij aan de oude stadswal langs het Ruiterskwartier had laten bouwen worden genoemd: ´Item hebbe voorts gelegateert Michael Janszn. weduwe ende kinderen omme Godes wille die heure van die bewoninghe van mijn twie camers, staende aen het bolwerck binnen Lewarden, exempt die camer die naest aen die gangh lecht, daer gheen heure van sal sijn, dan vrij blijven, ´t selve legaterende so lang sij leven, ende bij versterven vande selve, legatere ick, testatrix, de bewoninghe van die selve twie kamers twie arme weduwen, stellende de collatie van dien tot discretie van de eijgenaer ende bewoonders van mijn voorsscreven nieue huijs, nochtans dat d´onderholdinge vande selve kamers sal zijn bijde eygenaers van de voorsscreven nieue huijsinge´. Ook Weissman constateerde in relatie tot deze laatste twee zinsneden al een schijnbare tegenstrijdigheid, wanneer hij opmerkt: ‘Van deze verplichting wordt in de koopacte van 1628 geen melding gemaakt, maar toch schijnt aan den wensch van Eesck van Popma voldaan te zijn’. Daarna vervolgt hij de geschiedenis volgens de zienswijze van Eekhoff.

Met de huurders van haar oude woning aan de Nieuwestad had Eesck reeds op 10 juli 1582 een contract laten opmaken dat op 28 februari 1584 in het groot-consentboek van Leeuwarden werd geregistreerd. Dit contract wordt eveneens in het testament aangehaald: ´dat contract ´t welck ick met Harmen Janszn. schroer ende Griet, echteluijden, gemaeckt hebbe van mijn olde huijsinge, staende opde zuijder sijde van die nieuue Stadt, vóór mijn nieuue huising, sal ende sullen approberen, naegaen ende onderhouden ende tot meerder approbatie ende bundinghe dat d´zelue Harmen ende Griet ´t voorsscreven oldt huijs, volgende ´t zelue contracte nae mijn testatrix versterven als eijgen sullen hebben, holden ende genieten als haer luijden ´t zeluen midts deesen noch legaterende´.

Over de exacte locatie van het bezit van Eesck van Popma, weduwe Gerbranda, bericht het hiervoor aangehaalde contract uitvoeriger: ´die voorhuijsinge ende plaetze met zijn annexen, gerechticheeden ende toebehoorten metten proffitelijcken eigendom vanden grontt, behalve de grontpacht, staende ende gelegen binnen Leeuwarden opte suyder zyde vande Nyestadt, streckende van voeren vande straet tot ande nye huysinghe, staende after den voorsscreven huijsinghe over dwers op een steede ofte gront, hebbende Jan IJsbrantszn. ten oosten ende Thijs Gerleffszn. ten westen naestgelegen´. En over de kamers: ´Item tot mijn lijff stonde noch sekere drie camers, staende achter die nyeuwe huijsinge naest aen ´t bolwerck op een gront, hebbende Jan wielmaecker ten oosten ende Laurens glaesmaecker ten westen´.

Overigens vinden we Tiepcke van Gerbranda al op 13 juni 1572 vermeld, toen de verkoop van het westelijk belendende pand werd geproclameerd. In de omschrijving van dit verkochte buurpand werd tevens gewag gemaakt van een vrije uitgang ´responderende naar de Olde Doelen´. Het was hier dat een alarmbel begon te rinkelen welke de twijfel aan de juistheid van de door Eekhoff aangedragen locatie opriep! Deze plek lag toch aanzienlijk oostelijker dan de Duco Martenapijp en moest eerder tegenover de dan nog niet bestaande Nieuwepijp worden gezocht, hetzij links hetzij rechts van de Oude Doelesteeg.

Uitsnede van het westelijk deel van het gebied Nieuwestad-Ruiterskwartier  zoals weergegeven op de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603
Uitsnede van het westelijk deel van het gebied Nieuwestad-Ruiterskwartier  zoals weergegeven op de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603
 
De transportakte van het westelijk belendende perceel van het buurpand van Gerbranda in 1577 bracht uiteindelijk de gewenste duidelijkheid. Als deze zijn bezit aan een nieuwe eigenaar overdraagt de eigendom van dit pand aan een nieuwe eigenaar wordt overgedragen, blijkt het verkochte op de oosthoek van de Oude Doelesteeg te zijn gesitueerd. Tiepcke van Gerbranda en Eesck van Popma bezaten dus het derde pand oostelijk van dit tegenwoordig bruisende uitgaansstraatje, dan wel op de plek van het huidige uit 1922 daterende perceel Nieuwestad 94, waarvan de hof zich destijds uitstrekte tot de oude stadswal langs het Ruiterskwartier. Deze hof had tot 1539 deel uitgemaakt van het oefenterrein van de Stedelijke Schutterij die datzelfde jaar een nieuw onderkomen had gekregen, ongeveer ter plekke van de huidige Stadswacht aan de Groeneweg.

