Oudere straatnamen buiten de grachten


Na de oudere straatnamen in de binnenstad moeten nu worden behandeld de namen van de oudere wegen in de jurisdictie van de stad en in het zuidertrimdeel van Leeuwarderadeel, voor zover die binnen de huidige stedelijke bebouwing vallen. Daarbij doet zich de extra moeilijkheid voor, dat de ligging van die wegen in het moderne stratenpatroon niet steeds meer terug te vinden is.

Via de Hoekster binnen- en buitenpoort de stad verlatend, bestond er sedert 1562 de mogelijkheid om via de Verversbrug (1597 die verwersbrugge buyten Hoexter poert oever die Ee leggende, 1712 de blauwe ferwersbrugge) de Dokkumer Ee over te steken. In 1693 is er sprake van de brugge voor de huysinge en verwerie van hopman Fenema bij de Hoexterpoort; zou die (blauw)ververij (1622 woonde daar al een lakenverver) de naamgever zijn? In 1865 werd deze brug afgebroken, maar vier jaar later is er weer een voetbrug (kippeloop) over het water gelegd op verzoek van de bewoners van Oldegalileën. De bebouwing aan de overzijde droeg de naam Bij de Verwersbrug (1877 Hoekstersingel). Aan de Ee, aan het eind van Oldegalileën, lag gedurende enkele decennia het klooster Galilea, dat in 1498 werd overgebracht naar de Tweebaksmarkt. Oldegalileën (1501 after alde Galileen, 1511 bij olde Galilee, 1575 t’Olde Galeien, 1760 Oude Galileen) was tot eind van de 19e eeuw een buurtschap aan de Dokkumer Ee. In 1634 was er sprake van verbetering van ’t lijckpad van Oldegaleyen, opdat d’ ingesetenen van Oldegaleyen met hen lijcken bequamelijck daardoor mogen gedragen worden, in 1642 van het maken en onderholden van een vloerd pad door de gebuirte, van de ferwersbrugge tot aan het endt van Oldegalileaen, waarvan het onderhoud tot 1880 ten laste van de onmiddellijk belanghebbenden kwam; in 1729 werden er gecommitteerden aangesteld over dit voetpad, dat toen gantsch vervallen en als tot een dijck geworden was. Zoals vrijwel overal rondom de (binnen)stad lagen ook hier pleziertuinen. Zo werd in 1651 verkocht seeckere heerlijcke hovinge, bomen ende plantagie sampt bloemtuyn met bloemen, potten ende angelieren, mitsgaders somerhuys, bovencamer ende plat om te speculieren over verscheyden hoven ende tuynen sampt landen rondom.

Een verbindingsstraatje van Hoekstersingel en Oldegalileën werd door de bewoners als Lindebuurt aangeduid, welke naam in 1877 door het Gemeentebestuur is overgenomen. Uit datzelfde jaar dateren de namen Eestraat, aangelegd als toegang tot de in 1874 gereed gekomen gemeenteschool bij de Dokkumer Ee, en Hazebuurtje, een groepje van vijf woninkjes aan de oostzijde van Oldegalileën, naar de houten figuren in den vorm van hazen, die er vroeger als windwijzers op de schoorsteenkappen stonden (Eekhoff, 1876). Reeds in 1864 had de vereniging Eigen brood bovenal wat noordelijker zestig arbeiderswoningen laten bouwen, welk getal later nog aanzienlijk werd uitgebreid.

Langs een insteekhaventje van de Ee was er enige bebouwing, aangeduid als de Haven (1749 aldus, 1751 op de Olde Galileen bij de soogenaemde Haven, 1843 de Haven, 1878 Pieterseliewaltje); in 1784 werd verkocht een fraije tuin en hovinge geleegen op Olde Galileen, bestaande in een aanzienlijke keukentuin en een berg, waarop een fraije Turkse tent en zomerhuis, thans uitzigt hebbende in de tuin en over de Doccumer Ee, hebbende deeze tuin de vrije uit- en ingang en opslag in en langs de Laan of ’t zogenaamde Peterceliepadtie. Meer noordelijk, tussen de nos. 117 en 121, lag de Tonslagerij (1877 aldus): in 1840 was vergunning verleend tot het oprichten van een lokaal bij de Dockumer Ee tot het doen slagten van runderen en het intonnen van vleesch en spek. Het Panwerk (1877 aldus), te bereiken door het Panbakkerspoortje (tussen de nos. 165 en 167) ontstond bij een pannenbakkerij, in vereeniging met een fabriek voor estrikken en vloeren en een cementmolen door paarden gedreven (1844-1917). Tussen de nos. 175 en 177 mondde de Droge Haven (1843 de Drooge Haven) - waarschijnlijk aanvankelijk ook een insteekhaven - uit, tussen de nos. 181 en 189 het Waltje (1843 aldus), tussen de nos. 191 en 193 de Kloosterburen (1843 aldus, 1967 in particuliere handen) op de plaats waar al ruim voor 1451 het klooster Galilea stond, aanvankelijk bewoond door begijnen, c. 1457-1498 door minderbroeders-observanten, tussen de nos. 195 en 197 de Kloostersteeg (1877 aldus) en tussen de nos. 205 en 207 de Steenhouwerij (1877 de St., 1961 St.). Tegenover het Panwerk lag het Streekje (1877 aldus).

Het verder onbestrate voetpad naar Lekkum liep dan langs de 1662 op de Houtpolle (1877 aldus) gestichte houtmolen - de Fisker genaamd naar de houtkopers en zaagmolenaars Yntje Douwes Visser (1758-1837) en zijn zoon Dirk (1800-1862), omstreeks 1910 van zijn wieken ontdaan en 1964 afgebrand - en de Waterpolle (1924 aldus), een groepje huizen bij de scheepstimmerwerf het onvolmaakte schip. Een daar ingemetselde gevelsteen met de tekst Hier houdt men krom en regt/Die hier arbeidt is myn knegt/En die hier by my blyft voor knegt/Die moet hier houwen krom en regt bevindt zich sedert 1929 in een muur langs de Pijlsteeg. Dat deel van het pad, ook wel aangeduid als Krom en regt, is R. 18 mei 1966 (effectief 1975) aan het openbaar verkeer onttrokken, samen met het vervolg door de weiden, de Schouwfenne (1687 aldus), naar de Bonke. De erven van Cornelis Blok verkochten 1814 5 pondematen greidland in de Schouwfenne onder Oude Galileen, met een afgeslatten voetpad, ten westen de Ee en ten oosten vier koegangen van Hinne Roels Westra. Die landerijen heetten in de wandeling Blokkeland en Hinneland, en het voetpad Blokkepad. Over de Bonkesloot (tot 1944 de grens vormend met Leeuwarderadeel) lag het hooghout naar Snakkerburen (1570 Snackerbuiren, 1613 toe Snackerbuiren onder de clockslach van Leckum wesende d’eerste fenne buiten des stads jurisdictie, 1759 Snakkerbuiren off Bonketille), een ook elders in Friesland en Groningen voorkomende naam. Het hout bij de Bonke met de leuningen en de trappen was in 1693 op kosten van de stad gemaakt, op voorwaarde dat de ingeseetenen van Leckum het geheel zouden onderhouden. Deze Bonketille is 1975 vervangen door een iets oostelijker, in het verlengde van de Familie van der Weijstraat geplaatst hooghout ten behoeve van voetgangers en fietsers naar Snakkerburen. Aangezien snakken in verschillende talen duidt op praten (babbelen), oppert Johan Winkler de mogelijkheid, Snakkerburen te verklaren als eene kleine buurt, waar oudtijds de verspreide bevolking der omgeving gelegenheid vond, om met elkander te praten.

