Open Monumenten in Leeuwarden 1991


Woord vooraf
De oprichtingsakte zegt het zo mooi: "De stichting heeft ten doel het bevorderen van de kennis van en de belangstelling voor de gebouwde geschiedenis van de gemeente Leeuwarden".

Een van de manieren waarop de Stichting Aed Levwerd dit doel tracht te realiseren, is het organiseren van de jaarlijkse Open Monumentendag.

Dit jaar viert de Open Monumentendag in Leeuwarden zijn eerste lustrum. In de afgelopen vijf jaar hebben vele duizenden bezoekers zich met een gids als deze in de hand laten leiden langs monumentale woonhuizen, dorpen ten zuiden van de stad en de gasthuizen.

1991: een bijzonder jaar, een bijzonder thema. De Eewal, een van de alleroudste delen van de Friese hoofdstad Bebouwing die de sporen van de geschiedenis draagt zo verdween het "eau" en werden in de loop der eeuwen vrijwel alle panden wel eens (ingrijpend) veranderd.

Mede daardoor werd de Eewal tot wat het thans is: een levendig gedeelte van Leeuwarden, waar intensief gewoond en gewerkt wordt.

Wij hopen dat die dynamiek -welke tijdens deze dag ook in veel opzichten merkbaar zal zijn- voor een ieder aanleiding zal vormen na te denken over de onvermijdelijke strijd tussen behoud en vernieuwing.

Mr. P.E. Mazel
Voorzitter a.i.
Stichting Aed Levwerd
Postbus 17
8900 AA  Leeuwarden


Inleiding
In de vroeg-middeleeuwse periode vóór 1000 A.D. lagen in het gebied, dat later de naam Leeuwarden zou dragen, aan de Middelzee drie bewoningskernen: in het westen de Oldehove-terp en aan de oostzijde twee terpen in de "delta" van de Ee. Over de oorspronkelijke loop van de Ee is al veel geschreven en ook gespeculeerd. Resultaten van in de twee helft van de twintigste eeuw verrichtte archeologische onderzoeken maken het nu mogelijk een redelijk betrouwbaar beeld te krijgen van de loop van de Eestroom. Vanuit het noorden stroomde de Ee naar de Middelzee. De vroeg-middeleeuwse loop van de Ee lag westelijk van de Voorstreek, ongeveer op de plaats van de huidige tuin van Zalen Schaaf. In de buurt van de Sacramentsstraat splitste de Ee zich in twee stromen, één langs de Voorstreek richting Kelders. omstreeks het jaar 1000 stroomden de Ee-armen ter hoogte van het Naauw en de Bagijnesteeg in de Middelzee. Eb en vloed waren toen nog merkbaar in de delta. De laat-middeleeuwse loop van de Ee liep via de Voorstreek, Kelders en Naauw met als zijarm Wortelhaven-Eewal. Vermoedelijk rond 1100 werd de Ee verbonden met de Dokkumer Ee. In de elfde en twaalfde eeuw werden de Middelzeedijken aangelegd. Toen zullen er ook sluisjes zijn gebouwd. Aan de armen van de Ee werden in de vroeg-middeleeuwse periode twee terpen opgeworpen waarvan de zuidelijke vermoedelijk de oudste is. Op het snijpunt van waterlopen en dijken ontwikkelden deze terpen zich tot handelsnederzettingen. Op de noordelijke terp waren de Speelmansstraat en de Grote Kerkstraat de belangrijkste straten. Op de zuidelijke terp was de nu onaanzienlijke Poststraat de hoofdweg.

In de dertiende en veertiende eeuw werd de Ee verder gekanaliseerd. De huidige Eewal was niet de hoofdstroom van de Ee. Dat blijkt wel uit de oudste plattegronden van Leeuwarden. Tot de zeventiende eeuw bleef de zuidelijke walkant bijna geheel onbebouwd. De hoofdvaarweg liep langs de Voorstreek, Kelders en Naauw.

De naam de Ee is één van de meest voorkomende waternamen met als betekenissen: water, stroom, waterland, eiland e.a. Ee kan in verband gebracht worden met het Gotische "akwa", het Latijnse "aqua", het Keltische "apa" en het Franse "Eau".

In archivalia komt in 1504 voor het eerst de omschrijving "opper Eewal" voor. De eerste nauwkeurige stadsplattegrond van Leeuwarden van Johannes Sems/Pieter Bast uit 1603 geeft een goed beeld van de Eewal in de zestiende eeuw. De noordzijde, ook wel de Oude Eewal genoemd, had een gesloten bebouwing met forse huizen van meestal twee verdiepingen en een kap. In  het midden stond op de plaats van het huidige gebouw van de Leeuwarder Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij het stinsachtige Huygenshuis waarvan de middeleeuwse kelders nog aanwezig zijn. Voor de huizen liep een vrij brede straat. De zuidzijde bood een heel andere aanblik. Hier was meer sprake van een achterkantsituatie. op de hoek Wortelhaven/Eewal stonden een paar huizen. Daaraan grensde in het westen de grote tuin van het Minnemahuis, het latere hotel "De Nieuwe Doelen", aan de Eewal. Aan de gracht stond in de tuin nog een torentje dat behoorde bij de stins van de Minnema's. De Minnemastraat was aan de westzijde de grens van de tuin. Tussen de Minnemastraat en de Grote Hoogstraat liep de Oudewijfssteeg (1618: Old wyffs steechie). Aan de noordzijde van deze steeg stonden twee huizen, die met hun tuinen aan de Eewal grensden. Aan de zuidzijde van de Eewal liep toen geen weg. In het eerste kwart van de zeventiende eeuw veranderde het beeld van de zuidelijke Eewal totaal. In 1610 diende Schelte van Aebinga, behartiger van de belangen van zijn zwager Schelte van Liauckama, de eigenaar van het Minnemahuis, een verzoekschrift in bij het stadsbestuur, waarin hij te kennen gaf van plan te zijn een deel van de tuin bij het Minnemahuis te verpachten: "ommedat tot huysen te bebouwen, tot twaeleff heerlycke plaetzen, so tegen den Eewal aen, als in Minnemastraat 't welck solde strecken tot een groote ere ende versieringe van de stadt". Aan het stadsbestuur vroeg hij toestemming voor de "rooying" van de twaalf panden. De gevraagde toestemming werd gegeven, maar het stadsbestuur deed meer. In 1613 werd het besluit genomen tot het aanleggen van een straat van de Minnemastraat naar de Vischmarkt, het deel van de Voorstreek ter hoogte van de Koningsstraat. Om de aanleg van de weg mogelijk te maken, werden op de hoek van de Wortelhaven en de Voorstreek (toen nog Korenmarkt genoemd) een aantal huizen aangekocht. Door afbraak en aanpassing van de tuinen kon de beoogde verbinding tot stand gebracht worden. Dat de bouw van de huizen aan de Nieuwe Eewal plaats moest vinden binnen de bestaande stedelijke structuur, is nu nog duidelijk te zien aan de vorm van de plattegronden: de kavels zijn niet rechthoekig maar enigszins gierend (scheef).

Na de aanleg en de bebouwing van het westelijke gedeelte van de Nieuwe Eewal in de jaren 1611-1618 ontstond de behoefte ook het oostelijke gedeelte aan te pakken. De hier noodzakelijke herverkaveling bracht met zich mee, dat een aantal huizen aangekocht en onteigend moest worden. Op 7 juni 1619 vond "rooying en afpaling" van de nieuwe buurt plaats. Er kwam ruimte voor 11 huizen en een weg langs de Ee-loop. Dit gedeelte van de Eewal wordt voor het eerst in 1623 "Orangie Eewall" genoemd. De naam Oranje Eewal is vermoedelijk ontleend aan het pand dat in 1782 aangeduid werd als "het huys op de Orange Ewal, daar de Orange Ewal en bas-reliëf in steen gehouwen en cierlijk verguld in de gevel staat". De percelen aan de Oranje Eewal moesten binnen een jaar bebouwd worden. Aan de verschijningsvorm werden ook eisen gesteld: "voor aen de straet twee viercanten (verdiepingen) hooch, met een gewel nae de straet, versiert met hartstenen listen, speckstucken ende canteels (trapgevels)". De kelders van de nieuwe huizen liepen onder de weg door naar de gracht. In 1756 en 1790 kregen daarom de eigenaars van de huizen tussen de Minnemastraat en de Grote Hoogstraat toestemming "om tot belet der passage van rijdtuigen en daardoor te praecaveren het gevreesde gevaar van instorting der kelders wederom één off meer palen op hunne costen te mogen setten". Door al deze werkzaamheden kreeg de Eewal, zoals de stadshistoricus Wopke Eekhoff het omschreef: "dat gunstig voorkomen waardoor deze binnengracht zich thans onderscheidt". In de zeventiende, achtiende en negentiende eeuw zijn de meeste panden aan de Eewal wel eens verbouwd of herbouwd, aangepast aan veranderde bestemmingen of gemoderniseerd naar de eisen van de tijd, maar het karakter van de Eewal bleef tot 1884 bewaard. Een aantal tekeningen die Albert Martin, een topografisch tekenaar, in dat jaar van de Eewal maakte, geven een goed en sfeervol beeld van de oude binnenstadsgracht. Martin maakte deze documentaire tekeningen, omdat de demping van de Eewal aanstaande was. Al in 1871 hadden de bewoners van de Eewal en het Herenwaltje gevraagd om de demping van de gracht. In 1880 werd dit verzoek herhaald met als argumenten dat de gracht als vaarwater nauwelijks nog gebruikt werd en bij lage waterstand een ondraaglijke stank verspreidde. Bijkomend voordeel van de demping zou zijn, dat er in het centrum van de stad een brede rijweg aangelegd kon worden. Het gemeentebestuur was voor het aangevoerde niet ongevoelig. In 1881 kocht de gemeente de molen "De Leeuw" op de dwinger "Het Klein Fentje". Deze molen stond op de plaats waar nu het Pier Pandertempeltje staat. De aankoop van de molen met bijbehorende molenaarshuisjes maakte het mogelijk na afbraak van de molen de dwinger gedeeltelijk af te graven. De vrijkomende grond kon gebruikt worden voor het dempen van de Eewal en het Herenwaltje. Er moest echter eerst een oplossing gevonden worden voor de tot aan de gracht doorlopende kelders. Een aantal kelders werd aangekocht en de kelders van eigenaars die niet wilden verkopen, werden op kosten van de gemeente van een  bovenlicht voorzien. Daarop nam de gemeenteraad op 9 december 1883 het besluit de Eewal en het Herenwaltje te dempen en vond in 1884 de uitvoering van dit besluit plaats. Vlak voor de demping hebben een aantal personen die het verdwijnen van de gracht betreurden, nog een fles gevuld met authentiek Eewal-water en deze fles verzegeld aangeboden aan het gemeentebestuur. Bij de afdeling Voorlichting van de gemeente Leeuwarden wordt deze fles nog altijd bewaard. De voor de demping noodzakelijke modder werd vanaf het "Klein Fentje" vervoerd in kip-karretjes over een kleine "lokaal spoorweg" die door de Grote Kerkstraat en de Beyerstraat naar de Eewal liep. Stadsarchivaris Rinschke Visscher omschrijft in haar boek Leeuwarden van 1846 tot 1906 de demping aldus: "In 1884 verdween hier de oude Ee, met hare hooge, groene wallen, hare steenen bogen en haar lommerijke geboomte...... Jammer dat bij zoveel pracktische verbeteringen dikwijls zooveel schilderachtigs moet verloren gaan". Een commentaar dat een kleine eeuw later nog steeds onderschreven kan worden. De demping van de Eewal en het Herenwaltje kostte de gemeente 80.000 gulden. Naast de demping van de gracht werd van dit bedrag ook de noodzakelijke verlaging van de Wortelhaven en de aanleg van een nieuwe riolering betaald. In 1885 werden in de nieuwe, brede trottoirs jonge bomen geplant. Alleen ter hoogte van de ook nu nog aanwezige, oude kelders konden geen bomen gezet worden. De lindebomen aan de Eewal hebben vooral in de twintigste eeuw in sterke mate het intieme karakter van de gedempte binnenstadsgracht bepaald. Zij herstelden enigszins de verstoorde schaal. Jammer genoeg moesten in 1974 zeven van de tien, toen negentig jaar oude lindebomen gekapt worden, waardoor opnieuw het karakter van de Eewal werd aangetast. Gelukkig zijn de later geplante bomen goed aangeslagen.

