Het Vliet. Een gribus met karakter en sfeer


Open Monumenten in Leeuwarden 1994



Voorwoord

"De Leeuwarder geslachten Flietstra en bij misspelling Vlietstra, evenals van der Vliet, hebben er hun naam aan ontleend. Behalve door fabrikanten en neringdoenden werd het Fliet voornamelijk bewoond door schippers en visschers, en zo verwondert het niet, omstreeks 1680 aldaar een bord aan te treffen met de voorstelling van een aantal vischhoeken en daaronder, "Hier maakt men allerhande hoecken op't Vliet. om gelt anders niet".

Zo beschrijft de oud-Leeuwarder N.J. Waringa anno 1938 in zijn nog steeds 'nijsgjirrige' krantenserie. "Tusschen Flie en Lauwers" de band tussen mijn familienaam en het Vliet. Waringa spelde de naam van het Vliet hardnekkig met een "F". Wie naar de vroegst bekende spellingen kijkt - "fleestera fenne" in 1502 en "Fleestra fenne" in 1509 - ziet dat hij daar zijn recht toe had. Met deze vermeldingen moge ook de afleiding van de "misspelling" Vlietstra geïllustreerd zijn. Het opschrift op het bord uit 1680 toont ons echter dat ook de huidige spelwijze op oude tijden terug kan vallen.

De Stichting Aed Levwerd organiseert in 1994 voor de achtste maal in successie de Open Monumentendag in Leeuwarden. 25 jaar na de demping in 1969 koos de stichting de historische uitbuurt het Vliet tot thema.

De demping in 1969 heeft haar sporen nagelaten. Anno 1994 worden daar nog steeds discussies over gevoerd, ook in de Leeuwarder gemeenteraad. Het Vliet heeft bij velen in Leeuwarden een apart plekje in het hart. De Open Monumentendag 1994 biedt een goede gelegenheid de historie en nostalgie van het Vliet opnieuw te beleven.

Van harte aanbevolen,
J.G. Vlietstra
Wethouder

De één vond het "bepaald een gribus", de ander sprak van "karakter" en "sfeer". In 1965 besliste Leeuwarden over de demping van het Vliet. Het besluit werd niet snel genomen en ook niet zonder slag of stoot, maar wel overtuigend. In de Leeuwarder gemeenteraad waren 29 stemmen voor de demping en maar vijf tegen. In 1969 gingen de eerste bakken zand in de zo oude en respectabele waterstroom. Twee jaar later was de gehele demping een feit. Een ingrijpende gebeurtenis voor een eeuwenoude uitbuurt met een kleurrijke historie die in 1994 toch op veel plaatsen nog te bespeuren valt.

Vanouds werd aangenomen dat de Vliet, het stromende, vloeiende watertje dat het Vliet zijn naam gaf, de natuurlijke afwatering vormde van oostelijk en zuidelijk Oostergo. Een lang, traag door het landschap slingerend lint dat het water uit Oud- en Langdeel, Kurkemeer en Tijnje in een monding ergens bij het Naauw naar de toen nog bestaande Middelzee bracht. Nog zijn op het Vliet die trage, bijna rechte slingers te zien. Over de oorspronkelijke loop in de binnenstad bestonden echter twijfels. De haakse bocht die het riviertje naar de Voorstreek maakt in aansluiting op de Tuinen, kon haast niet natuurlijk zijn en duidde mogelijk op een verlegging van een ooit zuidelijker gelegen bedding. Deze bedding zou dan zijn vergraven ten gunste van de in de veertiende eeuw aangelegde stadsgracht - toen nog langs Tweebaks­markt, Tuinen, noordelijke Voorstreek en verder.

In 1991 zette de Leeuwarder geograaf Meindert Schroor deze theorieën op de kop. In zijn opvattingen vormde de Potmarge de oorspronkelijke afwatering vanuit het zuidoosten en zou daarnaast tijdens de dertiende of veertiende eeuw het Vliet gegraven zijn. Kunstmatig dus - zie de rechte, dat is inderdaad niet al te meanderende loop. Voor Schroor moet het ontstaan van het Vliet vooral worden bezien in het verdwijnen van de Middelzee en het verplaatsen van de afwatering als gevolg daarvan.

Over de oorsprong van het Vliet is het laatste woord nog niet gezegd en geschreven. Algemeen wordt aangenomen dat sinds het graven van de veertiende eeuwse stadsgracht de loop van het Vliet van Schil­kampen tot aan het Naauw niet meer is veranderd. Des te meer haar omgeving.

In de oude papieren duikt de naam van het Vliet voor het eerst op in het prille begin van de zestiende eeuw. In 1502 en 1509 is er sprake van een "fleestera fenne", respectievelijk "Fleestra fenne". Ook in 1509 vinden we een "gued oppa fleet" en worden een "heercke" en "vopka" "bij fleet" genoemd. De eerbiedwaardige stadshistoricus Eekhoff verhaalde nog van het testament van Luttzie Harinxma uit 1520 als vroegste vermelding. Daarin is sprake van land "bij dat Fleet".

Het Vliet werd nu als streek op zich beschouwd. Een streek die overigens niet meer rechtstreeks met de stad verbonden was. De in macht toenemende stad had zich tussen 1481 en 1494 van een nieuwe en grotere vesting voorzien. De toen gegraven Oostergracht vormt in 1994 nog steeds de westgrens van het Vliet. Er lag echter in 1494 nog geen brug over de gracht.

De streek rond het Vliet werd wel tot het rechtsgebied der stad gerekend, al was dat lang niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Tot 1435 hoorde het Vliet nog tot Leeuwarderadeel, waar de macht van de ten noorden van het Vliet op Camminghaburg wonende Cammingha's groot was. De Cammingha's en Leeuwarderadeel probeerden de zeggenschap die de stad vanaf 1435 over het Vliet kreeg, aan te vechten en te bemoeilijken. Een strijd die eerst definitief werd beslist in 1515 in het voordeel van de stad middels een ordonnantie van de toenmalige landsheer.

Van de Cammingha's wordt aangenomen dat zij in de vijftiende eeuw aan de noordkant van het Vliet vanuit Hoek huizen lieten bouwen in concurrentie met de stad. Ook aan de zuidkant langs de Tuinen ontstond toen bebouwing. Hoe ver de huizenrij zich vóór 1500 langs het Vliet uitstrekte is niet bekend. De aanleg van de gracht deed de bouw en bedrijvigheid langs het Vliet echter geenszins stagneren, haast in­tegendeel.

Een eerste beeld van de vroegere bebouwing krijgen we op de kaart van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560. Langs het Noordvliet strekt de bebouwing zich al uit voorbij de Cambuurstraat, waar een pad en een opvaart naar de Camminghaburg de huizenrij onderbraken. Aan het Zuidvliet lag de oostelijke grens bij de molen die reeds in 1541 wordt vermeld als korenmolen in de Buweesterfenne en stondop de plek waar in 1994 de oude Gemeenteschool zes staat. Het Molenpad ontleent er zijn naam aan. Ook op het Noordvliet zien we een molen tussen de bebouwing en dat toont wel aan dat sinds de aanleg van de stadsgracht een heuse uitbuurt was gevormd. Behalve van molens is er in deze tijd sprake van scheepswerven, een zoutkeet, pot- en panbakkers en tichelwerken, onder meer bij Kleyenburg. De stenen voor de Oldehove werden op zo'n tichelwerk aan het Vliet gebakken.

De ontwikkeling van het Vliet werd door de stad in die tijd beslist beïnvloed. Enerzijds was de streek een uitstekende plaats waar zich beroepen en bedrijven konden vestigen die vanwege hun hinderlijkheid voor het milieu of brandgevaar maar beter buiten de stad konden blijven. Anderzijds dreigde op het Vliet de voortdurende vestiging van lieden die zich aan de gildebepalingen wilden onttrekken en toch van de verdiensten en voorzieningen van de nabije stadsgemeenschap wilden profiteren. Een dubbelzinnige situatie dus, die de verhoudingen tussen stad en uitbuurt soms verstoorde.

In 1560 lag er nog steeds geen brug over de gracht. Wel is er een brug tussen Noord- en Zuidvliet in het westelijk gedeelte van de streek. Omstreeks 1610 werd bovendien de Boomsbrug over het Vliet ge­legd, direct aan de oostzijde van de stadsgracht. De nieuwe brug ontleende zijn naam aan de tolbomen die er voor lagen en de stadsgracht van het Vliet afscheidden. Een poging van de Vlietsters in 1636 om zelf een brug over de gracht te financieren mislukte. Om in de stad te komen moest men nog tot in de negentiende eeuw gebruik maken van een pontje of lopend over het pad langs de Oostergracht naar de Hoekster- of Wirdumerpoort.

In het midden van de zeventiende eeuw omschreef de uitgever Johan Bleau het Vliet als een "voorstadt aen d'oostzijde [met] vele fraye huysen en tuynen [...] Vliet genaemt naer een graft [...], die daer deur loopt, en als een haven voor de schepen is". De beschreven welvaart was in zoverre betrekkelijk dat Gedeputeerde Staten in 1625 hadden bepaald dat alle bouwwerken buiten de toen net vernieuwde vesting in geval van oorlog op afbraak stonden. Een indertijd niet ongebruike­lijke voorwaarde, die omstreeks 1670 tot benauwde jaren voor de Vlietsters leidde. Toen dreigde de Bisschop van Munster de noorde­lijke gewesten binnen te vallen en stad en provincie werkten serieus aan uitvoering van het in 1625 verordonneerde. Toen de aanval in 1672 bij Groningen gestopt werd, konden de "fraye huysen en tuynen" gespaard blijven.

Tot de negentiende eeuw moesten de bewoners van het Vliet veel van hun voorzieningen zelf verzorgen. We zagen al dat men zelf een brug over de gracht wilde betalen. Ook moesten de Vlietsters voor het onderhoud van hun eigen armen zorgen. Behalve de Boomsbrug, immers een tol voor de stad, moest men verder ook de oeververbindingen tussen Noord- en Zuidvliet zelf bekostigen. In 1659 werd de Witte Brug gebouwd, mogelijk ter vervanging van de oude brug en gelegen ongeveer ter hoogte van Vliet 48 anno 1994. In 1702 plaatste men de Blauwe Brug, anno 1994 in de buurt van de Noordvlietstraat. De aanleg van deze brug duidt er al op dat de bebouwing van het Vliet in de zeventiende eeuw in oostwaartse richting opschoof. Naast de al genoemde bedrijvigheid vinden we nu ook een lijmziederij, een leer- en een volmolen en een hout- en oliemolen. Dat men zich op het Vliet nu ook zorgen ging maken over het gevaar van een zich snel verspreidende brand, moge daaruit blijken dat in 1681 de huizen van brand­emmers werden voorzien. In 1712 kwam er zelfs een brandspuithuisje bij de Boomsbrug op kosten van de stad. In 1682 kwam er enig toezicht op het bouwen en werd een rooilijn vastgesteld.

Aan het eind van de achttiende eeuw maakte de bevolking van de uitbuurten ongeveer een zesde deel van de stadsbevolking uit. Bedrijvig­heid met daarbij behorende bewoning waren in deze tijd krachtig toegenomen. Een fraai voorbeeld van een bedrijfscomplex met woningen was de succesvolle onderneming van Pieter Luytjens van der Meulen, die in 1752 de runmolen 'de Jonge Fenix' liet bouwen. Door zulke activiteiten had het Vliet zich omstreeks 1800 in de lengte, maar ook aan weerszijden in de breedte uitgebreid.

Stadshistoricus Eekhoff spreekt van het ontstaan van "een menigte van stegen". Die menigte nam nog toe in de voor het Vliet voorspoedige negentiende eeuw. Vaak blijkt uit de namen van die stegen iets van de bedrijvigheid aan het Vliet. Zo herinnert het Keetwaltje aan de door Pieter van der Meulen gestichtte zoutkeet, en verder vinden we een Bezemmakerssteeg (1757), Zeilmakerssteeg (1749) en een Tuinmans­steeg (1843). Ook de namen van eigenaren worden genoemd. Pieters­buren, Poppeweg en Kleyenburg herinneren daar in 1994 nog aan. In 1584 vinden we al "Syuert Cleyenborchs tichelwerk". De Poppeweg verwijst mogelijk naar de lakenkoper Popke Harmens die in 1711 ter plaatse woonde. In 1765 wordt de brug aldaar "Poppe brugge" ge­noemd, terwijl het gemeentebestuur in 1877 besloot de bij die brug gelegen Touwpluizersbuurt "wegens de ongunstige klank" om te dopen in Poppebuurt. Het wonen in de steeghuisjes was niet altijd even proper.