Samengevat vervalt met deze ontdekking dus iedere relatie met het latere bezit van Dr. Henricus Popta aan de Nieuwestad en het Ruiterskwartier en kunnen we zelfs het bestaan van een zogenaamd ´hofje´ achter de door hem bewoonde woning Nieuwestad 70 in twijfel trekken. Dit gegeven lijkt immers puur te zijn gebaseerd op de foutieve veronderstelling van Eekhoff. Bovendien noemde hij op grond van de in het testament vermelde steeg ten oosten, ten onrechte Nieuwestad 58, toen E 38, als woonhuis van Popta. Ook het gegeven dat de inhoud van Popta’s drieëndertig pagina’s tellende testament wordt gekenmerkt door een oorverdovend stilzwijgen ten aanzien de begeving van de ‘Leeuwarder kamers’, doet op zijn zachtst gezegd de wenkbrauwen fronsen. Sterker nog! Naast forse legaten in klinkende munt en onroerend goed - twee andere panden in de Kleine Kerkstraat en aan de Nieuwestad op de westhoek van de Nieuwesteeg waren hen reeds geschonken - werden alle bezittingen ter plekke aan zijn huisknecht en vertrouweling Johannes Jellema en echtgenote in vruchtgebruik gegeven. Zelfs na hun overlijden zouden hun kinderen dit voorrecht ook nog mogen genieten. De enige tegenprestatie die ze daarvoor hoefden te leveren was het dragen van de kosten van onderhoud. Eventuele uitbreidingen dienden echter door het Gasthuis te worden bekostigd. Dat Popta volgens Eekhoff ooit zijn wapen en naam heeft laten plaatsen in een in 1846 weggebroken ‘zeer oude’ muur van een woning aan het Ruiterskwartier, hoeft ons niet te verbazen. Het op deze wijze benadrukken van de eigen grandeur of die van de familie was in die tijd bepaald niet ongebruikelijk onder leden van de plaatselijke elite. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het poortje naast het voormalige Haersmahuys aan de Tweebaksmarkt 49. Het moet ook Popta´s ijdelheid in sterke mate hebben gestreeld om hier scheutig mee om te gaan. Architect G.J. Veenstra, die in 1916 het poortje aan de Nieuwestad voor het eerst grondig onder handen nam en daarbij moest raden naar het op het schild afgebeelde wapen dat niet meer herkenbaar was, merkt in zijn restauratieverslag op: ‘Wel vermoedde ik, waar Popta de stichter was, en hij, zooals bekend is, gaarne overal waar ’t maar mogelijk was zijn wapen liet aanbrengen, dat dit ook hier met zijn blazoen beladen geweest zou zijn’. Trouwens, ook Eekhoff houdt een kleine slag om de arm wanneer hij suggereert dat ´het zeer waarschijnlijk is´ - dus niet onomstotelijk - dat Popta die woningen in 1696 verbouwd en vermeerderd heeft. Bovendien verwijst hij met ´die woningen´ naar het vermeende bezit van Eesck van Popma op die plek! De enige bebouwing die we tijdens het hieronder beschreven minutieuze onderzoek in de uitgestrekte hof van Dr. Henricus Popta hebben aangetroffen waren een zomerhuis en een kippenhok! Ook al zou hier een aantal ‘oude kloeken’ op liefdevolle wijze zijn verzorgd, het zal zeer zeker niet tot de competentie van het gasthuis hebben gestrekt. Mocht Henricus Popta zich op latere leeftijd al geïnspireerd hebben gevoeld door werken van liefdadigheid in zijn geboortestad, dan zou dat mogelijk het door zijn buren Harcke Reyners en Doutjen Heeres gestichte hofje ‘De Bolswarder Kamers’, pal ten westen van zijn tuin of boomgaard, geweest kunnen zijn.

Resteert dus als enige het in 1696 geplaatste poortje als herinnering aan de Leeuwarder bezittingen van Dr. Henricus Popta, waarop we straks zullen terugkomen. We proberen eerst de plaatselijke bebouwing zo grondig mogelijk te analyseren om zo tot een gedegen reconstructie van het in 1796 afgestoten gasthuisbezit te komen

Kern van het latere bezit van Dr. Henricus Popta wordt gevormd door het in 1628 door zijn grootouders Jacob Hendrickszn. en Lutske Tiebbesdr. Popta aangekochte perceel Nieuwestad 70. Weissman noemt als verkoper de erfgenamen van een zekere Attze Tiaerdts, doch deze naam moet door hem bij het lezen van de oorspronkelijke koopbrief verkeerd zijn geïnterpreteerd. Verkopers zijn namelijk de erfgenamen van Atke Tiaerdtsdr., de weduwe van wijlen Fedde Jelgersma. Zij had dit pand op 10 september 1562 samen met haar toenmalige echtgenoot, de Leeuwarder burgemeester, boer en zuivelkoopman Meynert Wijgerszn., bij decreet van het Hof van Friesland voor 850 goudgulden en 21 stuivers gekocht van de smid Douwe Lambertszn. en zijn minderjarig kind bij wijlen zijn huisvrouw Ricxt Hoytedr.. Het verkochte bestond uit een door de verkoper bewoond huis met schuur en hof, strekkende tot het huisje van Beernt Janszn. met een steeg ten westen, alsmede een uitgang naar het bolwerk. De ten oosten en westen naastgelegen percelen behoorden respectievelijk Thijs Janszn. lijndraaier en Vincent Oedtszn. toe. Een half jaar eerder had Douwe op verzoek van crediteuren reeds een jaarlijkse losrente uit dit huis verkocht aan Sybe Breuticx of Bronticxzn., waarbij de kanttekening was geplaatst dat het huis behoorde tot de moederlijke goederen van Douwe’s kinderen. We vinden Douwe reeds in 1547 op deze locatie vermeld op een lijst met bewoners van het Oldehoofster Espel die werden aangeslagen ten behoeve van het herstel van de Wirdumerpoort.

