Open Monumenten in Leeuwarden 1987


Stadswandeling
'Open monumenten in Leeuwarden' is verschenen ter gelegenheid van de eerste landelijke Open Monumentendag op 12 september 1987. De voorbereidingscommissie in Leeuwarden heeft van deze dag iets bijzonders willen maken, niet in de laatste plaats door dit boekje uit te geven. Het voert de lezer door middel van een wandeling langs tal van fraaie monumenten waarbij speciale aandacht wordt besteed aan de opengestelde gebouwen van Paleis van Justitie, de Waag, het Provinciehuis, het voormalige kantoor van de 'Utrecht' en het Stadhuis. Door de informatieve beschrijvingen blijft het boekje ook na de Open Monumentendag zijn waarde behouden.

De stadswandeling begint bij het monumentale Paleis van Justitie, het eerste open monument (nr. 1). Het staat aan een groot plein dat in het midden van de vorige eeuw werd aangelegd na de demping van een oude stads­gracht. Het noordelijke deel behield zijn oude naam Ruiterskwartier, evenals het zuidelijke dat nog steeds het Zaailand heet. Het plein zelf wordt sinds 1894 Wilhelminaplein genoemd. Aan het Ruiterskwartier stand een aantal koetshuizen die bij de patriciërshuizen aan de Nieuwestad hoorden. Eén hiervan bestaat nog.

Van het Wilhelminaplein lopen we via de Doelesteeg naar de drukke winkelstraat, de Nieuwestad. We passeren aan de zuidzijde meteen het indrukwekkende gebouw van C&A uit 1917. Architect P.M.A. Huurman uit Groningen heeft een opvallende gevel met hoge pilasters en een fronton in post-klassicistische stijl geschapen. Het pand Nieuwestad 106 is meer Nederlands van afmeting. Het heeft een 16de eeuwse tuitgevel met ontlastingsbogen boven de ramen, die ondanks de bepleistering hoed zichtbaar zijn. Tussen de ramen van de zolderverdieping bevindt zich een gevelsteen met drie schijven, die naar de oude naam van het pand, "de drie gouden Prince daelders" verwijzen. het gebouw ernaast, nr. 108 (Auck Petershuis) valt door zijn brede gevel met een typisch 19de eeuws karakter op. Het is het enige pand in zijn omgeving waarin geen winkel maar een maatschappelijke instelling is gevestigd. Opvallend is de ingangspartij met de dubbele trapstoep.

Op nr. 130 bevindt zich een pand met een opmerkelijke ijzeren constructie boven de winkelpui. Deze korfboog werd in 1899 aangebracht in opdracht van J.A.F. Best, winkelier in medische apparatuur. Hij liet ook het rode en groene kruis en de gevelstenen met de opschriften Hegeia en Aesculapius aanbrengen. Lopend aan de zuidzijde wordt onze aandacht op een interessant pand, nr. 103, aan de noordzijde gevestigd. het is van rode baksteen en is overdadig versierd met banden, krullen en beeldhouwwerk van natuursteen in de trant van Vredeman de Vries, in maniëristische stijl. De geveltop wordt bekroond door een nis met wijnvat en druiventakken en -trossen. Deze versiering verwijst naar het beroep van de bouwheer. Nog steeds aan de noordzijde ter hoogte van de Waag (nr. 2) ziet men twee fraaie panden: één met een lijstgevel, nr. 119, en één met een halsgevel, nr. 121. Het eerste werd voor de koffiehandelaar J. van der Veen tussen 1802-'05 door G. van der Wielen (stadsarchitect van Leeuwarden) gebouwd. Achter de gevel met opvallende kroonlijst gaat een empire trappenhuis tussen voor- en achterwoning en een gaaf achterhuis schuil. Het hieruit afkomstige geschilderd behang van A.J. van der Poort is onlangs in een paleis in Chitry in Frankrijk ontdekt. Het naburige pand  herbergt een gevelsteen met her jaartal 1770 en heeft een gevelbekroning in pleisterwerk met de voorstelling van een staande beer.

Onze wandeling voortzettend aan de zuidzijde passeren we het pand nr. 156 met een klokgevel, geflankeerd door beeldhouwwerk uit 1756. Let op de "gaper" tussen de ramen die aan de vroegere functie van het pand als apotheek herinnert. Hier kunnen we de straat oversteken om het tweede open monument., de Waag (nr. 2) te bezichtigen. Daarna volgt men het water tot de smalle straat, het Nauw genaamd.

Al op de hoek staat een opmerkelijk pand met een trapgevel van het einde van de 17de eeuw. De ontlastingsbogen zijn nog zichtbaar. Het pand Naauw nr. 10 ontving een glazen puit uit de jaren '20 van onze eeuw. Aan de overkant op nr. 3 ziet men een opvallende neo-reanaissance trapgevel van omstreeks 1905-'10 van de architect W.C. de Groot. Naauw 14 is opnieuw een pand met een klokgevel, de "Planteur" genaamd. Het dateert uit 1785. Op de hoek van Nauw en Groentemarkt staat een markant gebouw in Art Nouveau-stijl uit 1904.

We zijn nu op de Brol of Brolspijp, een gemetselde overkluizing aangekomen, een belangrijke marktplaats in vroegere tijden waarop een wachthuisje voor de bierdragers stond. Hier vandaan opent zich een prachtig gezicht op de Kelders met de Bierkade, laag aan het water gelegen, waarop de diepe kelders uitkomen. Voorts kan men van de fraaie gevelwanden aan weerszijden van de gracht genieten.

Hierna loopt men aan de rechterzijde van de gracht verder en passeert eerst het thans witgeverfde, smalle pand met het flinke beeld van een vergulde kat op de Groentemarkt 1. Het bezit ook een gevelsteen met het jaartal 1697. De gevel is een verminkte pilastergevel welke zijn oorspronkelijke top heeft verloren. Wandelend langs de gracht bereiken we de Korfmakersstraat. In deze straat vallen drie huizen naast elkaar op. Het witgeschilderde pand, nr. 13 toont bouwsporen uit de 16de  eeuw, maar de brede kroonlijst met consoles dateert uit de tweede helft van de 18de  eeuw. Nr. 15 heeft een eveneens witgesausde pilastergevel van na 1650, terwijl nr. 17 classicistische elementen naast rococoversiering bezit. De dubbele gevel van na 1750 is witgepleisterd. Tegenover deze huizen staan de rode bakstenen gebouwen van het Provinciehuis (nr. 3). De voorgevel van dit complex staat echter aan de Tweebaksmarkt. Hier bevindt zich de hoofdingang. Na een bezoek aan het Provinciehuis kan men aan de Tweebaksmarkt in het volgende open monument, het pand van de levensverzekering de "Utrecht" terecht. Aan de overkant staat het rijzige bakstenen gebouw van het postkantoor uit 1904, van de architect C.H. Peters. Verderop aan de rechterzijde van de Turfmarkt staat de monumentale Kanselarij uit 1566 tegenover het Fries Museum. Dat werd in 1881 in het voormalige huis van de familie Van Eisinga gevestigd. Langs de zijkant van het museum wandelen we via de Koningstraat, over de gracht van de Voorstreek naar de Wortelhaven. We passeren links een groot witgepleisterd gebouw van het voormalige postkantoor en bereiken de in 1884 helaas gedempte Eewal.

Aan de linkerzijde van de Eewal ziet men  twee oude huizen, nr. 78 en nr. 76. Het eerste bevat een gevelsteen met een leidekkershamer waaronder de naam van de bouwheer Dirck Alles stat vermeld. Het huis dateert uit 1611 en bevatte vroeger waarschijnlijk een topgevel. Thans wordt het door een kroonlijst uit het einde van de 18de eeuw afgesloten. Het pand ernaast met lijstgevel is witgepleisterd. Het ontving een laat achttiende eeuwse ingangspartij met Ionische pilasters en een fraaie kroonlijst. Verderop staat een rijzig pand, nr. 56, van architect Th. Romein uit 1862. De middenpartij met de ingang en met het van een omlijsting voorziene raam op de eerste etage kreeg een extra accent binnen de vijf traveeën brede gevel. Aan de overkant springen twee volumineuze gebouwen in het oor. Pand nr. 59 werd in opdracht van een grote verzekeringsmaatschappij in 1895-'96 door architect H.H. Kramer gebouwd.  De gevel is in neo-renaissance stijl opgetrokken en heeft door de trapgevels op de hoeken en de rijke detaillering van het gevelvlak een levendig uiterlijk gekregen. Thans is er de Leeuwarder Onderlinge Verzekeringen gehuisvest. Het gebouw ernaast is in de stijl van de Nieuwe Kunst door Hero Feddema ontworpen. In 1895 vestigde zich er een telefoonmaatschappij. Thans is het bij "Drukkerij Eendracht" in gebruik.

Als we verder wandelen komen we op het Hofplein dat door voorname panden wordt omgeven: aan onze linkerkant staat de Hoofdwacht met ernaast de gevel van de Raadzaal achter het Stadhuis. Tegenover deze panden staat het monumentale witgepleisterde gebouw van het voormalig Stadhouderlijk Hof. Dit plein grenst aan het Raadhuisplein waaraan het Stadhuis (nr. 5) uit 1715 staat, het vijfde en laatste in de reeks open monumenten dat in Leeuwarden te bezichtigen is.

Na het bezoek aan het Stadhuis kan men teruglopen naar het Hofplein. Van dit plein leidt de smalle Beijerstraat naar de Grote Kerkstraat, welke in september door de gelijknamige stichting tot Monument van de Maand is uitgeroepen. Een achttal monumenten krijgt in het bijzonder de aandacht. Het eerste monument is de Oldehove, het symbool van de stad. Dan volgt het Museum het Princessehof met als kern een oude stins met traptoren. In de gevel van nr. 43 bevindt zich een gevelsteen met het opschrift "Aed Levwerd". Op de hoek met de Beijerstraat bevindt zich het Frysk Letterkundich Museum dat eveneens een L-vormige stins met traptoren als kern heeft. Verderop vindt men de in oorsprong uit 1530 daterende kapel aan de Dominikamer Orde, die later de Waalse kerk is geworden. Aan het einde van de straat staat de zogenaamde Keimpemastins, die uit de 14de eeuw dateert. De Grote Kerkstraat mondt op het Jacobijner Kerkhof uit dat door de in de 13de eeuw gebouwde Jacobijner- of Grote Kerk wordt gedomineerd. Voor verdere gegevens betreffende de monumenten van de Grote Kerkstraat wordt u verwezen naar de uitgave van de Stichting Monument van de Maand.


