Snakkerburen

 

Uit: Langs Dokkumer Ee, tussen Bonke en Ake. Monumenten in en rond Lekkum, Miedum en Snakkerburen. Leeuwarden, 1996. 

625-Snakkerburen-Google Streetview
Snakkerburen Oan 'e Ie, met links de voormalige herberg 'De Sevenster'. Foto: Google Streetview 2010: klik
op de foto voor een digitale verkenningstocht.

Hoe is de opkomst van Snakkerburen te verklaren? We mogen gerust aannemen dat op Snakkerburen reeds op het eind van de Middeleeuwen boeren of in ieder geval koemelkers hebben gewoond. Misschien waren ze op één hand te tellen, maar dit is reeds genoeg om van een buurtschap te spreken en er een naam aan te geven. De naam Snakkerburen, die voor het eerst opduikt in de zestiende eeuw, heeft vermoedelijk te maken met de ligging van de buurtschap op een ten opzichte van Lekkum vooruitstekende strook grond en is dan etymologisch verwant aan plaatsen als Sneek en Snikzwaag. De naam Snakkerburen is zeker niet uniek. Zij is eveneens de naam van een buurtschap ten zuidwesten van Oostermeer. Daarnaast wordt in de provincie Groningen, zowel bij Noordhorn als bij Ulrum, een Snakkeburen aangetroffen, terwijl ten noorden van Workum destijds Snackerbuurt lag, dat naderhand bij die stad is getrokken. In het Register van de Aanbreng (1511) wijst niets op een bestaan van Snakkerburen als ambachtscentrum. Alle personen die onder Lekkum worden genoemd, bezitten land of hebben dat in gebruik. Zelfs „Claes bij dat hoighholt" huurde zeven pondemaat fennen van de gebroeders Cammingha. Het staat niet vast of alle gezinshoofden een aanslag in rekening is gebracht; in menig ander dorp moest althans wèl voor de ‘huussteden’ van niet-agrariërs belasting worden afgedragen. Eerlijkheidshalve moet toch melding worden gemaakt van drie landeigenaars onder Lekkum, die een toenaam dragen die met het uitoefenen van een ambacht verband houdt. Van Jelke Pelser en Fock Olyslager is het echter zeker dat het Leeuwarders waren en van Sittie Backers erven is het aannemelijk. Bakkers namelijk kwamen toen op het platteland nauwelijks voor. De eerste ambachtsman van wie gevoeglijk kan worden aangenomen dat hij zijn vak aan de Dokkumer Ee heeft uitgeoefend, vinden we postuum vermeld in het Beneficiaalboek uit 1543: Heynrick Schoemakers erven. Een volgende middenstander is de door Santema genoemde bakker Isbrant Nanner, die wettelijke bescherming van de overheid aanvroeg voor zijn bakkersmerk, dat in alle broden werd gedrukt: „Op huyden den 2 jan. 1570 heeft Isbrant Nannes, backer toe Snackerbuiren, verclaert dit voergaende merck (..) op sijn brooden te holden en setten". De komst van middenstanders naar Snakkerburen zal in Leeuwarden met gemengde gevoelens zijn gadegeslagen. Volgens Wopke Eekhoff had de stad reeds aan het begin van de vijftiende eeuw „sedert eenigen tijd met leedwezen moeten aanzien, dat een aantal kooplieden, handwerkslieden en andere personen, die zich niet aan de stadswetten en bepalingen der gilden hadden willen onderwerpen, buiten de stad en vooral aan de oostzijde, langs den stroom de Vliet, zich huizen hadden gebouwd, en daarin ten nadeele der stedelingen hun beroep uitoefenden". Toen Leeuwarden begin zestiende eeuw definitief de jurisdictie over dat gebied had gekregen, zullen juist buiten die zogenaamde klokslag nieuwe kansen hebben gelegen. Dit gegeven, gecombineerd met de ligging aan de Dokkumer Ee en de verdere kanalisatie daarvan tezelfdertijd, gaf Snakkerburen de wind in de zeilen. Zo zal Isbrant Nanner ook veel schippers onder zijn klanten hebben geteld, die op doorreis de buurtschap aandeden. En wanneer de stad ’s avonds haar poorten had gesloten, vonden late reizigers nog een warm onthaal bij de hospes op Snakkerburen. Naarmate de bevolking groeide, nam de nering en nijverheid toe en dat trok op zijn beurt weer nieuwe bewoners aan. Op de kaart van Bernardus Schotanus uit 1685 wordt Snakkerburen reeds weergegeven met aaneengesloten bebouwing. Bovendien werd ten noorden ervan een rokend kalkbranderijtje en een ander figuurtje getekend, dat mogelijk een steenbakkerij moest weergeven. Steenbakkerijen langs de Dokkumer Ee kennen een lange geschiedenis, getuige ook de buurtschap Tichelwerk ten noorden van Wijns, die ook al door Schotanus op de kaart werd gezet. Vreemd genoeg vinden we van deze twee bedrijfstakken in het quotisatiekohier (1749) niets terug. Hetzelfde geldt voor een jeneverstokerij, waarvan de gevelsteen ‘In de stokerij’ uit 1737 nog prijkt in de gevel van het dubbele pand Oan ’e Ie 24-25. De ligging van Snakkerburen aan de Dokkumer Ee was voor de ontwikkeling van de buurtschap van even essentieel belang als dat het buiten de jurisdictie van Leeuwarden viel. Zoals verhaald, is de Dokkumer Ee deels op natuurlijke wijze, deels door mensenhand ontstaan. Eenmaal gegraven, vervulde het afwateringskanaal uiteraard ook een verkeersfunctie. Kanalen moeten onderhouden worden, maar in roerige tijden had men geen oog voor deze wijsheid. In het begin van de vijftiende eeuw was de Dokkumer Ee door de vele droogten niet langer bevaarbaar en was de Lauwerszee alleen nog via de omweg langs de Murk bereikbaar. De partijschappen tussen de Schieringers en Vetkopers hadden het land verscheurd en zolang deze twisten aanhielden, viel aan slatten van de Dokkumer Ee niet te denken. Dergelijke karweien vragen een gezamenlijke aanpak en het waren eerst de Saksische hertogen die over voldoende macht en autoriteit beschikten om het werk van hogerhand ten uitvoer te leggen (1503). Nog geen honderd jaar later was het aan de Opstand, het begin van de Tachtigjarige Oorlog, te wijten dat de schippers opnieuw steen en been klaagden, maar zolang de vijand vanuit Groningen en Steenwijk het Friese platteland plunderde, kon niets aan hun klachten worden gedaan. Tijdens zo’n plundertocht ging Lekkum in vlammen op en moesten de inwoners het ontgelden. De Dokkumer Ee vormde toen zelfs enige jaren de frontlinie en in 1585 en 1586 hadden Gedeputeerde Staten een korporaalschap van twaalf soldaten in de kerk van Miedum gelegerd. Eerst na de Reductie van Groningen en de verdrijving van de vijand over de grote rivieren achtten Gedeputeerde Staten de tijd rijp om het slatten opnieuw te verordenen (1597). Ook het Miedumerdiep werd in dat jaar uitgediept. De trekweg westelijk langs de Dokkumer Ee kreeg eveneens een opknapbeurt en toen stond niets de eerste geregelde beurtdienst tussen Leeuwarden en Dokkum meer in de weg. Blijkens de kaart van Willem Loré uit 1735 moest er ook in later eeuwen geslat worden en in Snakkerburen werden op het eind van de vorige eeuw enige voor steenfabricage afgegraven landen met baggermodder opgespoten. Dat de buurtschap bij al dit ingrijpen heeft welgevaren, laat zich raden. Snakkerburen heeft evenwel zijn ontstaan niet alleen te danken aan zijn ligging aan de Dokkumer Ee en net buiten de klokslag van Leeuwarden. Volgens het quotisatiekohier uit 1749 had Snakkerburen de beschikking over een behoorlijke middenstand, terwijl die destijds in de dorpskom van Lekkum en in Miedum geheel ontbrak. Snakker-buren vormde dus het verzorgingscentrum van de agrarische bevolking van deze dorpen. In Miedum woonden op dat moment alleen boeren, elf in getal. De volledige bevolking telde 58 personen, van wie zestien jonger dan twaalf jaar. Helaas worden in het quotisatiekohier van Lekkum de inwoners van Snakkerburen niet apart vermeld, maar omdat de volgorde van de namen volgens een bepaald geografisch patroon werd bepaald, kunnen we toch wel een zekere scheiding aanbrengen. Zo staat het vast dat de dominee en de schoolmeester in het dorp zelf woonden en derhalve zullen ook de doodgraver, de twee arbeiders en de drie weduwen die in hun nabijheid worden genoemd, in Lekkum hun domicilie hebben gehad. De overige 28 niet-agrariërs zullen we in Snakkerburen moeten situeren. Onder hen treffen we een hospes, een assistent (veldwachter), een bakker, twee schoenmakers en een -knecht, twee kuipers, een timmerman, een smid, twee wevers en een -knecht, een koopman, een belastingontvanger, een rentenier, acht arbeiders en ook vier armen aan. Voorts worden elf boeren en vier koemelkers genoemd, die verspreid over het hele dorpsgebied hun bedrijf hebben uitgeoefend. De totale bevolking van Lekkum en Snakkerburen bestond in 1749 uit 183 personen, onder wie 45 kinderen.