Lekkum had een verbinding met Rijperkerk via een puinweg, 1531/33 op instigatie van stadhouder George Schenck van Toutenburg aangelegd door de stad, die ter vergoeding van de gemaakte kosten tol hief in een tolhuis onder Lekkum. Deze Zwarteweg (1533 die neyendick, 1542 die niewech mit dat tolhuys, 1544 die nieuwe wech, 1622 de swarte wech, 1657 Groningerwech, 1661 de swarte wech) volgde eerst een ouder pad van de stad naar Lekkum en boog dan voorbij ’t Hoogterp (1499 Harmswird, 1544 dat hooge torp recht buyten onse stadt, 1601 ’t hoechterp after Cambuyr) naar het oosten. Naar de, ongeveer 100 m. oostelijk van het eerder genoemde hooghout gelegen en in 1873 afgebroken Bonkebrug leidde het Lekkumerdijkje (1852) of Oude Lekkumerdijk, waarvan het laatste restant in 1965 werd onttrokken aan het openbaar verkeer; ter plaatse lopen nu de Krijn van den Helm- en de Familie van der Weijstraat. Bij de aanleg in 1830/31 van de Rijksstraatweg naar Groningen of Groningerstraatweg werd de grote bocht van de Zwarteweg rond ’t Hoogterp afgesneden en ontstond er een lineaalrechte weg in de richting van het tolhuis. De afgesneden arm van de Zwarteweg werd in 1867 voor een deel benut bij de aanleg van de kunstweg naar Lekkum (toen beginnend bij het huidige Groningerplein). Voor 1944 lag deze Lekkumerweg (tot de Oude Lekkumerdijk) wel op Leeuwarder gebied, maar een paar blokjes huizen aan de oostzijde ervan stonden op grond van Leeuwarderadeel. Dat leidde tot een geschil, zo hoog oplopend, dat er in augustus 1933 een prikkeldraadversperring voor deze huizen heeft gestaan.

Een andere meander van de Zwarteweg werd gevormd door het Kalverdijkje (1542 Kalverdick), oorspronkelijk een landweg, aanvangende in de omgeving van het Groningerplein en eindigend voor het tolhuis (1748 het eind van de Kalverdijk ten suiden van de Swartewegs tolhuis digt bij het Cambuurster meenschaar); nu begint het eerst bij de Schieringerweg. Dit Kalverdijkje (1542) Cambuyrsterwech achter Cammingaburch) liep met een boog om het terrein van het reeds uit de 14e eeuw daterende slot Camminghaburg (1431 Kamminghabuurstra state, 1435 hofstede toe Kammi(n)ghabuir), dat in 1810 werd afgebroken. De bebouwing in die omgeving (1532 Cambuyer) werd in 1829 samengevat onder de naam Cammingaburen, welke naam in 1843, tezamen met Cambuur en Schoppershof meer speciaal is toegedacht aan een complex woningen, dat in 1878 uitsluitend Schoppershof werd gedoopt (nu een deel van de De Ruijterweg). In 1684 is er sprake van de herbergier in het Schobbers Hoff achter Camminga-burgh, in het floreenkohier van 1700 van een plaats genaamt het Schubbers Hof, beswaart met 29½ floreen en groot 51 pondemaat, in 1722 van ’t wandelpad van Cammingaburcht over de plaets in de wandelinge genaempt het Schobbershoff, in 1741 van de saete Schobberts genaempt en in 1745 van een zathe en landen, huizinge en hovinge bij Cammingaburg, gemeenlijk ’t Scobbers Hoff genaamd (51 p.m.); naar de herkomst van deze naam kan nog slechts gegist worden. Van hier naar de stad leidde het Cambuursterpad (1682 de opgangh van Cambuyr, 1689 Cambuyrster zingel, 1843 Cambuursterpad); eerst in 1889 droeg de erfgename van de bezitters van Camminghaburg het Camminghabuursterpad (en de - in 1916 gedempte - Camminghabuurstervaart) van den Hoekstersingel naar Schoppershof aan de Gemeente over.

In 1636 besloot de Magistraat, dat er een voetpad aan de buitenzijde van de stadsgracht zou worden aangelegd tussen het Vliet en de hoek van de Amelandsdwinger; in 1639 werd dit pad doorgetrokken tot de Hoeksterpoort. Deze Stadscingel (1829) of Stads-buitensingel (1843) - in de wandeling ook wel Nuunderpad (núnderpaad = met schelpen verhard pad) - tussen Cambuursterpad en Vliet kon van noord naar zuid worden onderverdeeld in Oostenburg (1845 aldus, 1870 Achter de Kazerne), Vijversbuurt (1843 aldus, naar de 1826 aangelegde stadsvijver) en Voorstreek (1843 aldus); in 1877 vervielen deze namen en ontstond de Oostersingel.

Een conglomeraat van stegen en steegjes (met echo?) tussen Oostersingel en Noordvliet droeg de naam Weerklank (1755 de soogenaamde Weerklang, 1758 de Weerklank buiten Thuinsterpoort). De oudste steeg van deze omstreeks 1947 gesloopte buurt lijkt wel het Hoogpad (1689 het Hoogpadt bij het schilpad nevens Cambuyrster zingel, 1865 het Hoofdpad in de Weerklank, 1877 Hoogpad) met Achter het Hoogpad en Hoogpadsend. In 1877 werden ook de namen Laagpad en De Krimp gelegaliseerd, evenals die van de Kapelsteeg, uitmondend tussen Oostersingel 64 en 66. De samenkomsten van de in 1858 alhier geïnstitueerde Vrije Evangelische gemeente werden tot 1896 gehouden in een tot kapel ingerichte zolder van een aardappelpakhuis in deze laatste steeg. Een krimp is o.m. een nauwe ruimte tussen twee muren. Aan de Vijversbuurt grensde De Polle (1843 aldus); pôle = hoger gelegen stukje grond. De Doorgaande steeg (1856 aldus, 1877 Weerklanksteeg) mondde uit tussen Noordvliet 29 en 31, ter plaatse van de huidige Drift. Aan de oostzijde van de Weerklanksteeg lagen Hulstbuurt en Seringebuurt (1877 aldus), genaamd naar de eigenaren van de woninkjes: Simon van Hulst (1836-1898, houthandelaar) en dr. Willem Hendrik Suringar (1790-1872, groenfabrykeur, producent van groene verf); Eekhoff had niet Seringe- doch Groenmakersbuurt voorgesteld.

