Het voormalige Ritske Boelema Gasthuis aan de Monnikemuurstraat

Door: L.F. van der Laan


Historie

Kort na 1500 werd het ’Zoete-Name-Jezus-Gild’ gesticht, uit de erflating van Wick Heentiama die bij de Brol woonde. Het gilde stelde zich ten doel “den nood der behoeftigen door werken van liefde te lenigen”, zoals stadshistoricus Wopke Eekhoff in 1849 schreef. Zorg voor armen dus, in eerste instantie door ze te voorzien van levensmiddelen, kleren en dergelijke. Het startkapitaal was het legaat van Wick Heentiama, die bij testament 1200 dukaten aan het gilde vermaakte. Nadien groeide het vermogen door nalatenschappen van andere kapitaalkrachtige burgers van de stad.
In 1539 kreeg het gilde bij testament van Lieuwe Pieters Oosterzee en Saapk Rinthie een eigen onderkomen en 18 rondom staande woninkjes achter de Nieuweburen en nog diverse woninkjes Bij de Put, de Breedstraat, de Slotmakersstraat en de Speelmansstraat. In 1547 was de belangrijkste schenking die van Ritske Boelema en hij bepaalde dat er een gast- of proveniershuis of hofje moest worden toegevoegd aan de bezittingen van het gilde. Eerder al had Boelema enkele huisjes aan de Speelmansstraat geschonken en deze werden reeds Ritske Boelema Gasthuis genoemd. In 1548 kreeg het gilde toestemming de erfenis van Boelema te aanvaarden en werd ze als instelling erkend. Bij de Hervorming in 1580 werd het gilde opgeheven en ging de instelling verder onder de naam Ritske Boelema Gasthuis.

In 1598 kocht men een groot huis met schuur op de hoek van Monnikemuurstraat en Bij de Put van Dirck Hobbes Baerdt. Het huis werd met toestemming van het stadsbestuur verbouwd tot gasthuis. De bezittingen aan de Speelmansstraat werden verkocht. In 1623 werd het hoekpand uitgebreid langs de Monnikemuurstraat en in 1631 kon het belendende huis ten noorden aan de Monnikemuurstraat verworven worden. Hier verrees een nieuw pand, identiek aan het deel uit 1623 en daarvan gescheiden door een fraai classicistisch entreepoortje. Het aantal kamers kwam zo op 16. In 1639 werd op het achterterrein een reeks van tien kamers bijgebouwd, waardoor het complex de vorm van een hofje kreeg rond een eigen binnenplaats. Kleinere aanpassingen volgden nadien (in de eerste helft van de 18de eeuw kregen de panden nieuwe vensters met ramen met een kleine roedenverdeling, deels binnen de 17de-eeuwse kozijnen, deels in nieuwe kozijnen) maar pas in 1823 bij het tweehonderdjarig bestaan van het gasthuis op deze plek kwamen er nogmaals twee kamers bij. In 1840 had de laatste uitbreiding plaats, met vier kamers, zodat op dat moment aan 32 arme oude vrouwen onderdak werd geboden.
Tien jaar later verhuisden de bewoners naar een nieuw gasthuiscomplex aan de Turfmarkt, gebouwd door architect Frederik Stoett. Het oude gasthuis verkeerde op dat moment waarschijnlijk niet meer in al te beste bouwkundige staat en bovendien zullen hygiënische beweegredenen van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor het optrekken van een modern gebouw met goede sanitaire voorzieningen.
Het complex aan de Monnikemuurstraat werd verkocht en opgesplitst in kleinere eenheden. Woningen maar ook een timmerwerkplaats kregen er een plek. De zuidelijke helft van het hoekpand werd afgebroken en in plaats daarvan verrees rond 1870 een statig twee verdiepingen tellend pand met een beneden- en een bovenwoning. Rond dezelfde tijd kreeg dit pand een verbinding met de achterliggende ’camer’, welke bij die gelegenheid waarschijnlijk met een verdieping is verhoogd.
De rest van het complex bleef weliswaar in gebruik voor bewoning maar de bouwkundige staat ging achteruit. Een paar jaar na de inwerkingtreding van de Woningwet volgde de onbewoonbaar verklaring. Tussen 1905 en 1910 werd het noordelijke pand vervangen door een twee bouwlagen tellend dubbel pand met onder winkels en boven woningen, welke deels werd uitgebouwd in de voormalige binnenhof. Van de bijbehorende achterhuisjes werden de kappen vernieuwd en verhoogd. De niet-bewoonde timmerwerkplaats (de noordelijke helft van het zuidelijke pand) en de bijbehorende kamers op het achterterrein bleven voor sloop gespaard.