In de negentiende eeuw konden de Vlietsters zich eindelijk burgers met gelijke rechten van de stad noemen. Het Stadsbestuur zette zich nu ook in voor de voorzieningen op het Vliet. In 1829 werd bestrating aangelegd en in 1839 kwam er straatverlichting en een nachtwacht. Ook het onderhoud der bruggen werd door het Stadsbestuur overgenomen. Toch duurde het nog tot 1859 eer het Vliet eindelijk door een brug over de gracht direct met de stad verbonden werd. Een jaar later werden ook de Boomsbrug en Witte Brug vernieuwd. De Witte Brug werd toen verplaatst naar een plek tegenover Zuidvliet 158. In 1861 werd de doorvaart verwijd en kwamen er kades en walmuren. De stoommachine die in 1867 in het gruttersbedrijf van een zekere Koopmans werd ingezet, was een nieuwigheid op het Vliet. Ook de scheepvaart kwam in de ban van deze machine en dat maakte dat het Vliet in de laatste jaren van de negentiende eeuw langzaamaan te klein werd voor de groter wordende boten. Reeds in 1882 werden er plannen gemaakt om hierin te voorzien en zo werd in 1895 het Nieuwe Kanaal tussen stadsgracht en Schilkampen voor grotere schepen ge­opend.

De aanleg van het Nieuwe Kanaal en vooral de ontwikkeling van een nieuw oostelijk stadsdeel, kan gezien worden als het begin van het einde van het Vliet als karakteristieke uitbuurt. Van dan af zal haar posite in hoge mate beïnvloed worden door de groeiende stad en de zich oostwaarts uitdijende stadswijken. Een ontwikkeling waarin het Vliet als oud historisch lint tot in 1994 nog niet echt haar plaats heeft kunnen vinden.

In het uitbreidingsplan van de architecten Stapenséa en Hylckama Vlieg uit 1917 is het Vliet al geheel omsloten door nieuwe wijken. Het plan voorzag in een paar ontsluitingen en verder vormde het Vliet vooral een barrière voor mogelijke noord-zuid verbindingen. Eén zo'n verbinding lag er in 1917 nog maar net: de Bleeklaan, bedoeld als tracé voor een tramlijn naar Veenwouden. Een eerste verkeersplan dat niet doorging en toch haar sporen op het Vliet naliet. Voor een rondweg was een oostelijker traject bedacht, dat ter hoogte van de Java­straat met een brug over het Vliet geleid zou worden in aansluiting op een fraai plein bij een noordelijker gedacht sport- en evenementen­terrein. In 1922 wordt de rondweg nog oostelijker gepland. In 1994 herinnert de Nieuwe Poppeweg nog aan dit plan. Pas in de plannen uit de jaren-dertig krijgt de rondweg de ligging zoals we die in 1994 in Franklinstraat en Archipelweg herkennen.

In de plannen vóór 1940 speelde het verkeer al een belangrijke rol. Voor het Vliet betekende dit verbetering van de bruggen met als belangrijkste gebeurtenis de vernieuwing van het bruggencomplex bij de stadsgracht in 1938. De Vlietsterbrug werd verlegd naar de zijde van het Noordvliet om zo samen met een nieuwe zwaaikom bij de Tuinsterbrug de invaart tot het Vliet vanuit het zuiden te vergemakkelijken. Belangrijk voor het Vliet was verder dat al in deze tijd gewezen werd op het verschijnsel 'city-vorming'; verplaatsing van de woonfunkties naar de wijken en de aanwas van werkfunkties in de binnenstad. Hierin ligt de kiem van de plannen die tot de demping van het Vliet leidden.

Om aan de problemen rond de 'city-vorming' het hoofd te bieden presenteerde de Rotterdamse stedebouwkundige Kuiper in opdracht van het gemeentebestuur in 1959 een structuurschets voor de binnenstad. Hierin was voorzien in een spectaculair wegenvierkant om de oude stad. Kuiper stelde dat de Oostergracht wel gedempt kon worden en dacht aan de Emmakade en het Cambuursterpad als aansluitingen voor de oostelijke wijken.

In de daaropvolgende jaren leidde een complex van factoren naar het besluit van de gemeenteraad in 1965 om het Vliet te dempen. Zo gaf Koopmans Meelfabriek het gemeentebestuur te kennen wel te willen verhuizen. Minder scheepvaart dus. Bovendien was de staat van de walmuren op het oostelijk Vliet bar slecht en waren de bruggen aan vervanging toe. Dringend was vooral de situatie bij de Poppebrug waar de nieuwe rondweg over heen zou komen en de PEB graag een dam zag vanwege een nieuw koelwatercircuit voor de naastgelegen centrale.

Demping van de Oostergracht vond men inmiddels toch wel ver gaan, maar demping van het Vliet werd een aantrekkelijke optie. In november 1965 moest de gemeenteraad beslissen. Demping zou fl 75.000,00 duurder zijn dan instandhouding en verbetering, maar relatief een goedkope verkeersweg voor het oosten van de stad opleveren. Burgemeester Adriaan van der Meulen dacht dat zelfs zijn voorvader Pieter Luytjens daar trots op zou zijn. Verbinding, kostenbesparing en betere mogelijkheden tot sanering van de omliggende buurten deden de raad uiteindelijk met 29 tegen 5 stemmen tot demping besluiten. Een besluit dat de door de meeste bewoners van het Vliet volledig werd gedeeld.

Omdat Monumentenzorg de demping aanvankelijk blokkeerde kon eerst in 1969 met de uitvoering worden begonnen. Een jaar later laaiden in de raad opnieuw de discussies over het Vliet hoog op toen de gebouwen van Koopmans Meelfabrieken aan het Noordvliet aangekocht werden. Alsnog werd gepoogd het Vliet tussen Bleeklaan en stadsgracht open te houden, maar het overgrote deel van de raad koos voor beleidshandhaving.

Het gemeentebestuur had vergaande plannen met het Vliet. Een door de dienst Openbare Werken in 1968 ontwikkelde schets voor een bestemmingsplan toont zelfs een doorbraak van het Zuidvliet naar het Molenpad ten behoeve van een nieuwe verkeersaansluiting met het Droevendal. De Molenpadbuurt zou zelfs geheel gesloopt worden. De oppposite in 1970 kan gezien worden als de voorbode van nieuwe ideeën over stadsontwikkeling en -vernieuwing. Omstreeks 1975 waren de onzalige plannen voor het Vliet na de demping van de baan. De enigste verdienste van de schets uit 1968 mag daarin gezien worden dat het Vliet en aanliggende buurten in één planconcept werden benaderd. Anno 1994 is daar nog steeds geen sprake van en dat is jammer. Nog steeds oogt het Vliet rommelig, versnipperd in maar liefst acht bestemmingsplangebieden en gebiedjes. Met gaten in de huizenwand, geslaagde en mislukte nieuwbouw, mooie en lelijke bomen, rotondes en racebanen, kerken, kroegen, woningen en bedrijven. Het oude historische lint is opgedeeld, maar gelukkig niet gebroken. De uitbuurt is een stadse gribus geworden, maar met karakter en sfeer.


DE VLIETSTERS

In publicaties over het Vliet wordt dikwijls het eigen karakter van de Vlietsters genoemd. Eigenschappen die aan hen worden toegeschreven zijn: ondernemend, onafhankelijk, nijver, vrijgevochten, roerig en vrijheids­lievend.

De historicus N.J. Waringa schreef eens: "Bij volksbewegingen sloeg den Leeuwarders de schrik om het hart als het gerucht de ronde deed: "de Flietsters binne losbroken!"

Uit voorvallen uit de geschiedenis van het Vliet blijkt een aantal karaktertrekken van de Vlietsters. Bij het Doelisten- of Pachtersoproer in 1748 trok een aantal Vlietsters met slaande trom en bewapend met knuppels door de stad, "de bezetting der stad tartend". Binnen drie uren werd een zestal huisjes van cherchers (belastingkommiezen) met de grond gelijk gemaakt. Gevangenen werden uit de Kanselarij bevrijd en in triomf naar het Vliet gebracht.

De Vlietsters waren erg oranjegezind. Bij een bezoek van de stadhouderlijke familie aan Leeuwarden in 1748, was er een optocht door de stad. De burgerij van de stad was: "meest in 't swart met witte kousen, en vrij wel uitgedost, maar agter aen quamen de Vlietsters in allerhande vertooningen, waarvan sommigen waren comiq en Jan Pottage­agtig".

In een verslag uit de Patriottentijd wordt onder meer over het Vliet geschreven: "dat de lieden aldaar wonende eene bijzondere en van die, die in de stad woonen verschillende kleeding dragen; hunne kleeding is een boere kleeding, en zeer wel gelijkende naar die, welke thans in Zweden algemeen is, - zo als zij in kleeding verschillen, zo verschillen zij meede in zeeden en de manier van leeven".

De schrijver van het verslag noemt de Vlietsters verder nog "dappere manne die in den jaare 1748 zich in de Meekrapstoof op het Fliet oefenden in de vrijwilligen wapenhandel".

Aparte bijnamen kwamen op het Vliet veel voor. De bekende mr Jacob Dirks noemde in 1865 o.a. 'Het vuur van Urk', dat was een schippersgezel die tegen het roer in slaap was gevallen en daardoor onder de vuurtoren van Urk met zijn schip strandde.

'Het Noorderlicht' was een bewoner van het Noordvliet die met mooi, stil weer 's avonds lang op zijn stoep zat te roken.

Van zijn dienstmeisjes vertelde Mr Dirks dat zij elkaars vaders voor 'Hille Scheuker' en 'Haije Platluus' scholden.

Fenno Schoustra van het Kleine Krantsje geeft in zijn verzameling van Leeuwarder bijnamen ook een groot aantal Vlietster bijnamen. Een kleine bloemlezing hieruit:

De Lultsjesmaker (zette bij pottebakker Dorama de oren aan de potten), Anne de Wiekel, Appelsmots, Billeritske (schipper op het Vliet met een dik achterste), Bôke Pruum (de kinderen plaagden hem met het rijmpje: Bôke Pruum sabbelt op 'e duum, sabbelt op 'e pink, Bôke stinkt), Brandewientsje, Het blanke Buukje, Professor Bombarie (de vader van Bonne), Halve Kracht, Heite mut skyte, Hobbe 't Olie­kontsje, Jappie Snel, Bokkes met neuzen (vrouw die met bokkingen ventte en door de kinderen werd nageroepen: "Bokkes met neuzen, koppen as reuzen"), Kilo Pek, Het Koningsaapke, Lappen om 'e buse en zijn vrouw, De Staande Pendule, De Lekkere Saus, De Lekkere Tuter, Mieke de Prumer, De Os (sjouwerman bij Foppe Huisinga), Pieter Segaar, Sietske 't Bultsje, De Panlatte (sjouwerman bij Koop­mans), De Slingerbiele en Snoekje. Een vrouw met de bijnaam Akke de Kaart kreeg in de negentiende eeuw bekendheid. Waling Dykstra schreef over deze kaartlegster, die door velen werd geraadpleegd en volgens de overlevering met het hoofd achterste voren op de romp aan haar eind kwam: "de duivel had haar den nek omgedraaid".

Mr Jacob Dirks werd in 1811 op het Vliet geboren. Zijn vader had een olieslagerij en een steenfabriek. Jacob Dirks kreeg grote bekendheid als numismaat (penningkundige). Hij was advocaat in Leeuwarden en daarnaast jarenlang kamerlid voor de liberalen en gemeenteraadslid. Mr Dirks was vooral ook in de negentiende eeuw de man van het Friesch Genootschap waarvan hij meer dan vijftig jaar lid was en veertig jaar als voorzitter fungeerde.

Hij bewoonde de mooie buitenplaats Welgelegen. Het prachtige park van Welgelegen moest later plaats maken voor de huizen rond de Straat van Welgelegen. Het buiten Welgelegen raakte in de twintigste eeuw in verval. Er zijn nog een wasserij- en strijkinrichting, een brandstoffenhandel en een oud-ijzerhandel in gevestigd geweest. Helaas is daarna het monumentale pand gesloopt.

De beroemdste geboren Vlietster is ongetwijfeld de dichter en staatsman Mr Pieter Jelles Troelstra.

