Wijtgaard

 

Uit: Open Monumenten ten zuiden van Leeuwarden. Ljouwert, 1989; auteur: Henk Nota

Wytgaard, liggend aan en op de oude Middelzeedijk, behoorde vanouds bij het dorp Wirdum. De geschiedenis van Wytgaard loopt vanwege deze verbintenis met Wirdum grotendeels parallel met die van het buurdorp. Alleen op godsdienstig gebied verschillen de beide dorpen wezenlijk van elkaar: Wirdum is een protestants dorp en Wytgaard een oude rooms-katholieke enclave.

Wijtgaard. Foto: Google Streetview, 2010
Wijtgaard. Foto: Google Streetview, 2010: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht!

Wytgaard dankt in feite haar rooms-katholieke parochie aan Wirdum. Gaan we terug tot 1580, het jaar van de Reformatie en de beeldenstormen. De oude parochiekerk in Wirdum viel als een der eersten in handen van de protestanten en het oude rooms-katholieke geloof werd overal verboden. De laatste pastoor van Wirdum, Johannes Popkesz., werd in 1580 verbannen omdat hij niet tot de nieuwe leer overging.

Van 1580 tot 1593 verkeerde de oude godsdienst in Friesland in een desolate toestand. Er waren nauwelijks meer trouwe priesters te vinden en die er nog waren, hielden zich schuil. Omstreeks 1592 kwamen er vanuit de zuidelijker Nederlanden paters Jezuïeten werken. Zij trokken van plaats naar plaats en bedienden heimelijk de weinig overgebleven rooms-katholieke gelovigen. Oenemastate benoorden Wytgaard was een van die plaatsen; de invloedrijke familie Cammingha, die het slot bewoonde, was na de Reformatie het katholieke geloof trouw gebleven. De zo ernstig vervolgde priesters en zendelingen vonden op de state een goed en welkom thuis en hadden voor hun diensten zelfs een huiskapel ter beschikking. Het is dan ook zeker dat de nieuwe rooms-katholieke statie (later parochie) op Oenemastate haar oorsprong heeft gevonden.

In 1609 vestigde zich hier pater Arnoldus Cathuis (Cathz.), geboren te Leeuwarden op 21 december 1576. Hij was van voorname komaf: zijn vader was burgemeester van Leeuwarden. Pater Cathz. wordt algemeen beschouwd als de grondlegger van de statie Wytgaard (1631). Naar hem is in het dorp een straat vernoemd.

De voorspraak en invloed van de in 1719 nog steeds oprecht katholieke Cammingha’s was krachtig genoeg om voor pater Aloysius Byrza toestemming te verwerven tot het oprichten van een gebouw, dat er van buiten als een pakhuis uitzag, een zogenaamde schuilkerk. De eerste steen voor dit gebouw werd in 1719 gelegd door Doeke Jans (Roorda), paardenkoper van beroep. De schuilkerk stond aan de Púndyk naar Wirdum, achter de plaats van de huidige kloostermuur. De latere eigenaar van Oenemastate, Reinier baron van Middachten, liet in 1833 op de schuilkerk een koepel bouwen met daarin een klok van 95 oude ponden. Dat was hoogst opmerkelijk en zeer vererend, de eerste metalen stem in Friesland in een katholieke kerk sinds de onlusten der zestiende eeuw.

Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie (1853) werd het katholieke kerkhof aangelegd (1859) en in 1872 de nieuwe "Cuyperskerk" gebouwd. Voordat in 1921 een eigen katholieke school werd opgericht, gingen de kinderen naar de uit 1863 daterende openbare lagere school die nog steeds, zij het zwaar verbouwd, met haar rondboogtraveeën het dorp markeert. De katholieke Sint Gerhardusschool aan de Buorren is in 1981 verlaten. Kinderen en onderwijzend personeel namen hun intrek in de nieuwe "Teake Jan Roordaskoalle" aan de Tjissema. De eerste naoorlogse nieuwbouw van het dorp is in 1964 tot stand gekomen.

Naast het bekende dorpscafé bezit Wytgaard een eigen dorpshuis (De Twirre) en heeft het een bloeiend sport- en verenigingsleven. Wytgaard, doorsneden door de rijksweg Leeuwarden-Sneek, telt momenteel zo’n zeshonderd inwoners.
 

De rooms-katholieke begraafplaats
In het dekenaat Leeuwarden was, met uitzondering van het eiland Ameland, tot 1859 geen enkele rooms-katholieke begraafplaats te vinden. De katholieke doden werden veelal op algemene begraafplaatsen te ruste gelegd. De gelovigen uit Wytgaard en omgeving vonden een laatste rustplaats op het kerkhof bij de Hervormde Kerk in Wirdum. De parochie St. Nicolaasga had al vanaf 1842 een eigen begraafplaats en in het uiterste zuiden van Friesland dateerde het eerste rooms-katholieke kerkhof te Steggerda (inmiddels opgeheven) uit ongeveer dezelfde periode.