Dat de middenstanders zich massaal in de buurtschap langs de Dokkumer Ee vestigden en niet in de dorpen zelf, zal enerzijds te maken hebben gehad met de bereikbaarheid over water en anderzijds met het feit dat in Snakkerburen reeds enige middenstand aanwezig was, die als kristallisatiepunt voor verdere uitbreiding kon dienen. Het mooie van de beschrijving van Lekkum, Miedum en Snakkerburen, die Van der Aa in zijn geografisch woordenboek heeft opgenomen, is dat zij uit nagenoeg hetzelfde jaar dateert als de kaart die Eekhoff maakte van Leeuwarderadeel, namelijk respectievelijk 1846 en 1847. Over Miedum kon Van der Aa bijzonder kort zijn: een kerktoren en twaalf huizen (voornamelijk boerderijen) met ruim zestig bewoners, van wie er twee roomskatholiek waren. In Lekkum en Snakkerburen werden in totaal 64 huizen en boerderijen geteld met een gezamenlijke bevolking van ongeveer 420 inwoners, van wie twintig doopsgezind, drie Evangelisch-Luthers en dertien roomskatholiek. Het merendeel van de bevolking stond te boek als Nederlands-Hervormd; de gemeente Lekkum/Miedum kende 180 lidmaten. In Lekkum bij de kerk stonden zes huizen waarin ruim veertig mensen woonden en Snakkerburen telde 31 huizen met een bevolking van 110 personen (dit laatste getal lijkt te laag; mogelijk betreft het een zetfout en moeten we 210 lezen). Uiteraard schenkt Van der Aa ook ruime aandacht aan de „nette kerk" van Lekkum. Dit kerkgebouw uit 1779 „heeft eenen spitsen toren en is van een orgel voorzien, hetwelk in het jaar 1828 grootendeels uit vrijwillige giften der gemeenteleden is bekostigd". Verder vond hij vermeldenswaard dat de dorpsschool ongeveer zeventig leerlingen telde, dat de steenbakkerij en de ‘windoliemolen’ de voornaamste industrieën waren en dat er zeventien hulpbehoevenden in het in 1837 gestichte armenhuis waren opgenomen. Van dit armenhuis te Snakkerburen, waar in hoogtijdagen zeven oude mensen, elf gebrekkigen en veertien kinderen verbleven, was in 1858 nog één kamer in gebruik. Van de in 1843 afgebroken scheepswerf maakte Van der Aa uiteraard geen melding. Op de jaarvergadering van volksonderwijs in 1949 hield de zestigjarige Bearn Calsbeek een verhaal over het Snakkerburen van zijn kinderjaren, waarbij hij voortdurend aan de naoorlogse situatie refereerde. Dat verhaal is ons overgeleverd. Het negentiende-eeuwse Snakkerburen en de directe omgeving kende veel industrie. Nog juist op het grondgebied van de gemeente Leeu-warden, aan de overzijde van de Bonkesloot, stond de meelfabriek van Wybrandy, waar voorheen een roggemolen had gestaan. In deze fabriek, die in 1889 afbrandde, werkten veel Snakkerbuursters. Later was op deze locatie het betonbedrijf van Hellema gevestigd. Bij de al door Van der Aa genoemde steenbakkerij op de noordoever van de Bonkesloot stonden turfloodsen en de zogenoemde kazerne, die in 1936 afbrandde en waarin door-de-weeks het losse personeel was gehuisvest dat van verre was aangetrokken. Steenfabricage was seizoenarbeid en er kon alleen vanaf het voorjaar tot de vroege herfst worden gewerkt. Nadat dit tichelwerk in 1897 was afgebroken, verrees er een stroopfabriek en nog later de timmermanswerkplaats van Anne Dekenga. Veel Snakkerbuursters waren werkzaam bij de kalkbranderij van Hoegen, die met nog enkele kalkovens aan de overkant van de Dokkumer Ee stond, waar de met tjalken aangevoerde schelpen met lange turf tot kalk werden gebrand. Bij zuidwestenwind was Snakkerburen dan gehuld in een sluier van rook en stank. Ten noorden van Snakkerburen stond de in 1770 gebouwde oliemolen De 3 Gouden Kronen. In tegenstelling tot het tichelwerk was hier in de winter de meeste vraag naar personeel. Na de molen stonden hier achtereenvolgens de fabrieken van Hommema en Tromp. Natuurlijk maakte al dit werk dorstig. Vooral het personeel dat in de kazerne was gehuisvest, had ’s avonds stellig behoefte aan een verzetje. Ook hier was de lokale middenstand voorbeeldig op ingesprongen. In drie bovenzalen van evenveel herbergen kon gebiljart worden en ook het kroegje De Gouden Leeuw bood vertier. Voor wie dit allemaal te duur mocht zijn, kon altijd nog bij een illegale jeneverhandelaar terecht. Toen het merendeel van de fabrieken de poorten sloot, had ook de horeca z’n langste tijd gehad. Als laatste hield ‘De Sevenster’ het begin jaren-zestig van onze eeuw voor gezien. Snakkerburen zag deze eeuw niet alleen de horeca verdwijnen, ook de andere middenstanders en neringdoenden ruimden de een na de ander het veld. In zijn sfeertekening liet Calsbeek diverse timmerlieden, slagers, kuipers, kaashandelaren, smeden, schoenmakers, bakkers, koemelkers, sigarenmakers, scheerbazen, winkeliers, vissers, postkantoorhouders, (turf)schippers en schilders de revue passeren. Snakkerburen had rond 1900 zelfs de beschikking over een eigen brandspuit, waarvoor een speciaal huisje was ingericht, en er woonde een