Zie eens in die brede ramen


Open woonhuismonumenten in Leeuwarden 1993


Voorwoord

DE GEVELS VAN DE HUIZEN

Gij, die uw kerspel hebt verlaten,
Bebouwd met hoeven, ver uiteen
Verspreid in drassig slib en veen?
Ja, 't is wel waard, het aan te staren
Dat hardsteen en dat beitelwerk!
Uw needrig rechthuis en uw kerk-
Hier stonden ze of het schuren waren;
Hier kosten menig' treflijk heer
Zijn  marmren stallen vrij wat meer...
Zie, zie eens in die brede ramen!
Hoe breidt zich langs de spiegelruit
Het prachtgordijn in plooien uit!
Een gouden beugel houdt het zamen;
Een kleed van dat gevlamd satijn
Kon wel uw dochters bruidstooi zijn...

                                                                       H.F. Tollens (1780-1856)

Of de dichter bij het schrijven van deze regels  dezelfde monumentale woonhuizen op het oog had als die, welke vandaag het thema van de Open Monumentendag 1993 vormen, weet ik niet. Het zou kunnen: al zijn werk is in Leeuwarden verschenen. Duidelijk wordt echter wel dat dit soort panden destijds grote indruk maakten. Misschien nog wel meer dan nu: lopen wij  niet dikwijls door de stad zonder dat we echte goed kijken, zonder dat we onder de indruk komen? Vandaag bestaat in ieder geval wel de gelegenheid de stad eens 'aan te staren'. Namens de Stichting Aed Levwerd, die deze dag organiseert, beveel ik het 'hardsteen en beitelwerk' van harte aan: ook zonder marmeren stallen en gouden beugels indrukwekkend genoeg.

mr. P.E. Mazel
voorzitter


Wandeling langs Leeuwarder woonhuismonumenten
'Zie, zie eens in die brede ramen!',  spoort de dichter ons aan. Onder dat motto zijn op de Open Monumentendag 1993 in Leeuwarden zestien woonhuismonumenten opengesteld. Woningen, niet alleen met brede ramen maar ook met vensters van middeleeuws smal tot doorzonbreed modern. Afzonderlijke beschrijvingen vertellen wat zich achter die ramen bevindt en heeft afgespeeld. De beschrijvingen van de wandeling langs de huizen vertelt over wat zich spiegelt in die brede ramen: de stad, het geheel dat meer is dan de som van haar delen. De wandeling start in de Grote Kerkstraat bij het Gemeente Archief op nummer 29. Deze straat is met de Nieuwestad de meest monumentale straat van Leeuwarden. De hooggelegen, vroeg-middeleeuwse verbinding tussen de Oldehoveterp en de noordelijke Nijehoveterp heeft dit niet alleen te danken aan het grote aantal rijksmonumenten (36) of de zeer uiteenlopende leeftijd van de bebouwing. Ook het licht slingerde en glooiende beloop van de straat, de wisselende matvoering en de enorme variatie in materiaalgebruik, detaillering, functies en vooral ook kleur spreken tot de verbeelding. Het gebouw van de Buma-bibliotheek, dat sinds 1971 het Gemeente Archief huisvest, is het jongste element in de straat. Een gebouw om zuinig op te zijn, zorgvuldig ontworpen door architect D.F. Wouda en daterend uit 1933/'34. Het is wat onbenoembaar van stijl, vooral traditionalistisch met vleugjes Art Déco. Recht tegenover het Archief bevindt zich op de hoek met de Bollemanssteeg het 'Grietmanshuis', het eerste woonhuismonument van deze route (1). Het buurpand op nummer 31, de kosterij van de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt, is het tweede woonhuismonumenten (2). Bijzondere woonelementen zijn de twee gasthuizen die de Grote Kerkstraat rijk is. Direct oostelijk van het Grietmanshuis staat het jongste gasthuis, de Hofwijck. Daarnaast, voorbij de Sint Anthonystraat, het oudste, het Oud Sint Anthoon. Ouden van dagen wonen er niet meer. In de jaren-tachtig zijn de gasthuizen voor de straat behouden gebleven door verbouw tot huurwoningen in eigendom van woningbouwverenigingen. Boven de ingang van de Hofwijck is in 1992 een nieuwe gevelsteen aangebracht door de Amsterdamse beeldhouwer Hans 't Mannetje. De voorstelling laat het gebouw van de Holdingastins zien, dat hier vroeger heeft gestaan. Voor de komst van de Hofwijck was er van 1693 tot 1756 de Landschapsmunt gevestigd. De vroegst bekende vermelding van het Oud Sint Anthony Gasthuis dateert ui 1425. Het huidige gasthuis verrees in 1878 onder architectuur van F. Stoett, nadat het oude complex geheel was gesloopt. Het Oud Sint Anthoon ligt precies binnen de grens van de terpnederzetting Nijehove: de Sint Anthonystraat, een in de negentiende eeuw gedempt grachtje dat tot 1435 zelfs nog het verschil tussen 'stadslucht' en 'feodaliteit' uitmaakte. Tegenover het Oud Sint Anthoon is een bijzonder spoor van de middeleeuwse wooncultuur te vinden. In  de gevel van Grote Kerkstraat 43 bevindt zich een mysterieuze steen waarop een zaalstins met arkeltorentjes staat afgebeeld. Een steenhuis met een weergang voor defensieve taken? Zo'n stins had dan toch ook vaak de ingang op de verdieping en niet op de begane grond

zoals de steen laat zien. Bij de vernieuwing in 1762 liet steenhouwer Cornelis Noteboom zijn meesterteken achter het grootste raadsel van dit monument zetten; het jaartal '1171'. Een slip van de beitel? Want een onwaarschijnlijk vroege datering voor de stins die hier ooit gestaan heeft. We lopen verder de Grote Kerkstraat in en passeren het Frysk Letterkundich Museum op het nagenoeg hoogste punt van de noordelijke Nijehove terp. Daar net voorbij bevindt zich op nummer 69 'Het Wapen van Jerusalem', het derde woonhuismonument van de wandeling (3). Een eindje verderop in de Grote Kerkstraat, vlakbij het Jacobijnerkerkhof, staat een echte middeleeuwse zaalstins, het 'Pastoorshuis'. Geen arkeltorentjes, maar wel een fiere, herplaatste trapstoep die naar de woonverdieping boven de kelders voert. In de Middeleeuwen konden de stenen huizen hun vorm ook ontlenen aan de verdedigingsfunctie, die zij in meer of mindere mate hadden.

Aan het eind van de Middeleeuwen, die in de bouwhistorie tot omstreeks 1550 doorlopen, was dat zeker niet meer het geval. Als we na het Pastoorshuis onze weg vervolgen, om het Jacobijnerkerkhof  heen lopen en bij het koor rechtsaf slaan, zien we het laat-middeleeuwse Bij de Put 15, het vierde woonhuismonument van deze wandeling (4). Bij de Put ligt aan noordoostelijke rand van de Nijehoveterp.  De straatnaam herinnert aan de openbare watervoorziening waarop de buurtbewoners hier vroeger voor de aanleg van de waterleiding aangewezen waren. Nog in de negentiende eeuw probeerde men na droogvallen nieuw water op diepere lagen aan te boren. Vergeefs. De plek van de sindsdien gedempte put wordt op de brede zijde van de straat gemarkeerd door eenvoudig metselwerk. Tot de verschrikkingen van de oorlog 1940-1945 was dit deel van de stad de buurt waar veel Joden woonden. In de Sacramentsstraat herinnert daar de Synagoge nog aan. We vervolgen onze wandeling door linksaf de Breedstraat in te slaan. Op nummer 44 staat het vijfde woonhuisnummer (5). Het pand is het enige hier beschreven monument waarvan de woonfunctie in het gevelontwerp een eenheid met de winkelfunctie vormt. De Breedstraat ligt in het verlengde van de Speelmansstraat. De straat voert ons licht glooiend van de terp naar de Nieuweburen. Hier lag tot het eind van de vijftiende eeuw de oude stadsgracht, dezelfde die we al passeerden in de Grote Kerkstraat. De Nieuweburen ontstonden toen Leeuwarden zich tussen 1481 en 1499 uitbreidde en nieuwe grachten en heuse wallen liet aanleggen. Vanuit de Breedstraat lopen we rechts de Nieuweburen in. Monsterlijk maar ook zeer bijzonder is op nummer 137 het pakhuis 'La Venezia'. Deze zware betonmonoliet is naar ontwerp van architect Hero Feddema in 1910/'11 zonder paalfundering emmertje voor emmertje gegoten in een bekisting die plank voor plank werd gemaakt.  De ijssalon die op de begane grond is gevestigd, gaf dit uitroepteken van vroeg-moderne utiliteitsbouw zijn latere naam. We steken de Dubbele Pijp over en lopen bijna recht op Voorstreek 84 af, het zesde woonhuismonument (6). Op de oostzijde van de Voorstreek zijn we andermaal in een gebied waar tot 1435 de feodaliteit: de nederzetting Hoek, gedomineerd door de adelijke familie Cammingha. Even verderop in Voorstreek 106 bevinden zich nog de resten van de Sint Catharinakerk die de Cammingha's hier vermoedelijk al in de veertiende eeuw stichtten. De gracht is een gegraven verlegging van de Dokkumer Ee die oorspronkelijk iets westelijker de stad instroomde. Vanouds was dit een streek van kooplieden, markten en handel. De Voorstreek voert ons in noordelijke richting de stad uit. Het op één na laatste huis van de oude stad is Voorstreek 112,  woonhuismonument zeven (7). Via Groningerstraatweg en Oostergrachtswal maakt de wandeling nu een uitstap langs de oude oostelijke stadsrand. Letten we op de woonfunctie, dan valt hier veel te beleven. In de richting waarin we lopen, beginnen we verkeerd  met de treurige, kale vlakte van de Hoeksterdwinger. Hier staat geen woningbouw, die er wel had moeten komen. De Hoeksterdwinger is één van de oudste bolwerken van de stad, al ontstaan bij de aanleg van de verdedigingsgordel tussen 1481 en 1499 en gemoderniseerd tijdens de uitbreiding en bastionnering van de stad omstreeks 1600. De Hoeksterdwinger en de Amelandsdwinger zijn de enigste bastions in het oostelijke deel van de stad. Door een gewijzigd belang in de oorlogsstrategie van de Republiek werd de bastionering niet voltooid. De stad was in de negentiende eeuw dan ook één van de eerste steden in Nederland die tot ontmanteling van de veste kon overgaan. Ook de Hoeksterdwinger werd geslecht en op de vrij gekomen grond werden de Stadstimmer- en turfschuur gevestigd. Uit de Stadsturfschuur groeiden de bedrijven voor de stedelijke energievoorziening waarvoor stadsarchitect Justus Zuidema op de hoek van Groningerstraatweg en Bleeklaan in 1941 het administratiekantoor ontwierp gerealiseerd in 1949. Toen in de jaren-tachtig de overige bedrijfspanden  aan weerszijden van de oude stadsgracht werden gesloopt, schreef men een prijsvraag uit voor een integraal plan voor deze gevoelige plek in de stad. De geconstateerde bodemvervuiling zette een kostbare streep door de plannen, al werd wel het administratiekantoor ingericht met wooneenheden.

