Dagboek Burgemeester J.A.N. Patijn (1914-1915)

Aantekeningen van den Burgemeester omtrent den Oorlogstoestand in 1914 en begin 1915 te Leeuwarden


Inhoud:

De algemeene toestand
Mr. Jacob Adriaan Nicolaas Patijn (1873-1961); burgemeester van Leeuwarden van 1911 tot 1918In de middag van 1 Augustus 1914 kwam ik te Leeuwarden aan, rechtstreeks uit Zwitserland. In Duitschland had ik de vorige middag reeds de mobilisatie in volle gang gezien (officieel heet zy 1 Augustus te 5 uur te zyn bevolen), een paar uren geslapen in Keulen, en voorspoedig gereisd, alleen en zonder bagage, over Utrecht naar hier.

De eerste ontmoetingen die ik had, waren met zeer somber gestemde menschen: de mobilisatie een janboel: alle zaken stonden stil, faillissementen op groote schaal stonden voor de deur.

Voor de Beurs zag ik soldaten in het gras liggen, een gemeenteschool droeg de sporen van het militair nachtverblyf. De stad maakte overigens een doodsche indruk.

De ongunstige eerste indruk werd in de loop van de dag niet bevestigd. Ik bezocht achtereenvolgens den Commissaris der Koningin, een vergadering van Burgemeester en Wethouders, eene van het Roode Kruis, den Commissaris van politie, den garnizoens-commandant, en vernam overal: dat de mobilisatie best ging, en dat de stemming ernstig, gedrukt, maar kalm en bezonnen was.

Een aantal myner kennissen was nog afwezig. Zy kwamen de eerstvolgende dagen op minder of meer avontuurlyke wyze overal vandaan. Onder hen waren enkele hoogst zenuwachtig, maar dit was uitzondering. Iedereen was in spanning, men was bezorgd, raadpleegde elkaar over te nemen maatregelen, maar van iets dat naar panique geleek, zoals volgens de berichten te Amsterdam, was hier geen sprake.

Een van de eerst merkbare verschynselen was een algemeene zuinigheid. Een zeer vermogend ingezetene schafte de koekjes by de thee af. Van feestelykheden kwam natuurlyk de eerste tyd in ’t geheel niet in. Men bezuinigde op alle weelde-uitgaven, in ’t byzonder, en mede op myn verzoek, op licht.

De middenstand, de winkeliers in ’t byzonder, ondervond dit aanstonds geweldig. Om hun te helpen plaatsten een aantal ingezetenen met my een advertentie, waarby wy aanboden aanstonds onze rekeningen over het loopende jaar te betalen.

Zooals in de kring myner kennissen, was de stemming by de burgery in het algemeen. Enkele gevallen van overspanning vernam ik, die misschien met de oorlog in verband stonden. Ook ontsnapten we natuurlyk niet aan de waanzin der bankpapierInwisseling, die enkele dagen geduurd heeft. Overigens zyn slechts enkele, op zich zelf staande feiten voorgevallen, die als uitvloeisels van de buitengewone toestand zyn te beschouwen, n.l. een troepje landloopers, die afdreiging gepleegd hebben aan de Spanjaardslaan en aanstonds ingerekend werden, en een twee- of drietal ongetekende brieven, die ik ontving, waarin met plundering gedreigd werd: in een dezer brieven werden bepaaldelyk een paar ingezetenen aangeduid, van wie bekend was dat zy voorraden hadden ingeslagen.

Naast de zuinigheid, was een kenmerkend verschynsel in de eerste tyd, en ook daarna, de groote bereidwilligheid der menschen om iets voor de openbare zaak te doen. De aanbiedingen om op onverschillig welke wyze van dienst te zyn, stroomden my toe, en ik heb er een ruim gebruik van gemaakt. Ook van dames. Er waren er die zich achtergesteld voelden, omdat zy niet by een of ander comité waren.

In die eerste dagen van Augustus dacht men ernstig aan de mogelykheid van een vyandelyke inval. Gevochten zou hier niet worden, daarvoor ontbraken dezerzyds de soldaten, maar zouden de Duitschers, wanneer Nederland in de oorlog kwam, niet even het een en ander komen weghalen? Met het oog op dit gevaar werden eenige waarden van de gemeente, die niet aanstonds noodig waren, borgstellingen e.d., overgebracht naar Amsterdam. Ik trachtte ook uit een groot werk over de Fransch-Duitsche oorlog eenig richtenoer voor myn eigen houding in zoo’n geval te vinden. De Commissaris, met wien ik dit besprak, richtte hierover een telegram aan den Minister. Het antwoord leerde niet veel nieuws. Duidelyk was dat men zich aan de overmacht had te onderwerpen en meer voor de burgery kon doen door medewerking, mits met behoud van waardigheid, dan door verzet.

De eerste weken van Augustus waren een tyd van groote spanning. Het stroomde voortdurend telegrammen. Het telegraafkantoor was dag en nacht open. Een nacht werd ik vyf maal opgebeld. Verreweg de meeste kwamen van den Minister van Landbouw. Ik seinde zelf over alle mogelyke zaken, deelde iedere afwyking antwoord. Als hoofdstad en voor vele zaken, deelde iedere afwyking op economisch gebied mede, en kreeg op vragen altyd aanstonds antwoord. Als hoofdstad en voor vele zaken stapelplaats van het gewest, hadden verschillende vragen voor Leeuwarden meer belang dan voor andere steden van gelyke omvang. De gansche dag door waren er besprekingen en vergaderingen, ofschoon het gewone werk vrywel stilstond. Men had geen gedachte voor iets anders dan voor wat met de oorlog in verband stond. Juist daarom was het aangenaam veel te kunnen en te moeten doen.

Ondanks de kalmte der burgery in het algemeen, ontbraken natuurlyk niet nu en dan verontrustende geruchten. Dan waren vlieg-machines gezien, dan Zeppelins gehoord. Trouwens, zyn deze geruchten alle zonder grond geweest? Het wildste van dien aard is een verhaal geweest, dat my ’s ochtends om 6 uur door den Commissaris van politie werd overgebracht. Langs de spoorlyn was getelegrafeerd, dat de Duitschers by Winschoten over de grens waren gekomen, die plaats in brand gestoken en de burgemeester doodgeschoten hadden, en langs eenige met name aangeduide dorpen op Leeuwarden aanrukten. De Commissaris der Koningin ontving op verschillende door hem verzonden telegrammen geen bevestiging, zoodat wy niet lang in ongerustheid verkeerden. Een brand, die in die tyd te Winschoten heeft gewoed, is blykbaar de oorzaak van het gerucht geweest.

Een ander maal ontving ik een zoo stellige aankondiging dat Nederland in de oorlog stond te worden betrokken, dat ik hieraan niet twyfelde. Een proclamatie om de burgery tot kalmte te manen lag gereed en maatregelen om zoo noodig winkels van levensmiddelen te beschermen waren voorbereid.

Dit waren geruchten die alleen den Commissaris of my bereikten. Maar een der plaatselyke bladen was niet al te kieskeurig in hetgeen het in zyn kolommen of voor de ramen van het redactiebureau openbaar maakte. Ik heb nooit kunnen bemerken dat het publiek onder de indruk hiervan geraakte. Wel schynt dit het geval geweest te zyn met de troepen aan de grens die de krant opgezonden kregen. Als poging om onrust te voorkomen, liet ik bekend maken dat zoodra ik iets vernam dat voor Leeuwarden van belang kon zyn, ik dit zou laten aanplakken, en ik nam maatregelen om dit ten uitvoer te kunnen brengen.

Toen bleek dat Nederland althans niet aanstonds in de oorlog zou worden betrokken, kwam er natuurlyk ontspanning. Eerst was er maar een gedachte: op alles voorbereid zyn, wat hiervoor noodig, op stal gezet. Daarna volgde een lang tydperk van allerlei voorzorgen van economische aard, die rustiger konden worden bekeken. Ook in dit tweede tydperk werd over menig wettelyk bezwaar heengestapt, en veel gedaan waar in andere tyden niet over gedacht zou zyn, maar men gunde zich toch weer de tyd zich van een en ander rekenschap te geven. Een enkele maal dook weer eens een beangstigend gerucht op, meestal van den Haag uit, maar met steeds grooter tusschenpoozen.

Een korte samenvatting van de gedragslyn die Burgemeester en Wethouders zich hadden gesteld ten opzichte van verschillende vragen van gemeentelyk beheer, is vervat in de mededeelingen, door my gedaan bij de opening van de raadszitting van 11 Augustus 1914. Daarin is ook aangeroerd het geldvraagstuk. Dit heeft ons de minste zorgen gebaard. Wy hebben altyd voldoende kasgeld gehad. De buitengewone uitgaven werden bestreden uit een belangryk batig saldo dat toevallig het jaar 1912 had opgeleverd en dat anders voor verschillende minder noodzakelyke uitgaven zou zyn gebruikt, die nu achterwege bleven. In het algemeen zyn gedurende de oorlog alle niet aanstonds noodzakelyke uitgaven vermeden. Verhoogingen van bezoldiging hadden alleen plaats, voorzoover de verordeningen die voorschreven. Nieuwe subsidies werden niet gegeven. In de gemeentelyke geldmiddelen heeft - tot dusver - de oorlogstoestand geen verwarring gesticht. Of wy niet wat lang hebben uitgesteld, de tydelyk opgenomen gelden in een leening om te zetten, zal de toekomst leeren.


Levensmiddelen
Zoodra de Levensmiddelenwet was aangenomen wendde ik my tot een vyftal ingezetenen, met het verzoek my te raden by de uitvoering dezer wet. Deze vyf heeren waren: 1. Mr. R.A. Fookema, de president van het Hof, die als voorzitter optrad: hy moest spoedig wegens ziekte worden vervangen: in zyn plaats werd benoemd de heer D. Harmens, oud-boterhandelaar. 2. P. Attema Dzn., voorzitter van de kamer van koophandel, goudsmid. 3. R. Buisman, boterhandelaar, 4. K.P.W. Besuyen, gedeputeerde, oud-bestuurder van de s.-d. arbeiders-Cooperatie Excelsior (waarby ongeveer 800 gezinnen aangesloten zyn). 5. Mr. J.A. Stoop, hij is advocaat, die als secretaris optrad.

