Stads- en gemeentebesturen, inleiding en verantwoording


De samenstelling van de stads- en gemeentebesturen van Leeuwarden 1795-1943

door J.R. Kuiper en K. Zandberg

Inleiding en verantwoording

Interieur Raadzaal

Deze inleiding is beperkt gehouden tot enkele op- en aanmerkingen. In een latere studie zal mogelijk een nadere analyse van de Leeuwarder politieke elite c. 1850-1930 plaatsvinden. Onder bestuur wordt in dit artikel verstaan de raad (dus inclusief wethouders), de burgemeesters, de secretarissen en gedurende een korte periode ook de schepenen. Tot in 1824 werden voor de verschillende functies soms andere termen gebruikt, maar de taken en bevoegdheden waren over het algemeen dezelfde.

In de lijst van raadsleden zijn de volgende gegevens opgenomen: namen, perioden raadslidmaatschap, perioden wethouderschap en politieke kleur. De vermelding politieke kleur kan zowel slaan op een politieke stroming als op een partij. Als iemand langer dan enkele maanden tussen twee zittingsperioden uit de raad is geweest, staat dat vermeld. De waarnemende wethouders worden in de regel niet als zodanig genoemd. De wethouders achter wier naam "(1945)" staat vermeld, maakten na de bevrijding deel uit van het voorlopige college van B. & W. Net als de secretarissen en de schepenen staan ook de burgemeesters i.p.v. in de lijst van raadsleden in een aparte lijst opgesomd, ook al zaten ze de raadsvergaderingen voor en bleef een burgemeester in een enkel geval zelfs wel formeel raadslid.

De komst van de Fransen in 1795 bracht voor de inrichting van het plaatselijk bestuur ingrijpende veranderingen. Magistraat en vroedschap werden in februari 1795 ontbonden en vervangen door de "provisionele municipaliteit". In april werd een nieuwe municipaliteit gekozen. In april 1798 werd de municipaliteit omgedoopt in raad der gemeente. Vanaf december 1802 bestuurden drost (met voornamelijk rechtsprekende bevoegdheden) en raad de stad. Van oktober 1807 tot 1811 bestond het stadsbestuur uit een burgemeester, wethouders, een schepenbank (sinds maart 1806) en vroedschappen. In 1811 was sprake van een maire, adjuncten ("adjoints") en municipale raden. December 1813 werd een nieuwe stadsregering aangesteld bestaande uit een president- burgemeester, wethouders en raadsleden (in 1814 ook nog wel vroedschappen genoemd).

Stadhuis met RaadzaalHet reglement voor de regering van de stad uit 1815 bepaalde dat de raad getrapt moest worden gekozen uit "de vroedste en gegoedste ingezetenen". De raadsleden werden voor hun leven benoemd door een kiescollege van 36 personen. Het kiescollege werd op zijn beurt weer gekozen door de "gezeten burgeren". Jaarlijks trad het derde deel van het kiescollege af. De burgemeesteren werden door de koning benoemd uit een nominatie van drie raadsleden; ieder jaar trad er één af. Het ambt van president-burgemeester werd (althans in theorie; zie de lijst van burgemeesters) volgens toerbeurt waargenomen. De reglementswijziging van 1824 bepaalde dat in de plaats van de burgemeesteren er een college van burgemeester en wethouders kwam, zonder nominatie door de koning te benoemen uit de raadsleden.

Door de totstandkoming van de gemeentewet van 1851 werd het gemeentelijk bestuur zo ingericht als tegenwoordig eigenlijk nog het geval is: een gekozen raad aan het hoofd der gemeente, door en uit de raad gekozen wethouders en een door de Kroon benoemde burgemeester. Het censuskiesrecht bleef voorlopig gehandhaafd. Wel vergrootten de (grond-) wetswijzigingen van 1851, 1887 en 1896 telkens het aantal kiesgerechtigden. In 1917 kwam er algemeen kiesrecht; in 1919 ook voor vrouwen. (Zie tabel I.)

Het vaststellen van de politieke kleur van de stadsbestuurders in de Franse tijd is niet eenvoudig, in sommige gevallen zelfs onmogelijk. Politieke partijen in moderne zin ontbraken, men kan hooguit spreken van bepaalde politieke stromingen. De eerste jaren na de revolutie van 1795 werden gekenmerkt door een heftige onderlinge strijd waarbij verschillende patriotse groeperingen elkaar de macht betwistten. Tijd en plaats bepaalden de standpunten van de betrokkenen in de gevoerde partijstrijd. Vooral in Leeuwarden waren de radicalen, die vergaande politieke en maatschappelijke veranderingen verlangden, sterk vertegenwoordigd. De meerderheid van de Friese patriotten behoorde echter tot de gematigde partij en was afkerig van elke vorm van politiek geweld.

De strijd tussen radicale en gematigde patriotten spitste zich toe op de controverse over de toekomstige staatsvorm van de Republiek. In het algemeen waren de unitarissen tegen het voortbestaan van de oude federatie en de federalisten voor het behoud van de gewestelijke zelfstandigheid. In het politieke midden stonden destijds de moderaten, aanhangers van de eenheidsstaat maar voor het overige nogal behoudend.

Na 1798 verflauwden de politieke tegenstellingen en sedert december 1801 nam een deel van de in 1795 afgezette orangistische regenten zijn oude posities weer in. Patriotten en oranjegezinden groeiden geleidelijk naar elkaar toe en vormden gezamenlijk een nieuwe politieke elite. In deze situatie is een politieke inkleuring van de plaatselijke bestuurders eigenlijk weinig zinvol. De politieke aanduiding van de gemeentebestuurders in dit overzicht slaat dan ook uitsluitend op de periode 1795 tot hooguit 1802.

