Het Beurs- en Waaggebouw, de Veemarkt, het Landbouwhuis en het Station


1. Het Beurs- en Waaggebouw

Waarschijnlijk is er geen gebouw in Leeuwarden, waarvan de oprichting zooveel voeten in de aarde heeft gehad als de beurs. Reeds in 1795 werd de nood-zakelijkheid dezer instelling aan de municipaliteit betoogd, die daarvan ook dadelijk het groote belang inzag. Maar, ondanks deze overeenstemming van belanghebbenden en stadsbestuur, is deze zaak tachtig jaren lang slepende gehouden, omdat zij telkens afstuitte op den onderlingen naijver der ingezetenen,
die het niet eens konden worden over de plaats, waar de beurs zou worden gesticht. In den aanvang van het hier behandelde tijdvak werd zij dan ook nog altijd gehouden in eene herberg op de Wortelhaven, waarin zij sedert onheugelijke jaren was gevestigd. Doch deze localiteit bood veel te weinig ruimte aan, zoodat de handel grootendeels in de open lucht, op het plein voor dit huis, werd gedreven, waardoor het graan aan alle wisselingen der weersgesteldheid blootstond. Daar er voorloopig nog niets scheen te zullen komen van de bouw eener beurs aan de Oosterkade, waartoe de stad in 1847 eenige perceelen aldaar had aangekocht, wendden de graanhandelaren zich in 1854 opnieuw tot den Raad met het verzoek om in deze omringende behoefte te willen voorzien. Na lange overwegingen, waarbij een plan tot definitieve stichting der beurs op de Wortelhaven schipbreuk leed op den tegenstand van de Gedeputeerde Staten, besloot de Raad in 1856 tot de oprichting eener hulpbeurs. Daartoe kocht de Gemeente de bovengenoemde herberg der weduwe Adama aan en liet deze vertimmeren, terwijl zij in den loop der volgende jaren ook eigenares werd van de belendende perceelen van dit huis, met het doel om dit terren eens voor de nieuwe beurs te kunnen bestemmen.

Maar, ofschoon de oprichting der hulpbeurs eerst eenige verbetering in den toestand bracht, bleek het spoedig, dat ook deze te klein was, zoodat de graankoopers eindelijk besloten zich zelven te helpen. Zij verlieten hunne aloude standplaats en brachten hunne markt in het najaar van 1866 over naar de concertzaal van Van der Wielen, welke daarvoor werd uitgebreid. Dit kon echter slechts eene tijdelijke maatregel zijn en de plannen voor den beursbouw gingen intusschen lustig hunnen gang. Hoeveel zijn er niet geopperd en verworpen: deze stelde het Waagplein, gene den Wirdumerdijk voor; nu eens noemde men de VischmarktPijp, of de Nieuwestad, dan weer de Oosterkade of de Wortelhaven, waar de Gemeente reeds perceelen tot dit doel had aangekocht. Kortom, de twist en de oneenigheid hielden hierover aan, totdat de stad hare uitbreiding naar het zuiden verkreeg. Nu liet men het oog vallen op het pas verworven bouwterrein, dat zoowel in de nabijheid van het station, als aan een grootscheepsvaarwater lag. Ook op dit terrein heeft de Raad achtereenvolgens nog drie verschillende plaatsen voor de stichting der beurs aangewezen: nl. in 1868 eerst de bouwperceelen naast de Rijks hoogere burgerschool, welke in 1873 aan het Old Burger-Weeshuis zijn verkocht; daarna, in 1872, het westelijk deel der oude veemarkt tegenover het Paleis van Justitie, en eindelijk in 1877 den afgegravenen Wirdumerpoortsdwinger. Den 12en Juli van dit jaar nam het Gemeentebestuur het besluit op deze plek een gebouw van 1.600 c.A. oppervlakte te stichten, dat zoowel tot korenbeurs als tot waaggebouw zou dienen. De oude waag op de Nieuwestad was nl. reeds lang te klein geworden voor den zich steeds uitbreidenden boterhandel. Wel trachtte men hieraan tegemoet te komen door op marktdagen losse luifels aan de op pilaren rustende luifel der Waag te hechten, doch dit middel was verre van afdoende. Thans kon men in de bestaande behoefte volledig voorzien. De Raad droeg den Gemeente-architect, den heer Romein, op, een plan voor dit gebouw te ontwerpen, waarvan de kosten niet meer dan fl. 160.000 mochten beloopen. In Januari 1878 werd dit goedgekeurd en in hetzelfde jaar de stichting van het beurs- en waaggebouw voor ruim fl. 142.000 aanbesteed. Bij de uitvoering van dit werk bleek het, dat er noodzakelijk geheid moest worden, terwijl men later eene misrekening van de draagkracht der bij het bestek bepaalde balklaag ontdekte. De vermeerderde uitgaven hiervoor bedroegen fl. 40.000. In 1880 kwam het gebouw gereed en den 24sten September van dit jaar verlieten de graanhandelaars de concertzaal van Van der Wielen en de boterkoopers hunne oude waag om er hunnen blijven intocht in te houden.