De Eewal is eeuwenlang een voorname grachtenstraat geweest, die bewoond werd door bekende personen. Er woonden doctores als Johannes Jusum, Sibrandus Hilarius, Nicolaas Poutsma, Nicolaas Nicolay en Gellius Bruinsma. Van 1649 tot 1656 woonde op nr. 48 de Leeuwarder scherprechter (de beul) mr. Lucas Salomons van Lingen. Op nr. 66 woonde in het begin van de achttiende eeuw de Waalse predikant Isack La Mique. Het pand nr. 64 huisvestte achtereenvolgens de bekende uurwerkmakers Gijsbertus Nauta, Jan Jacobus Nauta, Theunis Haakma en Sicco Haakma. Geelgieter Jan Klinkhamer woonde op nr. 60. Petrus Camper, hoogleraar in de wijsbegeerte, anatomie en chirurgie in Franeker, Amsterdam en Groningen en later nog voorzitter van de Raad van State, huurde het huis Eewal 52.  Bekende Leeuwarder families als Beuckens, Adius en Beilanus woonden aan de Eewal. Zonder veel moeite is deze lijst met namen nog veel langer te maken.

Aan het eind van de twintigste eeuw wordt er nog steeds gewoond op de Eewal, maar hebben ook veel voormalige woonhuizen een andere bestemming gekregen. Ondanks de bestemmingswijzigingen en de "miskleun van de demping", zoals de journalist/historicus W.H. Keikes het eens omschreef, is de Eewal nog steeds een voorname, gave straat in het stadsgezicht van Leeuwarden. Zou Leeuwarden met het voorbeeld van andere historische steden voor ogen (o.a. Delft en Leiden) er niet eens aan moeten denken in de eenentwintigste eeuw die "miskleun van de demping" weer ongedaan te maken?


Gouverneursplein 44.  "De Blauwe Stoep"
De gevel van dit zes traveeën brede pand wordt gevat tussen geblokte hoeklisenen en bekroond door een forse geblokte lijst met daarop een balustrade tussen twee halfrond gesloten dakkapellen. Men betreedt het gebouw via een dubbele trapstoep met hek en door een omlijste ingangspartij. Het voorste pand is geheel onderkelderd. Onder het rechterdeel van het huis bevindt zich de "kolenkelder", vroeger de keuken. Hierlangs loopt een plavuizen gangetje naar het onder het centrale deel van het huis gelegen keldergedeelte en naar de onder de straat doorlopende "werfkelder". Op de begane grond moet de centrale hal ooit zeer monumentaal geweest zijn. Alleen de marmeren vloer herinnert er nu nog aan en het stucplafond heeft een eenvoudige sierlijst langs de rand. Opvallend is dat er twee balken over de lengte van de zaalruimte zijn geconstrueerd, die in de penanten tussen de vensters aan de voorzijde steunen op houten muurstijlen. Aan de voorkant hebben de empire-vensters diepe dagkanten met blinden. Aan de oost- en zuidwand bezit de zaal twee schouwen met een strakke marmeren onderbouw. De schoorsteenplaat rust op twee dubbele consoles. Een vrij smalle steektrap, eindigend in een dubbele kwartslag en gedekt door een schuin oplopend tongewelf, voert naar de verdieping. Daar vallen in de iets hellende gang de brede planken op. De kamers aan de linkerzijde hebben op dezelfde plaats als op de begane grond hun schouwen: aan de voorzijde een brede met kroonlijst, aan de achterkant een vlakke met marmeren onderbouw (beide vroeg-negentiente-eeuws). De voorkamer bezit een fraai plafond met een zware balk in de lengterichting. Over de bouwgeschiedenis van dit huis is helaas weinig bekend. In de huidige staat dateert het waarschijnlijk uit het begin van de vorige eeuw, maar een prent van omstreeks 1788 laat een huis zien dat nagenoeg identiek lijkt aan het pand van nu. Zelfs op de stadsplattegrond van Sems uit 1603 is op deze plek een vergelijkbaar pand gesitueerd. De omgeving van Gouverneursplein 44 is in de loop der eeuwen ingrijpend van karakter veranderd. Tussen 1682 en 1688 liet het stadsbestuur een viertal huizen afbreken aan de Eewal tussen Sint Jacobsstraat en Grote Hoogstraat. De Foxsteeg, ook wel Feitsmastraat genoemd, kwam hierdoor te vervallen. De plaats van de afgebroken huizen werd voordien ook wel aangeduid als "bij de seigneurie" (naar de naam van het belangrijkste pand) en "tegenover de blauwe trappen". Deze blauwe trappen of blauwe stoep bevonden zich aan de noordzijde van het water dus tegenover het tegenwoordige pand. De trappen zijn waarschijnlijk begin achttiende eeuw opgeruimd. De vrijgekomen ruimte werd toen deels bestraat, deels aan de eigenaren van huizen in de voormalige Foxsteeg afgestaan. Aan de zuidzijde van de "seigneuriewal" werd een aantal aanzienlijke huizen nieuw gebouwd of uitgebreid. Waarschijnlijk is in die tijd ook nummer 44 her- of verbouwd. De bouw van de hoofdwacht in 1688 paste ook in de "upgrading" van de omgeving en tenslotte werd in dat jaar de voortzetting van de Ee ten dele overkruind. Na de nieuwbouw van het stadhuis in 1715 werd een groter deel bestraat en is de totstandkoming van het grote brugplein, voortaan als Raadhuis- of Hofplein aangeduid, een feit. In 1827 werd ook voor nummer 44 de gracht bevloerd, zodat het bestaande plein nog weer aanzienlijk in omvang toenam. Men noemde dit stuk echter geen Hofplein meer, maar Gouverneursplein.

Voor zover valt na te gaan, is de eerste eigenaar (en bewoner?) van het vroegere huis op deze plek een zekere Pieter Buygers; hoogstwaarschijnlijk verwant aan het grietmansgeslacht van Buygers. In 1602 komt zijn naam voor in een hypotheekakte als naastlegger van de weduwe Aelcke Feytsma. Op 4 februari 1681 verkocht jhr. Petrus van Buigers, wonende te Kubaard, het huis aan Johannes van der Waeyen, professor te Franeker, voor 4.000 carolus gulden. De bewoner is dan echter Hendricus Wesselius met zijn gezin voor een jaarhuur van 176 carolus gulden. Johannes van de Waeyen droeg het huis in 1701 over aan zijn zoon Jacobus, dan onder andere grietman van Hemelummer Oldephert en Noordwolde. De verkoopwaarde was toen 11.000 gulden. Diens weduwe verkocht op 13 december 1743 haar huis, inclusief "behangsels, spiegels en schilderien in de schoorsteen", voor 13.500 carolus gulden aan Menno van Coehoorn van Scheltinga, grietman van Schoterland en kleinzoon van de beroemde Menno van Coehoorn. Na het kinderloos overlijden van het echtpaar van Scheltinga kwam het pand in handen van neef Martinus van Scheltinga. In 1799 raakte het huis in bezit van de aanverwante familie van Haersma. Onder andere de oud-grietman van Smallingerland en vurig oranje-aanhanger Hector Livius van Haersma woonde er enkele jaren. Bij het uitsterven van dit geslacht vererfden alle bezittingen aan Geertruid de Wendt, echtgenote van M.P.D. baron van Sytzama. In 1827 werd het pand verkocht aan de provincie om voortaan dienst te doen als "hôtel van den heer gouverneur des konings in Friesland". J.A. baron van Zuylen van Nyevelt is de eerste die er gebruik van maakt en ook zijn opvolgers M.D.P. baron van Sytzama en jhr. mr. J.E. baron van Panhuys hebben er gewoond. In 1881 werd het kadaster in het huis gevestigd. Een conciërgeklerk bewoonde in de regel gedurende deze periode een deel van het gebouw.

In 1973 kiest het Kreativiteitscentrum voor deze plek. Tijdens de renovatie worden nog (lege) wijnflessen aangetroffen uit de tijd van de gouverneurs. Tien jaar later zou men de naam "blauwe stoep" herontdekken. Twee monumentale panden aan de Grote Hoogstraat behoren tegenwoordig eveneens tot het complex.


