De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1766-1856)

 

Blz. 1

1852

Den 1 Maart, sedert de laatste December des vorigen jaars, heb ik gene aanteekeningen gehouden, hoewel nogal vele dingen der aanteekening waardig geweest zijn.

Alleen zal ik maar een geheel overzicht van het weder gedurende de  maanden Januarij en Februarij aanteekenen, dat in volstrekt gene vorst heeft plaats gehad als alleen een bekorste grond in het laatst van Febr., gedurende deze maand was het buitengewoon onstuimig, hoewel de maand Januarij zeer zacht geweest is, heden weder eenigzins vorstig.

Gedurende maand Febr. zijn er zeer vele runderbeesten aan de longziekte gedood, in de laatste week 131, volgens de Courant bestond deze ziekte in 20 grietenijen. Onze naaste buurman Valkema heeft rede 14 verlooren, de wed. van Sipke Overdijk te Goutum 8, mijne dochter IJtje en Bokke aldaar 2, gisteren was er weder een die niet goed was, Romer te Teerns 22, overigens is ons vee en in den omtrek nog gezond.


Blz. 2

O! mogten de ingezeten van ons gewest hunne kniën voor God buigen, met bidden en smeeken dat dezen dood, deze ziekte van ons vee moge geweerd worden!

Er bestaat wel een Reglement, staatswegen dat een ieder, die zijn ziek beest aangeeft en daarvan op verklaring van den veearts daarvan afstand doet, gedood word, op tauxatie van de daartoe gestelde tauxateurs gedood word, voor ¾ vergoeding verkrijgt, maar de schade van den veehouder, wegens het missen van het gemaak is door het verlies van zijn beest zeer aanmerkelijk.

Sijtze is een paar nachten naar Tjalhuizen en verwachten hem heden met Klaaske, welke Hanna en Albert te Roordahuizum bezoekt met den wagen te huis.

Hij heeft gedurende den Winter weinige wilsters gevangen, hoewel zijn vogelreeuw, zeer net in order is.

Er valt heden op den middag zeer veel sneeuw, het is alles overdekt zelf de boomen zijn overdekt en wit, het is tegenwoordig niet best te reizen, vooral op onbekende wegen.


Blz. 3

Ik ben steeds gezond en welvarende maar houde mij altoos te huis; ik kom nergens, eenmaal ben ik te Wirdum en te Leeuwarden geweest, sedert langen tijd.

Gaarn wil ik dat iemand mij wat te vooren leest zooals mijn zwager Pieter welke Woensdags de Couranten uit de Stad medebrengt en mij voorleest. Ook Otte welke onze kleine Dieuwke onderwijst in lezen en schrijven Zaturdags en hier dan een nacht blijft mij uit den Bijbel of uit een ander stichtelijk boek, thans onder anderen Molenaar Praktikale Bijbel oefening.

De kerkerekening over 1851 is op Woensdag aanstaande bepaald, of ik die in gte. als mede kerkvoogd bijwoonen zal weet ik niet? Ik kan altoos wel met het rijtuig een digten wagen; maar het is mij te koud; een groot half uur te puinweg te rijden, bok kan ik mij wel warm kleeden; maar mag niet over dien toestel. Ik ben nergens liever dan te huis.


Blz. 4

Den 10 Maart, sedert het begin dezer maand tot ongeveer 8 dagen sneeuw en vorst, dog heeft thans geheel opgehouden. Ook is de sneeuw zoo goed als verdwenen.

Gisteren is er een lid in de Grietenijraad gestemd; wie het geworden is weet ik niet; de bussen worden heden geopend.

De longziekte is bij onzen buurman voortdurend, 19 runderen zijn rede bij hem gedood. Ook te Goutum en Teerns, mijn zwager Bokke heeft thans 3 verlooren.

 

Grafstede

van

Doek Wijgers Hellema

Oud Schoolmeester - Rijks Ontvanger

en Kerkvoogd te Wirdum

Lid van het Fr. Gen. van

Gesch. Oudh. en Taalk.

Mede Opr. en Best. van

de Br. Soc. alhier.

Geboren den 3 April 1766

overleden ...

en is hier nevens zijne

eerste en tweede vrouw begraven.


Blz. 5

Den 16 Maart, steeds droog, waarna men ook zeer verlangde.

De longziekte was in den verleden week afnemend, er waren aan die gevolgen 77 afgemaakt dog de vorige week 131.