We steken voorbij het voormalige kantoor de Bleeklaan over en lopen naar Groningerstraatweg 34, woonhuismonument acht (8). Hier tegenover bevindt zich de nieuwbouw van het voormalige complex 'Werkmanslust'. In 1872 liet de socialistische bouwvereniging 'Help U Zelven' daar 54 woningen bouwen door architect Jurjen Bruns. Het complex werd in de jaren-zeventig gesloopt en vernieuwd. We lopen terug naar de Bleeklaan en steken deze in. De tweede weg  rechts is de Oostersingel die we inlopen op weg naar de Oostergrachtswal. Het Oostervijverpark, waar we langs lopen, is de herinnering aan de daar in 1826 aangelegde verswatervijver. Aan de overkant van de gracht zien we op de Amelandsdwinger de tussen 1827 en 1829 door stadsarchitect Gerrit van der Wielen gebouwde Prins Frederikkazerne liggen. Het gebouw werd in 1983 verbouwd tot wooncomplex voor één- en tweepersoonshuishoudens met aangepaste woningen voor gehandicapten. Op deze plaats in de stadsgracht veel woonboten waaronder op nummer 98 zelfs één met twee verdiepingen. De starten links voeren nar de Zeeheldenbuurt, waar nog tot na 1945 een erbarmelijke sloppenbuurt 'De Weerklank' stond. We passeren het Vliet en komen op de Oostergrachtswal, de zijde van de stad die niet gebastionneerd werd. Al vanaf de zeventiende eeuw stonden hier verspreide huizen aan de rand van de stad. Men zag er uit over de uitgestrekte weilanden. Voorname burgers hadden er hun zomerhuizen. eerst na de opheffing van de vesting raakte de bebouwing verdicht tot een statige huizenrij. Een van die statige huizen is Oostergrachtswal 93, woonhuismonument negen (9). We keren weer terug in de oude stad door de Oosterbrug over te steken. Een betonnen brug in Art Déco-stijl met een eveneens betonnen, maar helaas wat verwaarloosd brugwachtershuisje. Tot de aanleg van een brug op deze plaats omstreeks 1900 was de noordelijker gelegen Vlietsterbrug de enige oversteek naar de stad vanuit het oosten. We lopen de Nieuwe Oosterstraat in. De straat ligt in het gebied waarmee de stad aan het eind van de vijftienden eeuw werd uitgebreid. Een winkelpromenade waar men aan de noordzijde op enkele panden nog de ouderwetse manier van huisnummering aantreft: de wijkletter B met een nummer. We steken de Tweebaksmarkt over en vervolgen de wandeling door de Oude Oosterstraat. Op de hoek met de Ossekop staat het 'huis met de gladde gevel'. Het is één van de oudste huizen in Leeuwarden. De gevel is gemetseld met afwisselende lagen van groene en gele geglazuurde bakstenen. In de jaren-twintig, -dertig en zelfs weer in de jaren-zestig waren er herhaalde plannen om de gezellige, maar smalle straat te verbreden. Dat alles is niet doorgegaan. Aan het eind van de straat kunnen we aan het profiel van de pijp over de Weaze en de Peperstraat zien hoe breed het had kunnen worden. We gaan hier rechtsaf de Groentemarkt op richting Brol en Over de Kelders. De Brol met Kelders en Over de Kelders is een zeer bijzondere plek in de Leeuwarder binnenstad. De pijp overkluist de samenvloeiing van Weaze en Ee. De Kelders aan de noordzijde zijn het oudste. In de vijftiende eeuw werd daar aan de steile rand van de zuidelijke Nijehoveterp een hoge straat met lage kade aangelegd, de Bierkade met kelders tot onder de aanliggende huizen. Tot 1685 stond op de Brol nog het Bierdragers Wachthuis. Ook de kaak of 'Pronkpaal' stond op de Brol. Al in 1654 komt op deze plaats het huis 'de vergulde Cath' voor. Die vergulde kat siert de gevel van Groentemarkt 1. Het gevelteken verwijst vermoedelijk naar de apotheek, die hier in oude tijden was gevestigd. De vroegere naam Spoocksteeg van de naastliggende steeg duidt er op dat het blijkbaar niet altijd pluis was in de omgeving van de Brol. Een stadslegende vertelt dat in vervlogen tijden de katten op de Brol dansten.  Dol geworden in de nacht verdreef een ziedende buurtbewoner de katten door hen een hamer toe te slingeren. Sindsdien dansen er geen katten meer op de Brol, maar de legende wil dat s' mans vrouw haar verdere leven met kreupele benen heeft gelopen. Naast de "Spoocksteeg" op Over de Kelders 2 woonhuizmonument tien (10). We vervolgen de wandeling door aan het eind van Over de Kelders linksaf de Minnemastraat in te lopen. De Minnemastraat voert over de zuidelijke Nijehoveterp. Aan het eind gaan we linksaf de Eewal op. Nummer 58 en 60 worden beschreven als woonhuismonument elf (11).

De Eewal volgt de loop van een aftakking van de Ee. De binnengracht werd in 1884 gedempt. De naar het water doorlopende kelders van sommige huizen raakten sindsdien in onbruik. Een aantal van die huizen met kelders zijn aan de zuidzijde te herkennen aan het ontbreken van de boomaanplant waarmee de Eewal gesierd is. Opvallend zijn de vele gevelstenen, waarvan de meeste overigens niet oorspronkelijk zijn. Wel en met recht authentiek is de steen in Eewal 43. De toepasselijke steen "Ik hakte een acte in steen" werd in 1990 door de notarissen Adema en De Lange geplaatst, die er tot 1993 kantoor hielden. We lopen over het Gouverneursplein langs het voormalige Stadhouderlijk Hof en het Stadshuis naar de Weerd. De Weerd is net als de Eewal vanouds een woonstraat in de schaduw van Hof en Stadhuis. Maar meer dan op de Eewal hebben horeca en detailhandel hier hun stempel op de statige huizen gedrukt. Even voorbij de Bagijnestraat bevindt zich op Weerd 11 het twaalfde woonhuismonument (12). We vervolgen onze route door de Bagijnestraat. De straat dankt haar naam aan het klooster der grauwe bagijnen dat in 1510 van de terp Fiswerd ten noorden van de stad naar hier werd verplaatst. in de zeventiende eeuw werd de voormalige kapel voor de protestantse eredienst in gebruik genomen. De in 1684 verdubbelde kerk werd in 1845 onder leiding van de stadsarchitect Thomas Romein ingrijpend verbouwd met weinig respect voor haar verleden. Nadat de kerk in de jaren-tachtig van de twintigste eeuw voor de eredienst buiten gebruik werd gesteld werd het gebouw in 1990/'91 verbouwd en in 1992 in gebruik genomen als "Theater Romein", een hommage aan de architect wiens sporen uit de tweede helft der negentiende eeuw nog op tal van andere plaatsen in de stad en Friesland zijn te vinden. Bijzonder element in de Bagijnestraat en naast Theater Romein is het grote onderkelderde huis op nummer 57, het oude Fraterhuis van het Bagijneklooster. Beslist een huis met een respectabele ouderdom, waarover helaas nog maar weinig bekend is. Tegenover dit huis, toeval of niet, bevindt zich de Nieuwesteeg. Op Nieuwesteeg 5 en 8 bevinden zich de woonhuismonumenten 13 en 14.We zetten de wandeling weer voort door de Bagijnestraat. Aan het eind gaan we rechtsaf de Kleine Kerkstraat in. Bijna aan het slot van de wandeling komen we hier aan de rand van de derde oude bewoningskern van Leeuwarden: de Oldehoveterp. Al in de tweede eeuw na Christus moeten hier mensen hebben gewoond. De nederzettingen Nijehove, Hoek  en Oldehove werden in 1435 tot stad verenig. Tot in de zeventiende eeuw stond op de Oldehoveterp de Sint Vituskerk, de oudste kerk van Leeuwarden. Van deze kerk resten de scheve Oldehovetoren en het pastoorshuis van Heer Ivo. Dat huis op Grote Kerkstraat 7 in het vijftiende en laatste woonhuismonument van deze wandeling (15). Hier, waar in 1992 een speciaalzaak voor woonhuisinrichting werd gevestigd, kunnen we ook de dichter zijn vers laten eindigen:

"Zie, zie eens in die brede ramen...".