Eewal 50 en 52
De voorgevel van Eewal 52 is geschilderd. Daardoor is niet goed te zien dat hij geheel is opgetrokken uit natuursteen. Dat gebeurde in 1745 in opdracht van Georg Walcke, "kleermaker van Sijn Hoogheit den Heere Prince van Orange en Nassau".  De kleermaker liet de bekwame hofarchitect Anthony Coulon een ontwerp voor de gevel maken. De beeldhouwer Jacob Sijdses Bruinsma -bekend van het snijwerk aan het orgel in de Jacobijnerkerk- leverde het natuursteenwerk en het rijke beeldhouwwerk in de geveltop en aan de voordeur, waarin zelfs een gekroonde schaar werd aangebracht; "(-) want Walcke, door sijn titule van het hondje gebeten sijnde, wilde het prinselijk hebben". In de negentiende eeuw verdween alle ornamentwerk van de gevel, die een strak aanzien kreeg met door roeden in zessen verdeelde vensters en een gootlijst met blokjesfries. Die verbouwing geschiedde mogelijk kort na 1845 toen het huis in plaats van Elske van Scheltinga, de weduwe W.A. Cannegieter-Mebius tot bewoonster kreeg. Het huis is oorspronkelijk nieuw gebouwd omstreeks 1620, mogelijk voor de kistemaker Jan Reiners. Later werd het steeds bewoond door vooraanstaande burgers, ambachtslieden, een advocaat en ook, zo rond 1782, door de bekende geleerde Petrus Camper. Professor Camper, die hoogleraar in de wijsbegeerte, anatomie en chirurgie in Franeker, Amsterdam en Groningen en daarna voorzitter van de Raad van State is geweest, woonde sinds 1773 weer in Friesland op Klein Lankum bij Franeker. In Leeuwarden huurde hij Eewal 52 als tweede woning. Na de verkoop van dit huis aan rentmeester G.J. Voorda moest Camper uitzien naar een nieuw onderkomen. Hij  liet zijn oog vallen op het buurpand, nu Eewal 50. Aan een van de eigenaren, de bekende patriot Coert Lambertus van Beyma, schreef hij daartoe een brief, waarin de merkwaardigheden van het huis, dat tegenwoordig met nummer 52  verenig is, worden opgesomd. "Zedert dat ik huyzen heb leeren kennen, en eene grootte veelheid daarvan in verscheidene gewesten van het Noorden van Europa gezien hebbe, is er geen geweest, welkers zamenstelling, zonderlinge bouworde en wonderlijke kelders en souterrains mij meerder hebben doen verbaasd zijn dan het huys op Ewal, beroemd wegens zijn uythangbord, thans met alle zijne kamers, kelders en trappen voor de helft toebehorend aan Uwe WelEdelheid! Het menschelijk lighaam heeft zoo veele holligheden niet als er in dat gebouw worden gevonden; ook zou'd ik lang ten eynde van mijn Latijn geweest zijn, wanneer de bouw van ons lighaam zoo ongeregeld en zoo duyster ineen gewrocht was. Ik ben zeker, dat alle de beroemde architecten, van Vitruvius af tot Nootenboom toe, moeite zouden hebben om er eene goede chorographische en scenographische tekening van te leveren".  Uit de brief wordt tevens duidelijk dat zich in de gevel van Eewal 50 een gevelsteen bevond met daarin "De Orange Ewal", en bas reliëf in steen gebouwen en cierlijk verguld". Het pand is extra breed, wellicht ten koste van het er westelijk van staande huis Eewal 48. Een groot deel van de zeventiende eeuw werd het bewoond door leden van de familie van Marssum en in de achttiende eeuw onder anderen door de families Poutsma, Tholen en Coulon. Tussen 1840 en 1843 werd de advocaat en notaris C. Wiersma eigenaar. Misschien is hij de opdrachtgever geweest voor de modernisering naar de huidige gedaante. De statige empire-gevel is in elk geval op circa 1850 te dateren. De brede vensters hebben een roedenverdeling in zessen. De deuromlijsting is versierd met klassieke elementen zoals pilasters met kapitelen en een kroonlijst. Een dergelijke lijst sluit ook de gevel af. Na een recente verbouwing en inrichting tot horeca-etablissement (eerst La Spunta, nu Spinoza) hebben de verenigde panden Eewal 50 en 52 elk weer een gevelversiering gekregen: van elders afkomstige zeventiende-eeuwse gevelstene, respectievelijk met een gekroonde hamer en met een driemaster. In de gevel van Eewal 50 zijn boven de stoep de vensters van de kelder te zien. Deze kelder loopt, zoals ook die van andere huizen in de omgeving, door tot onder de straat tot de plaats waar tot 1884 de walmuren stonden van de in dat jaar gedempte gracht.


Eewal 54
De architect van het als woonhuis gebouwde Eewal 54 -zijn naam kennen we helaas niet- heeft nagedacht over z'n ontwerp. Bij een verhoudingsgewijs smalle en hoge gevel zoals deze ontstaat van de kijker af een bedrieglijk perspectivisch effect van versmallingen en verkorting. Dit 'natuurlijke' effect wordt hier verstrekt door een werkelijke verkorting: naar boven toe neemt de vensterhoogte telkens met enige baksteenlagen af en zelfs iets meer op de tweede dan op de eerste verdieping. Een staaltje van subtiel architectonisch vormgeven. Voor een negentiende-eeuws stadhuis is overigens wel een vrij gebruikelijke maat aangehouden van drie raamvakken breed en drie lagen hoog. Een precies bouwjaar is niet bekend. Het zal ergens tussen 1850 en 1860 liggen. Het in neo-classicistische trant ontworpen pand vertoont in verschillende opzichten stijlgelijkenis met het belendende brede huis ter linkerzijde dat uit 1862 dateert, maar moet in elk geval tocht even eerder zijn opgetrokken. Het pleistervak boven de doorgang naar een steeg tussen deze panden wordt namelijk bovenaan beëindigd door een lijst die een voortzetting vormt van de grote kroonlijst van nummer 56; links diende de ruimte op te vullen die in 1862 nog tussen beide resteerde.  In het pand zijn sinds een uitgebreide restauratie in 1989 een winkel en appartementen ondergebracht. Het gebouw staat op een hoge kelder waarvan de muur evenals de plint erboven is gepleisterd. De voorgevel is opgetrokken van mangaanbruine baksteen en zogeheten staand verband.. Het schoonmetselwerk wordt onderbroken door geprofileerde onderdorpellijsten en een kroonlijst van pleister, die de voorgevel evenwichtig horizontaal geleden. De kroonlijst heeft een extra versiering gekregen in de vorm van een fijn tandlijstje op de overgang van het vlakke gedeelte naar de uitstekende gootlijst. Daarboven staat een eenvoudige omlijste dakkajuit (het raam is aan het begin van onze eeuw vernieuw) voor een lage afgeknotte schildkap met blauw geglazuurde golfpannen. De muuropeningen zijn getoogd gesloten en hebben anderhalfsteens hoge, segmentvormige ontlastingsbogen. Van de vensters hadden vóór 1989 alleen die op de derde bouwlaag nog de originele roedenverdeling in zes ruiten en ook de deur was vervangen. Bij de restauratie is de oude raamdetaillering teruggebracht en ontving de entree weer een bij de stijl van het huis passende dubbele paneeldeur.


Eewal 56
Door de dubbele breedte en rijke geveldecoraties is het pand Eewal 56 een van de opvallendste elementen in de zuidelijke gevelwand van de Eewal. Het werd in 1876 gebouwd voor de medicus dr. Marcus Baart de la Faille. Architect was de bekende stadsbouwmeester van Leeuwarden. Thomas Romein, die vooral bekendheid heeft gekregen door zijn monumentale gebouwen in neoclassicistische stijl zoals het Paleis van Justitie in Leeuwarden, het gemeentehuis van Menaldum en kerkgebouwen in St. Jacobiparochie, Pietersbierum en Terband. In de tweede helft van de negentiende eeuw ontwierp hij gebouwen in eclectische of mengstijl, zoals het Leeuwarder Beursgebouw uit 1878-'80. Voor de decoratie van de gevel aan de Eewal 56 heeft hij zich vooral door de barok laten inspireren. Opvallende elementen zijn de consoles tegen de gootlijsten en de functieloze consoles onder de vensters Deze laatste zijn geplaatst tegen gepleisterde banden die de gevel een horizontaal accent geven. De pleisterversieringen die als 'wenkbrauwen' boven de vensters zijn aangebracht verlevendigen de gevel in hoge mate. Het fraaie ijzeren hek voor de stoep is gelukkig bewaard gebleven. Dubbelbrede panden (gebouwd op twee percelen) ontstonden in Leeuwarden met name in de achttiende eeuw en wel door samenvoeging van twee huizen, bijvoorbeeld Tweebaksmarkt 64, Nieuwestad 61 en Berlikumermarkt 17. Het perceel van Eewal 56 heeft altijd een dubbele breedte gehad. In 1619 is er sprake van "zeeckere ledige plaatze ofte erven gelegen in de strate lopende uut de Hoochstrate in de Minnemastrate". Het bouwterrein werd aanvankelijk gekocht voor de wezen van Hopman Arent Aerntsma, maar in 1622 is de bekende klokgieter Hans Falck van Neurenberg eigenaar geworden en hij heeft er in 1633 een huis laten oprichten. Zo woonde hij niet ver van zijn klokgieterij in de oude kerk van Nijhove tegenover de Jacobijnerkerk. Wat eerder, omstreeks 1628, was Aelcke Ockinga, weduwe van Ernst van Aylva, begonnen eigendommen te verwerven aan de zuidzijde van de Eewal en zij zou ook de woning van Hans Falck overnemen. Daarna komt het huis door vererving of verkoping achtereenvolgens in handen van leden van de Friese adellijke geslachten Camstra, Burmania en opnieuw Camstra, totdat in 1728 Catharina van Scheltinga, weduwe van Johannes Krack van Bouritius, zich voor 6515 goudguldens eigenaresse mag noemen. Inmiddels moeten diverse verbouwingen hebben plaatsgevonden. Die laatstgenoemde koop betrof een 'heerlijcke grootte huisinge, staende op de Orange Eewal (-) waerin zijn negen lamers, hebbende in 't voorhuis aen de regterhand een kamer met een houten vloer, met nieuw gouden leer behangen daerin een Italiaanse schoorsteen met een spiegelglas en schoorsteenstuck boven malkanderen geset in sware vergulden liste, daragter een kamer met een bedstede, nogh een agterkamer met nieuwe gouden leer behangen, (ter)sijde een vrije uytgangh in de steegh, ter slinckerhand over de kamer in't voorhuis een schoon(e) royale kaamer met een houten vloer, een behangsel van gedruckt linnen  insgelijcks met een nieuw gemaekte Italiaanse schoorsteen, spiegelglas, schoorsteenstuck en list alsvoren, daeragter een schoone keuken met een bedsteede, twee pompen met koperen kranen tot put en back met een watersteen, twee provisiekamers boven 't een en 't ander een schoone turffsolder, in't voorhuis een witte marmere vloer, en in de muir in't agterhuis een marmere lavoir met een koperen kraentie, boven de wel agterkamer aen de regterhand twee boven dooreganende kamers in de tuin uytsiende, beide met houten vloer en heerdsteden, een bijsijden de agterbovenkamer, een provisiekamer, drie bovenvoorkamers, waarvan twee aen de straet sijn uytsiende, een turffsolder en een schoone witte kleersolder en vlieringh, drie verwulfte kelders, twee uitlopende secreeten onder en boven, een schoone royale tuin met een frisse ligt, een paerdestal voor seven paerden, koetshuys in de Groote Hoogstraet uytgaende en een schoone put, sullende de behangsels in de koop der huysinge versmelten'. In de loop van de achttiende eeuw vererft het huis in de families Haersma en Altena. Het pand krijgt een zakelijke bestemming in 1855 als het gekocht wordt door de bekende boekdrukker en uitgever Lambartus Schierbeek. Na de herbouw naar ontwerp van Thomas Romein in 1876 bewoont de familie Baart de la Faille het nieuwe huis tot 1896, wanneer de boekbinder Carel Benjamin Bretschneider het als woning en bedrijfspand in gebruik neemt. Van 1907 tot 1921 is het woning en kantoor voor notaris Siebren Boltjes en dan tot 1929 winkel van pianohandelaar J.J. Sijses. Lange tijd, tot 1973, doet het monumentale pand dienst als kantoor van de Raad van Arbeid. Antiquariaat Dijkstra vestigt er zich daarna en tenslotte komt het in gebruik bij de Muziekpedagogische Academie/Conservatorium. Sinds 1990 staat het pand leeg.


