Langs Dokkumer Ee, tussen Bonke en Ake


Monumenten in en rond Lekkum, Miedum en Snakkerburen

Open Monumenten in Leeuwarden 1996

Woord vooraf
Dit jaar heeft de tiende Open Monumentendag plaats in de gemeente Leeuwarden. Het bestuur van de Stichting Aed Levwerd denkt met voldoening terug aan de eerdere open dagen. Duizenden belangstellenden hebben het opengestelde monumentale erfgoed in onze ge-meente bezocht en aan de omlijstende activiteiten deelgenomen. Ook voor de tiende maal verschijnt het Open Monumentendagboekje. De serie bevat inmiddels een schat aan informatie over bouwkunst, geschiedenis, stedebouw en landschap in en om Leeuwarden.

De gemeente Leeuwarden omvat naast de stad een groot landelijk gebied met een aantal karakteristieke dorpen en buurtschappen. Nadat in 1989 de dorpen en het landschap in het zuidelijk trimdeel centraal stonden, is in 1996 de beurt aan het gebied ten noorden van de stad. Het gebied aan weerskanten van de Dokkumer Ee met de dorpen Lekkum, Miedum en Snakkerburen, het Leeuwarder Bos en de verspreid liggende boerderijen is interessant en boeiend. Voor de liefhebbers valt er weer veel te genieten.

De in samenwerking met Dorpsbelang Lekkum/Miedum georganiseerde activiteiten zullen zeker bijdragen aan het succes van de tiende dag. Wij hopen dat deze Open Monumentendag duidelijk maakt, dat met dit prachtige gebied in ruimtelijk opzicht voorzichtig moet worden omgegaan want „it hat te folle fan widzjen kostte om forlern te gean".      

Over de tiende Open Monumentendag in Leeuwarden is helaas ook een schaduw gevallen. Op 30 mei 1996 overleed ons medebestuurslid Johannes Pieter Lichthart. Jarenlang heeft Johan zich met grote betrokkenheid ingezet voor de organisatie van de Open Monumenten-dagen, de redactie van de boekjes en het opzetten van tentoonstellingen. Ook bij de organisatie van deze dag was Johan tot zijn plotselinge dood intensief betrokken. Wij missen zijn inbreng en kameraadschap. Ter herinnering en uit dankbaarheid draagt het bestuur van de Stichting Aed Levwerd dit boekje op aan Johan Lichthart.

Hendrik ten Hoeve,
voorzitter Stichting Aed Levwerd.


Lekkum, Miedum en Snakkerburen, een groot Open Monument!
De dorpen Snakkerburen, Lekkum en Miedum liggen in een gestrekte lijn ten noordoosten van de Friese hoofdstad. Sinds onheuglijke tijden maakten deze dorpen deel uit van Leeuwarderadeel, totdat ze in 1944 bij de gemeente Leeuwarden werden gevoegd.

Lekkum en Miedum zijn terpdorpen. Hun geschiedenis reikt terug tot de vroege middeleeuwen en zelfs daarvoor was er reeds bewoning. Vóór de Reformatie vormden de dorpen twee afzonderlijke rooms-katholieke parochies, na 1580 zijn ze verenigd tot één kerkelijke gemeente. Snakkerburen is een vaartdorp of streekwaterdorp en minder oud: als buurtschap (ook wel buurschap) van Lekkum kreeg het langs de Dokkumer Ee eerst in de loop van de zestiende eeuw gestalte. Pas in de jaren-zeventig van deze eeuw kreeg het dorpse allures.


Prehistorie en middeleeuwen
Over het middeleeuwse Lekkum en Miedum valt bedroevend weinig te lezen. De dorpen hebben geen heiligen en geleerden voortgebracht, noch een hoofdelingengeslacht binnen hun grenzen gekend. Evenmin hebben er kloosters gestaan of sluizen gelegen waarover getwist kon worden. Zelfs de apocriefe geschiedschrijving van de zestiende eeuw weet niets noemenswaardigs te noemen, of het moet al zijn dat Frede-rik van Hallum in de twaalfde eeuw te Miedum een jongen uit de dood opwekte. Gelukkig is de geschiedschrijving niet volledig afhankelijk van verhalende bronnen maar kunnen eveneens gegevens worden ontleend aan landschapselementen als grondsoorten, terpen en verkavelingspatronen.

Lekkum wordt mogelijk voor het eerst genoemd in de tiende eeuw, als „Lakki" in de administratie van het Duitse klooster Fulda. Rond 1230 komen we de vorm „Lackum" tegen. Lekkum kan worden opgevat als een samentrekking van Lakki-heem, het erf bij de Lits. De naam van deze natuurlijke waterloop die nog steeds de grens tussen Lekkum en Miedum vormt, is verwant aan het werkwoord lekken en komt in 1580 voor als „Ledts", in de atlas van Wopke Eekhoff uit 1847 als „Oude Lits" en werd in de volksmond „Luts" genoemd. Het is echter niet uit te sluiten dat het eerste gedeelte van Lekkum van een persoonsnaam is afgeleid. De uitgang van Miedum heeft niet betrekking op heem, maar is een derde naamval meervoud, een locativus, met als betekenis: op de mieden (hooilanden).