1.  Bollemanssteeg 64. Het Grietmanshuis
Op de hoek van de Grote Kerkstraat en de Bollemanssteeg staat het Grietmanshuis. Een nieuwe naam voor een huis met een lange geschiedenis. De oostelijke kant van de Bollemanssteeg kreeg omstreeks 1600 een zelfstandig karakter. Aan de rand van de tuin van de Holdingastins, de latere Hofwijck, werd een huizenrij gebouwd. Op de plattegrond van Johannes Sems uit 1603 is te zien dat op de hoek van de Bollemanssteeg en de Grote Kerkstraat een fors, drie traveeën breed pand met een topgevel stond. Muren en balklagen van dit huis zijn terug te vinden in het Grietmanshuis. De eerste bekende bewoner van het huis was Doethe Aysgama. Door waarneming kwam in 1692 de buurman en bewoner van de Holdingastins, Georg Frederick baron van Schwartzenberg, in bezit van het huis. Zijn "gesamentlycke crediteuren" verkochten in 1679 het huis aan Hans Willem baron van Aylva.  Het werd in de koopakte omschreven als "seeckere huysinge cum annexis bestaende in twee beneden camers, keuckens, voorhuis, back etc staende in de Grote Kerckstraet".

Baron van Aylva was in zijn tijd een beroemd man. Onder admiraal Michiel Adriaansz. de Ruyter maakte hij als kapitein op het schip Groot Frisia de tocht naar Chatham mee. Door zijn verrichtingen in het leger van de Republiek der Verenigde Nederlanden kreeg hij de bijnaam "den Ontzaggelijken Generaal". Tot 1737 bleven Aylva's eigenaar van het huis. Daarna werden Michael Onuphrius baron thoe Schwartzenberg en Hollandsberg en zijn vrouw Margaretha Maria van Gendt de nieuwe eigenaars voor "de somma van vierduisent drie hondert en seventien goudguldens en seven stuivers". Deze grietman van Dantumadeel en zijn vrouw kwamen door de koop in het bezit van een ingewikkeld samenstel van panden. Weliswaar met veel vertrekken, maar waarschijnlijk zonder de gewenste uitstraling. Het lijkt voor de hand liggen dat na 1737 een grote verbouwing plaatsvond, mogelijk door architect Anthonius Coulon (ca. 1682-1753), "bouwmeester van Syn Hoogheit" en leerling van Daniël Marot. De in Marot-stijl uitgevoerde kajuiten, die nog steeds het dak sieren, wijzen daarop. De huizen aan de Bollemanssteeg en de galerie aan de Grote Kerkstraat werden verbouwd tot een fors L-vormig gebouw van twee bouwlagen op hooggelegen kelders. De monumentale ingang met bordes kwam aan de Bollemanssteeg in een risalerende middenpartij. In de negentiende eeuw werd het huis aan de mode van de tijd aangepast. De gevels werden bepleisterd de ingangspartij gemoderniseerd en de achttiende-eeuwse rodenverdeling in de kozijnen vervangen door empirevensters, maar de uit het midden van de achttiende eeuw daterende hoofdvorm bleef duidelijk herkenbaar. De familie bleef het huis, toen bekend staand als het "Schwartzenberghuis", tot in de negentiende eeuw bewonen. in 1855 kocht jonkheer Tjaard Anne Marius van Andringa de Kempenaer het pand voor "veertienduizend vaderlandsche" guldens. Van Andringa de Kempenaer deed mee aan de tiendaagse veldtocht in 1830, was grietman van het Bildt en lid van de Provinciale Staten en de Eerste Kamer. Na zijn dood in 1870 bleef zijn weduwe Amelia Gerardina de Schepper het huis tot haar overlijden in 1906 bewonen. Het echtpaar Van Andringa de Kempenaar had drie zonen en zes dochters. Een van de dochters, jonkvrouwe Adriana Wilhelmina van Andringa de Kempenaer, werd op 26 december 1858 in het huis geboren. Zij stelde later uitvoerig persoonlijke herinneringen op schrift. Over haar geboortehuis schreef zij onder meer: "Het huis waarin ik woonde en geboren was, behoorde tot eene der grootste en ouderwetste van Leeuwarden en er grensde een ruim koetshuis met stalling aan, die door een gang met het voorhuis verbonden waren". Na een bestemming als  belastingkantoor en antiekhandel ging in 1990 de Stichting Het Grietmanshuis tot aankoop over. Na een eerdere restauratie in 1974 volgde een nieuwe herstelbeurt. Het exterieur onderging een gedaante verwisseling door het aanbrengen van een okerkleurige afdeklaag. Inwendig werden de monumentale vertrekken hersteld en in passende kleuren geschilderd. Van het interieur zijn vooral van belang de brede met marmer belegde gang en de twee royale vertrekken aan de Grote Kerkstraat. In de grote zaal, nu in gebruik als vergaderzaal, bevindt zich een mooi gebeeldhouwde marmeren schoorsteenmantel met een houten bovenbouw, waarin een spiegel binnen een gesneden lijst. Ook de onder het gehele pand aanwezige oude kelders zijn het vermelden waard. Het huis, waar zoveel grietmannen hebben gewoond, kreeg een nieuwe naam: Het Grietmanshuis. Door de geslaagde en zorgvuldige uitgevoerde restauratie is het een verrijking voor de Grote Kerkstraat.


2.  Grote Kerkstraat 31
Hoe ver de bouwgeschiedenis van Grote Kerkstraat 31 teruggaat, is niet precies te zeggen. De eerste tot nu toe bekende eigenaar was Catharina 'Nitpheen' of Nitzen in 1688. De oudste delen zijn ook zeker zeventiende-eeuws, zoals stukken van de kap. In 1707 verwierf Ulbo van Aylva, grietman van Oostdongeradeel, het hui. Hij liet het in 1716 verbouwen. Vergelijken we de voorzijde met tekeningen uit 1722 en de late achttiende eeuw dan zou de conclusie kunnen zijn, dat het huis met zijn statige lijstgevel sindsdien onveranderd is gebleven. Het huis bestaat uit twee panden achter elkaar met de daknok evenwijdig aan de straat - op zolder zijn de afzonderlijke kapconstructies nog herkenbaar. De voorgevel wordt afgesloten door een bijzondere kroonlijst met vakken tussen gepaarde consoles. De deur in de opvallende entreepartij wordt geflankeerd door pilasters met vakken waarin zijlichten. De lichte, gecorniste architraaf rust op pilasterbeëindigingen met pluimen, schelp en kralenstreng in plaats van traditionele kapitelen. Boven de deur een fraai gesneden kalf met bovenlicht. Aylva besteedde ook zorg aan de inrichting. Bij de overname door advocaat U.H. Huber in 1758 waren er kamerbehangsels, schilderijen, spiegels en schoorsteenmantels, duidend op een voornaam interieur. In 1767 verwierf Hendrik de Kempenaer uit Harlingen het huis, waarna het lang in bezit bleef van de familie Van Andringa de Kempenaer. Een schoondochter, Tjallinga barones thoe Schwartzenberg Hohenlansberg, bezat vanaf 1840 jaren een pandje ten oosten, maar pas in 1879 werd dat door haar zoon Julius, oud-grietman van Doniawerstal, definitief en uiterlijk bij het grote huis gevoegd. Het kreeg een tweede bouwlaag en de twee gevels werden samengevoegd door verlenging van de daklijst en aanpassing van de ramen. Grappig is het dat de voorgevel van het grote huis toen vrijwel geheel opnieuw is opgetrokken, weliswaar met behoud van achttiende-eeuwse details en gevelindeling, maar ook met enige typisch negentiende-eeuwse decoraties. Na het overlijden van Julius in 1887 werd het complex gekocht door de Nederduits Gereformeerde Kerk. Het grote huis werd pastorie. In de oostelijke uitbreiding tekende architect Willem Cornelis de Groot voor de fraaie neorenaissance poort naar de kerk die achter in de tuin verrees. In 1978 kwamen kerk en woonhuis in gebruik bij de Gereformeerde Kerk Vrijgemaakt. Binnen is een aardige doorsnede van de interieurstijlen tussen 1716 en het eind van de negentiende eeuw te beleven; van een prachtige trap met barok gesneden balusters tot negentiende-eeuwse stucplafonds en een deur met in gietijzer gevat, gekleurd en geëtst glas aan het eind van de weer achttiende-eeuwse centrale marmeren gang. Bijzonder zijn de schouwen op de verdieping. Daar bevindt zich in de linker voorkamer een zogeheten Engelse schouw met gobelin. De schouw in de rechter voorkamer heeft een schoorsteenstuk met bosscéne. Het portret van Marijke Meu boven de schouw in de linker achterkamer is een hommage uit 1978 aan deze in Friesland zeer geliefde prinses.


3. Grote Kerkstraat 69. Het wapen van Jerusalem
Merkwaardig in de voorgevel van dit pand is de aanwezigheid van de voordeur van het linker buurpand, dat ooit bewoond werd door Thomas Romein, de bekende stadsarchitect van Leeuwarden - de familie Romein bezat rond 1840 Grote Kerkstraat 67 en 69. Hieruit kan afgeleid worden dat de entree van 67 zich in de zijgevel bevond toen het perceel 69 nog onbebouwd was. ook het uitstulpend trappenhuis van nummer 67 vinden we terug in de interieurs van het "Het wapê van Jeruslamen/Anno 1641 Herboudt Aer 1768". De naam is te lezen op twee gevelstenen tussen de ramen van de eerste verdieping. De negentiende-eeuwse T-vensters zijn bij een eerdere restauratie vervangen door de huidige zesruiters. Het voordeurkozijn is gevat in een geblokte omlijsting en heeft een nieuwe, speelse roedenverdeling in het bovenlicht gekregen. De licht getoogde bovendorpels van de kozijnen worden overspannen door hanekammen. De voorgevel wordt afgesloten door en kroonlijst met klossen met daarboven een schildak, waarin een kapel van jonger datum is aangebracht Het inrerieur op de begane grond heeft zijn oorspronkelijke indeling nog gaaf behouden. de gang verbindt voor- en achtergevel met elkaar en wordt halverwege afgesloten door een charmante tussendeur met glas en een bovenlicht, beide in neorenaissance stijl. De voorkamerdeur heeft aan de binnenzijde nog verfijnd rococo snijwerk. Restant van de verbouwing uit 1768? De ramen hebben boven de gebogen vensterbanken nog achttiende-eeuwse luiken.