Paleis van Justitie

Wilhelminaplein 1

Eén van de meest monumentale gebouwen van Leeuwarden is het Paleis van Justitie. De meeste mensen hebben ontzag voor dit gebouw, welk gevoel door nieuwsgierigheid wordt afgewisseld. He kent het gebouw van buiten maar je loopt er niet zo maar binnen; alleen als je er iets te zoeken hebt. Toch is het gebouw zeker het binnentreden waard!

Het Paleis van Justitie is thans niet meer weg te denken van de westzijde van het Zaailand, dat sedert 1894 de naam Wilhelminaplein draagt. De meeste Leeuwarders spreken echter nog steeds van het Zaailand.

Bouwgeschiedenis
De geschiedenis van het gebouw gaat tot 1838 terug. In dat jaar deed de toenmalige gouverneur  (Van Zuijlen van Nijevelt) een voorstel aan de Staten betreffend het bouwen van een nieuwe huisvesting voor het Provinciaal Gerechtshof en de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden. De aanleiding was de reorganisatie van de rechterlijke macht, tengevolge waarvan Leeuwarden aan beide instellingen een plaats moest bieden. Het oude onderkomen in het Landschapshuis was te klein geworden. Men ruilde dit tijdelijk in voor de net gereedgekomen Infirmerie (militair hospitaal). In 1838 hield een speciaal daartoe benoemde commissie zich echter bezig met de voorbereiding voor de oprichting van een nieuw gebouw voor de rechterlijke macht.

In 1839 maakte de (toen nog) bouwopzichter van Waterstaat in Friesland Thomas Romein twee ontwerpen voor het nieuwe Hof.  Behalve hij toog ook A. van der  Moer, opzichter van Waterstaat (vanaf 1839 stadsbouwmeester van Harlingen) aan het werk. Hun ontwerpen werden echter te duur bevonden. Er moest een eenvoudiger concept komen. In 1840 diende Romein weer een ontwerp in. Over de plaats waar het nieuwe gerechtshof moest verrijzen waren de meningen verdeeld. Uit twee situatietekeningen van 1843 blijkt dat men het oog op het Droevendal en op het Zaailand liet vallen. De eerste bouwplaats zou de monumentalititeit van het gebouw met zijn lange voorgevel niet voldoende laten uitkomen. Wat het Zaailand betreft kwamen twee locaties in aanmerking; te weten aan de westzijde van het plein en aan de zuidkant naast het huidige pand van de oude Rijks HBS. Zoals bekend viel de keus van het provinciebestuur op de westkant van het Zaailand. Om de plannen te kunnen realiseren trad men in onderhandeling met de gemeente, die er een aantal belangrijke stedenbouwkundige wijzigingen lier uitvoeren. Vanaf 1841 werden de Verlaats- en Zuiderdwinger vergraven. Om de twee heringerichte dwingers met elkaar te kunnen verbinden werd de Oude Herengracht die het Zaailand in tweeën deelde, gedempt. De aanleg van plantsoenen werd door de bekende landschapsarchitect L.P. Roodbaard waarschijnlijk tussen 1846 en 1848 verzorgd. In deze fraai geschapen omgeving verrees het serene gebouw van het Paleis van Justitie.

Op 28 april 1846 gingen de Staten met de kosten van de bouw, f 205,888,- akkoord. Ze bepaalden tevens, dat het gebouw van "zwarte drielingsteen" moest wordt opgetrokken het Rijk zegde f 20.000,- toe.

In juni 1846 verzocht de hoofdingenieur van Waterstaat in Friesland Kros om assistentie van T. Romein bij de uitvoering van de werkzaamheden. Gedeputeerde Staten kwamen hem hierbij niet tegemoet. Hij zag zich genoodzaakt om de bouwopzichters E. Stoett en J. Prakken van hun dagelijks werk weg te halen en voor de bouw van het gerechtshof in te zetten. Het bestek moest spoedig worden gereed gemaakt. De aanbesteding kon op 3 juli 1846 plaatsvinden. Het funderingswerk werd aan H.D. Harkema en het optrekken van het gebouw aan D.M. Postma te Leeuwarden gegund. De binnenbetimmering werd door A. Pietersma aldaar verzorgd. De werkzaamheden namen een aanvang. Tot opzichter van de bouw solliciteerde architect J.I. Douma uit Opeinde. Hij werd ook aangesteld blijkens verschillende uitgavenposten.

Op 4 februari 1851 werd het Paleis van Justitie in gebruik genomen. Het Provinciaal Gerechtshof en de Arrondissementsrechtbank betrokken er hun zittingszaal en de kantoorruimten. De zaal van het Hof mocht tevens worden gebruikt door Provinciale Staten voor de gewone en buitengewone vergaderingen. Op de eerste verdieping aan de westzijde (achtergevel, middengedeelte) werd de bibliotheek van de provincie ondergebracht.

Exterieur van het gebouw
De neo-klassicistische voorgevel van het Paleis van Justitie aan het Wilhelminaplein ontving een monumentaal aanzien. De vormgeving met de zuilencolonnade doet aan antieke tempels denken. Het gebouw is twee bouw­lagen hoog en elf traveeën breed. De voor- en achterzijde werden voorzien van een iets naar voren uitspringende middenpartij met pilasters in de kollossaalorde. Alle ramen hebben opvallende omlijstingen, de vensters van de begane grond zijn bekroond door architraven op consoles. De breedte van de gevels wordt door de horizontale lijn van het natuurstenen basement, de geprofileerde lijst tussen de bouwlagen en de driedelige daklijst benadrukt. De voorgevel kreeg ter accentuering van het middelgedeelte een zuilenportiek met zes Corinthische zuilen in de kolosaalorde. Deze staan op en bordes (van dezelfde hoogte als het basement van het gebouw) en dragen een kroonlijst met fronton. De verticale lijn van de zuilen verleent het gebouw zijn monumentaliteit. In het fronton ziet men thans het Rijkswapen, dat het wapen van Friesland verving. Voor het plaatsen van het Friese wapen in 1849 werd advies ingewonnen bij de toenmalige archivaris en bibliothecaris van Friesland Jacob van Leeuwarden Daar er teveel variaties in het Friese wapen bestonden, wilde men een deskundig oordeel over een definitief ontwerp.

De Provinciale Staten verlieten vóór 1896 het gerechtsgebouw, dat een rijkseigendom werd. Als compensatie voor deze overdracht liet het Rijk de prachtige neo-gotische statenzaal bij het provinciehuis bouwen. Sinds die tijd zetelt alleen de rechterlijke macht in het gebouw.


Interieur van monumentale allure
Op de concept-plattegrond van de begane grond van T. Romein uit 1846 tekent zich de huidige indeling reeds in grote trekken af. Deze toont in het midden bij de hoofdingang een vestibule, waarachter een gang loopt. Op deze gang komen de drie hoofdvertrekken uit. Ze herbergen van links naar rechts de audiëntiezaal voor het Hof, de antichambre in het midden en de audiëntiezaal voor de Rechtbank. De beide langwerpige audiëntiezalen kregen aan de korte zijde een nis. Rondom de centraal gelegen vertrekken zijn de vele kantoorruimten gegroepeerd. De plattegrond van de eerste verdieping bevat de ruimte van de bibliotheek aan de achterzijde in het midden en vele kleinere kamers als kantoorruimte.

Bij de inrichting van het gebouw is aan de afwerking grote waarde gehecht. uit archiefstukken blijkt dat men behoorlijke bedragen besteedde aan het aanbrengen van een goede verwarming en verlichting. Aan meubels behang, tapijten en verfwerk werd ook een flink bedrag uitgegeven. Interessant is te weten dat enige banken met vaste lessenaars voor de zittingszaal van het Hof door timmerman H.R. Stoett werden geleverd. Een andere bekende naam J. van der Wielen (zoon van stadsarchitect Gerrit van der Wielen), treft men aan in verband met de leverantie van vier koperen gaslantaarns voor de verlichting van het gebouw. In 1850 liet men een balie met ijzeren hekwerk en voorzien van een lessenaar voor de raadkamer van de Rechtbank vervaardigen.

Wat de verwarming betreft blijkt, dat men zich op dit gebied wilde laten voorlichten. F. Stoett had een soort studiereis van 20 dagen gemaakt naar onder meer Amsterdam en Den Haag. In de laatste stad bezocht hij de gotische zaal van paleis Kneuterdijk waar hij eenvoudige stoommachines aantrof In de orangerie van paleis Noordeinde noteerde hij drie apparaten (ketels) met warm water.

Het Paleis van Justitie werd op 4 februari 1851 door het Hof en de Arrondissementsrechtbank betrokken. Beide instellingen kregen een ruime zittingszaal aan weerszijden van de centraal gelegen hal ter beschikking overeenkomend met het oorspronkelijke ontwerp van Romein. Dit werd met kleine wijzigingen uitgevoerd waarbij het centrale gedeelte met drie hoofdvertrekken ongewijzigd is gehandhaafd. Hier volgt thans een bouwkundige beschrijving van de zalen.