Vliet, 19de eeuw De bebouwing aan weerszijden van het (1969-’71 tot de ringweg gedempte) Vliet (1502 oppa Fleet, 1511 bij dat Fleet, 1527 bij dat Flyt, 1616 in de voorstadt oft opt Vliet) is door de stedelijke regering lange tijd zoveel mogelijk tegengegaan: in 1597 werd het aantal herbergen er beperkt tot drie, in 1601 werd - met het oog op ontduiking van de stedelijke accijnzen - de vestiging van bakkers, brouwers, moutmakers, olieslagers, zeepzieders en dergelijke ambachtslieden er verboden, in 1637 werd de aanleg van een gangbrugge over de stadsgracht naar de Tuinen slechts toegestaan op voorwaarde dat op ’t Vliet geen grote neringhen ofte handwercksluden sullen mogen comen te wonen ende de tegenwoordige uytsterven. Een en ander heeft echter niet kunnen verhinderen, dat juist langs het zo gunstig gelegen Vliet een industriewijk met molens, hellingen enz. ontstond. In 1682 kwam er enig toezicht op het bouwen en kon er een rooilijn worden vastgesteld. Oudtijds was de bevolking kerkelijk niet op de stad georiënteerd. In 1515 werd het Vliet wel onder de gerechtigheid van de stad gebracht, maar de bewoners van het Noordvliet (1775 op Noordvliet, 1845 het Noord-Vliet) bleven in Lekkum, die van de overzijde in Huizum kerken (1580 op ’t Vliet nae die zijde nae Huysum toe neffens het olt gerecht). Achter de huizen van het eerste deel van het Noordvliet liep de reeds lang verdwenen Lijkweg (1542 die cleyne wech, 1546 en 1592 de lijckwech) waarschijnlijk een pad, waarlangs ook de gestorvenen naar het kerkhof van Lekkum werden vervoerd. Een in 1594 genoemde hoij- ende lijckwech tot Fliet lijkt ten zuiden van het water naar Huizum te hebben geleid.

Van de stegen is de Doorgaande steeg reeds vermeld; de Weerklank kon men ook bereiken via de tussen de nos. 113 en 137 uitmondende Langesteeg (1618 op Leeuwarder Flyet in den Langen steige aen de noorderzijde van ’t dyep). Bij de witte brug (voor no. 169) lagen de Ketelaarssteeg (1754 aldus) en de Prinsesteeg (1803 de Princesteeg bij de witte brug, teegen de hoek van de Weerklank), mogelijk identiek! Er volgen dan nog vele, nu naamloze stegen, waaronder we de Michielssteeg (1715-’49 aldus), de Lange Ribsteeg (1725), de Zeilmakerssteeg (1749), de Bezemmakerssteeg (1757) en het Muggesteegje (1791) wel zullen moeten zoeken. De Lijnbaan (1829) kreeg in 1843 de benaming Weg naar Cambuur, het verlengde Opweg naar Cambuur (met oliemolen de Herderin, 1830-c.1895), in 1878 heette het geheel Weg naar Cambuur (ook: Achter Cambuur) en in 1899 volgde de herdoop in Cambuurstraat; 12 juni 1924 werden er weer huizen genummerd aan de Weg naar Cambuur en 24 mei 1939 aan de Molenbuurt; beide zijn intussen verdwenen. Vlak ten oosten hiervan ligt het in 1908 gedempte Oranjewaltje (1843 aldus, officieel in 1976). In 1729 heeft de kapitein van ’s Princen binnenjacht een scheepstimmerhuys op ’t Vliet, in de opgang na Cammingaburg, in 1770 is de capitain van ’t binnenjagt van Zijn Hoogheid de Heere Prince van Orange en Nassau eigenaar van een scheepstimmerhuis c.a., de Orangewerf genaamd, op de noordkant van ’t Vliet; dat (ook aldus in 1758 en ’92 genoemde) gebouw is in 1784 verkocht. In 1783 is er bewoning bij de Prinsehelling op ’t Vliet; mogelijk stonden hier de woninkjes, die in 1749 werden aangeduid als Bij de Helling.

Hier onmiddellijk achter, in de hoek, welke de dijk naar Cambuur met het Vliet maakte, lagen Dijkshoek (1843 aldus, ook wel Duivelshoek genaamd) en Achter Dijkshoek (1843 aldus), de laatste alleen via een steegje tussen de Dijkshoekkamers bereikbaar. Weer daarnaast kwam het Tichelwerk (1749 Tichelwerk, 1843 Tigchelwerk, 1894 Tichelstraat); reeds in 1605 is er sprake van het oude tichelwerkshuis op het Vliet en eerst in 1894 is de steenbakkerij aldaar opgeheven. Bij no. 423 begon Noordvliet-Slot (1578 op ’t Sloth van ’t Fliedt, 1618 op ’t Slot t’ einde van ’t Vliet, 1693 ’t sett ende d’overgangh van ’t Vlied naa ’t Slott, 1718 it Slot, 1829 het Slot), een nu nog slechts officieus gebruikte aanduiding. Moeten we hier denken aan een afgesloten deel of aan het einde van het Vliet? Eekhoffs kasteel lijkt hier minder op zijn plaats. Aangrenzend, ongeveer ter hoogte van de huidige ringweg, ligt in 1676 de houtbrugge Tioeckebuttersbrugge genaemt; op de kaarten van Schotanus (1664 en ’85) is daar aangegeven Tjoucke Bouter, respectievelijk Tiuuke Buuter (1829 De Lijmerij, 1843 bij de Poppebrug, 1877 Fabrieksbuurt), in 1669 overleed een Claes Jilles Tiukebutter, 1687 is er sprake van een huysinge en hovinge op Tioeckeboeterspolle buyten Leeuwaarden; reeds in de beginjaren der 18e eeuw was er op deze afgelegen plaats een lijmziederij.

Nog verder naar het oosten voerde de Lange negen (1896 voetpad over het perceel land de lange negen genaamd), waar tot 1956 een lange rij schiphuizen langs het Vliet stond. Oudere kadastrale kaarten tonen ter plaatse een langwerpig perceel land; blijkens het floreenkohier van 1828 was dat een weiland, groot 3 bunder en bijna 31 roede (oftewel 9 pondemaat). Via een hooghout over de Kurkemeer, voor het maken en onderhouden - op eigen kosten - waarvan de geburen in 1641 toestemming van de stedelijke raad kregen, bereikte men vervolgens Schilkampen (1566 de Schilcampen, 1578 de Schillcamp, 1829 Schildkampen), waar een kalkbranderij schil, kleine zeeschelpen opsloeg. In 1966 is het hooghout afgebroken en een dam in het resterende deel van het Vliet gelegd; dat watert nu af door de Kurkemeer. Ten noorden daarvan ligt Wilaarderburen (1407 Ullawerd, 1534 toe Wlaedt, 1547 bij Cambuyr te Wlaert genaemt Vlarderaguet, 1554 op Vlaerder hoochterp, 1555 te Wijlaert, 1612 zeth ende drayhout over de Colckemeer op Wylaerderbuyren, 1642 Wiellaetsterbuyren onder de clockslach, 1671 Wilaerderbuyren achter ’t Vliedt). Meer westelijk, ongeveer op de hoek van de huidige Esdoorn- en Dennenstraat, stond tot november 1953 een rijtje éénkamerwoningen met de naam Oud Panwerk (1794 aldus); daar heeft in de tweede helft van de 18e eeuw een pan- en estrikbakkerij gewerkt. Zwijndrechtse nieuwlichters exploiteerden er omstreeks het midden der 19e eeuw een zwavelstokken- en een chocoladefabriekje.