In onze eerste byeenkomst, ten stadhuize, bespraken wy de algemeene toestand. Gesteld Nederland kwam in oorlog, dan zouden we hier hebben: - aardappelen, die in het noorden ver boven de eigen behoefte aanwezig zyn, terwyl de oogst zich goed liet aanzien; - vleesch; door de grote hooivoorraad hadden de boeren hun grootvee weinig verkocht; ook de varkens waren overvloedig; - melk, eieren, boter. Het gevaarlykste was de brood-voorziening, omdat tarwe hier niet in voldoende hoeveelheid wordt verbouwd. Water en brandstof vereischten een byzonder onderzoek. Wat de toepassing der wet betreft, deze moest krachtig zyn, zou het doel om prys-opdryving en opstapeling van voorraden te voorkomen, worden bereikt. Van de andere kant moest worden vermeden dat spoedige in-bezit-neming en drukken van de prys invoer in de gemeente zou tegenhouden. Dit laatste is in de volgende maanden telkens een bezwaar tegen toepassing van de wet gebleken.

Met betrekking tot het voorraden maken door particulieren, wees mr. Fockema er op dat dit al naar gelang van omstandigheden goed of slecht kon zyn. Waren de gebeurtenissen elkander niet zoo snel opgevolgd, dan was het mogelyk geweest door aankoop tegen contante betaling de leverancier in de gelegenheid te stellen meer in te slaan, waardoor de voorraad in de gemeente toenam. Afkeurenswaardig was natuurlyk het opslaan van voorraden om zelf goed voorzien te zyn, zoodoende de pryzen op te jagen en de druk voor de armen te verzwaren. Maar men kon ook nog zyn voorraad ter beschikking van anderen stellen, van het steun-comite b.v.. Het smalen op hen, die voorraden hadden gemaakt, zoals zelfs by een bidstond van de preekstoel gedaan werd, was in die algemeenheid, onbillyk.

Besloten werd dat ik in de bladen zou uitnoodigen klachten over prysopdryving of ophouden van waren aan my te richten. Die klachten zou ik zenden aan mr. Stoop, die met hulp van de politie, dan keurmeester de Vries, of zooals hem het beste leek, een voorlopig onderzoek zou instellen, waarna de commissie my haar gevoelen zou meedelen.

De manier van werken der commissie bevalt uitstekend. Natuurlyk moeten dikwyls deskundigen buiten de commissie geraadpleegd worden, hetzy door de commissie hetzy door my. Het aantal klachten is niet groot geweest, in de eerste 5 maanden naar schatting een 40. De meeste betroffen klachten over bloem-pryzen boven het ministerieele maximum en waren afkomstig van buiten de gemeente.

De kruideniers liet ik verzoeken pryslysten van hun waren aan de ramen te plakken. Sommige hadden hiertegen groot bezwaar. Toch is het vry algemeen gedaan.

In de eerste 5 maanden moest ik 5 maal krachtens de wet in bezit nemen. De eerste maal een trommel met zeep. De verkooper, een kleine handelaar, tevens gardenier, was zich niet bewust boven de prys te verkoopen. Om een voorbeeld te stellen liet ik de zaak doorgaan en, zonder aanduiding van naam, in de krant zetten. De schatters - deze werden krachtens my verleende algemeene machtiging door my benoemd - kenden hem een schadevergoeding toe, even groot als wat de gemeente by verkoop kon rekenen. Geldelyk nadeel leed de man dus niet. De zeep zond ik naar het ziekenhuis.

De wet was natuurlyk vooral een krachtig dreigement. De macht van de burgemeester, althans in myn geval, omdat ik aanstonds van de Minister een algemeene machtiging met toepassing der wet kreeg, is zoo onbeperkt mogelyk. Hy neemt in bezit, zonder iemand verantwoording schuldig te zyn, wanneer het hem goeddunkt. De pryzen die de Minister telkens heeft vastgesteld, hebben alleen deze betekenis, dat de burgemeester niet boven die pryzen de in bezit genomen waren mag verkoopen. Hieromtrent bestond en bestaat veel misverstand. Byna iedereen denkt dat de ministerieele maxima de maximumpryzen voor de handel zyn en wanneer de burgemeester in sommige gemeenten (ik deed het voor brood en later voor tal van artikelen) een andere maximumprys bepaalden, dacht het publiek dat de burgemeester noodgedwongen zyn boekje te buiten ging.

Alleen wanneer de Minister de burgemeesters aanschreef (zooals voor enkele artikelen is geschied, voornamelyk tarweboem): ge moet krachtens artikel 76c in bezit nemen, waarmee boven die-en-die-prys wordt verkocht, - was de burgemeester niet meer vry een andere prys te bepalen.

Aan Landbouw haspelde men de artikelen 76a en c ook wel eens door elkaar. Dit bleek bij de tarwe en rogge.

Ondanks het betrekkelyk gering getal klachten, heeft de wet ontzaggelyk veel drukte gegeven. Herhaaldeyk moesten lange besprekingen worden gevoerd over de wenschelykheid gebruik te maken van de uitgebreide bevoegdheden die de wet schenkt.


Tarwe
Ons wittebrood wordt gewoonlyk gebakken van amerikaansch meel. Dit wordt ten dele hier gemalen en heet dan inlandsch meel. In Leeuwarden wordt geen tarwebloem gemalen. De groote fabrieken, Friso en Fortuna, malen rogge, veevoeder, maar geen tarwebloem.

Daar de prys van de tarwebloem in de eerste dagen van de oorlog f. 11.50 tot f 12.- opliep tot boven de f. 17.-, greep de Minister aanstonds in door zyn beroemd telegram van 7 Augustus, dat my in de nacht van 7 op 8 Augustus bereikte, waarby een maximum-prys van f. 14.- voor de tarwebloem benevens eenige andere voorwaarden werden vastgesteld, met opdracht by niet-voldoening daaraan krachtene artikel 76c in bezit te nemen.

Die prys gold voor bloem No, O of amerikaansche straight, "andere soorten naar evenredigheid". De deskundige die my voorlichtte aangaande die andere soorten, vergiste die my voorlichtte aangaande die andere soorten, vergiste zich met het meel van de Belgische fabriek Remy, waaraan ik een paar brutale brieven en zelfs de bedreiging met een proces van deze fabrikant te danken heb gehad.

De prys gold: "af fabriek of magazyn". Hoeveel moest hierby voor vracht, risico, winst van de tuschenhandel ? De belangrijkhebbenden gaven geheel verschillende cyfers op f. 14.35, ongerekend de vracht, wat in sommige andere gemeenten hooger is geweest.

Afgeleverd mochten alleen worden: "hoeveelheden voor gewoon verbruik. "Wat was het gewoon verbruik der 30 bakkers in Leeuwarden ? De heer Besuyen ging in een automobiel by alle bakkers rond en zoo wisten wy dit spoedig.

Tegelykertyd werd de voorraad tarwebloem nagegaan en die bleek slechts eens voldoende voor een zestal weken. Was er geen gevaar dat die voorraad, by de verlaagde prys, zou worden weggekocht door gemeenten die voorraden zouden willen maken ? Op grond van de zin: "alleen hoeveelheden voor gewoon verbruik afleveren", achtte ik my gerechtigd een uitvoerverbod van tarwebloem aan de meelhandelaars op te leggen (het zyn er in Leeuwarden maar slechts drie). Tegelykertyd vroeg ik aan de Minister of dit de bedoeling was. Het antwoord luidde: "niet toelaatbaar, tenzy by U nypend gebrek, in welk geval my seinen". Ik trok daarop het verbod in. Het zou ook een minder gewenschte verhouding tusschen Leeuwarden en de provincie hebben gegeven.

Bakkers kwam by my klagen dat ze f. 14.- moesten betalen voor meel dat ze reeds voor de oorlog voor veel lagere prys hadden gekocht. Had de ministrieele prys-bepaling aangegane overeenkomsten opgeheven ? Dit beweerden verschillende meelfabrikanten, o.a., Dusseldorp. Ik was het hiermee niet eens, maar wel is me later gebleken dat in de bespreking die de Minister met fabrikanten en meelhandelaren heeft gehad, voedsel aan deze meening te geven. Ik verwees klagers naar de rechter. De Haarlemsche Rechtbank heeft de opheffing der overeenkomsten ontkend.

Omgekeerd klaagden bakkers in de provincie dat Leeuwarder handelaars nog meel afleverden krachtens overeenkomsten, gesloten in de laatste dagen voor de prys-zetting, tegen f. 16.- en f. 17.-. Ofschoon hier m.i. in rechte niets tegen in te brengen viel, hebben de meelhandelaren in alle my bekende gevallen de prys terug gebracht tot f. 14.-.

Een meel-voorraad voor 6 tot 7 weken kwam ons, gegeven de mogelykheid van afsnyding, onvoldoende voor. Op aanraden van de commissie trachtte ik 600000 K.G. bloem te koopen (het weekverbruik is 53000 K.G.). Dat zou dus, met de kosten, geweest zyn voor een bedrag van zoowat f. 85000.-: de commissie had zelfs 1200000 K.G. voorgesteld. Ik telegrafeerde het land rond, maar kon niets krygen. De fabrieken konden of mochten (uitvoerverboden) niet meer leveren. Een beroep op de Minister om hulp, baatte niet. De Minister verklaarde zich tegen voorraden maken van de gemeente. Deze meening had de Minister reeds verscheiden malen in telegrammen uitgesproken, reden waarom het my in hooge mate verbaasde, in November een circulaire van dezelfde Minister, als voorzitter van het Koninklyk Nationaal steun-comite, te ontvangen, waarin de gemeenten gewezen werden op de onvoorzichtigheid, geen voorraden te maken!