De zaal links van de ruime hal dient voor de zittingen van het Hof. De rechthoekige witgepleisterde ruimte is voorzien van een absis. Het absisgewelf bevat parapluvormig gerangschikte cassettes met rozetten en is afgesloten door een brede band met gestuct rolwerkfries. In het midden van deze band bevindt zich een decoratie van een leeuwenkop, open boek, weegschaal, papierrol, zwaard en scepter, waarschijnlijk symbolen van de rechterlijke macht. De absis is door gekoppelde en gegroefde pilasters met kapitalen in de composietorde geflankeerd. Samen de andere pilasterparen in de kolossaalorde zorgen ze voor de indeling van de wanden. Ze staan op een hoog gemarmerd basement en dragen rondom het vertrek een flink uitgewerkt architraaf. Het architraaf bestaat uit een profiellijst, een brede band met rolwerkversiering en een flinke vooruitspringende kroonlijst. Hierop rust het gedrukte tongewelf met diepe cassettes waarin forse rozetten zijn geplaatst. Aan de voet wordt het gewelf door tweemaal drie vensters met decoratieve ijzeren roeden doorbroken.

Aan de oostkant boven bevindt zich een half-ellipsvormig raam met gietijzeren roeden. Omdat in deze zaal van het Hof tot 1896 ook Provinciale Staten haar vergaderingen hield, werd in de oostmuur een balkon aangebracht. Het rust op vier forse mooi gedetailleerde korbelen. In het balkonhek ziet men het wapen van Friesland. De monumentale ruimte wordt door aangepaste driearmige ijzeren armaturen (waarschijnlijk nog van de oude gasverlichting) verlicht.  De hele zaal ademt de sfeer van het neo-klasssicisme. Het meubilair is in neo-empirestijl gehouden.

De zittingszaal van de Rechtbank is minder gedecoreerd maar komt in grote trekken overeen met de zojuist beschreven ruimte.

De zittingszalen kunnen via de monumentale hal bereikt worden. De hal ligt centraal in het gebouw en heeft een rechthoekige plattegrond. Aan de korte zijden vindt men tweemaal twee zuilen en hetzelfde aantal vierkante pilasters met gestucte kapitelen van acanthusbladen. het zware marmer van zuilen en pilasters wordt in de zwarte banen van de vloer als het ware weerspiegeld wat een apart optisch beeld levert. De kapitelen dragen een decoratief fries tussen geprofileerde banden. Boven dit fries is een archivolt met het wapen van Friesland te zien. Het wapen herinnert nog aan de tijd dat het gebouw eigendom van de provincie was.

De lange wanden zijn met vrij vlakke pilasters op basementen geleed. Hun kapitelen en het rondlopende fries zijn identiek aan de vormgeving van de korte zijde. De wanden zijn door een geprofileerde lijst afgesloten. Boven de koof is een nieuwe plafondafwerking met glas aangebracht.

Na het bezichtigen van de imponerende vertrekken kan men concluderen dat justitie met de tijd is meegegaan getuige de modernisering van het interieur. In de jaren '60 heeft een ingrijpende verbouwing plaatsgevonden waarbij vooral de hal een belangrijke verandering onderging. De allure van een paleis heeft het gebouw echter zeker behouden!


DE WAAG

Nieuwestad 148

Markten in Leeuwarden
Leeuwarden was vanaf de 11de eeuw een belangrijke handsnederzetting. Haar ligging aan de inham van de Middelzee bij een drietal rivieren, te weten de Ee, het Vliet en de Potmarge speelde hierbij een niet te verwaarlozen rol. Reeds in de 13de eeuw werd Leeuwarden als lid van het Hanzeverbond genoemd. Door het geleidelijk dichtslibben van de Middelzee en het bedijken van grote gebieden nam het belang van de zeehandel grotendeels af. Als landstad met een redelijke handel kon Leeuwarden zich echter ontwikkelen mede door zijn centrale ligging aan land- en vaarwegen. In een oud document uit 141 werd reeds over één jaarmarkt gerept en omstreeks 1450 was al van drie jaarmarkten sprake, te weten op 13 juli, 21 september en in de week van Pasen. Of naast de jaarmarkten in de 15de eeuw ook  weekmarkten in Leeuwarden werd gehouden is niet bekend. In de eerste helft van de 16de eeuw kwamen ze wèl voor. Het stadsrecht stelt de marktdag op zaterdag; pas in 1809 werd deze naar vrijdag verschoven! Waar de markten voor verschillende producten plaatsvonden kan men vaak uit de straatnamen gewaar worden. In Leeuwarden kent men de Korenmarkt (eerste stuk van de Voorstreek), de Groentemarkt (bestaat thans nog), de Vismarkt (op de brug tussen Wortelhaven en Koningstraat), de Brol, een belangrijke marktplaats, waar het wachthuisje voor de bierdragers stond, de Kelders (voor het opslaan van bier), Turfmarkt en Tweebaksmarkt (beide bestaan nog) etc. De namen Deinumer Suupmarkt (Nieuwestad noordzijde bij de Kleine Kerkstraat) en Berlikumermarkt (tussen Ossekop en Oude Oosterstraat) duiden erop dat daar producten uit bepaalde dorpen werden aangevoerd. Dit was zowel via waterwegen als land mogelijk. Op de marktdagen heerste op de kaden en wallen van de stad een drukte van belang. Ambachtslieden en kooplui wedijverden met elkaar bij de verkoop van hun waren. De markten werd vanouds in de open lucht gehouden. De goederen waren letterlijk blootgesteld aan de weersomstandigheden wat de handel beslist niet vergemakkelijkte. De meeste goederen konden niet lang worden opgeslagen. Dit gold vooral snel bederfelijke waar zoals boter, kaas, vis, vogels en eieren. Deze goederen werden in toenemende hoeveelheden uit het platteland aangevoerd.


Bouwgeschiedenis van de stadswaag
De weekmarkt was onafscheidelijk verbonden met de stadswaag. Daar moest elke partij boter, kaas en vlees van meer dan 50 pond worden gewogen voordat ze verhandeld werd. De stad had op deze manier een aardig zicht op de omvang van de zuivelhandel en trok daaruit haar inkomsten (waaggelden). In Leeuwarden werd voor het eerst in 1386 over de Waag gerept in één van de oudste charters in de stedelijke archieven. Deze oudste voorloper van de waag op de Nieuwestad stond bij de kromming van de vroegere loop van de Ee tegenover het huidige stad­huis. Ze werd later verplaatst naar de oostzijde van de Nieuwestad, naar het tegenwoordige Waagplein. In die tijd werd Leeuwarden in de zuidelijke richting uitgebreid; de stadsgracht werd binnengracht met een brede kade aan de zuidzijde van de Nieuwestad. Deze kade bleek bij uitstek geschikt als marktplein. Hier verrees de Stadsboter- en zoutwaag welke voor het eerst in 1486 werd genoemd. Op een kaart van Jacob van Deventer uit 1557 komt deze waag ook voor als een eenvoudig bouwwerk zonder verdieping. Het bleek al snel te klein voor de toenemende handel. Aangezien het stadsbestuur het waagrecht als één van de meest voorname stedelijke voorrechten beschouwde, besloot het in 1595  tot de bouw van een nieuwe waag. Het gebouw zou "twee woeningen (verdiepingen) hoech met leyen decken en de op te wise van een huyff" worden. Het verrees 30 ellen westelijker dan het oude gebouw. Drie jaar later kwam de waag in renaissancestijl gereed. De bereikbaarheid was via het water zeer gunstig; de schepen konden aan- en afvaren. Grote hoeveelheden zuivelproducten werden voor de export via de stadsgrachten richting Harlingen verscheept.

De waag is een rechthoekig gebouw van heldere rode baksteen. Ze bestaat uit twee bouwlagen met een hoge schildkap die met leien is bedekt. Het gebouw is omgeven door een luifel waaronder de boter en de kaas kon worden uitgestald. Deze hangluifel, die met ijzeren stangen aan de gevel is bevestigd, werd in 1786 door een rondgaande Toscaanse zuilenportiek van hout vervangen. Deze beschikte over een brede luifel die op twintig houten kolommen rustte. In 1816 werd het bouwsel vergroot. Volgens stadsarchivaris R. Visscher werden omstreeks 1860 vrijdags aan de luifels verlengstukken gehecht om een meer schaduwrijke plaats te creëren. De houten portiek werd tijdens de restauratie tussen 1884 en 1890 door architect J.E.G. Noordendorp, directeur van Gemeentewerken, verwijderd. De waag kreeg toen haar hangluifel terug.

Het gebouw heeft tot op de huidige dag zijn oorspronkelijke gedaante grotendeels behouden. Van de zes deuren op de begane grond zijn enkele dichtgemaakt. Ze zijn van een omlijsting nog in laat-gotische stijl voorzien. De hoeken zijn onder de luifel afgeschuind maar daarboven kregen ze fraai gebeeldhouwde wapendragende leeuwen in natuursteen als versiering. De scheiding tussen de twee bouwlagen wordt door een klassiek fries van bovengenoemd materiaal zichtbaar gemaakt. Het fries bestaat uit trigliefen en versierde metopen. De versiering varieert van engelenkopjes en rozetten tot ossenkoppen in maniëristische trant van Hans Vredeman de Vries. De ramen hebben houten kruisvensters en gedrukte ontlastingsbogen met stenen negblokken. De lange gevel ontving drie, de korte twee vensters met luiken. De gevels worden door eenvoudige gootlijst afgesloten; waaronder de muurankers te zien zijn. Boven deze lijst zwenken de dakvlakken. Het schilddak rijst hoog op. Aan de brede zijden bevat het drie, aan de smalle één elegant vormgegeven dakkapel.

