Vroeger spookte het in het oude Vierhuis


Gerhardus du Pon schilderde in 1771 een behangsel met een bijna panoramisch gezicht op een klein stukje landelijk gebied bij Snakkerburen. Het kunstwerk was bestemd voor de stadswoning van fabrikant Jan Zeeper, Nieuwestad 53, maar maakt inmiddels deel uit van de collectie van het Fries Scheepvaart Museum te Sneek. Weliswaar vormt Zeepers Oliemolen De 3 Gouden Kroonen het hoofdonderwerp, op de tegenover gelegen oever van de Dokkumer Ee staat een monumentale, misschien wel ietwat hybride boerderij. Het is ‘Vierhuis’, een kop-hals-rompboerderij met een voorhuis als een luxe buiten, een kleine state. De directeur van het Scheepvaarmuseum, Sietse ten Hoeve, heeft al eens verondersteld dat het voorhuis niet voor bewoning door de boer was bedoeld, maar de functie had van herenverblijf waar de eigenaars uit de stad zich konden verpozen. Rond de boerderij lagen 48 pondematen grond. Toen Du Pon z’n kwasten hanteerde, stond ‘Vierhuis’ er eigenlijk nog maar pas: "Den grondsteen van dit Huis lag Isabella’s hand/’t Herbouwde Vierhuis wagt van God den milden zegen/In ’t kweeken van het vee, en ’t bloeijen van het land/Hierin is ’s Landsman’s steun en ’s Landsheer’s heil gelegen/Den 26e Maij 1758". Daarna volgt nog "Herbouwd 1890" ter aanvulling, waarmee meteen het jaar is genoemd waarin de boerderij van de schildering werd vervangen door de huidige mooie stelpboerderij. De geciteerde tekst vormt de inscriptie op een gevelsteen in de zuidgevel van die stelp.

Overigens was ook de boerderij waar ‘Isabella’ een handje aan hielp en de deurwaarder Elsinga en de vrouwen van Gerrit Alefs en Pytter Jurryts de gezamenlijke opdrachtgevers van waren, niet de eerste bebouwing op deze plek. De vroegste vermelding van een gebouw - over de functies bestaat geen zekerheid - is in een consentbrief uit 1437 en wel onder de naam "Fyorhustera gued".

Zelfs ondanks de relatieve ‘onscherpte’ van Du Pons schildering is goed te zien dat ‘Vierhuis’ uit 1758 bijzondere elementen had, bijvoorbeeld een hoog opgaande, gemetselde dakkajuit met zijlichten en een bekronend kuifstuk, die zo op het eerste gezicht veel weg heeft van de in Lodewijk XV-vormen opgetrokken kajuit op Zuidergrachtswal 14 in Leeuwarden. Het voorterrein was gescheiden van het jaagpad door een smeedijzeren hek; links vooraan bevindt zich de ingang van twee vierkante penanten met een draaihek ertussen. De situatie anno 1999 refereert zonder twijfel aan de oude en de bestaande gemetselde boogbrug waar men de ‘gracht’ oversteekt, en heeft beslist een redelijke ouderdom.

Het Vierhuis aan de Dokkumer Ee in de 19de eeuw.
Het Vierhuis aan de Dokkumer Ee in de 19de eeuw.

Er bestaat nog een tweede afbeelding van het oude ‘Vierhuis’, een schilderij van Jacob Bonga uit 1843. Hierop is hetzelfde voorhuis te zien als op de schildering van Du Pon. De vensters zijn echter gemoderniseerd tot zes- en achtruiters en in plaats van een kuif heeft de kajuit een bekroning van een segmentvormig tympaan gekregen.

Valt te betreuren dat het oude ‘Vierhuis’ is verdwenen, de neo-renaissancistische stelpboerderij die er laat negentiende eeuw in opdracht van Jan Keimpes Terpstra en Minke Schaafsma voor in de plaats kwam is ook niet onaardig. De voorgevel heeft een licht risalerende middenpartij die wordt bekroond door een mooie kajuit met een attiek, voorzien van hoekobelisken, en met wangen, pilasters, een doorbroken fronton en een zinken pinakel. De woningentree is opgenomen in het middenelement en rechts daarvan lag oorspronkelijk de molkenkelder met een insteek. Het met blauw geglazuurde, gegolfde Friese pannen belegde schilddak wordt bekroond door uileborden in zwanelhalsvorm. Het woongedeelte kent nog verschillende originele interieurelementen zoals paneeldeuren, beddenschotten en een schoorsteenmantel.

Het moet vroeger in het ‘Vierhuis’ ook gespookt hebben. Waling Dijkstra schreef hierover in de vorige eeuw:
"In sommige boerenhuizen hoort men ’s nachts of ’s avonds de karnmolen gaan. Dit komt meest voor in zeer oude huizen, waar gedurende misschien wel meer dan anderhalve eeuw honderdduizenden ponden boter met behulp van de karnmolen zijn gemaakt. Onversaagde lieden hebben het wel gewaagd op zoiets los te gaan om het te onderzoeken. Maar dan vonden zij alles stil en op zijn plaats. Waren zij echter in het woonvertrek teruggekeerd, dan begon het werk opnieuw. Het is niet raadzaam zulk een onderzoek te doen zonder licht, wie dit waagde zou veel kans hebben een slag of stoot te ontvangen die raak was, zonder te weten waar of van wie hij deze begroeting kreeg.

In het ‘Vierhuis’ placht het ook schrikbarend toe te gaan. Daar was vroeger een kamertje, door de bewoners het blauwe kamertje genoemd, omdat het blauw geschilderd was. De deur van dit kamertje kon men nooit gesloten houden; men mocht haar sluiten zo men wilde, men vond haar na verloop van wat korter of langer poos altijd weer open. Ik geloof dat er zulke kamerdeuren meer zijn; maar hier begreep men nooit wie het gedaan kon hebben, dit was het vreemde van de zaak. In de koestal van deze boerderij was het ook niet pluis. Iemand die daar als knecht had gediend, vertelde later, dat hij vreselijke nachten had doorgebracht. Wanneer hij soms moest waken bij een koe, die op kalven stond, dan werd er in het boveneinde van de stal gevloekt en geketterd dat het was om van te ijzen, terwijl er met stukken hout en andere voorwerpen werd rondgesmeten als ware er een razende aan het werk. Hij zag dan wel niets, maar kon het toch zo benauwd krijgen, dat hij te bed kroop, waar hij lag te zweten van angst".

Terug