Toen de eerste mensen zich in de Friese kleigebieden vestigden, zo rond de vijfde eeuw voor het begin van onze jaartelling, had de zeehier vrij spel. Waar tegenwoordig zeedijken op deltahoogte het water een halt toeroepen, kon het destijds tweemaal daags via zeearmen enkreken ongehinderd in het Friese kwelderlandschap doordringen en laag gelegen gedeeltes overspoelen. De hoger gelegen kwelderwallen boden wel voldoende bescherming om een menswaardig bestaan op te bouwen.

Maken wij ons heden ten dage druk over het broeikaseffect, ook tweeduizend jaar geleden had de mens zo zijn redenen tot bezorgdheid. Tussen 300 vóór en 50 na Christus werd het klimaat warmer, smolt er meer poolijs dan er aangroeide, steeg daardoor de zeespiegel en drong de zee dieper in het land door. Dit geologische fenomeen staat bekend als transgressie en leidde onder andere tot de vorming van de Middel-zee. De mens wist zich niet langer beschermd op de hoge kwelderwallen - overigens had de toegenomen bevolkingsdruk hem gedwongen zijn onderkomen ook te zoeken in lager gelegen gebieden. Zijn antwoord was even vernuftig als doeltreffend: hij verhoogde eenvoudigweg zijn woonsteden, het begin van de terpentijd. Omstreeks het jaar 1000 werd men opnieuw met een periode van transgressie geconfronteerd, die vier eeuwen aanhield. Door de aanhoudende stijging van de zeespiegel stond het land steeds vaker onder water en werden grote stukken weggeslagen. Daar waren zelfs de terpen niet tegen opgewassen. Hoewel de eerste zeedijken reeds uit de tiende eeuw dateren, werd nu eerst op grote schaal het dijkenstelsel tot ontwikkeling gebracht.

Ondanks deze transgressie slibde de Middelzee opmerkelijk snel dicht, mogelijk als gevolg van de vergroting van de Zuiderzee, waar het opgestuwde water nu een ruimer heenkomen vond. Daardoor slaagde men erin deze zeearm in de loop van de dertiende eeuw gefaseerd te bedijken en lag Leeuwarden rond 1300 niet langer aan zee. In de bedijking van Het Bildt vond deze landwinning in het begin van de zestiende eeuw zijn sluitstuk.

Voor de waterlossing had de verlanding van de Middelzee grote gevolgen. Zo kon de (Zuider) Ee, een natuurlijke waterloop die bij Wanswerd ontsprong, niet langer bij Leeuwarden in zee uitwateren. Daarom werd haar loop omgelegd door bij Tergracht (!) een verbinding naar de toenmalige Dokkumer Ee te graven. Dat stroompje begon in het Bornemeer bij Birdaard en mondde uiteindelijk uit op het Dokkumerdiep. Zo ontstond de tegenwoordige Dokkumer Ee. Ove-rigens kon ook via de Murk water gelost worden. De omkering van de afwatering werd mede mogelijk gemaakt door de daling van het maaiveld van het veengebied dat zich ten oosten van de Murk uitstrekte. Aanvankelijk had het hoger dan de kleigronden aan de Middelzee gelegen, maar in de middeleeuwen klonk het als gevolg van oxydatie en ontginning geleidelijk in.

Dat de zee ook in de omgeving van Miedum en Lekkum ooit vrij spel heeft gehad, blijkt zonneklaar uit de aanwezigheid van terpen. Ten noorden van Leeuwarden waren rond het begin van de jaartelling twee terpenreeksen ontstaan. De oudste lag op de kwelderwal tussen de Middelzee en de Ee en bestond van zuid naar noord uit Fiswerd, Bilgaard, Taniaburg en Vierhuis. Van latere datum is de terpenreeks aan de oostzijde van de Ee, die gevormd wordt door Aesterterp (of Cambuur), Harmswerd (of Hoogterp), Blitzaard, Lekkum en Miedum. Getuige archeologische vondsten dateren ook deze terpen van vóór de Romeinse tijd. Wèl is de bewoning mogelijk een tijdlang onderbroken geweest. De sociaal-geograaf en historicus Meindert Schroor heeft de mogelijkheid geopperd dat deze terpen ten gevolge van de laat-Romeinse transgressie vanaf de vierde eeuw werden verlaten en in de Karolingische tijd (negende eeuw) opnieuw in gebruik werden genomen. Archeologisch onderzoek lijkt dit beeld voor Miedum te bevestigen. Aldaar is in 1962 een woonplaats uit het begin van de jaartelling opgegraven, die enkele eeuwen in gebruik was geweest en vervolgens door een laagje klei was overslibd. De westelijke terpenreeks, waartoe ook de terpen van de Leeuwarder binnenstad moeten worden gerekend, is vanaf haar ontstaan grotendeels permanent bewoond geweest.

Voorts is de invloed van de zee te herkennen in de bodemgesteldheid van de dorpsgebieden van Miedum en Lekkum. Aan weerszijden van de Ee werd een smalle, relatief hooggelegen strook zavel afgezet, vruchtbare grond, geschikt voor akker- en tuinbouw. Op de oostelijke ‘rug' wierpen mensenhanden de bovengenoemde terpenreeks Aester-terp, Harmswerd, Blitzaard, Lekkum en Miedum op. Verder landinwaarts treffen we de lager gelegen knipklei aan, die zich leent voor de veehouderij. Nog verder oostwaarts - de scheiding loopt ruwweg langs de weg van Lekkum naar Miedum - bevinden zich nesvaaggronden en drechtvaaggronden, vaktermen voor de drassige grondsoorten van het overgangsgebied van klei naar veen, waar dat veen zich schuilhoudt onder een laag knipklei van nog geen halve meter. Deze laag gelegen landerijen, die voorheen in natte winters blank stonden, werden alleen gebruikt om hooi te winnen (al werd er ook jongvee ge-weid, zoals uit de naam van het Kalverdijkje blijkt). Nog steeds staan er in dit gebied geen boerderijen. Tenslotte stuiten we op het water de Murk, welke naam etymologisch verwant is aan moeras met als betekenis ‘donker water' en die de oostelijke dorps- en gemeentegrens vormt.