Beschrijving Bij de Put 14

Fors hoekpand uit ca. 1870 met een beneden- en bovenwoning met de voorgevel aan Bij de Put en de zijgeval aan de Monnikemuurstraat. Twee bouwlagen tellend hoofdpand met kap, met kelder onder noordoostelijk gedeelte. Met de oostgevel deels grenzend aan binnenplaats, alwaar een later aangebouwd, smal en twee verdiepingen tellend volume de verbinding vormt met een klein achterhuis van twee verdiepingen met kap.


Exterieur

Het pand heeft een twee bouwlagen hoge en drie raamvakken brede classicistische gevel, beëindigd door een forse houten lijstgoot met hieronder een vlakke gepleisterde architraaf. De openingen hebben getoogde bovendorpels en vlakke gemetselde hanenkammen. Op de begane grond aan de rechterzijde een onder een hanenkam samengevat breed deurkozijn met toegangsdeuren voor de onder- en de bovenwoning en bovenlichten. De geprofileerde gelakte mahoniehouten deuren (mogelijk jaren ’50) hebben een kleine glasopening. Van de schuifvensters zijn de bovenramen nog origineel en grotendeels voorzien van oorspronkelijk glas. De onderramen zijn gemoderniseerd en ontdaan van de oorspronkelijke verdeling. De kozijnen liggen verdiept in de gevel en hebben een forse uitstekende onderdorpel. Het bruine metselwerk is zeer verzorgd uitgevoerd in staand verband met gesneden voeg, een gepleisterde plint, hanekammen boven de gevelopeningen en blind ankerwerk. Op de gootlijst staat een dakkapel welke nog de oorspronkelijk vormgeving en detaillering bezit, met een tweedeling als bij de toegangsdeuren, naar binnen draaiende onderramen en vaste bovenramen. De dakkapel heeft een plat dak met geprofileerd lijstwerk en met zink beklede wangen met trotseerloodjes. Evenwijdig aan de voorgevel loopt een schilddak, waarvan het voorste dakvlak is gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen en de nokken zijn afgedekt met geglazuurde vorsten. De met zink beklede pinakels aan de uiteinden van de nokken zijn (te) fors uitgevoerd.
De zijgevel is eveneens geleed in drie raamtraveeën en eindigt met een eenvoudige blokgoot op houten gootklossen. De gevel is echter niet symmetrisch ingedeeld. Aan de rechter zijde twee getoogd gesloten vensters, zoals in de voorgevel afgedekt met een eenvoudige rollaag, dan een blind stuk metselwerk waarachter de schouwen zich bevinden, en dan twee maal twee eenvoudiger vensters met vlakke bovendorpel en rollaag. Van de schuifvensters zijn de bovenramen nog origineel. De onderramen zijn gemoderniseerd en hebben de oorspronkelijke verdeling verloren. Het in verband met de voorgevel gemetselde, roodbruine metselwerk is uitgevoerd in kruisverband met een voeg met dagstreep, rollagen boven de gevelopeningen en rozetankers ter hoogte van de balklagen. Boven de bakgoot aan de zuidzijde een gemetselde schoorsteen met afdekkende rollaag en boven het middelste raamvak een eenvoudige dakkapel met hijsbalk en een raam met de oorspronkelijke roedeverdeling. De wangen van de dakkapel zijn met zink afgedekt en een eenvoudige vlakke boei omgordt het platte dakje. Het zijvlak van het schilddak is eveneens gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen en de nok met geglazuurde vorsten. Het achterste dakvlak heeft de vorm van een zadeldak, ligt ten opzichte van het schilddak terug en eindigt in een slordig opgemetselde topgevel. Het vlak is gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen. De achtergevels zijn eenvoudige lijstgevels van twee bouwlagen, waarbij het verbindingsvolume met het achterhuis minder hoog is. De gevels zijn alle gepleisterd en wit geschilderd. De vensteropeningen van het hoofdpand corresponderen met die in de straatgevel al zijn de twee linker later deels dichtgezet ten behoeve van het verbindingsvolume. Ter hoogte van de kelder zijn twee kleine vensters uitgespaard. Een bakgoot met houten klossen sluit het metselwerk van voor- en achterhuis af. Op de oostelijke dakvlakken van het voorhuis liggen bitumen shingles en steekt een gemetselde schoorsteen door het vlak van het zadeldak. Van het achterhuis maakt de onderbouw deel uit van de oorspronkelijke ‘cameren’, in de 19e eeuw met een verdieping en een kap verhoogd.
Aandachtspunt interieur: in de tussenbouw is een 17e-eeuwse ontlastingsboog met zandstenen blokken zichtbaar in de achtergevel van het naastliggende pand Bij de Put 12.

