Dr. Faust in Leeuwarden


Dokter Faust, de vermaardste van alle toovenaars, wiens naam ieder kent, heeft zich ook eene poos te Leeuwarden opgehouden. Hij had daar zijn intrek genomen in het Hooghuis, weleer eene herberg in de nabijheid van de oude boterwaag, naast de tegenwoordige Lombardstraat.

Op zekeren tijd kwam hij bij een barbier in de Amelandsstraat om zich te laten scheren. De baas, die, naar het uiterlijk van den persoon oordeelende, meende te begrijpen dat hij met een voornamen klant te doen had, ging moedig aan het werk. Hij zeepte in en begon te scheren, maar hoe hij zich weerde, hij kon geen gedaan werk krijgen. Had hij de eene zijde der kin afgeschoren, dan botte daar de baard weer uit, terwijl hij met de andere zijde bezig was. Toen hij zoo een heele poos gewurmd had zonder verder te komen, begon het mijnheer Faust te verdrieten. Onder schelden en gevloek rukte hij den baas het mes uit de hand, sneed zich den kop af, zette dien op de tafel, schoor met onnavolgbare handigheid zichzelven en zette na volbrachten arbeid het hoofd weer op zijne plaats. "Ziezo" zei hij, "ik kan het beter dan jij, hé? Maar je hebt toch je moeite er van gehad, daarvoor wil ik je beloonen". En hij duwde den verbaasden barbier een gouden dukaat in de hand. Zeer verblijd ging de man naar binnen om zijne vrouw te laten zien, welk een buitenkansje hij had gehad. Toen hij echter de hand opende, had hij daarin geen gouden dukaat, maar een koperen duit. "Drommels!" zei de baas, "dit is zeker eene vergissing; ik wil dat heerschap dadelijk gaan opzoeken". Hij ging naar het Hooghuis, destijds de voornaamste herberg der stad, waar hij hoopte den aanzienlijken vreemdeling te zullen vinden. En dit gelukte ook. "Wat nu?" vroeg Faust toen hij den barbier zag. "Ja, mijnheer," zei de baas, "mijnheer heeft zich zeker vergist; mijnheer zeide mij een dukaat te geven en, zie mijnheer, het is maar een duit". "Dat is vreemd," zei Faust, "dat begrijp ik niet. Nu, daar heb je een anderen, maar let nu goed op wat je krijgt". En de barbier zag duidelijk, dat hij nu een echten gouden dukaat kreeg. En toch, toen hij er mee tehuis kwam was het weer een koperen duit. "Nu," zei hij, "als dat zuiver toegaat, dan weet ik er niets van". En hij wierp den duit weg zoover hij kon.

Dokter Faust vertelde aan de menschen te Leeuwarden, dat het daar in de stad krielde van toovenaars en heksen. En dit wilde hij bewijzen. Hij zou op de Langepijp, een lange en breede steenen brug in Leeuwarden, gaan staan met een dikken bundel stroo onder den arm. Daar zouden alle toovenaars en heksen der stad bij hem komen en een stroohalmpje uit zijnen bundel trekken. Ieder slechts één. Allen zouden wel zeer goed zorgen er geen twee te nemen. En als hij op die manier zijn geheelen bundel stroo zoude kwijt geraakt zijn, dan zouden er nog velen van ’s duivels dienstvolk om hem rondloopen, die allen ook gaarne een strootje hadden willen nemen. De uitvoering van dit kunststuk werd hem echter niet toegestaan, omdat des burgemeestersvrouw ook eene heks was, naar men zeide.

Doch men konde hem niet altijd beletten leelijke dingen uit te voeren. Op zekeren morgen was door zijne tooverkunst het geheele Waagsplein overdekt met bloed, zoo hoog, dat de menschen tot aan de enkels er door moesten waden. Dit deed het stadsbestuur besluiten, den toovenaar te gelasten de stad te verlaten, den eerstvolgenden dag op een bepaald uur. De stadsgerechtsdienaren en de wachters bij de poorten moesten toezien, dat dit bevel stipt werd opgevolgd. Nu, op het bepaalde uur verschenen op het stadhuis vier boden, ieder van een der vier stadspoorten, allen verklarende, dat zij Faust de stad hadden zien verlaten. En nu bleek, dat hij op één en dezelfde minuut alle vier stadspoorten was uitgegaan. Toch was hij, blijkens het volgende, kort daarna weer in de stad - of hij was er niet uit geweest.

Kort voordat het banvonnis tegen dokter Faust was uitgevaardigd, kwam hij op een avond laat in zijne herberg en gelastte den knecht hem de laarzen uit te trekken. Met de eerste laars ging dit zeer gemakkelijk, maar met de tweede wilde ’t niet gelukken. De knecht trok wat hij trok, de laars zat onwrikbaar vast. Eindelijk zei dokter: "Trek nu nog eens uit alle macht". De knecht deed dit en daar trok hij waarlijk mijnheer het geheele been uit het lijf. De knecht stond verbluft; mijnheer vloekte en schold. Het geheele huis kwam in opschudding, maar dat baatte niets. Het uitgetrokken been lag op den grond en mijnheer zat met één been op den stoel. Gelukkig voor hem behoefde hij zoo niet te blijven zitten. Och neen, hij bewoog zich op één been even gemakkelijk als op twee, daarom bekommerde hij zich over het ongeluk niet veel. De waard had het uitgetrokken been achter slot en grendel geborgen en weigerde, toen Faust de stad uit moest, het terug te geven, zoolang de toovenaar niets anders wilde betalen dan met gouden dukaten, die na verloop van eenige ogenblikken veranderden in koperen duiten. Dokter maakte zich hierover niet bezorgd: hij vertrok zonder te betalen en zonder het been. Toch kwam hij na verloop van eenigen tijd terug, om eerlijk te betalen en zijn been in ontvangst te nemen. Maar de waard, denkende dat de snaak nooit terug zoude komen, had het been maar in het water geworpen. "Nu, dan zijn wij effen," zei Faust. "Ja," zei de kastelein, zich gelukkig rekenende dat hij er zoo afkwam. Faust vertrok en op straat zag men hem weer op twee beenen loopen evenals andere menschen.

Terug