Open Monumenten in Leeuwarden 1990


1.  Voorlichting
Hoe die wandeling verloopt is aangegeven op een routekaartje in deze gids. Elke instelling heeft op het kaartje en in de tekst zijn eigen nummer. Het begin van de route is op Raadhuisplein 23. Nummer 1 is het Gemeentelijk Voorlichtingscentrum, waar dit boekje te koop is en informatie kan worden verkregen over de wandeling, die voert naar het Oud Sint Anthony Gasthuis (nummer 2) en via negen andere panden naar het Auck Petershuis aan de Nieuwestad (nummer 12).


Een snoer van liefdadigheid
Ook Leeuwarden kent nog, als zoveel andere Nederlandse steden, zijn  oude stichtingen van liefdadigheid. Gasthuizen zijn het. En weeshuizen waren het. Maar het weeshuis is uit de tijd geraakt. De gasthuizen niet. Die zijn met de tijd en met de veranderde behoeften en inzichten meegegroeid. In sommige gevallen is slechts de naam van de oude stichting bewaard gebleven en zijn de inrichtingen in een geheel ander gebouw en ook wel op een geheel andere plaats verdere gegaan met hun geschiedenis en met hun roeping. Dan mag de draad naar het verleden dun zijn geworden en misschien door velen uit het oog zijn verloren, maar die historie is er en kan niet worden verloochend. Ter gelegenheid van de Open Monumentendag 1990, de vierde, die in Leeuwarden op de tweede zaterdag van september wordt georganiseerd, zijn deze oude stichtingen bij wijze van spreken als kralen aan één snoer geregen. In dit boekje worden ze in het kort besproken en als monumenten op een rij gezet. Alle stichtingen liggen op loopafstand van elkaar. Een wandelroute doorkruist de oude binnenstad van Leeuwarden. In twee gevallen maakt ze een klein uitstapje buiten de wallen. Maar de afstanden blijven kort. Het Marcelis Goverts-gasthuis, dat in 1876 naar de Noordersingel verhuisde heeft een riant uitzicht op de wallen en op de Leeuwarder torens. En het Gabbema-gasthuis, eens Achter de Grote Kerk gevestigd, kreeg in 1905 een nieuw onderdak aan de Wijbrand de Geeststraat, dichtbij de brug, die naar Leeuwarder traditie zo lang de 'elektrische brug' is genoemd, vlak bij de plaats, waar eens de wallen de oostkant van de stad hebben afgesloten. De route overbrugt daarom eigenlijk maar kleine afstanden. De Leeuwarder binnenstad is in feite een beperkt gebied. Maar de afstanden mogen dan in ruimte niet groot zijn, in de tijd zijn ze dat wèl. Van toen nar nu - het zijn vele stappen, die in dit geschriftje en tijdens de wandeling moeten worden afgelegd.


Godshuis en gasthuis
In Leeuwarden stammen de meeste gasthuizen, ook alweer zoals in die andere Nederlandse steden, uit de middeleeuwen. Er zit telkens die ene, leidende gedachte achter: in een stad moet een huis zijn, moeten huizen zijn, die opgedragen zijn aan God en waarin Zijn wil gestalte kan krijgen. Een godshuis dus. Daar ligt de oorsprong. Die wil van God is duidelijk. Hij vraagt, dat we barmhartig zijn tegenover onze naaste, in het bijzonder tegenover hen, die minder bedeeld zijn of die zelfs nauwelijks bedeeld zijn. Van zulke werken van barmhartigheid zijn er zeven. De hongerigen moeten worden gespijzigd De dorstigen moeten worden gelaafd De naakten moeten worden gekleed. Aan hen, die geen onderdak hebben, moet huisvesting worden gegeven. De zieken dienen getroost te worden. Gevangenen hebben recht op aandacht. DE doden moeten worden begraven en dat is het laatste, dat voor een medemens kan worden gedaan.. Er is dus wel werk aan de winkel. Dat werk wordt overigens op een andere manier aangepakt dan wij het in onze tijd zouden willen doen. Wij willen de armoede, de ziekte, de misdaad bij voorkeur aanpakken bij hun begin. Voorkomen is beter dan genezen. Maar dat spreekwoord passen de middeleeuwers niet toe. In hun optiek behoort armoede bij het bestaan. Het is genade als je nièt arm bent. Maar die genade dringt er dan wel toe om barmhartig te zijn. Wie geld bezit moet het geven ten bate van de armen. Want dat immers is de wil van God. Van zulk geven - en er is in de middeleeuwen onvoorstelbaar veel aan de minder bedeelden geschonken - worden de armen beter. Maar wie gul schenkt wordt er óók beter van. Hij gehoorzaamt aan de wil van God en bevordert op die wijze een eigen zielenheil Want in feite telt voor de middeleeuwer de aarde niet. Die gaat voorbij. De hemel blijft. En de rijken, die het op de aarde zoveel beter hebben dan de armen en met meer moeite de hemel zullen beërven, kunnen de weg naar het hiernamaals plaveien door goede werken te doen, door barmhartigheid te verlenen, door een godshuis, dat langer gasthuis zal gaan heten, te stichten en te onderhouden. Op die wijze kun je aan de wil van God gestalte geven. In steen, in zorg, in leefbaarheid.

Om die reden kende het middeleeuwse Leeuwarden zijn geestelijke gilden of broederschappen, die zich deze barmhartigheid ter harte namen. Zo wordt in 1472 voor het eerst het Heilig Sacramentsgilde genoemd. Een zekere Tjomme Wiarda vermaakt dan zijn zathe onder Lekkum aan het gulde, om uit de opbrengst van de boerderij de 'huiszittende armen' te bedenken en die zorg betreft de grote groep Leeuwarders, die stille armoede lijden, welke zorg in een later stadium zal overgaan naar het  Sint Anthonygasthuis.

En zo krijgt het Heilig Sacramentsgilde door een fundatie van Hille van Zwolle ook de bemoeiingen met een Sint Jacobsgasthuis, dat met de bezittingen van het gilde tenslotte overgaat naar Sint Anthoon. Leeuwarden kende ook de Soete Naem Jhesus-gilde, dat we tot vandaag ons kunnen herinneren in het Ritske Boelema-gasthuis, zo nieuw nu en toch al zo oud.


Omvangrijke taak
Het gasthuis van de middeleeuwen, maar ook de gasthuizen, die na de Reformatie in Leeuwarden worden gesticht, hebben een brede taak. Ze hebben weet van de zeven werken van barmhartigheid. Ze voeden, verschaffen drank, geven onderdak, zorgen voor kleding, verplegen de zieken, begraven hun doden. Maar aan specialisatie komen ze niet toe. Ze zijn bijvoorbeeld niet een ziekenhuis. Ziekenverpleging is een nevenfunctie. opgenomen werden zij, die oud en arm en misschien ook invalide waren. Vanzelfsprekend waren daarbij ook zieken en natuurlijk konden zij die in het gasthuis verbleven, ook ziek worden. Voor hen waren er de ziekenzalen. Maar een ziekenhuis, waarin acute patiënten werden opgenomen, is er pas in de achttiende eeuw. Alle in de route opgenomen stichtingen zijn van vóór die tijd en van vóór de latere gedachte, dat een patiënt er baat bij zou hebben opgenomen te worden in een inrichting om hem/haar van de ziekte te genezen. De ontwikkeling loopt van godshuis naar gasthuis en dan trager naar hospitaal en naar ziekenhuis. ook het geven van onderdak, ook een der werken van barmhartigheid immers, heeft overigens een beperking gekend. Het betrof immers alleen de vaste bewoners, die konden rekenen op een geborgen bestaan. Toch kende Leeuwarder één plaats, waar niet alleen blijvend, maar ook tijdelijk - heel tijdelijk overigens: drie dagen, drie nachten - onderdak werd verschaft. Sint Anthoon bezat namelijk een 'beyer', een huis voor passanten, nuttige en onmisbare instellingen in de tijd, dat er van herbergen niet of nauwelijks sprake was. Sinds 1534 heeft Leeuwarden ook zijn georganiseerde zorg voor wezen gekend. Op twee fronten, particulier en stedelijk. Rode wezen en blauwe wezen. Maar de kleur van hun uniforme kleding is de stad kwijt geraakt. Al wordt ook van deze geschiedenis nog wel iets meegenomen in de stadswandeling langs al die instellingen van liefdadigheid.