Later heeft men in het gebouw nog eenige veranderingen moeten aanbrengen: in 1884 werd de trap naar de beurslocalen van eene leuning voorzien en in de beide volgende jaren verving men het in zad gelegde en gedeeltelijk verzakte plaveisel der boterwaag door een gemetselden vloer. Aan de oude waag, van hare functiën ontheven, gaf men in 1884 eene nieuwe bestemming: de benedenruimte werd tot wachtlocaal voor de brandweer en tot bergplaats voor brandbluschmiddelen ingericht, terwijl het boven vertrek, dat ook als muziekschool is gebruikt, o.m. beschikbaar werd gesteld voor de loting der nationale militie, de zittingen van den militieraad en het houden der repetitien van het stedelijk muziekkorps. In hetzelfde jaar ging men over tot de restauratie van dit fraaie gebouw, dat, in 1598 voltooid, een der schoonste sieraden van Leeuwarden is. Dit werk werd, volgens het ontwerp van den Gemeente-architect, den heer Noorderdorp, van 1884-1890 gereedelijk volbracht. Het bestond uit de herstelling van het dak en de dakvensters, den opbouw der schoorsteenen, de verwijdering van de verflaag op de gevelvlakken, het aanbrengen van kruisramen en buitenluiken en de vervanging van de bestaande overdekte luifel met een zuilenrij door ene hangluifel, zooals die oorspronkelijk aan het gebouw was bevestigd. Door deze welgeslaagde restauratie heeft Leeuwarden een sierlijk monument der bouwkunst van de XVIde eeuw behouden.


2. De Veemarkt

Gedurende bijna twee eeuwen is de veemarkt op het oostelijk gedeelte van het Zaailand gehouden. Toen het in 1697 wenschelijk geacht werd de breedzijde van de Nieuwestad “van de butterwaegh aff westwaerts” van deze markt te ontheffen, liet de Magistraat een aantal palen slaan in het onbebouwde terrein aan de oude Heerengracht, en ... de nieuwe veemarkt was klaar ! In den loop der jaren is deze markt geplaveid en herhaaldelijk verbeterd en uitgebreid, o.a. in 1835, toen de gracht langs de koemarkt gedempt en het daardoor aangewonnen terrein bij de markt getrokken werd. Aan de oostzijde van de veemarkt lag eene open plek gronds: het Wagenplein, waar de marktbezoekers hunne paarden uitspanden. Had men derhalve meer ruimte voor de eigenlijke veemarkt noodig, dan werden, zooals in 1853 en 1857, de schapen- en de varkensmarkt telkens naar het westen vooruitgeschoven, zoodat de herberg van den heer J. Meyer, welke tegenover de oude Lombardsteeg op het Zaailand stond, ten slotte geheel door de markt was omgeven.

Op den duur werd echter eene radicale verbetering en vergrooting van de veemarkt noodzakelijk. Dit werk hield nu meer in, dan in 1697! Eerst was de Raad voornemens, de veemarkt uit te breiden op het Zaailand, en, daar het huis van Meyer hiervoor een struikelblok zou zijn, kocht de Gemeente in 1870 dit perceel voor fl. 25.000 aan. Het volgende jaar werd het afgebroken, doch na lange Beraadslagingen besloot de Raad in 1872 tot den aanleg eener nieuwe veemarkt in de nabijheid van het station, op het terrein ten noorden van den staats-spoorweg, tusschen de Harlingervaart en de Sophialaan. Dit moest worden opgehoogd en om de daartoe benoodigde aarde te verkrijgen, werden de Wirdumer
poortsdwinger en de “Hooge Berg” gedeeltelijk afgegraven. De veemarkt werd ingericht voor 2.052 runderen, 1568 kalveren, 3.200 schapen en 876 varkens. Op de markt plaatste men een gebouw, waarin een weegtoestel en het kantoor van den marktmeester zijn aangebracht. Den 17en April 1874 werd de nieuwe veemarkt geopend. Zij voorzag zoozeer in eene bestaande behoefte, dat er in genoemd jaar ruim voor 10.000 stuks vee aan de markt kwam dan in 1873.

