De Potmarge

Met dank aan drs. Peter Karstkarel

De Potmarge, in 1993 gezien naar naar het noorden. 
 De Potmarge, in 1993 gezien naar naar het noorden.

Oorsprong en naam Achter de Hoven
Knoop en de lusttuinen Achter de Hoven
Gardeniers
Woningen
School
Bedrijvigheid

Huizumerlaan 

Villa en weeshuis
Tuinders
Bedrijvigheid

Conclusie: rijp en groen

Oorsprong en naam Achter de Hoven

Naar de plaats waar Leeuwarden zich tot stad zou gaan ontwikkelen stroomden al in de vroege Middeleeuwen enkele waterlopen naar de Middelzee: van noord naar zuid waren de Ee, het Vliet en de Potmarge de belangrijkste. Het waren stromen die zorgden voor de waterontlasting van de achterliggende gebieden. Voor de Potmarge waren dat de veenstreken ten zuidoosten van Leeuwarden. De waterlopen en de smallere maren die de hemrikken van de buurschappen rond Leeuwarden scheidden waren vrij recht en werkten een verkaveling in stroken in de hand. Toen de stad Leeuwarden zich vormde, kreeg de Potmarge een grensfunctie. Het land benoorden het water behoorde tot de Leeuwarder parochies en dus tot de stad; ten zuiden van de Potmarge lag het Zuider Trimdeel van de grietenij Leeuwarderadeel. Alleen van een stuk vlak bij de stad behoorden beide oevers tot Leeuwarden. Na de annexatie van het Zuider Trimdeel in 1941 verloor de Potmarge de functie van grensrivier.

De loop van de Potmarge op de oudste stadsplattegrond van Leeuwarden van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560

De naam Potmarge komt pas in het midden van de zeventiende eeuw voor het eerst in stukken voor, maar zal veel ouder zijn. Van deze naam moet de betekenis van het eerste deel gezocht worden in een veenput of pet en het tweede deel is afgeleid van marene waar de betekenissen zee (meri) en mor (stilstaand water, moeras) mee te maken hebben. De Potmarge moeten we in de vroege Middeleeuwen dus niet voorstellen als een stromende rivier, al lijkt het meanderende beloop dat het water nog steeds kent wel in die richting te wijzen en vormt het een opmerkelijke uitzondering op de andere oude, vrij recht verlopende waterlopen en maren.

Ook in andere zin vormt de Potmarge een uitzondering. Vanaf de zeventiende eeuw ontwikkelden zich dicht bij de stad aan de Ee en het Vliet uitbuurten met een aanzienlijke bedrijvigheid. Deze suburbanisatie heeft zich aan de Potmarge veel minder en later voorgedaan. Het is de reden dat het water met zijn oevers en zomen een voornamelijk groen karakter heeft behouden. Toch was de Potmarge als verbinding met de Tijnje en Wijde Greuns - misschien liep het water wel verder in het huidige Woudmansdiep - en daarmee met het oostelijk en zuidelijk achterland van aanzienlijke infrastructurele betekenis en vonden er hier en daar om die reden bedrijfsvestigingen plaats met als gevolg de hierboven door Kunst opgemerkte karakteristieke rafeligheid.

De naam duikt in het midden van de zeventiende eeuw in archieven op omdat de stad volgebouwd raakte en er nauwelijks ruimte voor de welgestelden was om een nieuwe liefhebberij uit te oefenen. Ze lieten buiten de stadsgracht tuinen en soms lusthoven aanleggen om de stad te kunnen ontvluchten en er allerlei gewassen en bloemen te kweken. Stadsgeschiedschrijver Wopke Eekhoff: "Deze hoven, welke zich eerst langs den wal der gracht of den Grachtswal uitstrekten, werden door de Stad verpacht, en eerlang ook voortgezet langs een opreed naar eenige boerderijen, in de nabijheid van Kleijenburg en de Potmarge, welke weg, omdat hij achter de hoven van den Grachtswal langs liep, den naam van Achter de Hoven bekwam. Reeds in 1607 bepaalde de Regering, uit hoofde van de onregelmatigheid in de bebouwing van den Grachtswal, dat het pad of de straat, tusschen de gracht en die tuinen, twee voeten breeder gerooid moest worden".

Voor de infrastructuur is het water van betekenis geweest. Voor de verbinding tussen Huizum en Leeuwarden is dat evident, maar ook voor de verbinding met het achterland en vooral, via de zijtak van de Wirdumervaart, met het zuiden en zelfs met Sneek was de Potmarge als waterverkeersweg van belang. Het is nauwelijks terug te vinden in de zorg die aan de waterweg is besteed. Voor zover bekend werd de Potmarge in 1782 voor het eerst geslat en pas in 1858 werd het water opnieuw uitgebaggerd. De verbinding dwars over het water was van geringer betekenis. Bij Huizum was een veerbootje dat Huizum zo met Achter de Hoven verbond. In 1934 kwam er in het kerkepad dat het oosten van de stad met de nieuw gesticht rooms-katholieke kerk verbond een klapbrug, de eerste vaste oeververbinding over de loop van de Potmarge.