Van elders komen de schoorsteenmantel en het (spil)trapje naar de onderkelderde opkamer. Hierin treffen we een wel zeer smalle bedsteeruimte aan, die volgens mondelinge overlevering gebruikt werd door de dienstmeid; zij had middels een raampje zicht op de tuinkamer. In de binnenmuur tussen kelder/opkamer en achterkamer zijn nog twee ramen aanwezig, wat doet vermoeden dat dit een achtermuur is geweest. Een bijzonderheid in de achterkamer is de schoorsteenmantel die gecombineerd is met een kast en rookkastje. Bij de inrichting van deze ruimte tot keuken is zorgvuldig rekening gehouden met deze historische elementen. De centrale spiltrap, die ook naar de opkamer leidt, heeft tot de eerste verdieping een lambrisering van panelen. Het gedeelte naar de zolder is later veranderd in een rechte steektrap. De eerste verdieping heeft niet meer zijn historische plattegrond maar nog wel het authentieke balkenplafond, net als de overige ruimtes in het pand. op de zolder is de monumentale sporenkap grotendeels intact gebleven. Aanvankelijk had het pand aan de achterzijde een klein plaatsje.  Dankzij het weren van de Heilige Koe op het gemeenschappelijke binnenterrein en dankzij grondaankoop hebben de huidige bewoners er een fraaie privé-stadstuin aangelegd, wat het exclusief wonen op het hoogste punt van de noordelijke Nijehove-terp zeer veraangenaamt.


4. Bij de Put 15
De steen in de witgepleisterde voorgevel van Bij de Put 15 vermeldt het jaartal 1619. Maar jaartallen zeggen niet alles en zo is het hier. Het voorname huis bevat veel oudere elementen. Met zijn respectabele bouw- en bewoningsgeschiedenis mag het pand tot de interessantste monumenten van Leeuwarden worden gerekend. Zondermeer spectaculair aan Bij de Put 15 is hei diepe en hoge zadeldak. Een van de afmetingen krijgt met staand op het Jacobijnerkerk­hof. Het dak wordt gedragen door een bijzondere sporenkap met dubbele krommers. De houten pen-gatverbindingen en telmerken op de gebinten duiden op een zestiende-eeuwse, laatmiddeleeuwse oorsprong. Telmerken werden vroeger met een guts in de balken aangebracht om de verschillende delen van de kap op de juiste plek te kunnen plaatsen. Ook op andere plekken vindt men zestiende-eeuwse bouwelementen. Aan de voorkant, een tuitgevel met frontonbekroning uit 1619, zijn dat de met korf- en segmentbogen afgesloten vensternissen op de verdiepingen. Maar fraaier is dat binnen op de begane grond en een deel van de verdieping de oude moerbalken en kinderbinten nog aanwezig zijn. Een goede  kandidaat voor de stichting van het huis is Jacob Sybrants Auckama. Tussen 1542 en 1572 was hij regelmatig burgemeester van Leeuwarden. Aan het eind van de zestiende eeuw droegen zijn erven grondpacht voor het huis af. Een afbeelding op de stadsplattegrond van Pieter Feddes van Harlingen en aangetroffen sporen tijdens de restauratie in 1978 duiden erop dan Auckama's huis een trapgevel had, die in 1619 dus werd vervangen. In de zeventiende eeuw behoorde het pand lange tijd aan leden van de familie Harinxma thoe Slooten. Het huis moet een bijzondere plaats in de familie hebben ingenomen. Een boedelinventaris meldt dat er toen in de achterbovenkamer maar liefst 59 met name genoemde familieportretten hingen!. De familie Harinxma breidde het huis vermoedelijk uit met de zogenaamde "tuinkamer" links achter in de gang. Van 1708 tot 1735 werd Bij de Put 15 bewoond door Rixt van Andreae. Door haar huwelijk met Willem van Haren kwam het huis in de familie Van Haren. In 1730 breidde Rixt het huis uit met Bij de Put 13. De huizen werden verbonden met een doorbraak in de muur links voor in de gang tegenover de toegang tot de toenmalige voorkamer Na de dood van Rixt vererfden de huizen op kleinzoon Willem vn Haren. Deze fameuze dichter, staatsman en rokkenjager overleed in 1768 onder armoedige omstandigheden in Brussel Vermoedelijk werden de doorbraak en de kamertoegang tijdens zijn leven voorzien van fraaie dubbele deuren met een gezwenkte omlijsting en sierlijk rococo snijwerk. Ze laten ons raden naar de voorname en uitbundige smaak waarmee de Van Harens hun huizen verder zullen hebben ingericht. Bij de Put 13 en 15 werden na 1768 verkocht en weer afzonderlijk bewoond. De rococo deuren naar nummer 13 werden pas in 1927 verplaatst naar rechts midden in de gang tot toegang naar de "voorhof" van de vrijmetselaarsloge. In de negentiende eeuw was het pand in bezit van verschillende eigenaren. In 1843 kocht G.H. Andreae het huis.

Hij bewoonde het met zijn gezin tot 1865. In 1978 werd in één van de achterramen een ruitje aangetroffen waarin zijn zoons met vrienden hun namen hebben gekrast. In 1867 kwam de eerste Directeur van de Rijks Hogere Burgerschool, de Leidse professor Burger, met zijn gezin in het huis wonen. Zijn weduwe en tweede vrouw Maria Louise Suringar was de laatste bewoonster van Bij de Put 15. Zij overleed in 1927. Bij de Put 15 kwam daarna in eigendom en gebruik van de vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw. De bekende Leeuwarder architecten en broeders-vrijmetselaar Hendrik Kramer en Andries Baart voerden nog in 1927 een ingrijpende restauratie uit. Op de begane grond werd de oude woonhuisplattegrond (brede doorlopende gang, voorkamer, keuken/stookplaats en achterkamer op kelder) gewijzigd voor de inrichting van een strakke, wat saaie "conferentiezaal met bibliotheek. De marmeren gang kreeg een portaal en achterin een trappenhuis in Art Déco-stijl. Hier bevindt zich een fraai glas-in-loodraam van de firma W. Bogtman uit Haarlem dat de leerstadia van de leerling, gezel en meester verbeeldt. De gevels werden met behoud van de oude structuur stevig aangepakt. Aan de achterzijde kwam vrijwel geheel nieuw metselwerk in volle voeg. Aan de voorzijde werd de gevel voorzien van een witte pleisterlaag op een plint van betonpleister. Het fraaiste resultaat boekten Baart en Kramer op de verdieping waar zij de Tempel van de Loge bouwden en inrichtten. Voor het bijna hemelse gewelf moest een deel van de zoldering van moerbalken en kinderbinten wijken. De sfeervolle Tempel en de Loge-inrichting van Bij de Put 15 kunnen sindsdien echter als een zeer bijzondere bijdrage aan monumentaal en geestelijk Leeuwarden worden beschouwd.


5. Breedstraat 44
Wie Breedstraat 44 binnen en buiten even op zich laat inwerken, zal weinig moeite hebben om de drie belangrijke bouwfasen te onderscheiden die het winkelhuis hebben gemaakt tot wat het nu is. De voorgevel is nog betrekkelijk jong: "1903", geeft de borstwering onder de dakkajuit te lezen. Maar als zo vaak in de historische binnenstad gaat achter de façade een  structuur met een veel hogere ouderdom schuil. Het gedeelte direct aan de straat moet in de kern uit de zestiende eeuw dateren. De achtergevel van dit kleine huis stond, waarin de huidige woonkamer op de verdieping een verschil in vloerniveau van zo'n halve meter tussen voor en achter wordt overwonnen door een paar traptreden. Bij werkzaamheden in het trappenhuis is in 1993 ook een keurige bouwnaald in het metselwerk van de zijmuur aangetroffen-aan de buitenkant wordt deze naad door een pleisterlaag aan het zicht onttrokken. Het achterste deel van het pand zou wel eens een zeventiende-eeuwse uitbreiding kunnen zijn. Voor die datering pleiten de eenvoudige gesneden consoles waar de zolderingbalken in de woonkamer op rusten. De redelijk betrouwbare stadsplattegrond van Johan Sems uit 1603 laat aan dit zuidoostelijke gedeelte van de Breedstraat afwisselend panden met langskappen en dwarskappen zien. Helaas is lastig te onderscheiden welke het tegenwoordige nummer 44 moet zijn. De geringe diepte van het voorhuis kan erop duiden dat er aanvankelijk een dak met de nok evenwijdig aan de straat op heeft gestaan. In elk geval kreeg het voorhuis aan het begin van de twintigste eeuw een langskap, stellig tegelijk met de voorgevel. Die voorgevel is de blikvanger, een zeldzaamheid in de stad wat betreft materiaalgebruik en rijke uitdossing in de met de Art Nouveau en Jugendstil verwante vernieuwingsstijl. Het ontwerp toeschrijven aan Zijtse Siewert Feddema of diens zoon Hero Feddema is niet te gewaagd. Met zekerheid kennen we de bouwheer: Johannes Davids van der Pol, slager. In mei 1903 kwam het pand leeg te staan door het vertrek van Klaas Rozeboom Pot, de toenmalige uitbater van het Friese Koffiehuis, en op 15 maart 1904 trok Van der Pol er met zijn gezin in; de tien maanden tussentijd waren voldoende om de verbouwing uit te voeren. Het pand heeft de gebruikelijke stadswoonhuisbreedte van drie raamvakken, maar de begane grond is ingedeeld en een winkelpui en een portiek met twee woningéntrees; het schijn dat het gezon van der Pol achter de slagerij woonde en dan kan de bovenwoning voor de verhuur bestemd zijn geweest. De pui rust op een geprofileerd hardstenen basement en is samengesteld uit houden stijl- en regelwerk met snijwerk, evenals de van Art Nouveau-passen voorziene woningdeuren. Winkelpui en portiek worden omlijst door hoekpenanten van wit en bruin geglazuurde baksteen met rood (!) voegwerk, die met hardsteen ornamenten zijn bekroond, en een ijzeren latei met decoratief beslag. Ooit droeg het borstweringveld boven de latei een tegelfries met het opschrift "vleeshouwerij". Ook voor het overige is de voorgevel op bijzondere wijze gedetailleerd. De laatste herinneringen aan het slagerij-interieur zijn vier fraaie ruiten met geëtste voorstellingen in vernieuwingsstijlvormen: twee van een fruitschaal op hoge voet en een pauw uit de schuifdeuren en twee van een vaas bloemen uit de flankerende vaste elementen, die samen de scheiding tussen winkel- en woonruimte vormden.