Het neemt bij mijn zwager Bokke te Goutum nogal voortgang, 3 zijn er rede afgemaakt en thans is de 4dezijn allerbeste kalfkoe, zeer bedenkelijk ziek; de veearts was rede kennis gegeven, om na diens oordeel te handelen.

Hooghiemstra een boer onder Wirdumer behoor, heeft dezer wijs 5 verlooren, waarvan die laatste gister afgemaakt.

Mijn buurman Valkema 19, overigens was zijn beslag thans nog gezond.

De wed. Overdijk te Goutum 9 a 10 en Romer te Teerns 23.

Wijders heb ik onder Wirdumer behoor van deze ziekte niet gehoord.

Het is zonderling als deze ziekte in een beslag ontstaat dezelve meer of minder, spoediger of langzamer voorgang neemt, waaruit men zoude besluiten dat dezelve besmettelijk is.

In den verleden nagt kregen wij 11 biggen, waar van 1 door de oude doodgelegen is.


Blz. 6

Den 19 April, heden wordt verwacht Willem de derde, Koning van de Nederlanden met een stoomboot te Harlingen alhier in de Stad verwacht. De vlaggen wapperen reeds van de toorens, er worden vele festiviteiten tot zijn koninglijk verblijf voorbereid.

Van hier zal Z.M. naar Groningen vertrekken en dan hier vertoeven, om Sneek en Bolsward te bezoeken en aldaar een nacht bij Rengers vernachten te IJsbrechtum.

Den 24 April, het is opvolgende koud maar droog.

De longziekte woed nog opvolgende, vooral op stallen, waar deze ziekte aanwezig is; mijne kinderen te Goutum B. Bokma hebben rede 7 dooden, zal heden weder gedood worden, verscheidene nog ziek.

De Koning is hier met buitengewoone pracht ontvangen en ‘s nachts de gehele stad verlicht zeer prachtig. Donderdag verleden is hij naar Groningen vertrokken, en zal Dingsdag aanstaande hier te rug zijn, om Donderdag aanstaande te vertrekken, op het Oranjewoud een nacht te verblijven, van daar Sneek en Bolsward bezoeken enz. Hij is over der Friezen onthaal zeer voldaan.


Blz. 7

Den 12 October 1852.

Ik heb gedurende den gehelen zomer geen aanteekening gehouden, de laatste zijn geweest den 24 April dezes jaars.

De lust tot schrijven heeft mij ontbroken, hoewel er sinds vele bijzonderheden der aanteekeningen waardig zijn gebeurd; maar het ontbreekt mij vooral, om door mijn zwak gezicht, het geschrevene na te lezen. Ik ben geheel van het lezen af, maar het schrijven gaat zoo wat bij de sleur, daarom dacht mij, dewijl ik een goede gezondheid geniet, nog iets te schrijven.

De vorige aanteekeningen zijn alle twee jaren in een band opgenomen, maar deze band zal om het weinige schrijven ten minsten over 4 jaren niet veel merkwaardigs bevatten en zal welligt hiermede ophouden.

Wij hebben een buitengewoonen warme en drooge zomer gehad, zoo zelfs dat sommige menschen door de warmte bezweeken zijn.


Blz. 8

De hooioogst was door de langdurige droogt tamelijk en de weide voor het vee hier en daar schaars, hoewel wij geen gebrek leden aan de weide en goed hooi wonnen.

De gevolgen van de lang durigewarmte zijn in de maand September, voor door opvolgende onweders hier en elders verschriklijk geweest, te Hallum is een nieuwe boereplaats, te Tzum twee, in de B...[onleesbaar] ook twee benevens een groote poldermolen door onweders afgebrand, de tooren van Goutum is van boven het muurwerk uitgeslagen, waarvan de schade wegens reparatie door de tauxateurs onzer brandsocieteit berekend is op 250 Gulden behalven aan andere hier en elders, heeft men spooren van den bliksem waargenomen, maar in het district dezer societeit heeft men geen brandschade geleden.

In den aanvang dezer maand heeft men opvolgende guur weder gehad, zoodat het hooi, welk zeer overvloedig door de opvolgende regenbuijen en warmte sints Rientser markt ontstaan in den aanvang overvloedig gewonnen maar later hier en elders in zween en oppers op het veld aanwezig tothiertoe niet kan gewonnen worden.


Blz. 9

Ongeveer 10 weiden nagras hebben wij pas voor het gure weder geoogst tezamen met het hooi gedurende den zomer gewonnen ongeveer 200 weiden.