2.  Het oude Sint Anthony-gasthuis
De heilige Anthonius leefde in derde eeuw na Christus en stond bekend als iemand die zich geheel aan de godsdienst had toegewijd en het tot zijn levenswerk had gemaand de arme, oude en gebrekkige met milde gaven te ondersteunen. Zijn levenswijze inspireerde in de Middeleeuwen tot de oprichting van een Anthonieter kloosterorde en talloze zieken- en gasthuizen die aan deze Anthonius waren gewijd. Zo moet er omstreeks het jaar 1400 ook in Leeuwarden een weldoener zijn opgestaan die in navolging van Anthonius de eerste stap tot de stichting van een Sint Anthony Gasthuis zette. Zijn naam en ook het precieze stichtingsjaar zijn niet in de zeer oude archieven van het gasthuis of anderszins te vinden. Maar dat er al in 1425 van een soort Sint Anthony Gasthuis sprake is, meldt ons een acte waarin Jouke Burmania een pand nabij het Oldehoofster kerkhof schenkt aan deze blijkbaar toen al enige tijd bestaande instelling. Meer aktes verhalen van evenzovele schenkingen van onroerend goed dan wel giften in gels, die eeuwenlang de basis vormden voor de bekostiging en liefdadigheid. Zou toen ook al de bel, die nu alle panden van het Sint Anthony Gasthuis siert, als symbool zijn gekozen? Waarschijnlijk wel, want de bel behoorde evenals een varkentje, een rozenkrans, een staf in de vorm van een T, een boek en een fakkel tot de vaste attributen waarmee Anthonius altijd werd afgebeeld. Een gasthuis bood in die 15e eeuw onderdak aan permanente en tijdelijke bewoners. Blijvende huisvesting was er voor de proveniers, die door al hun bezittingen te vermaken aan de voogden van het gasthuis, voor de rest van hun leven naar lijf en ziel verzorgd werden. Zij kochten zich dus in in het proveniershuis om te voorzien in de vaak zo nodige zorg tijdens de oude dag.

Tijdelijke gasten waren de bezoekers van de stad, die, vanwege het geringe aantal logementen, onderdak moesten vinden in een beyer, ee4n huis van gastvrijheid. Dit passantenhuis stond op de hoek van de Grote Kerkstraat met, natuurlijk, de Beijerstraat. Het provinciehuis herbergde ook minvermogende en dus weinig  of niets betalende proveniers die al wel hun inkoopsom hadden voldaan maar nog moesten wachten op het beschikbaar komen van een woning in het provinciehuis. De twee  groepen werden in een gemeenschappelijk gebouw ondergebracht en dat gaf soms aanleiding tot verwijten aan de voogden van het gasthuis. Vooral de proveniers die moesten wachten op hun betaalde onderdak vonden het niet passend dat zij minvermogende proveniers, de "gasthuiskinderen", direct naast zich vonden, lieten zij meer dan eens voogden en voogdessen weten. Behalve door dit soort zorgen werd de voogdij gekweld door een andere last die men in de zestiende eeuw op de schouders kreeg, namelijk de zorg voor thuiszittende armen, voor wezen, voor de zieken in de stad en voor gewonde soldaten in die tijden vol strijdgewoel. Een loden last, vanwege de enorme druk op de financiën. Eerst in 1772 kon men het stadsbestuur ervan overtuigen dat het allemaal teveel werd. De Beyer, de plaats waar al deze zorgfuncties bijeenkwamen, werd gesloten. Kort daarna, in 1795, verschenen de Fransen in onze kontreien. Onder alle veranderingen die deze tijd met zich bracht, waren die van lage rentes op uitstaand kapitaal en zeer hoge kosten van levensonderhoud voor het gasthuisbestuur wel zeer onaangenaam. Het herstel trad al vrij spoedig na het einde van de Franse tijd in 1813 in. Een hechtere financiële ondergrond bracht nieuw elan, met zelfs uitbreidingsplannen voor het gasthuis. Op dat moment echter zorgde het stadsbestuur voor een spaak in het wiel. Onder invloed van veranderde armenwetgeving zou het gasthuis maar een gemeentelijke instelling moeten worden. Furieus verdedigden de voogden zich tegen deze overname. Een langdurige gerechtelijke procedure werd ingezet en uiteindelijk door het Gerechtshof in 1860 en door de Hoge Raad, na het hofstedelijk hoger beroep, in 1861 beëindigd met de uitspraak dat het Sint Anthony Gasthuis zelfstandig diende te blijven. Geruggensteund door deze gunstige uitspraak en door een inmiddels gezonde en solide financiële situatie werd vaart gezet achter de realisering van de uitbreidingsplannen. Het oude Sint-Anthoon, een schilderachtig hofje van woningen rondom tuinen en bleken, werd uit de tijd geacht. In het gebied tussen Grote Kerkstraat, Beyerstraat en de tuin van het Koninklijk Paleis en voormalig stadhouderlijk hof verrees daarom in de loop van enkele jaren het gebouw zoals we dat nu kennen. Voor de somma van 144.889 toenmalige guldens voltooide de Utrechtse Van den Steenhoven en Co in 1877 de westelijke vleugel aan de huidige Sint Anthonystraat. Dat was toen overigens een nieuwe straat, want er liep nog de oude stadsgracht die eerst gedempt moest worden. In 1878 werd de vleugel aan de Grote Kerkstraat gebouwd met de centrale ingangspartij en het jaar daarop de twee oostelijke vleugels. De diverse onderdelen van het gebouwencomplex kregen de namen van oude Friese geslachten, net als bij het Nieuw-Sint Anthoon aan het Schoenmakersperk. Het westelijk gedeelte van het hoofdgebouw aan de Grote Kerkstraat kreeg de naam Wiggamavleugel, het oostelijk deel die van Jellama. DE westelijke vleugel ging de Abbemavleugel heten, dan kwam de Minnemavleugel en de veel smallere keukenvleugel en aan de oostkant de kortste vleugel, genaamd Oenama, langs de Beyerstraat. De ontwerper was architect Frederik Stoett, huisarchitect van het Sint Anthony Gasthuis, opzichter bij Rijkswaterstaat en betrokken bij de bouw van het Paleis van Justitie en het Ritske Boelema Gasthuis. Voor de proveniers maakte hij 20 kamers voor gehuwden en 49 kamers voor alleenstaanden, die alle op de begane grond de beschikking hadden over een kamer en een boven- of slaapvertrek. Niet meer afzonderlijke woningen met een eigen ingang, maar appartementen die aan lange gangen de toegangsdeur hadden. Omdat het gebouw rond binnentuinen lag, hield Stoette achtergevels vrij sober, maar waar het gebouw zich aan de Grote Kerkstraat, Beyerstraat en Sint Anthonystraat toonde, bracht hij gevarieerde gevels aan: de gevel aan de Grote Kerkstraat bestaan uit een diep trapportiek en vormt zo met accenten van kunststeen rondom een heuse toegangspoort. De gevel bestaat verder uit negen delen die door pilasters van kunststeen zijn gescheiden. De hoekpaviljoens met de lagere tussenvleugels en de naar voren of terug springende geveldelen brengen evenzeer de variatie die Stoett gebruikte om een massaal en plomp bouwblok te verwijden. Aan de Oenemavleugel aan de Beyerstraat ontwierp architect W.C. de Groot, bekend van de Hollanderwijk, in 1926 nog een soort erker die diende tot recreatieruimte voor de proveniers. Tot in onze jaren tachtig zaten daar gerieflijk dicht bij de binnenstad met al haar voorzieningen de oude dames en heren, bewoners van het oud Sint Anthoon. Hedendaags wooncomfort moest men hier echter missen en vandaar dat de voogden van het gasthuis het inmiddels tot monument verklaarde gebouw in 1988 overdeden aan de woningcorporatie de Vereniging voor Volkshuisvesting. Nu vinden wij achter de gerestaureerde gevels moderne woonappartementen die de bewoners het oude gerief van een bruisende binnenstad op loopafstand en het nieuwe gerief van een wandeltuin geven. De grote en nog steeds fraaie stadhouderstuin is namelijk overdag geopend voor het publiek. Voor veel Leeuwarders een tot 1990 onbekend gebleven oase.


3.  Het bestuurshuis van Sint Anthoon
Het pand Grote Kerkstraat 39 was van oorsprong achttiende eeuws en ook kleiner dan het zich nu aan ons toont. De laatste bewoner was voogd en rentmeester van het Sint Anthony Gasthuis, mr. Solko Walle Tromp. Toen hij in 1875 overleed, namen de voogden en voogdessen het besluit om in dit pand vergaderkamers te laten bouwen en er de administratie van het gasthuis onder te brengen. In 1876 volgde daartoe een verbouwing, waarvoor Frederik Stoett of diens zoon Herman Rudolph tekende. In volledige harmonie met het oudste deel werd het pand naar het westen uitgebreid. Empire-vensters, de gevellijst en de omlijste deur geven het pand een laat achttiende-eeuws karakter. In de gang van het nu tot bestuurshuis dienende pand staat het beeld van de heilige Anthonius, met staf, bel of klok en varkentje. Het beeld werd gemaakt door de kunstenaar Hulster en werd in 1865 aangekocht. In de grootste van de twee fraaie kamers, de vergaderzaal, hangt het schilderij van de heilige Anthonius in de woestijn boven de schoorsteenmantel.