In 1591 was er al een brug over de monding bij de stadsgracht gelegd die later door een gemetselde pijp was vervangen. Voor de toename van het verkeer met grotere schepen werd die pijp in 1857 vervangen door een draaibrug. De loop werd toen vlak bij de stad enigszins verbreed. Ook de monding van de gracht van de Weaze werd verbreed en tegenover de monding van de Potmarge kwam er in 1867 tegen de hoge kade een onderkade als een geschikte los- en landingsplaats. In de negentiende eeuw groeide de betekenis van de waterweg voor de aan- en afvoer van grondstoffen en producten van de hier en daar aan het water zich vestigende nijverheid. Vanaf 1685 had de stad zelf al belang bij een goede bevaarbaarheid, omdat zij aan het begin van de Potmarge op de oostelijke oever en achter de Schrans het zogenoemde Asland had liggen waar het afval van de stad met schepen naartoe gevoerd werd.

Knoop en de lusttuinen Achter de Hoven

Voordat de naam Achter de Hoven in de bronnen voorkomt, lag het pad er al eeuwen. Het was het pad dat Leeuwarden met de buurschap Jelgerhuis - ten zuidoosten van de stad tussen Vliet en Potmarge - verbond en in 1458 voorkomt als Jelgerherstera wey. Toen de ontwikkeling van tuinen of hoven aan de zuidoostelijke stadsrand op gang was gekomen kwam de naam Achter de Hoven in gebruik.

Op het ‘Plan van Leeuwarden’, een daverend mooie handschriftkaart, omstreeks 1760 getekend door J.H. Knoop, is het aan de zuidoostelijke zoom van Leeuwarden een plezierige boel. Binnen de wallen is de stad goeddeels volgebouwd. De allesweter Johann Hermann Knoop die toch vooral hortulanus was, heeft geen stadstuin vergeten te tekenen, maar ze zijn alleen te vinden in het noorden - Prinsentuin en het gebied waar nu Nieuw Sint-Anthoon staat, binnen enkele dwingers en in het Amelandshof. Wel is een aantal grachten met bomen omzoomd en zijn de vestingwallen en ook de tegenoverliggende singels met bomen beplant om de zogenoemde ‘stadswandeling’ te veraangenamen. Verder is het in de stad een stenige boel. Aan de Grachtswal - toen nog ongedeeld aan oost- en zuidoostzijde - en aan Achter de Hoven liggen de pleziertuinen en lusthoven, zoals ze in allerlei spellingen zo schilderachtig werden genoemd.

Vanuit die hoek ligt de Potmarge op de stad gericht. Vlak buiten de stadsrand staan op de kaart van Knoop aan dit oude water ook enkele tuinen getekend. Verder stroomt de waterloop door agrarisch gebied. In dat gebied heeft Knoop tientallen jaren van zijn leven gesleten en wordt hij eeuwen na zijn dood herdacht met een straatnaam. Knoop is lange tijd de hovenier van het bekendste buiten geweest: Mariënburg.

Maria Louise van Hessen Kassel douairière van stadhouder Johan Willem Friso, kocht, toen ze al tien jaar regentes was voor haar zoon Willem, in 1721 voor 10.000 gulden ‘sekere voor en agter hovingen en de huijsinge met de gardinieren landen sampt boomen en plantagie met twee regels wijlige boomen ... staende Agter de Hovingen van voormelde stad Leeuwarden’ van haar rentmeester Mathijs Overman. In 1725 kocht de prinses van de weduwe van Overman ook het ernaast gelegen buiten erbij: ‘seekere huijsinge bestaende in twee kamers ijder met twee bedsteeden en bottelarie voorsien en een stallinge voor ses koeijen met put en pomp daerin, beneffens een schone tuijn en soomerhuijs cum annexis, beplant met deftige persicq, apricoos en andere schoone vrugtboomen’ en wel voor 800 gulden. Tenslotte kocht ze van de eerste secretaris van de stadhouder, Nicolaas Arnoldi, in 1731 een ‘huijsinge ofte buitenplaats Achter de Hoven buijten de stadt Leeuwerden, bestaende in verscheijdene fraije onder en boven kamers met een grote voorplaets, poort, aparte groote keucken, waskeucken, stallingen, koetshuijs, twee regenwatersbacken etc. mitsgaders twee groote hovingen beplant met alderleije soorte van de alderbeste vruchtboomen en voorsien met groote en kleijne somerhuijsen’ voor 4.800 gulden. Dit perceel lag ten noorden en oosten van de terreinen die de prinses daar al bezat. Op deze wijze was in 1731 een buiten van ongeveer 5 hectare ontstaan dat de prinses naar zichzelf liet noemen: Mariënburg.