6. Voorstreek 84
Dé ontdekking van het jaar op monumentengebied in Leeuwarden. Zo mag het fascinerende stijlplafond dat in de zomer van 1990 in het achterhuis van Voorstreek 84 werd aangetroffen, gerust betiteld worden. Een stucplafond in de trant van Lodewijk XV, genoemd naar de Franse herkomst, ofwel rococo, een benaming die afgeleid is van het meest kenmerkende siermotief; de grillig gevormde, schelpachtige rocaille. Het exacte bouwjaar van het achterhuis valt niet meer te achterhalen maar het zal ergens tussen 1755 en 1775 zijn geweest, toen de rococo hier in zwang was en het huis eigendom van Antje Heins  Tichelaar. Antje Heins Tichelaar was al weduwe toen zij in 1750 voor de koopsom van 2310 goudguldens eigenaresse werd. Weduwe van koopman Pijter Blok, die kennelijk enig fortuin had gemaakt. Ze betrok het huis met haar kinderen, waaronder zoonlief Hein Blok die er later ook nog alleen woonde. In het Groot Consentenboek der Stad is een uitvoerige beschrijving van haar nieuwverworven bezit opgenomen.  Daaruit geciteerd: "Agter de keuken een fraije kamer op de tuin uitsiende, in de kamer een schoorsteen, maar 't behangzel , de turfkoker en kachel behooren de huurders. Boven deze kamer een solder". Een achterhuis bestond dus reeds in 1750.  De ruimte met het stucplafond strekt zich uit over de volle breedte en vrijwel de gehele lengte van het achterhuis. Het vertrek ligt meer dan een meter boven straatniveau, op een souterrain waar blijkens tegelrestanten een keuken was te vinden. Wellicht is deze keuken in de plaats gekomen van die in het voorhuis. Voor- en achterhuis stonden door een korte gang met elkaar in verbinding. Het plafond maakte deel uit van een complete aankleding van de vast voor representatie bestemde  salon: deuren en lambrizeringen met houtsnijwerk, eens chouw met een natuurstenen vloerplaat in accoladevormen, en ook een klien houten plafond met rocailles. Vermoedelijk waren er bovendien wandbespanning aangebracht. Het plafond is vanaf een houten kroonlijst koofvorming aangezet met hoekdecoraties van rankwerk en bloemguirlandes. Het vlakke deel wordt grotendeels omvat door een meervoudig geprofileerde lijst in zwierige vormen. In het veld allegorische figuren op wolken, die verwijzen naar onder andere het beroep van Pijter Blok. Centraal staat de Griekse godin van de wijsheid en de kunsten Athena met haar attributen (schil, lans en helm). Om zich heen heeft zij vier putti, blote engeltjes, verzameld. De putto boven haar in de gedaante van Hermes, de god van de koophandel, met gevleugelde helm en herautstaf; de linker putto met een papierrol waarop een wereldbol is afgebeeld; een derde, schrijvend in een schrift; en onder Athena een putto met een Jacobsstaf, een navigatie-instrument waarmee de wereldzeeën konden worden bevaren. Het modelé is wat verloren gegaan en de details vervaagd door de vele kalkbeurten die het plafond in  twee eeuwen heeft gekregen, maar de artistieke kwaliteit blijft onmiskenbaar.


7. Voorstreek 112
De "huijsinge (..) alwaar de Metalen Clock uithangt", ook wel "Blauwe Clock"; deze typeringen zijn gevonden in de zeventiende-eeuwse verkoopaktes die Voorstreek 112 betreffen. Nadat bij de reformatie in 1580 alle kerkelijke bezittingen aan de Stad waren toegevallen, werd de grond naast de Catharinakerk verkaveld en vrijgegeven voor bebouwing. Het perceel direct ten noorden van de vicaire en de school kwam rond 1600 in handen van "harrebargier en gordtmaker" Foppe Sijbiszn en omstreeks 1605 verrees hier de eerste bebouwing. De helft van de smalle steeg langs de noordelijke zijmuur, de nog bestaande Catharinabuurt, hoorde ook tot het perceel. Niet veel later werd in de tuin achter het woonhuis nog een schuur gebouwd. Niet alleen die schuur beperkte het gebruik van de tuin. Een koopakte uit 1710 maakt ook melding van "twee graven daer aghter, tot een thuintje gebruikt wordende en door een stackettinge afgeschut"; het was vermoedelijk een restant van het middeleeuwse kerkhof. De koopman Abelus van Echten, in 1710 eigenaar geworden, is waarschijnlijk verantwoordelijk geweest voor een belangrijk deel van de huidige verschijningsvorm van het pand. Uit die tijd zijn diverse sporen bewaard gebleven, waaronder enkele binnendeuren en delen van een monumentale kast- en bedstedewand in de voorkamer op de eerste verdieping. Ongebruikelijk is dat deze zowel de noord- als de westwand van de kamer beslaat . in Leeuwarden bevindt de bedstedewand zich gewoonlijk tegen de achterkant van het vertrek, in tegenstelling tot bijvoorbeeld West-Friesland waar hij zich meestal langs de zijwand van het vertrek bevindt. De wand was oorspronkelijk (Berlijns-)blauw geschilderd- een kleur die vooral in de periode 1730-1740 zeer in zwang was. Aan de binnenzijde was hij, zoals gebruikelijk, groen. Omstreeks 1800 wordt het pand beschreven als een "zeekere huizinge, tuin en pakhuis (..) met alles wat daar aan de aard-, band-, spijker- en nagelvast is, bestaande (..) in een royaal voorhuis, een peij-, voor- en agterkamer, een keuken, beneden nog een dito boovenkamer, turf- en linnen zolders, en groot vierkant pakhuis agter deeze huizinge, voorzien met zolder en vlieringe". De oorspronkelijke pakhuisfunctie van het achterhuis is nog duidelijk te herkennen aan de zijgevel. Tijdens de restauratie van 1992 kwamen de genoemde delen van de bedstedewand te voorschijn vanachter het behang op jute en de wand  is toen in zij  geheel gereconstrueerd. Ook van de oorspronkelijke indeling en hoogte van de ramen werden voldoende sporen aangetroffen om ze weer in achttiende-eeuwse staat te kunnen brengen, overigens met5 een negentiende-eeuwse roedenverdeling. Alleen het fries van de bedstedewand berust op fantasie een noodzakelijke concessie, aangezien het treugbrengen van het oorspronkelijke balkenplafond zou betekenen, dat het fraaie, met hagedissen, vogels en andere motieven versierde stucplafond uit het midden van de negentiende eeuw opgeofferd zou moeten worden.  Ook voor de gietijzeren kolommen die tijdens de winkelverbouwing tevoorschijn kwamen, is weer een plaatsje gevonden. Ze ondersteunen nu de luifel van de pui.


8. Groningerstraatweg 32-34
De Leeuwarder architect Piet de Vries (1897-1992) had het eigenlijk niet zo op rijen huizen. "Het huis in de rij heb ik altijd knellend gevonden", vertelde hij in 1980, terugblikkend op zijn werk. "Je krijgt alleen weer de grote lijn als je ze aan elkaar koppelt",  stelde hij en daar is hij met de herenhuizen Groningerstraatweg 32-34 uitstekend in geslaagd. Het dubbele woonhuis dat hij in 1929 voor J. Boersma bouwde, mag gerust als een hoogtepunt uit zijn oevre worden beschouwd. Het huis stelt twee bouwlagen onder een zwaar zadeldak. De gevels zijn onderaan van bruin gesinterde baksteen gemetseld . De rest van de muren is in rood gemêleerde baksteen opgetrokken. De diep voegen zorgen voor mooie schaduwwerking De symmetrisch ontworpen voorgevel bestaat uit twee elementen: de vertikale, kubische ingangstraveeën en daartussen het risalerende, horizontaal belijnde middendeel met erkers en balkon. In zijn jonge jaren gebruikte De Vries in z'n ontwerpen regelmatig vertikale volumen, die ver boven de dakgoot uitsteken, zoals bij de woningen Groningerstraatweg 90-92. Nergens echter paste hij deze karakteristiek zo prachtig toe als hier, waar de vertikalen zijn uitgegroeid tot robuuste, brede ingangspartijen. Deze worden verlevendigd door deuren in rondboognissen, met daarboven smalle, boegvormige erkers. Grappig zijn de 'vlaggemasten' op deze erkers. Het zijn louter decoratieve toevoegingen, die de massieve vertikalen op ranke wijze de lucht in lijken te trekken. De entrees worden door bloembakken geflankeerd. De hoge bakken aan de zijkant benadrukken nog eens extra de afkadering van de gevel. De brede, onverdeelde erkers in het middendeel worden door een betonlatei afgedekt. Een horizontaal accent, evenals de doorlopende houten bloembak voor het balkon en de flinke dakgoot. De plasticiteit van de gevel wordt vergroot door de boegvormige erkerramen van de slaapkamers. Wanneer men het huis binnengaat door de voordeur, betreedt men een fraai betegelde vestibule met granieten vloer. Vanuit de hal daarachter kan men of naar de woonkamer-en-suite en de keuken of via de trap naar boven. Daar bevinden zich vier slaapkamers en een badkamer, die alle vanaf de "corridor" te betreden zijn. Op de zolder zijn nog eens twee kamertjes afgeschoten. opvallend is de fraai vormgegeven trap, waarvan de belijning door de lichtval via het dakraam een extra accent krijgt. De indeling van het huis is helder en praktisch en alles is door de architect met zorg en gevoel voor detail afgewerkt. De vries ontwierp zelfs een geometrische voortuin, die hij omsloot met een, destijds gebruikelijke, gemetselde tuinmuur.