Ten slotte hebben wy 150000 K.G. meel gekocht, die uitstekende diensten hebben gedaan om eenige bakkeryen aan de gang te houden gedurende de weken van bloem-schaarste, en die we later met fl. 3.- winst en meer per baaltje konden verkoopen. In December hebben wy weer 100000 K.G. gekocht, maar thans tegen f. 17.-.

By de verkoop van de gemeentelyke tarwebloem krygt iedere bakker ½ van zyn weekverbruik voor de oorlog (dat ons bekend is). Tegen St. Nikolaas, toen de schaarste wat voorby was, hebben wy alleen aan banketbakkers verkocht, wier bloem-verbruik zeer gering is.

Alvorens tot het aankoopen van tarwebloem over te gaan, was rypelyk overwogen of we ook inlandsche tarwe moesten koopen, waaruit ook wel brood is te maken, zy ’t veel minder goed. Om verschillende redenen werd besloten hiermee te wachten. 26 Augustus begon de prys op te loopen en ontried de heer Koopmans de aankoop. 5 September bepaalt de Minister een maximum-prijs van f. 12.- de 100 K.G. Zeeuwsche tarwe, maar laat de burgemeesters vry al dan niet in bezit te nemen, past dus niet artikel 76c toe. De burgemeesters wagen zich niet aan in-bezitneming, in de eerste plaats omdat zy vreezen door in-bezit-neming de aanvoer van tarwe naar hun gemeente stop te zetten (myn afdoend bezwaar), in de tweede plaats om het verlies dat mogelyk de gemeente zou lyden; men wist toch niet wat de schatters, die daaromtrent geheel vry zyn, zouden beslissen aangaande de schadevergoeding, terwyl volgens de wet de gemeente nooit meer dan f 12.00 kon vragen.

Het gevolg was dat de tarweprys opliep. De Minister dreigde nu en dan: pas op, of ik neem andere maatregelen. Ik plakte deze dreigementen Vrydags aan op de beurs, in een aantal afschriften, na overleg met myn ambtgenoot te Groningen. Sommige handelaren drongen by my er op aan in bezit te nemen, "daar toch immers de Minister de maximum-prys op f.12.00 had bepaald". Doordat de regeering voor eigen rekening tarwe begon te koopen, liep de prys nog meer op.

Tegelykertyd werden de boeren met in-bezit-neming van tarwe en rogge bedreigd wanneer ze van hun voorraad aan het vee voerden. Het was moeielyk hierop toe te zien, en de verleiding voor de boeren, by de toen reeds hooge pryzen van het veevoeder, natuurlyk groot.

Deze onzuivere toestand, waarby de handel niet wist waaraan zich te houden, het publiek in de stellige meening verkeerde dat de door de Minister vastgestelde maximum-pryzen in stryd met de wet werden overschreden, wat de burgemeesters onaangenaamheden bezorgde, heeft zich nog sterker voorgedaan by de rogge. Ik vermoedde dat de Minister hierop wel gewezen was, maar seinde toch 14 September om een algemeene maatregel, als by de tarwebloem zoo goed gewerkt had, ook voor de rogge en de tarwe in overweging te geven. 19 September antwoordde de Minister een algemeene maatregel voorloopig onnoodig te achten.

Later is de Minister toch tot een algemeene maatregel overgegaan, bestaande in het in bezit nemen krachtens artikel 76c, eerst in Groningen, vervolgens in de rest van het land. De tarwe die uit Amerika ons land werd ingevoerd, bereikte de fabrieken in hoofdzaak alleen door tusschenkomst vam de regeering. Aan de ter vermaling gegeven regeeringstarwe werd de voorwaarde verbonden dat de helft tot bloem (of gebuild meel) mocht worden vermalen, de helft ongebuild moest worden afgeleverd. In het ongebuilde meel blyven de zemelen, waardoor uit een gelyke hoeveelheid tarwe een iets grootere hoeveelheid meel wordt verkregen.

Met hetzelfde doel had ik de burgery uitgenoodigd alleen brood te eten met 50 % bloem. In hoeverre dit uitwerking heeft gehad, weet ik niet. De bakkers trachtten de gelegenheid te benutten om van het voor hen onvoordeelige klein-goed af te komen. In Friesland eet het mindere volk kleine broodjes, waarvan er 8 voor een dubbeltje gekocht worden. In Leeuwarden is dit getal later op 6 gebracht, en nu wilden de bakkers het op 4 brengen. Ik ondersteunde deze poging mits ze niet leidde tot ontslag van arbeiders, omdat ze bloem zou besparen en groot wittebrood tegen lagen prys beschikbaar bleef. Maar een cooperatieve bakkery wilde niet, omdat dan voor de meer gegoeden iets te koop was wat de kleine beurzen niet konden betalen. Deze overweging maakt het in Friesland volslagen onmogelyk om, in navolging van andere gemeenten, een minimum-prys vast te stellen.

2 Oktober bepaalde ik dat, tenzy voor zieken, in de gemeente na 5 Oktober geen brood mocht worden afgeleverd dan van bovenvermelde samenstelling. Daardoor bleef toegelaten het bakken van der brood, dat buiten de gemeente werd verkocht, omdat vanuit Leeuwarden veel in de provincie wordt geleverd. Echter kreeg ik van myn ambtgenoot in Leeuwarderdeel gedaan, dat hy hetzelfde verbod uitvaardigde.

Dit verbod, hoe eenvoudig het lykt, gaf weer groote moeielykheden. In de eerste plaats ten opzichte van de prys. De door de Minister vastgestelde maximum-prys voor bruin brood van f. 0.21 het K.G. was veel te hoog. Achtereenvolgens kreeg ik nu de bakkersorganisatie, die onderling verdeeld was tusschen f. 0.19 en f. 0.20; Excelsior, een cooperatieve bakkery die lager prys wilde; de bakkersknecht-organisatie die bevreesd was voor ontslag van personeel. Het socialistische Excelsior was in een moeielyk parket; als verbruiks-cooperatie wilkde zy lage prys, maar ze begreep dat dan meer personeel zou worden ontslagen, waarmee de bakkers trouwens dreigden. De uitslag van veel besprekingen was: 1. Prys; f. 0.18; 2. de bakkers-organisatie beloofde geen personeel wegens slapte te zullen ontslaan dan na my hiervan te hebben kennis gegeven, en dit werd de bakkers-knechts-organisatie medegedeeld. Het ontslag is niet gevolgd.

Een andere moeielijkhyd was het toezicht op de naleving. Met het oog hierop was al geen andere samenstelling aangegeven (vermenging met aardappel- of rystemeel),nadat ik het Wageningsche bureau had geraadpleegd. Maar om vast te stellen dat niet meer dan 50 % bloem werd gebruikt, bleek nog moeielyk genoeg. Het eerste verdachte broodje werd een geheele dag door de gemeentelyke keuringsdienst scheikundig onderzocht: men durfde niet te beslissen, maar zou ’s nachts doorgaan. Volgende ochtend wist men het nog niet, en toen die dag om 4 uur nog geen uitsluitsel was te verkrygen, waagde ik het er op een andere manier toe te passen.

Ik verzocht drie bakkers, w.o.de meesterknecht van Excelsior, samen te komen met de beide scheikundigen van de keuringsdienst. Daar werd van de als monster genomen brooden aan ieder een boterham gegeven (ze zagen de brooden zelf niet, om herkenning te voorkomen). Ieder moest zyn bevindingen opschryven. Wanneer aldus werd uitgemaakt dat er een te-veel aan bloem was, nam ik dit als vaststaande aan. Al dadelyk keurden ze op die manier het brood van 3 bakkers af. Ik liet, niet zonder eenige huiverigheid of ze zich misschien vergisten.’s Ochtends vroeg de politie alle voorraad brood by die 3 in beslag nemen.Het was een groot schandaal. Het brood werd tegen lage pryzen voor het politie-bureau verkocht en bracht f. 80.- minder op dan de schadevergoeding, die den bakkers werd toegekend.

Een van de drie erkende het feit en vroeg verontschuldiging. Een hield zich stil: zyn brood was het minst twyfelachtig.Maar de derde bezwoer zyn onschuld en liet my geen rust. Een nader onderzoek wees uit dat de man gebruikte gelyke hoeveelheden bloem en ongebuild, terwyl hy moest nemen gelyk gewicht.

Deze maatregel heeft afschrikkend gewerkt. Nog eenmaal heb ik hem moeten toepassen, en wel by een zeer orthodocksen bakker, bestuurslid der bakkers-organisatie, die vroeger met my de maatregelen tegen ontduiking had besproken.

De reden van de ontduiking was altyd, te pogen door het bakken van lekkerder brood elkander klanten af te nemen. Het publiek heeft tegen het oorlogsbrood niet gemopperd.

Toen later het malen van enkel bloem weer is toegelaten, heb ik - tot mijn spyt - het wittebrood weer moeten toelaten. Wederom groote moeielykheden met de prys. Ditmaal stonden Excelsior en de andere bakkers verder van mekaar dan de vorige maal. Door besprekingen en dank zy zekere toegevendheid van weerszyden zyn we het ten slotte eens geworden, maar de broodpryzen zyn hier hoog.

Thans wordt ook een gewicht van het brood voorgeschreven. In Friesland is gebruikelyk een vaste prys voor groot brood van f. 0.10. Al naar gelang van de duurte der grondstoffen wisselt het gewicht. Daarom moet nu en dan ook het gewicht worden gewogen. Het publiek doet dit niet. De eerste maal dat ik-zelf myn ontbijt-brood nawoog, bleek het op vier-maal de maximum-prys te komen. Dit bleek een voorrecht van de burgemeester te zyn, want by monsters, van alle bakkers genomen, was het gewicht over ’t algemeen goed. Maar het is moeielyk vast te stellen. Men weet n.l. niet of met water- of melkbrood weegt. Het onderscheid tusschen deze beide is alleen scheikundig vast te stellen, en dat kan niet ieder oogenblik gebeuren. Heeft men een vast gewicht, zooals thans door my is voorgesteld by strafverordening te bepalen, dan kan de politie gemakkelyk het gewicht en het publiek de prys nagaan. Het publiek merkt ook wel of het melk- dan wel waterbrood krygt, n.l. als het brood oud wordt.