Voor het onderhoud van dit omvangrijke buiten nodigde Maria Louise in of omstreeks 1731 Johann Hermann Knoop, de zoon van de hovenier van haar vader vanuit Kassel uit naar Leeuwarden te komen. Knoop heeft er een samengesteld tuinengebied aangetroffen dat oorspronkelijk uit drie terreinen had bestaan. Van een achttiende-eeuws vogelvluchtgezicht is die complexiteit af te lezen. Voor het buiten lag een laan omzoomd door drievoudige bomenrijen; de achterzijde keek uit over een ronde vijver met aan vier zijden trappartijen en verderop over een promenade langs een door vormboompjes omzoomde langwerpige vijver die uitkwam op een aan de oude waterstroom de Potmarge gelegen tuinkoepel. Terzijde van het huis lag nog een ovale vijver die eveneens door vormbomen werd begeleid. Overigens bestond het tuinencomplex uit gevarieerde perkencomposities met in het gelid staande heesters en bomen of in regelmatig geordende bedden van moestuinen. Per perkengroep waren ze symmetrisch aangepakt, maar ze kregen soms verrassende onregelmatige onderlinge aansluitingen. Op de ingangspartij, geflankeerd door twee woningen, waarvan er een mogelijk door hovenier Knoop bewoond werd, volgden parterres, een bloemperkengeheel in broderiecompositie dat in een van poorten voorziene, geschoren heg besloten was en geaccentueerd werd door vormbomen. Vanaf die parterres tot aan de vleugel van het buitenhuis liep een loofgang met paviljoen. Het buitenhuis zelf bestond uit een twee bouwlagen met grote kap hoog gebouw met vleugels; van negentiende-eeuwse tekeningen en foto’s blijkt dat de bijgebouwen los stonden en dat aan de zuidoostzijde een flinke erker uitgebouwd was die tegen het dakschild een grote veelzijdige kajuit en een groot balkon vormde.

Een ander befaamd buiten bij de zuidelijke haakse hoek van Achter de Hoven was Zorgvliet. Het was gelegen op de oude terp Jelgerhuis waarbij een buurschap was ontstaan en waar later onder de naam Jelgerhuis een state of buiten was gesticht. Het werd later ook Canterhoven genoemd. Aan de bouwstijl te zien (op een tekening van Stellingwerf van 1723) is dit Jelgerhuis gebouwd aan het begin van de zeventiende eeuw. Aan het begin van de negentiende eeuw was D.P. van Kolde Reneman eigenaar van Zorgvliet, waar ongeveer 70 pondematen (22 ha) grond bij hoorde.

Hoewel van kaartmateriaal duidelijk is dat beide zijden van Achter de Hoven vrijwel geheel geflankeerd werden door lusttuinen, zijn er met uitzondering van Mariënburg en Zorgvliet nog niet veel gegevens over tuinen en buitens bekend. Uit archiefstukken blijken Radijs en De Chalmot in de achttiende eeuw kenmerkende gebruikers. Kort voordat Maria Louise er actief werd, had de Leeuwarder vroedsman Gerard Radijs - die het later bracht tot burgemeester - met zijn vrouw Jetske Hes even noordelijker ‘seeckere tuin en tuinhuis, met alle ’t geene van Bomen, Kruyden en planten is’ gekocht van twee dames Nitphen. Wat later in deze eeuw koopt uitgever en drukker Jacob Alexander de Chalmot ‘zekere huisinge en hovinge staande en gelegen agter de Hoven buiten de Wirdumer Poort te Leeuwarden bestaande de huisinge uit twee kamers, kelder en solder met nog een vertrek tot berging van ’t tuingereedschap, een keuken, nog een apart steenen somerhuis, met een slaapkamertje daar bezijden voor aan de weg gelijk ook een prieel met glaazen daar benevens [...], de hovinge voorzien met veele schoone vrugtboomen, bloemen, en andere gewassen, hebbende rondsom houten stakettingen...’ In de door hem uitgegeven ‘Algemeen huishoudelijk-, natuur-, zedekundig- en konst-woordenboek’ (1768-1778), een soort vroege encyclopedie, meldde hij dat Knoop met de botanische artikelen slechts tot de letter R was gekomen en hij zelf de botanische onderwerpen had voltooid. Naast het raadplegen van wetenschappelijke werken had hij kennelijk in zijn buiten voldoende ervaring opgedaan.

Gardeniers

In 1765 liet Maria Louise het buiten na aan de Hervormde Diaconie die het gebied en de gebouwen in verschillende percelen verkocht. Het overgrote deel van de tuinen kwam in handen van tuinder Bokke Doitses uit Huizum die enkele percelen doorverkocht aan collega-tuinders die meestal gardeniers werden genoemd. De lusttuinen waar voor eigen gebruik gewoonlijk ook groenten werden verbouwd en fruit werd gekweekt, raakten geleidelijk veranderd in moestuinen voor de handel, waarmee in de tweede helft van de achttiende eeuw een nieuwe traditie in het Potmargegebied werd gevestigd.

Onder invloed van de Verlichting, waar de al genoemde Knoop en De Chalmot representanten van waren, veranderden de eetgewoonten. De vraag naar verse groenten steeg geleidelijk en vlak bij de stad konden tuinders op de vruchtbare oevers van de Potmarge daaraan voldoen. Zij brachten over de Potmarge met scheepjes hun waar naar de markt, het meest noordelijke deel van de Weaze bij de Brol dat dan ook de naam de Groentemarkt kreeg.

De vroegste kadastrale gegevens en kaarten uit 1832 bevestigen dit beeld. Ze bieden zelfs een helder beeld van de geografisch geleidelijke overgang van pleziertuinen (steeds gespeld als plaisirtuinen) met soms zomerhuizen aan de Grachtswal en het eerste stuk Achter de Hoven (ongeveer tot de huidige spoorwegovergang) en de moestuinen verder van de stad. Weer verder, voorbij de haakse bocht in Achter de Hoven zien we vrijwel uitsluitend weilanden. Een van de grootgrondbezitters met zowel moestuinen als een grote pleziertuin was toen Pieter Cats, een van de meest vermogende Leeuwarders. Wethouder Johannes Romkes had een pleziertuin aan het eerste deel van de Potmarge; de toegangsweg kreeg later zijn naam: Romkeslaan.