Terug naar de al even genoemde Poppebrug (1737 Poppebrug, de uitterste brug op ’t Vliet aen het kalkwerk, 1761 de laaste brugge, 1765 op ’t Vliet bij Poppe brugge eeven buiten Leeuwarden), die haar naam zal hebben gekregen van een in de nabijheid wonende Poppe of Popke, b.v. van de lakenkoper Popke Harmens, in 1711 wonende achter op ’t sloth van ’t Vliet en eigenaar van vastigheden aan weerszijden van het water. De Poppebrug is 1964 afgebroken i.v.m. de aanleg van de ringweg. Het buurtje ten zuiden van de brug heette Touwpluizershoek (1843 aldus), welke benaming (naar de naastgelegen lijnbaan) in 1877 wegens de ongunstige klank werd vervangen door Poppebuurt; de huizen zijn in 1935 afgebroken. Meer oostelijk lagen de olde galgefenne (1620; Eekhoff kent alleen een galgefenne aan de Harlingervaart) en Kleijenburg (1584 op Syuert Cleyenborchs tichelwerk, 1590 op Cleienborch); in 1559 is er sprake van een nyeuw huys getimmert door Suyrt Simmez. Cleyenburgh. Thans is Schilkampen alleen via Kleijenburg bereikbaar.

De aaneengesloten bebouwing van het Zuidvliet (1829 aldus) reikt aanmerkelijk minder ver dan die van de noordzijde. Pietersburen (1843 aldus) is (t.b.v. zijn personeel) gesticht door de molenaar Pieter Luitjens van der Meulen (c.1720-c.1789), die met zijn broer Harmanus in 1752 een reeds twee maal afgebrande runmolen (1642-1904) weer opbouwde. (De gevelsteen van deze Jonge Fenix is nu ingemetseld in de meergenoemde muur langs de Pijlsteeg.) Later breidde hij zijn bedrijf nog uit met een zeepziederij, een leerlooierij en een zoutkeet. Door een poortje bereikte men Achter Pietersburen (1796 Loyerspad, 1843 Achter het Poortje, 1878 (Achter) Pietersburen, 16 juni 1981 ingetrokken). Langs, en haaks op een aangrenzende, in 1902 gedempte sloot of opvaart ontstond een rijtje huizen (nu verdwenen), dat door de bewoners met Cichoreijbuurt werd aangeduid, welke naam in 1877 door het Gemeentebestuur was gesanctioneerd. Naamgever was de cichoreimolen van de firma Heuveldop, in 1832 opgericht en in 1861 op afbraak verkocht.

Ongeveer ter plaatse van de huidige Bote van Bolswertstraat lag, langs een rond 1900 gedempt opvaartje, het Keetwaltje (1877 aldus), genaamd naar een zoutkeet. Reeds in 1611 werd er op het Vliet zuidzijde een clampke lants verkocht naast d’invaert van de zoutkeedt. Even westelijker werd in 1766 een balkhelling en scheepstimmerwerf gesticht. De woningen rond deze, omstreeks 1870 opgeheven helling kregen de naam Hellingbuurt (1843 aldus èn Achter de Helling, 1901 Zuidvlietstraat); nu loopt daar de Menno van Coehoornstraat. Nog wel te vinden, tussen Zuidvliet 168 en 200, zijn de restanten van de Haven (1843 aldus), een in 1856 12 meter lange steeg met 15(!) woningen. Eveneens 15 woningen stonden er in een toen nog naamloze, 60 meter lange steeg tussen de nos. 122 en 148, die in 1877 de naam Tuinmanssteeg verkreeg. De hier liggende tuinderijen of gardenierslanden werden ook naamgever van de Gardenierssteeg (1843 aldus), tussen de nos. 106 en 116. Naast de fabrikant in aardewerk Harmen Sipkes Draisma (1812-1884) en diens pottenbakkerij Nooitgedacht liep, tussen de nos. 86 en 104, de Pottebakkerssteeg (1843 aldus). Minder duidelijk is de naamsherkomst van de Ketelsteeg (1843 aldus) tussen de nos. 52 en 82; denkelijk woonde daar een ketelboeter.

Een paar woningen achter Zuidvliet 18 (1843 In het Poortje) waren voor 1878 verdwenen, mogelijk bij de verbetering van het achter het Vliet gelegen Molenpad (1761 ’t wit steck op de Gragtswal, 1843 het Wit Stek of Molenpad, 1845 het oude Molenpad, 1901 Molenpad). De daarnaast lopende Molensloot, die al op de kaart van 1603 voorkomt en leidde naar een standerdmolen ter plaatse van de huidige Menno van Coehoornstraat, werd in 1884 gedempt; de witgeverfde heining zal wel langs een der aanliggende tuinen hebben gestaan. De huizen aan het Molenpad kregen eerst in 1900 een eigen nummering; tevoren werden deze onder de Grachtswal begrepen.

Al in 1594 is er sprake van een huis op het Vlyet bij de Graffswal, in 1607 werd er een rooilijn voor de bebouwing langs de grachtswal vastgesteld. De in die tijd op kosten van de aanliggers bevloerde singel (1636 de grafftskant buiten Leuwarden) werd in 1639 met lindebomen beplant en twee jaar later nog eens met puin en schelpen verhard. In 1647 besloot de Raad alle eigeners aen te seggen op de grachtswal omme met het kiff (afgewerkte run, geluiddempend) vyef voeten van de lindebomen te bliven, opdat die door de scherpheit van ’t selve geen nadeel lijden en in 1763, considererende de wandelweg langs de gragtswal als ciraad van de stad, dat tot voorkominge van het misbruik der straten aldaar geen rijdtuigen, nog asch- off keyzelkarren zullen mogen passeren, latende nogtans vrijheid aan de eigenaars en bewoonders der huisen en tuinen op de gragtswal om tot hun gerijff sleedkoetsjes met off sonder rollen te mogen gebruiken en hetgeene zij tot hunne huishoudinge nodig hebben aldaar wonende of verhuisende met sleepen te laten aan- en affvoeren, gelijk mede bij wintertijd en besloten water alsdan hun asch en vuilnis, zo veel de nood vereischt, op de bestvoegde manier zullen mogen laten weghalen.

De Grachtswal werd sedert 1907 onderverdeeld in Oostzijde en Zuidzijde, welke benamingen in 1924 zijn vervangen door Ooster- en Zuidergrachtswal. Deze splitsing had vóór het graven van het Nieuwe Kanaal (1895) weinig zin: de straatwand liep ononderbroken door tot Achter de Hoven. Deze laatste weg, met een grote bocht uitkomend bij Kleijenburg aan het Vliet, was ontstaan achter en tussen de hoven, merendeels door de stad verpachte landerijen, waarop zomerhuizen en kwekerijen werden aangelegd (1458 Jelgherhersterawey, 1511 bij Jelgerahuus, 1553 toe Jelgerhuys op Jelgerahuysterazaete, 1585 te Jelgerhuys onder de clockslach, 1588 Jelgerhuystrawech, 1617 op Jelgerhuys achter Jan de Doodshoff, 1640 achter de hoven bij de Potmarge, 1674 hof en zomerhuis buyten de Widdumerpoort aen het dickje lopende nae Jelgrahuystralant, 1677 achter de hoovingen, alwaer men gemeenlijk de brocken vercoopt, het Brockhoff, 1693 op Jelgerabuyrt buiten de Wirdumerpoort, 1711 hof en zomerhuis buiten de Wirdumerpoort agter de hovingen, Jelgerabuirt genaemt, 1793 op Agter de Hoven, 1839 de Hoven, 1845 Achter de Hoven). Leden van de vooraanstaande familie Jelgerhuys, zoals burgemeester Wybe Gerrits (c. 1466-1534) hadden hier aanzienlijke bezittingen. In 1793 is er sprake van ’t Oversettershuis op Agter de Hoven; dit is het z.g. Huizumer overzet, een boerderij aan de Potmarge (1843 Aan de Potmarge, 1878 Landbuurt a.d.P., 1961 Aan de Potmarge). De naam Potmarge (ook wel Huizumervaart of -diep) zou een verbastering kunnen zijn van Potmarne = water, door een of meer poeltjes stromend.