Rogge
Het rogge-vraagstuk is voor Leeuwarden veel minder gewichtig dan het tarwe-vraagstuk, omdat roggebrood hier byna alleen op de boterham wordt gegeten. Toch is het weekverbruik byna 7000 K.G., dus meer dan 1/8 van het gewone brood.

By de rogge deden zich dezelfde moeielykheden voor als by de inlandsche tarwe, alleen nog wat ernstiger, ook tengevolge van de intrekking en kort daarop hernieuwing van een uitvoerverbod. Het wekelyksche bericht dat ik van een bezoeker der Groningsche beurs ontving, gewaagde van spannende tooneelen die zich daar afspeelden.

In de eerste dagen van Oktober moet er aan Landbouw, of aan het graan-bureau dat deze zaken behandelde, verwarring hebben geheerscht.

Zoo werd 30 September by gedrukte circulaire gelaat artikel 76c toe te passen by verkoop van roggemeel boven f. 13.- (ongebuild, zoogenaamd gebroken rogge). Dit was een zeer ingrypende maatregel. Ik moest voor duizenden guldens in beslag nemen, want de prys van f. 13.- was ver beneden de markt, en de beide groote fabrieken verklaarden: wy zetten de zaak stop. Ik sein deze bezwaren. Het antwoord was dat ik ontving geeft geen uitsluitsel op myn vraag. Ik sein opnieuw en ontvang nu ten antwoord dat ik roggemeel krachtens artikel 76c KAN (dus niet moet) in beslag nemen. In een paar dagen tusschentyd dus twee geheel verschillende beslissingen over een maatregel, die ver strekkende gevolgen zou hebben gehad. Natuurlyk heb ik toen niet in beslag genomen, overeenkomstig het eenparig gevoelen der comissie.

Een ander voorbeeld. 15 Oktober vroeg ik de burgemeester van Groningen of hy rogge te koop had, omdat er in Leeuwarden gebrek daaraan begon te komen. Myn ambtgenoot antwoordde: ik heb wel, maar het volgens order van den Minister niet verkoopen. De volgende dag seint my de Minister dat er geklaagd is over gebrek aan rogge in Leeuwarden, welke maatregelen ik daartegen neem, en aan slot: "misschien kan burgemeester Groningen U helpen". Ik telefoneer opnieuw aan den burgemeester van Groningen, die my zyn antwoord van de vorige dag herhaalt. Toen sein ik (16 Oktober): "Maatregelen om aan behoefte aan rogge tegemoet te komen worden door my niet genomen. Burgemeester van Groningen acht zich niet gemachtigd van zyn voorraad af te staan".

Daarop kryg ik in een uitvoerig telegram opdracht alle inlandsche rogge krachtens artikel 76c in bezit te nemen. Inlandsche rogge nu was er toen in Leeuwarden voor een bedrag van rond f. 40.-. Ik seinde dat het vermoedelyk niet de bedoeling was dat ik me van deze voorraad het bezit zou verzekeren. Daarop is me eerst gevraagd hoeveel buitenlandsche rogge er was, vervolgens hoe die over fabrikanten en bakkers verdeeld was, en verder heb ik er niets van gehoord.

Dergelyke tegenstrydigheden in opdrachten die in die dagen van het departement kwamen, ondervonden ook andere burgemeesters. Zoo las de burgemeester van Smallingerland op een byeenkomst van de Friesche burgemeesters op 23 Oktober een telegram van den Minister voor, inhoudende dat krachtens de Circulaire van 20 Oktober ook buitenlandsche rogge door de gemeente had Dienovereenkomstig gehandeld. Daar iedereen uit de circulaire gelezen had dat deze alleen inlandsch betrof, vroeg de burgemeester van Dokkum den Minister om opheldering en ontving ten antwoord dat de circulaire "uitsluitend inlandsche rogge" betrof.

Dergelyk meeningsverschil bestond over de vraag of de rogge alleen by de landbouwers of ook by de handelaars moest worden opgekocht.

Meergenoemde circulaire van 20 Oktober, die de burgemeesters opdroeg alle (inlandsche) rogge op te koopen, of by weigering te onteigenen, had het ontstaan van het Friesche Graancomite ten gevolge, waarin de Commissaris der Koningin de burgemeesters van Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Smallingerland en Wonseradeel benoemde. Deze commissie heeft eenheid gebracht in de voorschriften omtrent het brood in de verschillende gemeenten, en voornamelyk veel rogge gekocht in andere provincien, die dan vanuit Leeuwarden over de verschilende gemeenten wordt verdeeld. Er wordt rogge gekocht in Groningen, Drenthe en Zeeland. De commissie zendt de graanfactor de Haan telkens uit om de rogge te keuren en het vervoer te regelen. Verder wordt de commissie voorgelicht door den meelfabrikant Koopmans. Als kassier treedt op de bank van de erven B.L.C. de Haan, die aan de commissie geld voorschiet tegen 1 % boven promessen-rente. De werkzaamheden der commissie zyn uitvoerig door den secretaris beschreven in de Oorlogs-documenten.


Water
In de eerste dagen van Augustus had de waterleiding brandstof tot 19 Oktober - hierin was te voorzien - maar sluin slechts tot 5 September. Dit was zeer bedenkelijk, omdat de deskundigen verdeeld waren over de vraag of de sluin alleen strekte om het water de gewenschte kleur te geven, dan wel noodig was om schadelyke bestanddelen weg te nemen. Pogingen werden aanstonds aangewend om elders sluin te koopen, maar dit gelukte aanvankelyk evenmin als de proeven om met zwavelzuur behandelde Friesche klei in plaats van sluin te gebruiken.

Een verzoek om spaarzaam te zyn met water werd tot de ingezetenen gericht, maar het groote waterverbruik, veroorzaakt door het overdreven, geheel onnoodige geschrob op Zaterdag, hoe dat te voorkomen ? De Gemeentewet gaf hiervoor eigenlyk geen middel aan de hand, maar toch waagde ik het er op de oorlogstoestand als "een stoornis der openbare orde" te beschouwen en een verordening uit te vaardigen krachtens artikel 187, nadat ik er my van vergewist had dat de Commissaris de uitvoering niet zou schorsen.

Deze verordening is door de Raad bekrachtigd, en door my alleen later weer is ingetrokken.

Het schrobverbod gaf de eerste Zaterdag de beste een besparing van 750 m3, bij het gemiddelde der 4 voorafgaande Zaterdagen. Een poging mynerzyds om het blyvend te maken, om waterverspilling tegen te gaan, stuitte op verzet by de wethouders, die verzekerden dat deze maatregel in Leeuwarden kwaad bloed zou zetten. Als noodmaatregel had niemand er bezwaar tegen.

Eenige weken na het uitbreken van de oorlog slaagde de waterleiding er in een grote hoeveelheid sluin in Duitschland los te krygen in dienaangaande geen ongerustheid geweest.


Brandstof
Op myn verzoek stelde de directeur der gasfabriek aanstonds, in overleg met enkele groothandelaren, een onderzoek in naar de voorraden en wekelyksch behoefte. De uitslag was aanvankelyk niet bemoedigend.

Turf was er in zeer voldoende hoeveelheid, maar de handel en de fabrieken bleken, met uitzondering van de gasfabriek zelve, slecht in hun voorraden kolen en cokes te zitten. De groote bedryven verbruiken een 185-ton in de week, dat is 4440 ton in 6 maanden. De voorraad was 5000 ton, waarvan de gasfabriek 3000 ton had en de particuliere bedryven tezamen maar 1400 ton, terwyl de handel een 600 ton bezat. Bleef dus voor kleinere bedryven, particulieren, enz. voor een tydvak van 6 maanden 560 ton, wat beslist te weinig was.

Een verzoek om zuinig te zyn met verlichting miste haar uitwerking niet. Om het goede voorbeeld te geven - invloed van beteekenis op het verbruik heeft dit niet - beperkte de gemeente de openbare verlichting. De winkels sloten vroeg. De gangen der groote huizen werden niet verlicht.

De vervroegde winkelsluiting baarde een onvoorziene moeielykheid. Sommige winkels die electrisch licht brandden, hadden in hun overeenkomst met het electrisch bedrijf een minimum-verbruik gewaarborgd. Door aan myn uitnoodiging te voldoen zouden ze moeten betalen voor licht, dat ze niet eens verbrandden. De juistheid van deze tegenwerping erkennende, namen Burgemeester en Wethouders in de overeenkomsten een bepaling op, waarby in buitengewone omstandigheden een evenredige vermindering van gewaarborgd verbruik werd voorzien.

De toestand vereischte krasser maatregel dan een verzoek om zuinig te zyn. Op voorstel van de directeur der gasfabriek, en zyn mede-raadgevers, maakte ik een rondschryven aan alle brandstoffen-handelaars gereed, waarby, op straffe van in-bezit-neming krachtens de Onteigeningewet, verboden werd meer dan zekere hoeveelheid te leveren, en te leveren aan afnemers die reeds van een andere handelaar hadden betrokken. Dit rondschryven, op welke uitvoering de gasfabriek zou hebben toegezien, is niet behoeven uit te gaan. De schrik was de particuliere bedryven en handelaars zoo om het hart geslagen, dat zy aanstonds van de gelegenheden, die zich spoedig weer aanboden, gebruik maakten om zich goed van voorraad te voorzien. Binnen enkele weken was er brandstof in overvloed en sedert heeft de aanvoer geregeld eens plaats gehad.


Andere waren

Boter
Met dit voor Friesland zoo belangryk artikel is veel voorgevallen. De eerste week, toen de uitvoer plotseling een oogenblik stop gezet werd, verkocht men te Leeuwarden boter, die anders pl.m. f. 1.35 het K.G. deed, voor f. 1.-. Men beweert dat een Rotterdamsch handelaar toen zoowat alles heeft opgekocht en met groote winst in Engeland verkocht. Dat in de eerste weken met boter groote winsten zyn gemaakt, staat vast.