De tuinders zijn, voor zover ze niet verdreven zijn door andere functies, nog steeds in het middelste gedeelte langs de noordelijke oever van de Potmarge aanwezig. Zij bepalen het karakter en beeld van een groot gedeelte van het gebied. De kwekers zijn geleidelijk van groenten op bloemen overgegaan en in verschillende seizoenen is de bloemenweelde er een lieve lust.


Woningen

Achter de Hoven en de gebieden die de weg flankeerden raakten in 1863 doorsneden door de spoorbaan naar Groningen, waardoor het ruime exercitieveld ook gedeeld werd. Het werd verplaatst en de terreinen bij het spoor kwamen beschikbaar voor andere doelen. In 1895 volgde de opening van het Nieuwe Kanaal. Dat had niet alleen gevolgen voor het waterverkeer op de Potmarge, er kwamen alleen nog schepen die de bedrijven moesten bevoorraden, maar er trad ook een kentering op in de stedenbouwkundige ontwikkeling. Ten noorden van het spoor vond die planmatig plaats volgens de door het gemeentebestuur aangegeven ontwerpen en voorwaarden en groeide in de volgende vijftien jaar de langgerekte Oranjewijk. Ten zuiden van de spoorbaan volgden minder planmatige ontwikkelingen op particuliere initiatieven.

De vroegste woningbouw in het Potmargegebied vond plaats in de buurt van de Romkeslaan en Tulpenburg. Particulieren ontwikkelden er rijen en soms hele buurten van volkswoningen. In 1830 verrees er de eerste rij van zes woningen, een proces dat tot 1890 voortgezet werd. Toen was het gebied tussen de stadsgracht, het eerste gedeelte van de Potmarge, Achter de Hoven en de spoorbaan geheel bebouwd, aan de randen met burger en herenhuizen; op de achterterreinen met volkswoningen. De achterterreinen zijn gedurende de afgelopen decennia gesaneerd om nieuwe woningen te kunnen bouwen en aan het nieuwe front van de Oostergoweg meteen ten noorden van de spoorbaan, kantoren.

Ten zuiden van het spoor werden aan beide zijden van de weg Achter de Hoven in de tientallen jaren rond 1900 - de vaak uitgestrekte tuinen waren inmiddels grotendeels door tuinders in gebruik genomen - op particulier initiatief woningen gebouwd. Het waren meest burgerwoningen in rijen met zo nu en dan een enkel huis of twee onder een kap met gewoonlijk een vrij verzorgde architectuur, soms met stijlkenmerken van de neo-renaissance of de vernieuwingsstijl. Vanaf de bijna haakse hoek op de plaats waar ooit het buiten Zorgvliet gelegen was zijn in de jaren twintig en dertig en zelfs later woningen tot stand gekomen.

Bij de bouw en inrichting van de openbare ruimte werd het tot straatweg verbeterde pad tussen de hoven met zijn onregelmatig beloop gevolgd en kregen ook de rooilijnen een zeer gevarieerd verloop. Het profiel van straat met smalle stoepen staat dan ook op gespannen voet met de huidige verkeersbehoefte maar Achter de Hoven bezit nog steeds een grote schilderachtige mededeelzaamheid van zijn historie. Zeker vergeleken met straten in andere schil- en buitenwijken.

Er gaat aan deze burgerbouw langs de straat nog een ontwikkeling vooraf die het verhaal en het resultaat complexer maken. Vanaf het midden van de negentiende eeuw vestigden zich tussen de gardeniers ook arbeiders aan en nabij Achter de Hoven. Na de doorsnijding door de spoorweg kwamen ten zuidoosten van de overgang zelfs een paar buurtjes tot stand, onder meer de Hendriksbuurt in 1870 en de Mariabuurt in 1875.

Rond 1900 kregen drie bouwondernemers stukken terrein van de gemeente in handen. Zij stelden een streng en zuinig stratenplan op, kenmerkend voor de houding van de toenmalige bouwondernemers. De gemeente keurde het in het najaar van 1905 goed. Dat gebeurde onder de voorwaarde dat er spoedig met de bouw begonnen moest worden. In het oosten werd onmiddellijk met de bouw van woningstroken begonnen en in de lente van 1906 kon de eerste woning worden betrokken. Tot 1908 werd er door liefst vijftien ondernemers, soms in combinaties, flink gebouwd en spoedig had de Vegelinbuurt gestalte gekregen. Ze realiseerden meer dan 200 woningen. Na 1908 zijn er nog wat stroken bijgekomen, vooral in de westelijke punt en aan de Ypeijstraat, waardoor het totaal van de Vegelinbuurt op zo’n 220 woningen kwam in een streng orthogonaal stratenpatroon. Aan de doorgaande straten bezitten de woonstroken tuinen van ongeveer 2½ meter en aan de dwarspaden hebben ze tuinen van ongeveer 3½ meter. Het historisch stedenbouwkundige compacte beeld is, op het midden van de middenstraat na, redelijk gaaf.

