In ’t huis van pijn in ’t hooft


Henk Oly

Het huis ‘De Gladde Gevel’ op de hoek van de Ossekop en de Oude Oosterstraat rond 1920.
Vóór de invoering van officiële straatnamen, huisnummering, kadaster en postcode kon een bepaald huis alleen worden aangegeven door een globale aanduiding van de ligging, de naam van de eigenaar of bewoner en die van de belenders ervan. In een kleine plaats waar iedereen iedereen kende, kon daar ook mee volstaan worden. Maar als het aantal inwoners groeide werd het op een zeker moment noodzakelijk huizen objectiever te lokaliseren. Vooral voor neringdoenden en ambachtslieden was het van belang dat klanten hun bedrijf gemakkelijk konden vinden. Een huisnaam, een naam waarmee het huis werd aangeduid, bood dan een goed alternatief.

Uit de periode voor 1500 zijn in Leeuwarden slechts enkele huisnamen bekend. Maar in de loop van de zestiende eeuw begint het aantal gestaag te groeien. Enerzijds zal dat te maken hebben met de grotere beschikbaarheid van archivalia, maar anderzijds met de stormachtige groei van het aantal panden in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw. Tussen 1500 en 1650 steeg het aantal huizen in Leeuwarden van ongeveer 900 naar ongeveer 3000. Bovendien ontwikkelde Leeuwarden zich vanaf 1500 tot een open stad met vele contacten met de omliggende regio. Deze beide ontwikkelingen zullen het gebruik van huisnamen hebben bevorderd.

Na de invoering van officiële aanduidingen in de loop van de negentiende eeuw, verviel de noodzaak van huisnamen en hun aantal daalt dan ook snel. Slechts enkele namen overleefden, maar er ontstonden wel nieuwe, vooral voor winkelpanden. Meestal waren dat echter geen namen die het pand zelf aanduidden, maar de familienaam van de eigenaar of uitbater ervan.


Woonde Thomas in het Thomasmahuis?

Een huis kon op verschillende manieren aan zijn naam komen. Als gezegd kon het vernoemd worden naar de bewoner. Als dit een algemeen bekend persoon of een belangrijke familie was die het huis generaties lang in haar bezit had, ging de naam daarvan vaak over op het huis zelf. Het Burmaniahuis, het Amelandshuis en het Princessehof zijn bekende voorbeelden. Minder bekend is het huis op de zuid-oosthoek van de Speelmanstraat en de Kleine Hoogstraat dat rond 1500 het Thomasmahuis werd genoemd. Het werd kennelijk vernoemd naar Thomas en de zijnen. Soms is het niet duidelijk wat er eerst was: de naam van de eigenaar of die van het huis waar hij woonde. Zo was De bock (Kleine Kerkstraat 17) een tijdlang in het bezit van een zekere Michiel Hueter, die ook wel Michiel de Bok werd genoemd, maar of hij vernoemd werd naar zijn huis of zijn huis naar hem is onduidelijk.

Een huis kon zijn naam ontlenen aan een karakteristiek aspect van de architectuur ervan. In de Kleine Hoogstraat (nu nr.17) stond een huis dat rond 1600 De groene poort heette en het nog bestaande pand De gladde gevel werd al in 1594 Den groene glasuerden gevel genoemd. Op de hoek van de Nieuwestad en de Lombardsteeg stond minstens vanaf 1576 ‘t Hooch huijs dat zo bleef heten tot het in de jaren veertig van de negentiende eeuw werd afgebroken. Ook de functie van een pand kon het naamgevend element zijn. In de Poststraat op nr.17 bevond zich de Ratelaarswacht, de plaats waar de nachtwakers zich verzamelden en Sint Jacobsstraat 22 heette Het wijnhuis omdat het een herberg was.


Dieren, bomen, hemellichamen en andere inspiratiebronnen

Verreweg de meeste huizen werden echter vernoemd naar een op de gevel aangebracht teken: een uithangteken. Dat teken kon simpelweg een voorwerp zijn of een driedimensionale voorstelling daarvan. Het kon ook een uithangbord of gevelsteen zijn met een afbeelding in twee dimensies. Uit deze uithangtekens ontstonden de eigenlijke huisnamen. Dat voorwerp of de afbeelding ervan kon betrekking op van alles en nog wat hebben. Binnen het bestek van dit artikel is het onmogelijk een volledige opsomming van alle naamvelden te geven, daarom wordt volstaan met een aantal voorbeelden.