veldwachter, die tevens lantaarnaansteker was. De teruggang treffen we ook aan bij de tuinderijen, die op het eind van de negentiende eeuw opkwamen en waar veel Snakkerbuursters een bestaan in vonden. Rond de eeuwwisseling lagen er maar liefst honderd van dergelijke bedrijven in en rond Leeuwarden, die de stad van groente en fruit voorzagen. Zo was in de vroegere tuin van het buiten Eeburg tientallen jaren lang de gemeentekwekerij gevestigd. Ook ter hoogte van Snakkerburen aan weerszijden van de Dokkumer Ee waren verscheidene tuinbouwbedrijven aan te treffen, waarvan een aantal zich had gespecialiseerd in glastuinbouw. Calsbeek legt een verband tussen de opkomst van de tuinderijen en de neergang van de cichoreiteelt. Anderen wijzen op de vruchtbare baggergrond, waarmee de voor de steenfabricage afgegraven landerijen zijn opgehoogd. Wie nu de telefoongids onder Snakkerburen openslaat, treft nog slechts een groente- en bloemenkwekerij, een tuinarchitect, een aannemer en een organisatie-adviseur aan. Ook Calsbeek had al oog voor het eigenaardige karakter van Snakkerburen in vergelijking met het moederdorp Lekkum. Aldaar woonden de dominee, twee onderwijzers, een timmerman en verder voornamelijk boerenarbeiders, een typisch plattelandsdorp. Naast de reeds genoemde ondernemers en middenstanders was Snakkerburen toch vooral de woonplaats van arbeiders, die al dan niet in een vast dienstverband aan de kost probeerden te komen. Al met al droeg het met zijn industrieën en scheepvaart meer het karakter van een stadswijk en het behoeft dan ook geen verwondering te wekken dat Pieter Jelles Troelstra, de socialistische voorman, er volle zalen trok. In de loop van de negentiende eeuw veranderde de infrastructuur ten noordoosten van Leeuwarden nogal. Het Wynserbinnenpaed, ook wel Miedumer binnenpad geheten, werd eerst door Eekhoff op de kaart gezet (1847) maar zal van oudere datum zijn. In 1958 werd het omschreven als een „smal paadje van gele stenen, dat de schrik is voor bakker, kruideniers en postbodes". Een paar jaar eerder waren de houten bruggetjes vervangen door betonbruggetjes. Het gelijktijdige verzoek om ook de stenen door betonplaten te vervangen, werd door de gemeente afgewezen, maar is inmiddels alsnog ingewilligd. Ingrijpender was de aanleg van de Groningerstraatweg, gestart in 1831 toen het Rijk de Zwarteweg van de stad Leeuwarden overnam. „De straatweg volgde tot Tietjerk grotendeels de oude Zwarteweg, doch van even buiten Leeuwarden tot het tolhuis sneed men, door de straatweg een rechte richting te geven, een belangrijk deel van de Zwarteweg af, die hier met een bocht om Hoogterp liep. Toen nu in 1866 de gemeenten Leeuwarden, Leeuwarderadeel en Tietjerksteradeel besloten een kunstweg aan te leggen van Leeuwarden over Lekkum en Miedum naar Giekerk, kocht eerstgenoemde gemeente daarvoor een stuk van de afgesneden arm van de oude Zwarteweg van het Rijk aan, namelijk dat deel dat tussen de straatweg naar Groningen en het Lekkumerdijkje, op de grens van deze gemeente, ligt. Hierop bracht men de kunstweg aan, die in 1867 werd aanbesteed. Tengevolge van de aanleg van de grintweg naar Lekkum liet de gemeente de Bonkebrug bij Snakkerburen, waaraan thans geen behoefte meer bestond, in 1873 afbreken en werd het Lekkumerdijkje aan de openbare dienst onttrokken en als weiland door de gemeente verhuurd". Zinnen van de vroegere gemeentearchivaris R. Visscher in haar Leeuwarden van 1846 tot 1906. Het volkshuisvestingsprobleem waarmee Leeuwarden na de oorlog kampte door bevolkingsaanwas en krotopruiming, bracht grootschalige uitbreidingsplannen op tafel. Beperkten in de jaren-dertig de toenmalige gemeentegrenzen een forse stadsgroei, die belemmering verdween per 1 januari 1944 toen een forse grenscorrectie met Leeuwarderadeel plaatshad. Nadat in de jaren-vijftig nieuwe woonwijken uit de grond waren gestampt aan de zuid- en oostkant van de stad, richtte de blik van de planologen zich op het gebied ten noorden van de stad. In 1960 nam het gemeentebestuur het besluit het landelijke gebied vol te bouwen tussen de Brédyk in het westen tot de Groningerstraatweg in het oosten, met als noordelijke grens de Kalkvaart of Taniameer en Bonkevaart. Voor het gebied oostelijk van de Dokkumer Ee, het latere Lekkumerend, werden op 3 maart 1965 straatnamen toegekend, die herinnerden aan het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met het bouwen van deze nieuwe stadswijk verdween ook de Oude Lekkumerdijk, waarvan het laatste restant in 1965 aan het openbaar verkeer werd onttrokken. Ter plaatse lopen nu de Krijn van den Helmstraat en de Familie van der Weijstraat. Ook verder oostelijk langs de Groningerstraatweg is de situatie ingrijpend veranderd. De weg zelf is geasfalteerd en deels verdubbeld (1970). In de jaren-tachtig is het roemruchte café Oud Tolhuis verdwenen en het asielzoekerscentrum De Bon-kevaart