De geschiedenis van het Stadhouderlijk Hof

NB het betreft de hier en daar aangepaste tekst uit de brochure Leeuwarder Huis en Hof door W.H. Kuipers (Leeuwarden ca. 1985)


Van Stadhouders naar Wethouders

Het is nog maar enkele jaren geleden dat vrijwel alle gebouwen aan het Raadhuisplein, het Hofplein en het Gouverneursplein behoorden aan de gemeente. Eén daarvan verdient de bijzondere aandacht, omdat het van grote historische betekenis is, zij het niet in het verband van het stadsbestuur. Dat is kortweg “het hof”, compleet het voormalige hof van de Friese stadhouders, later koninklijk paleis. Welke andere gemeente dan Leeuwarden bood bruidsparen de gelegenheid voor de ambtenaar van de burgelijke stand te verschijnen in de balzaal van een voormalig koninklijk paleis ?

Hier in het Hof hebben in vroeger eeuwen de Friese stadhouders gewoond. Daarna werd het een koninlijk paleis, ten dienste van de hoogste in het land bij een bezoek aan Friesland. Deze beperkte functie werd in het jaar 1881 aangevuld met die van ambtswoning van de Commissaris des Konings, later Commissaris der Koningin. Daarin is verandering gekomen, toen mr. H.P. Linthorst Homan in 1970 met pensioen ging en zijn eigen opvolger, mr. H. Rijpstra, een moderne woning verkoos boven dit statige pand met veel oude luister, maar weinig hedendaagse gerief. Daarmee verviel de vaste bestemming van het gebouw. Het kon wel blijven bestaan als koninklijk paleis, maar zou dan alleen in de zeldzame gevallen van een meerdaags koninklijk bezoek dienst doen. In de 19de eeuw gebeurde dit nog wel eens, want de reismogelijkheden waren toen nog steeds eens te beperkt voor “uit-en-thuis” in één dag. Ook in die tijd stond het gebouw echter vrijwel altijd leeg. Voor het rijk, belast met beheer en onderhoud, werd het paleis een kostbaar stuk luxe; de onderhoudstoestand was de laatste tijd ook niet stellig optimaal, om het maar eens heel voorzichtig te zeggen. Voor de koningin, als eigenares, had het gebouw stellig ideële waarde als woonhuis van haar voorgeslacht, maar dergelijke gevoelens brengen hun rente nu eenmaal niet op.

De oplossing van dit probleem lag eigenlijk wel voor de hand door de nabuurschap van het stadhuis. Allerlei gemeentelijke huisvestingsproblemen konden in deze grote ruimte worden opgevangen, zoals die van de slecht behuisde wethouders, die genoegen moesten nemen met nogal enge en vooral kleine kamertjes in het hoekpand Raadhuisplein/Weerd, eens gemeentehuis van Leeuwarderadeel. Dan was er in het stadhuis de permanente moeilijkheid met de trouwzaal op de eerste verdieping. Aan de zaal zelf (de “Nieuwe Zaal”) lag het niet, maar de op- en neergang van bruidsstoeten langs dezelfde trap (en vaak simultaan), gaven nogal wat knelpunten in het interne verkeer, waarbij de burgemeester zich vaak door de feestgangers moest wringen om zijn kamer te bereiken of te verlaten.

Met deze twee gebruiksmogelijkheden kon het hof al voor een groot deel een bestemming krijgen die het gebouw in zijn eigen historische waarde liet. Beneden was de gele zaal zonder enige verandering (afgezien van het meubilair) geschikt voor de huwelijksvoltrekkingen. In het voormalige woongedeelte van de C.d.K. konden de vijf wethouderskamers worden ingericht, waarbij de oude keuken een opmerkelijke verandering en promotie onderging. Aankleding en meubilair waren niet in voldoende mate voorhanden en moesten derhalve door koop of leen worden verkregen.

Aldus bleven op de benedenverdieping nog twee vertrekken over. Dat waren de blauwe zaal en de “Nassauzaal”. De eerste, naast en min of meer aansluitend bij de gele zaal, kreeg ongewijzigd de wat zwevende bestemming van vergader of conferentiekamer. De “Nassauzaal” uit het begin van de achttiende eeuw, met portretten van de stadhouders tot en met Johan Willem Friso, benevens een aantal verwanten, kon zonder meer erkend worden als passende ruimte voor representatie. De hier ontvangen ministers en staatssecretarissen zijn door de statige pronk van dit vertrek vaak tot bijzondere goedgunstigheid jegens Leeuwarden bewogen.