Dra herstelde zich de markt en liep zelfs hoog, o.a. tengevolge van opkoopen voor Hongarye. De Minister had een maximum-prys van f. 1.50 bepaald, waarvan ik my by de scherpe tegenstellingen van belangen by dit groote artikel, krampachtig vasthield. Dit was evenwel niet zoo gemakkelyk. De Minister had een detail-prys bepaald, en deze detail-prys is gewoonlyk f. 0.20 hooger dan de zogenaamde "Leeuwarder noteering". Nu was de noteering al tot f. 1.35 gestegen, zoodat de maximum-prys in gewone omstandigheden met 5 cent zou zyn overschreden. Ik schreef hierover aan den Minister, die echter zyn prys handhaafde. De burgemeester van ’s Gravenhage ging al tot f. 1.60 over. Het officieel orgaan van de algemeene Nederlandsche zuivelbond klaagde over myn gering aanpassingsvermogen. Tegen 2 October werd een veel hooger noteering verwacht. De voorzitter van de Friesche maatschappy van landbouw zeide my: "Ge vecht nog aan de Marne, terwyl de hoofdmacht al tot terugtrekken heeft besloten". Een paar uur later was dit woord me duidelyk: de Minister had de maximum-prys opgeheven!

De later gevolgde voorschriften voor boter hebben, door de instelling van het Ryks centraal bureau voor den uitvoer van boter, de burgemeester weinig beslommeringen gegeven.

Kaas
Ook de groote schommelingen op de kaas-markt zyn buiten my omgegaan. De aanvankelyk bepaalde maximum-prys was hoog genoeg om de handel vryheid van beweging te laten.

In het begin van Augustus raadpleegde een handelaar my over het al dan niet geoorloofde van aanbiedingen aan de legerbesturen van alle oorlogvoerende mogendheden. Na het oordeel van den Minister van Justitie te hebben gevraagd, kon ik antwoorden dat dit geoorloofd was.

Toen later een uitvoeriger regeling voor de kaashandel door den Minister van Landbouw werd getroffen, werden afzonderlyke "en gros" en "detail"-pryzen bepaald. Een winkeliertje kocht toen van een groothandelaar een kaas, met het doel deze by het ons weder te verkoopen, en moest daarvoor den groothandel meer dan de en gros-prys betalen. Hy beklaagde zich hierover by my. Was de koop van een kaas en gros-handel? Het Ryks centraal bureau voor de uitvoer van kaas, besliste van je. De Kleinhandelaar hoeft niet meer dan en gros-prys te betalen. Alleen de kaaseter betaalt detailprys.

Melk
Voor melk had de Minister geen maximum-prys bepaald. Dus kon de burgemeester niet in bezit nemen krachtens de Levensmiddelenwet. Immers, er was geen prys welke de burgemeester kon in acht nemen by de verkoop der in bezit genomen melk. De burgemeester kon na de in-bezit-neming wel den Minister verzoeken een prys te bepalen, maar inmiddels zou de melk zuur zyn geworden.

Toch heeft de groote boterfabriek, die de melkprys voor Leeuwarden beheerscht, voortdurend overleg met my gepleegd en heb ik een voorgenomen prys-verhooging kunnen tegenhouden. Een bewys van het streven van de fabriek om met de openbare meening op goede voet te blyven. Er was, door de hooge boter en vooral kaas-pryzen, met de melk veel meer winst te maken dan de slytery in de stad opleverde. De fabriek had niets liever gedaan dan die slytery tydelyk stopzetten. Maar welk een indruk dit zou gemaakt hebben, kan men zich voorstellen. Zelfs de verhooging in het begin van de winter van 9 tot 10 cent de liter zou groote ontevredenheid hebben verwekt.

De regering heeft de prys-opdryving helpen voorkomen door inperking van het aantal uitvoer-consenten van boter. Aanvankelyk waren er te veel uitgegeven. Daardoor werd meer boter uitgevoerd dan, met het oog op de voorraad, noodig was. Dit deed natuurlyk de melkprys stygen.


Algemeene vragen
Heeft de Levensmiddelenwet - zooals de novelle op de Onteigeningswet genoemd wordt - aan haar doel beantwoord?

In het algemeen, naar myn oordeel, Het zwaard van Damocles, dat iedereen handelaar boven het hoofd hing, is zeker heilzaam geweest om de lust tot speculeren te benemen. Groote prys-opdryvingen konden achterhaald werden door in-bezit-neming en zyn daardoor uitgebleven, voorzoover ze niet noodzakelyk waren wegens gebrek aan aanvoer.

Myn eenige bezwaar tegen de wet is dat de schatting der in bezit genomen waren, waaromtrent de wet geen richtsnoer geeft, er toe leidt dat de eigenaars er veel te goed afkomen. De maximum-pryzen die aanvankelyk de Minister, later de burgemeesters, ter uitvoering van de wet vaststelden, hebben zeer zeker ook veel kwaad voorkomen. Zy golden op enkele uitzonderingen na (tarwe, rogge, suiker, boter, kaas) alleen voor de kleinhandel, waardoor de winkeliers in minder aangename omstandigheden kwamen te verkeeren. Door het publiek en den burgemeester aan de maximum-pryzen gehouden, door de groothandel met hooge inkoopspryzen bestookt, verkeerden ze in den toestand van hen, die vooraan in een gedrang staan, beurtelings terug gejaagd door het paardevolk en opgedrongen door de menigte achter hen. De kleinhandel vroeg dan ook herhaaldelyk om maximum-pryzen voor de groothandel, waaraan de regeering niet voldeed, omdat invoer-artikelen hierdoor zouden worden geweerd en de regeering voor uitvoer-artikelen de voorkeur gaf aan sluiting der grenzen.

By de bepaling van maximum-pryzen, heb ik soms de volgende formule toegepast:

groothandelsprys voor de oorlog = groothandelsprys na de oorlog
kleinhandelsprys voor de oorlog X

X = de vast te stellen prys.


Doch zoo eenvoudig was de zaak niet altyd op te lossen. Allerlei omstandigheden maakten de vergelyking in de toepassing op bepaalde zaken onzuiver. Dan restte niets anders dan het oordeel te vragen van enkele vakmenschen, waarin ik vertrouwen stelde en wier opgaven ik vergeleek. De gestelde maximum-pryzen werden in het algemeen in acht genomen.

De grootste moeielykheid veroorzaakte de maximum-prys van varkensvleesch, toen de regeering varkens tegen verlaagde prys beschikbaar stelde. Elders regelden de afdeelingen van de Nederlandsche slagersbond dat onderling. Maar Leeuwarden bezit geen afdeeling, omdat van hier uit veel vleesch naar andere deelen van het land wordt geleverd, waardoor een zekere vyandschap met de slagerswereld buiten Friesland bestaat. Zoodoende moest de levering van regeeringsvarkens door myn tussenschkomst geschieden. Ofschoon ik tot dusver geen gegronde klacht over niet-naleving der maximum-pryzen vernam, geloof ik dat de instelling der regeeringsvarkens meer in het belang der slagers dan in dat van het vleeschetend publiek is geweest. Wel is waarschynlyk dat zonder de regeeringsvarkens een prystyging van het varkensvleesch zou hebben plaats gehad.

Een samenvatting van het door ons ingenomen standpunt ten aanzien van de vraag of de gemeente voorraden behoorde in te slaan, geeft myn brief aan den Commissaris der Koningin van 16 November 1914, No. 3272/1528, naar aanleiding van 4 vragen betreffende dat onderwerp van den voorzitter van het Koninklyk Nationaal steun-comite.


Vluchtelingen
Reeds in het begin van de oorlog was een rondschryven van de Minister van Binnenlandsche Zaken gekomen om maatregelen te nemen voor het onderbrengen van vluchtelingen uit deelen van Nederland, die door een buitenlandsche vyand mochten worden bezet. De wyze van optreden der Duitschers in Belgie maakte het waarschynlyk, en wenschelyk tevens, dat by een binnentrekken van ons gebied de inwoners op groote schaal de wyk zouden nemen naar veiliger oorden, als hoedanig Friesland zeker is te beschouwen. Om de bevolking niet zenuwachtig te maken, wilde de Minister dat de door hem bedoelde maatregelen in stilte werden voorbereid.

Een door my gevormde commissie, bestaande uit eenige dames, dr. Romer als voorzitter en mr. Stheeman als secretaris, ging na voor vluchtelingen in eenigszins grooten getale aanstonds konden worden geborgen, n.l. in de weeshuizen, armhuizen, diakonie-gebouw en dergelyke. Verder regelde zy de wyze van ontvangst en rekende er op dat wanneer het geval zich voordeed, de burgery haar woningen meestal beschikbaar zou stellen.

Het werk van deze commissie was van veel nut toen later de Belgische overstrooming kwam. Voor deze gebeurtelykheid had de Minister, buiten my om, een provinciale commissie benoemd, bestaande uit 3 personen, die in de meening waren dat zy alleen zouden hebben de weg te wyzen aan gegoede Belgen, die voor eigen rekening hier mochten willen verblyven. Alleen voor deze taak was zy benoemd. Vandaar dat deze commissie niets had voorbereid. De 8e October kwam de vraag van den Minister hoeveel Belgische vluchtelingen in Leeuwarden konden worden ondergebracht. Deze opgaaf is nog dezelfde avond door my aan den Commissaris der Koningin ter hand gesteld. Wy meenden toen reeds heel wat gedaan te hebben door plaats te hebben gevonden voor 1106 personen. In de bladen heeft een officieel schynend bericht gestaan, dat geruime tyd voor de komst van der Belgen aan Commissarissen der Koningin en burgemeesters vanwege Binnenlandsche Zaken verzocht is daarop voor te bereiden. Dit is niet waar. De vraag betreffende de beschikbare ruimte was de eerste die my met betrekking tot dit onderwerp bereikte en reeds de volgende dag kwamen omstreeks 1 uur twee telegrammen, waarin de komst van 2 x 1500 Belgen in de avond van die dag werden aangekondigd.