In een lang gedicht wordt dit schilderij verklaard. De beginregels zijn:

Het bovenste stuk, de KLOK, het wapen van 't gestigt
aan St. Anthoon gewijd, herinnert aan zijn leven
woestijn en wildernis, deed 't harte hem soms beven
want 't wild gedierte had vaak het oog op hem gericht
Daarom koos hij de bel, als reisgezel voor 't leven
waar 't wild gediert, naar het schijnt, respect voor heeft gehad
Men heeft daarom den naam van "Belle" hem gegeven
en daarom is zij hier, in 't bovenstuk gevat.

Aan alles, inrichting, schilderijen, de bouwwijze met respect voor harmonie en stijl, is te zien hoe zeer de voogden en voogdessen oog hadden en hebben voor de diverse uitingen van cultuur. In dat verband is het aardig om nog een tot in onze dagen voortgezette traditie te vermelden. Telkens wanneer een nieuwe koning of koningin de troon bestijgt, biedt het bestuur van het Sint Anthony Gasthuis het stadsbestuur een geschilderd portret van de dan regerend staatshoofd aan. Deze traditie is ontstaan ten tijde van de viering van vijftig jaar Nederlandse onafhankelijkheid na de Franse tijd in 1863. De raadzaal van de stad Leeuwarden verloor haar oorspronkelijke portretten van de Friese stadhouders in diezelfde Franse tijd. De lege vlakken aan de wanden van deze zaal werden voor het merendeel aangevuld met de schilderijenreeks die het gasthuis-bestuur aan stad en bevolking schonk.


4.  Het nieuwe Sint Anthony-gasthuis
Nadat de zelfstandigheid van het Sint Anthony-gasthuis lange tijd bedreigd was geweest en het in 1861 als bijzondere instelling van de weldadigheid was erkend, werden plannen tot vernieuwing en uitbreiding onmiddellijk aangevat Architect Frederik Stoett die meer dan tien jaar eerder het nieuwe Ritske Boelema gasthuis aan de Turfmarkt had ontworpen, kreeg de opdracht om in de tuin tussen de Groeneweg en het Perkswaltje een gasthuisgebouw tot stand te brengen bedoeld voor vooral kosteloze bewoning. Begin 1862 werd de bouw aanbesteed en gegund aan de Leeuwarder timmerlieden A. de Rooij, L.J. de Vreeze en J. Vonk. In 1864 kon het nieuwe gasthuis in gebruik worden genomen. Het was een gasthuis naar een nieuw model. Had Stoett met het nieuwe Ritske Boelema gasthuis nog een traditioneel hofje rond een bleek gebouwd, het grote nieuwe Sint Anthony-gasthuis zette hij op als een vleugelgebouw. Aan de noordzijde tegen de kleine Groeneweg kwam een dwarsvleugel waar vier haaks, op het zuiden gerichte vleugels tegenaan gebouwd werden. Aan die zijde bleef ruimte voor een royaal tuinengebied, niet alleen tussen de vleugels maar ook verder zuidelijk. Dat kon omdat kort daarvoor de oude gracht was gedempt waardoor Schoenmakersperk en Perkwaltje ontstonden als plein en straatje. Het gehele complex met zijn omgeving was afgestemd op gezond wonen met een goede licht- en luchttoetreding en als zodanig was de nieuwe visie van medici en hygiënisten toegepast. In de dwarsvleugel aan de Groeneweg, de Sint Jacobsvleugel, genoemd naar het in Sint-Anthoon opgenomen Sint Jacobsgasthuis, en de meest westelijke lengtevleugels kwamen in totaal 32 kamers voor gehuwden naast enige algemene voorzieningen. De derde vleugel (die later een verdieping kreeg) bevatte 12 kamers voor weduwen en de oostelijke werd heel anders ingericht, namelijk met collectieve zit-, eet- en slaapvertrekken voor 12 weduwnaars. DE kamers lagen alle aan binnengangen waardoor er in tegenstelling tot de zelfstandige woningen en kamers met eigen deuren in het oude, bij dit nieuwe gasthuis echt sprake was van een instituut. Dat paste evenals de hygiënische aanpak bij de maatschappelijke ontwikkelingen, bij de strikte structuren. Ouderwets was dat er in dit nieuwe gasthuis waarvan de vleugels bedoeld waren voor kosteloze bewoning door minvermogenden toch ook plaats moest komen voor proveniers, mensen die zich bij wijze van verzorgingsverzekering inkochten in het huis. Daarvoor kwamen voor de lengtevleugels kopwoningen, woningen in twee lagen die met lijstwerk en gevelpartijen van sierpleister een representatieve uitdrukking kregen in vergelijking met de eenvoud van vleugels. Elk van die herenhuizen ontving de naam en het wapen van een belangrijke schenker aan het gasthuis uit het verleden: van west naar oost Burmania, Minnema, Auckama en Wiarda. De koppaviljoens zijn zo dominant, dat de eigenlijke ingangspartij in het midden van de Jacobsvleugel nauwelijks opvalt ware het niet dat er een klokkentorentje op gebouwd is. In het begin van onze eeuw was er opnieuw behoefte aan uitbreiding. Er waren woningen aan het Schoenmakersperk aangekocht en gesloopt en architect W.C. de Groot die spoedig hierna ook het Gabbemagasthuis zou ontwerpen kreeg de opdracht een nieuwe vleugel aan dit pleintje te bouwen. In 1910 kwam de Julianavleugel gereed, een bouwwerk dat sterk ging contrasteren met het bestaande gasthuis. Het is rijzig geworden en in zijn architectonische vorm uitbundig versierd in renaissance-trant, heel anders dan het lage uitgestrekte en eenvoudige vleugelgebouw. De gevels zijn doorspekt met zandsteenbanden en de vele traptoppen zijn verlevendigd met neggen van dit materiaal. Vooral rond de ramen zijn versieringen te vinden met de bolwerkaccolades in de boogtrommels als fraaiste details. Het midden kreeg bijzondere accenten met als hoogtepunt het barokke poortje, overgeplaatst uit het oude gasthuis met op het bekronende tympanon twee proveniers en Sint Anthonius met staf.

Met de tegenoverliggende vleugel in renaissance-trant van het Nieuwe Stads Weeshuis vormt deze Julianavleugel het wigvormige Schoenmakersperk met twee interpretaties van de laatzestiende-eeuwse renaissance: de weeshuisvleugel in de zuidelijke variant, het Vlaams maniërisme en de gasthuisvleugel in de noordelijke renaissance. Misschien staan nergens in Nederland die twee varianten zo opmerkelijk bij elkaar. Van lieverlede kwamen meer bouwwerken van het gasthuis aan het Perkswaltje tot stand. In 1869 werd het eenvoudige weeshuis gebouwd, voor jonge weesjes die nog niet in het Nieuwe Stads Weeshuis konden worden opgenomen. In 1894 volgden twee fraaie woningen naast dit weeshuisje, woningen naar ontwerp van W.G. de Groot in neo-renaissancestijl. Nadat het weeshuis als ziekenhuis was gaan functioneren werd het in 1928 uitgebreid met een hoog pand en een lagere vleugel achter een aardige tuin aan de Pijlsteeg. Ook werd er nog een tuinmanswoning gebouwd, een stookhuis en wat niet al. Tussen het oude en het nieuwe gasthuis zijn zo allerlei functies gehuisvest, maar allemaal voor Sint Anthoon. De gasthuizen met nevengebouwen zijn zo een soort immuniteit in de stad gaan vormen, een dorp in de stad waarbinnen  Perkswaltje en Wijde Gasthuissteeg een openbare route bleven vormen, waardoor nu nog iedereen kan genieten van deze fraaie enclave van gevarieerde bebouwing tussen bloeiende tuinen.