Hij is op 20 april 1860 geboren in de bovenwoning van het huis Zuidvliet 158. De eerste herinneringen uit zijn geboortehuis hebben te maken met een onweer. Zijn zuster denkt bij de donder aan rollende, lege vaten, maar de vierjarige Pieter Jelles spreekt haar tegen en zegt: "Och nee meiske, nou skaapt Ons Lieven Heer de mensen".

Omdat de kleine Pieter wintervoeten had, werd hij door een dienst­bode van huis naar de bewaarschool gedragen. Op de bewaarschool leerde hij netten breien, schrijven met ganzeveren en spelen met houten geweren.

Het geboortehuis van Troelstra is in 1975 afgebroken. In de nieuwbouw die ervoor in de plaats kwam, is een herdenkingssteen geplaatst met de tekst: "Op dit plak is op 20 april 1860 berne de dichter-steatsman Pieter Jelles Troelstra". De steen is op 1 mei 1976 door zoon Jelle Troelstra onthuld.

De bekende Amsterdamse politiecommissaris Hendrik Voordewind is niet op het Vliet geboren, maar kwam er als jongetje vaak. In zijn autobiografie 'Voor de wind' haalt hij herinneringen aan het Vliet op. Hij speelde vaak op de werf van Lutzen de Roos en zijn verhaal is te mooi om niet te citeren:

"Deze werf is helaas al enige jaren verdwenen, gevallen als slachtoffer van de stadsuitbreiding. Waar vijftig jaar geleden het geluid van de breeuwhamers nog vrolijk klonk en waar het doordringend naar teer en hout geurde, zijn nu grote woningcomplexen en de reusachtige, Amerikaans aandoende gebouwen van de electrische centrale verrezen. Het schilderachtige, houten trapbruggetje, dat daar eens over het water lag, is weg en heeft plaats moeten maken voor een enorm geval van beton en ijzer, waarover dag en nacht zware vrachtauto's daveren. Niets is er dus meer te vinden van de plek, waar ik mijn mooiste jeugdjaren sleet. Trouwens, het hele tegenwoordige Vliet is geen schaduw meer van wat het vroeger was. De prachtige en machtige houtzaagmolen van Ypma is allang verdwenen. Wat armzalige resten van walbeschoeiing en een stukje van de voormalige balkhaven duiden nog de plaats aan, waar dit sierlijke gevaarte eens stond. Wat heb ik als kind vaak met ontzag staan kijken, als die reusachtige zagen langzaam maar zeker door de zware balken en boomstammen ploegden, bestuurd door de bekwame hand van de molenaar.

Ook verdween de fraaie, slanke stenen oliemolen 'De Phenix' met zijn monotoon gestamp, waar ik altijd weer onder de indruk kwam van de geweldige stenen, die rond wentelden als achter elkaar lopende olifanten in een circus. Op zijn plaats is een grote machinefabriek verrezen. Het oude patriciërshuis 'Welgelegen', eens de woonplaats van de President van het Gerechtshof, staat er nog, maar totaal verslonsd en gedegradeerd tot kolenbergplaats. Hier en daar bevindt zich aan het Vliet nog een armetierige, half in elkaar gezakte loods, een droevig overblijfsel van een eens bloeiende scheepswerf, maar voor de rest zijn de oevers vrijwel over de gehele lengte in beslag genomen door opslagruimtes voor oudroest, puin en bouwmaterialen, terwijl er verder een aantal buiten dienst gestelde en verwaarloosde stoomboten, die hun tijd gehad hebben, op de sloper liggen te wachten. Ook vele z.g. woonschepen, drijvende getimmerten, die een aanfluiting zijn voor de op dit gebied bestaande wettelijke bepalingen, hebben er in de laatste jaren van grote woningnood weer ligplaats gekozen.

Dat alles met elkaar heeft gemaakt, dat dit eens zo mooie en voor de scheepvaart belangrijke vaarwater niet meer dan de naam van 'gribus' waard is".

Een echte Vlietster was ook de pottenbakker Thijs Dorama van de bekende aardewerkfabriek. Hij was officier bij de Leeuwarder Schut­terij en bereed bij officiële gelegenheden in vol ornaat het paard van zijn kleimolen. Een handicap was dat hij altijd een beetje naar rechts moest overhellen, omdat het paard de neiging had naar links te trekken.

Schrijvend over het Vliet moeten natuurlijk ook Hein Appeldoorn en Markus' Aal genoemd worden. Hein Appeldoorn verkocht in het nu nog bestaande huisje no 521 kruidenierswaren en gedistilleerd, maar hij was vooral bekend door de verhuur van boten. De motorboot 'Henriëtte' was zijn trots. De huurboten van Appeldoorn waren goed en betrouwbaar. Dat kon niet gezegd worden van de boten van Markus' Aal. Aal was de vrouw van Markus Laverman, die bij de Stânfries werkte. Zij verkocht op de hoek van de huidige Soendastraat turf, petroleum en kruidenierswaren, maar het bekendst was ze door de verhuur van bootjes. Henny Keikes beschreef in 'Och heden ja' hoe dat verhuren bij Aal verliep:

"Dat verhuren ging bij Markus' Aal ongeveer zo: er kwam iemand bij haar op woensdag of donderdag om een bootje voor zaterdag. "Ik mut half twaalf een boatsje hewwe, wat kost my dat?" "Twaalf stúver". Kwam er later nog iemand voor een bootje op zaterdag, dan zei Markus' Aal: "Dan mut je om elf uur komme". En zij conditioneerde "feertien stúver". Een volgende candidaat werd om half elf besteld en kreeg "sestien stúver" als prijs opgegeven. De eerste was al hoog en droog (?) op de Kurkemeer wanneer de volgende liefhebbers kwamen en Markus' Aal acteerde: "Fedorie, hewwe die bliksemse kwajonges myn boat foor de wal wegstolen!"

Wanneer op zondagavond de bootjes terugkwamen was het dikwijls feest op het Vliet. Honderden buurtgenoten wachtten de vissers op; er was muziek en soms werd er vuurwerk afgestoken. De halve stad kwam er naar kijken en op de kaden van het Vliet was het dan bar gezellig.

Nu worden er op het Vliet geen bootjes meer verhuurd. Het Vliet is gedempt en veel van de oude sfeer en bedrijvigheid is verdwenen. Het is zoals Hein Appeldoorn op 95-jarige leeftijd zei: "De gemoedelijkheid is er af".


Zuidvliet 6
Mooi oud is niet lelijk, maar de vraag bij Zuidvliet 6 is of mooi oud ook verantwoord oud is. En dat is hier niet het geval. De voorgevel springt direct in het oog door de fijne roedenverdeling in de ramen. Het pand kreeg deze ramen tijdens een 'face-lift' van de gevel in 1974. Dit gebeurde met permissie van de welstandscommissie. De eerder achttiende-eeuwse roedenverdeling past echter eigenlijk niet in de verder onmiskenbaar negentiende-eeuwse voorgevel.

De bewoningsgeschiedenis van dit onverwacht diepe en brede pand moet al terug gaan tot in de zestiende eeuw, maar tot nu toe zijn eerst vanaf ongeveer 1800 de bewoners bekend. In volgorde van bewoning waren dat: Ulbe Romkes - oud Deventer schipper, Pieter Wijbrandi -fabrikeur, Ch.J. Eelkema - koopman en gereformeerd, O.J. Dijkstra - olieslager en zijn weduwe, J. Dijkstra - koopman en zoon van O.J., U.J. Dijkstra - olieslager en kleinzoon van O.J., Joh. Huisinga - graanhandelaar, ook wonend op Vliet 34 en zijn weduwe, en tenslotte tot 1925 W.L. de Vries - fabrikant en zijn weduwe. Wie van hen in de negen­tiende eeuw het pand zijn nieuwe gevel gaf is helaas ook nog niet bekend. Eén van de Dijkstra's?

Omstreeks 1960 was het pand samen met nummer 4 eigendom van het Katholieke Centrum voor Maatschapppelijk Werk. In plattegrond en gevel bezat het huis toen nog veel elementen uit zijn bouwgeschiedenis. Dat veranderde echter toen het Centrum in 1963 de panden liet verbouwen tot 'verenigingsgebouw voor de jeugd'. Op de begane grond verdwenen de stookplaatsen en de doorlopende gang. Op de verdieping legde de rest van een oude spiltrap het loodje.

Het verenigingsgebouw werd de bakermat voor het roemruchte jeugd- en jongerencentrum Het Vliet, dat anno 1994 is gevestigd op de hoek van Zuidergrachtswal en Romkeslaan. In 1974 kwamen Zuidvliet 4 en 6 weer in particuliere handen. Zuidvliet 6 werd opgeknapt, maar alleen de marmeren gang achter de voorname ingangsdeur en de luiken op de begane grond tonen nog iets van de vergane glorie van het interieur.

Bijzonder is het kleine pand tussen nummer 4 en 6. Dit voormalige pakhuisje, nu geheel opgenomen in de bewoning van nummer 6, huisvestte vanaf ongeveer 1860 de brandspuit van het Vliet! Aan de zijmuur van het woonhuis is te zien dat dit vroegere brandspuithuisje een hogere kap had. Deze bezat een speciale goot waarover men de brandslangen uit kon hangen. De kap werd in 1947 vervangen. In 1994 verschaft het pandje toegang tot het race-circuit van de Mini Race Club Leeuwarden. Een vrolijk uit de hand gelopen hobby van de bewoner, die er ook de begane grond van zijn woonhuis toe heeft ingericht. De baan is zelfs het toneel van internationale races en is onder meer opgebouwd met delen uit het bezit van het spraakmakende Belgische parlementslid Jean Pierre van Rossum.


Zuidvliet 12-14, Molenpad 5 Vrije Evangelische Gemeente
Soms zit er wel eens wat verstopt op het Vliet. Dat is het geval bij het brede, sobere, maar strak vormgegeven verenigingsgebouw van de Vrije Evangelische Gemeente. Achter Zuidvliet 12-14 gaat een kerkgebouw schuil dat zijn hoofdingang oorspronkelijk zelfs op het Molen­pad had.

De Vrije Evangelische Gemeenten ontstonden in de negentiende eeuw. De Gemeenten kenmerken zich door een sterke nadruk op de persoonlijke geloofsbelijdenis en het ontbreken van synodaal gezag. De bijzondere kerkelijke richting heeft zijn wortels in de Afscheiding, het Reveil en het bevlogen zendingswerk van de voormalig doopsgezind predikant Jan de Liefde. De stichting van de Gemeente in Leeuwarden in 1858 vindt zijn oorsprong in het werk van K. Holle­man, één van De Liefdes leerlingen. In 1857 wijdde hij op de zolder van een nieuw aardappelpakhuis een speciaal daartoe ingerichte kerkzaal in. Dit 'eerpelkerkje' in de Vijversbuurt-Weerklank ten noorden van het Vliet was te bereiken via een steeg die er haar naam aan ontleende: de Kapelsteeg. In 1896 moest deze zaal verlaten worden.

In 1915 verwierf de Gemeente Zuidvliet 14 met tuin. Kort daarna kon het nieuwe kerkgebouw naar ontwerp van architect Hero Feddema in de tuin aan het Molenpad in gebruik worden genomen. In 1930 voorzag A.J. Feddema, zoon van Hero, de kerk van een spreekgedeelte en een orgeltribune aan de noordmuur. In 1933 tekende hij ook voor de uitbreiding van de kerkzaal. Bij deze verbouwing werden de aardige glas-in-lood ramen in de noordmuur geplaatst, welke de 75-jarige instelling van de gemeente herdenken. In 1984 onderging de kerkzaal opnieuw een wijziging door de verplaatsing van het spreekgedeelte naar de westmuur en de vormgeving van een liturgisch centrum.

Het orgel werd in 1969 verkregen uit de Weteringkerk in Amsterdam. Het één-klaviers instrument met dertien registers werd in het begin van de twintigste eeuw gebouwd door D.G. Steenkamp en bezit een aardig negentiende-eeuws front. Omstreeks 1970 is het orgel omgebouwd en mechanisch gemaakt door Sybe Haersma uit Drachten.

Het verenigingsgebouw aan het Zuidvliet werd in 1951 gebouwd naar ontwerp van de Leeuwarder architect Van Asperen. Het brede gebouw kenmerkt zich door de symmetrische opzet en de strakke groepering van de ramen. De steeg, vroeger tussen de nummers 12 en 14, verschoof naar links. Zij is nu verscholen achter een poortje, precies symmetrisch aan de opgang naar de conciërgewoning rechts.

Menig Vlietster kent het gebouw als verkiezingslokaal.

Tot de gebouwen van de Gemeente tussen Vliet en Molenpad behoort ook een blokje bejaardenwoningen naast de kerk, in 1994 in gebruik voor jongerenhuisvesting.