verrezen. Een geplande stadsuitbreiding in de Bullepolder (met onder meer een universitair complex!) verdween echter in de prullenbak. Met het westelijke deel van het uitbreidingsplan (Bil-gaard) werd eind 1964 begonnen. Op 20 oktober 1965 werd besloten om aan de straten in deze wijk namen van Friese waterschappen te geven. De wijk Bilgaard werd in 1972 voltooid. In de jaren-negentig tot slot werd begonnen met de aanleg van het Leeuwarder Bos in het gebied dat ruwweg wordt begrensd door de Brédyk, de Jelsumervaart, de Dokkumer Ee en de Taniameer. Na de Tweede Wereldoorlog voltrok zich in Lekkum langzaam de ontwikkeling van agrarisch dorp naar forensendorp. Tussen 1960 en 1970 werd een flinke impuls aan het dorpsleven gegeven door de bouw van woningen aan de Buorren, de Terp en de Weme. De uitbreidingsplannen stelden Lekkum nog een forse voortgaande groei in het vooruitzicht, maar uiteindelijk zijn die plannen van tafel verdwenen. In Lekkum diende ruimte te komen voor 150 woningen op termijn en dat was voor de dorpsgemeenschap heel wat acceptabeler dan de drieste cijfers met drie nullen die begin jaren-zestig werden gelanceerd. De planologische gedachten van de jaren-tachtig gingen uit naar een maagdelijk weidegebied tussen het dorp en de Dokkumer Ee, waarbij aanvankelijk nog rekening werd gehouden met de aanleg van een verbinding tussen de Groningerstraatweg en de Harlingerstraatweg, de zogenaamde Noordtangent die tussen Lekkum en Snakkerburen door zou lopen. Dit plan is in de in begin 1996 gepresenteerde Structuurschets Leeuwarden, Open Stad weer verlaten. De komst van een woonboothaven nabij Lekkum bleek ondanks protesten uit de dorpsgemeenschap niet te keren. In 1991 werd tussen het Mearsterpaed en de Dokkumer Ee een speciale haven aangelegd voor acht woonboten die op last van het gemeentebestuur het Bisschopsrak moesten verlaten. De vooroordelen die aanvankelijk heersten over de woonbootcultuur, zijn na vijf jaren geheel uitgewist. Sterker nog, de haven wordt nu eerder als een aanwinst voor het dorp beschouwd. In de jaren-vijftig ging het met Snakkerburen snel bergafwaarts. Snakkerburen vergrijsde en het voorzieningenniveau reduceerde tot vrijwel nul. Sommige arbeidershuisjes verloren hun woonfunctie en vielen aan verkrotting ten prooi. Andere werden benut als pakhuis of kregen een bestemming als autostalling. Om aan deze ongewenste ontwikkeling een halt toe te roepen, werd eind jaren-zestig een werkgroep in het leven geroepen. In 1972 werd de Stichting Snakkerburen een feit. Deze stichting stelde zich ten doel Snakkerburen te behouden en te rehabiliteren. Sindsdien is een en ander ten goede gekeerd. In de loop der jaren is de Snakkerbuurster bevolking met veel nieuw bloed verrijkt. Deze ‘nieuwe generatie’ - als kinderen van hun tijd vaak idealistisch bevlogen en met een positief waardeoordeel over wonen op het platteland - herontdekte op loopafstand van de stad het bijna paradijselijke buurtschapje. Om het saamhorigheidsgevoel te versterken, werden inwoners door de Stichting Snakkerburen intensief bij de plannenmakerij voor dorpsvernieuwing en woningverbetering betrokken. Tot dan toe onbenutte subsidiebronnen werden aangeboord om de in verval geraakte panden op te knappen, te renoveren of te restaureren. Sommige panden werden zelfs op de monumentenlijst geplaatst. Deze positieve ontwikkelingen stimuleerden ook andere bewoners om hun huizen op te knappen, in veel gevallen zonder een financiële injectie van de overheid. De afgelopen jaren is er zelfs op bescheiden schaal nieuwbouw gepleegd, welke aan het totaalbeeld van Snakkerburen geen afbreuk doet. Tot besluit Van de drie dorpen is Miedum in de loop der eeuwen wel het minst veranderd. Het is altijd dezelfde agrarische samenleving gebleven, die het vanaf zijn ontstaan is geweest. In de loop der tijden verloor het zijn kerk en grotendeels zijn terp, maar de toren en de boeren zijn gebleven, al was hun aantal in 1986 tot zes gedaald. Lekkum heeft zijn agrarische karakter enigszins behouden, hoewel het overgrote deel van de tegenwoordige bevolking zijn brood niet langer verdient in de primaire sector. Snakkerburen dankt zijn ontwikkeling aan zijn ligging aan de Dokkumer Ee, net buiten de klokslag van Leeuwarden, en aan zijn verzorgingsfunctie voor de agrarische bevolking van Lekkum en Miedum. In de vorige eeuw kreeg het enigszins het karakter van een klein industrieel centrum met veel middenstand. Eerst na de Tweede Wereldoorlog kregen zowel Snakkerburen als Lekkum een geheel andere functie. Het werden forensendorpen waar middenstand en nijverheid nagenoeg verdwenen zijn.
De relicten van de klokslag van Leeuwarden liggen inmiddels grotendeels verscholen onder de bebouwing, straten, parken, tuinen en parkeer- en bedrijfsterreinen van de Friese hoofdstad. Laten we hopen dat Lekkum, Miedum en Snakkerburen dit lot bespaard blijft, want...