Heel wat panden werden vernoemd naar dieren. Dat konden inheemse zijn als Den vergulde paau op de Voorstreek 38, De swarte bock op de Nieuwestad nr. 101, Het swarte lam eveneens op de Nieuwestad, maar nu de brede zijde nr. 104. Ook uitheemse dieren waren populair getuige De kraanvogel (Breedstraat 57) en De olifant (o.a.kleine Hoogstraat 13 en Sint Jacobsstraat 10) evenals mythologische zoals De eenhoern (Weerd 19), De vergulde draeck (Naauw 8) en De meermynne op de Nieuweburen. Voorstelling van een kersenboom met bladeren en vruchten. Opschriften ’IN DE KARSEBOOM’ en ’HB-I’, de initialen van Harmen Beerents-Joncker of -Jonckerts. Afkomstig uit de voorganger van het bestaande pand Keizersgracht 9, in 1901 verworven door het Fries Museum en in 1998 gerestaureerd en herplaatst.
Andere huisnamen zijn ontleend aan de flora. Om ons tot bomen te beperken: Nieuweburen 118 heette De sparreboom, in de Sacramentsstraat stond De appelboom, op de Eewal De pallemboom, achter Sint Jacobsstraat 8 stond De pereboom, er was een Noteboom in de Molenstraat 13 en tenslotte waren er twee huizen die In de karseboom heetten, een in de Monnikemuurstraat (op nr. 107) en een aan de Keizersgracht (op nr. 9). Van de laatste huizen zijn de naamgevende gevelstenen ter plaatse weer aanwezig.
Hemellichamen vormden eveneens een inspiratiebron voor huisnamen. Aan de zuidzijde van de Nieuwestad stonden bijvoorbeeld De halve maen, De wereld en De witte zon naast elkaar (respectievelijk 30, 32 en 34.) Allerlei personen leenden hun naam aan huizen. Zo hing De Rotterdamsche Erasmus achtereenvolgens op twee verschillende plaatsen op de Kelders uit, eerst op nr. 29 en later op nr. 19. In de Minnemastraat stond een huis alwaer den Admirael Marten Harperts Tromp uijthangt, De koning van Frankrijk vond men op de Nieuwestad 141 en Julius Caesar op de Nieuwestad 154. Ook voorwerpen of afbeeldingen daarvan leidden tot huisnamen. Soms symboliseerde een dergelijk gevelteken het beroep van de bewoner: meester-metselaar Claes Coerts woonde aan de oostzijde van de Kleine Kerkstraat, alwaer de twe vergulden troffels uithangen en In de swarte vilthoed op de Voorstreek westzijde was inderdaad een hoedenmaker gevestigd. Wie echter bij Evert inden gulden ancker (Hoeksterespel) een bedrijf in scheepsbenodigdheden verwachtte, kwam bedrogen uit, want Evert was brouwer.


Een uithangbord verhuisde mee

’t Swart Bargehooft sierde ooit het hoekpand Koningsstraat/Turfmarkt en verdween bij de bouw van het Eysingahuis, tegenwoordig het Fries Museum.Dergelijke uithangtekens zijn mobiel, ze konden worden verwijderd of meegenomen bij de verkoop van het pand of bij het beëindigen of verplaatsen van de bedrijfsactiviteiten. In koopaktes wordt soms nadrukkelijk vermeld dat het uithangteken niet bij de koop is inbegrepen. Soms verdwijnt die naam compleet maar het komt ook voor dat een-en-dezelfde naam achtereenvolgens voor verschillende panden werd gebruikt. Tot 1588 hing Het swart farckenshooft op de Nieuwstad uit (ter plaatse van het huidige 61). Als het huis in dat jaar wordt verkocht, neemt de verkoper het kennelijk mee naar de hoek Turfmarkt-Koningsstraat want daar vinden we hem terug in Het swarte bargehooft. ( Gezien het opschrift ‘1659’ werd dit uithangteken kennelijk in dat jaar vervangen door een gevelsteen met een voorstelling van een zwarte varkenskop. Deze steen bevindt zich nog steeds in de collectie van het Fries Museum.) Bovendien kan een-en-hetzelfde pand in de loop der tijd verschillende namen hebben gedragen. In een koopakte uit 1605 van een herberg aan de drukke kant van de Nieuwestad (nr. 126) staat dat die horecagelegenheid thans De vergulden Zeijne (zeis) heet, maar vroeger De witte Swaen.