De Murk loopt parallel aan de Ee van Rinsumageest via Oudkerk naar het Ouddeel. Als vaarwater heeft zij weinig te beduiden, maar voor de afwatering des te meer. De Friese vorm Moark is eveneens de naam voor wollegras en veenpluis. Waar de Murk precies overgaat in het Ouddeel, is onduidelijk - atlassen zijn er niet eenduidig over - maar in elk geval heeft deze overgang plaats tussen de Bonkesloot en het Mie-dumerdiep of Ake, die verbindingsvaarten tussen de Dokkumer Ee en de Murk vormen.

De Bonkesloot geniet tegenwoordig nationale bekendheid als finishplaats van de Elfstedentocht, in welk parcours de Murk vanaf Oudkerk eveneens is opgenomen. De naam is afgeleid van bonkveen, de voor de turfwinning ongeschikte bovenkorst van laag- en hoogveen. Momenteel loopt de grens tussen Leeuwarden enerzijds en Lekkum en Snakkerburen anderzijds langs de Bonkesloot, maar vroeger liep zij zo'n 500 meter zuidelijker, al begon zij bij het punt waar de Bonke-sloot in de Dokkumer Ee uitkwam.

Ten noorden van Miedum, evenwijdig aan de Bonkesloot, loopt het Miedumerdiep of Ake. Weer ruim een halve kilometer ten noorden daarvan loopt de dorpsgrens van Miedum, die eveneens de noordelijkste grens van de gemeente Leeuwarden vormt. De grens tussen Lekkum en Miedum loopt langs de al eerder genoemde Lits of Luts, die in de achttiende eeuw nog werd geslat en rond 1900 nog viswater was maar tegenwoordig slechts als een fikse sloot in het landschap waarneembaar is.

De verschillende grondsoorten zijn ook van het verkavelingspatroon af te lezen. Op en rondom de terpen, op de zavelgronden en knipklei, treffen we blokverkaveling aan, onregelmatig gevormde percelen waarin vaak nog de grillige loop van oude kreken en slenken is te herkennen. Oostwaarts gaat zij over in blok-strookverkaveling (ook wel miedenverkaveling genoemd), een opstrekkende verkaveling waarbinnen regelmatig blokvormige stukken land liggen. Hoe meer oostwaarts men komt, des te regelmatiger de opstrek.

Hier op de nesvaaggronden en drechtvaaggronden lagen destijds de meenscharren en hemrikken, die in de middeleeuwen gemeenschappelijk gebruikt werden en pas laat ontgonnen en verkaveld zijn. Nog in 1543 was er onder Lekkum sprake van land „twelck alle jaeren gewandelt wordt" en van landen, „gelegen in de deelscap, die om den derden jaere wedercoemen daer sij gewest sijn". Het vruchtgebruik rouleerde dus jaarlijks onder de gezamenlijke eigenaars.


Zestiende, zeventiende en achttiende eeuw
Ten aanzien van het grondgebruik krijgen we in 1511 vaste grond onder de voeten. In dat jaar werd op last van de Saksische hertogen, ten behoeve van een grondbelasting, het Register van de Aanbreng opgemaakt. Dit kadaster avant la lettre bevat de namen van landeigenaars en huurders en geeft informatie over de grootte, het grondgebruik en de huurwaarde van het land. We mogen ons gelukkig prijzen dat het voor Lekkum en Miedum bewaard is gebleven.

Onder Miedum worden veertien boeren vermeld, die „seedtlandt" (bouwland), „fennen" (weiland) en „meden" (hooilanden) bewerkten. Daarnaast wordt een enkele keer de oppervlaktemaat „koeganck" ge-bruikt, waarmee fennen moeten zijn bedoeld. Er waren iets meer meden dan fennen (365 tegen 347 pondemaat) en slechts twee boeren hadden de beschikking over een akkertje (3 en 6 pm). Lekkum telde 25 agrariërs, van wie er zeventien een gemengd bedrijf uitoefenden (gezamenlijk 115 pm seedtlandt). De verhouding tussen fennen en meden was nagenoeg gelijk aan die van Miedum (546 tegen 445 pm), maar dus aanmerkelijk meer bouwland. Daarentegen was er te Lek-kum ook enig „reidlandt" en „leechlandt" (in totaal 11/2 pm).

Voor de jaren 1748 en 1793 hebben we ook cijfers over de grootte van het areaal bouwland tot onze beschikking. In Miedum was in het eerstgenoemde jaar het gemengd bedrijf geheel verdwenen, maar in het laatstgenoemde jaar werd er weer een akker van 5 pm bewerkt. Het areaal bouwland in Lekkum was halverwege de achttiende eeuw geslonken tot slechts 14 pm en op het einde van die eeuw werd het dorp zelfs door Miedum voorbijgestreefd (3 pm)! Een opmerkelijke ontwikkeling, die desalniettemin in overeenstemming is met het algemene beeld van de agrarische geschiedenis van Friesland: de grens tussen de greidhoek en de bouwhoek is nog altijd bijzonder flexibel. Evenwel moeten we ons bedenken dat er seedtlandt afgegraven kan zijn voor de fabricage van baksteen en dat de kwaliteit van de grond door inklinking achteruit kan zijn gegaan.