625-Snakkerburen-Google Streetview-2
Snakkerburen Oan 'e Dyk. Foto: Google Streetview, 2010

Afzonderlijke objectbeschrijvingen

Snakkerburen, Oan ’e Dyk (drenkelingenkerkhof)
Waar Snakkerburen ophoudt en vroeger de Modderreed naar Lekkum begon, daar werd in 1873 door de gemeente Leeuwarderadeel een kleine openbare begraafplaats aangelegd op grond die behoorde tot de zogenaamde ‘schoollanden’. Dit waren weilanden in eigendom van de school in Lekkum, die een belangrijke bron van inkomsten vormden voor de hoofdonderwijzer. In genoemd jaar verkocht de toenmalige hoofdonderwijzer Jan Marinus Wildeboer de weilanden aan de gemeente. Hij kreeg er een jaarlijkse vergoeding van ƒ 25,- voor, in die tijd een enorm bedrag. Een gedeelte van de grond werd bestemd voor dodenakker. Omdat bijna iedereen destijds op een kerkhof begraven werd, gebruikte men de begraafplaats in Snakkerburen alleen voor doden waarvan men de identiteit niet kon vaststellen. Zo zouden er rond de eeuwwisseling twee volwassen drenkelingen en een pasgeboren verdronken kind ter aarde besteld zijn. Meint Span, een voormalige doodgraver uit Lekkum, vertelde vroeger, dat wanneer je maar drie stekken in de grond was, het water je al over de klompen liep en dat de doodskisten in het water van de verse graven kantelden. „De minsken fersûpe der twa kear", zo zei men. Een halve eeuw later sprak men in Snakkerburen niet langer over drenkelingen maar over doden op de begraafplaats, nu vijf in getal: twee kinderen, een man die onder een trein kwam en twee Belgische vrouwen die in 1916 of 1917 aan de pest zouden zijn overleden toen zij met een schip in de Ee lagen en Leeuwarden niet binnen mochten. Grafstenen kunnen ons helaas geen nadere informatie geven; ze zijn er simpelweg niet. De begraafplaats werd overbodig toen Lekkum in de oorlogsjaren bij de gemeente Leeuwarden werd ingedeeld. Immers, Leeuwarden beschikte ook over een openbare begraafplaats. Voortaan betaalde de gemeente Leeuwarden jaarlijks ƒ 25,- aan de kerkvoogdij van Lekkum; de grond werd als weilandje verpacht. De iepen er omheen werden vrijwel meteen geveld en het lijkenhuisje, met daarin de zwarte baar, viel in de loop der tijd ten prooi aan vernielzucht.

In de jaren-vijftig was er even sprake van dat de grond als bouwterrein zou worden vrijgegeven. Gebouwd is er echter nooit. Om de herinnering aan de voormalige dodenakker levend te houden en om de akker van het omringende weiland te kunnen onderscheiden, zijn weer lindebomen geplant. De toegang wordt afgesloten door een hekwerk, dat overigens gebaat zou zijn bij een opknapbeurt.


Snakkerburen, Pôllepaed 10 (directeurswoning Hommema)

Van deze aardige vrijstaande villa is al eens gesuggeerd dat de bekende Leeuwarder eeuwwisselingsarchitect Willem Cornelis de Groot de ontwerper is geweest. Het is een woonhuis in zogenoemde vernieuwingsstijl en het dateert uit 1911. Het bestaat uit twee haaks op elkaar geplaatste vleugels met uitgebouwde erkerpartijen. Die met houten stijl- en regelwerk op het zuiden is (uiteraard) niet alleen de grootste maar vormt bovendien handig een door een luifel overdekt balkon voor de daar uitgebouwde verdieping. Kenmerkend voor de architectuur uit die periode zijn beslist ook de afgewolfde schildkappen met oranjerood geglazuurde, platte en gegroefde pannen en de hoekpironnen van zink. De villa is gebouwd door en voor de directeur van een naastgelegen fabriek. Het voormalige bedrijfsgebouw, in hoofdvorm nog aanwezig en herkenbaar in het merkwaardig ogende gepleisterde buurpand, staat op grond die al enige industriële voorgeschiedenis had. Beter uitbeelden dan de kunstenaar Gerhardus du Pon het voor het nageslacht deed, kunnen wij het niet. Du Pon schilderde in 1771 een enorm behangsel met een voorstelling van de Dokkumer Ee, geflankeerd door de boerderij Vierhuis aan de westzijde en een forse molen op een langgerekte onderbouw op de andere oever. Deze molen was de achtkante bovenkruier met woon- en werkruimte, die de rijke Leeuwarder zeepzieder Jan Zeeper hier in 1770/’71 liet bouwen en die bekend stond als „DE 3 GOUDEN KROONEN". Het behangsel heeft ooit bij Zeeper aan de muur gehangen.

De molen bleef overeind tot 1891 of 1892, maar als olieslagerij bleef de firma hier ook daarna voortbestaan. Er werd veevoer geproduceerd, waaronder lijnkoeken, sojakoeken en grondnootkoeken. In 1904 werd Hommema Eskes & Co. te Birdaard eigenaar. Directeur R. Hommema besloot in 1911 tot sloop van de oude en bouw van een nieuwe directeurswoning. Dat werd dus de huidige villa Pôllepaed 10.


Snakkerburen, Oan ‘e Ie 30
Aan de Dokkumer Ee in Snakkerburen staat zomaar tussen woonhuizen, boerderijtjes en bescheiden bedrijfspanden op huisnummer 30 opeens een grote boerenschuur met een rieten dak en een houten gevelvoorzetting boven de begane grond. De kadastrale archivalia wijzen uit dat de bebouwingsgeschiedenis van deze plek terugreikt tot 1844, maar de schuur is een halve eeuw jonger. Vóór 1844 lag op deze plek een moestuin ter grootte van 7 roeden en 40 el in ’t vierkant. De moestuin geraakte in 1837 in handen van timmerman Tetman Pieters Hettema (1792-1866) en die zette er zeven jaar later een huis met een (scheeps)timmerschuur neer. Tegelijkertijd of kort erna verrees op een stuk grond direct ten noorden van het eerste huis een tweede, eveneens met een schuur. Beide huizen werden in 1858 gescheiden verkocht en kadastraal gesplitst in de percelen Oan ’e Ie 31 en Oan ’e Ie 30. De kopers van Oan ’e Ie 30 waren de echtelieden Douwe Ages van der Meulen, arbeider/koemelker, en Trijntje Sikkes Siksma. Douwe Ages zou in 1893 overlijden, maar voor het zover was liet hij omstreeks 1885 het huis afbreken en vervangen door de huidige boerenschuur.


Snakkerburen, Oan ’e Ie 24-25 (In de stokerij)
Gevelstenen zijn kleine monumentjes op zichzelf, monumentjes van beeldhouwkunst in zandsteen. De stad Leeu-warden is er vrij rijk mee bedeeld, veruit de meeste daterend uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar de dorpen beduidend minder. Snakkerburen heeft er in elk geval nog twee gehad. De steen met de inscriptie „DE 3 GOUDEN KROONEN" uit 1770, die het muurwerk van de gelijknamige oliemolen aan de Dokkumer Ee verlevendigde, bevindt zich nu in een muur van het bedrijfspand van K & G Postma aan de James Wattstraat in Leeuwarden. Nog wel in Snakkerburen te bewonderen, is „IN DE STOOKERY - 1737", een eenvoudige rechthoekige steen waarop keurig in rij twee mortieren met vijzel, een vat en een destilleerketel staan tegen een kaal gehouden achtergrond. Deze gevelsteen siert de voorgevel van een dubbele woning die ergens uit de periode 1945-1955 moet dateren.