Burgemeester Brandsma had stellig geen moeilijke onderhandelingspartner aan koningin Juliana, toen het ging om de overname van het gebouw door de gemeente. Bij de beoordeling van deze transactie kon de koningin mee in overweging nemen dat het gebouw in ere zou worden gehouden en daarmee ook ideëel niet in verval zou geraken. In 1971 kwam de koop tot stand voor 285.000 gulden. Spoedig daarna werd de trouwzaal ingericht en in 1973 verhuisden de wethouders: van stadhouders naar wethouders was dit een feit geworden. De bovenverdieping van het hof werd ingericht als kantoorruimte ten behoeve van de secretarie. De paleisachtige trap naar deze verdieping werd gehandhaafd.


Door de eeuwen heen veel veranderingen

Veel bekende oude gebouwen in Leeuwarden voeren historisch terug naar een woonhuis of stins van een aanzienlijk geslacht. Ook met het hof is dit het geval. Omstreeks het jaar 1550 stond op deze plaats het Rolkemahuis, dat inmiddels in handen was gekomen van een andere familie. Boudewijn van Loo woonde hier in zijn ouderlijk huis. Als man van aanzien en van grote welstand bekleedde hij de functie van raadsheer in het hof van Friesland en was verder rentmeester-generaal van de (Spaanse) koning in Friesland. Zijn rijkdom dankte hij vooral aan het ambt van grietman van Het Bildt. Deze Boudewijn, die dus op een paar daalders niet hoefde te kijken, besloot in het jaar 1564 het huis “met vorstelijke weelde” te doen vernieuwen. Toen dat allemaal was gebeurd, viel in 1587 het welgevallig oog van gedeputeerde staten van Friesland op deze rijke behuizing, op zoek als men was naar een passende woonruimte voor de Friese stadhouder, die drie jaar eerder dit ambt was gaan bekleden. Die stadhouder was Willem Lodewijk van Nassau, in de volksmond “Us Heit” - een bijnaam, die op zijn standbeeld vóór het gebouw (Bart van Hove, in 1906) is overgeërfd. Boudewijn wilde niet nalaten zijn verknochtheid aan de Friese stadhouder te bewijzen en verkocht zijn huis voor de ronde som van 12.000 gulden aan de heren gedeputeerden.

Toen in het jaar 1603 het Dekamahuis daarnaast (richting Weerd) voor 8.895 gulden aan het complex was toegevoegd als woonhuis van de hofmeester van de stadhouder, was het hof compleet. In 1661 werd het “met excessieve kosten” verbeterd en verfraaid en in het jaar 1687 kreeg de stadhouder 10.000 gulden per jaar voor het onderhoud. In het midden van de zeventiende eeuw telde het gebouw 37 vertrekken, die blijkbaar rijk versierd waren, want al in 1633 werd melding gemaakt van de aanwezigheid van maar liefst 288 prachtig mooie schilderijen. Toch was het paleis te eenvoudig voor stadhouder Willem Carel Hendrik Friso, die in 1711, zes weken na de dood door verdrinking van zijn vader Johan Willem Friso, werd geboren. Misschien was Willem Carel zelf wel tevreden met het ouderlijk huis, maar in het jaar 1734 bereidde hij zich voor op zijn huwelijk met prinses Anna, dochter van de Engelse koning George II. De bruid, gewend aan het rijke Engelse hofleven, moest in de Friese watten worden gelegd door een aanzienlijke verbouwing van het hof. De stadhouder liet een lang gebouw in de tuin zetten, met in het midden een danszaal, aan de westkant een Engelse hofkapel en aan de andere kant een hofapotheek en zelfs een badkamer. Met deze voorzieningen, aan de ene kant het lichamelijk welzijn dienend en aan de andere kant het geestelijke, durfde Willem het wel aan zijn bruid uit het verre Engeland te halen en zij leefden hier tevreden en gelukkig tot het jaar 1747. Toen ging de Friese stadhouder naar Den Haag, waar Willem Carel (nu Willem IV geheten) stadhouder van alle Nederlanden werd. Zo zorgde Friesland voor het einde van het tweede stadhouderloze tijdperk, tegelijk voor de voortzetting van de stadhouders-dynastie, die later in het koningshuis zou overgaan. Willem IV was de vader van stadhouder Willem V en Willem V was de vader van koningin Willem I, bet-bet-overgrootvader van onze eigen koningin Beatrix.