Meynert Wijgerszn. zal kort voor 2 april 1590 zijn overleden, althans op deze datum vindt er een inventarisatie plaats in zijn sterfhuis aan de Nieuwestad. Uit deze inventaris blijkt tevens dat Meynert en Atke op 11 juni 1566 van de in 1562 genoemde Leeuwarder schepen Be(e)rnt Janszn. en diens huisvrouw Sympck Jans voor zestig caroligulden in eigendom verkregen hebben ‘seekere camer staende an’t bolwerck bynnen Leuwarden affter ’t huis ende hoff vande copers, (hebbende) Johannes Oedtszn. hoff ten westen ende Thijs lyndraier ten oosten’. Daarnaast wordt een obligatie van dezelfde Johannes Oedtszn. , gedagtekend 10 mei 1566, vermeld, waarbij deze verklaart aan Meynert Wijgerszn. schuldig te zijn het bedrag van 226 goudgulden en dat hij daarvoor in ruil transporteert ‘'t gebruic van sin hoff, deur niar vercregen van Vincent Oedtszn., sinen broeder’. Ten slotte wordt een koopbrief van 24 januari 1575 vermeldt, waarbij Meynert en Atke voor 545 goudgulden van de echtelieden Hessel Lieuweszn. en Lysbeth Centsdr. in eigendom hebben verkregen ‘seeckeren huys, schuyre ende plaetse mett allen annexen , gerechticheden ende toebehoerten ende den proffijtelicken eygendom vanden grond, staende ende gelegen opte Nieuwestadt, streckende van voren van 't diept tot aen des coopers hoff, ofte plaetse’. Naar alle waarschijnlijkheid was Lysbeth Cents een dochter van de mr. timmerman Vincent Oedtszn., de oorpronkelijke eigenaar van de percelen Nieuwestad 58 en 56, inclusief de daarachter gelegen tuinen, die dus in 1566 werden toegevoegd aan het bezit van Meynert en Atke.

Het huwelijk van Meynert en Atke zal kinderloos zijn gebleven, daar naast Atke tevens de minderjarige kinderen van ene Anne Wijgerszn. – naar alle waarschijnlijkheid een broer van Meynert – hun recht op een deel van de nagelaten boedel mochten doen laten gelden, waaronder de eigendom van Nieuwestad 56. Meynert zal dit zo in zijn niet bewaard gebleven testament hebben bepaald. Nieuwestad 58 behoorde toe aan Atke’s naaste familie, te weten haar zuster Fedt Tyaerdtsdr., weduwe van Folckert Gerrijtszn., en haar broer Jelle Tyaerdtszn., woonachtig te St. Jacobiparochie. Fedt wordt al in 1575 op deze plek vermeld, doch dan abusievelijk Eets genoemd. In 1589 verkocht zij haar aandeel van het pand aan haar broer en mede eigenaar Jelle, die er voor het resterende derde deel eigenaar van was. Op zijn beurt verkocht Jelle in 1594 het gehele pand voor 1656 goudgulden en 7 stuivers aan Jan Willemzn. en Brecht Hendricxdr., echtelieden in de ‘Blauwe Croon’ binnen Leeuwarden, ‘streckende van voren vande straat van de Nyuwestad tot achter aen het stecket, scheydende de achterplaetze van dese verkofte huysinge ende het hoff daer achter gelegen’. Waarschijnlijk waren Jan en Brecht op dat moment reeds huurders van het pand dat vanaf dan meer dan een eeuw onder de naam ‘De Blauwe Croon’ bekend zou staan. Als eigenaren van de oostelijk, zuidelijk en westelijk belendende percelen worden nu de erfgenamen van Meynert Wijgers genoemd. Atke is met haar tweede echtgenoot Fedde Jelgersma in het huis Nieuwestad 70 blijven wonen. Als eigenaar van Nieuwestad 56 wordt in 1610 een zekere Wijger Anneszn. vermeld. De ruime hof, welke later een onderdeel vormde van het Poptabezit in Leeuwarden, strekte zich dus in de breedte achter deze drie percelen zuidwaarts uit tot aan de kamerwoningen aan het Ruiterskwartier.