Eewal 58
Eewal 58 werd tegelijk met zijn buren aan de oostzijde gebouwd en de eerste helft van de zeventiende eeuw. Oorspronkelijk  waren ze naar alle waarschijnlijkheid voorzien van een trapgevel. In dit huis is nog duidelijk de zeventiende-eeuwse structuur te herkennen van een voorhuis, verdiepte binnenhaard en een insteekverdieping. Dit type woonhuis werd in het begin van de zeventiende eeuw zeer veel gebouwd in het noorden en westen van het land. In de tweede helft van de zestiende eeuw was het gebruikelijk geworden om de binnenhaard, waar zich de keuken/kelder bevond, iets verdiept in de grond te leggen om zo een royale insteekkamer te verkrijgen. De insteek boven de binnenhaard was oorspronkelijk niet veel meer dan een slaapkamer of bergruimte, doch geleidelijk won deze ruimte aan betekenis. Ondanks het dieper liggen van de binnenhaard bleef er onvoldoende ruimte over om de insteekkamer erboven uit te laten groeien tot een belangrijk vertrek. Een verdere verhoging kon gevonden worden door het woonhuis hoger te maken. Een verhoudingsgewijs hoog voorhuis betekent echter ruimteverlies. Bij Eewal 58 is om meer ruimte te winnen de insteekverdieping boven het voorhuis uit komen steken, waardoor ook op de verdieping een niveauverschil is ontstaan. Langs de binnenhaard loopt een gang, die waarschijnlijk leidde naar het achterhuis. Op de scheiding van voorhuis en binnenhaard staat een spiltrap. Op de verdieping bevindt zich aan de voorzijde het grote ontvangstvertrek, dat is voorzien van een fraaie stookplaats. De rest van de verdieping werd vermoedelijk gebruikt als een soort zolderruimte en heeft dan ook geen stookplaats. De zolder had in het zeventiende-eeuwse woonhuis weinig betekenis en werd benut voor opslag. De huidige kap dateert uit de jaren-dertig van deze eeuw.


Eewal 60
Zoals de meeste panden is ook Eewal 60 in de loop der tijd niet aan moderniseringen  ontkomen. Zo heeft de geveltop tegen een zadeldak rond 1800 plaatsgemaakt voor een kroonlijst en een voorschild en de vensters zijn vergroot en van een grovere roedenverdeling voorzien. Tocht heeft het front sinds het bouwjaar 1619 de regelmatige geleding min of meer behouden: de muuropeningen zitten nog op de oorspronkelijke plek onder ontlastingsbogen.


Eewal 66
De dronkemansgevel van Leeuwarden, zo zou de voorgevel genoemd kunnen worden van het pand op de westelijke hoek van de Eewal en de Minnemastraat. Geen raam, deur of lijst lijkt meer recht ten opzichte van een ander te zitten. Gelukkig heeft men bij de ingrijpende restauratie in 1978-'80 niet geprobeerd deze, in elk geval mede door verzakkingen veroorzaakte, toestand te corrigeren. De schots-en-scheefheid is al bijna een kwaliteit op zich geworden. Dit monument is in aanleg een vroeg-zeventiende-eeuws woonhuis. Het zal, nauwkeuriger, zijn gebouwd omsteeks 1620 of in elk geval niet lang nadat in juni 1619 de rooiing en verdeling in kavels had plaatsgevonden van de grondstrook tussen de Grote Hoogstraat en de Minnemastraat. Helaas ging de jaarsteen in de voorgevel verloren; slechts twee stenen met "Anno" en "Domini" resteren op de verdieping. Omdat het huis in 1628 voor de eerste keer in de verkoop was eb van een zekere Jan Willemszoon Dicky overging in de handen van de advocaat Nicolaus Nicolai, mogen we aannemen dat de eerstgenoemde (of eventueel diens vader) ook de opdrachtgever is geweest. Wat het uiterlijk betreft gaan karakteristieken uit de oudste bouwperiode nu samen met elementen uit de achttiende eeuw, het resultaat van meermalen verbouwen. Desondanks is nog wel enige voorstelling te maken van het oorspronkelijke pand. Aan de voorzijde hebben op de begane grond, recht onder de nog zichtbare fragmenten van ontlastingsbogen, twee muuropeningen gezeten. Bovendien heeft de gevel een top gehad, wellicht in de vorm van een tuit. De zandstenen hoekblokken en een enkele speklaag verlevendigden ook toen al het metselwerk, evenals de zandstenen waterlijst, de reeks knopankers en de sluitsteen met een vrouwenkopje aan de Minnemastraat. In het laatste kwart van de achttiende eeuw verdween die top. Het zadeldak werd met een voorschild afgeschuind, hierop kwam een classicistische kajuit met een tandlijstje onder een bekronend driehoekig fronton te staan en het muurwerk ontving ter beëindiging een geprofileerde kroonlijst met klossen. De zesruitsschuifvensters op de tweede laag kunnen uit dezelfde verbouwfase dateren, terwijl de drie schuifvensters in de hoofd- en de zijgevel met een roedenverdeling in twaalf ruitjes weer wat eerder in  die eeuw zijn geplaatst. Het huis laat zich lezen als een kleine staalkaart van ontwikkelingen in de woonhuisarchitectuur. Binnen kan de authentieke (of eigenlijk teruggerestaureerde) structuur van een  voorhuis, verdiepte keuken en insteek worden gevonden. Vooraan was een gedeelte waarschijnlijk afgeschot tot een woonvertrek. Tegen de oostmuur langs de Minnemastraat heeft een schouw gestaan - een onderbreking in de vloerbalken van de verdieping verraadt nog de precieze plek. Daarachter ligt half in en half boven de grond de keuken, terwijl de erboven gelegen insteek weer als woonruimte diende. Onder het voorhuis bevindt zich tenslotte een royale kelder met een plavuizenvloer, die tot ongeveer 1.20 meter onder de straat doorloopt. In de keuken is tegen de Minnemastraat-muur vermoedelijk een wasbekken bevestigd, uit zandsteen gehouwen en met een vierkant bovenaanzicht en een diepe ronde uitholling.


Minnemastraat 45
De Minnemastraat verbindt vanouds de Eewal met de Voorstreek. Het straatje voert over de zuidelijke Nijehoveterp en stijgt vanaf de Eewal licht. Bijna op het hoogste punt staat het pand Minnemastraat 45. Het pand is in vorm en functie een bijzonder element in het straatje, dat nog steeds de naargeestige sporen van de stadssaneringsdrift in de omgeving van de Eewal draagt.

Het pand bestaat uit een voor- en achterhuis met een diep en groot achterterrein. Noklijn van voor- en achterhuis lopend parallel aan de rooilijn. Vanouds kenden beide huizen een zadeldak, thans alleen nog het achterhuis aan de noordzijde. Omstreeks 1800 werd het pand ingrijpend verbouwd in Louis-XVI-stijl. Vooral in het interieur zijn hiervan nog kenmerkende sporen te vinden. Bij de verbouwing kreeg het voorhuis haar schilddak met hoekschoorstenen en borden. Aan de buitenzijde zijn de sporen verder af te zien aan de vijf brede raamtraveeën, de geblokte kroonlijst en de subtiele deurpartij in de middelste travee. Voor de omlijste dubbele deur in de ingangspartij bevindt zich een drie treden hoge natuurstenen trap. De deuromlijsting eindigt in een sobere kroonlijst. ook de deurvleugels zijn sober uitgevoerd, maar deurnaald en kalf zijn fraai gedecoreerd  met bladmotief en kraallijst. Mogelijk zette deze versiering zich vroeger voort in het bovenlicht dat thans echter nog enkel uit glas bestaat. Behalve door de kroonlijst boven de deur kreeg de middelste travee in de gevel naar boven toe nog extra accenten door het uitspringende smeedijzeren raamhek en de dakkapel met eenvoudig fronton en wangen. De gesmede hekjes voor de ramen op de bovenverdieping en de bepleistering van de gevel zijn van later datum. De aan de onderzijde zwaar uitzakkende muur verraadt de hoge ouderdom van de gevel achter de pleisterlaag.

In de negentiende eeuw was het pand lange tijd de zomerwoning van de familie Van Wageningen op Dekemastate in Jelsum. In de tweede helft van deze eeuw lieten de Van Wageningens voor het aangenaam verpozen in hun stadstuin een prachtig prieeltje bouwen dat nog steeds aanwezig is. Het prieeltje sluit aan bij een bijzondere keuken met grote (ijs)kelder achter het huis. Het heeft een veranda met overstekende kap op gietijzeren stijlen verlevendigd met siersmeedwerk. Tegenwoordig zijn keuken, kelder en prieel geheel opgenomen in de opstallen van de lijkkistenfabriek die er aan het begin van de twintigste eeuw werd gevestigd Voor fabrieksdoeleinden verdween de tuin zo goed als geheel. Trapjes tussen de verschillende opstallen van de fabriek overwinnen in westwaartse richting de oplopende terphoogte. Onlangs werd de fabriek gesloten. Daarmee verloor de binnenstad een vorm van kleinschalige bedrijvigheid. Het is echter de vraag of men dat voor dit pand met een groot achterterrein op deze plaats als een verlies of winst voor de binnenstad moet aanmerken.