De drukte die deze berichten tengevolge hadden is de ergste die ik heb bygewoond. In enkele uren moest voeding en ligging voor 3000 onderkomen, wellicht zieke Belgische vluchtelingen worden in orde gemaakt, en er was niets gereed. Niemand had ze verwacht. Wy hadden de vorige dag, by onze besprekingen, gerekend op de keukens van de toen leeg staande kazerne, om van daaruit de voeding te verstrekken. Ik telefoneerde daarom de waaneemde plaatselyke commandant op en vernam van dezen, dat ook dit ons ontviel, omdat hy juist order had gekregen de kazerne in gereedheid te brengen voor 1200 Engelse geinterneerden.

Ik riep aanstonds de commissie voor de Nederlandsche vluchtelingen en de 3 van de Belgische by my en verzocht ze een commissie te vormen. Voorts riep ik op mevrouw Sikkes, die de leiding had van de keuken, voor het geval het Leeuwarder Roode Kruis gewonden zou moeten ontvangen. Deze was dus van dergelyke voeding op groote schaal eenigszins op de hoogte. Ook zy werd aan de commissie toegevoegd. Afgesproken werd dat de menschen ’s avonds en de volgende ochtend koffie, melk en gesmeerde boterhammen met kaas of worst zouden worden gegeven. Zy ging onmiddelyk op het pad en zou zich een staf van helpsters zelve verschaffen, die dadelyk werden gevoncen. Het was geen kleinigheid. Aanstonds moest met brood-bakken worden begonnen, en daarna zoo spoedig mogelyk met smeeren, enz.

De koffie moest in de Waag, waar de eerste ontvangst zou plaats hebben en die zich daar buitengewoon goed toe leent, worden gezet. Hiervoor moest eerst nog even een zwaardere gasleiding worden gelegd. Ook de verlichting moest worden versterkt.

Inmiddels droeg ik den directeur van gemeentewerken op na te gaan hoe die 3000 te verdelen over de verschillende openbare gebouwen, als beurs, gymnastieklokalen, scholen, enz. Voor de eerste nacht toch was het beste ze daar te herbergen. Degenen die te Leeuwarden bleven, konden de volgende dag worden ondergebracht volgens de lyst van beschikbare plaatsen, welke de commissie voor de Nederlandsche vluchtelingen had gemaakt.

De directeur trok natuurlyk ook aanstonds aan den arbeid. Hy berekende hoeveel plaats er in ieder gebouw was, bestelde stroo, liet dit in de gebouwen uitspreiden, warm stoken, enz.

Eindelyk besprak ik met den Commissaris van politie de orde-maatregelen, waarby de hulp der marechaussee werd ingeroepen.

Bovendien moesten er nog allerlei maatregelen worden genomen. De ziekenhuizen werden gewaarschuwd op veel zieken te rekenen. De vereeniging Eerste Hulp by Ongelukken werd verzocht met raderbaren, enz. aan het station aanwezig te zyn. Evenzoo de drie stadsdokters. Ik liet van iedere gezindheid een geestelyke vragen in het station aanwezig te zyn. Door een vergissing werden 7 predikanten uitgenoodigd, die allen kwamen. De pastoor was voor de aankomst der treinen, naar ik vernam, reeds weer vertrokken.

Terwyl de stad in rep en roer was met de voorbereidselen voor de naderende stroom, kwamen er telegrammen, waaruit bleek dat de treinen eerst laat in de avond zouden aankomen. Vanaf 8 uur vergaderde ik met een groot gezelschap in het Oranje-hotel, by het station, waar geregeld werd hoe de vluchtelingen naar hun nachtverblyven zouden worden overgebracht. De afspraak, die ook is nageleefd, was dat eerst alles zou worden samengebracht in de Waag. Was deze vol, dan zouden de later aankomende vluchtelingen aan het station wachten. In de Waag zouden zy zoo spoedig mogelyk van eten en drinken worden voorzien en vervolgens, onder geleide, groepsgewys naar de aangewezen gebouwen worden overgebracht. De geleiders waren heeren uit de burgery. Ieder wist naar welk gebouw hy zyn menschen moest brengen.

Op het perron werd alleen toegelaten wie er noodig had. Met spanning wachtten wy de rechtstreeks van het oorlogstoonsel komenden af. Wat voor ellende zouden wy te zien krygen ? Omstreeks middernacht rolde de eerste trein binnen. Menige haveloozen keken uit de raampjes. De portieren werden dicht gehouden totdat de drie dokters zouden hebben onderzocht of er zieken waren. Al dadelyk werden enkele personen en kinderen uitgedragen en naar het stads-Ziekenhuis gebracht. Onder hen een oude dame, moeder van een architekt, die met zyn gezin in de trein was; zy stierf de volgende dag. Nadat de zieken waren verwyderd, stroomde alles uit de wagens en zetten wy ons aanstonds in beweging naar de Waag. Langs de Stationsweg stond het zwart, maar er heerschte orde en stilte.

In de hel verlichte Waag kon men de binnen komende stoet vluchtelingen eerst goed opnemen. Het was een optocht van ellende. Vermoeide, bleeke gezichten, sommige vrouwen huilende; vuile dikwyls Havelooze kleeren. Velen sjouwden met bundels, koffertjes een had een groote stoel meegebracht. Ofschoon er wagens waren om de goederen te vervoeren, hadden de meesten hun zaakjes zelf gedragen. Troepen kinderen, die doodmoe zagen, maar geen zonder geleide. Er was geen enkele wees by. Op het eerste gezicht scheen het armoedig volk van de laagste stand, uit de achterbuurten van Antwerpen, maar later bleek dat er toch van betere stand by waren.

Zy verspreidden zich door de Waag, waar ze op banken en stoelen neervielen en door de uitstekende zorgen van de dames koffie of warme melk en aangekleede boterhammen kregen. De vluchtelingen toonden zich dankbaar, maar waren gedurende de reis al zoo vaak bediend dat er duizenden boterhammen (er waren 1400 brooden besteld) overbleven. Dit laatste was bovendien een gevolg van het aantal vluchtelingen, dat in plaats van de aangekondigde 3000, slechts een 700 bleek te bedragen. Hoe dit groote verschil te verklaren is, heeft niemand kunnen ophelderen. Beweerd werd dat de meesten, uit vrees van naar Duitschland vervoerd te worden, onderweg waren uitgestapt. Maar ik heb nooit vernomen waar dat dan zou zyn gebeurd.

De meeste vrouwen en kinderen overnachtten in de Beurs, boven de Waag, die een schouwspel bood om nooit te vergeten. Op de dik met stroo belegde vloer van het zeer uitgestrekte gebouw lagen daar honderden vrouwen en kinderen uitgestrekt, die het er zich zoo gemakkelyk mogelyk maakten. Het viel op zooveel zorg als zy aan het haar besteedden. Zelfs trachtten een aantal, met behulp van lucifers en een meegebracht yzer, zich in het holle van de nacht, na een dag reizen, te friseeren! Met het oog op het brandgevaar moest dit natuurlyk worden verboden. Inmiddels waren een groot aantal Leeuwarder dames bezig met in de, voor een dergelyk bezoek natuurlyk niet ingerichte waschvertrekjes voor de beurs-bezoekers, de kleine kinderen te wasschen.

De geheele nacht zyn een aantal dames daar aanwezig gebleven, terwyl anderen in de Waag, onder de Beurs, het ontbyt voor de volgende ochtend gereed maakten. Want omstreeks 8 uur vertrok de eerste trein reeds. De enkele gebouwen waar vluchtelingen overnachtten, moesten met het oog op brandgevaar, alle de geheele nacht worden bewaakt. Zoo ook de ruime school No. 12, waar een gezin overnachtte, dat daar was ondergebracht omdat er een krankzinnig meisje by was. De bewaking geschiedde door leden van de burgerwacht.

Er was een verdeeling van de 3000 aangekondigde vluchtelingen over de provincie gemaakt. Nu het er 700 waren, veranderde dit natuurlyk. Volgens een in de nacht nog gemaakte nieuwe groepeering werden ze de volgende ochtend over de treinen, trammen, boten verdeeld. De begeleiding van Waag naar station ging evenals de vorige avond naar de nachtverblyven, maar in de treinen, trammen en boten werd de begeleiding in hoofdzaak overgenomen door ambtenaren der provinciale griffie.

Aan de stations hadden alweer andere dames ziek opgesteld met speelgoed voor de kinderen, de dankbaarste van alle verrichte werkzaamheden.

In hoofdzaak volgens hetzelfde plan had enige dagen later de ontvangst van een veel grootere stroom plaats (ongeveer 2300).

Er waren beide keeren, vooral de eerste maal, zeer treurige verschyningen onder deze menschen. Velen klaagden over verloren verwanten, doorgestane ellende, enz. Toch viel ook hier de betrekkelyke luchthartigheid op waarmee ze de volgende ochtend praatten en lachten. De in Leeuwarden achtergeblevens - aanvankelyk een 600, maar er zyn er by gekomen - hebben geen reden tot klagen gegeven aan de politie. Wel klaagden het comite, en velen van de personen die er huisvestten, luide over luiheid, diefachtigheid, bedriegelykheid.

Was de ontvangst der Belgen boven alle verwachting goed gegaan, het verder verblyf der achtergeblevenen heeft veel administratieve ellende gebaard. Het comite, eigenlyk een provinciaal, maar dat voor Leeuwarden tevens alle plaatselyk comite optrad, was niet zeer nauwkeurig, het departement van Binnenlandsche Zaken veeleischend en omslachtig. Onverkwikkelyke briefwisseling was hiervan het gevolg, in een tyd dat men ieder onnoodig briefje zocht te vermyden. Bovendien deed zich meer en meer het bezwaar voelen dat de Belgen werk zochten en vonden. Verschillende werkgevers maakten misbruik van deze zich goedkoop aanbiedende werkkrachten. Ten spyt van alle medegevoel en de wensch om by deze menschen geen onaangename indruk achter te laten, heb ik daarom alles in het werk gezet, om ze nog te krygen. Op eenige achterblyvers na, is me dit na eenige maanden gelukt.