Veel huisnamen zullen alleen in het alledaagse mondelinge contact tussen mensen zijn gebruikt, vele zijn nooit schriftelijk vastgelegd en daarom voorgoed verloren. Gelukkig zijn veel wel in archieven terug te vinden, want ze werden ook in officiële stukken gebruikt. Zo wordt de hierboven genoemde Evert inden gulden ancker bijvoorbeeld vermeld in een gerechtsregister uit 1507 en een belastingcohier uit 1532 noemt een zekere Albert inde falck die in het Keimpema-espel woonde. De huisnaam Int huijs van pijn int hooft uit de titel van dit artikel stamt uit het zogenaamde schoorsteengeldregister uit 1606. Uiteraard legde men in koopaktes de naam van een pand dikwijls vast. Waar nu de kadastrale sectie en het nummer in de notariële akte wordt aangegeven, werd bijvoorbeeld in 1626 mee volstaan te vermelden dat het verkochte huis in de Kleine Kerkstraat recht tegenover het eerder genoemde huis De bock stond. Daarmee was kennelijk voldoende duidelijk om welk pand het ging. Ook adverteerde men bijvoorbeeld in de Leeuwarder Courant met de huisnaam en nam een drukker de naam van zijn drukkerij op in zijn impressum.


Speur- en monnikenwerk

Al deze en vele andere bronnen zijn maar voor een klein gedeelte systematisch onderzocht op huisnamen. Generaties medewerkers van het gemeentearchief hebben gelukkig de namen die zij tegenkwamen wel genoteerd en de oud-archivaris Wim Dolk publiceerde er ook over. Het napluizen van alle archivalia die daarvoor in aanmerking komen op huisnamen zou een waar monnikenwerk zijn: alleen al de transportaktes van onroerend goed omvatten vele tientallen meters folianten. Een complete catalogus van alle Leeuwarder huisnamen zit er daarom niet in. Wel zijn inmiddels een duizendtal huisnamen geïnventariseerd en worden er nog regelmatig onbekende gevonden.

Op deze afbeelding van de brol en de Grote Hoogstraat van Cornelis Pronk uit 1742 zijn een aantal panden te zien die een naam droegen. Het hoekpand Naauw-Grote Hoogstraat wordt, naar een bewoner,de schepen Wille Heenthiama, wel het Heenthiamahuis genoemd, in 1601 heet het ‘t Groete blauleydt hoeckhuijs en in 1619 en 1632 wordt er van gezegd dat daer de halve maen wthangt. Grote Hoogstraat 1 heette van 1595 tot ongeveer 1850 Het vergulde hoofd. Van Grote Hoogstraat 3 wordt in 1607 vermeld alwaer den vergulden schoen aen de gevel staet, in 1611 heet het De vergulde leest, tussen 1670 en 1694 In de vergulden druckery, terwijl het in 1783 vermeld wordt als De groene luiwagen.
Is het inventariseren van oude huisnamen een monnikenwerk, het identificeren van de huizen die ermee werden aangeduid is een heidens karwei. Het lokaliseren van panden brengt veel speurwerk met zich mee dat niet altijd beloond wordt. In de loop van hun geschiedenis werden panden gesplitst, samengevoegd, afgebroken of herbouwd. Het swart farckenshooft ging op in het dubbelbrede huis dat de rijk geworden koopman Klemrink op de Nieuwestad liet bouwen en Het swarte bargehooft werd opgeslokt door het Eysingahuis. Sommige delen van de stad werden geheel opnieuw ingericht waarbij de panden met de naam die erbij hoorde, van de aardbodem verdwenen. Toch is het op dit moment gelukt van de eerder genoemde huisnamen een kleine vierhonderd te lokaliseren. Het zou een verrijking van de monumentale Leeuwarder binnenstad betekenen als meer historische huisnamen terugkeren. Zij versterken het beeld van een stadscentrum dat dateert uit vroegere tijden.De generaties Leeuwarders die ons voorgingen worden een nog duidelijker zichtbaar deel van de actuele stedelijke gemeenschap. Ook voor de eigenaar of gebruiker van een pand met een historische huisnaam betekent het een verrijking: het versterkt immers het bijzondere karakter van zijn huis.


Een historische naam voor uw huis?

Een kleine werkgroep, bestaande uit een medewerker van het Historisch Centrum Leeuwarden, de gemeente Leeuwarden, N.V. Stadsherstel en mij, kan u behulpzaam zijn als u uw huis een historisch verantwoorde naam (terug) wilt geven. Deze groep kan voor u vaststellen of uw pand in het verleden een naam heeft gedragen of voorstellen doen voor een naam die te maken heeft met de geschiedenis ervan. De gemeente Leeuwarden stimuleert deze activiteit door het subsidiëren van het schilderwerk. Voor inlichtingen kunt u zich wenden tot J.F. Janssen, medewerker van Stadsherstel, d’Hondecoeterstraat 46 8939 DS Leeuwarden , tel. 058-21349520.

(Uit: Leovardia nr. 12 (november 2003), p. 1-3).

Zie voor meer informatie over dit onderwerp op deze website bij: Gevelstenen

Terug