Als op 24 april 1628 het huis Nieuwestad 70 voor 3140 goudgulden door de erfgenamen van Atke Tiaerdtsdr. wordt overdragen aan de grootouders van Henricus Popta, dan luidt de omschrijving alsvolgt: ‘seeckere huijsinge, plaets, nieuwe middelhuijsinge, camer, koestallinge, schuijre, een groot heerlijck hoff after drie huijsen, mette eigendom vande steegh ten westen vande huijsinge leggende, des dat den eigenaer vande huijsinge ten westen voorsscreven daeraff het medegebruijck competeert, met oock den vrijen eigendom vande uijtgangh nae't gewesene Stadts bolwerck tusschen twee camers’. Op 4 februari 1647, wanneer een achter Nieuwestad 56 gelegen woning wisselt van eigenaar, wordt Jacob Hendricx hovinge als het zuidelijk belendende perceel genoemd. Zo ook op 2 april 1654, wanneer lakengrossier Jacob Zelis Tambuser zijn voorhuis ‘De Blauwe Croon’ voor 2178 goudgulden overdoet aan de meester timmerman Aesge Doeckes. Er is dan sprake van ‘de steijgh nae Jacob Hendricx hovinge ten oosten’. De koper diende ervoor zorg te dragen dat het daarachter gelegen werkhuis dat de verkoper in eigendom toebehoorde, een eigen uitgang naar de gemeenschappelijke steeg zou krijgen. Dit ten koste van de plaats achter de gekochte woning . De koper zou daarvoor genieten ‘de matrialen van het portael nu daer op staende, des dat hij alles met de halve steen sal opmetselen ende doen saepareren‘.

Twee jaar later, op 16 maart 1656, doet Jacob Zelis Tambuser alsnog de achterliggende bebouwing voor 798 goudgulden van de hand en wel aan de echtelieden Jan Jansen Hulstman en Neeltje Gerrijts. Plotseling is er sprake van vier kamers ‘achter de huijsinge daer de Blauwe Croon uijthangt, nemende dese camers haer begin vande gerechticheijt vande voorhuijsinge, Aesge Doeckes mr. timmerman tegenwoordich toebehorende, streckende voorts achter tot aen Jacob Hendricx hoff; sullende dese vercochte camers hebben het mede gebruijck vande steegh’. Elk van deze kamers was belast met 5 goudgulden jaarlijkse grondpacht. Overigens lijkt Jacob Hendricx op dat moment te zijn overleden, aangezien de eigenaren van de belendende percelen ten oosten en zuiden worden aangeduid als ‘Jacob Hendricx offte desselffs erfgenamen’. Lutske Tiebbes Popta overlijdt in december 1660 aan de Turfmarkt en wordt op 7 december van dat jaar ‘met de rode wezen’ in de Westerkerk begraven. Op 1 februari 1667, wanneer Aesge Doeckes het voorhuis ‘De Blauwe Croon’ voor 3400 goudgulden weer van de hand doet, lijken de vier kamers achter zijn woning als bij toverslag verdwenen en is er wederom sprake van ‘het werckhuijs’ toebehorende Jan Jansen Hulstman! Mogelijk is de omschrijving van het verkochte klakkeloos uit de vorige koopbrief van 1654 overgenomen.
Als de hiervoor in 1647 genoemde woning achter Nieuwestad 56 in 1665 wederom wordt verkocht vinden we Tiebbe Jacobs Popta met zijn hof als belendend perceel ten zuiden. Twee jaar later, op 1 februari 1667, wanneer ‘De Blauwe Croon’ weer in andere handen overgaat, wordt nogmaals ‘de steegh nae d'Schriewer Tiebbe Jacobs’ ten westen genoemd.

Datzelfde jaar doet Dr. Henricus Popta een eerste bescheiden aanzet tot uitbreiding van het onroerendgoedbezit ter plekke. Op 18 oktober 1667 wordt klein consent gepasseerd op de verkoop door Sioucke Douwes, woonachtig te Rotterdam, van ‘seeckere camer ende loodts, staende in’t Ruytersquartier achter aende wal’. De koopsom bedroeg 260 caroligulden. Dit was het eerste van twee percelen aan het Ruiterskwartier. Pas 26 jaar later, op 25 augustus 1693, wordt consent gepasseerd op de overdracht door Hillegonda Hogeboom-Visschers van een tweede kamer of woning ten westen van de in 1667 aangekochte kamer. Hiervan bedroeg de koopsom 300 goudgulden.

Op 12 maart 1686, was door Henricus Popta een jaarlijkse grondpacht van 20 goudgulden gekocht ‘gaende uit de achterhuisinge ende plaets, staende ende gelegen achter de huisinge vande Blauwe Kroon op de brede zijde van de Nieuwestadt binnen Leeuwarden; nemende ten noorden sijn aenvangh van't eijnde vande plaets van voorsschreven huisinge, met een winckelhoecktie besijden voornoemde plaets, ende streckende dan voorts suijdwardts tot aen het somerhuis ende hoenderhock vande coper; hebbende des copers steegh ten Oosten’. Popta telde hier 400 caroligulden voor neer. Verkoopster was Antie Sioerdts Hardenbergh. Wederom is er sprake van een achterhuis en worden de 4 kamers, uit elk waarvan in 1656 vijf goudgulden grondpacht ging, niet genoemd. Over de wijze waarop Henricus Popta de opstal van de grond heeft verworven moeten we tot op heden in het duister tasten. Wel is zeker dat hij vrij snel naar de slopershamer moet hebben gegrepen, aangezien in de inventaris van zijn sterfhuis bij het noemen van de aankoop van de grondpacht ten aanzien van bebouwing de kanttekening ‘als nu tot een tuyn aan het sterfhuys gebruickt’ is geplaatst.