In de tijd dat pastoor Johan von Schelve van Wytgaard plannen maakte voor het derde rooms-katholieke kerkhof in Friesland, moest dat eigenlijk nog heimelijk gebeuren. Hij verwachtte, naar later bleek terecht, veel weerstand van de burgerlijke autoriteiten en van de protestanten. Na veel problemen te hebben overwonnen, werd het kerkhof op 1 juni 1859 ingewijd. In de eerste tientallen jaren daarna werden uit alle hoeken van het dekenaat de katholieken in de gewijde aarde te Wytgaard begraven. Nog steeds staan er gedenktekens van overledenen uit Dokkum, Franeker, Harlingen, Dronrijp, Irnsum, Oosterwierum, Warga en vooral uit Leeuwarden. Alleen al in 1875 vonden er niet minder dan 75 begrafenissen plaats. Uit deze tijd stamt de bijnaam van de Wytgaarders: de "gleskenuvers", omdat ze van achter hun vensters de vele begrafenisstoeten gadesloegen.

Later kregen andere parochies ook eigen begraafplaatsen en nam de wens om in Wytgaard begraven te worden, sterk af. Het kerkhof is in 1984 bij de herdenking van het 125-jarig bestaan grondig opgeknapt en heringericht. Er heerst, evenals vroeger, een vredige en waardige sfeer.
 

De voormalige "Cuyperskerk"
De oude schuilkerk uit 1719, sinds 1853 gewijd aan Maria ten Hemelopneming, was anderhalve eeuw later in een vervallen toestand geraakt. In 1870, onder het pastoraat van Johannes von Schelve (1852-1880), startten daarom de voorbereidingen voor de bouw van een nieuwe grote kerk. De benodigde grond was geschonken door jonkheer Vegelin van Claerbergen uit Joure. Dankzij zeer grote offers van de parochianen kwam er voldoende geld beschikbaar om de vermaarde architect P.J.H. Cuypers opdracht te geven een ontwerp te maken voor een neogotische kruiskerk met een grote toren. Met de bouw werd in 1871 aangevangen en op 21 oktober 1872 kon de prachtige kerk geconsacreerd worden door Mgr. A. Schaepman, aartsbisschop van Utrecht. Vele milde gaven maakten in 1875 de aanschaf van drie klokken en een slaguurwerk voor de toren mogelijk. De klokken werden toegewijd aan paus Pius IX, Maria en Jozef, en ontvingen de inscriptie "Een offer van Wijtgaards pastoor en parochianen 1875". In de navolgende jaren zijn door de parochianen veel goederen, zoals meubels, beelden en gebrandschilderde ramen aan de kerk geschonken.

De oude pastorie naast de inmiddels afgebroken schuilkerk werd in 1928 door pastoor W. de Groot vervangen door een grote nieuwe pastorie. Die verrees zuidelijk naast de Cuyperskerk op de plek van de in hetzelfde jaar gesloopte armenhuizen, in de volksmond "it âlde kleaster" geheten.


Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn de drie zware klokken door de Duitse bezetter weggehaald uit de toren en naar Duitsland getransporteerd. In 1957 heeft de parochie nieuwe klokken aangekocht.

De kerk raakte in deze periode danig in verval en in 1950 werd een rapport opgemaakt met een kostenberekening voor herstelwerkzaamheden. Die zijn echter nooit uitgevoerd. Pastoor H. Meekes gaf in 1960 de eerste aanzet tot plannen voor een nieuw kerkgebouw en stelde de ruime pastorie ter beschikking aan de Zusters van Liefde, die er in augustus 1961 het klooster "Mater Dei" vestigden. De plannen voor een nieuwe kerk werden door het bisdom en pastoor H. Dierkes verder uitgewerkt en op 11 oktober 1965 werd in de toen jongste dorpsuitbreiding de eerste steen gelegd. De oude Cuyperskerk, nog geen honderd jaar oud, met zijn fiere slanke toren, zijn fraaie glas-in-loodramen, kruiswegstaties en beelden moest worden afgebroken. De toren viel op 11 november 1966 door een lading dynamiet. Een zwarte dag in de geschiedenis van Wytgaard.

Veel parochianen konden zich niet met de afbraak van de monumentale neogotische kerk verenigen, temeer omdat zij helemaal geen inspraak hadden gehad. Tal van inventarisstukken, zoals de kruiswegstaties en de ramen, zijn helaas vernietigd. Enkele beelden staan thans in de rooms-katholieke kerk te Workum, de doopvont in de hervormde kerk te Stiens en de schitterende gebeeldhouwde preekstoel in een museum te Utrecht. Van de kerk zijn gelukkig vele foto’s bewaard gebleven, foto’s om te laten zien dat zoiets nooit weer mag gebeuren.
 