Van het waaggebouw werden vele afbeeldingen gemaakt. Aan het einde van de 18e eeuw vereeuwigde C.F. Franck de oostelijke hoek van de Boterwaag. Hierop ziet men achter de luifel in 1786 aangebrachte houten kraan met windassen. De meest interessante schilderijen van het Waagplein en omgeving dateren van omstreeks 1854 en later. Ze zijn door Elias P. van Bommel vervaardigd. Ze geven de sfeer van de marktdag uitstekend weer. Op het schilderij uit het Museum het Princessehof zien we de Waag uit het zuid-oosten. Onder de houten luifel op zuilen wordt handel bedreven. Men ziet een paard en wagen en op de achtergrond een serie kraampjes. De gevelwand aan de zuidzijde van de Nieuwestad is tot in de details weergegeven. Het pand met de klokgevel (Manfield) is tot heden bewaard gebleven. De brede lijstgevel met uitspringend balkon op zuilen moest wijken voor waren V & D. De voorstelling wordt voorts door vele figuren verlevendigd. We zien voorname dames en heren met hun kinderen en zelfs een trotse militair afgebeeld. Deze afbeelding toont de waag nog met de empireramen voorzien van zes grote ruiten en met een soort bovenlicht in de ontlastingsboog. Architect Noordendorp verving deze na 1884 door de oorspronkelijke kruisramen. Behalve dit schilderij bevindt zich nog een afbeelding van de waag dor Van Bommel in het Fries Museum. Een derde exemplaar, een kopie naar Van Bommel, bevindt zich in particulier bezit. Alle drie zijn nu in verband met de Open Monumentendag opgehangen in het gebouw dat ze voorstellen.


Wegen in de waag
Het gebouw werd in 1595 van twee grote ijzeren evenaars van 325 pond voorzien. Naast de herstelde balans uit de oude waag kwam er een vierde, grotere evenaar van 400 pond. Alle werden door Peter Hendricksz. van de Ghere, balansmaker te Amsterdam, geleverd. Voor het lossen van goederen werd aan iedere zijde van het gebouw een kraan geplaatst. In het bovenvertrek werden verkopingen van "vaste" goederen gehouden, later vinden er zittingen van het krijgsgerecht plaats. Vanaf 1613 liet het stadsbestuur toe dat kooplieden er Beurs hielden. Ze kwamen daar tussen 11 en 12 uur 's voormiddags bijeen. Later in de 19e eeuw werd de Beurs in een herberg aan de Wortelhaven ondergebracht. Uit ontevredenheid kwamen de kooplieden in 1866 in de zaal van Van der Wielen aan de Breedstraat bijeen totdat ze over een nieuwe accommodatie konden beschikken. Na veel geharrewar tussen belanghebbenden en het stadsbestuur werd op 24 september 19884 het nieuwe beursgebouw (thans Openbare Bibliotheek en Kunstuitleen) op de plaats van de afgegraven Wirdumerpoortsdwinger geopend. Dit gebouw voorzag in een grote behoefte. De oude waag was te klein gebleken voor het wegen van de toegenomen hoeveelheid boter en kaas. In de eerste jaren na de opening werd er 2,3 miljoen kg boter gewogen, een hoogtepunt in de boteromzet! Ter vergelijking: in 1900 was deze hoeveel tot 268.000 kg gedaald.

De waag op de Nieuwestad kreeg tot een nieuwe bestemming. Beneden werd de brandweer gehuisvest, boven repeteerde het muziekkorps. Het gebouw werd tussen 1884-1890 geheel gerestaureerd. In de jaren twintig van deze eeuw kreeg het Natuurhistorisch Museum er onderdak. Na de laatste restauratie in 1970 werd op de begane grond de Rabobank gevestigd, terwijl boven een restaurant werd ingericht, dat thans bekend is onder de naam "Restaurant De Waag".

Sedert 1986 hangt in de benedenruimte een "kransos" uit het Fries Museum. Het is een geschilderd paneel met de afbeelding van een met kransen versierde os die ooit in de waag werd gewogen. het opschrift luidt als volgt: "1752 heeft Nicolaas Ottos van der Weide met Dirk Taekes Buma mr. vleeshouwers een os geweid en geslagt dan 7 februari 1753 wegende in de waag aan suiver vlees 1546 pont en aan smeer 282 pont. Dus in 't geheel 1828 pont".

Behalve de vele ossen en allerlei andere goederen werd in de waag ook wel eens iets zeer bijzonders gewogen. In 1762 werd het gewicht van het rococohek van het voorplein van de radzaal van Leeuwarden vastgesteld. Volgens het waagbriefje met handtekening van J.D. Soetingh woog dit hek 3417 pond.

Om de oorspronkelijke functie van de waag aanschouwelijk te maken voor het publiek van de Open Monumentendag, liet men een paar oude weegschalen opknappen en ophangen aan de evenaar die al eeuwen lang aan de zuidkant van het gebouw te zien is. De bedoeling is dat deze oude weegconstructie nu het gewicht van vele bezoekers gaat vaststellen.


Het Provinciehuis

Tweebaksmarkt 52

Het gebouwencomplex aan de Tweebaksmarkt tussen Korfmakersstraat en Oude Oosterstraat herbergt het Provinciehuis van Friesland. Het biedt onderdak aan Gedeputeerde Staten, het dagelijks bestuur van de provincie. Tevens vinden er de vergaderingen van de Provinciale Staten, het hoogste bestuursorgaan van de provincie, plaats. Hier zetelt ook de Commissaris van de Koningin. Het provinciaal bestuur wordt bijgestaan door een ambtelijk apparaat met aan het hoofd de griffier.

Bouwgeschiedenis
Het oudste gedeelte van het complex bevat de hoofdingang met het opschrift Provinsjehûs. In de 16e eeuw was dit gebouw in het bezit van de abt van het Nicolaasklooster te Bergum. Tussen 1570 en 1578 diende het als woonpaleis voor de Leeuwarder bisschop Cunerus Petri. Na Petri's vlucht werd zij paleis als gevolg van de Hervorming geconfisqueerd. In 1579 stelde stadhouder graaf Rennenberg het aan de provinciale bestuurscolleges ter beschikking in de hoop op eventuele steun. Sinds de overdracht is het de zetel van Gedeputeerde Staten. De Staten, later Provinciale Staten, vergaderen echter elders. Vóór 1595 in het Jacobijner klooster achter de Grote Kerk. Daarna kwamen ze in het Landschapshuis, naast de Kanselarij, bijeen.

Het paleis van de bisschop bleek na verloop van tijd te klein. Het werd in 1668 en 1710 uitgebreid en verbouwd. In het laatste jaar werd de pilastergevel in kolossaalorde aan de Korfmakersstraat gebouwd. De naburige panden tot de hoek werden geleidelijk aangekocht en "ingelijfd". het vijfde pand, een hoekhuis, verwierf men pas in 1830.

Van het uiterlijk van het gebouw van Gedeputeerde Staten vóór de grote verbouwing in 1784 kan men zich een beeld vormen met behulp van een aquarel van H. Wensel uit 1783. Deze afbeelding toont een langwerpig gebouw met twee bouwlagen en een hoge kap, welke aan de linkerkant van een trapgevel is voorzien. De voorgevel bevat 11 vensters elk met 24 ruitjes op de eerste verdieping en tien vensters en een ingangspoort op de begane grond. Het gedeelte met de hoofdingang springt enigszins vooruit en is extra versierd. Aan weerzijden van de deur met fraai bovenlicht bevinden zich pilasters die een hoofdgesteld dragen. Het raam erboven is rijk versierd met beeldhouwwerk. Dit middenstuk wordt door een halsgevel met klauwstukken en een segmentboog bekroond. In de segmentboog bevindt zich het wapen van Friesland. Opvallend is de fraai gelede kroonlijst over de gehele breedte van de gevel. In het dak werden twee dakkapellen geplaatst. In 1784 werd het gebouw verhoogd waarvoor de oude geveltop moest wijken. Door verlenging van de gevel is een versobering van het exterieur waar te nemen. De ingangspartij ontving een opvallende deuromlijsting van Ionische halfzuilen met kroonlijst. Ze wordt door twee ramen geflankeerd Het drie ramen brede middenstuk wordt door geblokte Dorische pilasters geaccentueerd in de gehele hoogte van de façade. Voorts is het door een segmentvormig fronton met het wapen van Friesland bekroond. De oorspronkelijke schuiframen met 24 ruitjes werden in de vorige eeuw door grote ruiten (zes en elk venster) vervangen.

De zijgevel van het Provinciehuis aan de Korfmakersstraat bestaat uit vier delen. Naast de zijkant van het hoofdgebouw bevindt zich de pilastergevel uit 1710, dan volgt een in oorsprong 17de eeuws en aan het einde van de vorige eeuw gereconstrueerd pand met trapgevel en de brede eclectische stijl opgetrokken façade van na 1908 van architect H.H. Kramer.

Tussen 1980 en 1985 werd het Provinciehuis aanzienlijk uitgebreid met nieuwbouw terwijl de oude gedeelten werden gerestaureerd. Het Drachtster architectenbureau Van Manen en Zwart ontwierp de uitbreiding. Een nieuwe vleugel aan de Heerestraat kwam reeds in 1970 gereed.