Op 25 februari 1702 vindt ten behoeve van de twee minderjarige kinderen van Tiallingh Ruierdts en Jancke Tobias, Sipckjen Sipckes en Jancke Freercks, allen erfgenamen van hun grootmoeder en moeder Antie Tialckes, bij decreet van het Hof van Friesland in herberg ‘De Olde Hopsack’ een publieke verkoping plaats van ‘¾ parten van sekere heerlicke ende wel ter nering staende huisinge op de brede Nieuwe Stadt alhier, daer de Blauwe Croon uijthanght; bestaende in een groot voorhuijs, daerin een schrijffkamer; een grote peijkamer met twee bedsteden; een keucken ende backhuijs, drie grote opkamers met een kleine, sampt solderinge daerboven; een plaets, twee regenwaters backen en een put; met het medegebruijck van de steegh ten oosten’. Finale koper wordt Dr. Henricus Popta voor 1302 goudgulden. Gelijktijdig wordt ten behoeve van dezelfde verkopers ¾ van het belendende perceel ten westen (Nieuwestad 56), alsmede ¾ van het daarachter gelegen pand verkocht. Ook op dit laatste ¾ perceel wordt door Popta geboden. De omschrijving hiervan luidt: ‘¾ parten huisinge, staende op de brede Nieuwestadt alhier, door een steegh in te gaen, achter naest de huisinge bij Jan Jansen van Gorcum pijpmaker bewoont; bestaende in een kelder, kelderskamer en opkamer, schuijr en tuijninge, beneffens vóór een plaets, met put en back, gemeen met de verkopers huisinge ten noorden, des deselve te samen onderholdende, en van gelijken gemeen met deselve de ingaende steegh, om die met malckanderen te gebruijcken ende onderholden’. Popta wordt uiteindelijk eigenaar voor 502 goudgulden. Het pand werd voor 64 caroligulden per jaar gehuurd door dezelfde pijpbakker die nog tot mei 1704 huurrecht had. Het zou nog tot 24 april 1710 duren, voordat - na interventie door het Hof van Friesland en een door haar bevolen taxatie - de twee resterende vierde parten van de door Henricus Popta gekochte huizen voor respectievelijk 833 en 235 caroligulden en 4 stuivers door Doutien Bayes, huisvrouw van Taecke Minnes, aan hem zouden worden overgedragen.

Het ¾ aandeel van Nieuwestad 56 werd voor 1000 goudgulden verkocht aan de meester bakker Tierck Tiebbes Stellingwerff, welke nog tot mei 1704 huurrecht had aan het ten oosten daarvan gelegen pand ‘De Blauwe Croon’. Pas in 1742 zouden de erfgenamen van Tierck Tiebbes Stellingwerf het ontbrekende vierde part van Nieuwestad 56 van de dochter van Taecke Minnes en Doutien Bayes in eigendom verwerven. De kleinkinderen van Tierck Tiebbes Stellingwerf verkochten het pand op hun beurt in 1771 voor 1751 goudgulden aan de voogden van het Popta - of Marssumer Gasthuis. Hiermee was na bijna anderhalve eeuw het proces van complexvorming voltooid. Pas na het overlijden op 4 april 1782 van de laatste in Den Haag woonachtige vruchtgebruikster Catharina Bartholdi-Jellema, kon het Poptagasthuis vrijelijk beschikken over het Poptacomplex tussen Nieuwestad en Ruiterskwartier. Resumerend komen we tot de volgende bezittingen van het Poptagasthuis, welke in 1796, dan wel 1797 zouden worden afgestoten:

Weergave Poptabezit op kadastrale kaart 1832 (HisGis)
Weergave Poptabezit op kadastrale kaart 1832 (HisGis)

Tabel reëel-, kadaster- en huisnummers Poptabezit tussen Nieuwestad en Ruiterskwartier
1) Zomerhuis

2) Boomgaard of voormalige hof
3) In 1771 aangekocht door het Poptagasthuis; later samengevoegd met het achterhuis, een voormalige pijpbakkerij
4) De kadastrale percelen B1116 t/m 1118 zijn in 1846 met B1103 verenigd tot een houtstek

Toen in 1796 en 1797 het Poptagasthuis gelden moest losmaken om zijn deel in de gedwongen staatslening te betalen, moesten alle huizen in Leeuwarden verkocht worden. Aldus werden in november 1796 de percelen aan de Nieuwestad E 36, E 38 en E 39 inclusief de daarachter liggende woning annex voormalige pijpbakkerij (de huidige nummers 70, 58 en 56) aan de hoofzakelijk zittende huurders verkocht.

Nieuwestad 70 werd zo voor 810 goudgulden verkocht aan de Firma Heeger Leijdig en Compagnie. De omschrijving luidde toen ‘zeekere wel ter neering staande huizinge op de Nieuwestad te Leeuwarden, waar in een peijkamer met bedstede, staande en leggende plaaten, een plaats waar op een reegenbak en twee uitlopende secreten, over dezelve een keukentje met deszelfs gerijf, voorts een zolder over het geheele huis, daar op een afgeschut kamertje, zoo en in dier voegen als bij den kastmaker Groenendal bewoond wordt voor eene jaarlijksche huur van 120 caroligulden; hebbende tot naastlegers de huizinge bij D. Struiving bewoond ten zuiden en de straat ten noorden’.