5.  Nieuwe Stadsweeshuis, Fries Natuurhistorisch Museum
Het oudste weeshuis van Leeuwarden werd in 1534 gesticht op particulier initiatief en nam de taak op zich burgerkinderen, ouderloze stadskinderen met burgerrechten, onder dat te brengen. De zorg voor wezen van arme en onbemiddelde inwoners zonder burgerrechten rustte op de schouders van het stadsbestuur; zij werden als "houkinderen" bij particulieren ondergebracht. De verdeling van na de Hervorming in 1580 aan de stadskloosters onttrokken goederen onder de drie toentertijd bestaande instellingen van liefdadigheid en de daarbij door het stadsbestuur aan de weeshuisvoogdij gestelde maar verworpen eis dat in het vervolg alle wezen zouden worden opgenomen, vormde het begin van een langdurige controverse. Meermalen zou het stadsbestuur pogingen doen invloed en (mede)zeggenschap in het weeshuis  te verwerven, evenzovele malen strandden ze. Toen vooral in het rampjaar 1672 de oorlog tegen Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen veel slachtoffers had geëist, het aantal wezen tot enkele honderden was gestegen en het Burgerweeshuis niet alle wezen kon of wenste op te nemen, besloot de stad een eigen stadsweeshuis te doen oprichten. De locatiekeuze viel op het pesthuisterrein tussen het Jacobijnerkerkhof en het Schoenmakersperk en aan de rand van de voormalige kloostertuin van de Jacobijners. De bouw werd opgedragen aan Carst Johannis en Claes Janssen, bouwmeesters te Workum en Hindelopen. Het pesthuis werd op een deel van de opnieuw te gebruiken buitenmuren na afgebroken evenals enige belendende panden en in 1676 kon een carrévormig complex, nagenoeg symmetrisch, met een binnenplaats van ongeveer 40 bij 40 meter in gebruik worden genomen. De hoofdtoegang kwam in de oostelijke vleugel aan het Jacobijnerkerkhof: een zandstenen poort, classicistisch van uitdrukking, met ironische pilasters die een kroonlijst met het opschrift "Stadsweeshuis" en een driehoekig fronton met het stadswapen tussen draperieën dragen. De rondbogige doorgang bestaat uit forse blokken op lage pilasters. Na de poort, pas in latere tijd afgesloten met een deur, passeerde men een hal met links de voogdenkamer (en, vanaf de negentiende eeuw, rechts de voogdessenkamer) en kwam men op de binnenplaats. Reeds een paar maanden na de ingebruikname waren liefst 310 wezen in het tehuis ondergebracht. Het aantal zou in de achttiende eeuw schommelen tussen de 210 en 290 en omstreeks 1850 woonden er nog zo'n 120 kinderen. Zij waren te herkennen aan de uniforme half donker half lichtblauwe kledij, de kleur die ook voorkomt in het Leeuwarder stadswapen. Behalve wezen verbleven in het weeshuis vaste personeelsleden, zoals een kleermaker, een schoenmaker en een bakkerbrouwer. De voornaamste bronnen van inkomsten vormden de huuropbrengst van zitplaatsen in de drie gereformeerde kerken in de stad, collectes het alleenrecht om in de stad doodkisten te leveren, verdiensten van de kinderen in en buiten het tehuis en de giften, legaten en erfenissen. Pas in de eerste helft van deze eeuw trad met onderbrekingen een forse daling van het wezenaantal op, zodat op den duur sluiting onontkoombaar werd. Dit gebeurde in 1953. De grondvorm van het weeshuiscomplex is in de drie eeuwen van het bestaan ongewijzigd gebleven, de oorspronkelijke opbouw niet. De ingrijpendste veranderingen zijn de vervanging van een vermoedelijk lage gaanderij aan de Perkstraat door een vleugel van twee lagen (1867/'69) en de door een royale gift mogelijk gemaakte nieuwbouw van een grotere westvleugel, vormgegeven in rijke Vlaamsmaniëristische trant (1884/'88). Relatief onbeduidend doch niettemin bepalend voor het aanzicht van de oostelijke vleugel is de verwijdering van vier van de vijf gemetselde kajuiten in de bovendien afgeknotte kap (1874). Een ruimte uit de bouwtijd is van grondige vernieuwing gevrijwaard gebleven en dat is de voogdenkamer waarin als opvallendste element een monumentale schouw staat. Deze voogdenkamer heeft ook de jaren overleefd die volgden nadat de laatste wezen waren vertrokken. Na 1953 is het weeshuis onder meer benut door het Kinderdagverblijf en de Muziekpedagogische Academie. Naar aanleiding van een brand in 1983 die vooral de westvleugel schade toebracht en de daardoor noodzakelijk geworden restauratie besloot de gemeente uit te zien naar een nieuwe respectabele functie. In 1987 kon het Fries Natuurhistorisch Museum het aangepaste gebouw betrekken. Om de voogdenkamer te ontzien moest de hoofdentree verplaatst worden en daarom is in de Vlaams-maniëristische gevel een nieuwe ingang gebroken De markantste eigentijdse toevoeging in het theepaviljoen op de binnenplaats.


6.  Het Marcelis Govertsgasthuis aan de Noordersingel
Het Marcelis Govertsgasthuis vlijt zich thans geheel vanzelfsprekend in zijn royale tuin met twee monumentale bruine beuken aan de Noordensingel. Zo tegenover de Prinsentuin is het  een van de mooiste plekjes van de stad. Gevelstenen in de dwarsvleugel aan de achterzijde geven niet alleen te lezen dat het gasthuis in 1877 gebouwd is, maar ook dat het al in het midden van de zeventiende eeuw gesticht is, in 1658 om precies te zijn.

In 1658 kocht het echtpaar Marcelis Goverts en Mayke Marcus een huis met tuin ten oosten van de stadsgracht en dus buiten de eigenlijke stad voor de som van 1400 gulden. Het was de bedoeling om "ter eeren Gods end gedachtenis van ons, te doen bouwen een gasthuis ofte gemeentehuis van een zeeker getal kaamers, om voor niet, en sonder betaalinge van huur te laaten bewoonen van eenige weeduwen en andere vrouwspersonen, welk booven haar kost de huishuur niet ofte beswaarlijk konden winnen". Dit staat in de stichtingsbrief van het gasthuis te lezen en toen de kinderloze stichters in 1660 en 1664 overleden waren werd er in het huis een gevelsteen met een lofdicht geplaatst. De eerste regels: "Die rijck is erw zijn goed aan weduwen en wezen, zo wordt hij na zijn dood bij God en menschen prezen". Dit Marcelis Govertsgasthuis, vak het Menniste gasthuis genoemd omdat bepaald was dat de voogdij gevoerd moest worden door diakenen van de Doopsgezinde Gemeente, heeft ruim twee eeuwen aan de Oostergrachtswal gefunctioneerd en is in het midden van die periode vernieuwd. Dat kon gebeuren dankzij schenkingen van Folkert Heeringa en Pier Zeper. Toen in 1764 is ook de monumentale laatbarokke poort tot stand gekomen die bij de verhuizing naar de Noordersingel in 1877 is meegenomen en nog steeds bestaat. Het oude in de tweede helft van de achttiende eeuw vernieuwde gasthuis bestond uit een breed voorgebouw van zes raamvakken en de middenpartij met de poort die een segmentvormige verhoging had. Verder was alles streng en eenvoudig. Nabij dit grote gebouw stonden nog andere vleugels en huisjes, gebouwd van gele steen. Enkele van die gebouwtjes hebben tot ongeveer 1952 nog achter de huizen van de Oostergrachtswal gestaan, maar nu is er geen spoor meer te vinden. De voogden-diakenen kochten in 1876 grond aan de Noordersingel met de bedoeling om daar een geheel nieuw gasthuis te stichten. Ze gaven aan de toen meest vooraanstaande architect van Leeuwarden, Herman Rudolf Stoett de opdracht om een bouwplan te maken. Hij stelde niet meer een carrévormig hof rond een bleek of tuin voor maar een vleugelgebouw in de vorm van een E met de openingen naar het zuiden gericht, naar de zonzijde. Het was een model gasthuis dat zijn vader Frederik Stoett veertien jaar eerder voor het eerst in Leeuwarden had toegepast met de bouw van het nieuwe Sint Anthony-gasthuis en past in de verfrissende wind die dankzij medici en hygienici in de bouw ging waaien. Eind 1876 vond de aanbesteding plaats, aannemer L. van der Zwaag ging het werk uitvoeren voor nog geen 30.000 gulden en in 1877 kon het nieuwe gasthuis in gebruik worden genomen. Elf jaar later toonde de Leeuwarder geneesheer Ph. Kooperberg zich zeer tevreden over het gebouw zijn verenigd het geheel is slechts één verdieping hoog. Men vindt er 20 kamers waarvan het merendeel ter weerszijden van breede, helderwitte, goed verlichte en geventileerde gangen is voorzien. Hij vindt er overal reine, frisse lucht en drinkwater uit regenwaterbakken is er altijd  in overvloed aanwezig. Na bijna een eeuw werd de accommodatie pas onvoldoende geacht en kwam er een herinrichting tot stand die in grote lijnen erop neerkwam dat er van telkens twee kamers een appartement gevormd werd. Binnen is er van de oorspronkelijke indeling weinig over, maar aan het uiterlijk van het gasthuis is niets veranderd. Het gebouw heeft drie naar het zuiden gerichte vleugels, waarvan alleen de middelste met poort geheel vrij ligt, de andere zijn in de gesloten bebouwing opgenomen; merkwaardig omdat die woonhuizen pas later gebouwd zijn. De vleugels zijn aan de noordzijde verbonden door een dwarsvleugel. De inwendige hoeken zijn uitgevuld met diagonaal geplaatste dubbele tuindeuren. Verder zitten er reeksen brede ramen of waar dat niet goed uitkwam, blindnissen in de gevels. Die zijn allemaal versierd, met negblokken aan de zijkanten en in ontlastingsbogen en boven de ramen en nissen zitten overal bolwerkaccolades met vrouwenkopjes. Vrouwen want het was en is immers een vrouwengasthuis. Ook in de kopgevel van de middenvleugel is dat nog eens te zien. De gevels worden afgesloten door vrij vlakke friezen die van triglyfen emt groevn zijn voorzien. Bij die kopgevel is het fries onderbroken omdat daar een brede kajuit is uitgemetseld en waar het fries onderbroken wordt zitten extra consoles als ondersteuning in de vorm van flinke vrouwenkoppen. In beide stukken gevel van de achtervleugel zijn binnen rolwerkcartouches geplaatst, de ene met naam en bouwdatum 1877, de ander met de stichtingstekst van 1658. Hoogtepunt van het geheel vormt de monumentale entrée, de poort uit 1764 met pilasters, segmentvorming tympaan met bovenlicht en een bekroning met de wapens van de stichters, gevat in rocailles en gehouden door vrij grote putti in levendige houdingen. Ze nodigen uit binnen te gaan en de stichters de gedenken.