Nu is er iets vreemds aan de hand. Gevelstenen waren bedoeld om een pand identiteit te geven, beeldmerken om de voorbijganger te laten zien wie er woonde of wat er voor ambacht werd uitgeoefend, zoals we nu naast de voordeur van ons huis een naamplaatje zouden hangen of op de dakrand van een bedrijfshal een forse neonreclame zouden plaatsen. „IN DE STOOKERY" moet afkomstig zijn uit een jeneverstokerij, die gesticht werd in 1737. Nu was in heel Snakkerburen althans in de negentiende eeuw geen stokerij te bekennen, zo heeft men op het Gemeentearchief uitgeplozen, terwijl je toch verwacht dat zo’n bedrijfje een lang leven beschoren is, een leven dat verder reikt dan tot omstreeks 1800. Zou de gevelsteen dan van buiten Snakkerburen komen en hier eigenlijk een misleidend historisch verhaal vertellen?


Snakkerburen, Oan ’e Ie 6a/Oan ’e Dyk
Van alle historische panden in Snakkerburen is Oan ’e Ie 6a een van de oudste. De westelijke voorgevel laat nog gedeeltelijk zien hoe oud: in smeedijzer hangt er een restant aan van het vermoedelijke jaartal 1666 . Het is stellig ook vanwege de hoge leeftijd, dat men ooit besloten heeft om het pand aan te wijzen als rijksmonument. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft de ouderdom destijds overigens rijkelijk onjuist ingeschat: „midden 19e eeuw". Oan ‘e Ie 6a is een zeer diep en verhoudingsgewijs breed en laag pand, evenals de omringende bebouwing oost-west georiënteerd, en met twee fronten, aan de Dokkumer Ee en aan Oan ’e Dyk. Qua opbouw bestaat het simpelweg uit een vrijwel ongedeelde ruimte onder een bijna twaalf meter lang zadeldak tussen twee topgevels. Het zijn twee tuitgevels met vlechtingen, aan de Oan ‘e Ie-zijde op de gebruikelijke wijze afgedekt door een zandstenen afdekplaat. Overigens is het hoogteverschil tussen beide gevels opmerkelijk; het bedraagt al gauw een halve meter als gevolg van het aflopend grondpeil in de richting van het water. De westgevel is nog redelijk gaaf, wat niet gezegd kan worden van de Oan ’e Dykgevel waarin op enig moment na de Tweede Wereldoorlog rucksichtlos een garagedeur is ingebroken. Over de functie(s) is voorlopig het laatste woord nog niet gezegd. In archiefstukken uit het negentiende eeuw wordt het pand meermalen als een pakhuis aangeduid en zo staat het tevens op de monumentenlijst. Weliswaar heeft het overwegend die uitstraling, zowel aan de waterkant als de andere zijde, maar de chique, laat-achttiende-eeuwse paneeldeur in Lodewijk XVI-stijl, voorzien van ornamentiek van hulstbladeren en bessen op de naald en verder kraal- en parellijstjes, wijst toch ook op een woonfunctie. De ramen met een zesruits-roedenverdeling moeten trouwens uit dezelfde tijd stammen. Medewerkers van het Gemeentearchief hebben recentelijk onderzoek naar het pand gedaan. Ze zijn hierbij niet alleen een eind gekomen met het achterhalen van de eigenaars, het is bovendien vast komen te staan dat het perioden lang in elk geval ten dele een woonfunctie heeft gehad want rond 1700 wordt het een „huisinge" genoemd en bij een verkoping in 1877 wordt gesproken over „een pakhuis en twee woonkamers cum annexis". Mogelijk is men, ervan uitgaande dat het jaartal op de gevel inderdaad 1666 is geweest, zelfs de bouwer of tenminste een dochter of andere directe erfgename van de eerste eigenaar op het spoor gekomen: in 1689 werd het huis namelijk door Wiltie Pijtters verkocht aan Claes Bauckes voor de somma van 290 goudguldens.

Vanaf de achttiende eeuw is het pand met regelmaat eigendom geweest van degene die ook de belendingen Oan ’e Ie 6 en Oan ’e Dyk 9 bezat. De meest opmerkelijke bestemming in recentere tijd was die van siroopfabriek tussen 1908 en 1928/’29, waarvoor ook het buurpand Oan ’e Ie 6/Oan ’e Dyk 9 werd benut.


Snakkerburen, Oan ’e Ie 6/Oan ’e Dyk 9
In het zuidelijke deel van Snakkerburen, aan het begin van Oan ’e Ie langs het water, staat bebouwing die doorloopt tot aan Oan ’e Dyk. In sommige gevallen hebben we hier te maken met een enkel, langgerekt pand met twee min of meer volwaardige straatgevels, zoals Oan ‘e Ie 6a, in andere met twee in de loop der tijd samengevoegde of althans in een hand geraakte panden, zoals de woning met de dubbele adressering Oan ’e Ie 6/Oan ’e Dyk 9. Snakkerburen telt weinig rijksmonumenten, maar dit is er een van. In het Monumentenregister heeft het - of misschien moeten we zeggen: hebben ze - de volgende omschrijving: „Pand onder met pannen gedekt wolfdak, eind 18e of begin 19e eeuw. In de gevel aan Oan ’e Ie vensters met zes- en negenruitsschuiframen. Driedelig zoldervenster met getoogd kozijn tussen twee rechthoekige vensters. In de gevel aan de Oan ’e Dyk vensters met zesruits-schuiframen en een zoldervenster met luik. Het interieur bevat betimmeringen met bedsteden, kastdeuren en een schouw in de keuken met Lodewijk XVI-versiering". De indeling van het pand heeft in de loop der jaren talrijke wijzigingen ondergaan, mede als gevolg van wisselend gebruik. Zo heeft het voor opslag gediend, wat nog te zien is aan het luik en aan het iets lager geplaatste raamkozijn op de verdieping. En in de negentiende eeuw heeft een gedeelte van het pand korte tijd een bestemming als herberg gekend, terwijl een ander gedeelte winkelhuis was. Bearn Calsbeek wist in 1949 te vertellen: dat „er in die tijd in Snakkerburen meer borrels werden geschonken als tegenwoordig, blijkt wel uit het feit dat er op de hoek van de Spokesteech ook nog een herberg stond, alwaar P. Bottinga sedert 1865 de scepter zwaaide". De herberg zou een ruime benedenlokaliteit hebben gehad en een bovenzaal waar kon worden gebiljart. Ook was in het pand een hulppostkantoortje gevestigd. De eigenaars-, bewoners- en gebruiksgeschiedenis van Oan ’e Ie 6/Oan ’e Dyk 9 kent talrijke episodes, te veel om op te noemen, maar om een paar kunnen we niet heen. Uit archiefonderzoek is gebleken dat de geschiedenis van dit pand in elk geval terugreikt tot vóór 1714. Op 22 september van dat jaar kochten Hans Tiepkes en Antie Molinius, echtelieden „op Snackerbuijren" „sekere huijsinge cum annexis, staende aldaar, bij Sije Riencks cum sociis bewoont; sijnde vercoght met alles dat spijcker ende nagelvast is, sampt het heerd ijser in de voorcamer ende beijde vuijrplaeten; hebbende de gemene rijdwegh ten oosten, Tijmen van Oosten ten suijden, de Ee ten westen ende Claas Baukes erven ten noorden". In 1861, diverse verkopingen en verervingen later, wist koopman Pier Annes Bottinga de hand op Oan ’e Dyk 9 te leggen en hij liet het daarop vertimmeren tot herberg. Met het verdwijnen van de meelfabriek en het tichelwerk uit Snakkerburen, begon de herberg bij gebrek aan klandizie al snel een kwijnend bestaan te leiden. In 1873 verkocht Bottinga zijn bezittingen, waaronder ook het belendende pakhuis Oan ’e Ie 6a, en vertrok met z’n gezin naar Leeuwarden. In 1908 kreeg Folkert Dekenga vergunning tot oprichting van een fabriek voor de bereiding van zwarte siroop in het pakhuis Oan ’e Ie 6a. De inrichting zou worden gebruikt tot het bergen van verschillende soorten siroop en het bewerken ervan door ze te stoken. Er zou geen machinale beweegkracht worden aangebracht. Het noord-oostelijke deel van de voormalige herberg werd als berg- en werkplaats bij de fabriek getrokken. Het fabriekscomplex omvatte zodoende de beide percelen direct ten noorden van de Spokesteech. Fabriek De Hoop leverde ruim 20 jaar lang siroop in heel Friesland. De siroopfabriek werd in 1928/’29 opgeheven.