Uitsnede van het westelijk deel van het gebied Nieuwestad-Ruiterskwartier kadastraal minuutplan circa 1825 
Uitsnede van het westelijk deel van het gebied Nieuwestad-Ruiterskwartier kadastraal minuutplan circa 1825

Nieuwestad 58 werd voor 1490 goudgulden overgedragen aan Dirk Embderveld: ‘zeekere schone huisinge, staande en geleegen op de Nieuwe Stad, zo in huur wordt gebruikt, voor een jaarlijkse huur van 110 caroligulden, welke huur hem competeert tot maij 1798, teffens met de pijpbakkerij bij N. Ottema gekogt, voor een jaarlijksche huur van 200 caroliguldens; moetende de cooper en N. Ottema de huur maij 1798 te verschijnen, met elkanderen deelen na proportie van de besteede coopschat; zijnde deese huisinge begeregtigdt met een vengster opslag op de plaats der huisinge bij N. Ottema bewoondt; hebbende tot naastlegers: N. Ottema ten westen, D. Struiving ten zuiden, desselvs uitgang (waarin ook deese huisinge een uitgang heeft) ten oosten, de straat ten noorden’.

Voor Nieuwestad 56 met de daarachter gelegen woning en voormalige pijpbakkerij werd door de zittende huurders, de echtelieden Nanne Ottema en Hendrikje Geerts, respectievelijk 1.110 en 247 goudgulden neergeteld, waarbij de omschrijving van het eerste perceel luidde: ‘zeekere hechte en wel ter neeringe staande huisinge op de Nieuwe Stad, zoo en in dier voegen als bij de coopers in huur wordt gebruikt, voor een jaarlijkse huur van 110 caroligulden en waar van hun de huur competeert tot maij 1800, bezwaard met vengsteropslag van de huisinge bij D. Embderveld bewoond, op de plaats, en een mandeelige muur met Van der Plaats; hebbende tot naastlegers ten oosten D. Embderveld, ten zuiden het volgend perceel (zie onder), ten westen J. v.d. Plaats en de steeg, ten noorden de straat’.

Uitsnede omgeving Popta- of Struivingspoortje  van Wijkkaart Letter E 1843
Uitsnede omgeving Popta- of Struivingspoortje  van Wijkkaart Letter E 1843

Voor het eerst sedert de zestiende eeuw werd Popta’s voormalige woonhuis Nieuwestad 70 van de achterliggende bebouwing, inclusief de ruime tuin, afgesplitst. Op 25 november 1796 werd de koopacte gepasseerd, waarbij de schilder Dominicus Struiving voor de ene helft en Johannes Bouma voor de andere helft, voor respectievelijk 1400 en 150 goudgulden eigenaar werden van: ‘1. zeekere aanzienlijke huisinge te Leeuwarden, thans bij den cooper D. Struiving in gebruik voor een jaarlijkse huur van 170 caroligulden. In dier voegen als thans bij den huurder wordt gebruikt, met leggende en staande plaaten en verdere gerijven van put, reegenwaters bak, hebbende deese huisinge de uitgang door een steeg of uitgang (waar in ook de beide naestleegers uitgangen hebben) op de Nieuwe Stad; competeerende den cooper D. Struiving hier aan huur tot maij 1801 voor een jaarlijksche huur van 170 caroligulden; hebbende deese huisinge tot naastleegers de huisinge en pakhuis bij Embderveld gebruikt, alsmede de kamers in de Bolswarder steeg en de wed. Noteboom ten westen, en het huis bij Heeger Leijdig gekogt ten noorden’; 2. Eene wooninge in het Ruitersquartier te Leeuwarden, bestaande in een kamer, waar in twee bedsteeden, staende en liggende plaaten, daer agter een loots, waar in schoorsteen en reegen bak, voorts een zoldertje, zoo als thans bewoondt wordt by Hendrik Driessen voor een jaarlijksche huur van dartig caroliguldens; hebbende tot naestleegers ten westen D. Embderveld, ten zuiden de straat, ten oosten en noorden het voorgemelde huis ’.

Op 3 januari 1801 verkoopt Johannes Bouma zijn helft van beide percelen voor 1585 caroligulden aan mede eigenaar Dominicus Struiving.

De oostelijke kamer aan het Ruiterskwartier was op het kohier voor de Reële Goedschatting vanouds her onder het eerste perceel begrepen. Dit was het woonhuis E 37 van Dominicus Struiving.

Na zijn overlijden op 15 september 1817 bleef zijn weduwe Trijntje Struiving-van der Haar er wonen. Tot en met het jaar 1822 is zij de hoofdbewoonster van het huis in ‘het Struivingspoortje’. Wat er tussen 1822 en 1823 precies met de woning is gebeurd blijft onduidelijk, aangezien de opmetingen voor het kadaster nog in volle gang waren en pas in 1832 zouden worden afgerond. Mogelijk heeft er gehele of gedeeltelijke sloop en/of ver- of nieuwbouw plaatsgevonden. Op het Kohier voor de Personele Omslag van 1822 zijn in potlood de namen van een vijftal medebewoners bijgeschreven. Vaak werd het oude kohier gebruikt om de mutaties voor het daaropvolgende belastingjaar aan te geven. Het zijn de huurders van de vijf kamerwoningen (inclusief het voormalige zomerhuis aan het eind van de steeg).