7.  Het Luilekkerland
Rond de Grote of Jacobijnerkerk  ligt een drietal hofjes: Het Boshuisengasthuis, het Luilekkerland en het oude Ritske Boelema-Gasthuis, terwijl tot 1906 aan Achter de Grote Kerk ook nog het Gabbemagasthuis  was gevestigd. Het aantal hier gevestigde hofjes kan misschien verklaard worden door de lage grondprijzen en de aanwezige ruimte aan de rand van de binnenstad, maar zeker doordat da 1580 het terrein van het Jakobijnerklooster voor bouwwerkzaamheden beschikbaar kwam. Het kloosterterrein besloeg een gebied begrensd door, wat nu is, Nieuweburen, Groeneweg, Schoenmakersperk, Jakobijnerkerkhof en Monnikemuurstraat. Ten westen van de kloostergebouwen van de Grote Kerk lag de grote Appelhof met moestuin. In de 15-de eeuw stonden in de Appelhof twee gebouwen. Aan de noordzijdede "Stadspestkamer" en in het midden van de hof  "des Convents Gasthuys", het ziekenhuis van de kloosterlingen, dat waarschijnlijk vanwege het gevaar van besmettelijke ziekten, een stuk buiten het eigenlijke kloostercomplex gebouwd was. In de jaren na 1583 is de Appelhof langzamerhand bebouwd. Ook het Luilekkerland is gebouwd in de vroegere Appelhof van het Jakobijnerklooster. Het bouwjaar is niet bekend. De eerste aanwijzing voor het bestaan van het Luilekkerland staat in het reëelcohier van Leeuwarden uit 1716. In het Oost-Minnemaespel staat onder de straatnaam "Breedeplaets" een post van

"14 Diaconiekamers" met de toevoeging: "worden door gealimenteerden pro deo bewoond". Hoewel niet met zekerheid te zeggen, is het zeer waarschijnlijk, dat met deze "14 Diaconiekamers" de woningen bedoeld worden, die nu Luilekkerland heten. De conclusie moet dan zijn, dat het Luilekkerland in ieder geval vóór 1716 door die diakenen van de hervormde kerk gesticht is. De bouwtrant van de woningen wijst ook in de richting van ± 1700. De naam Luilekkerland kwam toen nog niet voor. De eerste vermelding van deze naam is uit 1749: "het Luy Leckerlandt". Deze naam is vermoedelijk uit ironie ontstaat, want de bewoners leefden niet in een situatie van overvloed en weelde. Ze behoorden tot de armsten van de stad en kregen allemaal alimentatie van de diakonie. In de 19-de eeuw moesten kandidaten voor een woning "een verzoek tot onderhoud" indienen. Nadat ze het "Billet van onderzoek" naar waarheid ingevuld hadden, werden ze in één van de twaalf klassen van bedeling ondergebracht. De armsten konden dan voor een klein bedrag een woning van de diakonie huren. Het toezicht op de woningen berustte bij een bouwcommissie, die er op lette:

         "a.     Dat de Vastigheden zindelijk worden bewoond en hiertoe zoonodig,
                  de bewoners ernstig aansporen.
           b.    Dat alle gebreken en noodzakelijke verbeteringen, dadelijk worden
                  gerepareerd.
           c.    Dat de bewoners gene andere lieden bij zich laten inwonen, dan
                  na bekomen toestemming".

Onder deze voorwarden woonde b.v. in januari 1880 in een woning in het Luilekkerland Antje Schuurhof. Zij kreeg van diakonie de volgende steun: -vaste trek f 0,80 per week, -wintertrek f 0,30 per week en een half brood in de week. Van de vaste steun werd voor huur van de woning f 0,55 afgetrokken Zo werd voor haar het "totaal ontvang" in de winter f 0,55 plus een half brood en in de zomer f 0,30 minder. Uit de bedelingsboeken blijkt, dat het in de 19-de eeuw al gewoonte was, dat de woningen van het Luilekkerland uitsluitend bewoond werden door vrouwen. Omstreeks 1950 raakte het Luilekkerland in verval. De kamertjes van vier bij vier meter, waarin gewoond, geslapen en gekookt moest worden en waarvan de bewoonsters gebruik moesten maken van een "massaal secreet", voldeden niet meer aaneisen van die tijd. De bewoonsters verdwenen en het Luilekkerland kwam leeg te staan. In 1961 kocht de gemeente het Luilekkerland, nadat het op de monumentenlijst geplaatst was, voor f 6.800,- van de diaconie. Pas in 1968 werd met de restauratie begonnen. Van de oorspronkelijke veertien woningen en de portierswoning werden zes kleine woningen gemaakt. Daartoe werden meestal drie woningen samengevoegd tot één. Hiervoor waren er aan de gevels een aantal aanpassingen noodzakelijk, maar de totale vroeg-18-de eeuwse verschijningsvorm bleef gehandhaafd. Het gebouw van één laag onder een hoge met rode pannen gedekte kap, biedt een aantrekkelijke afwisseling van deuren en schuiframen met kleine roedenverdeling en luiken. Jammer dat bij de restauratie de oude opgemetselde regenwaterputten en de boven- en onderdeuren verdwenen zijn. Voor de woningen staan nog een aantal fraaie leilinden, die vroeger als zonnescherm dienst deden. Aan de binnenkant is langzamerhand een mooie binnentuin ontstaan. Het geheel biedt nu een schilderachtige aanblik en behoort tot één van de mooiste hoekjes van de Leeuwarder binnenstad.


8.  Het Boshuisengasthuis
In 1652 kreeg het Boshuisengasthuis zijn plaats in de voormalige Appelhof van het Jakobijnerklooster. Van het gasthuis is niet een stichtingsbrief bewaard gebleven, maar o0p een steen boven het tweede poortje staan de letters: A.V.E.   AO MCDLII.

De letters A.V.E. betekenen niet alleen een groet, maar zijn ook de initialen van Anna van Eysinga. Anna van Eysinga en haar tweede man Philip van Boshuisen, grietman van het Bildt, kochten in 1651 "sekere bomen en plantagie met twee bloemtuinen daerin sampt somer en duiwe huiske....omtrent Jacobiner Kerckhoff staande noortwaarts tot aen de woningen op de Nyebuiren....voor de summa van achthondert guldens". In het zelfde jaar werd ook nog gekocht een "seeckere camer staende binnen deser stede op Jacobijnerkerkhoff". Toen in 1652 tijdens de bouw van het gasthuis Philip van Boshuisen stierf, heeft Anna van Eysinga ongetwijfeld besloten het nieuwe gasthuis naar haar overleden echtgenoot te noemen. Het gasthuis bestond uit 20 éénkamerwoninkjes en een portierswoning. Bij de restauratie van het gasthuis in de periode 1970-1972 is de oude indeling herzien. Twee woningen werden samengevoegd tot één, zodat er ruimte kwam voor een woonkamer, een slaapkamer en een kleine toiletruimte. De portierswoning werd toen eveneens vergroot. De woningen staan rond een bleek met daarin een houten pomp en een oude lantaarn. De architectuur van de gevels is eenvoudig maar harmonisch. Ondanks de noodzakelijke samenvoeging bleef de indeling van de gevels gehandhaafd. De dichtgezette deuren zijn nog als zodanig herkenbaar. Boven de vensters met 17-de eeuwse roedenverdeling bevinden zich ontlastingsbogen met negblokjes. Twee poortjes geven toegang tot het gasthuis. Aan beide is in de loop van de jaren wel wat veranderd, maar de twee stenen met het opschrift uit het bouwjaar zitten nog op hun plaats. Ze dragen de tekst:

"Het geen hiet staet, uyt nijt oft haet, doch niet beschout"
"Tot armoedts hulp en weduws troost in het begoudt"

De kamers in het gasthuis waren bedoeld voor oude, alleenstaande vrouwen. In 1888 werd het zo omschreven:

"het Boshuisen Gasthuis te Leeuwarden is eene bizondere instelling van weldadigheid, die ten doel heeft, om in het aan haar toebehorende gesticht oude vrouwen zonder onderscheid van godsdienstige gezindte, ieder in eene afzonderlijke kamer te doen genieten, vrije inwoning, eene door het bestuur te bepalen hoeveelheid brandstof en zoodanige toelage in geld als de fondsen van iedere afdeling dezer instelling zullen toelaten".