Hoe is de opkomst van Snakkerburen te verklaren? We mogen gerust aannemen dat op Snakkerburen reeds op het eind van de Middeleeu-wen boeren of in ieder geval koemelkers hebben gewoond. Misschien waren ze op een hand te tellen, maar dit is reeds genoeg om van een buurtschap te spreken en er een naam aan te geven. De naam Snakker-buren, die voor het eerst opduikt in de zestiende eeuw, heeft vermoedelijk te maken met de ligging van de buurtschap op een ten opzichte van Lekkum vooruitstekende strook grond en is dan etymologisch verwant aan plaatsen als Sneek en Snikzwaag. De naam Snakkerburen is zeker niet uniek. Zij is eveneens de naam van een buurtschap ten zuidwesten van Oostermeer. Daarnaast wordt in de provincie Groningen, zowel bij Noordhorn als bij Ulrum, een Snakkeburen aangetroffen, terwijl ten noorden van Workum destijds Snackerbuurt lag, dat naderhand bij die stad is getrokken.

In het Register van de Aanbreng (1511) wijst niets op een bestaan van Snakkerburen als ambachtscentrum. Alle personen die onder Lekkum worden genoemd, bezitten land of hebben dat in gebruik. Zelfs „Claes bij dat hoighholt" huurde zeven pondemaat fennen van de gebroeders Cammingha. Het staat niet vast of alle gezinshoofden een aanslag in rekening is gebracht; in menig ander dorp moest althans wèl voor de ‘huussteden' van niet-agrariërs belasting worden afgedragen.

Eerlijkheidshalve moet toch melding worden gemaakt van drie landeigenaars onder Lekkum, die een toenaam dragen die met het uitoefenen van een ambacht verband houdt. Van Jelke Pelser en Fock Olyslager is het echter zeker dat het Leeuwarders waren en van Sittie Backers erven is het aannemelijk. Bakkers namelijk kwamen toen op het platteland nauwelijks voor.

De eerste ambachtsman van wie gevoeglijk kan worden aangenomen dat hij zijn vak aan de Dokkumer Ee heeft uitgeoefend, vinden we postuum vermeld in het Beneficiaalboek uit 1543: Heynrick Schoemakers erven. Een volgende middenstander is de door Santema genoemde bakker Isbrant Nanner, die wettelijke bescherming van de overheid aanvroeg voor zijn bakkersmerk, dat in alle broden werd

gedrukt: „Op huyden den 2 jan. 1570 heeft Isbrant Nanner, backer toe Snackerbuiren, verclaert dit voergaende merck (..) op sijn brooden te holden en setten".

De komst van middenstanders naar Snakkerburen zal in Leeuwarden met gemengde gevoelens zijn gadegeslagen. Volgens Wopke Eekhoff had de stad reeds aan het begin van de vijftiende eeuw „sedert eenigen tijd met leedwezen moeten aanzien, dat een aantal kooplieden, handwerkslieden en andere personen, die zich niet aan de stadswetten en bepalingen der gilden hadden willen onderwerpen, buiten de stad en vooral aan de oostzijde, langs den stroom de Vliet, zich huizen hadden gebouwd, en daarin ten nadeele der stedelingen hun beroep uitoefenden". Toen Leeuwarden begin zestiende eeuw definitief de jurisdictie over dat gebied had gekregen, zullen juist buiten die zogenaamde klokslag nieuwe kansen hebben gelegen. Dit gegeven, gecombineerd met de ligging aan de Dokkumer Ee en de verdere kanalisatie daarvan tezelfdertijd, gaf Snakkerburen de wind in de zeilen. Zo zal Isbrant Nanner ook veel schippers onder zijn klanten hebben geteld, die op doorreis de buurtschap aandeden. En wanneer de stad 's avonds haar poorten had gesloten, vonden late reizigers nog een warm onthaal bij de hospes op Snakkerburen.

Naarmate de bevolking groeide, nam de nering en nijverheid toe en dat trok op zijn beurt weer nieuwe bewoners aan. Op de kaart van Bernardus Schotanus uit 1685 wordt Snakkerburen reeds weergegeven met aaneengesloten bebouwing. Bovendien werd ten noorden ervan een rokend kalkbranderijtje en een ander figuurtje getekend, dat mogelijk een steenbakkerij moest weergeven. Steenbakkerijen langs de Dokkumer Ee kennen een lange geschiedenis, getuige ook de buurtschap Tichelwerk ten noorden van Wijns, die ook al door Schotanus op de kaart werd gezet. Vreemd genoeg vinden we van deze twee bedrijfstakken in het quotisatiekohier (1749) niets terug. Hetzelfde geldt voor een jeneverstokerij, waarvan de gevelsteen ‘In de stokerij' uit 1737 nog prijkt in de gevel van het dubbele pand Oan 'e Ie 24-25.