Advertentie Leeuwarder Courant 16 juni 1846
Advertentie Leeuwarder Courant 16 juni 1846

Detail van een foto van het Plein voor het Paleis van Justitie, ca. 1865, waarop het in 1846 gebouwde -, doch rond 1891 weer gesloopte Houtstek ‘Noorwegen’ laat zien
Detail van een foto van het Plein voor het Paleis van Justitie, ca. 1865,
dat het in 1846 gebouwde doch rond 1891 weer gesloopte Houtstek ‘Noorwegen’ laat zien

In 1840 wordt voor notaris Mr. Jan Daniël van der Plaats een koopakte gepasseerd, waarbij Trijntje van der Haer, weduwe van Dominicus Struiving, voor ƒ 5.500,-- acht huizen (de kadastrale percelen B1106 t/m B1110, B1114, B1117 en B1118) en een boomgaard (B1115), gelegen in het Struivingspoortje en aan het Ruiterskwartier, verkoopt aan de echtelieden Eeuwe Dirks van Driesum en Roelofke Westerkamp. Zij waren de eigenaren en bewoners van het buurpand Nieuwestad 72. Van Driesum liet in 1841 het voormalige vervallen zomerhuis slopen en vervangen door twee nieuwe woningen. In 1844 voegt Van Driesum voor ƒ 983,-- perceel B1116 (Ruiterskwartier E 191) aan zijn bezittingen toe. Verkoper was Cornelis Peysel te Harlingen.

De drie oude kamerwoningen (E 190, bestaande uit twee kamers en E 191) zijn vervolgens in 1846 gesloopt, om plaats te maken voor een houtstek met de toepasselijke naam “Noorwegen”, waarbij de oorspronkelijke perceelnummers (B1116 t/m B1118) werden samengevoegd. Het oorspronkelijke huisnummer E 191 kwam te vervallen. De familie Van Driesum was eigenaar van een houtzaagmolen op Schenkenschans.

In 1892 vond op dezelfde plek nieuwbouw plaats. Hieraan werd huisnummer 91 toegekend. De sloop van de drie oude kamerwoningen in 1846 lijkt wonderwel samen te vallen met het vertrek van de laatste bewoners en het verdwijnen in februari van dat jaar van de door Eekhoff genoemde ‘zeer oude muur’, waarin naam en wapen van Dr. Henricus Popta waren aangebracht.

Tot 1892 bleven de eigendommen als één geheel in handen van de familie Van Driesum. Op 13 september van dat jaar werden de panden van de familie Van Driesum in Herberg ‘De Groene Weide’ publiek verkocht en raakten in verschillende handen. In de Leeuwarder Courant van 26 augustus 1892 plaatst Notaris A. Wierdsma een kennisgeving van de voorgenomen publieke verkoop. De in 1841 gebouwde woningen op de plek van het voormalige zomerhuis worden dan samen met de voormalige boomgaard - althans wat er van de oorspronkelijke 610 m2 nog over was - te koop aangeboden.

08-LC-18911008 finale verkoop houtstek
Advertentie Leeuwarder Courant, 8 oktober 1891

09-LC-18911023 houtstek

Advertentie Leeuwarder Courant, 23 oktober  1891

Het Ruiterskwartier aan het eind van de 19de eeuw, met aan de rechterzijde het in 1892 in opdracht van Haring en Arjen Tulp nieuwgebouwde Ruiterskwartier 91Het Ruiterskwartier aan het eind van de 19de eeuw, met aan de rechterzijde het in 1892 in opdracht van Haring en Arjen Tulp nieuwgebouwde Ruiterskwartier 91

De percelen wordt omschreven als ‘Twee Woningen, waarvan een thans ingerigt en gebezigd wordende voor berging van Tuingereedschap, Brandstoffen enz. en als zoodanig gebruikt thans bij het eerste perceel (Nieuwestad 72), met Erve, Straat en Bleek vóór huis, en eene prachtige plek Tuingrond, ter breedte van p.m. 11 meter, en ter lengte van p.m. 26 meter achter huis, zich uitstrekkende tot aan de Gebouwen van de Heeren (Haring en Arjen) Tulp en liggende tevens ter zijde van den achtermuur der Bolswarder Kamers, van fraai Boomgewas, Plantsoen en Koepel voorzien, gequoteerd letter G no. 60’.

Het pand Ruiterskwartier 91, dat vanaf 1916 fungeerde als bankgebouw - aanvankelijk als Amsterdamsche - en van 1937 tot begin jaren ’80 als Kingma’s Bank - kreeg in 1988 een horecabestemming. Achtereenvolgens waren er Discotheek ‘Bellefleur’, Café ‘De Toog’, Discotheek ‘Rumours’, ‘Room 91’, ‘Lunatic’ en 'Club Red' gevestigd.

Ruiterskwartier 91 in 2010. Bron: Internet (Google Streetview)Ruiterskwartier 91 in 2010. Bron: Internet (Google Streetview)

De panden Nieuwestad 70 en 72 bieden tegenwoordig huisvesting aan Luxen Intersport, waardoor het postadres nr. 72 wordt gedeeld door beide panden.