Interieur
Het Provinciehuis herbergt de provinciale griffie. Dit houdt in dat het functioneel moet zijn ingericht. Tegelijkertijd is er een behoefte aan representatie, die zich in de inrichting duidelijk manifesteert. Uit de tijd van de verbouwing in 1784 dateert nog het interieur van de voormalige raadmaker, thans de zaal van Gedeputeerde Staten in het midden van de eerste verdieping boven de toegangshal. De zaal toont de kenmerken van de zogenaamde Lodewijk XVI-stijl. De wanden zijn op classicistische wijze geleed met halfzuilen vóór brede pilasters en hoge basementen. De basementen zijn even hoog als de lambrisering De gegroefde zuilen flankeren de grijs marmeren schouw, het middelste raam en de twee deurpartijen. Zuilen en pilasters, bezitter alle Ionische kapitelen. De wandvelden zijn omkaderd door meanderlijster en zijn bespannen met zachtgroene damast met bloempatroon. De kroonlijst onder het plafond is samengesteld uit een eier-, een blok- en looflijst. Ze springt boven de pilasters en zuilen even naar voren. het plafond is van prachtig stucwerk voorzien in de vorm van een ovaal die op een koof rust. In de rand van het grote dieptemedaillon zitten tussenvelden met versieringen van loofwerk en trofeeën. De trofeeën bestaan uit attributen van de oorlog, zoals harnas, helm, kanonsloop, zwaard en banieren; uit attributen van de wetenschappen als esculaap vijzelbak, inktpot, boek, weegschaal, medisch gereedschap. Voorts ziet men agrarische voorwerpen als schop, zeis, sikkel, graanschoof, hark en rogge, en met betrekking tot de zeervaart de verrekijker, kaart, roeispaan, aardbol en kompas. De vakken zijn door consoles met guirlandes van elkaar gescheiden. In het medaillon werd de landsmaagd met het wapen van Friesland, met het alziend oog en een staaf uitgebeeld. Zij is omgeven door engeltjes (putti) die naar hun attributen als symbolen van de standvastigheid (zuil), gerechtigdheid (weegschaal, zwaard, blinddoek), heldhaftigheid (pijlenbundel), roem (lauwertak), voorzichtigheid (Spiegel), welvaart (hoorn des overvloeds) en handel (caduceus) kunnen worden geïdentificeerd Een ander opvallend element is de inrichting vormt de schouw met hangend acanthusbladen en guirlandes in de flanken. Op de mantel bevindt zich een spiegel met lijstversiering in rococostijl met veel krulwerk en een decoratieve segmentvormige bekroning. Het schoorsteenstuk daarboven heeft als onderwerp het bezoek aan de koningin van Scheba aan koning Salomo. het schilderij zou door Gerard de Lairesse (1640-1711) zijn vervaardigd. Het is afkomstig uit het huis van jonkheer C. van Eysinga in de Grote Kerkstraat. Deze zaal is te bereiken via het monumentale trappenhuis met een brede trap van St. Anna-marmer en met een sierlijke lambrisering van tegels die om en om de F van Friesland en het oude wapen van Friesland dragen. Een nieuw raam met afbeeldingen van Friese folkloristische gebruiken in gespoten spiegelglas is door Jentsje Popma vervaardigd.


De Statenzaal
De meest monumentale ruimte van het provinciehuis is de Statenzaal. Deze werd in 1891 aanbesteed en in 1895 voltooid. Rijksbouwmeester Jacobus van Lokhorst (1844-1906) ontwierp de zaal en hield toezicht op de bouw ervan. De Staten hadden al vanaf 1849, het jaar van de afbraak van het Landschapshuis, behoefte aan een geschikte vergaderruimte. Ze weken voor korte tijd uit naar de Grote Raadzaal in het stadhuis uit. Sedert 1851 hielden ze hun zittingen in het door de provincie Friesland gestichte Paleis van Justitie, zetel van het Gerechtshof en de Arrondissementsrecht. Toen in 1875 de rechterlijke macht in Leeuwarden aanzienlijk werd uitgebreid, was er geen voldoende ruimte meer over voor de vergaderingen van de Staten. Men begon een onderhandeling met het Rijk over de stichting van een nieuwe ruimte voor de Staten. De hoofdingenieur van Waterstaat, Hayward ontwierp toen een plan voor een gebouw naast het provinciehuis, dat ook de Provinciale Bibliotheek zou herbergen. Deze ruimte bleek echter ongeschikt mede door het feit dat het bewaren van de archieven van de provincie ook al zeer problematisch was, Men zette de besprekingen met het Rijk voort. In 1890 werd een overeenkomst bereikt waarbij de provincie het Paleis van Justitie kosteloos  eerder aangekochte huizen naast het Provinciehuis voor f 12.365,- aan de Staat overdroeg als het Rijk zich tot de bouw van een Statenzaal bij de provinciehuis zou verplichten. Tevens kwam men overeen dat de Provinciale- en Bumabibliotheken in de Kanselarij werden ondergebracht. Hiermee werd de bouw van de Statenzaal een feit. Deze kwam op de eerste verdieping van het nieuwe complex boven de zogenaamde sectiekamers. De zaal is 15 m lang, 10 m breed en 8½ m hoog en is neogotisch van stijl. Bij het betreden ervan valt de overdadige decoratie meteen op. De 12 prachtig beschilderde glas-in-lood ramen filteren zacht het binnenstromende licht. Ze stellen de wapens van de drie kwartieren, de elf steden en de dertig grietenijen voor. Ze werden door de glazenier Nicolaas van Roermond vervaardigd. Deze tonen taferelen uit de Friese geschiedenis. het eerste is het verhaal van Verritus en Mallorix, de twee Friese aanvoerders die in 159 na Chr. naar Rome gingen om daar voor de belangen van hun volk te pleiten. Ze bezochten er het theater van Pompeuis. Toen ze zagen dat op de tribunes naast de senatoren vreemdelingen plaatsnamen, besloten ze onmiddellijk om zelf ook daar te gaan zitten. Ze zouden tevens hebben gezegd: "Niemand kan de Friezen in dapperheid overtreffen". De tweede afbeelding toont Bonifatius  (of Winfried), de stichter van het klooster te Fulda die meerdere malen naar Friesland kwam om het evangelie te prediken. In 754 verbleef hij met 52 volgelingen in Friesland om de Friezen te kerstenen. Hij werd echter bij Dokkum vermoord. Het derde tafereel laat de edellieden Eelcke Liauckama en Feike Botnia zien die door Godfried van Bouillon . de leider van de eerste kruistocht, tot ridder worden geslagen. De scène vindt vlakbij de stadspoort van Jeruzalem plaats, Op de vierde muurschildering staat Gemme van Burmania met nog enkele Friese edelen vóór de troon van Philips II bij zijn inhuldiging. De zelfbewuste Fries weigerde te knielen bij de aflegging van de eed voor de koning. Hij roep uit: "Wy Friezen knibbelje allinne foar God".

Henrieux uit Den Haag ontwierp de taferelen terwijl Reclair van Roermond de uitvoering voor zijn rekening nam. Boden deze taferelen bevindt zich de personificatie van de acht deugden die de Staten tot het goede dienen te vermanen; de matigheid, kracht, hoop, geloof, liefde, waarheid, goedertierenheid en ingetogenheid uitgebeeld. Boven de schouw aan deze wand is fijn beeldhouwwerk van Te Poel en Stoltefus aangebracht. In het midden ziet men de personificaties van de gerechtigheid, de voorzienigheid en de macht. Deze eigenschappen zijn van vitaal belang voor het bestuursbeleid van de Staten. Tussen deze figuren zijn de wapens van Friesland aangebracht. Het onderschrift luidt: "Concordia res parvae crescunt" (Eendracht maakt kleine zaken groot). Tegenover de wand met de muurschilderingen bevindt zich de publieke tribune, bereikbaar via een wenteltrap. Boven de tribune zijn Friese spreekwoorden aangebracht zoals "Wierheit boppe al". Tussen de geschilderde spitsbogen bevinden zich de personificaties van vrijgevigheid en spaarzaamheid, die beide van grote invloed kunnen zijn op de besluiten over de begroting.

De balken van dit balkon worden door zeventien korbelen gesteund waarop de namen van bekende Friezen als Menno Simons, Gysbert Japicx, Willem en Onno Zwier van Haren voorkomen.

De Statenzaal ontving een rijke en zeer toepasselijke decoratie die de herinnering aan Frieslands verleden levendig houdt.


De koffiekamer
Nog een belangrijk vertrek bevindt zich aan de kant van de Korfmakersstraat, de zogenaamde koffiekamer, die in renaissancestijl werd ingericht. De zoldering bestaat uit moer- en kinderbalken. De wanden zijn tot bijna halverwege met eikenhout beschoten. Boven de met tegels beklede schoorsteen hangt het portret van Maria Louise van Hessen-Kassel echtgenote van Johan Willem Friso. Enkele andere portretten herinneren aan de band tussen de provincie Friesland en het vorstenhuis.  In de drie kruisramen van dit vertrek bevinden zich de wapens van de waterschappen en de voormalige veenpolders. Boven de deur vindt men de spreuk: "De tiid hâldt nin skoft". Achter de koffiekamer in het pand  met renaissancegevel, bevond zich het woonhuis met koetshuis van de heer dr. J. Baart de la Faille. De provincie kocht dit aan om daar de bureaus van Provinciale Waterstaat en de ruimten voor het nieuw archief (na 1813) van de provincie te creëren Voor de bouw van deze uitbreiding werd door het Rijk zorg gedragen. Het oude archief werd in 1897 naar de Kanselarij overgebracht. Het Provinciehuis vormt een aangename omgeving voor de ambtenaren, de statenleden en de gedeputeerde, die er hun taak vervullen maar ze zijn voor de geïnteresseerde bezoeker even interessant.


Kantoorpand de "Utrecht"

Tweebaksmarkt 48

De bouw van het pand de "Utrecht"
Niet ver van het provinciehuis aan de Tweebaksmarkt bevindt zich een klein maar door de vormgeving van zijn gevel opvallend gebouw. In de voorganger van dit pand vestigde in 1904 de Levensverzekeringsmaatschappij de "Utrecht" een bijkantoor voor de noordelijke provinciën. In 1903 besloot men tot de bouw van een nieuw onderkomen waarvoor de jonge architecten A.J. Kropholler en J.F. Staal uit Amsterdam werden aangezocht. Ze ontwierpen een gebouw dat een vermenging van stijlen laat zien; de soberheid en het rationalisme van de door Berlage gepropageerde richting van de Nieuwe kunst werd met speelsheid en fantasie van de Art Nouveau gecombineerd.

Beide architecten waren bij H.P. Berlage in de leer waarna ze in 1902 samen een architectenbureau begonnen aan de Derde Weteringsdwarsstraat te Amsterdam. Ze hadden er relaties met bekende beeldende kunstenaars als J. Menses da Costa, Jan Toorop, R.N. Roland Holst en met het later beroemd geworden atelier voor interieurkunst in de stijl van de Nieuwe kunst "t Binnenhuis". Dit architecten-tweemanschap bleef tot 1910 bestaan. In hun productie werkte de invloed van Berlage nog lange tijd door wat uit de ontwerpen voor verschillende gebouwen duidelijk blijkt.