Militaire maatregelen
Ik kwam te Leeuwarden aan, toen de mobilisatie in volle gang was. Ik begaf my onmiddelyk naar de kazerne, waar de commandant in de grootste herrie zat, maar zeide hy, alles ging uitstekend. Als staaltje van de zonderlinge vragen die hy kreeg, vertelde hy dat een soldaat telegrafisch vroeg of hy een extra onderbroek zou meebrengen.

De commandant vroeg my, als hy de kazerne zou hebben verlaten, de sleutels in bewaring te nemen. Dit is gedurende eenige dagen het geval geweest. By een omgang door de verlaten kazerne, waar een onbeschryflyke rommel was, vond ik behalve groote hoeveelheden brood, ook wapens en patronen. Ik stelde een tweetal achtergebleven sergeanten, die afgekeurd waren, tot bewaarders aan. Kort daarop nam de provinciale adjudant, waarnemend garnizoens-commandant, deze zorg over.

Mobilisatie 1914-1915, hoek Wirdumerdijk-RuiterskwartierOmtrent de mobilisatie is slechts een roep geweest, n.l., dat alles uitstekend liep. Er zyn wel dronken menschen geweest (o.a. onder de tegen hoog daggeld aangenomen burgers, die de paarden moesten vervoeren), maar over het algemeen was ook de houding der trouw opgekomen mannen uitstekend. De stations-commandant, die ’70 heeft meegemaakt, sprak met bewondering over de regeling der treinen: alles liep stipt overeenkomstig de geschreven orde die hy ontvangen had.

Spoedig waren alle troepen vertrokken, de scholen, die hun tot nachtverblyf hadden gediend, schoongemaakt, en bepaalde zich de medewerking aan militaire maatregelen tot het doen wegnemen van wegwyzers, de zorg dat geen straten opgebroken waren, zoodat er ten allen tyde over gereden kon worden, en minder belangryke diensten. Zoo werd my op een avond van een van de eilanden om een motor-rywiel met toebehooren geseind, dat nog diezelfde nacht in Harlingen moest zyn. Een leverancier heeft het er onmiddelyk heen gebracht. Of die opdracht in de haak was, kon ik natuurlyk niet onderzoeken.

De volslagen afwezigheid van militairen, gevoegd by het onder de wapenen roepen van ongeveer 1/3 van het gemeentelyk politiecorps, maakte me eenigszins bezorgd voor het geval er wanordelykheden mochten komen. Men wist niet wat er kon gebeuren. Ook de regenten van de strafgevangenis waren niet gerust. Ik voldeed daarom met des te meer yver aan een uitnoodiging van den Minister van Oorlog om een plaatselyke afdeeling Vrywillige Landstorm op te richten. Dit gelukte aanvankelyk niet. Vrywilligers voor de militie boden zich te kust en te keur aan. De aanmelding hiervoor geschiedde by een bureau, samengesteld uit eenige in gezetenen, dat zetelde in de oude Waag. Al spoedig werden er niet meer aangenomen. Voor de landstorm echter, was de heer Rengers uit Oenkerk lange tyd de eenige liefhebber.

Toen aanvaardde ik het aanbod om een burgerwacht te vormen. Het getal deelnemers was groot genoeg, een 170 meen ik. Maar aanvankelyk heette het dat er geen wapens voor hen te verkrygen waren. Veel vertrouwen in deze ongeoefende, ongewapende schare, die stormachtige vergaderingen hield en aanstonds allerlei grieven had, had de Commissaris van politie evenmin als ik. By wyze van proef werd een sectie op een nacht opgecommandeerd. Hun werd gelast te patrouilleren, nadat hier en daar aan het quasi inbreken waren gezet. Slechts een hunner werd gevat, die zyn rol zoo goed speelde, dat de burgerwachten, overtuigc een goede vangst te hebben gedaan, den man op hardhandige wyze naar het politie-bureau sleepten.

De eerste weken ontbrak dus iedere hulp van gewapende macht, terwyl niemand kon zeggen welke uitwerking de gebeurtenissen met betrekking tot de openbare orde zouden hebben. Hierin is verbetering gekomen toen ik er in slaagde in een gewezen schuttery-officier een uitstekende commandant voor de landstorm-afdeeling te vinden. Deze wist de zaak aan de gang te brengen. Al spoedig werd met groote yver geoefend door een aantal manschappen uit alle kringen behalve de eerste, welk aantal gaandeweg klom tot 90. Voor hem waren geweren en patronen van het Ryk te krygen, maar geen uniformen. Burgemeester en Wethouders vonden goed die van gemeentewege te verschaffen, voorzoover de deelnemers ze niet zelf betaalden. Het door de Raad "voor uitgaven in verband met de oorlog" toegestaan crediet van f.70000.-, dekte ook deze post. Een voorbeeld uit de vele, van de buitengewone, van alle geykte opvattingen afwykende stappen, waartoe men in deze tyd overging.

In verband met dit onderwerp valt ook te vermelden de spionnenvrees, waarvan we hier niet verschoond bleven, en de jacht op een werkelyken spion. Een dokter kwam my, terwyl ik aan de koffie zat, mededelen dat hy op straat was tegen gekomen een persoon, dien hy vroeger had geopereerd, van wie alle reden bestond om aan te nemen dat hy als spion van een der oorlogvoerende mogendheden dienst deed. Aanstonds werd de politie in beweging gezet, de dokter zelf ging in een automobiel de provincie in, naar een plaats waar hy hem hoopte te vinden, en ik seinde aan den opperbevelhebber, die antwoordde aan ’s mans opsporing groote waarde te hechten. ’s Middags waren we te weten gekomen dat hy in verbinding stond met een ingezetene dezer gemeente, die dus vermoedelyk zyn adres kende, maar niet zeggen zou. Toen heb ik, na de medewerking van de Justitie en de Post te hebben verkregen, een list geprobeerd. De poging is mislukt. Het adres was ter plaatse niet bekend. De spion is nooit gepakt.

Groote bedryvigheid heeft de afdeeling Leeuwarden van het Roode Kruis ontwikkeld. Deze was juist, op aandringen van den Prins, gereorganiseerd. Het bestuur bestond uit 9 personen, het ledental was aanzienlyk versterkt. In een groote vergadering in de zalen van Rodenhuis werd besloten een cursus voor de verpleging te openen, waaraan vele dames hebben deelgenomen, ondanks de verplichtingen om niet een les te missen. Anderen gaven zich op voor verschillende werkzaamheden. Een hospitaal werd ingericht in de leege kazerne, en voorbereidende maatregelen voor hospitalen in nog 4 andere gebouwen waren getroffen. In geval van nood had men binnen 24 uren een groot aantal bedden, operatie-kamers, enz. gereed. Toch is er weinig geld uitgegeven. Het bestuur heeft maanden achtereen byna dagelyks vergaderd. Het hospitaal is opgeruimd toen de kazerne door Engelsche geinterneerden - later vervangen door Belgen - in beslag werd genomen. De Prins heeft er een bezoek aan gebracht.

Een bron van veel moeielykheden, van de minst aangename soort, leverde op het vaststellen van vergoedingen aan de gezinnen van hen die onder de wapenen waren geroepen. Ten einde de met werk overladen afdeeling Militaire Zaken wat te ontlasten, had ik den secretaris van het Leeuwarder steun-comite verzocht alle aanvragen te doen onderzoeken voor zooveel betreft de vraag of het gezin by de afdeeling en notaris Wachter terecht. Laatstgenoemde stelde een uitvoeriger onderzoek in. Hy heeft dit gedurende de gansche oorlog belangeloos gedaan.

Ik had een vaste maatstaf aangenomen, de fonds-bydragen, f. 3.50 voor de vrouw (later verhoogd tot 65 cent per dag), f. 1.- (later 20 cent per dag) voor ieder kind boven de 2 jaren en f. 0.50 (later 10 cent per dag) voor ieder kind daar beneden. Het eigen onderhoud van den man, dat moest worden afgetrokken, werd geschat op f. 2.- per week by verdiensten van f. 10.- of minder, en op f. 2.- per week by verdiensten van f. 10.- of minder, en op f. 2.50 by hoogere inkomens. Byverdiensten van de vrouw kwamen in mindering volgens een zekere schaal, waardoor het belang om er wat by te verdienen bleef bestaan. Een vaste maatstaf was m.i. noodzakelyk, omdat het niet mogelyk was ieder geval op zichzelf te beoordelen. Maar ook met die maatstaf was het nog niet zoo eenvoudig. De grootste moeilykheid was het nagaan van de inkomsten van den man voor zyn vertrek, vooral als hy los werkman was. In het begin kreeg ik dagelyks vrouwen, dikwyls afvaardigingen, die vroegen de vergoedingen te verhoogen. Een arnarchist beyverde zich deze ongelukkigen op te ruien, belegde protest-vergaderingen en beduidde ze dat ze niet kregen wat haar toekwam. Toch was de maatstaf hier hoog vergeleken by andere plaatsen, voorzoover ik daarvan hoorde.

De uitkeering heeft iedere 10 dagen plaats, ook alweer door vrywillige hulpkrachten.


Steun aan behoeftigen
Zoals elders in ons land, was een van de eerste dingen waarmede de openbare meening zich bezig hield, de zorg voor de oeconomische slachtoffers van de oorlog. Die gedachte was zoo sterk, en by hen die hielpen wilden enby hen die geholpen wenschten te worden, dat het niet mogelyk zou zyn geweest de drang om maatregelen in die richting te nemen, tegen te houden. Er was wel iets voor te zeggen geweest even af te wachten in hoeverre er hulp noodig was, omdat nu aanstonds een stroom van bedelaars kwam aanzetten, die van de goedgeefsche stemming voortreffelyk misbruik wisten te maken. Maar daar stond tegenover dat juist in de eerste dagen van Augustus een plotselinge stilstand van zaken intrad, die voor sommigen aanstonds gebrek meebracht en, indien hy had voortgeduurd, heel ernstige gevolgen zou hebben gehad.