Het stedenbouwkundige beeld is kenmerkend voor de wijze van ontwikkeling en voor de tijd toen de woningwet als beleidsinstrument nog moest wennen. Zelfs de deels warrige verbindingen naar de weg Achter de Hoven is een kenmerkend aspect van de wijk. Het middelste gedeelte van zuidelijke zoom van de middenstraat deed door de bestaande (bedrijfs)bebouwing niet mee in dit beeld en is nu een rafelrand in de buurt geworden. De ondernemers, bouwend voor gezeten arbeiders en kleine ambtenaren, hebben wel degelijk hun best gedaan om aanzienlijke variaties en leuke versieringen in en aan de eenvoudige woningen aan te brengen. Zo nu en dan anderskleurige voorgevels, gele of rode metselbanden ter hoogte van de dorpels, ontlastingen boven deuren en vensters in de vorm van strekkenlagen en hanenkammen van in kleur contrasterende steen en boogtrommels met metselmozaïek, bovendien met gemetselde versieringen boven in de gevels die herinneren aan friezen en kroonlijsten. In de oorspronkelijke dakkajuiten is nogal eens ambachtelijke decoratiekunst gelegd, maar veel kapellen zijn intussen veranderd. Het architectuurhistorische beeld is aardig en kenmerkend voor de tijd en de wijze van ontwikkeling. Het beeld is sleets geworden en verdient een oppepper. Maria- en Hendriksbuurt zijn intussen gesloopt en hebben plaats gemaakt voor een extra ontsluitingsstraat en een buurtplantsoen.

School

Het buitenhuis Mariënburg zelf bleef keurige bewoners huisvesten. In de Franse tijd woonde het vroedschapslid Harmanus Balk er en weer later mr. D.H. Beucker Andreae, een enthousiast botanicus. Andreae verkocht het buitenhuis Marienburg met 12 vertrekken en observatorium in 1828. In 1848 kwam het in handen van de familie Vegilin van Claerbergen, bestuurspatriciërs uit Joure. Leden van de Vegilins hebben Mariënburg tot 1879 bewoond of als buiten gebruikt. Kort hierna is het afgebroken en vervangen door een nieuw herenhuis dat in 1923 als hervormde kweekschool in gebruik genomen werd. Het werd in 1953 gesloopt om plaats te maken voor een nieuw schoolgebouw (ontworpen door Lou Reinalda) van een nog bescheiden omvang, waar in 1963 een grof gevormde en volstrekt niet in de schaal van Achter de Hoven passende vleugel (ontworpen door J.C. Teeuw) aangebouwd werd. Deze vergroving gooide de remmen los om in de jaren-negentig een nog grotere verbouwing en uitbreiding te realiseren (ontworpen door Abe Bonnema)die de kleinschaligheid van de wijk volstrekt ontstijgt en er vervreemding wekt, maar die in de groene zomen van de Potmarge dankzij de achter de school liggende sportvelden geen ernstige visuele schade berokkent.

Bij deze schaalvergroting is een innemend monument verloren gegaan. Een van telgen van de Vegilinfamilie had in 1872 ten zuiden van het buiten voor minbedeelden het hofje Fribourg gesticht, waarvan het hoofdgebouw oogde als een chalet uit Zwitserland, waar de Vegilins oorspronkelijk vandaan kwamen. Dit officieel geregistreerde rijksmonument viel in 1985 ten prooi aan de expansiedrift van de pedagogische academie, later Lienward College en weer later scholengemeenschap Comenius. De uitgestrekte tuinen van Mariënburg zijn deels tot sportterrein van de school ingericht, maar voor een belangrijk deel ook nog als kwekerij van vooral bloemen in gebruik.

Na de Tweede Wereldoorlog is verder naar het oosten nog huisvesting van enkele bijzondere functies tot stand gekomen: Parkherstellingsoord, eerst in een romantische en goedkope chaletstijl in hout, later in een stenen paviljoencomplex: Parkhove, en de in 1961 gestichte Buitenschool. Daarnaast, waar de tuinderij van Iedema had gelegen, kwam het sportterrein voor kaatsvereniging Het Plein. Ten oosten van de Aldlânsbrug in de ringweg raakt de Potmarge bij een in noordelijke meander de Schepenbuurt, de enige woonbuurt onmiddellijk aan dit water. Bejaardenoord Greunshiem ligt even verder aan de noordelijke oever. Elk van de zorginstellingen is met zorg in de groene zone gepast.


Bedrijvigheid

Aan de monding van de Potmarge waarover sinds 1591 een brug lag, stond op de westelijke oever herberg ‘De Posthoorn’. De rijkspost had er zijn stallen en er lag een paardenwad in de vorm van een insteekhaven. Dat werd in 1857 gedeeltelijk gedempt en voor het overige bij de Potmarge getrokken. Nadat de paardenposterij was opgeheven, bleef de De Posthoorn nog enige tijd als gewone herberg in gebruik, maar het gebouw werd in 1871 afgebroken om plaats te maken voor een reeks pakhuizen. Deze bedrijfsgebouwen werden ontsloten via de Posthoornsteeg en konden aan de Potmargezijde uit het water worden opgebouwd.