Pas in 1848 was er enigszins sprake van politieke partijvorming. Hoewel de meer conservatief ingestelden het bestuur bleven domineren, kwam het in dat jaar wel tot de oprichting van de eerste liberale kiesvereniging in Leeuwarden "Vooruitgang". Omstreeks 1870 kregen de liberalen de meerderheid in de gemeenteraad. Omstreeks 1880 waren alle raadsleden min of meer liberaal van kleur. De eerste niet-liberaal in de raad was de katholiek J.F.H. Bekhuis in 1884. De tweede niet-liberaal werd in 1894 gekozen en was eveneens katholiek. Vertegenwoordigers van andere politieke stromingen volgden: de radicaal S. Jansen in 1898, de anti-revolutionair D. Lautenbach in 1899 en de sociaal-democraat ds. G.W. Melchers in 1901.

Politiek pamfletTot de toepassing van de evenredige vertegenwoordiging in 1919 bleven de liberalen de grootste partij. Vanaf 1919 vormde de S.D.A.P. de grootste fractie in de Leeuwarder gemeenteraad. Afgezien van het intermezzo 1923-1925, werkten in de jaren 1919-1943 de sociaal-democraten samen met andere partijen in het college van B. & W. (Zie tabel II.) Andere in de raad gekozen partijen waren de V.D.B., de C.H.U., de C.D.U., Gemeente- belangen, de R.S.A.P. en de C.P.H. In 1941 kwam op last van de bezetter een eind aan de aktiviteiten van de gemeenteraad. Twee jaar later werden ook de wethouders naar huis gestuurd.

Als uitgangspunt voor de samenstelling van de lijst van raadsleden is de handgeschreven door R. Visscher vervaardigde (en door andere archivarissen aangevulde) lijst genomen. Deze lijst bleek onnauwkeurigheden te bevatten en is verbeterd en aangevuld met behulp van de volgende bronnen: provinciale almanakken, verslagen van de toestand, raads- en B. & W.-notulen, adresboeken, staten van gemeentebestuurders (arch. gemeentebestuur, S 607) staten met verkiezingsuitslagen (arch. gemeentebestuur, S 711-715) en allerlei drukwerk (sted. bibl., drukwerkverzameling: mappen "politiek" en "politieke partijen").

Voor wat betreft de periode 1795-1815 is gebruik gemaakt van allerlei stukken uit het archief van het stadsbestuur en het archief van het provinciaal bestuur. Na onderlinge vergelijking bleek bijna elke bovengenoemde bron onnauwkeurigheden te bevatten.

Gebruikte literatuur:

  •  J. Algera: Leeuwarden door de eeuwen heen. Harlingen 1935.
  •  S. Kuiper: Tussen revolutie en reactie; de politieke elite van Leeuwarden in de jaren 1795-1798 (Z. pl. 1986. Niet-gepubliceerde doctoraal-scriptie).
  •  M.J. van Lennep: Vroege en late regenten in Friesland; in: De Vrije Fries 1968, blz. 83-104.
  •  P. Nieuwland, A. Pietersma, O. Kuipers: Inventaris van de archieven van de gewestelijke bestuursinstellingen in Friesland 1795-1813 (1815). Ljouwert/Leeuwarden 1988.
  •  Verzamelde naamlijsten (meest niet-gepubliceerd).

In de lijst gebruikte afkortingen voor politieke stromingen en partijen:

Bataafse tijd:

fed. = federalistisch
mod. = moderaat
or. = oranjegezind
rad. = radicaal

Vanaf c. 1880:

a.r. (o.a. A.R.P.) = anti-revolutionair
CDU = Christelijk Democratische Unie
c.h. (o.a. C.H.U) = christelijk-historisch
CPH = Communistische Partij Holland
GB = Gemeentebelangen
lib. (o.a. Vrijheidsbond) = liberaal *
rad = radicaal **
R.K. (o.a. R.K.S.P.) = Rooms-Katholiek
RSAP = Revolutionair Socialistische Arbeiderspartij
SDAP = Sociaal Democratische Arbeiderspartij
VDB = Vrijzinnig Democratische Bond

*   De liberalen kwamen later dan de andere politieke stromingen tot partijvorming. In 1919 werden vertegenwoordigers van 3 verschillende liberale "lijsten" in de raad gekozen. Later werd de Vrijheidsbond beschouwd als dé liberale partij.
** De radicalen gingen op in de V.D.B.


TABEL I

Aantallen kiesgerechtigden in Leeuwarden 1848-1921

(Bronnen: "Verslagen van de toestand" 1851-1921, kiezerslijst 1848)

Jaartal

Staten-generaal

Provinciale staten

Gemeenteraad

1848     314*
1851 716 716 1019
1861 711 711 1023
1871 771 768 1085
1881 867 862 1324
1891 1838 1834 1829
1901 3559 3540 3232
1911 4816 4796 4383
1921 22620 22005 21318


* Dit aantal bezat in 1848 de vereisten om tot kiezer te kunnen worden benoemd.

TABEL II

De politieke samenstelling van de colleges van B. & W. 1917-1943

1917-1923: SDAP, lib
1923-1925: lib., a.r., R.K., GB
1925-1927: SDAP, lib., a.r., R.K.
1927-1939: SDAP, R.K., VDB
1939-1943: SDAP, VDB, c.h.

Terug