Hanna is hier met haar klein zoontje een groote week uit van huis geweest, Sijtse en Klaaske benevens ons kleine Dieuwke brengen haar hedenmorgen den 13 dezer bij schoon weder te huis welke voornemens zijn, een nacht onze kinderen te Tjalhuizen te bezoeken.

Eenmaal heb ik de zomervergadering van ons Friesch Genootschap in de maand Julij bijgewoond.

Wegens de zwakheid van mijn gehoor kan ik de openbare godsdienst niet bijwoonen, althans geen nut daarvan trekken, het een en ander doet mij althoos te huis blijven. Ook in de  gezelschappen ben ik daardoor omdat ik niet goed verstaan mijzelven tot een last en doet mij de gezelschappen als mijne kinderen elkanderen bezoeken hoe gaarn ook daarvan te rug houden. Opvolgende heb ik het gaarn, dat zij mij aan huis bezoeken.


Blz. 10

De Priester ten Brake te Wijtgaard is in voorvoorleden week overleden, na ongeveer aldaar 30 jaren gestaan te hebben, met een groote menigte van zijne en naburige gemeenten benevens 8 andere priesters gevolgd te Wirdum op het kerkhof begraven.

Den 15 Oct. gedurende deze 3 dagen stil en aangenaam weder; het water is door den menigvuldige regen, zeer hoog, de molens konnen wegens de stilte niet uitmalen, waardoor de polders zich niet van water konnen ontlasten. Ook de lage landen staan onder water, men hoopt dat de zeesluisen thans bij geschikt weder zeer zullen uitstroomen.

Het vee in allerlei zoorten benevens schapen varkens zijn duur, wegens de sterke uitvoer naar Londen en elders. Kalvers zijn door uitlandsche kooplieden al vroeg opgekogt, waardoor de overig geblevene, minder in kwaliteit ook goed verkogt worden om naar Dokkum en Dragten ter markt te brengen.


Blz. 11

De schapen en varkens zijn den 1 Nov. aanstaande vrij van accijns.

De aardappelen, welke beter in kwaliteit zijn, dan andere jaren, worden sterk uitgevoerd. De prijzen zijn daardoor aanmerkelijk hoog van 25 tot 30 St. meer en min de korf. Ook zijn de voornaamste levensmiddelen niet goedkoop en worden van tijd tot tijd duurder.

De haven in het gebuurte te Wirdum is door de bemoeijingen van het Bestuur, welke door oneenigheid der onderhoudpligtigen zeer vervallen was, door een openbare aanbesteding ter som van 568 Gulden beschoeid en rede gerepareerd en in order gebragt; waarvan deze schadelijke staat alleen drukt op de groote buuren van genoemden dorpe.

Onze kinderen zijn een nacht te Tjalhuizen geweest en kwamen gisteravond tijdig weder te huis. Mijne kinderen te Tjalhuizen waren zeer welvarende en hoopten mij in dezen herfst nog eens te bezoeken.

De boter is gedurende dezen Zomer zeer goedkoop geweest dog thans 36 Gulden, de kaas van 18-25 Gld.


Blz. 12

De longziekte onder het rundvee openbaart zich van tijd tot tijd in alle oorden van ons gewest in nieuwe gevallen, geheel afgescheiden van vorige. In de nazomer was het getal tot op zeer weinige gedaald maar is thans volgens de laatste aankondiging boven de 30 weder geklommen.

Den 25 October

Het volgens dezen datum heden in den zeer vroegen morgen 2 jaren dat mijne vrouw ons onverwacht ontrukt werd. Eenige weinige uren tevoren hadden wij elkander goeden nacht gewenst, terwijl ik mij op een ander bed had begeven, door het gejammer van mijne dogter gewekt, stond ik in haast voor haar bed en op datzelfde oogenblik gaf zij den geest, en hiermede was de lust tot mijn bedrijf en het leven ook gebluscht!! Ik gedenk nog zoo treurige verlies heden met droefheid! in alle mijne verwachtingen zoo teleurgesteld.

Ik leef nog en gezond maar verzwakt.


Blz. 13

De kalvers zijn dezer dagen hier door gedreven om uitgevoerd en elders ter markt gedreven te worden, wij hebben 5 verkogt, waarvan verleden Vrijdag 2 en heden 3 door mijn zoon Sijtze afgeleverd word, naar de Stad, in de herberg bij het Aanzentuin.

Het is bij aanhoudenheid goed weder en soms zacht, weerlicht en donder worden afwisselende nu en dan gezien en gehoord.