Monnikemuurstraat 72: Complex gebouwen en aanbouwen met werkplaats en opslag van voorheen installatiebedrijf Wybenga. Hoofdpand bestaat uit één bouwlaag met een langskap, een steil zadeldak met een noordelijk topgevel grotendeels stammend van 1623. De voorheen open zij- en achterhof zijn op eenvoudige wijze overkapt met platte daken.

EXTERIEUR: Eén bouwlaag hoog met aan de zuidzijde een uitgemetselde kajuit met hijsdeur, restant van de oorspronkelijke Vlaamse gevel, en aan de noordzijde de opgemetselde schouder van de noordelijke topgevel. De onderbouw is rond 1910 gemoderniseerd door er een halfsteens gevel voor te zetten met onder schoon metselwerk en boven de vensters een gepleisterde borstwering met uitgespaarde hanenkammen. Ongeveer in het midden een dubbel deurskozijn met middenstijl en ter weerszijden een fors historiserend raamkozijn, waarvan het linker exemplaar opgedeeld wordt door een kalf, met 15-ruits onderraam en 10-ruits bovenraam. In de linkerpenant is in 1992 een door Hans ’t Mannetje vervaardigde gevelsteen opgenomen met de tekst “Ritske Boelema Gasthuis 1623 - 1849” en een afbeelding van het gasthuis in gereconstrueerde vorm omstreeks 1650. De gevel wordt afgesloten door een houten bakgoot met klossen en een houten architraaf. Het steile dakvlak is gedekt met gesmoorde oude holle pannen.
De zijgevel is een tuitgevel met schouders en bekronende pinakel en afgedekt met zink en trotseerloodjes op houten planken. De schouders worden afgedekt door geprofileerde zandstenen schouderstukken. Het onderste deel van de gevel wordt deels afgedekt door een overkapping. Onder de overkapping is de gevel gepleisterd en is de aftekening van een centrale, later dichtgezette deur zichtbaar, evenals een aantal elkaar deels overlappende openingen / luiken. Boven de overkapping is het pleister deels van het 17e-eeuwse metselwerk gevallen en is de ontlastingsboog met zandstenen blokken van de voormalige deuropening zichtbaar. Daarboven is de geprofileerde zandstenen waterlijst nog nagenoeg geheel intact. De rest van de gevel boven de waterlijst is gepleisterd. Ter hoogte van de verdieping zitten twee vensters met middenkalf, waarvan de linker onder een oud 10-ruits en boven een nieuw 8-ruits raam heeft, en de rechter boven een 8-ruits en onder 2-ruits raam heeft. Oorspronkelijk hebben de twee vensters boven 8-ruits ramen en onder twee luiken gehad. In de top van de gevel zit een hoog venster wat onder is dichtgezet met een niet oorspronkelijk luik en bovenin met een oud, niet oorspronkelijk 9-ruits raam. Op de gevel zitten verder nog zeven grotendeels complete 17e-eeuwse gesmede knopankers met lelietop en een zinken vergaarbak.
De achtergevel is een eenvoudige lijstgevel van één bouwlaag, welke voor een deel is afgedekt door een platte aanbouw. De gevel is gepleisterd en wit geschilderd met nog een aantal eenvoudige schootankers. Vlak onder de overkapping is een oude ontlastingsboog met zandstenen blokken zichtbaar welke niet correspondeert met het eronder zittende venster. Beide nog aanwezige vensters hebben iets boven het midden een kalf, waarboven een voorliggend 8-ruits raam, en waaronder sponningen voor luiken en een 12-ruits binnenraam. Van het rechter venster is het onderraam verdwenen. Aan weerskanten van de vensters zitten smalle deurkozijnen, waarvan de linker in de negentiende eeuw is voorzien van een bovenlicht en waarbij de opgeklampte deur is voorzien van sierlijsten. De blokgoot rust op negentiende-eeuwse smeedijzeren gootbeugels en het dakvlak is voorzien van een rode verbeterde holle pan.
Via een smalle doorgang is er een verbinding met een recente overdekte stalling, welke op de plek staat van een rond 1970 afgebroken zeventiende-eeuws pand, wat mogelijk ook deel uitmaakte van het gasthuiscomplex. Restanten van dit pand zijn opgenomen in de stalling, waarvan de zuidoostelijke gevel van zorgvuldig rood metselwerk in kruisverband voorzien is van een merkwaardige dichtgezette opening met een driepas-sluiting.