Het Struivings- of Poptapoortje

De versnippering van het oorspronkelijke gasthuisbezit zal ertoe hebben bijgedragen dat niemand zich meer verantwoordelijk achtte voor het onderhoud van het poortje aan de Nieuwestad. De Vereniging ter bevordering van Vreemdelingenverkeer trok zich deze zaak aan en deed - geholpen door de welwillende medewerking van de eigenaren van naast en aan de steeg gelegen huizen en woningen - in 1915 een aanbod waarmee het behoud van het schilderachtige poortje leek gewaarborgd. Op 4 september van dat jaar werd de eigendom van het poortje bij notariële acte aan haar overgedragen, waarbij de bepaling werd opgenomen dat de nieuwe eigenaar het poortje zou laten restaureren, om het daarna in eigendom over te dragen aan de gemeente Leeuwarden.

De architect Gurbe Jan Veenstra, volgens overlevering een studievriend van Albert Speer - jawel, de architect van het Derde Rijk - en die vanwege zijn N.S.B.-sympathieën na de 2e Wereldoorlog in een kwaad daglicht kwam te staan, nam vervolgens de restauratie van het poortje ter hand. Veenstra veronderstelde destijds dat zowel het poortje in de Grote Kerkstraat, dat toegang bood tot de Koninklijke Stallen, als het Poptapoortje wel eens dezelfde bouwmeester konden hebben gehad. Ook zijn er veel overeenkomsten met de ingang van het Marssumer Poptagasthuis en met de poort welke toegang geeft tot de binnenplaats van dit gasthuis, gedateerd van 1713. Veenstra spreekt dan ook het vermoeden uit dat de onbekende bouwmeester ‘in wiens brein de ontwerpen der Leeuwarder poortjes zijn geboren’ tevens de bouw van het Poptagasthuis heeft geleid. Het poortje aan de Nieuwestad bestaat uit twee pilasters, versierd met bloem- en vruchtfestoenen. In het door een kroonlijst omvat gedeelte ziet men het Popta-wapen met het jaartal 1696. Er zit nog een bakstenen bekroning op in de vorm van een zeventiende eeuwse halsgevel, die op zijn beurt weer door zandstenen beeldhouwwerk wordt afgesloten.

Het Popta- of Struivingspoortje vóór de in 1915 uitgevoerde restauratie
Het Popta- of Struivingspoortje vóór de in 1915 uitgevoerde restauratie

Een uitgebreid geïllustreerd artikel over de restauratie van het poortje verscheen in september 1916 in het tijdschrift ‘Bouwwereld’.

In 1951 heeft de Dienst Stadsontwikkeling het poortje opnieuw een opknapbeurt gegeven, terwijl het in 1967 onder architect Baart jr. is gerestaureerd. Het ijzeren spijlenhek werd toen vervangen door een houten deur.

In 1982 ontstond enige commotie toen Modehuis Bergstra uit eigener beweging het poortje voor de vierde keer onder handen liet nemen. Op de vraag of men wel contact met de gemeente had gehad - per slot van rekening ging het om een historisch monument - werd ontkennend geantwoord. De gemeente zou namelijk helemaal geen eigenaar van het poortje zijn. Gewezen op de schenking door de VVV in 1915, bleek ook Bergstra niet over één nacht ijs te zijn gegaan en had hij bij het Kadaster nagegaan wie de eigenaar was. Men had hem hier verwezen naar de familie Preusting in de Ibisstraat! Deze familie distantieerde zich van de affaire en vond het terecht maar vervelend dat wéér iemand dacht dat het poortje hun eigendom was. In 1979 was de zaak namelijk al uitputtend uitgezocht.

Uiteindelijk bleek de vork als volgt in de steel te zitten. De familie Preusting was samen met Kingma’s Bank eigenaar van de grond waarop het poortje staat plus nog 28 centiare van de steeg erachter. Formeel zouden zij dus ook de eigenaars van het poortje zijn geweest, ware het niet dat de gemeente ten aanzien van het poortje ‘het recht van opstalhouder’ bezat, wat er op neerkomt dat het poortje dus wel degelijk de eigendom van de gemeente was.

Aangezien de firma Bergstra op eigen initiatief het poortje had laten opknappen, liep zij dus een gerede kans dat de inspanningen niet overeenkomstig de wensen van de eigenaar, in casu de gemeente Leeuwarden en speciaal degene die destijds de zorg had over de gemeentelijke monumenten, de heer H.J. Zijlstra, waren. Deze nam daarop met knikkende knieën poolshoogte van hetgeen er buiten zijn medeweten was aangericht. Na de inspectie kon echter opgelucht door hem worden geconstateerd dat Modehuis Bergstra het opknapwerk voortreffelijk had laten uitvoeren!

Bij een uitbreiding van Luxen Intersport in juni 2011, waarbij bebouwing achter het perceel Nieuwestad 70 werd gesloopt, raakte het stucwerk van het poortje bij het uitrijden van sloopafval zwaar beschadigd. De herstelkosten zijn inmiddels op de aannemer verhaald.

Terug