Swichum

 

In 1787 werd Swichum als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Swichem is een klein dorp, gelegen aan de meeren en laage landen deezer Grietenye, niet verre van het thans droog gemaalen Warregaaster meer. Vilius Zuichemius was Heer deezer plaatse, en begeever van de Pastorye; hebbende dezelve aldaar verscheiden openbaare gebouwen gesticht, en boven dien eene aanzienlyke Heeren huizinge, met diepe graften omringd, welke naderhand lang door zyne familie bewoond, doch thans byna geheel vervallen is. Swichem heeft 12 stemmen."

Swichum. Foto: Google Streetview, 2010
Swichum. Foto: Google Streetview, 2010: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht!

De geschiedenis

Uit: Open Monumenten in de dorpen ten zuiden van Leeuwarden. Leeuwarden, 1989; auteur: Jaep Dykstra

Tot 1864 was de Ald-Swichumerdyk de enige weg die naar Swichum leidde. Dit modderpad begon op Barrahûs, naast de boerderij met het soldaatje, en passeerde Wirdum aan de noordkant (onder andere langs Eysingastate). Via een losse brug over de Wirdumervaart kon men dan in het dorp komen. Een zeer geïsoleerde ligging, vooral als men bedenkt dat de weg een flink gedeelte van het jaar onberijdbaar was. Van groot belang was dan ook de Swichumervaart, een zijtak van de Wirdumervaart. Pas in bovengenoemd jaar werd de weg naar Wirdum aangelegd en kwam ook een verbinding met de Wergeasterdyk tot stand. Gedeelten van de Ald-Swichumerdyk zijn nog aanwezig, maar door de aanleg van Rijksweg 32 en de Wâldwei is het pad in stukken geknipt. Op het kruispunt in het dorp is "Om’e Tsjerke" nog een gedeelte van die oude weg.

In de zeventiende eeuw wordt Swichum genoemd een "kleyn dorp aen de meeren ende laege landen". Met die meren zullen de Hempenser- en de Grote Wargaastermeer bedoeld zijn. "Laege landen" zal vooral slaan op de drooggevallen meanders die het Oud Diep in de omgeving van het dorp gemaakt had. Het Oud Diep kwam uit de Wouden en mondde bij Barrahûs uit in de Middelzee. Het bruggetje in het fietspad naast Rijksweg 32 (hm paaltje 7.99) gaat over een restant ervan.

De Aytta-familie heeft een sterk stempel op het dorp gedrukt. In de eerste plaats was daar Aytta- of Buckemastate en verder het door Viglius van Aytta gestichte godshuis en de door dezelfde Viglius opgerichte school. Tot 1892 heeft Swichum een eigen school gehad. Het gebouw, een zogenoemd "schoolhuis" (onderwijzerswoning en school onder één dak), brandde in 1971 af. Nu staat er de woning Moskoureed 2. Of de school van Viglius ook op die plaats gestaan heeft, is onbekend.


De kerk
Door het ontbreken van bebouwing rondom manifesteert het kerkje van Swichum zich nadrukkelijk op de grotendeels afgegraven terp. De leilinden uit het begin van deze eeuw en het mooie smeedijzeren hek verfraaien het geheel. Komt men dichter bij het gebouw, dan ziet men dat de kerk en de toren zeer bouwvallig zijn. Het karakter van de kerk wordt bepaald door een interessante lappendeken van bouwstijlen. Het muurwerk bestaat hoofdzakelijk uit kloostermoppen. De kerk, waarvan het schip uit de dertiende eeuw dateert en het koor van rond 1300 kan zijn, is een van de oudste bakstenen kerken van Friesland.

Onder de dakvoet van de kerk bevindt zich een fries; langs het schip loopt vrijwel geheel een rondboogfries (de rij halfronde boogjes) en rond het koor een keperfries. In de zuidmuur ziet men aan de westkant, waar het fries ernstig is beschadigd, dat een aantal stenen waarop de boogjes rusten, bewerkt zijn; een menselijk gelaat is duidelijk herkenbaar.