Sinds dien tijd is de veemarkt, waaraan fl. 86280 ten koste werd gelegd, nog herhaaldelijk verbeterd. Nadat er in 1876 eerst eene woning voor den marktmeester ten oosten van dit terrein, aan de Huidenmarkt, was gebouwd, plaatste men in 1884 eene overdekking met valschermen, bestemd voor 200 koeien, op het terrein. Ten behoeve van het melkonderzoek, dat voor den wederopbloei van den Frieschen boterhandel van zoo groote beteekenis is geweest, stichtte de Gemeente in 1896 een laboratorium voor den zuivelconsulent aan de noordzijde der veemarkt. Het nieuwe gebouw, bij wijze van poort opgetrokken, verkreeg een doorgang als hoofdingang tot de markt en werd beneden tot bureaux voor het veeartsenijkundig- en het politietoezicht, en boven tot laboratorium en spreekkamer van den zuivelconsulent ingericht. Nadat, in 1900, het botercontrolestation aan het laboratorium voor het melkonderzoek was
toegevoegd, zijn deze beide inrichtingen in 1905 overgebracht naar het in dat jaar opgerichte landbouwhuis.

In 1900 heeft men eene strook gronds langs den Zuidersingel bij de veemarkt getrokken en de paardenmarkt hierheen verlegd. Tevens werden er nog twee bascules voor het wegen van vee aangekocht en daarvoor afzonderlijke weeghuisjes op het terrein gebouwd. Eindelijk is de markt in 1904 aanzienlijk vergroot, daar de aanvoer van vee steeds toenam. Het vorige jaar waren er niet minder dan 219.748 stuks vee aangevoerd, d.i. 100.000 meer dan in het jaar der opening aan de nieuwe veemarkt, toen ditzelfde aantal zelfs 119.573 stuks bedroeg. In 1877 had het Gemeentebestuur de perceelen gronds, welke de veemarkt van de Harlingervaart scheidden en eerst aan de heeren dr. M. J. Baart de la Faille en S. E. Oudschans Deutz waren toegewezen, niet opnieuw in exploitatie gebracht met het oog op eene mogelijke
uitbreiding van deze inrichting. Daarvan plukte men nu de vruchten ! De veemarkt beslaat thans eene oppervlakte van 19.880 c.A. Het oorspronkelijke terrein is, met uitzondering van de bovengenoemde paardenmarkt, uitsluitend voor hoornvee ingericht, terwijl de schapen- en de varkensmarkt naar het nieuwe gedeelte zijn overgebracht. Bij deze uitbreiding verdween de Korte Marktstraat. Voor de werken, welke, sedert haren aanleg in 1874, ten behoeve van de veemarkt zijn uitgevoerd, heeft de Gemeente fl. 74950 uitgegeven. Geene opofferingen zijn haar te zwaar geweest om Leeuwardens beroemde veemarkt in goede staat te brengen en vooral te houden.



3. Het Landbouwhuis

De Friesche Maatschappij van Landbouw, in 1852 op initiatief van de Provinciale Staten van Friesland opgericht, heeft veel bijgedragen tot den bloei van den landbouw en de veeteelt in dit gewest. Onder de vele instellingen, welke door haar toedoen tot stand zijn gekomen, behoort die van het Friesch paarden- en het Friesch rundveestamboek in 1879, de stichting van de zuivelschool te Bolsward in 1888, de aanleg van de landbouwproefvelden en van het ardappelkweekveld, de creatie van het ambt van zuivelconsulent en dat van landbouwleeraar, de oprichting van de landbouw-wintercursussen en de landbouw-winterschool, de instelling van het laboratorium voor het melkonderzoek en het botercontrolestation, welke zoo krachtig hebben medegewerkt tot den wederopbloei van Friesland’s veeteelt en zuivelbereiding om van zooveel andere maatregelen, welke zij tot het welzijn van onze provincie op dit gebied heeft genomen, niet te gewagen.