Zuidvliet 16, 18 en 20
De eigenaars/bewoners anno 1994 van Zuidvliet 16, 18 en 20 hebben een paar illustere voorgangers. Wat te denken van de letterzetter Obbe Rommerts, pionier van de Friese arbeidersbeweging, oprichter van de eerste Friese werkliedenvereniging (1870). Hij woonde van 1869 tot 1872 in het pand dat tot ongeveer 1880 op de plek heeft gestaan van het pakhuis Zuidvliet 20. Of wat van de Feitzen, een welvarend geslacht van kooplieden; uit hun midden is Carolus Livinus Feitz voortgekomen, handelaar in wol en gemeenteraadslid, die in de tweede helft van de negentiende eeuw een belangrijke rol heeft gespeeld bij de rooms-katholieke emancipatie. De familie Feitz heeft zo rond 1850 het fraaie herenhuis Zuidvliet 18 laten bouwen.

De Feitzen woonden al aan het Vliet in de achttiende eeuw. Voor zover bekend stond het 'stamhuis' van de familie op het tegenwoordige nummer 14, maar volgens de kadastrale gegevens van 1832 bezat zij in de wijde omtrek, niet alleen aan het Vliet, nog een hele reeks andere percelen: sommige gewoon weiland, andere bebouwd met huizen, enkele met opslaggebouwen, een "plaisirtuin", een "vellebloterij" etce­tera. Ze waren zeg maar grootgrondbezitters in het klein. Ook het pakhuis Zuidvliet 16 hoorde toen tot hun bezit, doch de bouw daarvan, in 1806 zoals op de voorgevel staat te lezen, kan niet op hun conto worden geschreven. Het moet gebeurd zijn in opdracht van de des­tillateur Anthoon Meetsma. Geen spectaculair bouwwerk, gewoon rechttoe-rechtaan functioneel, met als enige verlevendigingen het genoemde stichtingsjaar in tot cijfers gesmeede muurankers en natuursteenblokjes in de dagkanten van de grote deuropeningen op de verdiepingen, tevens de ophangpunten voor de zware hijsdeuren. Ergens tussen 1806 en 1832 is het pakhuis door de familie Feitz in eigendom overgenomen.

Enkele kleine percelen, grenzend aan de oostkant van het pakhuis, geraakten om en nabij in dezelfde periode of mogelijk iets later in hun bezit. Blijkens kadastrale gegevens zijn die percelen omstreeks 1860 samengetrokken en dit komt weer mooi overeen met de geschatte datering van het herenhuis op grond van de bouwstijl: overwegend neoclassicistisch met enige eclectische trekjes. Het is een blokvormig, dubbelbreed huis van twee bouwlagen onder een afgeknot schilddak, met een entree midden in de gevel en twee raamvakken aan beidezijden; eigenlijk het gebruikelijke herenhuis in die tijd voor mensen die niet op een paar centen meer of minder hoefden te kijken. De entree is met een stevig geprofileerde architraaf omlijst en ontving een aardig kuifstukje boven een naar verhouding laag bovenlicht.

Oorspronkelijk hebben vast alle, door een hanekam ontlaste, schuifvensters een roedenverdeling in zes ruiten gekend; alleen op de tweede bouwlaag zijn ze thans nog compleet. De gevel wordt beëindigd door een fikse kroonlijst met vakken en een gootlijst met bakken op de hoeken, die gedragen worden door consoles met acanthus- en kraalmotief. Ronduit spectaculair zijn de stucplafonds in de kamer-en-suite achter de rechtervensters op de begane grond - ze verdienen meer bekendheid dan nu het geval is. Ze zijn de stille getuigen van de rijkdom van de familie Feitz.

Met het pakhuis Zuidvliet 20 hebben de Feitzen niets van doen gehad. Voor het pakhuis verrees, moet hier een woonhuis gestaan hebben, dat gedurende het grootste deel van de negentiende eeuw, om precies te zijn tot 1871, toebehoorde aan de familie Looxma. Ook het naastge­legen pakhuis Groningen behoorde tot het familiebezit. De familie behoorde indertijd tot de rijkste in Friesland. Door huwelijk raakten zij geparenteerd aan de familie Ypey. Het is aan deze samenvloeiing van bloed en onder meer op het Vliet verdiend kapitaal te danken dat het vermaarde bos van Ypey bij Tietjerk kon worden aangelegd.

Van Zuidvliet 20 is zeker dat het vanaf circa 1850 verhuurd werd, soms in z'n geheel, in andere jaren gesplitst in een boven- en eenbenedenwoning. Tot ongeveer 1880 heeft het een onwaarschijnlijke reeks bewoners zien komen en gaan, onder anderen een kleermaker, de eerdergenoemde letterzetter, kooplieden, een hulponderwijzer, klerken, een huisschilder en een soldaat. Bij hun speurtocht naar eigenaars en gebruikers van dit pand zijn de medewerkers van het Gemeentearchief het spoor bijster geraakt rond het jaar 1880. Zekonden niet meer vinden dan dat er daarna een opstal stond metde bestemming van pakhuis. Laat dit nu in feite voldoende zijn! Beschouw je het huidige pand eens rustig, dan is er vanwege de verschijningsvorm alle reden om aan te nemen dat het zo omstreeks 1880 is gebouwd. Het leukste detail van de gevel is wel de omkadering van pleisterwerk, met lisenen op de hoeken die vóór de zolderverdieping overgaan in een klimmend rondboogfries tot in de getuite top. Evenals bij Zuidvliet 16 worden de ophangpunten van de dubbele deuren geaccentueerd door natuursteenblokjes. Het pakhuis lijkt trouwens in meer opzichten een, wat eigentijdser, evenbeeld van nummer 16. Ze hebben beide in de smalle zijtraveeën opeenvolgend een klein roosvenster, een smal halfrond gesloten venster en daarboven wederom een roosvenstertje. Bij Zuidvliet 18 echter blijkt het bovenste van de drie geen echte vensteropening te hebben doch slechts een spaarveld van metselwerk. Dit gebeurde vaak - het woord zegt het al - om kosten uit tesparen.

Zuidvliet 22, 24 en 26 Pakhuizen Groningen, Friesland en Koningsbergen
Ze staan wel lekker bijeen, de drie meest monumentale en blikvan­gende pakhuizen aan het Vliet. Twee hebben, zeker gemeten naar 'pakhuis-maatstaven', ook nog eens fraai getuite gevels, met een bijzondere top van een in- en uitzwenkende bekroning op schouders en met wat lager een tweede, decoratiever, schouderpaar. Daarop zijn de stichtingsjaren te lezen: nummer 22 ('Groningen') uit 1755, nummer 24 ('Friesland') uit 1793. Ze hebben uiterlijk veel gemeen, zouden op het eerste gezicht tegelijk gesticht kunnen zijn, maar behalve van de jaarstenen laat het leeftijdsverschil zich met enige moeite toch ook wel afleiden van stijlverschillen tussen de decoraties op het laatstgenoemde schouderpaar. Bij 'Groningen' zijn ze in laat-barokke vormen uit het zandsteen gehakt, terwijl 'Friesland' draperieën heeft waarin men met een beetje goede wil invloed van de Lodewijk XVI-stijl kan terugvinden. De oudste gevel voert bovendien nog een lelievormige versiering in top. Zuidvliet 26 is het allergrootste onder de overgebleven opslaggebouwen aan de vroegere waterweg. Dit 'Koningsbergen' dateert van omstreeks 1800, een functioneel-sober bouwwerk met een tuitgevel zonder tierlantijnen.

Het is telkens weer een gekke en spannende gedachte, dat het in veel gevallen mogelijk is om honderden jaren na de bouw van een woonhuis of pakhuis met behulp van velerlei historische documenten nog een deel van de ontstaansgeschiedenis te reconstrueren: wie de opdracht­gever is geweest, wat hij voor beroep uitoefende, met wie hij gehuwd was, waarvoor hij het pand heeft gebruikt en soms zelfs hoe het er in het begin heeft uitgezien. De documenten afzonderlijk zijn niet altijd even duidelijk, maar door ze naast elkaar te leggen, te vergelijken en de gegevens te combineren, kun je een heel eind komen. Dat is hier ook aardig gelukt, dankzij de volharding van de medewerkers van het Gemeentearchief. Van de pakhuizen Friesland en Konings­bergen zijn de bouwers met absolute zekerheid achterhaald. Van het oudste pakhuis, Groningen, hebben we een sterk vermoeden wie opdracht voor de bouw heeft gegeven. Over de herkomst van de namen is trouwens niets boven water gekomen.

Beginnen we met Zuidvliet 24. Op 21 september 1753 weten Beernt Cornelis Feddes en zijn echtgenote Yttie Hessels gedeeltelijk het perceel te verwerven, waar veertig jaar na dato het huidige opslaggebouw zal verrijzen. Onbebouwd is het perceel op dat moment al niet meer. Er staan een woonhuis met enkele bijgebouwen waaronder een schuur. Pas aan het begin van de negentiende eeuw doet een familielid het perceel van de hand, namelijk de weduwe van Hessel Beernt Feddes, een in 1750 geboren zoon van Beernt Cornelis. Van beroep graankoper en destillateur, mogen we aannemen dat hij 'Friesland' in 1793 heeft doen bouwen voor opslag van graan - het oude huis, waar de familie wellicht een tijdlang had gewoond, is toen tot de grond toe afgebroken.

Het belendende 'Groningen', uit 1755, was in elk geval in het jaar dat 'Friesland' werd gebouwd, eveneens in bezit van de familie Feddes. Wanneer precies het perceel hun eigendom is geworden, weten we niet. Er zijn echter wel aanwijzingen dat de koop moet zijn gesloten omstreeks 1754, slechts een jaar vóór de stichting van het pand. Dit lijkt ook logisch, want het kan de grote uiterlijke gelijkenis tussenbeide pakhuizen verklaren, getuigenis van een streven naar een soort'corporate identity' avant la lettre. In de negentiende eeuw behoorde 'Groningen' met nummer 20 tot het bezit van de familie Looxma.

Tenslotte Zuidvliet 26, in 1773 door Jan Zeper gekocht als woonhuis, in 1808 verkocht als "Voortreffelijk groot Pakhuis". De verkoop liet Jan over aan zoonlief Pier. Het was ook wat veel van hem gevraagd om helemaal naar Leeuwarden te reizen; landgoed Hahn, in hethertogdom Oldenburg, waar hij resideerde, ligt per slot van rekening niet om de hoek. Daar was hij, een vurig patriot, naar uitgeweken aan het einde van de achttiende eeuw, na het mislukken van de burger­revolutie. Ja, Jan Zeper had z'n schaapjes op het droge - kijk ook maar eens naar zijn woonhuis aan de Nieuwestad op nummer 53, een voor Leeuwarden uniek pand met een geheel in natuursteen uitgevoerde voorgevel. Een kwestie van degelijk zaken doen èn van goede komaf zijn, uit een geslacht van handelaren en industriëlen van wie enkele belangrijke bestuurlijke functies in Leeuwarden hebben vervuld. Wat Zeper beroepshalve uitvoerde? De naam zegt het al, hij was zeep­zieder. Kan het zijn dat 'Koningsbergen' voor de opslag van zeep of grondstoffen is gebouwd?

De oorspronkelijke bestemmingen zijn al een poosje geleden verloren gegaan. Na voor verschillende andere functies te hebben gediend - zo was er in 1876 de Agentuur der Maastrichts-Groningsche Stoomboot­dienst gevestigd - is 'Koningsbergen' in 1976 in gebruik genomen als kantoorruimte door een architectenbureau. Dat is wel gebeurd met respect voor het uiterlijk en de inwendige structuur. Binnenruimte te over, want het pakhuis telt inclusief de begane grond liefst drie vol­ledige verdiepingen en daarboven drie zoldervloeren. 'Friesland' en 'Groningen' hebben een volledige verdieping minder. 'Friesland' is rond 1900 al eens stevig onder handen genomen; het metselmateriaal en de architectonische detailleringen op de begane grond dateren onmiskenbaar uit die periode. De regelmaat in de geleding van de gevel is door die verbouwing overigens niet echt verstoord, de draagconstructie erachter wèl enigszins. Afgezien daarvan zijn ook bij deze twee pakhuizen de structuren goeddeels bewaard gebleven. Hoe ze op een respectabele manier aan te passen aan de nieuwe (woon-)functie die de gebouwen anno 1995 krijgen, is een lastige opgave. Lastiger dan bij 'Koningsbergen' want de hoogte tussen de vloeren is hier geringer.