Jaring Walta
Jaring Walta, de bekende schilder uit Wytgaard, werd als zoon van een vrachtrijder geboren op 12 maart 1887 te Blauwhuis. Op jonge leeftijd koos hij voor het vak van huisschilder en maakte aanvankelijk verfkwasten en -potten schoon voor zijn baas. Hij kwam in 1910, net getrouwd met Berber Rypma, naar Wytgaard waar hij aan de Buorren een schilderszaak en lak- en spuitinrichting dreef. Bovendien was hij hier scheerbaas en verkocht hij sigaren. Walta had een grote liefde voor de natuur en voor muziek en las veel boeken. Geïnspireerd door deze gaven kreeg hij aardigheid in het kunstschilderen en nam hij tekenlessen aan de avondschool te Leeuwarden.

Samen met zijn al even bekende oom Germ Rypma kopieerde hij doeken van beroemde meesters in musea en maakte hij contact met andere schilders, zoals Andries van der Sloot, Gerrit Benner en Hans van der Schaaf. Ook kreeg hij contacten met Douwe Kiestra, Reinder Brolsma en S. Sipma, allen begaafde schrijvers.

Walta maakte stillevens, landschappen en portretten, waarin hij probeerde het karakter van de mens te treffen. Hij kreeg goede kritieken op zijn werk, maar bleef bescheiden, schuwde de publiciteit. Bij veel Wytgaarders is de herinnering aan de markante, geestige persoonlijkheid gebleven. De kunstenaar overleed op 19 november 1971.


Oenemastate aan de Brédyk
De geschiedenis van Oenemastate is boeiend, doch ingewikkeld. Er zijn namelijk twee states (of stinsen) geweest. Groot Oenema werd ook wel Camminghastate genoemd. Deze state, het slot met de daarbij behorende gebouwen, stond het noordelijkst en lag aan de oude Middelzeedijk, thans de Brédyk. Eertijds markeerde een poort de toegangsweg, waarvoor een ophaalbrug lag - het slot was omgeven door een brede grachtensingel. Het is een groot slot geweest met twee vleugels, een menigte grote kamers en een huiskapel. In 1436 - het slot is dan vermoedelijk al zeer oud - woonde er ene Wytze Oenema met zijn vrouw His Sjaerdema. Zij hadden vier kinderen, namelijk Feijcke, Oene, Wick en Tieth. Ongetwijfeld is de naam van het slot afkomstig van deze familie.

Oene Oenema verloor het leven in 1463 nabij Irnsum in de zogenaamde Donia-oorlog, de strijd tussen de Schieringers en Vetkopers. Oene’s zus Wick trouwde met Watzes Abbes Dekema. Hun nazaten (de Cammingha’s) hebben steeds op de state gewoond. De tweede zuster, Tieth, huwde Jelger Feytsma thoe Jelgersma. Dit echtpaar en hun kinderen bewoonden de zuidelijke state, die we als Oud- of Kleine Oenemastate kennen.

De beroemde generaal Wytze Watze van Cammingha woonde in 1584 op de noordelijke state. In 1821 zijn de poort en een groot gedeelte van de state afgebroken. Het resterende bezit was na 1821 in handen van Tjalling Minne van Asbeck, de schoonvader van Reinier baron van Middachten. Het restant van het eens zo roemrijke slot van de Oenema’s en de Cammingha’s is in 1920 gesloopt, de grachten zijn toen gedempt en het land behoorde vanaf dat moment bij de zuidelijke state.

De zuidelijke state werd in 1700 bewoond door kolonel Koenraet van Unckel, nazaat van de Cammingha’s. In 1755 stond Oud- of Klein Oenemastate te koop en is een groot gedeelte afgebroken. Het is aannemelijk dat een lid van de familie van Middachten toen op deze plek een nieuwe boeren- of herenhuizinge heeft laten bouwen. Op 15 november 1844 brak er brand uit op Oenemastate. De verwoeste opstallen waren dubbel verzekerd, bij de toenmalige verzekeringmaatschappij O.B.A.S. en Woudsend, en dat betekende "niet verzekerd". Jarenlang heeft het terrein een troosteloze aanblik gegeven, omdat de verzekeringmaatschappijen in een juridisch gevecht waren verwikkeld.

Pas in 1848 is de statige huizinge gesloopt. Op dezelfde plaats verrees een nieuwe stelpboerderij, die in 1908 is aangekocht door Sjerp IJsselstein. De familie IJsselstein heeft de boerderij tot 1982 bewoond. Er werd toen al jaren geen boerenbedrijf meer uitgeoefend. Daarna is het gebouw verkocht aan de familie Jakobs, die het exterieur heeft laten restaureren. De huidige Oenemastate, haar oude, nog zichtbare en opnieuw beplante singels en grachten, en de prachtige tuinen zijn restanten van een glorieus verleden.


Overige items

Verslag van Doeke Wijgers Hellema (1766-1824) over het algemeen gebruik en levenswijze van de boerenstand in het begin van de 19de eeuw
Branden in Wirdum en Wytgaart (1803-1873)
De soldaat van Barrahuis
De dagboeken van Doeke Wijgers Hellema (1821-1856)

Links:

Doarpsargyf Wurdum en Swichum
Dorpsbelang Wytgaard

Terug