Eewal 76. Een huis op de Minnemahof
Het woonhuis Eewal 76 is niet alleen bijzonder vanwege de uitbundig omlijste voordeur. ook erachter valt genoeg te beleven. In 1610 verzocht Schelte van Aebinga namens de eigenaar ban de Minnemastins het stadsbestuur om medewerking voor zijn plan om het noordwestelijke deel van de Minnemahof ter bebouwing te verkopen. Binnen een jaar waren de bouwactiviteiten in volle gang. In de achtergevel van het huis bevinden zich, helaas bedekt door pleister, twee sluitsteentjes waarin "Anno 1611" gebeiteld is; de gevelsteen bij de buren (nr. 78) heft hetzelfde jaartal. Het lijkt zelfs of het gemeentebestuur enigszins overrompeld is, want in 1613 moest met de nieuwe eigenaren onderhandeld worden over de aanleg van een straat voor de huizen langs, over de grond van de eigenaren die tot aan de gracht doorliep. De bouwheer van Eewal 76 was Pibo Gualteri. Deze werd omstreeks 1580 te Franeker geboren en studeerde landmeetkunde, wiskunde, sterrenkunde en talen aan de Franeker universiteit. In 1603 trouwde Gualteri in Leeuwarden waar hij klerk van de Rentmeester-generaal van Friesland werd. Hij moet een uitermate kunstzinnig en kundig iemand geweest zijn. Het Fries Museum bezit een door het in 1600 gemaakt astrolabium (een tijdsinstrument dat met de stand van de sterren werkt), dat getuigt van groot artistiek en astronomisch vakmanschap. Doordat zijn vrouw Trijntje in 1618 overleed en hij kort daarop weer in ondertrouw ging werd er een beschrijving en taxatie gemaakt van alle voorwerpen in de woning. Zo kennen we de toenmalige indeling en aankleding. Door de voordeur, die toen in het midden zat, stapte je in het voorhuis. Daar stonden vrij eenvoudige meubels, drie banken, wat stoelen en een grote zwarte kist met ijzer beslagen. Maar vooral hing er een rijkdom aan schilderijen: twee portretten van 'Us Heit', een van Hendrik Casimir, een Maria-voorstelling, een reidans met een onderstaande Latijnse spreuk, een afbeelding van Vrouwe Justitia, liefst zeven landschappen, een portret van Hendrik IV, een bloemstilleven, een 'Wijnsuyper' in een eikenhouten lijst en ook een wereldkaart. Verder was er een reclamebord 'Bij den Landmeter' en een beeld van Hercules te zien, en hingen er een spiegel in een gouden lijst, een kooi met een kanariepietje en een koperen klokje. In de achter dit goed gevulde vertrek gesitueerde kamer bevonden zich veel meubels waaronder een kast vol zilverwerk, opnieuw schilderijen, kleine muziekinstrumenten en wat wapentuig. De keuken lag aan de andere kant van een plaats. Boven in het voorhuis lagen twee kleien kamers met uitzicht op straat en daarachter het zaal. Dit was het meest representatieve vertrek met veel schilderijen, beelden, dure meubels en een klavecimbel Boven de keuken bevond zich tenslotte het 'studoir' met meer dan duizend boeken. Eeuwenlang heeft het thuis voorname bewoners gekend. Na Pibo Gualteri onder anderen een notaris, de privé-secretaris van een stadhouder (Philippus Ernest Vegelin van Claarbergen), een adellijke dame en van 1695 tot 1800 leden van de familie Siccama die advocaat waren of zitting in het stadsbestuur hadden. Een van hen, waarschijnlijk de advocaat mr. Abelus Siccama, heeft het huis laten verbouwen naar de mode van z'n tijd: met een voorname ingangspartij aan de zijkant en daarachter een marmeren gang. Misschien zijn in die tijd ook de vensters  van het achterhuis vergroot. In 1801 kwam het pand in bezit van Antoon van Assen, in stukken genoemd als tailleur koopman of gewoon kleermaker; hij moet in elk geval een flink atelier of een forse winkel bezeten hebben. Zoon Frans erfde het huis rond 1830. In 1843 is het zaal opgeknapt. Met enige zelfspot schreven de timmerlieden op een verborgen plekje: 'Van Heeren Veen vandaan Jan Hagel verbouwd in 1843 den 20 Maart deze kast opgemaakt'. Na Frans viel het pand toe aan diens dochter Maria, gehuwd met notaris Jacob van Leeuwen. Net afgestudeerd als jurist mocht hun zoon zich in 1885 de volgende eigenaar noemen. Hij liet het huis grondig opknappen waardoor het de huidige, typisch laat-negentiende-eeuwse sfeer heeft gekregen. Sindsdien rust er bovendien een zegen op: 'Deze Kamer in orde gemaakt september 1885 voor den Z. Weled. gestr. Heer Mr. J. v. Leeuwen ter gelegenheid van het huwelijk met MejufVro. v. Valkenburg door J.J.M.A. Büller, Mr. behanger en stoffeerder, timmerman H. Postma, verw.v. Dijk, stucadoors Lieuwersma en H. Riedhout. De zegen ruste in dit huis door de goede behandelingen ondervonden bij alle werkzaamheden', aldus staat op een kastpaneel te lezen. In 1919 werd het pand betrokken door Jan Johan Gramser, die de huur overnam van een notaris, en vijf jaar later kon hij het op een veiling kopen. Door het in 1929 te verhuren aan David Flud van Giffen, zou het voor de vierde keer onderkomen voor een notaris worden. Een halve eeuw lang hielden er nu bekende notarissen kantoor en het pand werd langzamerhand volledig voor die bestemming verbouwd. Nadat in 1978 notaris Adema verhuidse, kon de huidige eigenaar Eewal 76 verwerven. In een soort tienjarenplan is het huis inmiddels teruggebracht tot wat het in 1611 was: een bedrijf beneden en een riante woning boven.


Eewal 78
Het pand Eewal 78 maakt deel uit van een rij huizen die gebouwd zijn op de plaats van de tuinmuur achter het voormalige Minnemahuis (later Hotel 'De Nieuwe Doelen') aan de Voorstreek. De tuin van dit stadshuis van voorname families zoals de Minnema's, strekte zich uit tot de Eewal. Op de plattegrond van Johannes Sems uit 1603 ziet men de tuinmuur met in de oosthoek een torentje afgebeeld. In 1610 besloot de eigenaar van het Minnemahuis tot het verkavelen van een deel van zijn hof. Hij vroeg toestemming van het stadsbestuur voor de bouw van 12 huizen aan de Eewal en de Minnemastraat. Op een van deze percelen is het huis van leidekker  Dirck Alles gebouwd. Zijn zoon Alle Dircks, ook leidekker, kocht in 1611 'een seeckere ledige plaets, omme met een huijs te bebouwen' van Sicke van Liauckama. De prijs bedroeg 392 goudguldens. In datzelfde jaar was de bouw al ver gevorderd, want er werd een gevelsteen geplaatst waarop een leihamer is afgebeeld. ook het bouwjaar en de naam van de bouwheer Dirck Alles zijn in de steen gebeiteld. Hij stierf er in 1624; zijn zoon was reeds eerder, in 1620, in z'n huis 'in de leijhamer' aan het Blokhuisplein 18 overleden. Dirck Alles bezat nog een pand, nummer 60 aan de Eewal. Uit de boedelinventaris bij zijn dood blijkt dat hij als leidekker bij het herstellen en restaureren van verschillende kerken en huizen in Friesland betrokken was. Het huis vererfde op zijn schoondochter Jancke Henricxs  Schellingsdochter en twee kleinkinderen. Vermoedelijk heeft de familie het huis verkocht. Omstreeks 1720 was juffrouw Heemsterhuis en circa 1740 kapitein-luitenant Ter Ville eigenaar van Eewal 78, Aan het eind van de achttiende eeuw bezat de schepen Louis le Maire het huis dat in de koopakte een 'magnifique plaisieringe huizinge' wordt genoemd. Na eigenaresse Louisa Sontag kwam in het bezit van koopman en kleermaker Anthony van Assen die er tot z'n dood in 1831 heeft gewoond. Zijn vrouw Wytske Borgrink overleed in het huis in 1850. In 1873 bezat F.K. Bokma en vervolgens deurwaarder Rintje de Haan het pand. In onze eeuw wisselde het verschillende keren van eigenaar, totdat in 1953 de familie Mink er ging wonen. Zij kochten het pand van Dina Ida Hemmes te Delfzijl, vestigden er een klokkenhandel en lieten het restaureren. Sindsdien is het bezit van dezelfde familie gebleven Het zeventiende-eeuwse pand telt twee bouwlagen en is twee traveeën breed. In de gevel zijn de ontlastingsborden met negblokken uit die eeuw evenals de gevelsteen te zien. Oorspronkelijk zal het een topgevel hebben bezeten, maar die is tijdens een latere verbouwing aan het eind van de achttiende eeuw verwijderd en overeenkomstig de heersende mode gewijzigd in de huidige lijstgevel met geblokte kroonlijst. Later werd de gevel bepleisterd maar na de jongste restauratie in 1982 is deze in oude glorie hersteld. Het interieur heeft nog de oude indeling met insteek (tussenverdieping). Op de begane grond is een voorkamer (voorheen de winkel) en de gang ernaast. Achter is een keuken met schouw, bedstee en kast waarin het oude balkenplafond en de stenen vloer nog zichtbaar zijn. uit de gang kan men via de spiltrap de tussen- en de eerste verdieping bereiken. De insteek bevat de pronkkamer met twee vensters naar de nu volgebouwde plaats, waarin naast de oude balken een schouw, een bedstee en een kast te vinden zijn. Onder de trap bevindt zich de oude kelder. De eerste verdieping had oorspronkelijk twee slaapkamers en bedsteden maar deze werden in 1953 geheel gemoderniseerd. Hierboven ligt de zolder, voorzien van een uitgebouwde dakkapel. Behalve de oude betimmering in de woonkamer is de (niet oorspronkelijke) schoorsteen in de 'winkel' naast de gang het noemen waard. De schoorsteenboezem is fraai betimmerd in Lodewijk XIV-stijl (ca. 1785) en versierd met guirlandes en een medaillon. Zij bevat een oliedruk met de afbeelding van een romantisch ruïnelandschap. De gepolychromeerde tegels uit ca. 1625 zijn Noord-Nederlands.  Het pand van Dirck Alles kan een sieraad voor de Eewal genoemd worden.


Eewal 80

Van de talrijke trapgevels die eeuwenlang het stadsbeeld hebben gedomineerd resteren slechts weinige. Eewal 80 heeft nog een getrapte top met gesmede muurankers, zandstenen maskertjes en een bekronend pinakeltje op een gebeeldhouwde kraagsteen met een Medusakop. Het is trouwens niet onwaarschijnlijk dat de top vroeger even hoger is geweest.


Eewal 84

Het huis op nummer 84 is een van de allerjongste elementen op de Eewal, vormgegeven op de kenmerkende architectonische wijze van direct na de eeuwwisseling. Art Nouveau, Jugendstil en andere varianten komen nauwelijks in stijlzuivere vorm voor in Nederland. Wel zijn trekken ervan terug te vinden in wat we gemakshalve vernieuwingsstijl noemen. In dit woonpand is nu ook een galerie gevestigd.


Eewal 86. Een buitengewoon pakhuis

Leeuwarden is rijk geweest aan pakhuizen. De meeste dienden voor de opslag van agrarische of zuivelproducten, voornamelijk graan en kaas. In verband met de aan- en afvoer van goederen per schip stonden ze bij voorkeur aan het water: Weaze, Vliet, Hoekstersingel en Camstraburen, Willemskade en Westerkade bijvoorbeeld. Hoewel veel van deze pakhuizen inmiddels zijn gesloopt, kunne  her en der nog wel exemplaren worden aangetroffen. Het pakhuis op nummer 86 vormt in meer dan een opzicht een uitzondering op de regel. Het verrees zo omstreeks 1895. De waterloop was toen al jaren gedempt en schepen hebben er hun lading nooit voor de deur kunnen lossen. Bovendien heeft het voor de opslag van uitheemse waar gediend: thee, aangevoerd van ver overzee. Dit luxe-aspect is door de Leeuwarder architect Hendrik Kramer tot uitdrukking gebracht in een voor een pakhuis ongewoon gedetailleerde voorgevel in een vooral naar de neo-renaissance neigende stijl. Opdrachtgever R. Dijkstra, theehandelaar, zal er flink voor in de buidel hebben getast.