9. Oostergrachtswal 93
Gedurende het laatste kwart van de vorige eeuw en de jaren tot de eerste Wereldoorlog zijn er aan de stadsranden, aan binnen- en buitenzijde, nogal wat gebrouwen tot stand gekomen. Gebouwen met bijzondere functies voor de zich vernieuwde maatschappij. Maar er kwamen ook rijen woningen, geen rijtjeswoningen maar burger- en herenhuzien die onderling steeds iets in verhoudingen en versieringen verschillen. Daarom zijn de kaden en singels aan weerszijden van de stadsgracht zo aantrekkelijk geworden. Het rijkst uitgedoste herenhuis is ongetwijfeld Oostergrachtswal 93, waar in 1992 De Huismus in gevestigd werd. Het is in 1883 gebouwd voor een telg van de familie Dijkstra die fortuin in de handel in koffie en thee maakte. De Dijkstra's hadden aan de andere kant van de stadsrand, het laatste stukje Spanjaardslaan tussen Pelikaanstraat en Harlingerstraatweg, een groet villa met een buitenproportioneel grote tuin staan, die in de jaren-twintig weer is verdwenen. Ze hadden hun winkel aan de Groentemarkt en een pakhuis aan de Eewal. Al die panden waren ontworpen door de familiearchitect Hendrik Kramer, die ook voor een van de familieleden een enorme villa in Laren ontwierp. En dan hadden de Dijkstra's nog een groot herenhuis met bedrijfsruimte aan de Oostergrachtswal, dat al voor Kramers tijd door architect H.R. Stoett ontworpen was. Na de aanleg van het Nieuwe Kanaal werd dit het hoekpand van de Emmakade. Het is het pand waar thans het Baken zetelt. Het pand dat Kramer in 1883 voor Rients Hendriks Dijkstra aan de Oostergrachtswal ontwierp, valt vooral op door zijn decoratieve opsmuk. Architectonisch valt het ook al op omdat het bij de normale drie raamvakken een extra breed raamvak heeft met een bijzondere ruimtelijke geleding. Het pand springt zelfs een beetje opdringerig uit de rooilijn. er werd bij de bouw zelfs speciaal toestemming voor gegeven.

De gemeenteraad verleende op 4 april 1883 vergunning: "1e dat de voorgevel over eene lengte van drie meter veertig centimeter een voorsprong voor de rooilijn der belendende percelen heeft. 2e dat op eene hoogte van vier meter vijftig centimeter boven den bovenkant der bestrating een erker of overdekt balkon is, waarvan de voorkant vijfenzeventig centimeter voor de gevellijn uitsteekt en 3e dat voor de hoofdingang eene trede ter breedte van vijfenzeventig centimeter voor het gevelvlak op gemeentegrond is". 

Bij de bouw van de erker werden risico's genomen. op 21 juli raadpleegde architect Kramer ingenieur Vermaas en bestelde dezelfde dag materiaal voor de bouw bij Van der Meulen. Op 9 oktober werden de consoles voor de erker geplaatst, een dag later de voer gelegd en pas op 3 mei 1884 werd de stut onder deze balkonerker vandaan genomen. "Zonder enig letsel", noteerde de architect opgelucht. We weten er zo veel van uit de dagboekjes van Kramer, die in de familie bewaard zijn gebleven.  Zo weten we dat op 2 mei 1883 de aanbesteding plaatsvond en dat J. Ruding het werk gegund werd voor ruim 13 duizend gulden. Toen de bouw voltooid werd, bleek de bouwsom met architectenhonorarium ruim 18 duizend gulden te bedragen. Een aanzienlijke som voor die tijd. Er werden nogal wat bedrijven uit Brussel voor allerlei bijzondere onderdelen ingeschakeld. Daar in België had Kramer een deel van zijn opleiding gevolgd. Het decoratieve steenhouwwerk, de bewerkte betonnen kunststeen en het sierpleister kwam van de firma Francken. Pellerini frères leverden de fraaie mozaïekvloer van de vestibule en een Mechels bedrijf een grote spiegel. Het hang- en sluitwerk bestelde Kramer als gewoonlijk bij Meert & fils. Zelfs de meubels kwamen uit Brussel, van de firma J. en A.Wattig. De plint en borstweringen voor de benedenramen zijn bekleed met hardsteen. Verder zijn alle decoratieve elementen (die bijna geen ruimte meer laten voor wat baksteenvakken) vervaardigd van kunststeen, een soort beton, en van pleister. Zo zitten er boven de ramen plantenslingers en consoles ondersteunen daarboven weer een fries met tegelvlakken. Bij de bovenramen herhaalt zich een gevarieerd decoratief programma. Het vak rechts van de deur is extra breed. Beneden zit een driedelig venster, daarboven de grote versierde erker en daar weer boven een torenvormige opbouw met een omlijste, openslaande deur met een fraaie bekroning. op het dak hebben kammen van ijzer of zink gezeten. Die zijn verdwenen, maar verder is het pand aan de buitenkant nog in redelijk oorspronkelijke staat. Ook binnen is nog verrassend veel oorspronkelijks te vinden, meer dan gewoonlijk in panden van meer dan een eeuw oud. Van de ooit fraaie tuinaanleg met onder andere priëlen, een ontwerp van G.L. Vlaskamp, rest echter niets.


10. Over de Kelders 2
Een sobere voorgevel uit de negentiende eeuw kan veel verbergen. Een zeer gaaf woninginterieur in de neo-renaissancistische stijl van de late negentiende eeuw. Maar ook de onzichtbare, anecdotische geschiedenis van haar bewoners. Zo is het pand lange tijd bewoond geweest door een familie Hoekema, die er ook een bakkerij had. Van de Hoeksema's zijn door de geschriften van de in 1993 overleden dominee C.P. Hoekema aardige verhalen overgeleverd. Een huwelijk van Johannes Hoekema, meester-bakker en in 1733 tot keurmeester benoemd, met Klaaske Reinalda werd jarenlang door zijn ouders tegengehouden omdat ze "dat vrouwspersoon hielden voor een slof mesch, die nooit geschikt kon worden tot een goed Huishouden". Tegenwoordig, inmiddels al ruim een halve eeuw, heeft de familie Van der Borg hier een winkel in bedrijfskleding, De Werkman. De voorgevel is drie raamvlakken breed en drie lagen hoog en wordt bovenaan afgesloten door een stevige kroonlijst met fraaie dubbele consoles en decoratieve lijstjes. De hanekammen boven de vensters hebben blokken als versiering. Het winkelhuis staat bij de Brol, de pijp die in 1684/'85 in gebruik werd genomen als marktplaats. De bijbehorende diepe achterbouw ligt aan een doodlopende steeg. Deze "deurgaende of Spoocksteeg" (1685), na 1784 "Lombardsteegje" genaamd, verbond indertijd de Brol met de Heerestraat. Hier bevonden zich de ingangen van het vroeger door meer gezinnen bewoonde huis. De Hoekema's werden in 1699 mede-eigenaar van het pand. Op 21 februari kochten "Pieter Taekes Smalschipper op Amsterdam en Doedtie Hendrix echtelieden, Johannes Hoekema en Maria Lansenbergh, mede echteluijden in Leuwarden voorschr., sekere vijf seste parten in twee dedeijlde huijsinge cum annexix (..) staende en gelegen nevens de Brol op de hoek van de doorgaande steegh (..), wordende tegenwoordigh bij de echteluijden koopers beneden selfs, en Dr. van den Heuvel boven bewoont". Het overblijvende zesde part bleef eigendom van twee minderjarige kinderen van de verkopende partij. Nadat vader Hoekema er de brui aan had gegeven, zette zijn zoon Johannes de bakkerij voort. Ook toen het dubbelhuis in 1758 door verkoop uit de familie was geraakt - een deel aan Gerke Gerkens en Jan Lykles, het andere deel aan Johannes Snoek, weer een bakker, en zijn vrouw Elisabeth Meere - bleef er nog enige tijd een Hoekema, Enne, wonen. Deze koopman en handelaar in Delfts goed huurde "de intrek boven J. Snoek". Zijn oomzegger Petrus karakteriseerde hem aldus: "Enne. Zo verre ik hem gekend hebbe was hy van een onheblyk humeur. Wy bezogten hem zelden, en slegts maar terloops. Hij was een zotte Liefhebber van zyne Hondtjes, noemde die zyne kinderen, en kleede

's winters met een daar toe passende Rok. Hy was uit zyn aard wat mursig".  Misschien geen wonder dat Enne nog lang ongehuwd bleef (tot zijn zestigste).