In de zuidzijde bevinden zich drie, later ingebroken spitsboogramen, die met kleine stenen van rond 1600 zijn opgevuld. Naast het meest westelijke raam is een dichtgemetselde korfboog te zien; hier zal zich een ingang bevonden hebben. Rechts boven de boog zijn nog enkele profielstenen te zien van een waarschijnlijk gotische versiering. Het tweede venster is groter geweest en heeft naar het oosten kennelijk een voorganger gehad. Tussen het tweede en derde venster is een dichtgemetselde, lancetvormige opening te zien. Daarna volgt een verticale bouwnaad, voor een deel aan het gezicht onttrokken door een strook stucwerk. Rechts van het derde venster bevindt zich een bemetseld stuk muur. Op deze plaats heeft zich waarschijnlijk een steunbeer bevonden.

Het halfrond gesloten koor, dat enigszins ingesnoerd is, begint met een spitsboogvenster. Tussen de eerste en tweede steunbeer bevindt zich een vrij gaaf muurgedeelte van in wild verband gemetselde kloostermoppen. Achter de tweede beer zijn aan beide zijden sporen te zien van een rondboogopening. Links van de derde steunbeer bevindt zich ook een spoor van een rondboogvenster. Ter ondersteuning van de dakvoet bevindt zich in de muur van het koor een geprofileerde rand.

Het meest oostelijke vlak van de noordgevel wijkt enigszins naar binnen en is onmiskenbaar later ingevuld. Misschien heeft er een uitbouw gestaan. In dit stuk muur bevindt zich een kleine, rondbogige, dichtgemetselde opening. De noordwand van de kerk bevat een spitsboogvenster en de ingang tot de kerk. De laatste dateert uit de eerste helft van de vorige eeuw. De steunstenen onder het rondboogfries hebben aan deze zijde een rond profiel. Tegen de linkerkant van de westmuur heeft stellig ook een aanbouw gestaan; is dit een lijkenhuisje geweest?

De toren is in de vorige eeuw ommetseld. De voorganger is toen kennelijk flink bekapt, gezien de rankheid van de huidige toren. De zuidingang is gedicht en men kan nu alleen via de kerk in de toren komen. In de toren hangen twee klokken, waarvan de oudste gegoten is in 1438. De jongere is een gietsel uit 1548 door Gherhardus van Wou.

De kerk wordt niet meer voor de eredienst gebruikt en de meeste banken zijn verwijderd. Het interieur is zeer sober. In de vorige eeuw (1856) zijn de eiken lambrisering en de eveneens eiken herenbanken verdwenen. De preekstoel stamt uit de achttiende eeuw. Onder de lezenaar bevindt zich een duif als symbool van de Heilige Geest. Een neoclassicistische betimmering sluit de kerk af van het portaal. In dit portaal heeft het houten tongewelf oude geprofileerde sleutelstukken. Onder de vloer bevindt zich een aantal belangrijke grafstenen, waaronder enige van de familie Aytta.


Aytta-Godshuis
Het Aytta-Godshuis stond ten noordoosten van de kerk. Het was een soort gasthuis en werd in 1572 gesticht door Viglius van Aytta, in 1507 op Barrahûs geboren. Viglius liet het Godshuis oprichten uit dankbaarheid voor zijn oom Bernardus Bucho van Aytta, die hem zijn studie mogelijk had gemaakt en die uit Swichum afkomstig was. Het geld voor de studie was goed besteed. Viglius groeide uit tot een rechtsgeleerde van Europees formaat: hij werd onder andere persoonlijk adviseur van koning Philips II. Naast wetenschapper was Viglius ook een uitstekende financier; hij werd zeer rijk, maar zijn zuinigheid was spreekwoordelijk. Op latere leeftijd begon hij geld uit te geven en stichtte hij gebouwen in Leuven, Gent en Swichum.