De ligging van Snakkerburen aan de Dokkumer Ee was voor de ontwikkeling van de buurtschap van even essentieel belang als dat het buiten de jurisdictie van Leeuwarden viel. Zoals verhaald, is de Dokkumer Ee deels op natuurlijke wijze, deels door mensenhand ontstaan. Eenmaal gegraven, vervulde het afwateringskanaal uiteraard ook een verkeersfunctie. Kanalen moeten onderhouden worden, maar in roerige tijden had men geen oog voor deze wijsheid. In het begin van de vijftiende eeuw was de Dokkumer Ee door de vele droogten niet langer bevaarbaar en was de Lauwerszee alleen nog via de omweg langs de Murk bereikbaar. De partijschappen tussen de Schieringers en Vetkopers hadden het land verscheurd en zolang deze twisten aanhielden, viel aan slatten van de Dokkumer Ee niet te denken. Dergelijke karweien vragen een gezamenlijke aanpak en het waren eerst de Saksische hertogen die over voldoende macht en autoriteit beschikten om het werk van hogerhand ten uitvoer te leggen (1503).

Nog geen honderd jaar later was het aan de Opstand, het begin van de Tachtigjarige Oorlog, te wijten dat de schippers opnieuw steen en been klaagden, maar zolang de vijand vanuit Groningen en Steenwijk het Friese platteland plunderde, kon niets aan hun klachten worden gedaan. Tijdens zo'n plundertocht ging Lekkum in vlammen op en moesten de inwoners het ontgelden. De Dokkumer Ee vormde toen zelfs enige jaren de frontlinie en in 1585 en 1586 hadden Gedeputeer-de Staten een korporaalschap van twaalf soldaten in de kerk van Miedum gelegerd.

Eerst na de Reductie van Groningen en de verdrijving van de vijand over de grote rivieren achtten Gedeputeerde Staten de tijd rijp om het slatten opnieuw te verordenen (1597). Ook het Miedumerdiep werd in dat jaar uitgediept. De trekweg westelijk langs de Dokkumer Ee kreeg eveneens een opknapbeurt en toen stond niets de eerste geregelde beurtdienst tussen Leeuwarden en Dokkum meer in de weg.

Blijkens de kaart van Willem Loré uit 1735 moest er ook in later eeuwen geslat worden en in Snakkerburen werden op het eind van de vorige eeuw enige voor steenfabricage afgegraven landen met baggermodder opgespoten. Dat de buurtschap bij al dit ingrijpen heeft welgevaren, laat zich raden.

Snakkerburen heeft evenwel zijn ontstaan niet alleen te danken aan zijn ligging aan de Dokkumer Ee en net buiten de klokslag van Leeuwarden. Volgens het quotisatiekohier uit 1749 had Snakkerburen de beschikking over een behoorlijke middenstand, terwijl die destijds in de dorpskom van Lekkum en in Miedum geheel ontbrak. Snakker-buren vormde dus het verzorgingscentrum van de agrarische bevolking van deze dorpen. In Miedum woonden op dat moment alleen boeren, elf in getal. De volledige bevolking telde 58 personen, van wie zestien jonger dan twaalf jaar. Helaas worden in het quotisatiekohier van Lekkum de inwoners van Snakkerburen niet apart vermeld, maar omdat de volgorde van de namen volgens een bepaald geografisch patroon werd bepaald, kunnen we toch wel een zekere scheiding aanbrengen. Zo staat het vast dat de dominee en de schoolmeester in het dorp zelf woonden en derhalve zullen ook de doodgraver, de twee arbeiders en de drie weduwen die in hun nabijheid worden genoemd, in Lekkum hun domicilie hebben gehad. De overige 28 niet-agrariërs

zullen we in Snakkerburen moeten situeren. Onder hen treffen we een hospes, een assistent (veldwachter), een bakker, twee schoenmakers en een -knecht, twee kuipers, een timmerman, een smid, twee wevers en een -knecht, een koopman, een belastingontvanger, een rentenier, acht arbeiders en ook vier armen aan. Voorts worden 11 boeren en vier koemelkers genoemd, die verspreid over het hele dorpsgebied hun bedrijf hebben uitgeoefend. De totale bevolking van Lekkum en Snakkerburen bestond in 1749 uit 183 personen, onder wie 45 kinderen.

Dat de middenstanders zich massaal in de buurtschap langs de Dokkumer Ee vestigden en niet in de dorpen zelf, zal enerzijds te maken hebben gehad met de bereikbaarheid over water en anderzijds met het feit dat in Snakkerburen reeds enige middenstand aanwezig was, die als kristallisatiepunt voor verdere uitbreiding kon dienen.

De oudste landweg in het gebied tussen Bonke en Ake liep van Leeuwarden via de Bonkebrug bij Snakkerburen (zo'n 30 meter westelijk van het tegenwoordige Bonkehout), over Lekkum en Miedum naar Wijns en Giekerk. Rond 1500 legde men bij Miedum tilbarten (losse brugdelen) over het plaatselijke diep. Sindsdien maakte deze onverharde, 's winters moeilijk begaanbare weg deel uit van de voornaamste verbindingsweg tussen Leeuwarden en Groningen, totdat begin jaren-1530 de Zwarteweg die rol ging overnemen.