Na de dood van Anna van Eysinga in 1635 gingen het bestuur van het gasthuis en het recht tot begeving van de kamers, over op haar erfgenamen. Door vererving kwam dit recht in handen van verschillende families. Zo komt het dat het gasthuis verdeeld is in twee afdelingen: de Lycklama-kant aan de westzijde en de Haersolte-kant aan de oostzijde. Op de deurposten is dit aangegeven met de letters L en H. Beide kanten hebben eigen bezittingen en ook enkele bezittingen gemeenschappelijk. De vroeger gratis wonende vrouwen kregen jaarlijks een hoeveelheid turf. Omdat de bezittingen van de Lycklama-kant groter waren dan die van de Haersolte-kant, kregen de vrouwen aan de westzijde ook nog een kleine geldelijke uitkering. In Leeuwarden sprak men dan ook van de "rijke kant en de arme kant" van het gasthuis. Het recht van begeving van een woning in het gasthuis was voor de adellijke families vroeger een begerenswaardige zaak. We moesten over die "liefdadigheid" echter niet al te verheven gedachten hebben. Het recht op zo'n woninkje stelde een familie immers mooi in staat oude en niet meer tot werken in staat zijnde dienstbodes onder te brengen. Het bestuur van het gasthuis bestaat nog steeds uit erfgenamen van Anna van Eysinga. Het komt éénmaal per jaar bijeen. Het beheer van het Boshuisengasthuis wordt nu uitgeoefend door het verzorgingshuis De Hofwijck.


9.  Het oude Ritske Boelema-Gasthuis
Bijna onherkenbaar staat in de Monnikemuurstraat nog een deel van het oude Ritske Boelema-Gasthuis. Installatiebedrijf Wybenga heeft zijn werkplaatsen in dit gespaarde stuk van het voormalige gasthuis ondergebracht. Het grootste deel van het gasthuis werd in 1905 gesloopt, nadat het in het kader van de nieuwe woningwet onbewoonbaar verklaard was. Oude plattegronden, een foto van ± 1900, gegevens uit het archief van het gasthuis en het nog bestaande deel van het gasthuis, maken het mogelijk een indruk te krijgen van hoe het gasthuis er oorspronkelijk uitzag. Aan de Monni8kemuurstraat stonden twee forse gebouwen, opgetrokken in respectievelijk 1623 en 1632. In elk gebouw bevonden zich 8 kamers. De oude foto geeft een goede indruk van de verschijningsvorm van de twee gebouwen. De panden hadden één verdieping met daarboven een hoog zadeldak gevat tussen twee topgevels. Aa de voorzijde bevond zich een aangekapt deel, eveneens afgesloten door een topgevel. De topgevels hadden schouderstukken van natuursteen en werden bekroond door een pinakel. In de gevels bevonden zich schuifvensters met een 17-de eeuwse roedenverdeling. De nog bestaande tipgevel aan de zijkant van het pand van de firma Wybenga geeft een goed beeld van hoe de topgevels gedetailleerd waren. In deze gevel bevinden zich ook nog drie oorspronkelijke schuifvensters. Ook de oude muurankers met aan de bovenzijde de vorm van een lelie Fleur de lis) zijn nog aanwezig. Tussen de twee gebouwen stond een muur met daarin een poort in de stijl van de renaissance. Deze poort gaf toegang tot een smalle carré. Drie vleugels van deze carré werden in 1639 gebouwd achter de twee aan de Monnikemuurstraat staande gebouwen. ER werden tien kamers in ondergebracht. Ook elementen van deze 17-de eeuwse vleugels zijn nog aanwezig. In 1824 vond een uitbreiding met twee kamers plaats en in 1840 werden nog eens vier kamers bijgebouwd. In 1850 vond de verhuizing naar de nieuwe locatie aan de turfmarkt plaats. Het oude gasthuis bleef in gebruik tot de sloop in 1905.

Over het gasthuis en de betreurde sloop schreef Ir. J.A.C. Tillema in "Fen Fryske Groun":

"Kunt gij eenvoudiger vormgeving voorstellen dan die van het oude Gasthuis? Maar zie eens de zuivere verhouding der onderdelen, de plaatsing der namen, de afmetingen van het dak ten opzichte der muren, de strakke lijnen der topgevels, zonder pretenties,  zonder gewilde effecten, maar schoon, omdat het geheel gekenmerkt wordt door den adel des geestes, die de onfeilbare mentor was van vorige geslachten........ Liefdelooze verwaarlozing en onverschilligheid deden het schoone vervallen, tot men tenslotte in bouwvalligheid al te gaarne aanleiding vond zich te ontdoen van een naar waarheid kostbare, doch gering geachte nalatenschap van vorige geslachten. Het gebouw dat het oude Ritske-Boelema-Gasthuis kwam vervangen zal immer een aanklacht zijn tegen een tijd, welke zonder protest het geestelooze en lelijke aanvaardde en waardoor stoffelijk gewin kennelijk boven alles werd gesteld".

Na de sloop werd op de hoek van de Monnikemuurstraat en Bij de Put een woonhuis in twee lagen met kap gebouwd. In de Monnikemuurstraat kwamen op de lege plek twee winkels met daarboven woningen. De etalage in het linkerpand van de vroegere fotozaak van Jonkers was tot voor kort voor vele Leeuwarders een opvallend punt. Voor het rechterpand is al in de dertiger jaren een nieuwe gevel gezet voor de winkel en bovenwoning van kruidenier en zaadhandelaar Wielinga. Het overgebleven deel van het oude Ritske Boelema-Gasthuis, met daarin een karakteristieke loodgieterwerkplaats bevindt zich bouwkundig in redelijke staat, maar verdient in de toekomst zeker een respectvolle restauratie.