Zuidvliet 34
De gave voorgevel bezit nog uitgebalanceerde verhoudingen. De fraaie tuitgevel verrees in zijn huidige gedaante circa 1790. Dit is onder meer aan de vormgeving van de ingangspartij duidelijk te zien. Het motief van gegroefde pilasters op een granieten plint die een hoofdgestel dragen, verwijst naar de tijd van omstreeks 1790, toen de stijl van het neoclassicisme in zwang was.

Het pand bestaat uit drie bouwlagen onder een kap en is drie traveeën breed. De ramen hebben hun oorspronkelijke schuifvensters met zes ruiten behouden.

Vanaf 1787 is Jelle Eelkes eigenaar, wiens nazaten zich Eelkema noemden. Hij bewoonde het pand vanaf 1791 zelf. Kort daarvoor liet hij het oude huis door het huidige gebouw vervangen. In 1818 bewoonde zijn weduwe het huis, dat op haar zoon, de koopman Theunis Jelles Eelkema vererfde. Theunis had een illustere broer, de kunstschilder Eelke Jelles Eelkema (1788-1839). Eelke is bekend door zijn vele interessante topografische afbeeldingen die voor de geschiedenis van de stad van groot belang zijn.

Na 1860 is het huis in eigendom gekomen van graanhandelaar Johannes Tietes Huisinga, die in 1873 het huis bewoonde. Hij bezat een vijftal pakhuizen waarvan die met de naam Koningsbergen, Friesland, Groningen en Petersburg nog bestaan.

Zijn weduwe verkocht al zijn pakhuizen aan een neef, Johannes Foppezoon Huisinga, ook graanhandelaar van beroep, maar het woonhuis bleef zij verhuren. Na het overlijden van de huurder Johannes Huisinga in 1903 werd de inboedel van het huis geïnventariseerd, waarbij alle vertrekken genoemd zijn. Op de begane grond lagen naast de gang de voor- of zitkamer en de achter- of daagse kamer. Achter in de aanbouw bevond zich de keuken. Op de eerste verdieping wordt de slaapkamer met badkuip genoemd, wat een vroege variant van een badkamer doet vermoeden. Daarachter lag een studeerkamer met boekenkasten. De koopman had kennelijk interesse voor boeken met een historisch onderwerp die hij bij de fa. W. Eekhoff & Zoon aan de Wirdumerdijk betrok. De tweede verdieping bevatte twee slaapkamers waarboven de zolder zich uitstrekte. De inventaris getuigt van een degelijk burgermansinterieur. Zijn zoon Foppe Tiete betrok in 1918 het huis.

Het pand werd in 1976 ingrijpend gerestaureerd, zowel aan de voor- als aan de achterzijde. Tevens werd een gemetselde muur opgetrokken in plaats van de vroegere schutting.

Het huis toont nog steeds een voorname eenvoud.


Zuidvliet 40, 46 en 84
De bebouwing aan het Vliet is eigenlijk een wonderlijk allegaartje van panden. Van zeventiende- tot twintigste-eeuws, van laag tot hoog, van smal tot breed, van zeer sober tot tamelijk rijk uitgedost, en alles zonder enige ordening door elkaar. Zo kan men er binnen een afstand van amper vijftig meter ook vrijwel het hele scala van gevelbeëindigingen aantreffen. Hoewel de huisnummers anders doen vermoeden, staan Zuidvliet 40, 46 en 84 bijna naast elkaar: een tuitgevel met schouders en een toppilaster uit 1726, een klokgevel met een segmentvormig fronton uit de tweede helft van de achttiende eeuw en een neo-trap­gevel met een overhoekse pinakel uit 1908. Alledrie topgevels vóór zadeldaken maar volkomen verschillend voor wat betreft de sfeer die ze oproepen.

Het woonhuis Zuidvliet 40 steekt een beetje vreemd in elkaar. De eigenlijke woning is smaller dan de voorgevel suggereert, want achter de rechterentree ligt een steeg die tot het buurpand behoort. Decoratief zijn de stichtingsjaarstenen, uitgevoerd als banderol in zandsteen, evenals de overige, spaarzame gevelornamentiek. Dat natuursteenblokjes in de zogenoemde beitelingen van de geveltop zijn opge­nomen, is een zeldzaamheid voor Leeuwarden.

In de loop van de jaren-zestig raakte het huis sterk verwaarloosd. Een nieuwe eigenaar heeft het fiks laten opknappen en toen zijn ramenmet een zesruitsindeling aangebracht; een misplaatste historiserende correctie, want in 1726 moeten de vensteropeningen een veel fijnere roedenverdeling hebben gekend.

Ook bij Zuidvliet 46 zijn de versieringen gebeeldhouwd in zandsteen.

Weer spaarzaam toegepast, maar wèl rijker qua detaillering: sierlijke aanzetkrullen van acanthusbladeren op de schouders van de klokgevel (hier heeft de top een aflijsting van een rollaag gekregen), een be­kronend fronton en vooral fraai lijstwerk om het kleine, ronde zoldervenster, een 'oeuil de boeuf', met een strik die twee druivenranken bijeen­houdt.

De dubbele functie: winkel met bovenwoning, is door de eeuwen heen afleesbaar gebleven. De winkelpui, volledig van hout, is sterk verticaal geleed door vier vlakke pilasters met lijstkapiteeltjes onder een stevige kroonlijst. Of de puiramen de oorspronkelijke zijn, valt niet met zekerheid te zeggen, maar de verdeling in negen ruitjes past althans bij de tijd waarin het winkelhuis is gebouwd.

Het pand op nummer 84 is z'n leven in 1908 begonnen als pottebakkerij. De eigenaar heeft het er niet erg lang uitgehouden - in elk geval vóór 1924 was de bedrijfsbestemming veranderd in gewone opslag. Vergeleken met Zuidvliet 40 en 46 is de uiterlijke gedaante nogal gewijzigd. Op de begane grond bevond zich in het midden een dub­bele bedrijfsdeur met bovenlichten, geflankeerd door een venster van het type zoals het nu nog boven is te zien. Het geheel was afgedekt door een latei van kunststeen, hetzelfde materiaal, zeg maar een soort cement, waarvan de jaarstenen, de afdekplaten op de traptreden en de toppinakel zijn vervaardigd. Let trouwens ook eens op de aardige rozetankers.


Zuidvliet 146-148
Ontsnapt aan de sloop prijkt dit pandje, voorheen nummer 122, anno 1994 weer in volle glorie op het Vliet. Een mooi voorbeeld van geslaagde rehabilitatie die het beeld van de buurt zo ten goede kan komen.

De geschiedenis van het pand gaat mogelijk al terug tot in de zestiende eeuw, al is op de kaart van Van Deventer omstreeks 1560 niet precies te bepalen of er toen net wel of net niet bebouwing op deze plek stond. Archiefonderzoek heeft de bewoningsgeschiedenis tot in het begin van de zeventiende eeuw kunnen achterhalen. De westelijke zijmuur getuigt daar nog van. Misschien is het pand ooit ontstaan uit de samenvoeging van twee eenvoudige kamerwoningen onder een kap.

De voorgevel dateert uit de negentiende eeuw. Het pand werd toen tevens door een steeg gescheiden van het naastgelegen nummer 150, voorheen 148. In 1877 kreeg deze steeg de naam Tuinmanssteeg,welke daarvoor rechts langs het pand liep. De steeg voerde naar twaalf - de ontbrekende nummers tussen 122 en 148 - kamerwoningen aan een bleek achter de huizen.

In de plannen voor een doorbraak op het Zuidvliet omstreeks 1970 zou het pand als oostelijkste huis worden gesloopt. In die tijd werd het door het naastgelegen aannemersbedrijf Hettema opgekocht in verband met uitbreidingsplannen. Toen de doorbraak op het Vliet van de baan was, ontwikkelde Hettema een plan voor aangepaste nieuw­-bouw met woningen boven nieuwe toegangen tot het achterliggende bedrijfs­terrein. Hierbij zou het pandje alsnog worden gesloopt. De plannen ketsten af op problemen bij de bebouwing van het bedrijfs­terrein.

In 1989 werden nieuwe plannen ingediend, waarbij men uitging van rehabilitatie van het pand. In het ontwerp werd uiteindelijk de oude gevelindeling gehandhaafd. Er is over gedacht om de ingangen naar de steegjes te verplaatsen en het zadeldak van twee kajuiten te voorzien. Het pandje werd tenslotte gesplitst in twee wooneenheden met behoud van de oude kajuit en ingang. Aan de achterkant voorzag architect Syb Eldering, zwager van de aannemer, de gevel van twee fraaie en mo­derne glasvliesgevels. De wooneenheid op nummer 148 heeft aan de voorkant een verdiept keukengedeelte om het linker zesruitsraam niet aan te tasten. Op nummer 146 is het historische schouwtje gehandhaafd.

Ook nummer 150 werd in de uitvoering van dit ontwerp gerenoveerd. Aannemer Hettema nam daarbij op geslaagde wijze de toegang tot zijn bedrijfsterrein in de gevelwand op.

De woningen 146-150 zijn anno 1994 zeer geschikt voor één- entweepersoons huishoudens, die er in de nabijheid van het bruisende stadsleven prinsheerlijk kunnen wonen.


Menno van Coehoornstraat 3 Voormalige Hoofdonderwijzerswoning
"Gelukssterren", zo noemt de bewoner van Menno van Coehoorn­straat 3 de vijfpuntige sterren die de ronde ramen op de verdieping van dit pand sieren. Ja, wie in deze fraaie voormalige onderwijzerswoning woont met riante tuin in de nabijheid van het stadshart, mag ook inderdaad van geluk spreken.

De woning is in 1882 samen met de nieuwe school zes gebouwd als woning voor de hoofdonderwijzer, beide naar ontwerp van de stads­architect J.E.G.Noordendorp. Van de toenmalige achter het huis gelegen school resteren alleen nog de fundamenten en het oude gymnastieklokaal uit ongeveer 1916.

Aan de buitenkant verkeert de woning nog grotendeels in zijn oorspronkelijke staat. Wel werd aan de noordkant een garage geplaatst en is aan de zuidkant een serre en een kajuit aangebouwd. De stijlvolle serre zou oorspronkelijk hebben gediend als glazen huisje voor een onderwijzersdochter met tuberculose.

De woning is gebouwd op een vierkant grondvlak van circa elf bij elf meter. Gevel en interieur zijn van een nagenoeg symmetrische opzet. Halverwege de centrale met graniet bevloerde gang voert een verzorgde trap voorzien van daklicht naar de verdieping. Aan het eind van de gang bevindt zich een rond raam met een zesster. De kap wordt gedragen door een fraai gebogen spantkonstruktie, die op de slaapkamers in het zicht is.

In de linkervoorkamer zijn nog de mooie gestucte schoorsteenmantel en het gedecoreerde plafond met oogstmotieven in de oorspronkelijke kleuren te bewonderen. De ossebloedkleur waarvan de voorgevel in de jaren negentig is voorzien, is ontleend aan een vergelijkbaar pand in

Egmond aan den Hoef. Het pand heeft nog steeds de oude regen- en waterputten. De tuin bij het huis is omzoomd met het oorspronkelijke gietijzeren hek.

De woning is tot 1976 in het bezit van de gemeente geweest. In die tijd schreef de buurtorganisatie de eigenaars in de wijk aan hun panden in het kader van buurtverbetering op te knappen, dan wel te verkopen aan de huurders zodat deze in staat werden gesteld hun woning te verbe­teren. De plannen tot grootscheepse sloop in de Molenpadbuurt ten gunste van parkeergarages en scholencomplexen verdwenen aan het begin van de jaren-zeventig. De gemeente had nu geen belang meer bij het pand en verkocht het in 1976 aan de toenmalige huurder, een gymnastiekleraar. Reeds een jaar later werd het pand opnieuw verkocht.

De nieuwe eigenaar heeft de woning in de loop der jaren stukje bij beetje weer opgeknapt. Het moet gezegd, hij heeft het geluk van het wonen in deze fraaie woning met zijn "gelukssterren" beslist een handje geholpen.


