De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1766-1856)

 

Blz. 1 

1851

Zoo heb ik dit jaar weder aangevangen in eenen goede welstand.
Een treurig verlies, trof mij des voorgaanden jaars, bij den aanvang daarvan geenzins vermoeden dat ik mijne geliefde Echtgenoot en der kinderen zorg dragende moeder in den eindelijken afloop des jaars door den dood ons zoude ontrukt worden. Mijn inzien was: dat zij jaren na mij zoude leven, en ziet zij is meer en ik leef nog.
Als ik dit jaar zal ten einde brengen is onbekend, er hangt een digten sluijer voor de toekomst, zoo schreef ik bij den aanvang des vorigen jaars, zoo schrijf ik thans bij den aanvang van 1851 God alleen weet het! in wiens Hand! onzen adem besloten is! Hij schenke mij en mijne kinderen en alle onze betrekkingen, leven en gezondheid, zegen! en voorspoed, en geve vooral dat wij met een volkomen hart voor Hem! mogen leven in liefde en vreeze.


Blz. 2

Den 25 Januarij, steeds zonder afwisseling het schoonste weder, heden evenwel veranderlijk en dezen nacht een weinig sneeuw.
Men hoort nog steeds van de longziekte onder het rundvee, volgens de Courant zijn er opvolgende over de 1000 gedood, waarvan het vleesch, na gedood en geslacht zijnde openbaar wordt verkogt.
De boter was gisteren 38½ Gulden maar er is thans weinig gemaak, het tijdig kalven, vordert eenige weeken stilstand.
De kaas blijft op dezelfde hoogte mijn zoon heeft 72 schiplb. afgeleverd voor 21 Gld. De nagelkaas wordt niet gevraagd. Overigens zijn de eetwaren granen enz. in een gematigden prijs.
Sijtse heeft in den voorvorige week op eenen dag 87 wilsters gevangen, de prijs is thans ieder 12 Centen. Hij laat zich thans een nieuw net breiden, hetgeen hem geheel met een nieuw zim ongeveer 15 Gulden zal kosten, maar het wordt ook Best.


Blz. 3

Den 30 Januarij, vorst en sneeuw welke sedert een paar etmaal een weinig bestond zijn thans geheel verdweenen, het weder is als voren.
Klaaske en kleine Dieuwke benevens Sijtse zijn heden naar Techum om IJtje en Bokke te bezoeken.
Sijtse is nog dagelijks te wilsteren, heeft gedurende dezen winter goed gevangen, verleden maandag nog 46 maar met het invallen van de vorst waren zij geweeken, thans met den dooi komen zij weder terug; het zal Sijtse wel spijten als hij te avond bij zijne thuiskomst van ons volk hoort, dat zij een groote koppel zagen, dat hij heden met het net niet uitgeweest is.
De longziekte onder het rundvee neemt hier en elders nog toe, zoo is het volgens gerugte ook te Wirdum ontstaan in de boerderij van F. Jelgersma â„–. 1 te Swichum zijn verscheidene gedood, over het geheel over de 1100 volgens de Courant.


Blz. 4

Den 28 Maart, steeds open weder zonder eenigen vorst, althans van eenig aanbelang; dog althoos vergezeld van buijig en regenachtig weder, zoodat de wegen totnogtoe voor rijtuigen bijkans onbruikbaar en hoopte dat de maand Maart voor den bouw droog zoude zijn, maar blijft even nat. Sedert de nachteevening onstuimig en koud, zooals heden harden N. wind.
Wij hebben rede ruim 20 melkekoeijen, en geven bij eene thans goede gezondheid veel melk.
De longziekte verspreid zich opvolgende, er zijn thans zoo ik meen over de 1500 runderen gedood, de vorige aanteekening dat F. Jelgersma de longziekte zoude hebben is abuis, het gestorven beest mankeerde iets anders.
Dingsdag l.l. was er eene oproeping van hervormde floreenpligtigen, om