11.  Eewal 58 en 60
Deze panden waren al eens te bezichtigen tijdens de monumentendag 1991. Ze zijn opnieuw opengesteld, om het resultaat te kunnen bewonderen van restauraties die in 1993 werden afgesloten. De gevelstenen in de voorgevel van Eewal 60 geeft als bouwjaar 1619 aan, waarbij opvalt dat de zes veranderd is in een acht. Wellicht werd er in 1819 verbouwd. De middelste rondboog is iets smaller dan de overige en doet vermoeden dat vroeger de voordeur zich hieronder bevond. Een belangrijke verandering op de begane grond is de opsplitsing van de doorzonkamer in een voor- en achterkamer, waarmee de historische indeling weer is hersteld. Hierbij is gebruik gemaakt van de kastenwanden van de eerste verdieping. Uit bouw- en verfsporen viel af te leiden dat ze vroeger tot één rococo bedstee/kastenwand behoorden. Deze wand uit ca. 1760-1770 is gereconstrueerd en geplaatst in de voorkamer op de begane grond boven de kelder. In de achterkamer op de eerste verdieping is de keuken gesitueerd. Deze kamer staat in open verbinding met de voorkamer, waar de negentiende-eeuwse gestucadoorde kachelnis is ontdaan van een later toegevoegde schoorsteenmantel en teruggebracht tot zijn oorspronkelijke 'poortvorm'. Als nieuw plafond is in deze ruimte gekozen voor stucwerk Bij het aanbrengen daarvan kwam men ook vorige generaties plafonds tegen: zachtboord-, zeil-, planken- en balkenplafond. Een vernuftig aangebracht sierlijstje suggereert een rechthoekige ruimte hoewel de voorgevel scheef verloopt ten opzichte van de zijgevels. Eewal 58 werd in dezelfde tijd gebouwd als nummer 60 - een rondboog eindigt zelfs in het gevelvalk van de buren. De gevelsteen "De Jonge S. Jacob" is afkomstig van elders. De mansardekap uit het begin van de twintigste eeuw is in 1992 vervangen door een schilddak, zoals dat oorspronkelijk het geval was. Een koopakte uit 1734 omschrijft het interieur als "bestaande in een voorhuis, voorkamertie daarin twee kassies, een fraije woonkelder met bedsteede, bottelarie en heerdstede, bierkelder en turfhok, een agterkeuken met een heerdstede en houtsolder daarboven, een plaatske met een uitlopend secreet en regenwatersbak sampt houten afdak, en kelderskamer met blauwe en witte steenen vloer beneffens een ruim bedsteed, bottelarie en haardsteed, een bovenvoorkamer voorsien met bedsteed, kleerkast en heerdsteede, een agterbovenkamer met bed- en heerdsteede sampt kleer- en turfsolderinge". Veel van deze elementen kunnen we nu nog terugvinden in het pand. Links van de verdiepte kelder (binnenhaard) loopt een gang, die uitkomt in de nieuw opgetrokken uitbouw die in de negentiende eeuw verbonden was met een achterhuis. Hierachter stond het voormalige betonnen archiefgebouw van de Raad van Arbeid, die tot 1973 was gehuisvest op nummer 56. Dit gebouw is in 1992 afgebroken om ruimte te maken voor een diepe tuin op de terphelling achter deze gaaf bewaarde en zorgvuldig gerestaureerde stadswoning.


12.   Weerd 11
In een straatwand met overwegend winkelpuien valt Weerd 11 vrijwel onmiddellijk op door het uitgesproken woonhuiskarakter dat dit pand in de loop der eeuwen heeft behouden. Het pand kent een interessante bouw- en bewoningsgeschiedenis, die zich al aan de voorgevel laat aflezen. We vinden echter ook in het interieur en aan de achterzijde van het huis fraaie sporen terug. De oudste gedeelten van het huis kunnen gedateerd worden tussen 1550 en 1600. Aan de in de rode baksteen opgetrokken voorgevel valt uit die tijd ter hoogte van de wisseldorpels van de bovenramen de karakteristieke, op sierlijsten rustende uitkraging op. In de van geeltjes gemetselde achtergevel vinden we nog brede korfbogen boven de verdiepingsramen en de resten van zulke bogen juist boven de pleisterlaag van de onderpui en net tussen de vensterbanken der bovenramen. Een koopakte uit 1726 laat weten dat in dat jaar Jacobus Fenema en zijn vrouw op Oud-Oenemastate te Wirdum het pand verkochten voor ruim 3700 gulden. In 1719 hadden zij het gekocht voor nog geen 2650 gulden. Het huis, in 1726 bestaande uit "veel grote boven en benedenzalen en kamers, groote lugtige plaats, galderije, kelders, bak, put, uitlopende secreten, kleer en turffsolders" was door hen dan ook "voor een groot gedeelte na de nieuwste maniere, met Engelse glaasen en raampten nieu getimmert". Aan de voorgevel is deze verbouwing te zien aan het soort baksteen van de onderpui en natuurlijk aan de gewijzigde ramen. Deze werden vergroot en kregen nu zogeheten hanekammen ter afsluiting. Op de eerste verdieping is deze vergroting goed te zien ter hoogte van de (grappige detail!) in de negentiende eeuw met verf geretoucheerde zestiende-eeuwse waterlijsten. Daar verraden lasnaden in de kozijnen nog zichtbaar de oude afmetingen der vensters. Let wel, de hanekammen op de bovenramen zijn ook negentiende-eeuwse nep'!

In 1781 verkochten de erven van Dr.  Petrus Bourboom het pand. In de verkoopakte vinden we genoemd het portaal, de "gang met een marmeren vloer; waarin een kastje onder de trap" en de "agterhuisinge" aan de Bagijnestraat met de bijzondere "kelder-keuken:. Petrus had in het huis ook nog een "klok met speelwerk" en "schilderijen in de schoorsteenen van de beneden voorkamer en groote Agterkamer",  maar die hielden de erven zelf (zie ook Nieuwesteeg 5). In de negentiende eeuw vonden verbouwingen plaats waarbij het pand zijn afgeknotte dak op de geblokte kroonlijst en de fraai omlijste dubbele deuren kreeg. Eerst in 1942  verloor het pand gedeeltelijk zijn woonfunctie. Het achterhuis en de benedenverdieping werden toen ingericht tot kantoorruimte voor de Nederlandse Volksdienst. Sinds de restauratie in 1982 is Weerd 11 in gebruik bij antiquariaat De Tille als bedrijfspand en woonhuis.


13.  Nieuwesteeg 8
Nadat eind zestiende eeuw aan de Nieuwestad een pand was afgebroken en op de vrijkomende kavel tussen Nieuwestad en Bagijnestraat de Nieuwesteeg werd aangelegd, was dit pand één van de eerste die aan de steeg werd gebouwd, met het voorhuis op het vroegere achtererf van Nieuwestad 73 en het achterhuis op dat van de Nieuwestad 75. In een koopbrief uit 1786, toen het huis voor 1900 goudguldens werd verkocht aan de weduwe van "fijnschilder" Sytse Roelofs Nicolai, werd het omschreven als "zekere deftige fraije en net betimmerde huizinge (..) bestaande in een vierkant voorhuis en houten vloer geblastonneerd, een fraije voorkamer meede met houtene vloer en schuiframen aan de straat, extra moderne besneeden schoorsteen met staande plaat en schilderstuk in dezelve en fraaij behangen bedsteedt aen wederzijden met kasten (..) daar nevens een  schoone agterkamer met houten vloer, Italiaansche schoorsteen met staande en leggende plaat (..) een trap bij 't voorhuis na boven (..) een agterkamer met houten vloer, Italiaansche schoorsteen met schilderstuk in dezelve, gaande voorts door een aparte deur daar nevens kasjes, een fraije roijaale vierkante voorkamer met houtene vloer en vier schuifraamten aan de straat uitziende, fraaije Engelsche schoorsteen met schilderstuk in dezelve, leggende plaat en fraaij behangen gelijk meede net betimmerd bedsteedt en provisiekasten met drie bijzondere deuren naast malkanderen, gaande door eene van dezelve tot gemak na onderen en de andere na boven (..)".

Het interieur is sindsdien niet meer wezenlijk veranderd. In de voorkamers op de begane grond en op de eerste verdieping zijn de bedsteewanden en schoorsteenmantels uit de late achttiende eeuw nog aanwezig. Vooral de schoorsteenmantel beneden is fraai versierd met onder andere drie engelenkopjes en boven de spiegel, die de plaats inneemt van het verdwenen schilderstuk, een ramskop. De schouw is uitgevoerd in Lodeijk XV!-stijl, de bedstee- en kastenwand in rococo, al keren bepaalde onderdelen in beide interieurelementen terug wat er op wijst dat schoorsteenmantel en lambrizering uit dezelfde tijd kunnen stammen. Ook in de voorkamer op de eerste verdieping zijn de achttiende-eeuwse schoorsteenmantel en de bedsteeen kastdeuren bewaard gebleven. Mogelijk is het interieur nog ontstaan aan het einde van de periode 1722-1778, toen Sierk Nieuwenhuis, "geadmitteert landmeter en 's Landschaps Wijnroeijer", en later diens weduwe het huis  bewoonde en in eigendom had. Het meest waarschijnlijk zijn de jaren 1778-1782, toen Salvus Postma, mr. glazenmaker, eigenaar en bewoner was. Na hem werd het huis door weer een ander eigenaar gedurende vier jaar verhuurd en het valt nauwelijks aan te nemen, dat iemand zo'n bijzondere verbouwing ten pleziere van een huurder laat verrichten. De vier raamvlakken brede gevel met een omlijste ingangspartij, opgetrokken in een in Leeuwarden weinig voorkomende rode baksteen, dateert eveneens uit deze periode en vormt een waardige pendant van het huis op nummer 5.