Zuidvliet 228 Voormalige kleuterschool De Tureluur
In het begin van de negentiende eeuw werd het lager onderwijs voornamelijk gegeven op bijzondere en particuliere scholen. Vooral de kwaliteit van het onderwijs aan de particuliere scholen liet te wensen over. Juist de kinderen van minvermogende ouders werden hiervan de dupe. Voor die ouders was het schoolgeld een financiële belasting en vaak moesten hun kinderen op jeugdige leeftijd werken om het karige huishoudgeld aan te vullen ten koste van het genieten van onderwijs. Om het onderricht aan deze groep kinderen te bevorderen besloot de Raad van Leeuwarden in 1816 onder meer tot de oprichting van stadsarmenscholen. Deze stadsscholen waren concurrenten voor de tientallen particuliere scholen in de stad. Zo ook voor de particuliere schoolhouder S.D. Postma aan het Zuidvliet, die zijn school aan de gemeente ter overname aanbood. In 1841 benoemde de stad hem tot 'stedelijk onderwijzer' en huurde zijn schoollokalen. Deze school werd toen de 'derde stadstusschenschool der 2e klasse' met een school­geld van vijf cent per week. (Op de stadsarmenscholen werd geen schoolgeld geheven).

Ook de Rijksoverheid bevorderde in toenemende mate de kwaliteit van het onderwijs en stelde eisen aan de schoolgebouwen. Dit resulteerde onder andere in de Wet op het Lager Onderwijs van 1857. Om uitvoering aan deze wet te geven kocht de gemeente op het Zuidvliet een scheepstimmerwerf, liet de gebouwen slopen en stichtte hier in 1865 een nieuwe stadstussenschool naar ontwerp van de stadsarchitect Th. Romein. De school kreeg één lokaal voor de bewaarschool en twee lokalen met elk 48 zitplaatsen voor de lagere school. Deze combinatie was wellicht niet ideaal, want in 1867 werd er aan de binnenspeelplaats een aparte ingang gemaakt voor de bewaarschool. Slechts 17 jaar heeft deze school alszodanig gefunctioneerd. Hij bleek niet meer te voldoen aan de aangescherpte eisen van de onderwijswet uit 1878 en kon moeilijk aangepast worden. Daarom besloot de Gemeente een belendend stuk land aan te kopen samen met een leerlooierij en woning. Na afbraak van de gebouwen werd in 1882 op dit terrein Gemeenteschool zes (later Menno van Coehoornschool) gesticht met een onderwijzerswoning (zie hierna).De school aan het Vliet werd nu volledig ingericht als Gemeentelijke Bewaarschool no 2 (sinds 1957 kleuterschool De Tureluur). Als uitvloeisel van de Wet op het Basis­onderwijs van 1985 werd deze kleuterschool in 1986 ingelijfd in de huidige nieuwe Menno van Coehoornschool aan de Vredeman de Vriesstraat en zo is de combinatie van 1841 weer terug, zij het in een andere school en met een andere intentie. Pogingen om in de vrij­gekomen kleuterschool appartementen onder te brengen mislukten. Na een tijd van leegstand verkocht de gemeente de school en nu zetelt er een atelier voor de verwerking van kunststoffen: Pyrasied.

Thomas Romein, ontwerper van onder andere de Beurs en het in­­terieur van de Westerkerk (nu het naar hem vernoemde Theater Romein), ontwierp ambtshalve de gemeentelijke schoolgebouwen in Leeuwarden. Bij zijn ontwerp van deze school valt op dat de oost- en zuidgevel sober zijn uitgevoerd. Alleen de noord- en westgevel, vanaf de openbare weg in het zicht, kregen een uitgewerkte detaillering, die gelijkenis vertoont met de zijgevels van enkele door Romein ontworpen kerken. De westgevel werd voorzien van twee hoek- en twee middenpilasters (smalle opdikkingen in het metselwerk), die de gevel in drie vlakken verdelen parallel aan de lokalen. In de Noordgevel valt de met een timpaan afgedekte schijnentree op, die daar wellicht is aangebracht uit overwegingen van symmetrie en om het gebouw van een hoofdgevel aan het Zuidvliet te voorzien. En zo bezit het Vliet nog steeds een opmerkelijk gebouw van een architect die onder architectuurhistorici van nationale betekenis wordt geacht.


Zuidvliet 282 Pakhuis Rotterdam
De geschiedenis van dit voormalige pakhuis gaat terug tot omstreeks 1770, toen hier een zoutziederij werd gesticht door Pieter Luytjensvan der Meulen. Hij richtte een indrukwekkend complex van bedrijfs­gebouwen op dat uit de oliemolen 'De jonge Fenix' (1752), een leerlooierij en een zout- en zeepziederij bestond. Eekhoff citeert de Tegenwoordige Staat van Friesland, waarin het "de fraaiste en kostbaarste fabriek van de geheele provincie" wordt genoemd. Na het overlijden van Van der Meulen wordt J.G. Herbig de nieuwe eigenaar van de zoutziederij, die hij tot 1800 leidt. Hierna verkopen zijn erfgenamen het bedrijf aan de koopman Reitse Bloembergen. Reitse, wiens familie in het bankwezen naam verwierf, dreef de firma jarenlang met succes. Onder zijn beheer werd aan de zoutziederij in 1823 een nieuw pakhuis toegevoegd om in de groeiende behoefte aan opslagruimte voor het zout te kunnen voorzien. Het bedrijf bestond verder uit een zoutkeet met een zogenaamde zoutpan en enkele loodsen. Hij bezat ook twee schepen die het zout via het Vliet aan- en afvoerden.

In 1874 werd het pakhuis verkocht. Dit betekende de beëindiging van het bedrijf na ruim 100 jaar. De nieuwe eigenaren F. Rodenburg enC. Bijkerk begonnen er met een graanopslag die zij tot 1889 dreven. Zij werden door de aannemer-timmerman Theodorus Bekhuis opgevolgd. Hij gebruikte het pand waarschijnlijk als opslagruimte. Zijn opvolger, de koopman J. Feenstra, bezat het gebouw omstreeks 1900.

Van het pakhuis zijn enkele afbeeldingen bewaard gebleven. De foto uit circa 1910 laat de voorgevel met het kleine houten bordje 'Rotter­dam' zien. Op een krijttekening van Andries van der Sloot uit 1928 ziet men het naambord echter niet meer.

Het is helaas niet meer vast te stellen wanneer de naam aan het pand is gegeven. Ook blijft het onduidelijk waar deze vandaan komt. Toch is het aannemelijk dat de naam verband houdt met de contacten van de kooplieden die het pand bezaten.

Het pakhuis bestaat uit vier bouwlagen onder een kap met zolder en is voorzien van een tuitgevel. Op de begane grond en de eerste verdieping bevinden zich brede deuren waardoor het laden en lossen plaatsvond. Aan weerszijden hiervan ziet men twee kleine ramen voorzien van nieuwe luiken. Op de tweede en derde bouwlaag zijn respectie­velijk drie en twee vensters aangebracht, alle getoogd. In de top van de gevel ziet men een rond raampje.

In 1982 is het pakhuis met respect voor de indeling van het pand en de gave voorgevel, gerestaureerd; slechts de houten luiken van de brede deuren zijn door glas vervangen. Binnen zijn nog enkele oude balken te zien. Thans doet het gebouw dienst als kantoorruimte. Het pakhuis houdt de herinnering levend aan de vroegere bedrijvigheid die voor het Vliet zo kenmerkend was.


Zuidvliet 294 Cichoreibuurtje
Hoewel het verschil tussen rijk en arm in de negentiende eeuw groter was dan heden ten dage, kende men toen toch het begrip 'goudkust' niet: het geïsoleerd wonen van een elite. Rijk en arm woonden in de steden veelal naast elkaar, of beter gezegd achter elkaar, zoals hier: fabrikanten en kooplieden in voorname huizen aan het Vliet en hun arbeiders er achter in sloppen, stegen en hofjes. Achter no 294 bevond zich zo'n hofje, het zogenaamde Chicoreibuurtje. Een naam opge­tekend uit de volksmond, in 1877 door de gemeente officieel ge-maakt en genoemd naar de nabij gelegen cichoreibranderij van J.B.H.J. Heuveldop. Hij is vermoedelijk de stichter dan wel toen­malige eigenaar van de acht woninkjes in dit buurtje. Hij woonde zelf in het hoofd­pand aan het Zuidvliet. In het wijkboek treffen we in de periode 1904-1924 maar liefst 50 verschillende beroepen aan, voor­namelijk ambachts- en werklieden met onderhand uitgestorven beroepen zoals: broodkarrijder, gruttersknecht, hulpmelkrijder, melktapper, olieslagersknecht, sigarenmaker en verlakker. Het huidige waarschijnlijk negentiende-eeuwse poortje is het laatste restant van dit woningcomplexje. Haar woningen vervielen tot pakhuisjes, die later het veld moesten ruimen voor een groot modern magazijn.


De Cementsteenfabriek van Carl Wilhelm Finke
De Fabriek voor Cementwerken aan het eind van het Zuidvliet heeft een opmerkelijke geschiedenis, maar staat er ruïneus bij. Het gebouw stamt uit 1908, heeft een structuur van een betonskelet en de muren zijn gemetseld met betonsteen. Carl Wilhelm Finke heeft de fabriek laten bouwen. Deze uit Duitsland afkomstige bouwmaterialenonder­nemer kwam als stucadoor in 1874 uit Oldenburg naar Leeuwarden op zoek naar werk. Hij trouwde met een eveneens uit Oldenburg af­komstige weduwe die een stucadoorszaak aan de Tuinen bezat. Finke breidde dat bedrijf flink uit: eerst met cementwerken en later met de cement- en betonfabriek aan het Zuidvliet. Hij fabriceerde er de in die tijd veel in representatieve gebouwen toegepaste bouwornamenten van cementsteen. Veel panden in Leeuwarden heeft hij van ornamenten voorzien, zoals Hotel De Klanderij en huize Bornia aan de Verlengde Schrans. Hij was ook de eerste die hier gewapend beton fabriceerde. De pakhuizen van Koopmans Meel werden van dat beton gebouwd.In het begin van deze eeuw liet hij zelfs een betonnen boot bouwen. Leeuwarders verwachtten dat dit gevaarte direct richting bodem zou gaan, maar waren verbaasd dat de kolos bleef drijven. Finke overleed in 1927 en dat betekende spoedig het einde van het bedrijf. De ge­bouwen aan het Zuidvliet zijn daarna lang in gebruik geweest bij Kolk en Co.

Dit monument van progressieve bouwtechniek is nu slechts een schilderachtige ruïne.


Zuidvliet 780 Molenromp Henny van Duuren
De firma Henny van Duuren heeft een merkwaardige werkplaats in gebruik. Het is een oude molenromp. De molen bestond in elk geval al in 1685 en was toen een volmolen voor de textielindustrie. Het is heel goed mogelijk dat de huidige molenromp nog uit de zeventiende eeuw dateert. Het bouwsel is hier en daar wel eens vernieuwd, maar het meeste muurwerk is van een rode steen die uit die tijd kan stammen. De vormgeving met grote rondbogige raam- en deuropeningen met zandstenen negblokken en sluitstenen horen eveneens bij de late zeventiende eeuw. In 1718 wordt hij nog steeds voor de textielindustrie gebruikt. In de late achttiende eeuw (1786) is hij pelmolen en weer enkele tientallen jaren later (1819) oliemolen, zodat hij voor de voedingsmiddelenindustrie moet zijn omgebouwd. In 1819 wordt hij 'De Haan' genoemd. Hoewel sommigen vermelden dat 'De Haan' in 1845 afgebroken is, staat de molen op de kaart van Leeuwarden van 1904 nog aangegeven, maar hij was toen waarschijnlijk al gedeeltelijk afgebroken. De onderbouw is nog duidelijk als molenromp te herkennen, hoewel hij al tientallen jaren als werkplaats dienst doet.


Vroegere molens van het Vliet
Aan het bedrijvige Vliet stonden twaalf molens. De geschiedenis is ingewikkeld; ze zijn makkelijk te verwarren. Aan het Noordvliet stonden: een eekmolen, houtzaagmolen 'De Vrijheid' die later omgebouwd werd tot de oliemolen met de naam 'Het Haantje' of 'De Hoop' en een oliemolen.

Aan het Zuidvliet stonden een korenmolen, de cichoreimolen van Heuveldop, de molen 'De Haan' en houtzaagmolen 'De Herstelling' of 'De Phoenix'. De grootste molen was 'De ionge Fenix' die eerst oliemolen en later runmolen was. Een gevelsteen, gemetseld in de muur van het St. Anthony Gasthuis in de Pijlsteeg herinnert nog aan deze molen, die Pieter Luytjens van der Meulen uit Donkerbroek liet bouwen nadat zijn oude runmolen tot twee keer toe was afgebrand. Het was een grote stenen oliemolen.