De Zwarteweg pal ten zuiden van en evenwijdig aan de Bonkesloot werd goeddeels door de stad Leeuwarden aangelegd, mede op aandringen van stadhouder George Schenck van Toutenburg die zo een snellere verbinding naar zijn gelijknamige buiten te Rijperkerk kreeg. Om uit de kosten te komen, werd op Lekkumer grondgebied een tolhuis opgericht. Toen bleek dat velen van de oude weg gebruik bleven maken, probeerde de stad hen te dwingen via de Zwarteweg te reizen en tolgelden af te dragen door de tilbarten in het Miedumerdiep eigenmachtig weg te halen. Voor de toenmalige direct-belanghebbenden ongetwijfeld een grote (en frustrerende) gebeurtenis, voor historici echter niet meer dan een schermutseling in het sociaal-economische en politieke steekspel dat de steden en het door de adel beheerste platteland in de zestiende eeuw op het scherpst van de snede met elkaar uitvochten.

In dezelfde tijd als de Miedumerbrug werd de Canterlandsbrug over de Murk min of meer vast gemaakt. Hierover leidde de weg van Miedum naar Giekerk, die grotendeels over landerijen van de familie Canter liep. Van het trekpad ten westen van de Dokkumer Ee is reeds opgemerkt dat dit in 1597 een opknapbeurt kreeg. Haaks op de weg Lekkum - Miedum liepen oostwaarts enkele hooiwegen of miedwegen, zoals de tegenwoordige Miedwei die al op de kaart van Schotanus staat aangegeven. Gedurende de zeventiende en achttiende eeuw zullen er in dit wegennet weinig tot geen veranderingen zijn aangebracht.

Negentiende en twintigste eeuw
Het mooie van de beschrijving van Lekkum, Miedum en Snakker-buren, die Van der Aa in zijn geografisch woordenboek heeft opgenomen, is dat zij uit nagenoeg hetzelfde jaar dateert als de kaart die Eekhoff maakte van Leeuwarderadeel, namelijk respectievelijk 1846 en 1847. Over Miedum kon Van der Aa bijzonder kort zijn: een kerktoren en twaalf huizen (voornamelijk boerderijen) met ruim zestig bewoners, van wie er twee roomskatholiek waren. In Lekkum en Snakkerburen werden in totaal 64 huizen en boerderijen geteld met een gezamenlijke bevolking van ongeveer 420 inwoners, van wie twintig doopsgezind, drie Evangelisch-Luthers en dertien roomskatholiek. Het merendeel van de bevolking stond te boek als Nederlands-Hervormd; de gemeente Lekkum/Miedum kende 180 lidmaten.

In Lekkum bij de kerk stonden zes huizen waarin ruim veertig mensen woonden en Snakkerburen telde 31 huizen met een bevolking van 110 personen (dit laatste getal lijkt te laag; mogelijk betreft het een zetfout en moeten we 210 lezen). Uiteraard schenkt Van der Aa ook ruime aandacht aan de „nette kerk" van Lekkum. Dit kerkgebouw uit 1779 „heeft eenen spitsen toren en is van een orgel voorzien, hetwelk in het jaar 1828 grootendeels uit vrijwillige giften der gemeenteleden is bekostigd". Verder vond hij vermeldenswaard dat de dorpsschool ongeveer zeventig leerlingen telde, dat de steenbakkerij en de ‘windoliemolen' de voornaamste industrieën waren en dat er zeventien hulpbehoevenden in het in 1837 gestichte armenhuis waren opgenomen. Van dit armenhuis te Snakkerburen, waar in hoogtijdagen zeven oude mensen, elf gebrekkigen en veertien kinderen verbleven, was in 1858 nog één kamer in gebruik. Van de in 1843 afgebroken scheepswerf maakte Van der Aa uiteraard geen melding.

In de negentiende eeuw is in naam der vooruitgang veel schoons verloren gegaan. De stad verloor haar bolwerken en stadspoorten, het land op een paar uitzonderingen na zijn terpen, stinsen en states. Terpaarde was bijzonder vruchtbaar en werd gebruikt om de kwaliteit van arme zand- en dalgronden te verbeteren. Guano werd toentertijd nog niet aangevoerd en kunstmest moest nog worden uitgevonden. Ook de terpen en wieren in Lekkum en Miedum gingen (deels) op de schop en Eeburg bezweek onder de slopershamer, waardoor het aanzien van vooral Lekkum drastisch wijzigde. Welke terpen trof dit lot en wat is er nog van over?

De Lekkumerterp, ook wel opgedeeld in Kerketerp en Eeburg, is gefaseerd afgegraven. Het eerste ging de Kerketerp, voor zover niet bebouwd, op de schop en de aarde werd op 23 januari 1863 voor 35 cent per scheepston in de Leeuwarder Courant te koop aangeboden. Omdat de terp in de loop der eeuwen door zijn eigen gewicht in de ondergrond als het ware was weggezakt, werd zij tot onder het maaiveld van de aangrenzende landerijen uitgegraven en bleef een laag gelegen stuk land achter, dat tegenwoordig dienst doet als ijsbaan. Op het zuidelijke gedeelte van de Lekkumerterp stond in de vorige eeuw het buiten Eeburg dat in 1898 gesloopt werd. Nog hetzelfde jaar werd ook de ondergrond afgegraven.