Het vee blijft in alle soorten duur niettegenstaande, de boeren in het lager land wegens het hooge water hun vee rede op stal hebben moeten zetten. Zoo is onder anderen agter Warga en Grouw het geval, zoo zeide onze meid, welke gister aldaar bij hare familie geweest is dat in dien omtrek rede 3 boeren gestald hebben; in dit schoone weder hadden wij vermoed, dat het water door uitstrooming gezakt zoude zijn? maar misschien door het uitmalen van de polders blijft het zoo hoog.


Blz. 14

Den 4 Nov. is onze Hanna zeer voorspoedig bevallen van eene dogter, genaamd Dieuwke.

Den 9 November opvolgende goed weder dog harden Z. wind.

Wij hebben gister den 8 al ons melkvee op stal gezet: het gras was verslonden door den menigvuldigen het land getrapt waardoor wij in de noodzakelijkheid verdeelden [Vermoedelijk heeft Hellema verkeerden bedoeld. Zijn gezichtsvermogen is drastisch afgenomen, zoals hij op 31 december 1952 meldt. Daardoor kan hij niet meer goed controleren wat hij opgeschreven heeft. De dagboekmanuscript over de laatste vier jaar van Hellema's leven vertoont daardoor geleidelijk steeds meer onvolkomenheden. De bezorgers van deze tekst zullen onleesbare tekst niet meer weergeven met voetnoten, maar met rechte haakjes: [...].] het vee te stallen. Ons buurman heeftze voor eenige dagen rede gestald, zooals er meer zijn; overigens loopen nog veel uit.- Bij dit schoone weder van heden hadden wijze ook niet gestald, omdat wij niet te veel hooi hebben.

De menigvuldigen regen heeft de weide voor het vee 3 weeken gekort.

Den 11 December, behalven een nacht nachtvorst, is het bij aanhoudenheid regenachtig is, tot op heden; het water is zeer hoog en zonder laarzen niet te reizen.

Den 7 zevenden Dec. ‘s morgens 9 uur is IJtje, Bokke vrouw door des Heeren goedheid bevallen van een welgeschapen zoon, Tjisse genoemd na Bokke vader. Onze dogter IJtje bevond zich naar omstandigheden uitmuntend wel.


Blz. 15

Den 10 October mattig, steeds goed weder.

De landen zijn over het algemeen van gras voorzien, waardoor het vee van goed voedsel zich steeds kan verzadigen.

De prijs der boter is van 33 tot 34 Gulden, de kaas opvolgende van de 15 tot 18 Gld.

De appels zijn zeer menigvuldig en goedkoop.

De bouwvruchten in een matigen prijs.

Voor een paar dagen, den 9 dezer hadden wij vergadering van het Friesch Genootschap bij v.d. Wielen in de Sacramentstraat te Leeuwarden. Ik was tegenwoordig; de vergadering bestond uit 20 a 21 leden. De Heer Sminia nam het presidium wegens de onpasselijkheid van den voorzitter v. Leeuwen; de Heer Secr. sprak het verslag van de vorige vergadering benevens de ingekomene boeken enz. De Heer Dijkstra hield eene redevoering over B..., Frisia enz. en werd na de voorlezing toegejuicht. Geene belangrijke werkzaamheden ter tafel gebragt zijnde, werd de vergadering gescheiden. Ik was met de wagen, en kwam dus tijdig te huis.


Blz. 10

Den 17 November hebben wij al ons melkvee en kalvers en den 21 ons hoklingen op stal gezet, zoodat al ons rundvee gestald is, alle boeren waren genoodzaakt het vee te stallen, dewijl het een zeer onstuimig van vorst sneeuw enz. gedurende deze week is geweest, behalven de beide laatst dagen.

Dog heden den 24 November was de nachtvorst vrij hevig, wijders regen, sneeuw, dooi en sterke wind zoodat het een stevige molenwind waait waardoor de watermolens dapper aan den gang zijn omdat de polders zeer veel water in hadden, want het waterachtige weder was meest met stilte vergezeld.

Den 31 December, heden de laatste dag dezes jaars, welke wij hebben mogen beleven, en daarbij van een goeden welstand en gezondheid doorbrengen. Mijne aanteekeningen zooals voormaals heb ik om de weinige lust daartoe evenwel verzuimd, te meer wijl mijn gezigt van tijd tot tot tijd verzwakt, zoodat ik naauwelijks in staat ben, mijn eigen geschrift te lezen, veel min andere, ook ben ik van het lezen geheel af, en niet in staat ofschoon goede boeken om te lezen.

Terug
Naar 1851
Naar 1853
Terug naar de inleiding