Waren de bureaux van verschillende afdeelingen der Friesche Maatschappij van Landbouw vroeger verspreid, sinds 1905 zijn zij vereenigd in het landbouwhuis op de Willemskade. Dit gebouw, oorspronkelijk een heerenhuis met aangrenzend pakhuis, werd voor fl. 40.000 tot dit doel aangekocht en daarop belangrijk vertimmerd. Thans vindt men in het voormalig woonhuis, buiten de vergaderzaal en het secretariaat der Friesche Maatschappij van Landbouw en de bestuurskamer van de afdeeling Leeuwarden en Leeuwarderadeel dezer maatschappij, de bureaux voor het paarden- en het rundveestamboek, dat van den landbouwleeraar en dat van den Bond van Cooperatieve Zuivelfabrieken, terwijl de bovenste verdieping geheel is ingenomen door het laboratorium. In het vroegere pakhuis zijn thans de zuivel-exportvereeniging en de bibliotheek der Maatschappij gevestigd.

Bij het landbouwhuis behoort een fraaie tuin, waarvan men een gedeelte, grenzende aan de Baljeestraat, heeft afgenomen tot stichting van een gebouw, dat beneden is verhuurd aan de Friesche Pluimvee-vereeniging voor de in 1903 door haar gestichte eiermarkt, welke eerst in het waaggebouw werd gehouden, terwijl de bovenverdieping gedeeltelijk tot pakhuis van den Bond der Coöperatieve Zuivelfabrieken en gedeeltelijk tot redactie-bureau van het Friesche Weekblad, het orgaan der Friesche Maatschappij van Landbouw, dient. Nog heeft deze Maatschappij het belendende huis in de Baljeestraat aangekocht, dat thans beneden in gebruik is genomen door de Pluimveevereeniging, terwijl het boven als woning wordt verhuurd. De oprichting van het landbouwhuis heeft zoozeer aan eene bestaande behoefte voldaan, dat thans reeds het gebrek aan ruimte daarin wordt gevoeld.


4. Het Station

De aanleg der spoorwegen in het noorden van ons land is herhaaldelijk door particulieren beproefd, voordat de Staat krachtens de wet van 18 Augustus 1860, dit werk zelf ter hand nam. Reeds in 1848 had men zich beijverd Harlingen door eene lijn, welke over Leeuwarden en Groningen zou loopen, met Hamburg te verbinden. Zeven jaar daarna verleende de Regeering aan de heeren C.S. Sixma baron van Heemstra c.s. vergunning tot den aanleg van een spoorweg van Harlingen, over Leeuwarden en Zwolle naar Almelo, met een zijtak naar Groningen. In 1856 werd deze concessie aan den heer E.C.J. Dull uit Almelo, en in 1858 aan de heeren Stoett en Reuchlin overgedragen, doch tot de verwezenlijking hunner plannen kwam het niet. Eerst na 1860 werd het werk met kracht door de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen aangegrepen en uitgevoerd.

Men begon tegelijkertijd met den aanleg der lijn van Harlingen over Leeuwarden en Groningen naar Nieuweschans, en met die van Arnhem over Zwolle naar Leeuwarden. De onteigening der gronden, benoodigd tot den aanleg der spoor-wegen in Friesland, ontmoette nergens tegenstand. In 1863 kwam de lijn van Harlingen naar Leeuwarden, op 1 Juni 1866 die van Leeuwarden naar Groningen en van 1 September 1868 die van Heerenveen naar Leeuwarden gereed. Gedurende geruimen tijd heeft Leeuwarden geene andere spoorwegverbindingen bezeten, totdat in 1883 de lijn van Leeuwarden naar Stavoren, en in 1901 de Noord-Friesche Locaalspoor aangelegd werd.

Het was een belangrijke gebeurtenis voor onze stad, dat vertrek van den eersten trein uit Leeuwarden op 16 October 1863! Bij de feestelijke opening van den spoorweg waren, nevens vele andere autoriteiten, ook bijna alle ministers tegenwoordig. Er werd een feestrit naar Harlingen gemaakt en aan redevoeringen en gastmalen ontbrak het niet, terwijl in de met vlaggen getooide stad volkspelen en muziekuitvoeringen, illuminatie en vuurwerk elkaar afwisselden. Den 27sten October werd de lijn voor den gewonen dienst opengesteld. In de eerste maanden maakte men nog gebruik van het hulpstation aan het Hollanderdijkje, daar het station, waarvan de bouw den 29sten Januari 1863 door den heer J.H. Keijzer alhier voor fl. 53.900 was aangenomen, eerst in Februari 1864 gereed kwam. Het bestond uit een hoofdgebouw, met een verhoogde ladingsplaats, brandstoffen-, goederen en locomotievenloodsen en eene rijtuigenbergplaats. Reeds in 1867 moest het worden uitgebreid: bij deze verbouwing, waaraan fl. 46.000 ten koste werd gelegd, verbreedde men de beide vleugels van het hoofdgebouw en bracht eene markieze en stoepen langs de nevengebouwen aan.