10. Het Ritske Boelema Gasthuis
Het Ritske Boelema Gasthuis is ontstaan uit het Soete Naam Jezus Gilde. De oorsprong van dit gilde is niet meer te achterhalen. De oudste vermelding hierover is te vinden in een privilege van Karel V uit 1548, waarin hij het gilde toestond om het gebouw dat door de gestorven gildebroeder Ritske Boelema in 1547 was nagelaten te accepteren. Ook gaf hij toestemming om jaarlijks maximaal 500 goudguldens als schenking te mogen aanvaarden. Het gilde verrichtte menslievend werk dat in de 16-de eeuw onder de gelovigen gebruikelijk was. Na de Reformatie in 1580, toen de Rooms-Katholieke eredienst door de Staten van Friesland werd verboden, zette het gilde het charitatieve werk voort onder de naam Ritske Boelema Gasthuis. Hoofdtaak werd het verlenen van onderdak aan bejaarde vrouwen in een gasthuis. Het eerste gasthuis met enkele kamers werd in het door Ritske Boelema in 1547 nagelaten pand aan de Speelmanstraat ingericht. Dit gebouw werd in 1580 uitgebreid maar door het toenemend aantal behoeftige vrouwen moest het gasthuis in 1623 naar een ruimer pand in de Monnikemuurstraat verhuizen. Hier stonden eerst acht kamers ter beschikking van de vrouwen. Tot 1849 was het Ritske Boelema Gasthuis hier gevestigd Van dit pand is het noordelijke gedeelte beward gebleven. Hierin zijn nog de kenmerken van de 17-de eeuwse bouwstijl herkenbaar. In 1849 besloot de voogdij te verhuizen. Hiertoe verwierf men de grond van het in 1849 afgebroken Landschapshuis, dat vanaf 1594 als vergaderplaats van de Staten van Friesland diende. Dit oude gebouw met een fraaie gevel uit 1616 moest het veld ruimen voor nieuwbouw. Het bouwterrein naast de Kanselarij bleek bijzonder geschikt voor het nieuwe gasthuis, dat dor de voor Leeuwarden zo belangrijke architect Frederik Stoett was ontworpen. Hij ontwierp een gebouwencomplex rond een ruime binnenplaats waarin lange gangen werden gevormd. Hieraan lagen de meeste kamers. In 1863 werden aan de zijde van het Droevendal zeven kamers aan het complex toegevoegd, waarmee het totale aantal op 42 werd gebracht. Het Ritske Boelema Gasthuis is het vroegste gasthuisontwerp van F. Stoett. Hierbij had hij neoclassicistische stijlkenmerken toegepast, die het bakstenen gebouw een sober en strak uiterlijk verleenden. De strenge geleding van het pand was karakteristiek in de gasthuisarchitectuur van het midden van de negentiende eeuw. Het gasthuis had een lange, geleidelijke risalerende voorgevel waarvan het middelste gedeelte het meest uitsprong. Deze drie traveeën brede middenpartij werd door een extra uitbouw boven de hoofdingang geaccentueerd. Hierin werd de voogdenkamer ondergebracht. Het middengedeelte bevatte op de begane grond twee ramen aan weerszijden van de toegangsdeur waartussen dubbele pilasters werden geplaatst, terwijl boven drie vensters gesitueerd waren. Deze driedeling keerde in de twee lagere armen van het gebouw terug waar de muurvakken eveneens door drie vensters werden onderbroken. Het gebouw kreeg een sterk horizontaal accent, zowel door de eenvoudige kroonlijst als door de natuurstenen lijst die benedendorpels van de zes-ruitvensters met elkaar verbond. Ook de natuurstenen plint versterkte het horizontale effect. Alleen in het centrale gedeelte is een verticaal accent te bespeuren dat door het plaatsen van een fronton boven het middelste raam was verkregen. Het strakke uiterlijk wordt slechts in het vooruitspringende middengedeelte verzacht door een speels element: de kroonlijst is hier versmald zodat boven de deur en de twee ramen boogvormige bakstenen "spaarvelden" zijn ontstaan. In het gebouw waren de kamers 3.40 x 2.80 m groot, waarin het dagelijks leven van de bewoonsters zich afspeelde. In de laatste tijd voldeden de woningen niet meer aan de welstandsnormen. Omdat een ingrijpende verbouwing vanwege de plaatsing van het pand op de Monumentenlijst niet tot de mogelijkheden behoorde, wendde de voogdij van het gasthuis zich tot de Raad van State om een sloopvergunning te verkrijgen. Dit college oordeelde positief over het verzoek en niets stond nieuwbouw meer in de weg. Na de afbraak van het oude gasthuis werd op het terrein naar bouwresten van het vroegere Kapittelhuis, de voorganger van het genoemde Landschapshuis gezocht, waarvan de fundamenten inderdaad zijn teruggevonden. Uit de opgravingen blijkt dat van een permanente bewoning op deze plaats sinds het begin van de zestiende eeuw sprake is. In samenwerking met de Vereniging voor Volkshuisvesting verrees een nieuw gebouw, ontworpen door architect C. Vegter met wooneenheden naar de maatstaven van onze tijd en die ook door echtparen (en niet alleen door dames) kunnen worden betrokken. Achter het huidige flatgebouw van de Ritske Boelema Fundatie ligt de tuin waarin op originele wijze de schitterende grafzerk in renaissancestijl is geplaatst. Deze houdt de herinnering levendig aan de grondlegger van het gasthuis, Ritske Boelema.


11.  Het Gabbema gasthuis
Het Gabbema gasthuis  is wellicht het meest opvallende en interessante gasthuis in Leeuwarden. Door zijn fraaie architectonische vormgeving vormt het een hoogtepunt in de bouwgeschiedenis van de liefdadigheidsinstellingen. De meeste van deze instituten werden in de vorige eeuw vernieuwd maar de nieuwbouw van het Gabbema gasthuis volgde pas in 1906, toen de zogenaamde nieuwe kunst of  Art Nouveau in zwang was. De geldende mode drukte een sterk stempel op het gebouw dat in de decoratie van het exterieur duidelijk zichtbaar is. De bouwvorm volgt nog het gebruikelijke stramien, de U- of blokvorm, van de 19-de eeuw. De geschiedenis van het Gabbema gasthuis gaat terug tot 1634. In dat jaar had Abbe Freerks Gabbema, hopman of kapitein en later klerk van de Ontvanger-generaal in Friesland, opdracht tot de bouw van twaalf woningen op het terrein van de moestuin van het Jacobijnerklooster dat achter de Grote Kerk was gesitueerd. De woningen waren voor bejaarde vrouwen bestemd die er gratis mochten wonen. Op de poort van het gebouw stond het volgende: "Ter eere Gods gesticht 1634". De letters S.A.G. zouden op Gabbema's zoon Simon kunnen duiden, die vermoedelijk de eerste steen had gelegd. Hij werd  later bekend als geschiedschrijver van Friesland. In 1635 moest Abbe vanwege zijn hoge schulden vluchten. Vanwege zijn penibele financiële situatie bleef het gasthuis zonder eigen fonds. Pas na het overlijden van zijn langst levende kind., Walkje, kwam het zo nodige geld voor het hofje beschikbaar. Haar laatste wens was dat de voogden van het Old Burger Weeshuis het door haar nagalaten fonds ten behoeve van de bejaarde vrouwen zouden beheren. In 1788 viel het gasthuis een belangrijke schenking te beurt van mr. Eelco van Haersma. De bewoonsters beschikken hierdoor over een vast inkomen. Tot de eeuwwisseling zal het leven op het hofje zijn eigen gang zijn gegaan. In 1905 was van een zodanig verval van het gebouw sprake dat de voogden van het Olde Burger Weeshuis besloten tot vervanging van het oude gebouw door een nieuw. Uitbreiding van het bestaande pand bleek vanwege het ruimtegebrek niet mogelijk. De voogden zochten naar een nieuw bouwterrein. Aan de Wybrand de Geeststraat kochten zij een stuk grond voor f 11.040,-.  Zij gaven in 1906 de architect W.C. de Groot opdracht voor het ontwerp voor een nieuw gasthuis. De Groot stond bekend als een bekwaam architect. Hij was jarenlang onderhoudsarchitect van verschillende gasthuizen, zoals het Ritske Boelema- en het Oud- en Nieuw Sint Anthonygasthuis. Gezien zijn bekendheid in de kring van voogden ligt het voor de hand dat juist hij de opdracht voor dit hofje mocht ontvangen. Het bestek en de tekeningen lagen in april 1906 klaar en de bouw kon beginnen. Het werk werd aan aannemer C. Lerk gegund. De kosten van de bouw bedroegen f 45.000,- De bouwactiviteiten vorderden zo snel dat de bejaarde bewoonsters het pand al in december konden betrekken. De voogden evenals de bewoonsters waren zeer tevreden over het nieuwe gebouw dat modern en mooi oogde. Vooral de toepassing van veel kleur en de verrassende architectonische vormgeving werd geprezen. Het complex van een bouwlaag ligt ver achter de rooilijn. Hierdoor is een groet tuin ontstaan die aan de straatkant door een smeedijzeren hek in nieuwe stijl met zweepslagmotief is afgesloten. De gevel toont aan de onderzijde donkergrijze sierstenen die aan een plint doen denken. Tot aan de bovendorpel van de ramen zijn oranje bakstenen gebruikt die steeds door kleurige versieringen worden afgewisseld. Zo loopt op de hoogte van de benedendorpel van de ramen een band van groene verglaasde stenen. De versiering ter hoogte van de bovendorpel van de kozijnen is samengesteld uit een band van geprofileerde verglaasde steen en van speels metselverbanden in geel en groen. Het uiterlijk van het gebouw oogt door de afgeschuinde hoeken tussen hoofdgebouw en zijvleugels vriendelijk. De schilddaken worden op enkele plaatsen door topgeveltjes verlevendigd waarin ronde raampjes zijn geplaatst; een karakteristieke oplossing van De Groot. Het meest interessante gedeelte is de centrale ingangspartij waarvoor een overhuiving van grenen hout is geplaatst. Het snijwerk is rijk gedetailleerd evenals dat van het torentje op de centrale topgevel. Hierin is een uurwerk geplaatst dat oorspronkelijk niet door de architect is ontworpen. Hij plande namelijk op zijn bouwtekening een luidklokje in de toren, dat al sinds 1767 in het oude Gabbema gasthuis te vinden was. Het meestopvallende onderdeel van de middenpartij is stellig het fraaie tegeltableau in Art Nouveau-stijl. Dit is waarschijnlijk in de Harlinger tegelfabriek van Jan van Hulst vervaardig. De versiering hiervan herinnert sterk aan de decoratie die in de monsterboeken van de fabriek voorkomen. Het ongesigneerde tableau is uit artistiek oogpunt van grote waarde. De voorstelling heeft een symbolische betekenis. De arend (het gasthuis) pakt een konijn, bedoeld als voedsel voor de vogels zoals uiltjes en kraaien (bewoonsters van het gasthuis). Met zijn gespreide vleugels biedt hij bescherming aan de zwakken. Het Gabbema gasthuis is in de jaren '70 gerenoveerd met alle respect voor de rijke architectuur van het exterieur. Inwendig is het pand sterk verbouwd waarbij van twee woningen  een nieuw appartement  werd gemaakt. Zo is men er met behoud van de oude bestemming in geslaagd om dit fraaie voorbeeld van nieuwe stijlarchitectuur voor Leeuwarden te bewaren.