14.  Nieuwesteeg 5
Museumwinkel Nieuwesteeg 5 is een woonhuismonument waarvan de stichting teruggaat tot kort voor 1600. Nadat de Stad omstreeks 1590 de Nieuwesteeg als verbinding tussen Nieuwestad en Bagijnestraat had laten doorbreken, zijn vermoedelijk tussen 1594 en 1596 de timmerman Rutger Hetteszoon en zijn vrouw Sibbel Cornelisdochter de eerste bouwers geweest. De voorname uitstraling die het pand vooral op de eerste verdieping kent, heeft het te danken aan de Leeuwarder burgemeestersfamilie Bourboom. Leden van deze familie bewoonden het pand tussen 1665 en 1781. Als het pand in 1665 wordt verworven door Auckien Hiddema en haar echtgenoot de wijnkoper Pytter de Neeff wordt het omschreven als "seeckere onse huysinge, twee viercant hooch, sampt plaetse, tuyninge, keucken, back, puth ende gemack". Via de kinderen van Auckien uit haar eerste huwelijk met de wijnkoper Jacob Bourboom vererfde het huis in 1715 op de kleinzoon en latere burgemeester Jacob Bourboom. Het is vermoedelijk deze Jacob die het pand zijn charmante rococogevel gaf. De vijf vensters op de verdieping hebben prachtig getoogde bovendorpels en het centrale venster is voorzien van een fraai gesneden omlijsting. Hieronder heeft zich stellig op de begane grond de ingangspartij bevonden. Een vergelijkbare, op de begane grond nog onverstoorde gevel bevindt zich in Leeuwarden op Korfmakersstraat 15-17. In 1781 werd het pand door de erven van wijlen secretaris E. Bourboom verkocht aan de meester-geelgieter (= koperslager) Johannes Bon. Het huis werd toen beschreven als "een voorhuis, twee voorkamers aan de straat, een grote agterkamer voorzien met een schoorsteen (..), een dwarsgang, nog een kamer aan de straat, (..) een kelder en een keukentje (..) een plaats, waarop een prieel" en "boven drie kamers, voorts zolders en op dezelve afgeschutte kamertjes". Net las bij Weerd 11, dat eveneens in 1781 door de erven Bourboom werd verkocht (zie aldaar), bleef ook hier het schilderij dat zich boven de schoorsteen bevond in de familie. Van 1805 tot 1896 was het pand in bezit van de rijke winkeliersfamilie Ten Brink. Wanneer deze familie het pand in 1896 verkoopt wordt het een "slijterij in sterke drank" genoemd. De familie Ten Brink richtte daartoe onder andere de kelder in met een nieuw troggewelf en smeedijzeren rekken met sierlijk ornament. In 1901 vestigde K.L. Feenstra zich in Nieuwesteeg 5. Hij nam het pand in gebruik als kruidenierswinkel en woning Feenstra overleed in 1926, waarna zijn dochters het winkelbedrijf voortzetten tot 1973. Na de sluiting bleef de laatste van deze legendarische gezusters nog tot 1990 in het pand wonen. Daarna werden winkel en woonhuis, waarin vanaf ongeveer 1900 aan interieur en exterieur vrijwel niet meer was veranderd, aangekocht door makelaar C.H. Boomsma. Vooral door zijn toedoen werd het pand in 1992 door de Stichting Nieuwesteeg 5 geopend als Museumwinkel waar men een aardig beeld krijgt van het gruttersbedrijf uit vervlogen tijden.


15.  Grote Kerkstraat 7   Heer Ivohuis
Het pand Grote Kerkstraat 7, beter bekend als het Heer Ivohuis, is een belangrijk Leeuwarder monument. Aan het gepleisterde en geschilderde exterieur is het niet te zien, maar het interieur herbergt zeer belangwekkende onderdelen. De eerst bekende bewoner van het huis was Heer Ivo Johannes, hoofdpastoor en later deken van het Oldehovekapittel. Kennelijk geliefd bij de Leeuwarders, want in een oud geschrift staat het rijmpje: "Heer Ief, heeft het volk lief". Heer Ivo Johannes was ook de naamgever van het Heer Ivostraatje. Stadsarchivaris Wopke Eekhof achtte het waarschijnlijk dat het huis in 1511 door de Martena's en Burmania's aan de kerk van Oldehove geschonken werd, waarna het "opghetimmert is tot een Pastoers huus". Heer Ivo bewoonde het huis waarschijnlijk tot zijn dood in 1581. Daarna werd het achtereenvolgens bewoond door leden van de adellijke familie Van Donia, Feye Tiercx Heidema en zijn zoon Tarquinius Heidema (advocaat aan het Hof van Friesland), en Hendrik van Wyckel (onder andere ontvanger-generaal der lijfrenten en secretaris van Gedeputeerde Staten). Diens erfgenamen verkochten het huis aan de kamerheer van prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, jonkheer Robbert Hendrik van Hambroick, die het in 1766 weer aan de latere grietman van Ferwerderadeel, Imilius Josinus de Schepper en zijn vrouw Amelia Coehoorn van Scheltinga, verkocht. Toen zij er in 1785 afstand van deden kon het, waarschijnlijk op grond van familieverwantschap, geniaard worden door vrouwe Georgina Grancoise Lycklama à Nyeholt en haar man Philip Hendrik Neering Bögel. Op 1 juni 1793 meldde de Leeuwarder Courant, dat Justitie een beloning van 1000 gouden Hollandse ducaten uitloofde aan hem "die Philip Hendrik Neering Bögel, ontvanger-generaal der floreenrenten van Friesland, die zich schuldig heeft gemaakt aan schandelijke landsdieverij en voortvluchtig is, in handen der Justitie levert". Uit zijn failliete boedel werd "de Heerlyke Huizinge" in de Grote Kerkstraat op 6 december 1793 verkocht aan de advocaat aan het Hof van Friesland, mr. Epeus Wielinga Huber en zijn vrouw. Hun zoon mr. Ulrich Herman Wielinga Huber en zijn vrouw, jonkvrouw Anskje Doyes Vegelin van Claerbergen, waren de volgende bewoners. Ook in de negentiende en twintigste eeuw kende het huis goed gesitueerde bewoners: onder meer een grietman, een predikant en enkele artsen. In de na-oorlogse jaren was het Heer Ivohuis lang in gebruik bij de uitvaartvereniging De Laatste Eer. In 1992 is de winkel Friso Design in het pand gevestigd. Uit de bekende plattegrond van Johannes Sems van 1603 is af te leiden, dat het Heer Ivohuis een langgerekt, diep huis was met een kopgevel aan de Grote Kerkstraat. De ingang lag aan het voorplein aan de oostzijde. Het huis had boven de begane grond een verdieping en een zolderverdieping. Onder de achterkamer lag een door een dubbel tongewelf overkluisde kelder, die nog altijd aanwezig is. op de verdieping van het oude huis zijn heel verrassend de laat-middeleeuwse moer- en kinderbalken met spreidsel en sleutelstukken met peerkraalmotief te zien. De huidige voorgevel werd in het tweede kwart van de achttiende eeuw opgetrokken. Hier kwam een nieuwe ingangspartij. Tussen Grote Kerkstraat 7 en 9 lag toen nog een pleintje, dat aan het eind van de achttiende eeuw bij Grote Kerkstraat 9 getrokken is. Omstreeks 1905 werd het huis nogmaals verbouwd, waarschijnlijk door architect W.C. de Groot. Het kreeg toen de huidige verschijningsvorm. De zijmuur werd gepleisterd, de voorgevel geverfd en de oude kap omgebouwd tot een kap in de vernieuwingsstijl. De roodgeglazuurde pannen op het voor- en achterschild, de keramische pironnen op de hoeken en de drie karakteristieke drielichtkajuiten getuigen hiervan. Ook de decoratieve glas-in-lood ramen zijn uitgevoerd in de vernieuwingsstijl. Bij binnenkomst valt eerst de monumentale, in rijke Lodewijk XVI-stijl uitgevoerde gang op, met marmeren vloeren en lambrizeringen, gesneden deuren met bijpassende omlijstingen en door sierpleister gelede wanden en plafond. Boven het voorste paar deuren bevinden zich ronde holle nissen, waarin prachtig gemodelleerde putti "zweven". De grote benedenruimte was vroeger in twee kamers verdeeld. De stucplafonds met kwart-ronde hoekornamenten en centrale ornamenten zijn eveneens uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. In het achterhuis is de kamer met het zware balkenplafond bedekt met sierpleister. In de erachter liggende keuken zijn tegeltableau's verwerkt. vanuit de keuken is via de oude spiltrap de met een dubbel tongewelf overkluisde kelder te bereiken. In een naar het oosten uitspringend deel van het huis bevindt zich het vermoedelijk omstreeks 1905 gebouwde trappenhuis met bovenlicht. De monumentale trappartij leidt naar de hal op de verdieping waar de moer- en kinderbalken en de zestiende-eeuwse sleutelstukken te zien zijn. ook de grote voorkamer op de verdieping is van een verrassende schoonheid. Het belangrijkste interieuronderdeel is de gesneden schoorsteenpartij. Het is betreurenswaardig dat een vorige eigenaar het bijbehorende schilderstuk, een bloemstilleven met een rijkversierde lijst weggebroken en meegenomen heeft. Naast de grote voorkamer bevindt zich een smalle zijkamer. De verbinding ertussen wordt gevormd door een brede, gedrukte toog die gesierd is met rijk Lodewijk XVI-snijwerk, waarin blad- en bloemmotieven te herkennen zijn. Achter het Heer Ivohuis ligt een langgerekte en beschutte binnentuin.

Colofon

Uitgave:                Stichting Aed Levwerd, 1993
Redactie:              Leo van der Laan, Johan Lichthart en Derk Jan Prins
Tekstbijdragen:    Terry van Ditmars, Hendrik ten Hoeve, Peter Karstkarel, Leo van der
                             Laan, Johan Lichthart, Rita Mulder-Radetzky, Derk jan Prins, Hotso
                             Spanninga
Illustraties:            Paul Friedrichs, Menno Pothof, Jaap Spieker, Gemeentearchief
                             Leeuwarden, Monumentenzorg gemeente Leeuwarden, Prentenkabinet
                             Fries Museum
Kaart:                   Cees Sträter
Druk:                    Dekker Drukwerken, Leeuwarden
Vormgeving:        Dekker Drukwerken, Leeuwarden

De organisatie van de zevende Open Monumentendag in Leeuwarden en de uitgave van een begeleidend boekje zijn mogelijk gemaakt door financiële en andere ondersteuning van onder meer de gemeente Leeuwarden, Ritske Boelema Gasthuis, Sint Anthony Gasthuis, Maatschappij tot ' Nut van het Algemeen, ArtA, DHV Friesland, de Leeuwarder Onderlinge, Noordplan, Profiel PR, Seinen & Van Leeuwen en het Gemeente Archief Leeuwarden.

De Stichting Aed Levwerd dankt de eigenaars/beheerders voor de openstelling van hun pand en de talrijke vrijwilligers voor hun enthousiaste inzet.

Terug