Het hof in Leeuwarden werd daarna niet meer bewoond. Af en toe logeerde stadhouder Willem V enkele dagen in het gebouw. Tot zijn zeventiende jaar kon hij hier zijn grootmoeder nog ontmoeten, maar daarvoor moest hij naar het Princessehof in de Grote Kerkstraat, waar Marijkemeu in het jaar 1731 was gaan wonen en in 1765 overleed. Samen met moeder Anna zal daar niet veel van zijn gekomen, want de van oorsprong Duitse Maria Louisa kon het namelijk eens behoorlijk slecht vinden met haar Engelse schoondochter.

Was het stadhouderlijk hof na 1747 dus doorgaans onbewoond, het behield zijn functie tot het bestaan van de Republiek (en daarmee van het stadhouderschap) in het jaar 1795 eindigde. Toen in 1789 de Franse revolutie de “Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap” als exportartikel aanbeval, stonden veel Nederlanders handenwrijvend klaar om de Franse brengers der vrijheid enthousiast te verwelkomen. Ook Leeuwarden deelde in de vreugde. Toen het Franse leger in aantocht was, ontsloeg het ijlings gevormde “Committé Revolutionair” de staten van Friesland, benevens de magistraat en vroedschap van Leeuwarden. In het stadhuis maakte voortaan een twaalf leden tellende “muncipaliteit” de dienst uit. Een der eerste bestuursdaden van dit college was het plaatsen van een vrijheidsboom voor hetr gebouw. Geheel opgetogen was men ook op 4 maart, toen de Franse generaal Gaspard Thierry met wat paardevolk in Leeuwarden arriveerde. Er stond een gedenknaald of pyramide voor het stadhuis: een kloek bouwsel, dat zelfs voorzien was van een balkon. En op die uitbouw wisselden de Franse generaal en de voorzitter der “Provisionele Friese Volksrepresentanten” de broederkus. Veertien dagen later was de feestvreugde al zo sterk bekoeld, dat de gedenknaald in de Leeuwarder Courant ter overname werd aangeboden, met de aanbeveling dat de koper hiermee een “fraai tuincieraad” en een “verheven lustprieel” kon verwerven. Elke stad kreeg de zorg voor een Frans garnizoen, in snelle wisseling samengesteld uit nogal haveloze krijgslieden. “Rataplan, rataplan, daar komen ze an, ze hebben geen kousen en schoenen meer an”, dat werd aldra een tophit. Leeuwarden betaalde spoedig 6.000 gulden in de week voor het onderhoud van deze gasten. Links en rechts werden in 1795 gebouwen ”gekraakt” om de Franse soldaten en hun paarden tot onderdak te strekken. Dat het nu bestemmingsloos geworden hof daaraan niet ontkwam, ligt wel voor de hand. Het gebouw werd een “logement voor de commandant of generaals van de troupes” en kreeg daarbij nog een aantal andere functies: huisvesting stadswezen, latijnse scholen, kleding- en levensmiddelenmagazijn en een hospitaal. In de kelders, waar de stadhouders hun keur van wijnen hadden bewaard, werden 150 gevangenen ondergebracht. Daarbij kwam de openbare verkoop van meubels en goederen, waardoor de hele inventaris verdween. De schilderijen bleven echter behouden, vooral door de zorg van de schilder W.B. van der Kooi, die een deel ervan in zijn eigen alsnog eens ouderlijke woning in Augustinusga liet onderduiken.

In 1804 werd het paleis verkocht. Een zekere Pieter Cats kreeg het voor fl. 42.000 in zijn bezit. Hij wilde er zelf gaan wonen (dat zou dus het Catshuis zijn geworden), maar twee jaar later zag hij af van dit plan en besloot zich aan de Nieuwestad te vestigen. De danszaal met Engelse kerk en badkamer in de achterste aanbouw van het jaar 1734 had hij inmiddels laten afbreken. In 1807 volgde een verkoop in twee verschillende delen: het oostelijke kwam aan M.C.W. baron du Tour van Bellinchave en de rest (met de kasteleins-woning) aan mr. Bernardus Buma.

Deze Bernardus Buma moest in het jaar 1814, na de aftocht der Fransen, als president-burgemeester de stedelijke honneurs waarnemen tegenover de souvereinse vorst (later koning) Willem I en zijn gemalin, toen zij op 10 oktober voor een bezoek aan Friesland in Leeuwarden aankwamen. Uit praktische en ideële overwegingen bood hij de hoge gasten huisvesting aan in zijn woning: het halve paleis van de voorvaders van de vorst Willem I, resoluut in het zakendoen, vroeg het hele gebouw aan hem te verkopen en werd voor fl. 52.000 eigenaar. Zo herleefde het oude stadhouderspaleis als koninklijk paleis. In het jaar 1816 werd het verbouwd om dienst te kunnen doen als tijdelijk verblijf van de koninklijke familie.