Even verder was de stad al sinds 1685 actief op het terrein tussen de Potmarge en het begin van de Schrans waar toen nog de aftakking van de Wijnhornsterzijlsloot liep. Daar lag het zogenoemde Asland. Regelmatig werd het stadsafval, as, puin, rommel en faecaliën met pramen aangevoerd en dikwijls is in het stadsbestuur gesproken om het terrein van de stadsreiniging te verplaatsen naar een plaats die verder van de bebouwde kom verwijderd was. Pas in de jaren 1870 werden verbeteringen aan de primitieve inrichting van de vuilstort aangebracht: een stenen walbeschoeiing, een bevloering van het terrein en het bouwen van vijf overdekte mestplaatsen. Pas in het begin van de jaren dertig werd de gemeentereiniging verplaatst naar een gebied ten noordwesten van de plaats waar de Potmarge in de Tijnje en Wijde Greuns uitkomt. Intussen zijn daar de vuilverbrandingsoven en vooral de rioolwaterzuiveringsinstallaties met slikvelden veel plaats in gaan nemen, al schieten en nog sportvelden over: de sportcomplexen De Greuns aan de noord- en Aldlân aan de zuidzijde.

Tegenover dit Asland werden in de binnenhoek van de eerste meander van de Potmarge in oostelijke richting van de Potmarge in 1867 de gebouwen voor een strokartonfabriek van J.G. Kuipers & Co., ontworpen door vader en zoon Frederik en Herman Rudolf Stoett, in gebruik genomen. Het was de eerste fabriek in zijn soort in Nederland en groeide voorspoedig tot een grote industrie met honderden werknemers. Voor de waterkwaliteit was het een schadelijk bedrijf, evenals de veel verder achter Huizum en aan de zijtak de Oude Potmarge gelegen, in 1844 gestichte stroopfabriek van Adema. De strokartonfabriek kwam enkele crises te boven maar een grote brand luidde de ondergang in. In 1911 sloten de deuren.

Luchtfoto LIJEMPF-complex aan de Potmarga, 21 november 1952. Foto: Aero-photo Nederland.

De gebouwen van de strokartonfabriek werden na aanpassingen en nieuwbouw in 1912 in gebruik genomen door de Leeuwarder IJs- En Melk Producten Fabriek, de Lijempf, dat uitgroeide tot een architectonisch zeer verzorgd bedrijfscom-plex. De zuivelverwerkende fabriek werd in 1978 verplaatst en alle gebouwen gesloopt. Lange tijd heeft het terrein braak gelegen totdat de Friese Pers er in 1993 ging bouwen. Dit nieuwe gebouw kwam op enige afstand van de oude waterloop te liggen. Het grootschalige bouwwerk kwam elegant in de keurig geschoren en geknipte tuin, een groene context die volstrekt anders van karakter is dan het spontane Potmarge-groen. Het op Achter de Hoven gerichte chemische bedrijf Casolith, later Atoglas, betrachtte dat erbarmen en zorg met de fascinerende groene zone niet. Met zijn achterkant pal op de Potmarge kan dit bedrijf thans als grootste dissonant van het hele gebied worden beschouwd.


Villa en weeshuis

Hoewel aan de zuidelijke oever van de Potmarge geen cultuur van pleziertuinen en lusthoven bestond, is - gedurende de laatste periode dat de Vegilins nog op Mariënburg resideerden - nabij het dorp Huizum, op de hoek waar de Wirdumervaart in de Potmarge uitmondt villa Vaartzicht gebouwd door een andere bestuurspatriciër met een filantropische opgave. Architect Jurjen Bruns ontwierp in 1874 de villa voor Mr. Bernhardus Hopperus Buma, oud-burgemeester van Kollumerland. Naast het park dat de villa omringde lagen percelen tuinbouwgrond met een ruime gardenierswoning tussen de Potmarge en Huizumerlaan. Buma was verantwoordelijk voor het Tjallinga Weeshuis. Om problemen op te lossen bij de verzorging van wezen op een boerderij in Westernijkerk, kocht hij in 1877 de woning met tuingrond aan. De wezen werden er verzorgd, door de tuin van zo’n 1200 m2 werd het kleine weeshuis deels selfsupporting en er konden zelfs geregeld groenten ter verkoop op de markt worden gebracht. De verstedelijking noopten de Buma’s om het weeshuis te moderniseren. De tuinen gingen van de hand en in 1905 werd een nieuw weeshuis gebouwd dat tot 1937 als zodanig in gebruik bleef. Een tijdlang heeft burgemeester Hora Siccama van Leeuwarderadeel er gewoond en het heeft vervolgens een maatschappelijke functie gehad. In 1987 is het weeshuis tot appartementengebouw ingericht. Villa Vaartzicht wordt nog steeds particulier bewoond.

Het dorp Huizum met op de voorgrond de villa "Vaartzicht" aan de Potmarge rond 1872.
Het dorp Huizum met op de voorgrond de villa "Vaartzicht" aan de Potmarge, 1872

Juist bij Villa Vaartzicht is de aftakking van de Wirdumervaart die zich al vrij snel splitste. Deze vaart liep oorspronkelijk westelijk van de middeleeuwse dorpskerk van Huizum verder en noordelijk liep de Oude Potmarge langs de kerk. Van dit smalle stroompje dat jarenlang gebruikt werd voor aan- en afvoer van de stroopfabriek van Adema, resteert weinig meer. Deze Oude Potmarge liep vrij recht naar het oosten. Aan de oostzijde van de Drachtsterweg loopt de erfgenaam van dit water om het winkelcentrum, de gebouwen van de brandweer heen. Bij de Langdeelstraat buigt het een stukje af naar het noorden om aan de andere kant van de straat als redelijk brede sloot kaarsrecht naast de Holstmeerweg bij de Wijde Greuns uit te monden.