Het Aytta-Godshuis was bestemd voor zeven oude armen, die er kosteloos mochten wonen en een uitkering kregen. Als tegenprestatie moesten de bewoners voldoen aan enige kerkelijke verplichtingen. Het gasthuis bestond uit een hoofdgebouw met kamers, dat ongeveer noord-zuid liep. Haaks op dit gedeelte stond een uitbouw naar het oosten. Deze uitbouw diende als bakkerij en slagerij. Het fraaie renaissance gebouw had op alle drie eindgevels een trapgevel.

In de vorige eeuw raakten de fondsen, die Viglius gevormd had en waaruit een en ander betaald werd, uitgeput. Het gebouw verkrotte. Toen verdwenen ook de zijvleugel en de noordelijke trapgevel. In 1912 werd het hele gebouw afgebroken en de onderliggende terpgrond duur verkocht.


Ayttastate
Ayttastate was zoals de meeste andere states gesitueerd op een omgracht terrein. Een dam met een hamei verleende toegang tot de state. Zij bestond uit een rechthoekig bouwwerk met twee lagen onder een schildkap met hoekschoorstenen. Hoewel de state in 1786 al in vervallen toestand verkeerde en de boomsingel grotendeels gekapt was, geeft een schetstekening van J. Gardinier Visscher uit dat jaar ons stellig nog een betrouwbaar beeld. De tekening toont een gebouw met een onregelmatige indeling. Het linker gedeelte heeft een onderkeldering met twee luikjes aan de voorzijde en een poortnisje in de zijgevel. Op de verdieping zijn aan beide zijden ramen aangebracht. Het rechter deel lijkt niet onderkelderd te zijn en bevat een viertal kruisvensters van ongelijke breedte van een zestiende-eeuws model, waarboven de verdieping nog vrij hoge ramen heeft. Bezijden het midden is een grote kapel uit het dak gebouwd. Achter de state bevinden zich een schuur en stalachtige aanbouwen.

Op het terrein tegenover de kerk staat tegenwoordig een boerderij , een van het kop-hals-romptype, die in 1847/’8 moet zijn gebouwd. De overwelfde kelder van de oude state zou daarbij gehandhaafd zijn. Een deel van de grachten en singels is in elk geval nog aanwezig.


De Grote Wargaastermeer
Op de plek, waar de Moskoureed een bocht maakt van 90 graden, bevindt zich de buitenrand van de vroegere Grote Wargaastermeer. De ringsloot en -dijk en de vaart met daarachter het opmerkelijk lage niveau van de polder zijn hier duidelijk te zien. Over de tijd van ontstaan van het meer is weinig bekend. Het zal waarschijnlijk na 1200 geweest zijn. Vrijwel zeker is hier turf gewonnen en hebben water en wind de gegraven petgaten steeds groter gemaakt.

Op initiatief van de rijke Amsterdammer Paulus Jansz. Kley is in 1633 begonnen met de droogmaking. Twee molens aan de oostkant maalden het water over de ringdijk. Dat waren zogenaamde "opwerkmolen", die nog geen schroef hadden maar schepraderen. Een enkele molen was niet in staat het water over de dijk te krijgen en daarom gaf de ene molen het water door aan de andere.

De boeren zullen blij geweest zijn met de inpoldering, want er kwam een eind aan de voortgaande afkaveling van het land en bovendien werd 188 ha grond aan het landbouwareaal toegevoegd. De vissers voelden zich echter in hun bestaan bedreigd. Wirdumer vissers zouden enige malen de ringdijk doorgestoken hebben. Langs de weg door het meer staat een monumentje ter ere van Kley, met onder andere zijn grafsteen.


Het waargebeurde verhaal over Ulbe Wietzes Wiersma (1773-1842), de schrik van Swichum
De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1821-1856)


Links:

Doarpsargyf Wurdum en Swichum

Terug