De Laan van Tulpenburg, kortweg Laan (1839 de Laan aan den Potmargewal, 1852 Laan van Tulpenburg) is genoemd naar de, nog in 1883 bestaande bloemkwekerij Tulpenburg aldaar. In 1877 werd deze Laan onderverdeeld in: Romkeslaan, Keetbuurt, Tulpenburg en Achter Tulpenburg. De koopman en zoutbrander Johannes Romkes (1764-1837) kocht in 1804 huis, hof, schiphuis en 5½ p.m. gardeniersland aan de Potmarge. Deze Romkes was van 1811 tot zijn overlijden wethouder van Leeuwarden en bewoonde het grote, 1905 afgebroken pand Romkeslaan 24. De Laan van Tulpenburg vormde de oprit naar dit huis en werd dan ook wel Romkeslaan (1845) genoemd. De naam Keetbuurt was ook al eerder (1865) in gebruik: tevoren stond daar de zoutkeet. In 1951 is, op aandringen der bewoners, de inderdaad minder fraaie naam Keetbuurt gewijzigd in Achter Tulpenburg. In deze omgeving zijn de (merendeels éénkamer)woningen afgebroken. De huisjes aan de Potmargewal (1808 aldus) hebben zich nog kunnen handhaven.

Aan de overzijde van het water begint nu het Zuiderplein (1511 bij Wirdumer port, 1592 voor Sint Jacopspoort, buyten Wirdumerpoerte, 1829 het Hengstewad, 1843 Bij de voormalige Wirdumerpoortsbrug, Buiten de Wirdumerpoort, 1877 Zuiderplein). Het bedoelde hengstewad is in 1623 aangelegd en in 1857 vergraven; daartegenover werd in het midden der 18e eeuw de herberg de Posthoorn gevestigd, ten oosten van de toegangsweg tot het stads-asland (sedert 1686, 1765 Asschepoestersland): de Aslandsteeg (1698 opreed na de vuylnisplaets, 1856 Aschlandsteeg, 1877 Posthoornsteeg). Bij die (in 1871 afgebroken doch weer herbouwde) herberg begon de Zuiderstraatweg naar de Overijsselsche grenzen (1827), kortweg de Overijsselse straatweg, welke naam echter sedert de aanleg in 1864 van de spoorlijn naar Groningen op het toenmalige grondgebied der stad slechts gebruikt werd voor het gedeelte tussen de spoorhekken en de grens met Leeuwarderadeel.

Sedert 1951 begint de Schrans reeds bij die spoorwegovergang, doch dit korte stuk straat had tevoren vele namen (1580 buyten die Wirdummerpoorte bij de moelen aen de dijck, an die hoogedijck zuydtwert, 1843 bij de Wijnhornsterzijl, 1877 Overijsselsche straatweg). De Wijnhornsterzijlsloot, grenssloot met Leeuwarderadeel, liep met vele bochten van de Zwette naar de Potmarge; Wijniahorn moet een buurtje bij de latere Schrans geweest zijn (1456 da Wiingahirna, 1581 buyten Sint Jacobspoort bij Wijnhornstra meulen, 1611 de wester Wijnhornster muelen onder de clockslach, 1637 het stenen piepke voorbij de hoven na den Schrans toe, 1677 pijpke bij de twee molens, 1721 ’t Wijnhornsterpiepke tusken de twee moolens in de Schrans, 1786 in de Schrans bij het Wijnhorsterzijlpijpke). Een nieuw opgetrokken flatgebouw aan de kop van de Schrans kreeg 1984 de naam Winiaherne. De eigenaar van de nabijgelegen Dekamahof kreeg in 1616 toestemming om de sluis (zijl) en de tille (houten brug) in de Heerewech te vervangen door een pijp (stenen brug). De rog- en weitmolen ten oosten van de Schrans, de Eenhoorn, werd in 1837 op afbraak verkocht; de westelijke (koren)molen, de Roseboom, die moest wijken voor de spoorbaan, is in 1862 verkocht en overgebracht naar Hantumhuizen.

In 1650 werd door de kerkvoogden van Huizum besloten tot het aanleggen van een stenen voetpad van de Huizumer buretille (kleine vaste brug bij het dorp, later een pijp en sedert 1823 een ophaalbrug over de Wirdumervaart), eerst naar de oude middelzeedijk en daarna er langs tot aan het stenen pijpje bij de twee molens. Tevens is toen één pondemaat kerkeland aan de oostzijde van het tweede deel van dit pad, dat gebruikt was als exercitieterrein, verpacht tot huissteden. Op dat oefenterrein stond waarschijnlijk ook een schans of verschansing; het Franse écran zal mogelijk hebben geleid tot de vorm schrans, welke reeds in het middelnederlands en ook in Friesland veel gebruikt is. Op de kaart van Schotanus van 1664 is het groepje huizen op het verpachte terrein aangeduid als Schrans; in 1630 is er een boerderij verpacht op het nieuland in de Schrans onder de clockslagh van Huysum, dus ten westen van de dijk.

Verlengde Schrans, ca. 1900


Langzamerhand werd deze naam Schrans tot wijknaam, zodat in het aanhangsel van het Leeuwarder adresboek van 1906/7 (de gedeelten Schrans, Verlengde Schrans, Huizumerlaan, Huizum, enz. van de gemeente Leeuwarderadeel) adressen voorkomen als Schrans Hellingbuurt (nu Schrans 37-43), Schrans Smidsbuurt, Schrans achter ’t Gemeentehuis (nu Schrans 42), Schrans Schoolstraat, Schrans Bekhuisbuurt en Schrans Janzenbuurt (nu Schrans 102). Deze, in het laatste kwart der vorige eeuw ontstane buurten ontleenden hun namen aan een helling bij de Potmarge, aan de landbouwer Johannes Pieters Smids (geb. 1857), die in 1881 ter plaatse van de verbrande, nog maar twee jaar bestaande, skating rink de tweede zuivelfabriek in Friesland (en de eerste die gebruik maakte van een centrifuge) stichtte (het chalet-achtige fabrieksgebouw is in 1988 afgebroken), en aan bouwondernemers, zoals de Leeuwarder timmerman-aannemer Theodoor Gerard Bekhuis (1840-1896). Het gemeentehuis van Leeuwarderadeel was van 1899 tot 1965 gevestigd Schrans 44. De Schoolstraat (1906 aldus, 1946 Emmanuel Murandstraat), waarin sedert 1925 ook de (in 1964 afgebroken) Bekhuisbuurt nummerde, leidt naar en langs het in 1877 aldaar ten behoeve van deze wijk gestichte en nog bestaande schoolgebouw. De, tot voor enkele decennia openbare lagere school is in 1920 aanzienlijk uitgebreid om ook de eerste MULO-school van de gemeente Leeuwarderadeel te kunnen huisvesten.