12.  Nieuwestad 108, Auck Petershuis
Nieuwestad 108 is pas lang na de stichting een weeshuis geworden. Het was oorspronkelijk een 'gewoon' woonhuis, voor iemand van goede komaf en ongetwijfeld vermogend. Jonkheer S. Speelman gaf in 1849 opdracht om vermoedelijk twee bestaande panden met achtererf ingrijpend te verbouwen tot een uitermate fraai herenhuis in neoclassicistische stijl. Welke architect hierbij betrokken is geweest, weten we helaas niet. Behalve door z'n onmiskenbare allure is het pand door de fikse afmetingen één van de opvallendste aan de Nieuwestad, een deel van Leeuwarden waar bouwheren uit kringen van geslaagde kooplieden en het stedelijke patriciaat er vroeger toch al niet voor terugschrokken flink in de buidel te tasten voor een monumentaal optrekje. Deze ontwikkeling tot een woongebied voor welgestelden was begonnen op het einde van de vijftiende eeuw nabij de Wirdumerdijk en de Sint Jacobsstraat  - hier verrees in 1595-'98 tevens de stadswaag. Op een vogelvluchtkaart van Leeuwarden uit 1601-'03 blijken de percelen aan beide zijden van de lange gracht reeds alle benut te zijn; ook op de plek van het huidige Nieuwestad 108 is dan bebouwing te vinden. De laatste eigenaresse van het tegenwoordige pand voordat het de functie van weeshuis kreeg, was de freule Van Eysinga, van wie in de voorkamer nog een portret hangt. Zij verkocht in 1946 haar woning aan het Old Burger Weeshuis, dat het onderkomen aan het Zaailand op het eind van de oorlog door brand verwoest zag worden. Dit weeshuis, één der allereerste in Nederland, is gesticht in 1534. Bij testament bepaalde de burgemeestersvrouw Auck Peters toentertijd dat haar meeste bezittingen aan een weeshuis voor onverzorgd achtergebleven burgerkinderen zouden toevallen. Deze particuliere instelling is van 1535 tot 1876 gehuisvest geweest aan het Raadhuisplein, daarna in nieuwbouw aan het Zaailand. De wezen stonden bekend als rode wezen, naar hun uniforme kleding. Gedurende de afgelopen honderd jaar is de Nieuwestad geleidelijk het winkelgebied van Leeuwarden bij uitstek geworden. Als gevolg van de functieverschuiving zijn in veel panden winkelpuien gebroken, andere werden totaal vernieuwd. Schaars zijn de woonhuizen waarvan de voorgevel ongeschonden de tijd is doorgekomen. Nieuwestad 108, thans een rijksmonument, behoort daartoe.

Het herenhuis is een liefst zes raamvlakken breed en zeer diep, geleed pand op een iets scheluwe plattegrond. Het heeft de structuur van een voor- en achterdeel die verbonden zijn door een lage tussenbouw. Beide hoofdvolumes tellen boven het souterrain drie in hoogte gevarieerde bouwlagen waarop een lage schildkap rust met hoekpinakels op het voorste en beborde schoorstenen op het achterste gedeelte. Bij de totstandkoming van het dubbelbrede huis zijn waarschijnlijk twee oude panden achter één nieuwe voorgevel samengetrokken. De merkwaardige knik ongeveer midden in de gevel en het verschil in breedte van de muurdammen tussen de vensters in de linker- en de rechterhelft vormen daarvoor duidelijke aanwijzingen. Het bruine muurwerk staat op een hardstenen borstwering met licht getoogde souterrainvensters en wordt bovenaan afgesloten door een hoge geprofileerde kroonlijst en golfvormige klossen onder de goot. De gewone, rechtgesloten schuifvensters op de belangrijkste bouwlagen zijn vermoedelijk niet origineel en van jonger datum, want de tuingevel bezit nog acht- en zesruits Empirevensters. Op de derde bouwlaag zijn ijzeren hekjes voor de vensters aangebracht. Aan de entree, gesitueerd in het vierde raamvak, is veel zorg besteed. Voor een dubbele deur staat een tweezijdige hardstenen trapstoep met een, overigens over de volle gevelbreedte doorlopend  ijzeren hek van sierlijke balusters en kransvormige tussenvakken. De deur heeft belijste panelen, een door afhangende bladeren en bloemen versierde naald en op een gesneden kalf een fraai bovenlicht met rank- en loofwerk en een lantaarn. Boven de deuromlijsting is nog eens een kroonlijst geplaatst. Achter de entree liggen een hal en een lange gang, waar een gemêleerd grijsbeige marmeren vloer van ruitsgewijze gelegde tegels ligt en de muren lage marmeren plinten hebben. Het glas-in-loodraam achter in de gang waarop twee weeskinderen in uniform zijn afgebeeld, komt uit het verdwenen weeshuisgebouw aan het Zaailand en is in 1936 geschonken ter gelegenheid van een toenmalige verbouwing. Het woonhuis is in de loop der tijd grondig gewijzigd maar links van de gang bevinden zich twee royale vertrekken nog min of meer in de oorspronkelijke staat uit 1849.l De ongeveer vierkante voorkamer heeft hoge afgelijste lambriseringen met panelen en voor de ramen lage vensterbanken en blinden die in de dagkanten kunnen worden gevouwen. Onder het plafond loopt een samengestelde kroonlijst met kraal-, bloem- en bladmotief.

Het stucplafond heeft een sober omlijst veld met hoekornament, waarbinnen bloemenvazen en bloem- en bladslingers zijn te zien. Tegen de oostmuur staat een schouw met een marmeren mantel, gedragen door kloeke consoles op leeuwenklauwen In de veel ruimere achterkamer is een qua opzet vergelijkbaar decoratief programma uitgevoerd maar  het stucplafond, hier met kloof, is veel uitbundiger versierd. In de veldhoeken zijn, gescheiden door een scepter, telkens twee verschillend opgetaste fruitkelken aangebracht en langs de lange zijden fruitschalen in kylixvorm. Deze elementen worden verbonden door fraaie bloemslingers met een grote soortenrijkdom. Het middenstuk bestaat uit twee hoge vazen met boeketten en daartussen bloem- en bladdecoratie. Tussen de voor- en achterkamer bevindt zich een smalle ruimte met kasten. De schuifdeuren die daartoe toegang verschaffen, worden geflankeerd door gepaarde vijfhoekige gecanneleerde pilasters met korintische kapitelen en imposten met acanthusblad. Achter het pand ligt een diepe, op het zuiden georiënteerde tuin tot aan het Ruiterskwartier. De erfscheiding wordt gevormd door een zeldzaam giet- en smeedijzeren hekwerk op een bakstenen basement. De vaste traliewerken zijn met bewerkte lanspunten en sierelementen vrij sober uitgevoerd maar de scharnierende delen hangen aan vier forse kolommen in de vorm van roedenbundels met bijlen (fasces et secures) die door ringen en linten worden bijeengehouden. In 1974 hebben de laatste weeskinderen het huis verlaten. Op initiatief van de voogdij geeft het pand thans onderdak aan een Boddaert-centrum (het Auck Petershuis); een dagverblijf voor moeilijk plaatsbare kinderen.


COLOFON

Uitgave:                  Stichting Aed Levwerd
Tekstbijdragen:       Rita Mulder-Radetzky, Jochum Admiraal, Hendrik ten Hoeve, Peter
                               Karstkarel, Hugo Kingmans en Leo van der Laan
Fotografie:              Siep van Lingen en Monumentenzorg Gemeente Leeuwarden
Druk:                       Wielsma B.V. Leeuwarden
Vormgeving:           Impact Vormgeving

De organisatie van de vierde Open Monumentendag in de gemeente Leeuwarden en het uitgeven van het begeleidende boekje zijn mogelijk geworden door de daadwerkelijke steun en door de financiële ondersteuning van alle bij het project betrokken liefdadige instellingen.

Terug