Er moest dus een steun-comite komen en op 2 Augustus had ik reeds een brief aan eenige ingezetenen gereed, die ik voor de vorming daarvan aangewezen achtte. Maar een ander was my voor geweest. Op voorstel van de vryzinnige kiesvereniging hadden de andere kiesverenigingen met haar een aantal personen aangewezen, die bereid waren in een plaatselyk comite zitting te nemen. Ofschoon ik van meening was dat dit niet de beste manier was om een dergelyk comite te vormen, welke meening later niet is gewyzigd, wilde ik het niet tegenwerken en aanvaardde het voorzitterschap.

Het comite heeft zich aanstonds gesplitst in twee delen, een afdeeling werkverschaffing, en een voor rechtstreeksche ondersteuning.

De eerste afdeeling heeft zich in verbinding gesteld met de gemeentelyke arbeidsbeurs, met de Leeuwarder Werkverschaffing, en een damescomite gevormd, dat veel naaiwerk heeft doen uitvoeren.

De tweede afdeeling, het steun-comite in engere zin, heeft zuiver naar Elberfeldsch voorbeeld gewerkt. De stad werd verdeeld in 5 wyken. Iedere wyk had haar comite. De voorzitters der wyk-comite’s en die van de werkverschaffing vergaderden iedere Vrydagmiddag onder myn voorzitterschap ten stadhuize. Daar waren ook de algemeene secretaris en penningmeester tegenwoordig, de heeren mr. Boon en Fransen. Ieder wykcomite stelde zelfstandig de uitkeeringen vast. Twyfelachtige gevallen werden Vrydag’s in het centrale comite gebracht, waar ook telkens de lyst van een wyk-comite werd voorgelezen en behandeld. Door deze wekelyksche samenkomst werd de noodige eenheid, zy ’t eerst gaandeweg, verkregen. De wyze van onder-zoek was niet in alle wyken geheel dezelfde, maar overal had men, naast het onderzoek door de leden, dat van een bezoldigden vasten bezoeker, door my aangewezen. De uitkeeringen geschiedden in geld of in bons, uitgereikt aan huis door het comite-lid, dat het betreffende gezin onder zyn of haar byzonder toezicht had.

In de oprichtings-byeenkomst was my de bevoegdheid verleend het comite aan te vullen. Zoo kon ik er eenige personen inbrengen, die van dergelyk werk ervaring hadden. Van de oorspronkelyke leden was dit met lang niet allen het geval. Menige bedankten na een poosje. Zeker is dat het comite in de eerste weken niet altyd scherp genoeg onderzocht heeft. Op een politie-rapport meldde een agent by een geweldig dronkemans-tooneel te zyn geroepen, waar men elkander met stoelen om de ooren sloeg, en als verklaring van de buren te hebben vernomen: ze hebben vandaag van het steun-comite gekregen. Zulke gevallen zyn er natuurlyk geweest en hebben veel stof tot aanmerkingen gegeven. Maar al heel spoedig veranderde dit en over het geheel ben ik overtuigd dat het comite zeer goed en bovendien zuinig gewerkt heeft.

Dit laatste is daarom merkwaardig, omdat het comite geldelyk aan banden lag. De onbillykheid dat wederom een kleine groep van goedgeefsche menschen deze zaak zouden moeten betalen, en het buitengewone karakter van deze steun, eden n.l. Burgemeester en Wethouders besluiten aan de Raad voor te stellen de uitgaven van het steun-comite voor rekening van de gemeente te nemen. Een van de wethouders was hier tegen en nog een enkele maal heb ik er, van anti-revolutionaire zyde, tegen hooren mopperen, maar over het algemeen was men met deze oplossing zeer ingenomen. Men vond het billyk en gemakkelyk. Naar ik later gehoord heb, verbeurde het Leeuwarder steun-comite door deze regeling iedere kans op steun van het Koninklyk Nationaal steun-comite, waarvan overigens nooit is gevraagd.

Als eerste bydrage in de kas van het comite stortte de gemeente de gelden van een fondsje, dat jaren lang door Burgemeester en Wethouders, msschien in stryd met de wet, was beheerd en gebruikt voor allerlei doeleinden, waarmede men niet by de Raad wilde komen. Het had zeer ongelyksoortige bronnen van herkomst, o.a. f. 100.- van Koningin Sophie voor een orgel in een bewaarschool. Daar de oorspronkelyke bestemmingen dezer gelden niet meer uitvoerbaar waren, werd het aldus gebruikt om daarmede tevens aan een kleine onwettigheid een eind gemaakt.

Behalve van de gemeente ontving het comite een aantal bydragen van particulieren. Een drietal ambtenaren stond aanstonds 1/20 deel van hun wedde af, verschillende vereenigingen, enz. zouden bydragen, en bovendien werd van groote handels-ondernemingen geld gevraagd en verkregen, op grond van deze redeneering, dat zy in de gemeente-belasting niet mede betalen en zeker zouden hebben bygedragen, byaldien het comite van vrywillig opgebrachte middelen had moeten bestaan. Het comite heeft zich nog belast met de verdeeling van een party aardappelen, die de gemeente had ingeslagen, en van zuurkool en bruine boonen, die van het Nationaal steuncomite waren gekocht.

Toen het comite na de eerste weken bemerkte dat het bezig was een aantal beroeps-bedelaars te ondersteunen, is de armenkamer verzocht allen, die in de laatste 2 jaren by dat lichaam ondersteuning hadden genoten, over te nemen. Ofschoon deze taak minder aangenaam vindende, heeft de armenkamer zich hiermede belast, en uit het daarvoor verstrekte crediet een afzonderlyke "oorlogsbedeeling" ingesteld. Een eenigszins afwykende regeling werd met de disconie der Nederduitsch-Hervormde gemeente getroffen. Met de socialistische en christelyke bestuurdersbonden bestond de samenwerking hierin, dat deze lichamen de uitkeeringen voor ons uitreikten en soms nuttige gegevens voor de beoordeeling van een aanvraag verstrekten.

Meer beklagenswaardig wellicht dan zy die by het steun-comite aanklopten, waren de winkeliertjes, behangertjes en dergelyke, die hun zaken zagen verkoopen, meestal omdat het hoofd onder de wapenen was. Ik had door de kranten hierop der aandacht gevestigd en verzocht zoo min mogelyk in deze tyd van leverancier te veranderen. Maar sommige zaken moesten gesloten worden, o.a. een slagery. Een aardig voorbeeld van onderlinge steun gaven de slagers te zien, door by heropening der zaak hun klanten, die vroeger door die zaak waren bediend, by advertentie uit te noodigen daarby terug te gaan.

Om deze kleine middenstand te helpen besloten wy een commissie van 3 leden in het leven te roepen, onder voorzitterschap van notaris Wachter. Ten einde hieraan niet te veel ruchtbaarheid te geven, wat de commissie veel nuttelooze arbeid zou hebben bezorgd, werd besloten hiervoor geen nieuwe crediet aan de Raad de vragen, maar ook de door deze commissie te verleenen voorschotten uit de post voor oorlogsuitgaven te betalen; degenen die hulp noodig hadden, zouden het adres der commissie wel uitvinden, of kwamen by my. Deze commissie heeft, in de eerste 6 maanden van haar bestaan, de gemeente maar een f. 1500.- gekost. Wat een voorschot waren de aanvragers in den regel niet te helpen. Ik geloof dat de commissie meer met goede raad, dan met geld gediend heeft. Verreweg de meeste gevallen bleken, zoals te verwachten was, niets met de oorlog uit te staan te hebben.

Naast deze half-gemeentelyke comite’s, waren er verschillende particuliere steun-instellingen. De grootste stichting St.Anthoon breidde haar werkzaamheden, bestaande in het verstrekken van voedsel, aanzienlyk uit. Deze verstrekkingen waren zeer belangryk.

Een dames-comite had tydig van de omliggene buitenplaatsen een groote hoeveelheid groenten gevraagd, deze ingemaakt, en verstrekte die in de winter met wat vet.

Dit waren de voornaamste commissies. Alles tezamen genomen is er niet zoo heel veel gegeven, omdat de behoefte niet groot was. Er werd minder verdiend omdat:

  1. De bouwery veel geringer was dan andere jaren. De voornaamste werken
  2. werden voor gemeente-rekening uitgevoerd.
  3. Een algemeene zuinigheid heerschte. Dit ondervonden zaken als kleer
  4. en schoenmakeryen, behangers, drukkeryen, antiquairs.

Daar kwam, als ongunstige oorzaak by, de gaandeweg stygende prys van de meeste levensmiddelen.

In november 1918 verhuisde burgemeester Patijn naar Den Haag. De door hem aangelegde voorraad aardappelen wekte diepe verontwaardiging bij de Leeuwarder bevolkingMaar daartegenover staat dat veel werkkrachten onder de wapenen waren, waardoor de werkgelegenheid voor de achterblyvers in ’t algemeen grooter werd, en dat er veel verdiend werd. De boeren maakten een jaar zooals ze waarschynlyk nooit hebben gehad. Van de boter- en kaas-pryzen zal men nog na vele jaren gewagen. De veemarkten waren voller dan ze ooit geweest zyn.

Dat er geen gebrek heerschte bleek uit verschillende omstandigheden. Goedkoope levensmiddelen, zooals bruin brood, bruine boonen en koolrapen, werden niet meer gekocht dan andere. De bank van leening had minder te doen dan andere jaren in de overeenkomstige maanden. De bioskoop zat vol, ondanks dat er een tweede werd bygebouwd. De belasting-opbrengst gewoon.

Van de werklieden die gedaan kregen, had ik wekelyksche opgave verzocht. Hoewel ik meen dat de werkgevers het wel opgaven, was het aantal ontslagenen gering.

Een voorstel tot het geven van duurte toeslag aan personeel is gemeente-dienst werd met groote meerderheid door de Raad verworpen.


J. Patijn

Terug