Het in 1767, weer op kosten van de kerkvoogden, vernieuwde stenen voetpad volgde daarna de, haaks op de v.m. zeedijk staande Huizumer indijk, mogelijk een waterkering van de Potmarge. In 1755 is er sprake van ’t Huisumer pad, na het planten van de bomen ter weerszijden (1765 aangeboden door de ingezetenen) steeds van de Huizumerlaan. Eerst in 1905 werd de laan door de kerkelijke aan de burgerlijke gemeente overgedragen; spoedig daarop sneuvelden de bomen van deze geliefde wandelroute i.v.m. wegverbreding en slootdemping. Naast de in 1883 gestichte (Aebinga)school voor l.o., vlak bij het dorp, ligt het Schooldijkje (1906 Dijkje, 1925 Schooldijkje). Deze eeuw is er nogal eens gesleuteld aan de benaming van de buren of dorpskern van Huizum: sedert 1925 was het adres Dorp no... Huizum, dat werd na de annexatie van 1942 Dorp Huizum no... Leeuwarden, in 1961 kortweg Dorp no... Leeuwarden en in 1976 Huizum-Dorp no... Leeuwarden. Aan de andere zijde van het dorp leidde de Tijnjedijk (1664 de dijck Tyngerherne genaemt, Tynger dijck, 1749 Tinieweg, 1784 Tiniadijk, 1847 Tijnje-Dijk, 1935 Tijnjedijk) naar een doorwaadbare plaats in de Tijnje; zij bood in de 15e eeuw vrijwel de enige verbinding van de stad met het oosten van Friesland. In 1961 is de naam Froskepôlle (1592 Froskenburch, 1621 de Froskepol) gelegaliseerd; in 1784 is aldaar sprake van de herberg de Froskepolle. Een baggerdepôt tussen Wijde Greuns, Woudmansdiep, Langdeel en Van Harinxmakanaal, in 1953 en volgende jaren ingericht als recreatiepark, kreeg mede de naam Froskepôlle.

Zuidelijker in het Huizumer oudland vormde het Juffersreedje (1789 de groene dijk, 1844 Sloterdijksdijkje, 1850 de weg naar Abbega, 1906 Juffersreedje, 1935 Badweg), waarin de zwarte plank (1626 de swarte plancke, een brugje over de Wirdumervaart), de oprit naar Abbinga-state, waarop men dus enige juffers als bewoonsters mocht verwachten. Dit zullen geweest zijn (1781-1832) de weduwe en de dochters van mr. Willem Augustijn van Sloterdijck (1714-1763). Nog zuidelijker leidde de Hempenserweg naar het dorpje Hempens; het eerste deel, tot de Wirdumervaart, werd nog in 1847 aangeduid als Rapenburgerdijk. In 1568 wordt reeds melding gemaakt van Rapenburch, in 1626 is er een rente verkocht uit de saete en landen genaempt Rapenburgh, in 1648 en 1686 woonden er blekers op R., in 1792 was er behalve de woning een bleek, een was- en een looghuis.

De, nu als zuidelijke begrenzing van de stedelijke bebouwing fungerende scheepvaartweg van Harlingen naar Fonejacht (Prinses Margrietkanaal) werd 30 mei 1951 geopend. Hij is bij Statenbesluit van 5 juli 1955 Van Harinxmakanaal genoemd naar de Commissaris der Koningin mr. P.A.V. baron van Harinxma thoe Slooten (1870-1954) wegens diens grote verdiensten voor de waterstaat van Friesland.

Juffersreedje en Hempenserweg vingen aan bij de oude middelzeedijk, later Overijsselsche straatweg, nu Verlengde Schrans geheten (ook dit was tot 1925 een wijknaam, vandaar adressen als 1e t/m 3e Dwarsstraat, Paul Kruger-, de la Rey- en de Wetstraat, Verlengde Schrans). Ongeveer ter hoogte van de huidige Vincent van Goghstraat begon de in het Huizumer nieuwland doodlopende Nieuwlandsweg (1542 nyelandtwegh, 1847 Nieuwlands-Dijk); bij het realiseren van het uitbreidingsplan Nijlân is elk spoor van deze hooiweg uitgewist.

De Mij. tot exploitatie van Staatsspoorwegen onteigende omstreeks 1860 gronden aan het veel noordelijker, bij de Wijnhornsterzijl, van de Schrans in westelijke richting lopende en ook geheel verdwenen Tolhuis- of Sneekerdijkje (1750 aldus, 1836 de puinweg voorlangs het katoenfabrijk met klinkers bevloerd, 1851 Sneekertolhuisdijkje), dat bij het Sneker tolhuis aansloot op de Snekertrekweg. Aan de zuidzijde van dat dijkje stichtte de houtkoper A.J. Bruinsma (1803-1878) in 1835 een katoenweverij en -drukkerij, die al na vijf jaar stil kwam te liggen en in 1845 op afbraak is verkocht. Het ten westen van die grote fabriek (ca. 115 x 10 m.) zuidwaarts lopende Hollanderdijkje (1656 het dijckien ontrent Hollandershuys buyten de Wirdumerpoort, 1836 de opreed van het Hollanders-huys), werd bij de aanleg van het spoorwegemplacement voor een deel verlegd. Het hulpstation, vanwaar in 1863 de eerste trein waar Harlingen vertrok, stond aan deze Hollanderdijk, evenals de naamgever, de 1670 al vermelde en in 1928 afgebroken Hollandersplaats (Nieuwe Hollanderdijk, hoek Leeuwarderstraat). De dijk, waarschijnlijk een oude waterkering, zou onderdeel geweest zijn van een pad van de stad naar het zuiden (via de Pishornedijk naar Barrahuis). In 1849 stichtte de rog- en pelmolenaar David Jans Sluiter (geb. 1800) aan de Hollanderdijk de molen de Bazuin. Daaraan ontleende de Molenstraat (1923 aldus, 1947 E. Wassenberghstraat) haar naam. De achtkante molen is tussen 1910 en 1930 onttakeld, het de laatste decennia voor de opslag van oud papier gebruikte voetstuk in 1981 gesloopt.

Aan de zuidzijde van de Nieuwlands- of Harlingertrekvaart werd een trekweg aangelegd, welke sedert 1652 ten behoeve van het verkeer met Bolsward en sedert 1662 tevens voor dat met Sneek werd gebruikt: de Snekertrekweg. In de hoek tussen de vaarten naar Harlingen (Bisschopsrak) en Sneek (Zwette, 1975 Kalkhaven) lag Schenkenschans (1609 bij het draeiholt op Deynumalandt, 1638 huis op de Swettehorne in de wanderinge Schenke Schans genaemdt, 1645 bij het drayholdt ofte Schinckeschans), dat tot de grenswijziging van 1962 onder Deinum (Menaldumadeel) werd gerekend. De stadhouder George Schenck van Toutenburg (†1540) zou aldaar een sterkte hebben aangelegd. Eekhoff plaatste vraagtekens bij die opvatting, noemde wel een op de oosthoek gelegen huis Toutenburg. Het opduiken van de naam S. in 1638 zou kunnen wijzen op vernoeming naar de - 1586 door de Staatse veldoverste Marten Schenck van Nijdeck bij de scheiding van Maas en Waal aangelegde - vesting Schenkenschans; deze kreeg algemene bekendheid, toen zij 1635 door de Spanjaarden werd veroverd en een jaar later door Frederik Hendrik hernomen. Wat meer westelijk, ook ten zuiden van het Bisschopsrak, stond 1857-1979 (gesloopt 1988) de steenfabriek Schenkenschans; sedert 1990 is daar de afvalverwerkingsinrichting Skinkenskâns (!). De trekweg ten noorden van de Nieuwlandsvaart, de Harlingertrekweg, is enige jaren eerder dan de zuidelijke, n.l. in 1646 ontstaan. Ongeveer ter hoogte van de huidige Van der Nootstraat stond al in 1456 de stadsgalg, als provinciale gerechtsplaats nog tot in de 19e eeuw in gebruik. De vaart heette daarom ook Galgediep, het terrein (tot de Fonteinsloot) Galgefenne.