INTERIEUR: Entree. Na de voordeur is een kleine recente gang afgescheiden naar een doorbraak naar het hoekpand. Werkplaats. De rest van de begane grond is één grote ruimte met een oorspronkelijk enkelvoudig eiken balkenplafond en gepleisterde wanden. Op de balklaag is de aftekening van de oorspronkelijke indeling nog af te lezen, namelijk een middengang afgescheiden door halfsteens gepleisterde muren. Een centrale onderslagbalk vangt nu de balklaag op, waarvan een aantal een later aangebrachte console hebben, voorzien van een eenvoudig ojief. Verdieping. Een steile steektrap leidt naar de eerste verdieping waar zich de grotendeels 17e-eeuwse kap openbaart. Deze bestaat uit een Hollands stapelspant met eikenhouten krommers ten behoeve van de borstwering en grenenhouten dekbalken en vlieringen. De sporen zijn van grenenhout, evenals de brede halfhouts overlappende 17e-eeuwse vloerdelen. Aan de westzijde bevindt zich de gemetselde dakkapel, welke een restant is van de 17e-eeuwse Vlaamse gevel, waarvan de kilkeper nog aanwezig is in de kapconstructie. De brede hijsdeur zit in een kozijn wat een aantal maal is aangepast. Mogelijk is de basis nog het oude venster met boven en onderraam van de foto uit 1900. In de noordelijke buitenmuur zitten twee vensters met middenkalf. Ze zijn nog zeer gaaf en dateren mogelijk uit het midden van de 18e eeuw. Ze hebben de oorspronkelijke profilering tbv een 10-ruits raam boven en onder twee luiken. Inmiddels zijn de ramen al enkele malen vernieuwd en de luiken verdwenen. Kapverdieping. Op de kapverdieping zet de kilkeper van de voormalige Vlaamse gevel zich voort. Hier zijn de hanenbalken tbv de doorgangshoogte losgezaagd en op de vlieringbalk weer aangebracht. Ze zijn met de spantbenen gekoppeld door middel van elders aangevoerde verzaagde gecanneleerde pilasters. In de zuidelijke scheidingsmuur bevinden zich een aantal dichtgezette openingen waarvan niet geheel duidelijk is waarvoor ze gediend hebben. In de noordelijke buitenmuur zitten een drietal vensters. De twee onderste kozijnen met middenkalf zijn nog zeer gaaf en dateren mogelijk uit het midden van de 18e eeuw. Ze hebben de oorspronkelijke profilering tbv een 10-ruits raam boven en onder twee luiken. Inmiddels zijn de ramen al enkele malen vernieuwd. Het kozijn ter plaats van de kapverdieping is aan de onderzijde vernieuwd en mogelijk verlengd, maar verder grotendeels van de bouwtijd. Oorspronkelijk heeft ook deze een middenkalf gehad, en dus boven een raam en onder een luik. Mogelijk dateert huidige luik nog van de bouwtijd. Het metselwerk op de verdieping lijkt, voor zover zichtbaar, uitgevoerd te zijn in gemêleerde geeloranje baksteen met rode speklagen.