In 1976 is het pand volledig gerestaureerd en hebben intern een aantal aanpassingen plaatsgehad met het oog op het wonen. Tien jaar later werd de familie Daan eigenaar, waarna het grotendeels intern is verbouwd naar een plan van architect Gunnar Daan uit Oosternijkerk. De verdieping heeft nu een geheel eigen sfeer, in historisch opzicht niet authentiek. Op de begane grond zijn ondanks de verbouwingen wèl originele elementen bewaard gebleven: de bedsteewand, de keukenschouw en enkele deuren. De huidige eigenaars hebben de woning verworven in 1995.


Snakkerburen, Oan ’e Ie 1 en Oan ’e Ie 2/Oan ’e Dyk 1 (Waterherberg en buurpand)
De geschiedenis van de voormalige waterherberg De Sevenster is altijd nauw verbonden geweest met die van het buurpand. Oan ’e Ie 1 en Oan ’e Dyk 1 zijn niet alleen in dezelfde periode gebouwd maar verkeerden ook vaak in handen van dezelfde eigenaar. De panden behoren tot de oudste huizen van Snakkerburen en zijn beschermde monumenten.

Gebouwen
Vanaf de straatkant is duidelijk te zien dat de panden vroeger min of meer een geheel vormden. De gevelwand is van dezelfde steensoort en stijl van kort vóór 1800. In een belastingregister uit 1797 wordt van beide panden gezegd dat ze „door verbouwing ineen gesmolten" zijn. Gezien de lage huurwaarde van ƒ 36,- moeten we ons niet te veel voorstellen van het complex van bouwsels toentertijd. In 1828 werd het perceel met bebouwing verkocht voor ƒ 1013,60. De koopakte geeft de volgende omschrijving: „eene ruime kamer met eenen uitgang naar buiten ten zuiden en ten westen, met twee ramen ten zuiden en twee ten westen, uitzicht hebbende, vuurhaard met staande en liggende platen, twee bedsteden en een kast, hiernaast een voorhuis met eenen uitgang naar en ligtschepping aan het pad langs de Ee, hierachter eene bergplaats met genoemd voorhuis door eenen gang verbonden, met eenen uitgang en twee lichtscheppingen aan de rijdweg ten oosten; verder is naast gemeld voorhuis eene andere ruime kamer met twee vensters uitziende op de Ee, waarin vuurhaard met staande en liggende platen, bedsteed en eene kast, hiernaast weder een voorhuis met toonbank en winkelplanken - die de koper aan zich zelf behoudt - met ingang en lichtschepping ten westen, hieragter een kamertje met een venster lichtscheppende ten oosten, waarin vuurhaard en bedsteed met uitgang aan den rijdweg ten oosten; over het geheele huis loopt eene zolder". Geheel duidelijk is de indeling niet, maar zeker is wel dat de diverse voorhuizen, „kamers" en de bergplaats of „loods" sinds 1828 meer een geheel zijn geworden. In 1862 was alleen Oan ’e Ie 1 al ƒ 1055,- waard. De toen opgemaakte koopakte beschrijft het complex: „een voorhuis met raam aan de straat dienende tot winkelingang tot een ruime kelder. Een ruime woon- en gelagkamer met 5 schuiframen, haarsteed met staande en liggende plaat, bedsteed, kast en turfkoker. In het voorhuis toegang tot een ruime loods of bergplaats met venster en deur aan het erf. Boven het huis een groote zolder met trap. Ten oosten een erf of straatje met hek en deurtje". Cornelis Dekenga, de nieuwe eigenaar, liet het pand spoedig na aankoop verbouwen. In ieder geval moest hij volgens het koopcontract de deur in de scheidsmuur met Oan ’e Dyk 1 dichtmetselen. De vensters met zesruits-schuiframen waren al eerder aangebracht. In 1885 werden de verschillende vertrekken opgemeten, waaruit bleek dat de benedenkamer 20,6 vierkante meter groot was, het aangrenzend vertrek 19,25 m en de bovenzaal 71 m. In de bovenzaal was een biljart aanwezig. Tot in de jaren-vijftig van onze eeuw was in het noordwestelijke deel van Oan ’e Ie 1 nog een kruidenierszaakje gevestigd. Aan de twee nog aanwezige deuren is te zien dat het zuidelijke deel (de herberg) en het noordelijke deel (winkel- en woonhuis) van het pand afzonderlijk werden benut. De vensterblinden lijken nog authentiek. Binnen is niet veel ouds meer. De bedsteden, het winkelinterieur en de caféruimten beneden zijn verdwenen. De voormalige bovenzaal is ingericht als woonkamer. Behalve de vloer en de balken herinneren slechts een tapkast, rookroosters en haken voor toneelgordijnen aan de herbergperiode. Bovendien zijn estrikken, afkomstig van een van de twee stroopfabrieken die vroeger in Snakkerburen waren gevestigd, hier in de vloer herplaatst. Oan ’e Dyk 1 werd in 1862 apart verkocht voor ƒ 525,-. Het pand bestond toen uit: „een voorhuis met raam ten westen, bedsteed, stellingen met planken, een voorkamer met twee schuiframen ten westen, bedsteed en kribbe, kast, haarsteed met staande en liggende plaat, opgang naar de zolders over het huis. Ten oosten een portaal, kamer met een schuifraam ten oosten, schoorsteen, bedsteed en kastje. Boven een zolder met ladder". Omstreeks 1880 werd het verbouwd tot winkel en koffiehuis. Dekinga, in 1884 voor de som van ƒ 1562,- eigenaar geworden, veranderde de bestemming in woon- en (kaas)pakhuis. De tapkast, toonbank en koffiemolen werden verwijderd. Het voorhuis aan de Eezijde en het achterhuis aan de straatzijde kregen een aparte adresaanduiding. Nog lang werden de beide delen apart bewoond. In 1971 werd het pand met steun van monumentenzorg gerenoveerd.