Van het zuidelijk deel van de stadssingel is nu niets meer terug te vinden, in tegenstelling tot het ongeveer gelijk- tijdig, in 1641 aangelegde westelijk deel (1843 Stads- buitensingel, 1870 Singel bijlangs de broodfabriek, 1877 Westersingel), dat nog ongeveer de oude route volgt. In 1865 was er naast de Fonteinsloot de Friese brood- en meelfabriek de Hoop opgericht (krachtbron één ketel van 6 P.K., de zeven arbeiders kregen weeklonen van f 4 tot f 6,50). Op de singel, bij de molen het Lam, ongeveer ter hoogte van de huidige Molenstraat, mondde uit het voetpad naar Marssum, het Marssumer binnenpad (1843 aldus). Voorbij de O.L. Vrouwepoort heette de singel Buiten de Vrouwenpoort (1877 Harlingersingel); daar begon de rijweg naar Marssum (1478 Marsmawech, 1564 Marssumerwech vanouds Oldehoeffsterawech, 1590 Marsumer rijtwech, 1658 Marssumerwech, 1685 Marssumerdijk, 1843 Harlingerstraatweg). De Rijksstraatweg naar Harlingen, die van Leeuwarden tot Marssum langs de bestaande weg werd aangelegd, kwam in 1842 gereed; een deel daarvan werd als harddraversbaan ingericht: start bij de huidige Westerparkstraat, Baens-ein op het Europaplein. Bij het tolhuis splitst zich af de Sylsterdyk naar Ritsumazijl (1542 Ritsummewech, 1871 Zijlsterweg); deze ligt voor een deel buiten de gemeentegrenzen. Ten dele daarbuiten liep ook het voetpad naar Beetgum (1691 aldus, 1729 ’t Beetgumer padt, 1843 Beetgumer binnenpad), dat begon aan de stadssingel, even ten noorden van de Harlingerstraatweg.

Verder noordelijk langs de in 1683 op stadskosten passabel gemaakte en in 1847 bestrate middelzeedijk (1494 de haghadijck, 1590 de hoege heerendijck, 1720 Stienserdijck, 1839 Weg naar Stiens, 1845 Hogedijk naar Stiens, 1851 straatweg naar de Bontekoe, 1878 Stienserweg, 1931 Mr. P. J. Troelstraweg) lagen links Landbuurt en Achter Landbuurt (oorspr. Stienser Landbuurt), waarvan de eerste huizen in 1893 verrezen; de woninkjes zijn 1980 gesloopt en vervangen door nieuwbouw, uitsluitend nummerend Landbuurt. Bij Tonnenburg (1709 aldus), ter plaatse van het huidige Valeriusplein, begon het, in het Leeuwarder nieuwland doodlopende en in 1901 van stadswege besintelde Schapendijkje (1847 Schape-Dijkje). Opmerkelijk was het voorkomen van een naamgenoot aan de overzijde van de Zwette, in het Engelumer en Marssumer nieuwland (1851 Achterom of Schape-Dijkje).

Noordelijker ligt het eveneens doodlopende Keegsdijkje (1542 de Kaechswech, 1792 de z.g. Keesdijk bij Paffenraade, 1847 de Keegs-Dijk), welke weg in 1936 door de Gemeente is aangekocht als toegang tot het toen aangelegde burgervliegveld. Keeg is de naam voor buitendijks land, soms ook nog na de indijking (1494 dickland op den kaegh streckende aen der haghadijck, 1542 op Bilgaerstera nyelandt genaempt die caech). Tenslotte vinden we als grens tussen Leeuwarder en Jelsumer nieuwland de Tjessingaweg (1647 Tjessingawech), tot ca. 1940 lopende van de (Grote) Bontekoe naar Dijksterhuizen onder Beetgum. Deze belangrijke landbouwweg (1651 besloot de Raad de Tjessingawech te doen rijd- en gebruickbaer maken, 1898-1901 door de aanliggenden aanzienlijk verbeterd) is door de uitbreiding van het vliegveld afgesloten. Een kort traject ten westen van de basis kwam door een grenscorrectie met Menaldumadeel per 1 januari 1984 op Leeuwarder gebied. In 1542 is er sprake van Jacob Tiessinge goet toe Jelsum, in 1675 werden de heren van de stedelijke bouwpolitie gelast ’t vervallen huys aen Tiessingawech, ’t Schaepehuys geheten, te vercopen, in 1720 en ’65 wordt melding gemaakt van het onderhoud van het piepke bij het schapehuis in de Stienserdijck.

De noordelijke grens met Leeuwarderadeel werd en wordt verder gevormd door de Haskermeer (1601 Hasgermeer, 1664 Jelsumer meer, 1685 Hascker meer, 1691 de vaert genaemt de Haskermeer loopt van het stenen pijpke bij Tiessingaweg aff ende eindigt in de Ee, 1847 de Jelsumer-Vaart of Hasker-Meer); Winkler noemt een sate de Haske onder Jelsum als naamgever. Thans nummeren nog enige verspreide woningen Aan de Jelsumervaart (1878 Landbuurt a.d.J.). Tegenover het Keegsdijkje begint de Vierhuisterweg (1509 Fyouwerhuistrawey, 1542 Vierhuysterwech, 1658 ’t middelpadt bij Paffenrade, 1692 het dijckje op te rijden na Paffenrode, 1843 Vierhuisterweg, 1877 Bij Paffenraad, 1878 Landbuurt aan de Vierhuisterweg), in 1865 op de legger als in onderhoud bij de eigenaar van het Vierhuis c.s., die dezen puinweg gelegd hebben. De boerderij het Vierhuis aan de Dokkumer Ee (1437 Fyorhusteragued, 1506 dat gued te Fyeuwerhusum, 1583 thoe Vierhuyssum op Ywall) is in 1957 door de Gemeente aangekocht, waarbij een deel van de landerijen bestemd werd voor het gebruik door volkstuinders, het overige voor bosaanleg. De aan deze (in 1991 door de Gemeente van het Waterschap overgenomen) weg liggende, in 1939 afgebrande boerderij Paffenraad of Paffenrode is herbouwd, waarbij een oude gevelsteen is herplaatst (1971 verdwenen), vertonende de wapens der families Paffenrode en Liauckama alsmede het opschrift A V P 1596. Deze steen moet betrekking hebben op de Gelderse jonker Adam van Paffenrode (†1639) en zijn vrouw, juffrouw Ymck van Liauckama, die in deze omgeving eigendommen hadden.