Soms werd het gebouw voor andere doeleinden beschikbaar gesteld. Na de grote brand in 1860 de Prins Frederikkazerne verwoestte, werd er het regimentsbureau met eetzaal en keuken voor de onderofficieren in ondergebracht. In 1875 en 1876 ging hier de nog maar pas eens opgerichte meisjes -h.b.s. van start. In zelfs het jaar 1877 werd er een tentoonstelling van oudheden gehouden, waarvan het batig saldo toch uiteindelijk echter zelfs eens gelegenheid bood om het gebouw voor het Fries Museum aan de Turfmarkt te kopen.

Toen kwam de laatste en grootste verandering. In 1880 gaf koning Willem II het gebouw in onderhoud en beheer aan het rijk, met het doel het als woonhuis te laten functioneren voor de Commissaris des Konings. Tegelijk bleef het verblijfplaats voor de toch wel koninklijke familie. Voor dit dubbele doel moest een uitgebreide verbouwing worden uitgevoerd. De eerste taxatie van de kosten was fl. 100.000, maar daar was de Tweede Kamer niet voor te vinden. Het werd echter zelfs eens bijvoorbeeld fl. 50.000 volgens de raming en bij de aanbesteding fl. 35.553. J. Röding ging aan de slag en voltooide het werk in het jaar 1881. Over de resultaten van deze verbouwing werd omstreeks 1880 gunstiger gedacht dan in onze tijd, want we mogen nu wel zeggen dat de toen aangebrachte veranderingen het oude hof op een rampzalige manier geweldig hebben aangedaan. De vroeger zo levendige gevel werd vervangen door strak pleisterwerk, verder werd het voorplein voor een deel bebouwd (de tegenwoordige ingang met hal en daarboven het overdekte balkon). Nieuw waren de gele zaal en de blauwe zaal, die we, zoals gezegd, nu kennen als trouwzaal en een vergaderkamer.

Het grootste verschil tussen de tijd van voor 1970 en daarna is de open deur van het gebouw. De afgeslotenheid is vervangen door openheid, zoals dat bij een gemeentebestuur past.

Inmiddels is het Hof al weer jaren in gebruik als hotel.


De Friese Stadhouders

Wie hebben het hof te Leeuwarden bewoond? Friesland heeft zeven eigen stadhouders gehad, dat waren:

  • Willem Lodewijk, graaf van Nassau-Dietz (Us Heit). 1560-1620 - stadhouder 1584-1620. Gehuwd met Anna van Oranje-Nassau, die pas een jaar later echter eens stierf.
  • Ernst Casimir, graaf van Nassau-Dietz, broer van Willem Lodewijk. 1573-1632 (gesneuveld bij Roermond) - stadhouder 1620-1632. Gehuwd met Sophia Hedwig van Brunswijk-Wolfenbüttel.
  • Hendrik Casimir I, graaf van Nassau-Dietz, zoon van Ernst Casimir. 1612-1640 (gesneuveld bij Hulst) - stadhouder 1632-1640. Ongehuwd.
  • Willem Frederik, graaf (na 1654 vorst) van Nassau-Dietz, broer van Hendrik Casimir. 1613-1664 (gestorven aan schotwond) - stadhouder Vanaf 1640-1664. Gehuwd met Albertine Agnes van Oranje-Nassau, dochter van Frederik Hendrik.
  • Hendrik Casimir II, vorst van Nassau-Dietz, zoon van Willem Frederik. 1657-1696 - stadhouder 1664-1696, aanvankelijk onder voogdij van zijn moeder. Gehuwd met Henriëtte Amalia van Anhalt-Dessau.
  • Johan Willem Friso, vorst van Nassau-Dietz, prins van Oranje, zoon van Hendrik Casimir II, 1687-1711 (verdronken bij Moerdijk) - stadhouder van 1696-1711. Gehuwd met Maria Louisa van Hessen-Cassel (Marijkemeu).
  • Willem Carel Hendrik Friso, prins van Oranje en Nassau, zoon van Johan Willem Friso. 1711-1751 - stadhouder van Friesland, 1711-1747, aanvankelijk onder voogdij van zijn moeder, in 1747 stadhouder van alle Nederlanden (Willem IV). Gehuwd met Anna van Hannover, prins van Groot- Brittannië en zelfs eens van Ierland.

Terug