Aan Schilkampen stonden twee leermolens, waarvan één later olie­molen werd en 'De Oude Molen' of 'Het Fortuin' genoemd werd en een pelmolen die later ook omgebouwd werd tot leermolen.

Van al deze molenrijkdom rest ons aan het Vliet slechts één onderbouw: de werkplaats van Henny van Duuren.


Schilkampen
Het had weinig gescheeld of de buurtschap Schilkampen aan het be­-gin van het Vliet was in de zeventiger-jaren van de kaart geveegd. Schilkampen moest wijken voor de aanleg van de Kanaalweg, een ontsluitingsweg voor de nieuwe wijk Camminghaburen. Het karakteristieke buurtje kwam hierdoor erg in de verdrukking, maar gelukkig zijn de voorgenomen sloopplannen niet uitgevoerd. De nieuwe weg met hoge brug is over, in plaats van dóór het laatste open stukje van het Vliet en Schilkampen gelegd.

Schilkampen lag vroeger op een schiereiland begrensd door de Tynje en de Kurkemeer. Het buurtje was alleen over land bereikbaar via een 'trapkesbrug' of hooghout. Aan het eind van de zestiger jaren werd voor de verbetering van het koelwatercircuit van het PEB de oude werf van Drijver, op de punt van het schiereiland door het PEB aangekocht. Nadat de trapkesbrug al vervangen was door een gemakkelijker beloopbare brug, werd op deze plaats het Vliet vanwege het koel­watercircuit afgedamd en werd jammer genoeg de zuidelijke vaarroute via het Vliet naar de stad ruwweg afgesloten

De buurtschap Schilkampen bestaat zeker meer dan vierhonderd jaar. In 1566 is er al sprake van 'Schilcampen' en in 1578 van de 'Schill­camp'. Op een kamp (een stuk) land werd ten behoeve van een kalkbranderij schil, kleine zeeschelpen (in 't Leewaddes 'nuunders') opgeslagen.

Op de kaart van Schotanus uit 1698 staat Schilkampen duidelijk ingetekend. Stadsarchivaris Wopke Eekhoff noemt op Schilkampen een in 1732 door Jan Jansen gebouwde pelmolen.

Uit de pré-kadastrale atlas van 1832 blijkt dat Schilkampen helemaal in handen is van de zeepzieder/olieslager Pieter de Vries. In totaal heeft hij er dan 22 eigendommen waaronder twee scheepstimmerwerven. Pieter de Vries is ook eigenaar van de tegenover Schilkampen gelegen oliemolen 'De Kroon'. In 1822 werd deze molen vernieuwd. Het mooie uithangteken van deze molen bevindt zich op één van de zolders van het Fries Museum.

Pieter de Vries bewoonde het nu nog bestaande monumentale huis no 19. Vermoedelijk heeft hij dit grote huis laten bouwen. Achter het huis lag "een plaisiertuin met zomerhuis". Nu is het huis in tweeën ge­splitst. Het wordt bewoond door de families Nicolai en Rozendaal.In het deel van de familie Nicolai zit de oude voordeur en via eenmarmeren gang is de nog aanwezige monumentale trap te bereiken.

De scheepswerf op de punt werd in 1854 door Jisk Sipkes Drijver van Pieter de Vries gekocht. De familie Drijver heeft de werf met de naam 'De Nijverheid' 110 jaar gedreven. Daarna werd het PEB eigenaar. De werf werd gesloopt en de dam in het Vliet aangelegd.

Op de werf met langshelling van Drijver werden houten binnenvaartschepen gebouwd, het was de 'houten' werf. Op Schilkampen was ook nog een 'ijzeren' werf, de bekende werf Welgelegen van de familie Van der Werff. Deze werf was de voortzetting van de eerder op het Vliet gelegen scheepshelling. Welgelegen werd in 1909 door A.T. van der Werff gekocht van zijn oom of oud-oom O.P. van der Werff. De sleephelling werd verbouwd tot een wagenwerf.

In 1957 vond er een splitsing plaats, waarbij Tj. van der Werff de machinefabriek ging beheren en zijn broer R. van der Werff het werfgedeelte. In 1977 is de werf Welgelegen verplaatst naar een terrein aan de Greuns op het industrieterrein de Hemrik.

Eén van de grootste boten die op Welgelegen gebouwd werd, was de 600-tons tweemastschoener Cato. De schoener,die in 1918 te water gelaten werd, verging onder de Engelse kust nadat het schip tijdens zijn eerste reis op een mijn gelopen was.

Schilkampen is altijd een bedrijvig buurtje geweest. Een 'oud-Schilkamper' herinnerde zich naast de twee werven ook nog het winkeltje op no 7 van de familie Herder. Herder was parlevinker: met een bootje roeide hij naar boeren en schippers om zijn kruidenierswaren en brood te verkopen. Zijn vrouw dreef het winkeltje. Op no 9 had Hendrik Noordhof zijn winkeltje, waar ook brood en kruidenierswaren verkocht werden.

In het grote voorname huis no 19 woonde molenmaker De Roos. In zijn werkplaats bouwde en repareerde hij molens.

Petrus van Gelderen op no 23 ventte met petroleum.

Aan het eind van Schilkampen waren dan nog de 'koemelkersspultjes' van Koopmans en Hoekstra. Het weggetje van Schilkampen stopte hier. Alleen een voetpad door het land maakte het mogelijk de spoorbrug over de Greuns te bereiken.

Ondanks de vele veranderingen en aantastingen is op Schilkampen nog altijd een aardige wandeling te maken. Er staan schilderachtige huisjes die voor een deel zijn opgeknapt. Ook het kleine brandspuithuisje is hersteld. In deze dependance van de brandweerkazerne stond vroeger een kleine handbrandspuit omdat Schilkampen voor de brandweerauto's onbereikbaar was. Twee keer per jaar werd er door de bewoners van Schilkampen mee geoefend, vooral om te zien of er geen al te grote gaten in de brandslangen zaten.

Voorbij de laatste woning op Schilkampen staat nog een oud 'elec­triciteitshuisje'. Veel van deze transformatorstations zijn afgebroken. Daardoor is dit gebouwtje ook bijna een industrieel monumentje geworden.

Hoe de toekomst van Schilkampen er uit zal zien, is niet met zekerheid te zeggen. De bebouwing zal gehandhaafd blijven en mogelijk verder worden hersteld. Er zijn plannen geweest voor de aanleg van een zwaaikom maar door de aanwezige bodemvervuiling zijn deze plannen niet uitgevoerd.

Te hopen is, dat de doorgraving tussen de Kurkemeer en de Tynje toch nog uitgevoerd kan worden. Leeuwarden zou dan de oude vaarroute vanuit het Vliet naar het zuiden weer terugkrijgen.


Noordvliet

Indische Buurt
Aan het Vliet was rond 1900 behoefte aan meer en goede volkswoningen en daartoe kocht de Vereniging voor Volkshuisvesting een terrein aan het Noordvliet. Hier verrees in 1908 de Indische Buurt bestaande uit 74 woningen onderverdeeld in acht verschillende typen.

Het ontwerp was van de vermaarde Leeuwarder architect W.C. de Groot. Deze is onder meer bekend geworden door het kleurrijke in vernieuwingsstijl uitgevoerde Gabbema Gasthuis aan de Wybrand de Geeststraat (1906). Ook in de Indische Buurt paste De Groot, hoewel bescheiden, kleurrijke materialen toe: bijvoorbeeld in de frontgevels aan het Vliet vlakken met gele verblendsteen omrankt door bruine baksteen. De woningen kregen voor een tuintje en achter een bleek en uitpandig privaat. De kamers werden voorzien van twee bedstedes en een zolderkamertje was bereikbaar via een vaste trap. Nog tijdens de bouw werd één hoekwoning veranderd in een winkel, waarvoor veel belangstelling bestond. De kwaliteit en bruikbaarheid van deze woningen maakte het lonend om van 1988 tot 1990 de buurt te renoveren. Verwacht mag worden dat ze haar eerste eeuwfeest wel zal halen, hetgeen niet van alle Leeuwarder woningwetwoningen gezegd kan worden.


Noordvliet 501
Het huidige gebouw wordt voor het eerst in 1770 genoemd, samen met een zomerhuis. Beiden waren in bezit van de boekdrukker Abraham Ferwerda, vanaf 1752 uitgever en drukker van de Leeuwarder Courant. Hij woonde elders in de stad en gebruikte het bestaande zomerhuis als een buiten. Kennelijk voldeed dit zomerverblijf niet helemaal aan zijn eisen. Hij liet een nieuw huis bouwen dat er nog steeds staat. In 1775 wordt tevens een molen genoemd als bezit van Ferwerda. Hij verkocht huis en molen in 1781 aan Frans Beernts (of Berents), molenmaker van beroep. De aanwezigheid van vele molens zal de molenmaker hebben aangetrokken. Van zijn eigen molen is echter niets bekend. Zijn zoon Berend voerde hetzelfde beroep met succes uit. Dit blijkt uit de aankoop van de aangrenzende percelen en de bouw van een timmerschuur. Vanaf 1816 bezitten vader en zoon, toen al Schaafsma geheten, samen het huis. In 1824 koopt Berend Franses het van zijn vader om het bedrijf alleen voort te zetten. Na zijn over­lijden verkoopt zijn weduwe in 1842 het bezit aan Jetze Bosman c.s. voor fl 1741,=. In de toen opgemaakte koopakte wordt het woonhuis gedetailleerd beschreven. Hierin worden twee kamers ter weerszijden van de gang genoemd, voorts een keuken en een achterhuis waar zich de trap bevond. In de oostelijke voorkamer worden een schoorsteen, twee bedsteden en een kast genoemd. In het westelijke vertrek waren een schoorsteen, een bedstede en drie kasten te vinden. Op de zolder lag een kamer aan de zuidzijde met een uitgebouwde dakkapel. De zolder werd verder met behulp van twee ramen van licht voorzien. Bosman verkocht het pand al een jaar later aan Luitjen Ubbens, commissionair van beroep. Ubbens bewoonde tot 1853 het pand. Toen werd timmerman Harmen Keijzer eigenaar. In zijn tijd bezat het huis een iets gewijzigde indeling. De twee kamers aan de voorkant, de gang en de keuken bleven onveranderd. Achter de kamer aan de oostzijde werd een achterkamer ingericht met een bedstede en een kast. Meer lezen wij over het perceel achter het huis, waar een bleek lag. Ook worden verschillende vruchtbomen in de voortuin genoemd.

Eveneens in 1853 bouwde Keijzer een nieuwe woning, iets achteruit geschoven, aan de oostzijde van het bestaande pand, dat hij verhuurde.

In 1881 overleed de 85-jarige eigenaar. Ter gelegenheid van het toen gehouden boelgoed werd de inventaris van het huis vastgelegd. Deze geeft een goede indruk van de sociale status van de bewoner. Behalve het gebruikelijke huisraad en de meubels bezat Keijzer ook schilde­rijen, boeken en beelden. Het kleine huisje aan de oostzijde kwam in bezit van zijn zoon Jacob. Hierna veranderde het pand in 20 jaar vier keer van eigenaar. Wij noemen hier Eeltje Mulder, koopman van beroep, die het pand bewoonde. Omstreeks 1900 verhuurde eigenaar J.L. van Geervliet het huis aan meerdere bewoners. Hij was kleer­maker en woonde zelf in de Weerd.

Het huis heeft zijn achttiende-eeuwse vorm behouden. Het hoge dak en de symmetrische gevelindeling getuigen hiervan. De fraaie blinden vervolmaken het geheel. Deze zijn op de zolder aangetroffen, dusorigineel. Het gebouw bevat één bouwlaag onder een hoge kap, waarin een grote dakkapel is uitgebouwd. De vier ramen aan weerszijden van de ingang bezitten zes ruiten. Ook de achtergevel bezit weer zijn originele indeling wat het aantal ramen betreft. Deze opmerkelijke gaafheid ontving het huis bij de laatste verbouwing in 1986. De hui­dige bewoners hebben met grote inspanning en enthousiasme het huis opgeknapt en doen er alles aan om de oude sfeer van het huis opnieuw op te roepen, waarin zij dan ook goed geslaagd zijn.

Ook de tuin is onlangs opnieuw aangelegd. In plaats van de eenvou­dige tuin met enkele vruchtbomen en dichtgegroeide paden hebben zij een symmetrische aanleg gecreëerd met geschoren buxushagen in een geometrisch patroon aangeplant. Tussen de buxus groeien rozen zoals dat zo vaak in de oude stadstuinen gebruikelijk was. Thans bezitten huis en tuin hun originele achttiende-eeuwse vorm. Het complex kan door de wandelaar als een sieraad van het Vliet worden beschouwd.


