De Drie Dukatons


Even ten noorden van Leeuwarden, aan het voetpad naar Jelsum, staat op een klein plekje gronds een eenvoudig huisje, dat den naam draagt van "de Drie Dukatons". In den noordelijken zijmuur van dat huis ziet men een gebakken steen, iets grooter dan de anderen waaruit de muur bestaat, en daarop drie ronde figuren, die afbeeldingen van oude munten voorstellen.

Hier woonde in den ouden tijd een jongeling, die verliefd was op een meisje uit den omtrek, waaraan hij zich gaarne wenschte te verbinden, hoewel zij in karakter nog al van hem verschilde. Was hij zedig, ingetogen en bescheiden - zij was woest en ruw. Zij vloekte bij al hare gesprekken als een krijgsheld en had vooral de gewoonte gedurig den duivel aan te roepen. Hare buren zeiden vaak: de booze schijnt haar God te zijn, hij zal nog wel eens met haar wegvliegen. In weerwil hiervan beminde de jongeling haar van ganscher harte. Zij ontving hem ook, naar friesch gebruik, bij zich aan huis, maar ’t had er toch meer van, dat ze hem voor den gek hield dan dat ze ’t goed met hem meende. Hij echter scheen dit niet te begrijpen; hij bood haar de trouwpenning aan, vereenigd in den knottedoek, en zij aanvaardde die. Deze trouwpenning bestond uit drie mooie blinkende dukatons, opzettelijk voor dit doel uitgezocht. Door ’t aanvaarden van dit geschenk had het meisje zich aan den jongeling verloofd. Het later terug te geven en verder niets van hem te willen weten, zoude schandelijk ontrouw zijn. Was een paar eens door den echt vereenigd, dan werd dit geld slechts in den uitersten nood uitgegeven. Maar deze wispelturige minnares was op dit punt niet zeer nauwgezet, en de minnaar ook niet zoo volkomen blind van liefde, dat hij zich zeker van zijne zaak durfde achten. Op een zeer stormachtigen avond in den herfst zat het meisje alleen in hare woning. De felle wind deed het huis schudden en kraken; zij echter achtte zich, bij een goed vuur op den haard, tamelijk veilig. Er werd aan de huisdeur geklopt. De moedige vrijster aarzelt niet om open te doen en ziet een jongeman voor zich staan, deftig gekleed als een heer van hooge geboorte. Hij verzoekt binnengelaten te worden om zich voor het noodweer ter verschuilen, en zij weigerde dit niet; want de jongeling maakte dadelijk en op ’t eerste aanzien indruk op haar. Zij bood hem eene zitplaats aan bij het vuur. Zijn bevallig uiterlijk, zijne losse manieren en zijn geestige taal hadden voor haar iets wegslepends, en hoewel ze er niets van wist met wien ze eigenlijk te doen had, - ook toen hij meer vertrouwelijk begon te worden, bood zij geen weerstand. Zulk een elegant heerschap leek haar beter dan de eenvoudige boerenjongen, aan wien ze zich voorloopig verbonden had. Ja, voorloopig slechts, zij achtte zich even zoo goed als vrij. Het kwam zoo ver, dat de jongeling een zwaren gouden ring, met schitterende diamanten bezet, van zijnen vinger trok en aan den haren stak, waarbij hij het woord van trouwbelofte van haar verlangde. Zij liet zich dat woord ontglippen en bood nu op hare beurt ook hem een trouwgeschenk aan, bestaande in de drie dukatons, die zij van haren eersten minnaar had aangenomen. Vreeselijke daad voorwaar! Vreselijk was ook hare uitwerking. In het wapen der geldstukken stond een kruis en de aanblik hiervan deed den eleganten minnaar zoo geweldig schrikken, dat zijn bevallig uiterlijk op eens verdween en hij veranderde in een monster met een paardenpoot en hoornen op den kop. Met een vervaarlijken schreeuw en ontzettend geweld vloog hij het venster uit, een afschuwelijken stank achterlatende, die het hevig ontstelde meisje in zwijm deed vallen. Bij haar ontwaken besefte ze eerst aan welk gevaar zij als door een wonder was ontkomen; zij zegende de dukatons, die haar aan de klauwen des satans hadden ontrukt en van den rand des afgronds gered. Sedert dat oogenblik werd zij de intogenheid in eigen persoon, en de minnaar, wiens trouwe liefde zij met lichtzinnigheid had beantwoord, werd haar nu dubbel dierbaar. Weldra werd het paar door den huwelijksband vereenigd. Het huisje, dat de man reeds als jongeling in eigendom had, was lange jaren hunne woning, en ter gedachtenis aan de wondergeschiedenis, waaraan hij zijn geluk te danken had, liet hij in den zijmuur van het huis een steentje metselen, waarop de drie dukatons zijn afgebeeld. En dit steentje zit daar nog ten huidigen dage.

Terug