Het pakhuis heeft een vierhoekige en scheluwe grondslag. Het telt met inbegrip van de hoge zolderverdieping maar liefst vijf bouwlagen onder een zadeldak waarop bijzondere zeshoekige, rode keramische leien liggen. De voorgevel meet drie ongelijke raamvlakken in de breedte en is verticaal geleed door de raamvlakken samen te vatten in nissen die in de iets uitkragende, getrapte geveltop rondbogig zijn gesloten. Boven de begane grond vormt een hardstenen cordonlijst de horizontale scheiding met de overige bouwlagen. Het muurwerk heeft bij de plint een hardstenen beplanting en is gemetseld van roodbruine perssteen, een veel gebruikt bouwmateriaal rond de eeuwwisseling. Het metselwerk wordt verlevendigd door gesmede muurankers in sierlijke vernieuwingsstijl-vormen. Zorg is ook besteed aan de geveltop waarvan de treden zijn afgedekt door waterafzaten van geglazuurde keramische steen. De fraaie bekroning vormt een overhoekse pinakel, die steunt op een met een masker versierde kraagsteen (tevens sluitsteen met diamantkop), geflankeerd wordt door in volreliëf gebeeldhouwde dolfijnen en een val draagt. Een vergelijkbare decoratieve kwaliteit bezitten de muuropeningen. Tot aan de zolderverdieping zijn alle grote lichtscheppingen en de (nu deels door ramen vervangen) dubbele pakhuisdeuren rechtgesloten. Ze hebben onderdorpels van hardsteen of van groen geglazuurde baksteen in afzaatvorm en segmentvormige ontlastingsbogen met trommels in gevarieerd metselmozaïek. Op de zolderverdieping treedt het licht binnen door muuropeningen die in hun vorm de ronde nissluitingen volgen. In de muurdammen tussen de nissen zijn tenslotte spleetvormige venstertjes met verdiept siersmeedwerk aangebracht. Naast de brede dubbele bedrijfsdeur op de begane grond bevinden zich console-achtige elementen (restanten van een uitbouw?) waaruit gnoommaskers zijn gebeiteld.

Het voormalige theepakhuis vormt een van de jongere elementen aan de Eewal. Dat neemt niet weg dat het door de architectonische kwaliteit en het gedifferentieerde materiaalgebruik minstens zo boeit als de vele omringende panden, die door hun veel hogere leeftijd al belangstelling en een goed gevoel van nostalgie oproepen. Sinds enige tijd zijn in het gebouw een viertal instellingen en organisaties als de Stichting Alde Fryske Tsjerken en de Federatie van Friese Musea gehuisvest.


Eewal 88
Het pakhuis Eewal 88 contrasteert scherp met de westerbuur. Zo verwacht men dat een pakhuisgevel er ongeveer uitziet: eenvoudig functioneel, met als enige decoratieve toevoegingen en in gele steen gemetselde sluitingen rond de vensters, de hardstenen schoudertjes en het bekronende tuitje.


Eewal 90
Dit royale en rijk versierde winkelhuis uit 1882 wordt wel toegeschreven aan de Leeuwarder architect Jurjen Bruns. De decoratieve winkelpui, kroonlijsten gedragen door gevarieerde consoles met bladmotief, geprofileerde raamomlijstingen met kuifstukken en cartouches, het dakvoorschild met een geschubde leidekking en de gemetselde kajuit: aan alles is veel zorg besteed. Het nog vrijwel gave pand is een goed voorbeeld van het laat-negentiende-eeuwse eclecticisme in de architectuur waarbij elementen uit verschillende historische bouwstijlen werden vermengd.


Eewal 92
Eewal 92 staat wat benepen tussen forse negentiende-eeuwse buren. Het huis heeft een bescheiden gevel met een geblokte kroonlijst uit de late achttiende eeuw. De verrassing is het rijk gesneden licht boven de deur. Aan een gebogen koord tussen charmant loofwerk hangen een klein ankertje en daaronder navigatie-instrumenten zoals een passer en een schietlood Was de bouwheer zeevarend?


Hoek Eewal en Wortelhaven. Voormalig postkantoor
Eeuwenlang heeft de graanbeurs grotendeels in de open lucht aan het begin van de Voorstreek-westzijde en de Wortelhaven-zuidzijde plaatsgevonden. In de achttiende eeuw uitten de graanhandelaren al de wens dat er een beursgebouw zou moeten komen. Het heeft ongeveer een eeuw geduurd tot de bouw van de Beurs aan de Wirdumerdijk in 1878 aanving. Daarvóór waren de handelaren al naar Zalen van der Wielen in de Breedstraat vertrokken. In 1869, nog ruim voor de demping van de grachtenreeks van Wortelhaven, Eewal en Heerenwaltje, kocht het Rijk de aan de Wortelhaven staande, inmiddels verlaten hulpbeurs, de winkel 'De Gouden Leeuw' op de hoek en een belendend huis aan de Eewal. Het Ministerie van Waterstaat, Handel en Nijverheid was van plan op die hoek een post- en telegraafkantoor te stichten. Dat was iets volkomen nieuws voor de Leeuwarders. Ze waren gewend brieven en telegrammen met de postbesteller mee te geven of naar de woning van de postdirecteur te brengen. Zo wisselde het centrale postadres nogal eens. Er kon op een breed, maar ondiep kavel gebouwd worden. Om alle gewenste ruimten plaats te geven, moest architect Herman Rudolf Stoett (een plaatselijk bouwmeester; spoedig hierop zou tijdens de bouwhausse van postkantoor een rijksbouwmeester ingeschakeld worden, i.c. de in Sneek opgeleide en in Bolsward gewerkt hebbende C.H. Peters) wel de hoogte in. Het postkantoor kreeg een voor Leeuwarden ongebruikelijke rijzigheid, een hoogte die nog meer dan nu opgevallen moet zijn, omdat de gracht nog niet gedempt was. Op een hoog souterrain kwam een hoge belétage, een hoge verdieping en een enigszins gedrukte tweede verdieping. De aanbesteding had op 11 maart 1870 plaats.

Uit berichten in kranten van toen valt op te maken dat het eigenlijke postkantoor beneden was, evenals het kantoor waar telegrammen aangeboden konden worden en de wachtkamer voor het publiek. De seinzaal van de telegraafdienst lag op de tweede bouwlaag. De postsorteerruimte en andere functionele gebruiksruimten waren in het souterrain ondergebracht. De woning van de postdirecteur kwam ook in de kantoorkolos en zo raakten de verhoudingen omgekeerd. Hij kreeg nu een royale woning op de hoek van de Eewal. Op de belétage kwamen hal en salon, op de verdieping kreeg hij meer ruimten en op de tweede verdieping waren ook nog enige slaapkamers te vinden. De woning kreeg een eigen entree aan de Eewal. Het hele souterrain is met hardsteen bekleed. Centraal kwam daar een dubbele trapverdieping met deurpui, een eigen entree voor het personeel. De belétage met rondboogvensters is geheel geblokt gepleisterd afgewerkt. De middenpartij met brede, meerledige vensters is tot de kroonlijst over de hele hoogte gepleisterd. Het overige muurwerk vertoont 'schoon werk' (metselwerk) met gesneden voegjes. De verdiepingvensters zijn rechthoekig en ontvingen omlijstingen met kroonlijstjes op consoles aan de bovenzijde en onderdorpels met consoles De kroonlijst en geprofileerde goot zijn decoratief versierd en maskeren op ooghoogte vanaf de straat bijna geheel de lage, afgeknotte kap. Nadat in 1905 al een nieuw postkantoor aan de Tweebaksmarkt geopend was, heeft de kantoorkolos nog gediend voor allerlei rijksfuncties. Er is in de jaren die volgden nogal wat afgeknoeid met het pand, vooral inwendig. Het trappenhuis aan de zuidoostkant met lambriseringen van blauwe ornamenttegels en fraai gesneden trapleuningen en balusters is op enkele plaatsen verdwenen, maar er zijn nog gedeelten in originele staat. Overigens is er binnen weinig oorspronkelijks meer over.


Eewal 71 en 73
In de twee rijksmonumenten Eewal 71 en 73 is een hotel-café gevestigd. Aan het linkerpand, dat uit de zeer vroege negentiende eeuw zal dateren, valt vooral de fraaie ingangspartij op: stevig omlijst door Ionische plasters waarop een forse architraaf met een fijn tandlijstje ligt. Van het rechterpad springen de afgeronde bovenhoeken van de vermoedelijk achttiende-eeuwse vensters in het oog. Is de  (enigszins storende) roedenverdeling uit een latere periode, ook de vensters moeten een modernisering zijn, want de grote ontlastingsboog in de borstwering tussen de eerste en de tweede bouwlaag duidt op een veel hogere ouderdom van de gevel.


Eewal 67. De Barbier
'De Barbier' aan de Eewal 67 bezit een van de fraaiste winkelpuien van de stad. De zaak werd er na nieuwbouw in 1892 gevestigd door kapper Chr. W. Habekotteé die eerst een kapperswinkel aan het Gouverneursplein had. Na een lange periode in zijn  oorspronkelijke functie gebruikt te zijn, heeft het winkelpand vervolgens voor allerlei andere doeleinden gediend. Een jaar of twintig geleden zag het er desolaat uit; zo rond 1970 leek het met de hele Eewal bergafwaarts te gaan. Mar in 1977 kochten de gebroeders Wielinga het fraaie gebouw om er een kapperszaak te vestigen en daarmee een traditie te herstellen. Het is niet bekend wie in 1892 verantwoordelijk was voor de architectuur van de kapperszaak. Er is wel eens het vermoeden geuit dat stadsbouwmeester Thomas Romein het moet zijn geweest, maar die is in 1881 overleden. Het meest waarschijnlijk is dat Jurjen Bruns (1841-1904) het gebouw ontworpen heeft, omdat het overeenkomsten vertoont met winkelpanden die zeker van hem zijn. Het pand heeft een gebruikelijke indeling. Bijzonder is wel de met leien gedekte schildkap, voorzien van een forse4 dakkajuit. De kajuit met pilasters aan de zijkanten, zwaar geprofileerde kroonlijst decoratieve detaillering lijkt een herhaling van de mooie pui. Ook metselwerk en kroonlijst zijn met negblokken, sluitstenen, geprofileerde lijstjes en consoles en metselmozaïek decoratief van aanpak. De pui vormt het pronkje van het pand. Op het basement van hardsteenplaten staan geproefde pilasters die de driedeling vormen van winkelvenster en flankerende deuren met bovenlichten (de rechterdeur is van later; hier zat een venster). Ter hoogte van de bovendorpels van de deuren (ze heten kalven) eindigen de pilasters niet in gebruikelijke kapitelen (mandjes van krullen of loofwerk) maar in grote klossen, consoles die de basis vormen van ronde, versierde zuiltjes die de bovenlichten flankeren en de kroonlijst van de pui ondersteunen. Die kroonlijst is met veel lijstwerk versierd. In de drie vakken zaten oorspronkelijk tekstplaten van glas met 'Toiletartikelen', 'Dames & Heeren Salons' en 'Haarwerken'. De platen zijn lang geleden verdwenen, ver voordat de Wielinga's er "De Barbier' vestigden. Er ontbrak nog meer: de consoles onder de zuiltjes hadden als beeldreclame koppen gekregen, die in 1977 alle ontbraken. De dameskoppen waren al lang weg, maar de herenkoppen waren kort voor de vestiging "De Barbier' gestolen; bijzonder sneu voor de Wielinga's die de kaptraditie in het pand gingen herstellen. Een tijd geleden kwamen de twee mannenkoppen, toen in Amsterdam een helersboeltje door de politie werd opgerold, weer boven water. De dieven hadden er keurig het adres opgezet en ze werden naar Leeuwarden gestuurd. De nieuwe eigenaars durfden uit vrees voor nieuwe diefstallen de koppen niet te herplaatsen. In 1987 is contact gezocht met stucadoorsbedrijf De Haan in Leeuwarden die van kunststof vier keurige replica's maakte. Ze zijn herplaatst en geschilderd: vier mannenkoppen, twee met baarden en twee met sikjes. De dameskoppen zullen misschien nooit meer terugkeren naar hun oude stek maar 'De Barbier' is ook een herenkapper. Met de kunststof kopieën is Leeuwarden kunststeden als Florence en Rome voor.