Tuinders

Verder was het aan de Huizumer zijde langs de borders van de Potmarge agrarisch gebied. Het is niet precies bekend hoe vroeg de tuinbouw er beoefend werd. Uit een dorpsgeschiedenis van dominee Harm Wesselius uit 1803 blijkt dat er dan aan de Potmarge en zuidelijker ook aan het Juffersreedsje zo veel gardeniersbedrijven waren te vinden dat het als hét tuinbouwgebied bij de grote stad Leeuwarden kon worden beschouwd. Maar uit die kroniek wordt ook duidelijk dat het een halve eeuw eerder nog niet het geval was. In 1748 kreeg een Huizumer schipper namelijk het beurtrecht op Leeuwarden, maar mochten gardeniers en melktappers de bekenden blijven meenemen op hun schuitjes als ze hun zuivel of groenten naar de markt brachten. Die waren op de Suupmarkt (later Berlikumermarkt) en de Groentemarkt, de kaden van de uitloper van de Weazegracht. Naast veeteelt ontwikkelde zich dus toen langs de Potmarge in de achttiende eeuw al enige tuinbouw.

De gardeniers maakten voor aan- en afvoer vanzelfsprekend gebruik van de Potmarge, maar aan de voorzijde van hun huizen waren ze bovendien ontsloten door de Huizumerlaan. Het oude kerkepad vanaf de dijkbuurt de Schrans onder Leeuwarden naar het dorp Huizum droeg de naam Huizumer Indijk; wellicht is het een binnendijk geweest om de landerijen te beschermen bij al te grote waterhoeveelheden in de Potmarge. In 1649 kon met het plaveien van het pad worden begonnen, gefinancierd door een heffing op bier. Maar het pad bleef eigendom van de kerk. Het pad werd in 1765 aan weerszijden met linden beplant. Om dit te financieren ging een intekenlijst rond. Een succes, want de geraamde kosten werden overtekend: er zouden 180 bomen kunnen worden gekocht en geplant terwijl 134 voldoende waren. De linden werden op den duur zo gesnoeid en geleid, dat er over de Huizumerlaan een groen dak werd gevormd dat met de aan weerszijden liggende erfsloten een buitengewoon aangename wandeling vormde. Op 1 januari 1906 droeg de kerk de Huizumerlaan aan de gemeente Leeuwarderadeel over.

Ondanks stadsuitbreidingen heeft een aantal tuinders zich tot na de Tweede Wereldoorlog aan de Huizumerlaan en de Badweg (vroeger Juffersreedsje) kunnen handhaven. Daarna is deze groene bedrijfstak die eeuwenlang het kartakter van het gebied bepaalde, verdwenen. Het enige spoor van de tuinderij op de zuidelijke oever van de Potmarge is het prachtig gelegen tuincentrum, een grote detailhandel voor planten, bloemen en tuininrichting voor de stedelingen.

Tijdens het proces van voortgaande verstedelijking werd het voor de tuinders steeds moeilijker om hun bedrijf te handhaven. Bij het verdwijnen van deze kleinschalige agrarische bedrijven kregen de gardenierswoningen geleidelijk gewone woonfuncties en aan de Huizumerlaan werden steeds meer woningen gebouwd totdat aan beide zijden een nagenoeg gesloten bebouwing was ontstaan. De befaamde groene overwelving van lindebomen is inmiddels verdwenen, maar de bewoners aan die laan kunnen wel bogen op de mooiste en soms diepste tuinen van de hele stad, een herinnering aan de uitgestrekte moestuinen die hier hebben gelegen.

Gedurende de twintigste eeuw hebben zich in het gebied nog twee ontwikkelingen voor specifieke functies voorgedaan die hun uitwerking in het kleinschalige agrarische en later groene recreatieve gebied niet hebben gemist. In 1934 werd de Sint-Jan de Doperkerk ingewijd, het belangrijkste element van een rooms-katholieke enclave met pastorie, kloostertje met kleuterschool en lagere school in een haaks op Potmarge en Huizumerlaan gelegen omhaagd grasgazongebied. De lagere school is gesloopt en het gazongebied verdwenen toen in 1995 daar voor het agrarisch hoger onderwijs het Van Hall Instituut, een flink schoolcomplex, werd gebouwd. Het type onderwijs past in de Potmargezone, de schaal van de school niet, zij het dat de gebouwen op een gepaste afstand tot het water en het wandel/fietspad zijn gehouden en dat de omringende proeftuintjes wel wat vergoeden.


Bedrijvigheid

Hoewel het stuk grond achter de Schans eeuwenlang als Asland voor de stedelijke reiniging bij de stad had behoord, kwam er uiteindelijk een functie op dit terrein die paste bij de hele Potmargezone. De tuinders richtten in 1905 een veiling op om hun producten te kunnen afzetten. Op vrijdagen werd dan met de waren naar de Oosterkade getogen waar ook een groentemarkt werd gehouden door de niet aangeslotenen. In 1931 kon de veiling naar het voormalige Asland worden overgebracht, waartoe de bestaande voorzieningen wat werden aangepast. In 1954 kon een geheel nieuwe veiling worden betrokken vlak bij villa Vaartzicht bij Huizum, waarna het gebied van het vroegere Asland veel later ruimte ging bieden aan drie kantoren.

