Weegeroep op de Grote Wielen


De Zwarteweg, oudtijds loopende van Leeuwarden tot aan het buitengoed Toutenburg bij Tietjerk, maakt thans een deel uit van den Leeuwarder-Groninger straatweg, maar heet bij het volk nog altijd Zwarteweg, en het punt, waar vroeger de oude weg eindigde noemt men nog steeds Zwartewegs-end.

Uitsnede van de ingekleurde Grietenijkaart van Tietjerksteradeel van Schotanus, 1718.
 Uitsnede van de ingekleurde Grietenijkaart van Tietjerksteradeel van Schotanus, 1718.

Ongeveer een uur gaans van Leeuwarden is, iets ten noorden van dien Zwarteweg, een poel, de Groote Wielen genaamd. In het begin dezer eeuw woonde zekere Sake Wessels aan het Wildpad, een oude zandweg nabij het dorp Twijzel, loopende van den Leeuwarder-Groninger straatweg tot aan Veenklooster. Sake, een oud vrijgezel, won voor een goed deel den kost met praten. Hij was koopman, of liever venter langs de huizen met verschillende artikelen van kleine waarde, en deed ook wel, als de tijd van het jaar daartoe geschikt was, aan vogelvangen. Maar hij was ook schrifgeleerd, hij kon uit en over den bijbel praten met eene bekwaamheid, die de menschen verbaasde. En dit was hem zeer voordeelig bij zijn kleinhandel. Ook had hij ’t misschien aan zijne godsdienstige gesprekken te danken, dat hij niet voor een toovenaar of duivelbanner werd gehouden. Want hij kon ook de toekomst voorspellen. Ja, wat hij al niet wist en kon, daar had niemand hoogte van. Deze Sake Wessels nu reisde eens te voet bij laten avond in den maneschijn langs den Zwarteweg. Dit was in dien tijd gedurende den winter geen aangename wandeling, omdat dan op meer dan eene plaats het water op den ouden laaggelegen weg stond. Voor mannen als Sake was dit echter geen overwegend bezwaar. Maar, in de nabijheid van de Groote Wielen komende, klonk hem vandaar gejammer in de ooren. Opziende, ontwaarde hij op den poel eene ontzaglijke menschenmassa, uit het midden waarvan luidkeels en zeer verstaanbaar geroepen werd: "Heere, wij vergaan!" Waarop de massa in de diepte verdween en de poel weer hetzelfde aanzien had als altijd.

Toen nu in 1885 de internationale wedstrijd op schaatsen werd uitgeschreven, vreesden velen, die van het visioen wisten, dat het vervulde zoude worden. Volgens het algemeen gevoelen toch was het ijs op de Wielen nog te zwak om de vele duizenden menschen, die men op den bepaalden dag daar verwachtte, te dragen. Het is echter anders uitgekomen en de nachtelijke verschijning, door Sake Wessels gezien, nog niet verwezenlijkt.

Het gedeelte der buitengracht te Dokkum, waarop ’s winters bij geschikt ijs hardrijderijen op schaatsen worden gehouden, heet de Driepypsgracht. Men gelooft dat hier bij gelegenheid van ijsvermaak nog eens een groot ongeluk zal moeten gebeuren, want oude menschen te Dokkum weten te vertellen, dat zeer vele jaren geleden op zekeren winter daar een vreeselijk gejammer als van eene menigte menschenstemmen onder het ijs is gehoord.

Terug