De twee ambitieuze bouwmeesters slaagden erin een aantal opdrachten van onder meer de verzekeringsmaatschappij de "Utrecht" in de wacht te slepen. De "Utrecht" beschikte al over een voornaam hoofdkantoor aan de Leidsestraatweg in Utrecht van architect J. Verheul. Niet Verheul maar Kropholler en Staal werden met de bouw belast. De verzekeringsmaatschappijen waren belangrijke opdrachtgevers in het begin van onze eeuw. Ze lieten vele vestigingen in de grote steden bouwen. Ze trachtten met behulp van reclame en opvallende bouwwerken de gunst van het publiek voor zich te winnen. Belangrijke architecten kregen opdracht voor de kantoorgebouwen, zoals Berlage voor "De Algemene" aan het Damrak in Amsterdam in 1893 en Verheul voor de "Utrecht te Tilburg in 1898. Kropholler en Staal togen in april 1903 met veel enthousiasme in Leeuwarden aan het werk. Ze zouden aanvankelijk het karwei in vier maanden klaren. Het werk liep echter uit zoals de twee het verklaarden vanwege "de onbekwaamheid en ongeoefendheid der Friese arbeiders ... voor dit voor hen ongewoon en ingewikkeld gedetailleerd werk" en vanwege "de aannemer die door zijn ondoordachte zuinigheid en zijn vitterigheid op allerlei kleinigheden het werk heeft vertraagd". Behalve het bijkantoor te Leeuwarden ontwierpen Kropholler en Staal het archiefgebouw van de "Utrecht" vlak naast het hoofdgebouw van de maatschappij aan de Leidsestraatweg te Utrecht en ook het bijkantoor aan de Choorstraat aldaar.


Een steen geworden hommage aan H.P. Berlage
Op 7 maart 1903 richtten Kropholler en Staal een brief aan de inspecteur van de Levensverzekeringsmaatschappij "Utrecht" te Leeuwarden, Jansen waarbij ze hun komst aankondigden om het bouwterrein te verkennen. Ze wilden de aanbesteding op 29 april 1903 vaststellen met de totale begroting van f 11.293,50 exclusief de decoratie zoals beeldhouwwerk, tegeltableaus en glas-in-loodramen. De laagste inschrijver werd Coenraad Lek, aannemer te Leeuwarden. Tijdens de uitvoering is er onenigheid gerezen tussen de architecten en de aannemer. Daarom werd een opzichter voor de bouw, H. Schouten van een onafhankelijke aannemersfirma, aangesteld.

Het pand is op een diepe smalle kavel gebouwd dat na afbraak vrijkwam. De architecten gingen bij de bouw van een volume en structuur voor de gevel uit, die bij de naburige bebouwing paste. Het pand kreeg een rechthoekige plattegrond met een scheve zijde aan de straatkant. Het is één bouwlaag hoog maar wekt de indruk nog een verdieping te bezitten. Dit komt door een zeer creatieve rangschikking van de bouwvolumes ten opzichte van elkaar. Door deze structurering ontstaat een boeiende daggeleding die het pand een indrukwekkende aanblik verleent. Dit is echter schijn want de werkelijke afmetingen zijn gering. Dit is echter schijn want de werkelijke afmetingen zijn gering. Vooraan bevindt zich het ontvangstgedeelte met een wachterkamer, die van een wolfskap werd voorzien en van een hal die tot een lichttoren met tentdak werd uitgebouwd.

Het eigenlijke kantoor daarachter werd door een hoog schilddak afgedekt. Dit gedeelte steekt boven de rest van het gebouw uit. De scheve voorgevel noodzaakte tot de toepassing van de aanwezige ingangspartij. In de gevel is een scheve portiek ontstaan, voorzien van een latei van roze graniet. De deur met dubbele besneden panelen is iets naar achteren geschoven zodat in de portiek ruimte voor een klein zijraam voor de wachtkamer is ontstaan. De stoep van twee treden is van hardsteen. De voorgevel bezit een hoge natuurstenen plint waarin ruimte voor tegelplaten met reclame werd uitgespaard De oorspronkelijke tegeltableaus met opschriften zijn verdwenen en vervangen door decoratieve tegels. De gevel is van kleine gele baksteen gemetseld. Ter hoogte van de latei boven de portiek en raam loopt een roze granieten band voorzien van gouden ornamenten. Hierboven werden twee gevelstenen met dubbele liggende leeuwen met de wapens van de "Utrecht" geplaatst van Joseph Mendes da Costa. Dan volgt een gevelband van natuursteen met een opschrift dat inmiddels is weggehaald. Onder het wolfsdak ziet met een bord van helderrode en heldergele baksteen met de naam "Utrecht".

Het vierkante lichttorentje wordt op de hoeken extra geaccentueerd terwijl zijn tentdak door een markante viervoudige pelikaan wordt bekroond. Dit fraaie beeldhouwwerk werd eveneens door J. Mendes da Costa vervaardigd. De ramen van de toren hebben lateien in natuursteen, boven welke gemetselde ontlastingsbogen zijn waar te nemen.

De zuidelijke gevel kreeg fraai gedetailleerde vensters en ene in baksteen gemetseld bord "Levensverzekering Maatschappij Utrecht". Door de komst van een hoog pakhuis van vier verdiepingen van de firma Grijpma en de Hosson werd de zuidgevel aan het oog onttrokken. Het lichttorentje verloor hierdoor zijn oorspronkelijke functie. De noordelijke gevel kwam door sloop van een 18de eeuwse gevel vrij te staan. Deze werd daarna geheel gestuct. De indeling van het pand herinnert sterk aan die van villa "Parkwijck" te Amsterdam van Berlage, een in vakkringen veel geprezen bouwwerk uit 1990. Het werd door dr. L. Simons, na 1902 directeur van het "Binnenhuis" en woonachtig aan de Van Eeghenstraat te Amsterdam ontworpen.  Gezien de frappante overeenkomsten tussen deze villa en de "Utrecht" moeten Kropholler en Staal dit ontwerp gekend hebben. Ze werkten immers tot 1902 op het kantoor van Berlage! Villa "Parkwijck" bestond uit drie bouwlagen en kreeg een ruimtelijke indeling van drie volumes. Vooraan stond een laag gedeelte met links de ingang (evenals bij de "Utrecht"), daarna volgde het trappenhuis met ramen die voor licht moesten zorgen. Het woongedeelte, achteraan, had een schilddak. Kropholler en Staal namen de basisidee van de structuur van het woonhuis "Parkwijck" over en verwerkten die in enigszins aangepaste vorm in het kantoorpand van de "Utrecht".


Interieur
Achter de portiek bevindt zich een ondiep tochtportaal. Boven de doorgang naar de hal werd een tegeltableau waarop de woorden "Pax Intrantibus" (Vrede zij die binnentreden) te lezen zijn. De hal heeft een lambrisering en afdekbanden van marmer en een mozaïekvloer met de afbeelding van een pelikaan die zich in de borst pikt om met het bloed haar jongen te voeden, een symbolische voorstelling. Het licht valt binnen door een glas-in-lood lantaarnraam in prachtige kleuren. Langs het raam de verzekeringsspreuk: Gouden regen/koom ten zegen.

De terrazzovloer en het raam zijn door de firma A.M.A. Heystee te Amsterdam geleverd. Een met een pelikaansnest beschilderde paneeldeur leidt rechts naar de wachtkamer, een andere deur met snijwerk en schilderingen voert naar het grote kantoor.

De kleine wachtkamer heeft een opvallend cassetteplafond waarvan de velden door bewerkte balkjes zijn omgeven. Deze dragen in klinkerrijm die door de architecten zijn aangedragen. Bij de schoorsteen lezen we "Mint uw kind", :Hoedt uw bloed", bij de deur "Beidt uw tijd", Rust naar lust", Vraag gestaag", boven het loket "Telt uw geld", "Eisch naar ;prijs", boven het raam "Ziet in 't verschiet", "IJl naar wijl", boven de tafel "Hoort naar woord". Raad naar maat", "Spaar hier maar" en bij de uitgang zeer toepasselijk "Kom weerom", "Keer hier weer" en "Maak uw zaak". De schoorsteenmantel draagt naast wapenschilden de volgende opschriften: "Strekk 't vuur in deze schouw/Tot schuld U voor de kou/Zorg dat voor 's noodlots roede/'t Verzekeringsschild U hoede". De haard werd altijd al als een symbool voor gezinswarmte en huiselijkheid gezien. Haar functie werd ook nog verwoord in de rijmpjes. het lezen verdrijft de tijd en het amuseert ook. Een plezieriger en toepasselijker versiering voor een wachtkamer is moeilijk te bedenken!

Achter de hal en de wachtkamer vinden we de kantoorruimte van 9 bij 5 meter en 6 meter hoog. De ruimte heeft een rijk bewerkt plafond met geprofileerde balkjes. De geometrische indeling hiervan is aan de korte wanden van het vertrek voortgezet. De wand aan de voorzijde bevatte een koperen datum- en tijdwijzer als paneelvulling tussen de loketten. Deze is inmiddels verdwenen. De wand hier tegenover ontving een groot glazen venster voor de lichttoetreding. De lange wanden zijn van hoge kasten voorzien. Deze bezitten fraaie geprofileerde deurtjes van populierenhout, welke met gestileerde gouden regenbomen zijn geschilderd. Boven de kasten bevinden zich aan iedere kant drie ramen van glas-in-lood, waarin de wapens van de steden van de vestigingen van de bijkantoren zijn aangebracht, met allegorische dieren als bijen en mieren in het rond. De zes wapens zijn van de steden Amsterdam, Rotterdam, Tilburg, Kopenhagen, Brussel en Rijssel. Tussen de ramen en het plafond zijn tegelborden geplaatst met de wapens van de stad Utrecht afgewisseld met die van de stad, provincie en land van vestiging.

Een tegenstelling tot de uitbundige versiering vormde de eenvoudige en functionele meubilering van het pand. Deze werd door een recht, geometrische lijnvoering gekenmerkt, slechts de poten en de lijsten kregen een simpele decoratie. Kropholler en Staal ontwierpen de meubels die intussen helaas verloren zijn gegaan. Gelukkig kennen we het oorspronkelijke interieur van een oude foto uit 1904.