Eigenaars en bewoners
De tekst op het uithangbord aan Oan ’e Ie: „voorheen herberg De Sevenster anno c. 1775" kan niet geheel letterlijk worden genomen. Althans, al uit archiefstukken van het midden van de zeventiende eeuw blijkt iets van een horecagelegenheid. In 1649 werd Gerrit Cornelis genoemd als bewoner en uitbater van de herberg „alwaer die Sevenstar uijthangt". Waarschijnlijk was vanaf begin negentiende eeuw in ‘De Sevenster’ - overigens een gebruikelijke naam voor een herberg destijds - tevens een winkel gevestigd. In 1805 werd een zekere Rienk Johannes Kramer eigenaar en bewoner van van de toenmalige nummers ‘Lekkum 16 en 17’. Hij stond vermeld als „herbergier en winkelkoopman". In 1862 werd de herberg met bijbehorend woonhuis verkocht aan Kornelis Folkerts Dekenga (ook wel Dekinga). Dekenga was vermoedelijk een paar jaar eerder herbergier en tevens bewoner geworden van Oan ’e Ie 1 (‘51a’). De verkoop vond curieus genoeg eveneens plaats in ‘De Sevenster’. Oan ’e Dyk 1 (‘51b’), waarvan een deel in huur was bij Dekenga, werd in 1862 verkocht aan bakker H.H. v.d. Wal. Kornelis Dekenga, geboren in 1823 te Rijperkerk als zoon van een schipper, ging het voor de wind. De eerste spraakmakende telg van de familie - de Dekinga’s hebben een stevig stempel gedrukt op Snakkerburen - stond omstreeks 1850 nog te boek als arbeider, maar in de loop van de eeuw werd hij reeds betiteld als kastelein, winkelier en koopman. Ook zijn onroerend goedbezit breidde zich gestaag uit. In 1884 verwierf hij Oan ’e Dyk 1, dat tot dan door Douwe Iedema was gebruikt als winkel en koffiehuis. Rond 1890 woonde Kornelis Dekenga met een dienstmeid in Oan ’e Dyk 1, terwijl zoon Folkert in de waterherberg bleef. Omstreeks 1915 was Folkert Dekenga in het bezit gekomen van een achttal huizen en andere gebouwen in Snakkerburen. Folkert Dekenga hield zich vooral bezig met handel in kaas en fourage en vanaf 1908, na de inrichting van een fabriekje (De Hoop) in Oan ’e Ie 6, tevens met stroopfabricage. In 1912 nam Dekenga, inmiddels verhuisd naar Oan ’e Ie 6, ook de stroopfabriek van Arjen Miedema (De Nijverheid) over. Deze inrichting was verrezen op een perceel waar tot 1897 een tichelwerk was gevestigd. Het fabrieksgebouw van ‘De Nijverheid’ bestaat nog altijd maar wordt tegenwoordig bewoond en als timmerwerkplaats gebruikt: Oan ’e Dyk 12. Gedurende een aantal jaren bloeide de fabricage en handel in stroop behoorlijk. Ondanks alle andere activiteiten was Folkert Dekenga ook nog „kastelein" of „koffiehuishouder", maar hij zal de dagelijkse gang van zaken wel aan zijn vrouw of personeel hebben overgelaten. Waarschijnlijk is ook dat hij op een gegeven moment het roer heeft omgegooid en geen sterke drank meer liet schenken. Het ‘uitgaansleven’ in Snakkerburen was intussen drastisch veranderd. Konden er omstreeks 1870 nog vijf kroegen en tapperijen bestaan, door de aanleg van de nieuwe weg naar Lekkum in 1873 kwam Snakkerburen afzijdig te liggen en toen ook de tichelwerken in onbruik raakten, was er geen klandizie meer voor zoveel horecagelegenheden. De herberg van Dekenga bleef echter voorlopig het centrum van het culturele leven van Snakkerburen en Lekkum. De bovenzaal stond vooral bekend vanwege de toneeluitvoeringen en de vergaderingen van dorpsbelang die er werden gehouden. Voor schippers vanuit Leeuwarden bleef ‘De Sevenster’ de eerste pleisterplaats aan de Dokkumer Ee. En bij strenge vorst waren er vele schaatsliefhebbers die bij de herberg een pauze inlasten. In een artikel in de Leeuwarder Gemeenschap uit 1969 werden de moeilijke jaren van de laatste uitbater, J.C. Kabel, beschreven: :„Hij heeft ongeveer een kwart eeuw het dorpscafé De Sevenster te Snakkerburen beheerd en daar heeft hij veel gedaan om het dorpsleven op gang te houden. De zaal die bij het café hoorde werd voor weinig geld ter beschikking van de verenigingen gesteld. Daar kon men alle aktiviteiten bedrijven, behalve het consumeren van alkoholhoudende dranken, want de heer Kabel en zijn vrouw waren onthouders. Het ligt wel voor de hand, dat speciaal het onthouderskoor hier tot bloei kon komen, want in deze kring werd dit voor een café opmerkelijk gemis uiteraard niet gevoeld. In de eerste jaren waren in de bovenzaal de uitvoeringen van dit gezelschap, voorts kinderuitvoeringen van de Lekkumer school enzovoort". Op een gegeven moment kon Kabel het hoofd niet meer boven water houden. Een poging om het café om te vormen tot een dorpshuis mislukte. Toen begin jaren-zestig de voormalige herberg kwam leeg te staan en dreigde te verkommeren, kocht notaris Wierda het pand aan en kreeg het - na een renovatie - een woonbestemming. Vandaag de dag herinneren slechts het uithangbord en de benaming Kastleinshoeke aan de oude herberg.

Terug