Ten zuidoosten van Lekkum lag voorheen de terp Tabebuorren, vernoemd naar Tabe de Vries. Nog vroeger stond deze terp bekend als Buygers, zo genoemd naar het buiten van het gelijknamige Leeuwar-der patriciërsgeslacht, van wie een lid in de eerste helft van de zestiende eeuw grietman van Leeuwarderadeel is geweest. Op de grens van Lekkum met de klokslag van Leeuwarden lag voorts de terp Harms-werd (sinds de zestiende eeuw bekend als Hoogterp), die grotendeels onder Lekkum viel. Het terrein van deze, in de vorige eeuw afgegraven terp ligt pal ten westen van het Vrijheidsplein en de naam leeft in zijn Friese vorm voort in de aangrenzende nieuwbouwwijk: Heech-terp. Tussen de Bonkesloot en Lekkum lag Blitzaard, waarvan niet meer rest dan het afgegraven terpland - komend vanuit Leeuwarden is dit het tweede perceel aan de linkerhand na het passeren van de brug over de Bonkesloot.

Voorts waren er te Lekkum nog een drietal wieren, die kleiner doch steiler dan terpen zijn: ten noorden van boerderij de Soete Hofstee, bij de Hoge Brug over het Ouddeel in de Zwarteweg (Groningerstraat-weg) en halverwege Lekkum - Miedum. De laatstgenoemde wier is de enige die niet afgegraven is en ligt op een stuk land dat naar zijn vorm de Varkenskop wordt genoemd. Het noordelijke gedeelte van de Mie-dumerterp en de ten noorden daarvan gelegen wier tenslotte werden in 1858 afgegraven.

Het afgraven van terpen had ook een voordeel: men vond nog wel eens wat. Tegenwoordig zijn deze terpvondsten in het Fries Museum te bewonderen. En zo weten we ook dat de terpen van Lekkum en Miedum reeds in de Romeinse tijd werden bewoond.

Op de jaarvergadering van volksonderwijs in 1949 hield de zestigjarige Bearn Calsbeek een verhaal over het Snakkerburen van zijn kinderjaren, waarbij hij voortdurend aan de naoorlogse situatie refereerde. Dat verhaal is ons overgeleverd.

Het negentiende-eeuwse Snakkerburen en de directe omgeving kende veel industrie. Nog juist op het grondgebied van de gemeente Leeu-warden, aan de overzijde van de Bonkesloot, stond de meelfabriek van Wybrandy, waar voorheen een roggemolen had gestaan. In deze fabriek, die in 1889 afbrandde, werkten veel Snakkerbuursters. Later was op deze locatie het betonbedrijf van Hellema gevestigd. Bij de al door Van der Aa genoemde steenbakkerij op de noordoever van de Bonkesloot stonden turfloodsen en de zogenoemde kazerne, die in 1936 afbrandde en waarin door-de-weeks het losse personeel was gehuisvest dat van verre was aangetrokken. Steenfabricage was seizoenarbeid en er kon alleen vanaf het voorjaar tot de vroege herfst worden gewerkt. Nadat dit tichelwerk in 1897 was afgebroken, verrees er een stroopfabriek en nog later de timmermanswerkplaats van Anne Dekenga. Veel Snakkerbuursters waren werkzaam bij de kalkbranderij van Hoegen, die met nog enkele kalkovens aan de overkant van de Dokkumer Ee stond, waar de met tjalken aangevoerde schelpen met lange turf tot kalk werden gebrand. Bij zuidwestenwind was Snakkerburen dan gehuld in een sluier van rook en stank. Ten noorden van Snakkerburen stond de in 1770 gebouwde oliemolen De 3 Gouden Kronen. In tegenstelling tot het tichelwerk was hier in de winter de meeste vraag naar personeel. Na de molen stonden hier achtereenvolgens de fabrieken van Hommema en Tromp.

Natuurlijk maakte al dit werk dorstig. Vooral het personeel dat in de kazerne was gehuisvest, had 's avonds stellig behoefte aan een verzetje. Ook hier was de lokale middenstand voorbeeldig op ingesprongen. In drie bovenzalen van evenveel herbergen kon gebiljart worden en ook het kroegje De Gouden Leeuw bood vertier. Voor wie dit allemaal te duur mocht zijn, kon altijd nog bij een illegale jeneverhandelaar terecht. Toen het merendeel van de fabrieken de poorten sloot, had ook de horeca z'n langste tijd gehad. Als laatste hield ‘De Sevenster' het begin jaren-zestig van onze eeuw voor gezien.

Snakkerburen zag deze eeuw niet alleen de horeca verdwijnen, ook de andere middenstanders en neringdoenden ruimden de een na de ander het veld. In zijn sfeertekening liet Calsbeek diverse timmerlieden, slagers, kuipers, kaashandelaren, smeden, schoenmakers, bakkers, koemelkers, sigarenmakers, scheerbazen, winkeliers, vissers, postkantoorhouders, (turf)schippers en schilders de revue passeren. Snakkerburen had rond 1900 zelfs de beschikking over een eigen brandspuit, waarvoor een speciaal huisje was ingericht, en er woonde een veldwachter, die tevens lantaarnaansteker was.