Bij de steeds toenemende uitbreiding van het goederenvervoer wees de Regeering, op verzoek van de Kamer van Koophandel alhier, in 1875 Leeuwarden aan tot los- en ladingsplaats van accijnsvrije goederen bij den in- en uitvoer langs de spoorwegen. Daartoe bouwde het Rijk het volgende jaar eene douanenloods op het stationsemplacement, terwijl het Gemeentebestuur zich verbond deze loods, bestaande uit een bergplaats, een vertrek voor de commiezen en eene kamer voor den verificateur, te meubileeren, te verlichten en te verwarmen. Inmiddels was er ook een gebouw voor veestalling op het stationsemplacement verrezen. Deze werd in 1872 door de te Utrecht gevestigde Maatschappij tot exploitatie van Veestallen en Veetransporten aan de los- en ladingsplaats voor het vee gebouwd. Om de koeien vandaar gemakkelijker naar de markt te kunnen vervoeren, verkreeg deze maatschappij van het Gemeentebestuur vergunning om op marktdagen losse barten te slaan over het water, dat den Zuidersingel van het stationsterrein scheidde. Later heeft men deze door een dam vervangen, terwijl de sloot eindelijk, ten behoeve van den tramweg, grootendeels is gedempt.

De opening van den spoorweg naar Stavoren maakte in 1883 eene verandering van het stationsemplacement noodzakelijk. Om de vergrooting van dit terrein mogelijk te maken, kocht het Rijk verschillende aangrenzende perceelen grond aan en moest een gedeelte van de spoorlijn naar Heerenveen in westelijke richting worden verlegd. Het daardoor aangewonnen terrein gebruikte men hoofdzakelijk tot den aanleg van nieuwe spoorbanen en eene veeladingsplaats, en den bouw van eene goederenloods, wachterswoningen enz.

In 1891 onderging het station eene groote verbetering. Niet alleen verkreeg men in het hoofdgebouw, door afbraak, aanbouw en verbouwing, eene meer gewenschte inrichting van wachtkamers en dienstlocalen, maar ook moest de oude markieze plaats maken voor eene geheele overkapping der perrons, welke mede werden uitgebreid. De overkapping strekt zich aan de westzijde ongeveer 95 M. buiten het gebouw uit, terwijl zij aan den oostkant door wanden van glas wordt afgeschoten. De uitvoering van dit werk vereischte eene som van fl. 130.000.

De toename van het spoorwegverkeer maakte in 1904 op nieuw eene vergrooting van het station noodzakelijk. Thans werd de woning van den stationschef, welke de eerste verdieping van het gebouw innam, overgebracht naar een voor dezen ambtenaar gesticht huis aan den Stationsweg. De daardoor verkregen ruimte werd nu, met de bestaande vestibule, herschapen in een flinke hal met hoog koepeldak. Aan deze hal liggen het plaatskaartenbureau en het bagagelocaal. Bij dit werk werden ook de 3de klasse wachtkamer en eenige andere vertrekken, zoowel voor het publiek, als voor het dienstpersoneel bestemd, gewijzigd.

Intusschen was in 1901 het aantal spoorwegen te Leeuwarden met een vermeerderd: n.l. met den Noord-Frieschen Locaalspoorweg, welke door eene particuliere onderneming aangelegd en in de eerste jaren geexploiteerd, in 1905 aan de Hollandsche Ijzeren Spoorweg Maatschappij is overgegaan. De uitbreiding van het verkeer en de vermeerdering der spoorbanen heeft in 1906 eene vergrooting van het stations emplacement tengevolge gehad. Ook hiervoor was aankoop van grond, thans aan de noordwestzijde van dit terrein, noodig. Met dit werk, dat hoofdzakelijk uit den aanleg van ongeveer 5 K.M. spoorbaan, het maken van een dienstgebouw en de vergrooting der loodsen en bergplaatsen voor de locomotieven bestaat, is men in 1906 begonnen. De kosten daarvan worden op ongeveer vier ton geschat. Sedert den aanleg der spoorwegen is het station, zoowel als het emplacement, voortdurend vergroot en uitgebreid en het is te voorzien, dat dit, bij het altijd toenemend spoorwegverkeer, nog herhaaldelijk zal moeten gebeuren.


Terug