Blz. 5

te beraadslaan, over een nieuw verwulf in de kerk te Wirdum waartoe besloten is, en aangenomen door B. Vogel voor 660 Gulden.
Ik heb verzuimd opvolgende aanteekening te maken, omdat de lust mij daartoe meer en meer ontbrak.
Den 13 Junij, steeds onstuimig en koud. Nimmer hebben de vruchtboomen over het algemeen meer gebloeid dan dezen meitijd.
Ik heb wegens lusteloosheid opvolgende mijne aanteekeningen verzuimd, schoon er nog dingen van aanbelang behoorden gemeld te zijn; zoo heb ik wegens het overlijden mijner vrouw, voor eenigen tijd eene notarieele tauxatie van alle de roerende goederen gehad gedurende twee dagen, dat mij zeer verveelde, want ik mag mij niet veel met deze dingen bemoeijelijken, ook is mijn zoon de Domeni hier een nacht geweest; Hendrik Oom, was hier den verleden nacht en is met ons volk heden naar de Stad gereden.


Blz. 6

Door het gure weder is, ons vee den 17 Mei eerst in het land gelaten: de boter is sedert goedkoop tot 24 Gulden.
Onze zoon Klaas zijne vrouw Aaltje is den 27 Mei l.l. van eene dogtertje bevallen Dieuwke genaamd.
Onze Hanna de vrouw van Albert, is gisteravond bevallen van een zoontje, zij en het kind waren naar omstandigheden zeer wel.
Den 14 Junij kregen wij ons eerste bijenzwerm, en verwachten spoedig, wij hebben 7 korven waarvan 6 uitmuntend het is te verwonderen dat zij bij het opvolgende onstuimige weder zoo goed zijn trouwens nimmer bloeiden de appel en andere vruchtboomen beter dan nu, ook heb ik wat koolzaad in den tuin, mijn zwager heeft op Techum 1½ pondem. waarvan zij mogelijk ook hun honing halen.
Den 16 Junij, het is heden buitengewoon harden wind en onstuimig; overal zijn de boeren begonnen te maaijen, er zal misschien wat meer hooi gewonnen worden als men verwachte.
In de verleden week hebben wij 9 pondem. gemaaid, en verlangen naar mooi weder.


Blz. 7

Den 15 Julij, sedert den 8 dezer altoos afwisselende regen.
In het begin dezer hebben wij ongeveer 50 pondem. gezweeld en in huis gehaald, de 8 en trekw: 9 is ongezweeld: om het regenachtige weder, in 3 dagen bij schoon weder hadden wij de onleegtijd anders gedaan gekregen.
Bevorens den 10 dezer hadden wij vergadering van ons Friesch Genootschap, ik was tegenwoordig; verscheidene voorlezingen en andere werkzaamheden, verrigt nieuwe leden aangenomen enz. Het was rede 3 uur eer de vergadering gescheiden werd.
De boter is steeds 5 a 26 Gulden min en meer zoodat bij de hooge huren en op het best van het gemaak de boter veel te goedkoop is.
Den 25 Julij, sedert een paar dagen herfstweder, er is veel regen gevallen, zoodat de watermolens overal druk uitmalen.
Den 21 kregen wij de onleegtijd gedaan benevens onze buurman Palsma, dog onze andere geburen, hebben zeer veel hooi nog staan, dat door den regen zeer beschadigd zal zijn, overal is het met roken hooi overdekt.


Blz. 8

Wij zijn een paar dagen met dongen bezig geweest, maar met den regen heeft het opgehouden.
Het verwulft in de kerk te Wirdum wordt uitgenomen en vernieuwd, er is sedert een paar Zondagen daarom te Wirdum niet gepredikt.
De boter was tot 31½ Gulden gerezen, de kaas tot 18 Guld.
Den 30 September, bij opvolging uitmuntend herfstweder.
Gedurende de nazomer, is er nog zeer veel hooi gewonnen. Wij hebben van nieuw gras en bosschen tusschen de 25 en 30 weiden geoogst, een ieder na rato, de landen zijn overvloedig van gras voorzien, het staat in volle kragt.
De appels zijn overal zoo overvloedig als er misschien selden zulke jaargangen geweest zijn.
De aardappels zijn algemeen door ziekte aangetast en de beste duur.
De longziekte heeft hier en daar nog niet opgehouden, er zijn tusschen de 6 en 27 honderd gedood.
Ik ben zeer traag in mijne gewoone aanteekening omdat mijn gezigt zwak is, lezen kan ik niet.

Terug
Naar 1850
Naar 1852
Terug naar de inleiding