Noordvliet 255 Eben-Haëzer
Scheepvaart was voor het Vliet van wezenlijk belang. Het is dan ook niet toevallig dat eertijds op Zuidvliet 4 het Schippersgilde was ge­vestigd. Ook kon men op het Vliet diverse panden vinden met gevelstenen waarop de scheepvaart uitgebeeld was. Eén zo'n steen treffen we nog aan in de witgepleisterde gevel op nummer 255. De steen is niet eens zo heel erg oud. De tekst op deze steen luidt:

18 beurtschip 95 / Leeuwarden - Rotterdam en Schiedam / K.H. Feenstra. / Eben-Haëzer.

Klaas Feenstra, geboren te Warga in 1834, en zijn vrouw Dieuwke de Vries (1836-1909) vestigden zich in 1894 op dit adres. Het wijkboek vermeld dat zij afkomstig waren "van boord". Hun beurtschip zal waarschijnlijk de naam Eben-Haëzer gedragen hebben en zoals Samuel in de oorlog tegen de Filistijnen bij de Palestijnse plaats Eben-Haëzer een gedenksteen oprichtte, zo markeerden zij de belangrijke mutatie in hun bestaan met een gevelsteen, de woorden van de veldheer indachtig: "tot hiertoe heeft ons de Heer geholpen" (Sam. 4). Feenstra's laatste reis vond plaats op 24 maart 1921.


Noordvliet 169 Klokgevel
Jan Dorenbos vestigde zich in 1919 op dit adres. Hij was barbier en startte in 1922 zijn huwelijk en kapperszaak op no. 169. Hij zal naar we mogen aannemen opdracht gegeven hebben de voorgevel volledig te vernieuwen. Het resultaat zien we op de foto hieronder. Zijn naam prijkt op het linker étalageruit. De tekst op het uithangbord luidt: "Salon voor scheren en haarsnijden" en een prachtig geëtst raam inde voordeur vermeld het woord "coiffeur". Barbier, haarsnijden en coif­feur: woorden die uit onze spreektaal zijn verdwenen. (Nu we toch tekstborden citeren, op het bord rechts op de Wittebrug staat geschilderd: "Bruggeld / voor ieder vaartuig of houtvlot / des daags van 6 uur tot 10 uur 6 cts. / des nachts van 10 uur tot 6 uur 10 cts." Sinds 1938 is de drogisterij van J. Monsma in het pand gevestigd. Zoals we van de vernieuwde voorgevel van no 109 weten dat zijn huidige trapgevel vooraf is gegaan door een oorspronkelijke trapgevel van 1735, zo kunnen we hier vermoeden dat deze in eigentijdse detaillering en mate­rialen uitgevoerde klokgevel een voorganger heeft gehad in dezelfde vorm, maar bewezen is het vooralsnog niet.


Noordvliet 109
De opvallende trapgevel van dit pand is vooral vanwege de tweemoeilijk leesbare cartouches met jaartal interessant. De eerste verraadt onmiddellijk dat het uit 1735 dateert. Toen was Johannes Gelterp eigenaar, die meer huizen elders in de stad bezat. Hij woonde er zelf niet maar verhuurde het aan Hein Jacobus. Na hem was Dirk Jans Dotinga eigenaar. Zijn erfgenamen verkochten het in 1787 aan Foppe Bouwes' weduwe, die het huis al langer huurde. In de koopakte werd het huis aangeprezen als "een wel ter nering staande huizinge".

Vanaf 1805 is A.F. Hoitema, "koopman op het Vliet" eigenaar. Hij woonde er nog in 1832.

Lange tijd, tot 1910, werd het pand bewoond door Pieter Sierks Weijer, schilder van beroep. Zijn dochter verliet het in 1917. Toen vond de verbouwing van de gevel plaats waarnaar de tweede jaartal-cartouche verwijst.

Het gebouw telt twee bouwlagen onder een hoge kap. Op de begane grond bevindt zich rechts van de ingang een brede garagedeur, die de gevel ontsiert. De eerste verdieping bevat een gepaard dubbel venster en twee enkele ramen die in 1917 aan de bovenzijde van glas-in-lood ruitjes werden voorzien. Ze zijn alle voorzien van ontlastingsbogen. Ook de witte sierbanden herinneren aan genoemde datum. De zolder wordt door een venster met T-raam van licht voorzien.

De trapgevel is van bruine mangaansteen opgetrokken en telt zes met natuurstenen platen afgedekte trappen.

Op de schoorsteen ziet men de fraaie koperen windwijzer in de vorm van een paard blinken. Een belangrijke blikvanger is de fraaie oeuil de boeuf in de top van de gevel, die samen met genoemde cartouches aan het in slechte staat verkerende gebouw toch een zeker aanzien ver­lenen.


Noordvliet 15, 17
No 15 is een achttiende-eeuws herenhuis, dat in de tweede helft van de vorige eeuw een 'face-lift' onderging. Dit blijkt uit de kozijnomlijs­tingen en de T-roedenverdeling in de ramen. Misschien werd de gevel gewijzigd in opdracht van de toenmalige bewoner: de koopman Dirk Tigler Wijbrandi. Achter deze woning staan nog twee pakhuizen. Hier werd dus gewoond en gewerkt op één erf, wat zo typerend was voor het Vliet en ook voor die tijd, waarin men afzonderlijke industrie­terreinen en slaapwijken nog niet kende. Het pakhuis op no 17 droeg rond 1900 de naam 'Zeevaart' en werd gebouwd in 1759. Soms werd het ook ten dele bewoond. Beide panden waren recent als kantoren in gebruik bij de Gemeente, die de gevels intact liet, maar met het inte­rieur minder piëteitsvol omging.
Noordvliet 11


'De Doorbraak'
Aan het eind van de negentiende eeuw onstond er in Leeuwarden een kleine maar gestaag groeiende Baptistengemeente: Christenen die de kinderdoop verwerpen en uitsluitend na bekering de doop door onderdompeling aan volwassenen voltrekken. Aanvankelijk 'kerkten' zij in een pand in de Bagijnestraat, maar medegebruikers van dat pand klaagden over hinder en noodzaakten hen om te zien naar een andere locatie. Die vonden zij in 1913 aan het Vliet op no 11, waar het gemeentelid H.v.d. Heide een deel van zijn woonhuis beschikbaar stelde. Ook deze ruimtes bleken te klein voor de groeiende gemeente en na aankoop van no 11 in 1933 besloot men een kerk te bouwen in de erachter gelegen grote tuin. Het ontwerp was van de 'Gerefor­meerde architect' P.E. Post, die een sobere doch intieme kerkzaalontwierp met 450 zitplaatsen gebouwd door de Leeuwarder aannemer R. Wijbenga. De ingang van de kerk bevindt zich aan de M.H.  Tromp­straat, maar bleef 'doorgebroken' naar het toendertijd zo waterrijke Vliet.
Noordvliet 5, 7, 7a en 9

In het begin van deze eeuw kochten de gebroeders Dijkstra de no's 5,7 en 7a, en later ook nog 9. (Sinds 1980 behoren de no's 3 t/m 19 tot het beschermd stadsgezicht). Zij waren kooplieden en winkeliers in manufacturen. In 1913 lieten zij no 5 en 7a ingrijpend verbouwen door architect H.H. Kramer. No 5 was een klein pakhuis en werd verbouwd tot een ruime woning voor H.Dijkstra. De traditioneel ingedeelde gevel kreeg als beëindiging een in- en uitgezwenkte top. Het pand no 7a bestond slechts uit één bouwlaag met eeen plat dak en werd verbouwd tot winkel en magazijn. Deze pui werd dankzij ijzeren lateien modern ingedeeld, maar werd traditioneel beëindigd als klokgevel. Later werd het pakhuis van NV Dulith's Vlashandel (no 9) aangekocht en eveneens van een strakke winkelpui voorzien. Met de toepassing van Oud-Hollandse elementen in de gevelarchitectuur was Kramer niet de laatste aan het Vliet (zie no 109 uit 1917) en hij heeft daarmee bijgedragen aan het statige en meer steedse karakter van de 'entree' van het Vliet.

D. Dijkstra kwam te wonen op no 7. De voorgevel van dit herenhuis bleef ongemoeid en dankzij Kramer's bewaard gebleven tekening kunnen we nu inventariseren wat er sinds 1913 van dit pand verdwenen is: de linker schoorsteen, de afdekplaat van de rechter schoorsteen, de in rank houten vlechtwerk uitgevoerde balustrade op de kroonlijst, de originele ramen van de dakkapel, de zesruitsroedenverdeling op de eerste verdieping, de buitenmarkiezen voor de ramen, de monumen­tale dubbele voordeur en de stoeppalen met kettingen. Gelukkig nog wel aanwezig is een in rijk houtsnijwerk uitgevoerd bovenlicht boven de voordeur. De nieuwe functie van dit pand is die van moskee, waarmee de twee grootste monotheïstische wereldgodsdiensten vertegenwoordigingen hebben aan het Vliet.

Hoek Noordvliet / Oostersingel 2a
In 1940 werd de brugwachterswoning op het Noordvliet no 1 afge­broken om het toenemend verkeer een beter zicht te verlenen nu de verbindingsbrug tussen stad en Vliet verplaatst werd naar de zijde van het Noordvliet. In de vrijgekomen blinde zijgevel van het pakhuis Petersburg werden ter opsiering twee gevelstenen geplaatst, beide afkomstig uit het Fries Museum. Bovenin 'De Wildeman' die ooit een gevel in de Grote Kerkstraat sierde. En onderin een fraaie achttiende- eeuwse steen met als voorstelling een door een bereden paard ge­trokken trekschuit. Deze steen is oorspronkelijk afkomstig van de Harlinger Stal, die zich bevond nabij de plaats van de huidige Ver­laats­brug.

Het voormalige circa 200 jaar oude pakhuis Petersburg ontleent zijn naam aan één van de steden waarop door de eigenaar handel gedreven werd. Dit pakhuis was lange tijd bezit van de in graan handelende familie Huisinga (zie ook no 34). De nieuwe bestemming van dit pand is op de begane grond: dienstverlening, en op de eerste en tweede verdieping plus vliering: wonen. In de woning blijven de geprofileerde balken in het zicht evenals de spanten van de circa 100 jaar geleden vernieuwde kap. De vensteropeningen worden afgedekt door houten lateien, die van buiten onzichtbaar zijn. De met de originele luiken afsluitbare vensteropeningen op de begane grond hadden geen raamkozijen. Om nu duidelijk aan te geven dat de nieuwe raamkozijnen een hedendaagse toevoeging zijn heeft de huidige eigenaar het raamhout van eigenzinnige metalen strippen voorzien. Het ligt in de bedoeling in de toekomst de verdwenen dakkapel met hijsbalk weer in ere te herstellen. Vanuit de woonkamer heeft men een prachtig uitzicht op de stad, maar ook de stad mag niet ontevreden zijn met het zicht op dit zorgvuldig behandelde monument.


Colofon

Uitgave:                Stichting Aed Levwerd, 1994
Redactie:              Johan Lichthart en Derk Jan Prins
Tekstbijdragen:     Jeltsje Bergsma, Hendrik ten Hoeve, Leo van der Laan, Johan Lichthart,
                             Rita Mulder-Radetzky, Derk Jan Prins
Illustraties:            Gemeente Archief Leeuwarden, H. Lanting, Leeu­warder Courant, J.P.
                             Lichthart, Monumentenzorg Gemeente Leeuwarden, Prentenkabinet
                             Fries Mu­seum, T. Sanddijck, D. Swierstra en G.E. Visser.
Kaart:                   Cees Sträter
Druk:                     Dekker Drukwerken, Vliet 38, Leeuwarden
Vormgeving:         Dekker Drukwerken, Vliet 38, Leeuwarden

De organisatie van de achtste Open Monumentendag in Leeuwarden en de uitgave van een begeleidend boekje zijn mogelijk gemaakt door financiële en andere ondersteuning van onder meer de Gemeente Leeuwarden, het Gemeente Archief Leeuwarden, de Maatschappij tot 't Nut van het Algemeen en Dekker Drukwerken te Leeuwarden.

De Stichting Aed Levwerd dankt in het bijzonder de eigenaars/ bewoners der opengestelde panden en de talrijke vrijwilligers voor hun enthousiaste bijdrage op de Open Monumentendag.

Terug