Tot 1933 bleef het gebouw eigendom van de maatschappij de "Utrecht". Daarna diende het als opslagruimte voor landbouwmachine-onderdelen. In 1976 werd het pand verkocht. Het gebouw miste toen de drie gebrandschilderde ramen in de rechter gevel. In 1978 en 1979 werd het pand door de stichting Renaissant, een restauratie-schildersbedrijf, geheel opgeknapt. Een prachtig voorbeeld van een kundige restauratie, zeker de moeite van een bezoek waard!


Stadhuis

Raadhuisplein 36

Stellig de moeite van een bezoek waard is het stadhuis van Leeuwarden aan het Raadhuisplein. Het plein wordt omsloten door panden waarvan de meeste uit de periode tussen 1750 en 1900 dateren. We zien in één pand een cartouche met het jaartal 1666 en een gevelsteen met het opschrift "In de Fortuijn". Midden op het plein staat een oude linde, de zogenaamde Wilhelminaboom, die in 1898 in verband met de troonbestijging van koningin Wilhelmina werd geplant. Het hek er omheen is van prachtige decoratie voorzien in de vorm van oranje twijgen, vruchten en bladen waarin een gekroonde W is verwerkt. Architect H.H. Kramer ontwierp het. Het smeedwerk werd door de firma Kroes en Zn. uitgevoerd.


Bouwgeschiedenis
Het plein wordt door het in 1715 in classicistische barokstijl gebouwde stadhuis gedomineerd. Het gemeentebestuur was niet altijd zo royaal gehuisvest. Het oudst bekende raadhuis stond aan de oostkant van de Grote Hoogstraat. Wanneer het gebouwd werd weet men niet. Het is wel zeker dat het al in 1517 niet als waardig voor de bestuurders van de stad werd beschouwd. In dat jaar bood Karel V de stad het zogenaamde Waltahuis aan, op de Nieuwestad, op de plaats van kledingzaak P.S. Bakker. Hoewel het huis met zijn voorplein en toren wel geschikt voor een stadhuis bleek accepteerde de stadsregering dit aanbod niet. Pas toen in 1595 het oude raadhuis dreigde in te storten kwam het tot een verhuizing. Het  stadsbestuur kocht het Waltahuis van Anne Isbrantszoon aan. Het voldeed kennelijk niet geheel aan de verwachtingen want men bracht al in 1601 een bod uit op het Minnemahuis aan de Voorstreek. Tot een transactie kwam het echter niet. het duurde tot 1618 voor de burgervaders een geschikte behuizing vonden in de Auckamastins op de plaats van het huidige stadhuis. Deze stins van een toen al uitgestorven geslacht was aan de west- en noordkant door grachten begrensd en bestond uit vier gebouwen met topgevels en een toren.

Vanaf 1618 zetelde het stadsbestuur bijna een eeuw lang in de Auckamastins. Intussen groeide de behoefte aan een betere huisvesting. In 1713 besloot men tot de bouw van een nieuw stadhuis. De kosten bedroegen circa 50.000 gulden, waarvoor een stedelijk fonds werd aangesproken. Bij de nieuwbouw werd de stins tot de kelders toe gesloopt. De bouwer was Claas Bockes Balck, die zich "meester- en stadstimmerman" noemde. Hij was ook betrokken bij waterstaatswerken en bouwde de enorme sluizen van Dokkumer Nieuwezijlen. Hij was in Leeuwarden met de zorg voor de openbare werken belast. Het stadhuis werd in hetzelfde jaar voltooid, afgezien van de verfraaiing van het interieur, die tot 1724 duurde. De eerste vergadering in het nieuwe stadhuis vond op 6 december 1715 plaats. Hoe de gevel er heeft uitgezien toen de vele afbeeldingen die van het gebouw werden gemaakt. Een vergelijking van deze prenten met de huidige façade leert ons dat in de loop der tijden de voorgevel weinig is veranderd. Ze is drie bouwlagen hoog en negen vensters breed.  De middenpartij springt iets naar voren en daarin bevindt zich de fraaie ingang. De deur met bovenlicht bezit een zware omlijsting van blokken en sierlijke pilasters. Boven de deur bevindt zich in gouden letters het opschrift "Pace et justitia", dat "Door Vrede en Gerechtigheid" betekent. De personificaties van deze begrippen van de hand van beeldhouwer Gerbrand van de Haven flankeren het omlijste venster op de eerste verdieping. Dit raam wordt door een segmentvormig timpaan bekroond waarop de volgende tekst prijkt "De eerste april 1715 heeft Zijne Hoogheid den Heere Willem Carel Hendrik Friso Prinse van Oranje en Nassau Erfstadhouder en Captain Generaal van Friesland etc. etc. den eerste steen aan dit stadhuis gelegt, oude 3 jaaren en 7 maanden".

Boven het met leien gedekte dak torent de elegante achtzijdige klokkenkoepel uit, waarin in 1914 het carillon werd ondergebracht. Het is afkomstig uit de in 1884 afgebroken Nieuwe toren en is in 1687 vervaardigd door Claude Freny uit Amsterdam. het automatische speelwerk (elektronisch gedreven) laat sinds 1972 op het volle en het halve uur overdag een liedje spelen. Zoals gezegd is sinds 1715 weinig aan de voorgevel veranderd. In 1816 echter kregen de ramen een andere roedeverdeling met grotere ruiten in de zogenaamde empirestijl. Het oorspronkelijk halfronde bordes moest in 1847 wijken voor het huidige rechthoekige.

In 1760 werd het stadhuis met een ruime raadzaal uitgebreid. De uitbreiding vond tegen de achterzijde plaats en werd helemaal naar de Auckamastraatje "geschoven'. Zo ontstond een binnenpleintje dat door een sierlijk hek werd afgesloten. Dit hek werd door Jochem Lange vervaardigd.

De uitbreiding werd ontworpen door hofarchitect Pieter de Swart en stadstimmerbaas Jan Noteboom zorgde voor de uitvoering.

Uit de bouwtekeningen kan men opmaken dat Noteboom niet alleen de zorg droeg voor de realisering van het ontwerp van Swart maar dat hij ook bij het ontwerpproces actief betrokken was. Hij ontwierp een bijna vierkante zaal op een vrij lage begane grond. Aan de kant van het Hofplein kreeg deze nieuwbouw een rijk geornamenteerde gevel in rococostijl De middenpartij werd van een opvallende decoratie in natuursteen voorzen waarvan de met rocailles en guirlandes versierde bekroning boven het ingezwenkte kalf van de deur een belangrijk onderdeel vormt. Het raam erboven wordt door krulwerk geflankeerd. Het draagt een cartouchevormige inscriptieplaat met de volgende tekst: "Den 12 august 1760 heeft zijn Hoogh. Prins Willem de V., Erfstadhouder, Capt. en Admir. Generaal der Vereenigde Nederlanden etc. etc. etc. den eersten steen van dit gebouw laaten leggen, door den Hoogw. heer R.H. Baron van Hambroick ter presentatie van Haare Hoogh. Mevrouw de Prinses Douairière etc. etc. etc." Met de laatste wordt Maria Louise van Hessen-Kassel (Marijke Meu) bedoeld. De façade wordt door een forse attiek afgesloten waarin een grootse rocaille met het stadswapen werd opgenomen. Hierop staat de fiere Leeuwarder leeuw afgebeeld die de staart bescheiden naar binnen laat krullen Links van de raadzaal staat een witgepleisterd gebouw uit 1845. Het werd door stadsarchitect Th. Romein ontworpen. Op die plaats stond vroeger de hoofdwacht waar de militairen gehuisvest waren die voor de bescherming van het stadhouderlijk hof zorg droegen. Na het vertrekt in 1747 van de Friese stadhouder naar Den Haag, was de rol van de hoofdwacht uitgespeeld. In 1838 wilde het Rijk het oude gebouw afstoten. Voor de gemeente kwam dit goed van pas daar men op het stadhuis met ruimtegebrek kampte. Ze liet het bouwvallige gebouw door een nieuw vervangen waar tot 1880 het kantongerecht, vervolgens het bureau van de burgerlijke stad en het politiebureau werd ondergebracht. In 1885 werd op de zolder van het pand de eerste Leeuwarder telefooncentrale gevestigd.


Interieur van het stadhuis
Het stadhuis van Leeuwarden herbergt een reeks van interessante vertrekken. Sommige zijn rijk versierd en tonen het resultaat van het kunnen van vele goede kunstenaars en ambachtslieden die in Leeuwarden hebben gewerkt. De hecht geconstrueerde kelders vormen het oudste deel van het gebouw. Ze zijn de restanten van de oude Auckamastins. Het metselwerk van de breed uitwaaierende gewelfvlakken gaat sinds 1979 schuil achter een witte pleisterlaag.  De overwelving rust op korte robuuste pijlers van natuursteen. In de dikke muren werden een paar kleine raampjes met traliewerk geplaatst. De ruimte bleek zeer geschikt voor de vestiging van de stadsgevangenis. Met weet nog steeds de plaats van het zogenaamde "Hounegat" aan te wijzen. Dit was een diepe put waarin de gevangene desnoods kon worden neergelaten. Dit lot overkwam vooral de ontuchtige vrouwen.