Eewal 65
Dit voormalige herenhuis valt op door zijn brede gevelfront en de bijzondere geaccentueerde ingangspartij. Het huis kent een scheluw grondvlak en vormt met het pand op nummer 63 een lichte knik in het rooilijnverloop van de noordelijke Eewal. Het werd aan het einde van de achttiende eeuw gebouwd op grond waarop tot dan het zogeheten Espelbachhuis stond. De Eewal heeft vanouds weinig voorname adellijke behuizingen gekend. Een ervan was echter het huis waarin omstreeks 1560 het Duitse geslacht Van Espelbach woonde, vermoedelijk een eenvoudige zaalstins op overwelfde kelders. Het stond twee huizen voorbij de Zuipsteeg en er hoorde een grote tuin bij met een stalling en wagenhuis die hun uitgang in de Speelmanstraat hadden. De tuin lag naast het huis aan de Eewal en was daarvan door een muur met poort gescheiden, zoals we op de meeste zeventiende-eeuwse stadsplattegronden kunnen waarnemen. Voor het huidige pand werd blijkens gedenksteen in de zijmuur van het achterhuis op 6 april 1793 de eerste steen gelegd door Rinso Siccama. Rinso was een oomzegger van de toenmalige eigenaar Doeke Ritskes Smeding. Smeding had het oude Espelbachhuis met tuin cum annexis kort daarvoor van de erfgenamen gekocht. Hij was eigenaar van de Leeuwarder Courant en kolonel van de Oranjegezinde Burgerwacht. Een respectabel burgerman, die een huis naar de eisen en wensen van zijn tijd en opkomende stand liet neerzetten. De oude zaalstins werd afgebroken en daarvoor in de plaats kwam. met bebouwing van de naastgelegen tuin, het huidige vijf raamtraveeën brede herenhuis. Met twee hoge bouwlagen en een schildkap werd het een huis waarin het zonlicht volop door de hoge schuiframen zou moeten kunnen binnenkomen. Cachet kreeg het huis vooral door het drie traveeën brede middenrisaliet waarin de ingangspartij op bijzondere wijze werd geornamenteerd. Smeding liet de omlijste dubbele deuren van een prachtig gesneden rondbogig bovenlicht voorzien. De deurpanelen zelf werden versierd met festoenen met hoornen des overvloeds. Elk paneel werd tevens voorzien van een leeuwenkop met ring. Een stevig accent kreeg de ingangspartij met de merkwaardige brede lijst met golfvormig vlechtwerk over de gehele breedte van het middenrisaliet. Dit motief treffen we in de stad alleen nog aan in de deurpanelen van het pand Weerd 18. De ramen op de begane grond van het middenrisaliet werden geaccentueerd door lange getriglyfeerde consoles.

Het pand heeft tot in het begin van onze eeuw zijn woonfunctie behouden. De laatste bewoonster overleed in 1914 waarna het pand niet meer tot woning gediend heeft. Korte tijd waren er plannen om het huis met tuin en opstallen tot in de Speelmanstraat in te richten tot volksbadhuis voor de omliggende buurten. Enige tijd later werd het huid echter gebruikt als koffiehuis. Nadien huisvestte het pand diverse bedrijven en kantoren zoals de Coöperatie 'Excelsior, een automaterialenmagazijn, de Kunstuitleen en tegenwoordig de Stichting Mensen zonder Werk. Door dit gebruik is in de loop der tijd veel van het, mogelijke rijke, interieur verloren gegaan. Tegenwoordig rest op het oog nog slechts de overigens zeer sobere trappartij.


Eewal 59. 'De Leeuwarder Onderlinge'
Schildjes met de verstrengelde letters A en F hoog in de gevel van het monumentale pand Eewal 59 verraden de oorspronkelijke bestemming. Het zijn sporen van de opdrachtgever die het neorenaissance gebouw in 1895 heeft laten bouwen: de Algemeene Friesche Levensverzekering Maatschappij, een van de basismaatschappijen van de huidige Aegon. De Algemeene Friesche bouwde het allereerste echte kantoorgebouw van Leeuwarden. Vele kantoren, juist die voor bank- en verzekeringssector, zouden nog volgen tot en met de poen-paleizen van Avéro en Aegon in onze tijd toe. Toen de Algemeene Friesche in 1915 naar het Burmaniahuis aan de Nieuwestad verhuisde, trok in het prachtige neorenaissancistische pand aan de Eewal de in 1850 opgerichte Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij. Deze 'Leeuwarder Onderlinge' liet bij de verbouwing dan ook het grote tegelfries tussen de verdiepingen vervangen. de symboliek van de levensverzekering bleef: Johan de Witt, Christiaan Huygens, J.H. van Swinden en R. Lobatto gevat in kransen van laurier en eik doen nu wat mal aan in en gebouw van een brandverzekeraar. Merkwaardig zijn ook de pelikanen van zandsteen die de trapgevels bekronen. De pelikaan zichzelf bloed uit de borst pikkend om zijn jongen te voeden is een oud Christus-symbool dat de levensverzekeraars hebben ingepikt. De Algemeene Friesche, een van de vroege maatschappijen van het land, is in 1844 opgericht. Er is aanvankelijk kantoor gehouden aan huis van de directeur, maar het ging het bedrijf in de eerste halve eeuw zo goed dat er in 1895 op de fundamenten en overwelfde kelders van het vm. Huygenshuis een nieuw kantoor van allure kon worden gebouwd. Architect was Hendrik Kramer die toentertijd in de kenmerkende overdadige neorenaissance-stijl bouwde. Het ging hoog uitrijzen boven de omringende bebouwing en werd zo heel bewust het pièce-de-milieu van de Eewal.

De overdaad van de neorenaissance begint meteen beneden. Achter een prachtig smeedijzeren hek (uitgevoerd door de befaamde Leeuwarder kunstsmid Jan Kroes, die ook het hekwerk voor het bovenlicht van de deurpartij maakte) en de hardstenen stoep, is voor het souterrain een plint van blokken hardsteen aangebracht. De onderste blokken hiervan zijn ruw behakt, zg. rustiek werk. Een fraaie trapstoep leidt naar de belétage met deurportiek. Boven het basement is het metselwerk bijzonder zorgvuldig uitgevoerd en voorzien van velerlei versieringen Van diverse soorten natuursteen zijn dorpelbanden, speklagen, negblokken naast en boven de ramen en boogtrommels in gevarieerde vorm uitgevoerd. De boogtrommels boven de verdiepingsvensters zijn het rijkst bedeeld met fraai rolwerk en mascarons en ook de geveltoppen zijn overdadig versierd. AL het beeldhouwwerk (inclusief de leeuwen, pelikanen en portretmedaillons) komt niet uit een gewoon nijverheidsatelier, maar uit de gespecialiseerde beeldhouwfabriek van Van den Bossche & Crevels te Amsterdam, het bedrijf dat onder andere ook het beeldhouwwerk leverde voor de Sint-Nicolaaskerk tegenover het Centraal Station in de hoofdstad. Het oorspronkelijke tegelfries tussen de hoofdbouwlagen was geleverd door de fabriek van Jan van Hulst uit Harlingen, maar het werd in 1915 door de Onderlinge vervangen door een nieuw tableau. De fabriek van Van Hulst bestond niet meer en het nieuwe is in 1916 vervaardigd door de Delftse fabriek van Joost 't Hooft & Labouchère, beter bekend als de Porceleyne Fles. Deze fabriek kreeg ook bijzonder werk te verrichten in het Burmaniahuis van de Algemene Friesche. In 1987 onderging het monumentale kantoorpand een zorgvuldige uitwendige restauratie.


Eewal 55. Drukkerij 'De Eendracht'
Op de oudste gedetailleerde plattegrond van de stad Leeuwarden uit 1603 van Johannes Sems ziet men op de plaats van de huidige drukkerij 'De Eendracht' een pand met een trapgevel en ten oosten hiervan een tuinmuur behorend bij het aangrenzende Huygenshuis. Later werd de muur vervangen door een nieuw woonhuis dat in de achttiende eeuw telkens in de belastingkohieren genoemd wordt.

In 1716 was dominee Meinsma eigenaar van beide genoemde panden. Zijn dochter droeg omstreeks 1760 de twee woonhuizen aan dominee A. Passamier over. Hij en z'n kinderen bezaten de panden tot 1783. In dat jaar kocht de joodse koopman Nathan Salomons beide huizen. Diens twee zonen, Salomon en Jacob, deden in 1828 het bezit van de hand voor f  2.637,- aan de koopman Izaak Simons de Vries. Hij bezat een winkel in manufacturen aan de Nieuwestad 114. In de koopakte wordt de indeling van de beide huizen beschreven. Het westelijke pand was twee traveeën breed en bevatte op de begane grond een voor- en een achterkamer met schoorsteen en kast en een gang. Via een wenteltrap was de verdieping te bereiken waar eveneens een voor- en een achterkamer met bedstee, met daarboven een zolder, gesitueerd waren. Onder het huis bevond zich een ruime kelder met bedstee, schoorsteen en kast. De kelder liep onder de straat door en kwam aan de Ee uit, zoals bij de meeste panden aan de Eewal het geval was. Het pand aan de oostzijde was van vrijwel gelijke breedte en bevatte ongeveer dezelfde indeling. Na het overlijden van Izaak de Vries in 1875 erfde zoon Izaak het oostelijke en zoon Samuel het westelijke pand. Het eerste pand was in 1897 eigendom van M.L. Eldermans terwijl het andere toen nog bezit was van de weduwe van S. de Vries, Rachel Polak. In 1900 werd hier het telefoonkantoor gevestigd. Voorheen was dit op de zolder van de Hoofdwacht aan het Hofplein ondergebracht. In 1911 werden de bovengenoemde twee panden vrijwel afgebroken en verrees er met behoud van de oude westmuur een nieuw gebouw met een monumentale gevel. Architect Hero Feddema ontwierp het fraaie pand in de stijl van de Jugendstil of nieuwe stijl, die omstreeks de eeuwwisseling in zwang was. Tot op heden is een ontwerptekening van zijn hand bezwaard gebleven. Het is opgetrokken van oranje verblendsteen die afgewisseld wordt door groen verglaasde bakstenen gevelbanden en gebogen hanekammen boven de vensters. Op de begane grond bevinden zich boven de hardstenen plint drie grote segmentvormig afgesloten ramen en op de verdieping vijf recht. De drie middelste vensters zijn door middel van een doorlopende latei met elkaar verbonden. Boven deze ramen is een opvallende middenpartij opgemetseld die van een tentdak is voorzien, architectonisch gezien een opmerkelijke oplossing. De rest van de gevel wordt door een gepleisterd rondboogfries afgesloten. Behalve de nieuwe deur uit de jaren-zeventig is de gevel gaaf bewaard gebleven. Thans is hier drukkerij 'De eendracht' gevestigd. Wat het interieur betreft zijn de ijzeren kolommen in de drukkerijzaal, het houten plafond in de gang en de deur met geëtst glas, waarin de woorden 'verboden toegang' te lezen staan, het opmerken waard. De ruiten van het oude telefoonkantoor, zoals seinzaal, spreekcellen, ruimten voor de opslag van cokes en kabels etc. zijn slechts op de oude plattegrond van architect Feddema nog te zien.