Door de verbeterde logistiek en de daarmee (inter)nationalisering van de groothandel in tuinbouwproducten moest in het veilingwezen concentratie plaatsvinden. De veiling bij Huizum sloot zijn deuren, maar er kwamen andere bedrijven in het gebouwencomplex. Door brand is het begin 1997 verwoest, een kale los- en laadkade achterlatend. Wel is daarnaast nog een bedrijf voor het konfijten van vruchten actief. Vlak daarnaast is in 1907 de gasfabriek van Leeuwarderadeel gesticht. Het heeft het ondanks de schaalvergroting en intercommunale concentratie lang als zelfstandig bedrijf volgehouden, maar het moest uiteindelijk zijn poorten sluiten. De gashouder en gebouwen zijn in 1952 gesloopt. Bij Huizum heeft ook nog de kleine scheepswerf van Cor Valk aan de Potmarge gelegen. Nog verder oostelijk stond aan een zijsloot wasserij De Hoop, inmiddels uitgegroeid tot Hokatex en geheel gericht op de ringweg van Leeuwarden.


Conclusie: rijp en groen

Zo er al sprake kan zijn van een ontwikkeling in de Potmargezone dan is die voor de gebieden ten noorden van de Potmarge relatief anders dan in het zuiden. Beide vruchtbare oevers boden de basis voor een ontwikkeling van plezier- en moestuinen. Aan de noordzijde zijn die in een flinke strook nog te ervaren. De nog resterende moes- en vooral bloemtuinen zijn tastbare herinneringen aan het tuindersverleden van het gebied met een grote waarde. De betekenis van de groene, al dan niet van wandel- en fietspaden voorziene oeverstroken, de feitelijk in uitdossing gewijzigde herinneringen aan de goeddeels onbebouwde zone is nauwelijks te overschatten. Die waarden zijn hier en daar door bedrijvigheid of herinneringen daaraan - eveneens een aspect van de historische ontwikkelingen - met hun ruimtelijke agressie onbarmhartig verstoord. Het groene gebied is kwetsbaar en kan, wil het zijn samenhang niet verliezen, geen aanslagen meer velen.

De aan de noordzijde van de Potmargezone gelegen Vegelinbuurt, volstrekt niet de minste onder de buurten van particuliere ontwikkelaars, heeft door sloop van die andere een zeldzaamheidswaarde gekregen die historisch moeilijk te overschatten is. Het is zaak om omzichtig om te gaan met deze vrij gave wijk die kenmerkend is voor vroege projectontwikkeling. De wijk Achter de Hoven/Vegelin werd met de vestiging van een school op het vroegere buiten Mariënburg opgescheept met een niet passende functie. Het werd pas ongenadig zichtbaar toen de school door concentratie en schaalvergroting de wijk ontsteeg en zelf eveneens de, vooral infrastructurele, gebreken van de misplaatsing is gaan ervaren. Hetzelfde geldt voor het bedrijf Atoglas.

De Potmargezone heeft een rijke en gevarieerde geschiedenis van vooral lust- en moestuinen, maar die is alleen met een grote mate van goede wil te ervaren. Toch heeft het gebied als geheel en hebben allerlei elementen en aspecten van het gebied nog een grote mededeelzaamheid. Het meanderende oude water ligt er nog; aan de stadszijde is een gedeelte van de waterloop geregistreerd rijksmonument. De Potmarge met haar rietkragen, wilgen en bejaarde fruitbomen zorgt voor de samenhang van de zone die per ongeluk gevormd lijkt. Op de meeste plaatsen heeft de Potmarge groene oevers. Water en oevers werden van zulke grote waarde geacht dat ze gedurende de jaren zestig en zeventig stukje voor stukje voor het publiek onsloten zijn. In 1989 was een recreatieve route voor fietsers, bijna vanaf de binnenstad tot aan de Wijde Greuns voltooid. Voor veel aanwonenden betekent dit pad een nog belangrijker structuurbepaler dan het water.

Voor de naar het oosten uitgebreide stad is het een zeldzame groene zone die door bewoners van de wijken in de onmiddellijk aangrenzende en ook verder afgelegen woonwijken hoog gewaardeerd wordt. De zone is lange tijd als een restgebied is behandeld. Er liggen voldoende kansen om vooral het groene karakter te versterken. Er zijn ook kansen voor woningbouw, bijvoorbeeld op het terrein van de voormalige veiling. De structuur van de Huizumerlaan zou daarmee versterkt kunnen worden en Potmargekade zou een groene impuls kunnen krijgen. Belangrijker dan dit ene voorbeeld is dat de geschiedenis van de Potmarge en omgeving thema’s en motieven biedt om deze voor Leeuwarden ongekende zone nieuwe impulsen te geven.

Zo bieden de oevers van de Potmarge allerlei herinneringen uit vele eeuwen aan waardig en parasitair gebruik met respectabele, maar ook verstoorde aspecten. De cultuurhistorie van de zone biedt kansen voor een waardige toekomst.

Er is in het halve millennium waarin we aardig zicht hebben op de geschiedenis van de Potmarge en de omgeving veel veranderd in dit gebied, maar het groene karakter is ondanks veel aanslagen van vooral industriële bedrijvigheid overeind gebleven. In de dicht bebouwde stad is de groene, met de Potmarge meanderende zone van grote waarde, niet alleen als rustpunt in de herrie van de middelgrote stad, maar ook als monument van cultuurhistorie.

Terug