KAMERREEKS OP HET BINNENTERREIN: Achter de panden Monnikemuurstraat 72 en 80-82 belangrijke restanten van de reeks kamers uit 1639, deels eenlaags, deels nog met een kap, met ernaast een doorgang naar de achter nummers 80 en 82 gelegen overdekte stallingsruimte, ook bereikbaar via een doorgang noordelijk van nummer 82. De bouwmassa is 17e-eeuws maar de ramen met kleine roedenverdeling zijn het resultaat van een 18e-eeuwse modernisering (XVIII-A).
Achter nummer 72 bevindt zich het meest herkenbare restant van de zeventiende-eeuwse kamers. De kap en de verdiepingsvloer is verdwenen, maar het muurwerk is nog grotendeels aanwezig en oorspronkelijk met links een venster en rechts een smal en laag deurkozijn. De openingen hebben een ontlastingsboog met gefrijnde zandsteen blokken en geslepen metselwerk. Van het deurkozijn is alleen een stijl overgebleven, maar het venster is nog compleet aanwezig met een 8-ruits raam boven en een 12-ruits raam beneden. Het metselwerk wordt aan de bovenzijde afgesloten door een doorlopende geprofileerde en gefrijnde zandsteen waterlijst, waarop het twintigste-eeuwse platte dak rust. Achter nummer 80-82 gepleisterde onderbouw nog van het gasthuiscomplex, met kozijnen op de oorspronkelijke plekken. De kappen zijn vernieuwd rond 1905, waarbij het deel achter nummer 80 een mansardekap kreeg en het deel achter nummer 82 een plat dak met korte steile dakvlakken conform het hoofdpand. De zandstenen waterlijst welke het metselwerk afdekte is nog geheel aanwezig. De vensters van nummer 80 zijn nog oorspronkelijk evenals het deurkozijn, echter de kozijnen van nummer 82 zijn rond 1905 vernieuwd, waarbij ook de gevelankers zijn verdwenen.


CULTUURHISTORISCHE WAARDERING:

Bij de Put 14
1. Het pand is een gaaf voorbeeld van een wooncomplex op stand uit omstreeks 1870, gebouwd door een ontwikkelaar voor gegoede huurders. De structuur en het interieur van de bouwtijd zijn nog grotendeels aanwezig. De verbinding met het achterhuis is bijzonder te noemen.
2. Beide salons hebben een hoge monumentwaarde door de stucplafonds en de paneelbetimmeringen, blinden en fraaie schouwpartijen. Bovendien is de keuken op de verdieping van belang door zijn grotendeels 19e-eeuwse staat. 3. Een aantal laat-19e-eeuwse tegelvloeren zijn van kunsthistorisch belang.

Monnikemuurstraat 72
1. Het pand is de redelijk gaaf bewaard gebleven helft van een van de 17e-eeuwse hoofdgebouwen van het voormalige Ritske Boelema Gasthuis en het laatste 17e-eeuwse voorbeeld van een gasthuis met middengang in Leeuwarden. De structuur en het interieur zijn van monumentaal belang.
2. Hetzelfde geldt voor het achtergelegen 17e-eeuwse bouwwerk, waarvan vooral de westgevel monumentale waarde bezit.
3. De kapconstructie van het hoofdpand is met de dakkapel bouwhistorisch van monumentale waarde als gaaf voorbeeld van een 17e-eeuwse kapconstructie.
4. De restanten van een gesloopt 17e-eeuws pand op het achterterrein zijn bouwhistorisch van monumentale waarde door de opening met een driepas-sluiting.

Kamers op het binnenterrein achter de Monnikemuurstraat
1. De reeks kamers is van historisch belang als een op lokaal niveau zeldzaam restant van een 17e-eeuws gasthuis met kamers.
2. Het achterhuis is van bouwhistorisch belang vanwege het deels nog gave 17e-eeuwse metselwerk en de 18e-eeuwse vensters.

Terug