Eewal 53
Trap-, hals- en klokgevels vormen tezamen het geïdealiseerde historische beeld van een oud-Hollandse stad. In Leeuwarden beleefde de klokgevel, zo genoemd naar de ingezwenkte top, nog een opmerkelijke bloei tussen 1750 en 1875. Aan de Eewal is er ook een te vinden, op nummer 53. Op de schouders staan natuurstenen aanzetkrullen en de top heeft een afdekking van een kroonlijst en een driehoekig fronton.


Eewal 45 en 43
De voormalige woonhuizen met de nummers 43 en 45 vinden hun oorsprong in de zestiende en vroege zeventiende eeuw, maar hebben door verbouwingen een jonger uiterlijk gekregen.

Direct in het oog springen de trapstoepen voor de souterrains van beide panden. De souterrains liggen gedeeltelijk lager dan de begane grond, maar niet zo diep als een kelder. Daarom werden de gebruikt als keuken, bergplaats en woonruimte voor de dienstboden. De geveltoppen zijn verdwenen en de panden kregen aan hun kappen voorschilden met dakkapellen en kroonlijsten. De 18-eeuwse gevelbeëindiging van nr. 43 is geblokt en de hoge, 19e-eeuwse gevelbekroning van nr. 45 bezit op het vlakke gedeelte consoles die het bovenste lijstwerk ondersteunen en bezit bovendien roosvormige ornamenten (rozetten). Nummer 43 heeft festoenen in de borstwering tussen de bouwlagen. Festoenen zijn veelal gehouwen of gesneden en waren in de renaissance en vooral in de barok zeer geliefd als versiering boven vensters en ingangen. De festoenen bestaan hier uit trossen met bloemen. Opvallend is dat in de gevel van nummer 45 de vensters en het metselwerk ertussen verdiept liggen. Tijdens de restauratie van het pand tot notariskantoor in 1978 is in een muurdam tussen de verdiept liggende venstertraveeën  een laat 19e-eeuwse sluitsteen als gevelsteen geplaatst. De sluitsteen is afkomstig van het voormalige veemarktgebouw, dat in 1898 naar ontwerp van de gemeente-architect W.C.A. Hofkamp tegenover het Wagenplein in Leeuwarden gebouwd was. De steen bevat het wapen der gemeente Leeuwarden met de (zeldzame) naar binnen krullende staart. De toepassing van het gemeentewapen vertelde dat het veemarktgebouw een gemeentelijk gebouw was. De herplaatsing is niet alleen ongelukkig omdat die symbolische functie nu verloren is gegaan, maar ook omdat gevel en sluitsteen in leeftijd meer dan een eeuw verschillen. Bovendien is een sluitsteen een hardstenen accent in het midden van een gemetselde boog ter ontlasting van de druk boven een raam of een deur. De sluitsteen heeft een constructieve functie, maar werd in sommige gevallen wel van een ornament voorzien. Bij een gevelsteen is die versiering nu juist de functie: ze waren evenals uithangborden de visitekaartjes van de huizen. De notarissen Mr. W.J.  Adema en Mr. E.H.W. de Lange, hebben dit echter ruimschoots goed gemaakt door in 1990 een eigentijdse gevelsteen te plaatsen met de tekst 'Ik hakte een acte in steen'.

De huizen aan de Eewal tussen de Kleine Hoogstraat en de Suupsteeg hebben voorname bewoners  gekend . In de 17e-eeuw zijn de beroepen van de bewoners chirurg, schepen van de stad Leeuwarden en burgemeester. Een eeuw later treffen we een raadsheer, professor, overste en de Postmeester Generaal van Friesland aan.

In de 19e-eeuw zijn de beroepen medisch-doctor, advocaat, officier ter zee, deurwaarder, koopman, rentenier en een lid van gedeputeerde staten. Maar ook de douairière Van Beyma thoe Kingma woont dan hier en van 1862 tot 1866 op nummer 45 de notaris Johannes de Wal met twee inwonende dienstboden. Alhoewel aan het einde van de 19e-eeuw het in onze ogen ook minder voorname beroep voorkomt als modiste blijft het een voorname woonomgeving, want zowel familie als de alleenstaande bewoonsters van de huizen blijken zich nog steeds twee tot drie dienstboden en daarbij een tot twee gezelschapsdames te kunnen veroorloven.

De welstand van de bewoners is er zeker mede oorzaak van dat er in de loop der eeuwen veel verbouwingen werden uitgevoerd en dat maakt een nauwkeurige datering van de huizen moeilijk. Zowel nr. 43 als nr. 45 bestaan uit twee afzonderlijke huizen die niet in dezelfde  tijd gebouwd werden. Dit verklaart de tot boven de kap uitstekende topgevels, met vlechtwerk in het metselwerk en nissen, in het midden van de beide panden en dat nr. 45 zowel aan de Eewal als aan de Speelmanstraat voorgevels bezit. Op een kaart die omstreeks 1550 vervaardigd is zien we enkel een aantal panden op de Eewal die duidelijk op de gracht gericht zijn (Braunius). De kaart van Johannes Sems uit 1603 geeft panden aan de Eewal en de Speelmanstraat te zien die in elkaars verlengde liggen. Hetzelfde beeld krijgen we van de kaart 1664 die in Schotanus, Beschrijvinghe van Friesland is afgedrukt. Hierdoor wordt de veronderstelling dat we met twee afzonderlijke panden te maken hebben, die later bij elkaar getrokken zijn, versterkt bovendien wordt in het stuk no. 249 van de Stedelijke archieven Gysbert Speelman in 1526 genoemd als eigenaar van en huis 'op die Olde Eewal' dat aan de achterzijde op de Speelmanstraat uitkwam. Het deel van het huis dat gelegen is aan de Speelmanstraat is in het verleden minder sterk verbouw. De op de Speelmanstraat gerichte gevel lijkt een van oorsprong nog 16-eeuwse gevel te zijn door het gebruik van metselstenen, die vanwege het formaat en de kleur in Friesland rooswinkels genoemd worden, en de ontlastingsbogen boven de ramen en hun hardstenen sluitstenen.

De voorkamer is het souterrain van nr. 43 is geheel met plavuizen belegd en hieronder is een lager gelegen vloer met estrikken aangetroffen. Een wand is geheel betegeld en bezit een schouw met een ornament uit het einde van de 18e-eeuw. Het schilderstukje dat veelal de schouw siert is helaas niet meer aanwezig.

De achterkamer in het souterrain is geheel betegeld en op de vloer liggen plavuizen. Een oorspronkelijke schouw en eenvoudige kastenwand zijn nog aanwezig, evenals een dubbele waterpomp met hardstenen bak. Het souterrain is vanaf de bel-etage bereikbaar door een spiltrap die oorspronkelijk tot de zolderverdieping doorgelopen heeft. Op de bel-etage bevinden zich nog 18e-eeuwse deurpartijen en zowel in de over de gehele lengte van het pand doorlopende gang als in de voorkamer gestukadoorde plafonds.

Aan de achterzijde van het pand bevindt zich een uitbouw met hierin een spiltrap naar de hoger gelegen verdiepingen. In deze uitbouw naast de trap bezit een houten kloosterkozijn waarvan de middendorpel niet meer aanwezig is. Het kloosterkozijn heeft een vroeg 18e-eeuwse roedeverdeling en Boheems glas. Boven de vensters in de achtergevel zijn ontlastingsbogen met versierde sluitstenen aangebracht. De versiering bestaat uit kopjes en acanthusbladrozetten en dateert uit de 17e-eeuw. Het interieur en de gevel van het voorste deel van het huis nr. 45 draagt nu een 19e-eeuws karakter. Goed zichtbaar is dit in de betimmering van de gang op de bel-etage. Van het souterrain naar de bel-etage is nog een deel van de spiltrap aanwezig die hoogstwaarschijnlijk tot de zolderverdieping heeft doorgelopen. In de voorkamer is tijdens de restauratie een 18e-eeuwse kastenwand uit de Zuidwesthoek van Friesland aangebracht.  Opmerkelijk is  de vloer van de bel-etage, die geheel uit houten platen bestaat. De platen zijn ongeveer 18 centimeter hoog en 40 tot 60 centimeter breed. De meer dan 80 midden 17e-eeuwse tegels in het huis komen van een Harlinger tichelwerk en bezitten allen afbeeldingen van zeilschepen.

COLOFON

Uitgave:                    Stichting Aed Levwerd, 1991
Redactie:                  Hendrik ten Hoeve en Leo van der Laan
Tekstbijdragen:        Terry van Ditmars, Hendrik ten Hoeve, Sytse ten Hoeve,
                                 Hans van de Kamp, Peter Karstkarel, Leo van der Laan,
                                 Rita Mulder-Radetzky, Derk Jan Prins, Rienk Terpstra en
                                 Klaas Zandberg
Fotagrafie:                Albert de Boer, Gemeentearchief en Monumentenzorg
                                 Gemeente Leeuwarden
Kaart:                       Cees Sträter
Druk:                         Wielsma B.V. Leeuwarden
Vormgeving:             Impact Vormgeving

De organisatie van de vijfde Open Monumentendag in de gemeente Leeuwarden en het uitgeven van het begeleidende boekje zijn mogelijk geworden door de financiële ondersteuning van de gemeente Leeuwarden, instellingen, bedrijven en particulieren.

De Open Monumentendag zou niet kunnen plaatsvinden zonder de medewerking van de eigenaars/beheerders van de opengestelde panden aan de Eewal en de inzet van veel vrijwilligers.

Terug