Ten zuiden van de Taniameer leidde de in 1965 vrijwel geheel aan het openbaar verkeer onttrokken Bilgaarderdijk naar het terpje Bilgaard (1534 Tanyabueren, 1540 Bilgaert); al in de 15e eeuw had een familie Tania hier aanzienlijke bezittingen. Haaks op al deze wegen en dus evenwijdig met de Stienserdijk liep (en loopt nog vanaf de Bilgaarderdijk) het Jelsumer binnenpad (1691 voetpad nae Jelsum, 1731 Jelsumer voetpad, 1748 J. binnenpadt, 1865 J. voetpad, 1878 Landbuurt a.h. J. binnenpad, 1961 J. binnenpad). Dit pad mondde uit op het huidige Spanjaardsplein, dus in de bocht van de Spanjaardslaan (1585 weg nae ’t Lazarushuys, 1604 Spaense wech, 1610 Spaensche dijck, 1676 Spanjaertsdijck, 1739 Spanjers dijkje, 1839 Weg naar de Begraafplaats, 1845 Spanjaardsweg, straatweg naar de Begraafplaats, 1847 Leprozenweg nu Spanjaardsdijk, 1877 Spanjaardslaan). 19 Mei 1568 werden tien vendels Spaanse soldaten, komende van Harlingen (die vier dagen later zouden deelnemen aan de slag bij Heiligerlee, waarbij hun bevelhebber, de landvoogd Aremberg sneuvelde), wel van stadswege gevoed, maar buiten de wallen, op deze Weg naar het Lazarushuis, en niet in de stad toegelaten. Bij de stichting van, met het oog op het naderend einde van het Twaalfjarig Bestand noodzakelijk geachte nieuwe fortificatiewerken is 1619 de Spaeniersdijck verlegd, evenzo 1642 bij de aanleg van de singel. Het, waarschijnlijk in de eerste helft der 16e eeuw ontstane, in 1672 opgeheven en in 1688 afgebroken Lazarushuis bood onderdak aan gecertificeerde lijders aan lepra (leprozen of lazarussen, naar de met zweren overdekte bedelaar uit Lucas 16), die voorzien van een kleppe (een waarschuwingsteken) in de stad mochten bedelen. Aan het Geldeloos padtie bij de Spangiaertsdijck (1688, 1690) stond een bedelaarslogement, mogelijk een bijgebouw van het Lazarushuis, dat zelf tijdens de laatste jaren van zijn bestaan ook als zodanig dienst had gedaan. Een geldeloos pad bood elders in den lande een tolvrije doorgang, d.w.z. buiten een tolhuis om. Ter financiering van de aanleg van de straatweg richting Stiens is er 1847/’77 tol geheven; het tolhuis of gabel stond ter hoogte van de Landbuurt. Mogelijk is er na een eerdere verbetering (1683) van de Stienserdijk ook een tijdlang tol geheven. Via deze sluipweg zou men toen de tol hebben kunnen vermijden, maar de naam kan ook duiden op de (min)gegoedheid der aanwonenden. Aan het gebod (1827) aan de grotere gemeenten, om begraafplaatsen buiten de bebouwde kom aan te leggen, werd h.t.s. 1830/33 gevolg gegeven door de inrichting van een stedelijke begraafplaats op de voormalige terp Fiswerd (1472 Wiswerd), waar tot 1510 het Sint Annaklooster der grauwe bagijnen had gestaan.In 1993 kreeg een nieuw gebouw van de Christelijke Hogeschool Noord-Nederland aan de Rengerslaan de naam Wyswert. In 1902 aanvaardde het gemeentebestuur de door oud-burgemeester mr. W.J. van Welderen baron Rengers (1835-1916) geschonken 3½ ha. weiland ten oosten van de begraafplaats om daar eene openbare wandelplaats aan te leggen. Dit Rengerspark kon in 1905 voor het publiek worden opengesteld.

Tussen beide einden van de Spanjaardslaan, Harlingersingel en Camstraburen, bestaat er een kortere verbinding, de in 1641 aangelegde stadssingel (1843 de Stadsbuitensingel, 1862 Singel bij de Gouden bal, 1878 Noordersingel). De herberg, tijdelijk ook leerlooierij, de gouden bal is in 1876 afgebroken, waarna over het erf de Singelstraat werd aangelegd. Op Eekhoffs kaart van 1847 is het achterterrein nog aangegeven als: de Loopgraven (1731 en 1788 ook aldus). Van dit, mogelijk van de stedelijke verdedigingsgordel van 1619 deel uitmakend terrein kwam men, via de nu vrijwel geheel gedempte Zoetemelksvaart (1694 Soetemelx-vaert, na de aanleg der begraafplaats ook wel Lijkvaart, 1900 onttrokken aan de publieke dienst) en de Spanjaardslaan op de singel achter Camstraburen. Een groot deel van de landerijen ten westen van de Dokkumer Ee was oudtijds in het bezit van de hoofdelingenfamilie Camstra, wonende op het huis Taniaburg bij Bilgaard. In de 16e eeuw werd een in de onmiddellijke nabijheid van de stad gelegen deel van die grond in percelen verpacht en ter bebouwing uitgegeven. Hier ontstond de buurtschap Camstraburen (1621 buyten Hoexterpoort op Eewall, 1651 op de Eewal buiten Hoecster poort op Camstrabuiren, 1760 Camstra Buuren, 1839 Kamstrabuurt, 1845 Camstraburen).

Langs de Ee werd 1646/47, met medewerking van jonker Goffe van Camstra, een trekweg aangelegd t.b.v. een beter verkeer met Dokkum (1657 op de Doccumertreckwegh, 1659 op de Eewall aen de Doccumer treckwech). Door financiële moeilijkheden van de stad Dokkum kwam de trekweg in 1673 in handen van de participanten, wier opvolgers tenslotte het onderhoud van weg en walkant verwaarloosden (noodgedwongen, bij gebrek aan inkomsten uit de tollen). In 1916 nam de Gemeente de weg over van de particuliere eigenaars, verenigd in het Comité tot herstelling van den Dokkumer trekweg. Drie jaar later werd een verzoek afgewezen van een aantal aanwonenden, om een gedeelte van de trekweg de naam te geven van Besuyenweg (i.v.m. de steun van gedeputeerde Karel P. W. Besuyen, 1880-1916, aan genoemd comité). In 1859 is ter verbetering van de waterweg van Dokkumer Nieuwe Zijlen over Leeuwarden naar Harlingen, de lastige bocht van de Dokkumer Ee en de stadsgracht weggenomen door een doorgraving bij Camstraburen. Een gedeelte van de stadsgracht werd gedempt, waardoor de Noorderweg kon ontstaan en het oostelijk deel van Camstraburen tot de binnenstad ging behoren, onder de naam Klein Camstraburen (1877 Eebuurt). In het verlengde daarvan liet de koopman Izaak Reijnders (1798-1875) in 1837 een tiental woningen zetten (1877 Reijndersbuurt).

Dit buurtje staat aan de noordkant van de, oorspronkelijk eveneens buiten de gracht gelegen Arendstuin (1660 Aernstuyn buyten Hoexterpoort, 1684 Arents thuin, 1714 Aernstuyn, 1760 Aarsentuin, 1779 Aanehoaf, 1839 Aarnsentuin, 1845 Arentstuin, 1877 Arendstuin), die in 1648 door de stad werd onteigend. In 1630 pachtte Upke van Aerssen de ledighe plaatse affter Hoexter kerckhoff om tot een tuyn te gebruiken. In 1770 is de Aanse thuin buiten de Hoeksterpoort, die van oude tijden aff tot een exercitieplaats door de cavallerye is gebruikt geweest, enigszins vergroot en ingericht tot een bekwame plaats voor de cavallerye alhier in guarnisoen liggende, tot verrigtinge hunner exercitien, die zij volgens Hoogen ordre moeten doen. In 1856 is hier, ter vervanging van die in de Grote Kerkstraat, een nieuwe manege gesticht, ten westen van de in 1848 gebouwde cavaleriestal; in 1859 verlieten echter de laatste cavaleristen deze stad. Nu herinneren nog het manegegebouw en de marechausseekazerne aan het langdurig gebruik van dit terrein door de ruiterij.

Terug