Na binnentreden via de hoofdingang achter het bordes komt men in een nog authentieke ruimte, de hal van het stadhuis. Het werd door twee Italianen, Joseph Barberino en Gianbatista Albisetti in 1724 vervaardigd. De eerste was verantwoordelijk voor het ontwerp, de tweede voor de uitvoering. Het stucwerk stelt het wapen van Leeuwarden voor, begeleid door een besnord masker. De muren worden door nissen geleed waarin later portretten werden opgehangen. Tegenover de ingang bevindt zich een houten poort met gecanneleerde pilasters. Ze is voorzien van een grisaille van de decorateur Freerk Hayema, welke de Vrede en de Onrust voorstelt. Links achter de hal bevindt zich de kamer van de gemeentesecretaris waarin een fraaie schoorsteenmantel met schilderstuk staat. Rechts bevinden zich de bodekamers Uit de hal komt men in het trappenhuis dat gedomineerd wordt de massieve eikenhouten trap van de hand van Pieter Nauta en Benjamin Dijkstra. De fraaie balusters van de trapleuning tonen hun afzonderlijke vakmanschap. De monumentale trap leidt halverwege naar de later gebouwde raadzaal en verder naar het boven de vestibule liggende zogenaamde Blanke Ruim. Dit vertrek ontving zijn naam waarschijnlijk naar de eiken vloer die bewaard is gebleven. het eenvoudige balkenplafond zorgt een oer-Hollands sfeer. Aan de zuidkant hiervan werden in 1847 de twee kamers van de vroegere kamerbewaarder tot de "Nieuwe zaal" samengevoegd.

Stadsbouwmeester Thomas Romein ontwierp de inrichting om voor de toenmalige gemeenteraad een geschikte vergaderruimte te scheppen. het interieur werd in empirestijl uitgevoerd waarbij de wanden door pilasters werden geleed, die een kroonlijst en een koof dragen. Wanden en pilasters zijn zodanig beschilderd (gemarmerd), dat ze met marmer bedekt lijken. Er hangen portretten van de koningen Willem I, Willem II en Willem III. Ze zijn door de bekende portrettist J.J.G. van Wicheren geschilderd. De beeltenis van koningin Wilhelmina van Dick Osinga werd later opgehangen. het pleisterwerk van lijsten, wandvlakken en plafond werd door Jan Eilardus Martens aangebracht. Tot 1971 werden hier de huwelijken voltrokken, daarna werd hij vergaderzaal.

Aan de zijde van het "Blanke Ruim" bevinden zich de burgemeesterskamer en de Vertrekkamer. De kamer van de burgemeester prijkt nog in zijn oorspronkelijke staat van 1715. Men proeft hier nog de sfeer van de classicistische barok. De fraaie gobelins, die de wanden geheel bedekken, trekken onmiddellijk de aandacht. Ze werden door de Amsterdammer Alexander Baart in 1718 ontworpen. De wandtapijten stellen vier van de vijf werelddelen voor, Australië ontbreekt wegens ruimtegebrek. Ze verkeren in een slechte toestand  vanwege de inwerking van het zonlicht op de stof. De allegorische plafondschildering en het schoorsteenstuk met de voorstelling van het Verbond der Unie zijn van de decoratieschilder Freerk Jans Hayema.

De Vertrekkamer - voor vergaderingen van burgemeester en wethouders - bevindt zich achter het voornoemde vertrekt. Ze bezit een eenvoudige zwartmarmeren schouw met sierlijst en met een tegeltableau van de bekende Harlinger fabriek Van Hulst uit 1899, waarop een voorstelling met een gezicht op de Oldehove is afgebeeld. Op de schoorsteenmantel hangt een allegorisch schilderstuk met Minerva of de Wijsheid. Eén van de wanden wordt bedekt met een behangschildering uit 1787-1789 stelt "Mozes omringd door de 70 oudsten" voor, een bijbelse voorstelling, tevens een toespeling op het collectieve bestuur. De schilder liet zich inspireren door het gelijknamige schilderij van Jacob de Wit in het Koninklijk Paleis op de Dam te Amsterdam. Bovengenoemde vertrekken zijn allemaal in het oude stadhuis uit 1715 te bezichtigen.

Nog één monumentale ruimte is zeker het bewonderen waard, de raadzaal, in de nieuwe vleugel uit 1760. Om deze te bereiken moet men halverwege de eiken trap afdalen. De grootste zaal van het stadhuis verkeert nog vrijwel in de oorspronkelijke staat. De zaal bezit een eiken betimmering in een indrukwekkende rococostijl toch is de algemene indeling zeer symmetrisch. het snijwerk werd door Dirk Emberveld en Eilardus Swalue, beiden afkomstig uit Leeuwarden, vervaardigd. het houtwerk werd in 1950 van zijn verflaag ontdaan. Het stucplafond van Jean Baptist Singer en de schouw van Hermanus Poggeman zijn het resultaat van groot vakmanschap. De allegorische schilderingen boven de vier deuren, de zogenaamde sopraportes zijn van Rienk Keyert naar ontwerpen van Rienk Jelgerhuis. Ze stellen de burgerlijke eendracht, manhafte dapperheid, algemeen belang en huishoudelijke bestiering voor. Rienk Keyert schilderde ook de grisailles boven de portretten. Alle bovengenoemde ambachtslieden en schilders waren Leeuwarder ingezetenen.

De portrettenreeks stelt de koningen en koninginnen sinds 1815 voor: koning Willem I (van W.B. van der Kooi), koning Willem II en Willem III (van J.J.G. van Wicheren), koningin Emma (C. Bisschop), koningin Wilhelmina (J.H. Jurres) en koningin Juliana (piet van der Hem) zijn allemaal "getuige" van al het besprokene tijdens de raadsvergaderingen. Voor deze beeltenissen hingen er de portretten van de Friese stadhouders. In 1795 werden ze helaas verwijderd en later vervangen door de huidige schilderijen. Boven de sierlijke schouw hangt het portret van Maria Louise van Hessen-Kassel. Het is een kopie van W.B. van der Kooi naar M. Accama.

Na de fraaie vertrekken te hebben bezichtigd, kan de bezoeker vaststellen, dat Leeuwarden terecht trots kan zijn op zijn stadhuis.


Bouwkundige termen

Absis:

halfronde of veelzijdige sluiting van het schip van een kerk of bij een andersoortig gebouw.

Architraaf:

het onderste, dragende deel van een balkwerk. Meestal rustend op een zuil of pilaster.

Art Nouveau:

aanduiding van de "Nieuwe stijl" in België en Frankrijk vanaf 1890. Aan de overdadige decoratie met kronkelende lijnen dankt zij de spottende naam "Vermecellistijl".

Attiek:

verhoging boven de kroonlijst van een gevel om het dak te maskeren.

Barokstijl:

stijl uit het einde van de 17de eeuw en begin van de 18de eeuw, doe door een rijke en overdadige versiering en een plastische behandeling van de bouwonderdelen wordt gekenmerkt.

Balustrade:

borstwering bij een trap, balkon etc..

Basement:

basis van een zuil, pilaster, ook het onderste deel van een gebouw. (Ook wel plint genoemd.)

Empirestijl

stijl van omstreeks 1800 waarin het classicisme op een ingetogen doch monumentale wijze herleefde.

Fries:

horizontaal balkwerk. In de oudheid werd het deel tussen architraaf en kroonlijst zo aangeduid. Soms wordt deze band met beeldhouwwerk of pleisterweg versierd.

Fronton:

of tympaan. Driehoekig of segmentvormig element dat als bekroning van een gevel, een venster of deur wordt toegepast.

Geleding:

indeling van gevelvlakken of ruimten, meestal volgens een bepaald schema.

Grisaille:

schilderwerk in verschillende tinten van één kleur, meestal grijs of bruin, dat de indruk van een reliëf wekt.

Ionische orde:

een klassieke orde van Ionische zuilen of pilasters kenmerkt zich door een slankere vorm van kapiteel met overhangende voluten (spiraalkrullen.)

Kalf:

bovendorpel van een kozijn of deur.

Kapiteel:

kopstuk van een zuil of pilaster dat een architraaf of lijstwerk draagt. Men onderscheidt kapitelen in de Dorische, Ionische, Corinthische en Composiete orde.

Kolossaalorde:

zuil en pilaster die meer dan één bouwlaag binnen een gevel samenvat.

Koof:

gebogen als overgang van muur naar plafond.

Korbelen:

elementen ter ondersteuning van een uitstekend bouwonderdeel (balkon etc.)

Korfboog:

gedrukte rondboog in de vorm van een omgekeerde koof, meestal boven vensters en deuren.

Corinthische orde:

één van de klassieke ordes. Corinthische zuilen kenmerken zich door een kapiteel in de vorm van een omgekeerd blok met acanthusbladeren waaruit vaak voluten tevoorschijn komen.

Kroonlijst:

bovenste deel van horizontaal balkwerk. Ook afsluiting van een gevel.

Lodewijk XVI-stijl:

genoemd naar de gelijkmatige Franse koning; was tussen 1750-1785 in de mode. Het is een ingetogen maar decoratief classicisme. In Friesland treft men haar tussen circa 1785-1815 aan.

Maniërisme

stijlaanduiding van de late renaissance. Vredeman de Vries was één van de bekendste architecten die deze stijl onder meer in Leeuwarden toepaste.

Moerbalk:

dikke balk voor een zoldering, meestal in combinatie met kinderbinten.

Neo-renaissance:

in de 19de eeuw werden de oude stijlen herontdekt en geherinterpreteerd. De renaissancestijl werd vooral bij monumentale bouwwerken graag opnieuw toegepast.

Nieuwe kunst:

de Nederlandse versie van de Jugendstil en de Art Nouveau, ontstaan na 1890. Kenmerkend is de nadruk op eenvoud in de constructie en in de versiering. Er is een voorkeur voor de geometrische decoratie.

Ontlastingsboog:

gemetselde boog over een deur of raam om de last van het muurwerk erboven op te vangen.

Pilaster:

muurpijler om een boog of kroonlijst te dragen.

Post-classicisme:

laat classicisme.

Rococostijl:

een zeer speelse lichte kunststijl na de barok met een voorkeur voor asymmetrische versieringswijze. Hoofdmotief is de rocaille of schelp. In Friesland tussen 1750-1785 vaak toegepast.

Sopraporte:

decoratie boven een deur. Meestal reliëf of grisaille.

Travee:

ruimtelijke eenheid tussen twee opeenvolgende zuilen of pilasters. Wordt gebruikt bij het beschrijven van gevels.

Voluut:

spiraalkrul, vooral bij Ionische orde als kapiteel toegepast.

Terug