De teruggang treffen we ook aan bij de tuinderijen, die op het eind van de negentiende eeuw opkwamen en waar veel Snakkerbuursters een bestaan in vonden. Rond de eeuwwisseling lagen er maar liefst honderd van dergelijke bedrijven in en rond Leeuwarden, die de stad van groente en fruit voorzagen. Zo was in de vroegere tuin van het buiten Eeburg tientallen jaren lang de gemeentekwekerij gevestigd. Ook ter hoogte van Snakkerburen aan weerszijden van de Dokkumer Ee waren verscheidene tuinbouwbedrijven aan te treffen, waarvan een aantal zich had gespecialiseerd in glastuinbouw. Calsbeek legt een verband tussen de opkomst van de tuinderijen en de neergang van de cichoreiteelt. Anderen wijzen op de vruchtbare baggergrond, waarmee de voor de steenfabricage afgegraven landerijen zijn opgehoogd. Wie nu de telefoongids onder Snakkerburen openslaat, treft nog slechts een groente- en bloemenkwekerij, een tuinarchitect, een aannemer en een organisatie-adviseur aan.

Ook Calsbeek had al oog voor het eigenaardige karakter van Snakkerburen in vergelijking met het moederdorp Lekkum. Aldaar woonden de dominee, twee onderwijzers, een timmerman en verder voornamelijk boerenarbeiders, een typisch plattelandsdorp. Naast de reeds genoemde ondernemers en middenstanders was Snakkerburen toch vooral de woonplaats van arbeiders, die al dan niet in een vast dienstverband aan de kost probeerden te komen. Al met al droeg het met zijn industrieën en scheepvaart meer het karakter van een stadswijk en het behoeft dan ook geen verwondering te wekken dat Pieter Jelles Troelstra, de socialistische voorman, er volle zalen trok.

In de loop van de negentiende eeuw veranderde de infrastructuur ten noordoosten van Leeuwarden nogal. Het Wynserbinnenpaed, ook wel Miedumer binnenpad geheten, werd eerst door Eekhoff op de kaart gezet (1847) maar zal van oudere datum zijn. In 1958 werd het omschreven als een „smal paadje van gele stenen, dat de schrik is voor bakker, kruideniers en postbodes". Een paar jaar eerder waren de houten bruggetjes vervangen door betonbruggetjes. Het gelijktijdige verzoek om ook de stenen door betonplaten te vervangen, werd door de gemeente afgewezen, maar is inmiddels alsnog ingewilligd.

Ingrijpender was de aanleg van de Groningerstraatweg, gestart in 1831 toen het Rijk de Zwarteweg van de stad Leeuwarden overnam. „De straatweg volgde tot Tietjerk grotendeels de oude Zwarteweg, doch van even buiten Leeuwarden tot het tolhuis sneed men, door de straatweg een rechte richting te geven, een belangrijk deel van de Zwar-teweg af, die hier met een bocht om Hoogterp liep. Toen nu in 1866 de gemeenten Leeuwarden, Leeuwarderadeel en Tietjerksteradeel besloten een kunstweg aan te leggen van Leeuwarden over Lekkum en Miedum naar Giekerk, kocht eerstgenoemde gemeente daarvoor een stuk van de afgesneden arm van de oude Zwarteweg van het Rijk aan, namelijk dat deel dat tussen de straatweg naar Groningen en het Lekkumerdijkje, op de grens van deze gemeente, ligt. Hierop bracht men de kunstweg aan, die in 1867 werd aanbesteed. Tengevolge van de aanleg van de grintweg naar Lekkum liet de gemeente de Bonkebrug bij Snakkerburen, waaraan thans geen behoefte meer bestond, in 1873 afbreken en werd het Lekkumerdijkje aan de openbare dienst onttrokken en als weiland door de gemeente verhuurd". Zinnen van de vroegere gemeentearchivaris R. Visscher in haar Leeuwarden van 1846 tot 1906.

Het volkshuisvestingsprobleem waarmee Leeuwarden na de oorlog kampte door bevolkingsaanwas en krotopruiming, bracht grootschalige uitbreidingsplannen op tafel. Beperkten in de jaren-dertig de toenmalige gemeentegrenzen een forse stadsgroei, die belemmering verdween per 1 januari 1944 toen een forse grenscorrectie met Leeu-

warderadeel plaatshad. Nadat in de jaren-vijftig nieuwe woonwijken uit de grond waren gestampt aan de zuid- en oostkant van de stad, richtte de blik van de planologen zich op het gebied ten noorden van de stad. In 1960 nam het gemeentebestuur het besluit het landelijke gebied vol te bouwen tussen de Brédyk in het westen tot de Gro-ningerstraatweg in het oosten, met als noordelijke grens de Kalkvaart of Taniameer en Bonkevaart.

Voor het gebied oostelijk van de Dokkumer Ee, het latere Lek-kumerend, werden op 3 maart 1965 straatnamen toegekend, die herinnerden aan het verzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Met het bouwen van deze nieuwe stadswijk verdween ook de Oude Lekkumerdijk, waarvan het laatste restant in 1965 aan het openbaar verkeer werd onttrokken. Ter plaatse lopen nu de Krijn van den Helmstraat en de Familie van der Weijstraat. Ook verder oostelijk langs de Groninger-straatweg is de situatie ingrijpend veranderd. De weg zelf is geasfalteerd en deels verdubbeld (1970). In de jaren-tachtig is het roemruchte café Oud Tolhuis verdwenen en het asielzoekerscentrum De Bon-kevaart verrezen. Een geplande stadsuitbreiding in de Bullepolder (met onder meer een universitair complex!) verdween echter in de prullenbak. Met het westelijke deel van het uitbreidingsplan (Bil-gaard) werd eind 1964 begonnen. Op 20 oktober 1965 werd besloten om aan de straten in deze wijk namen van Friese waterschappen te geven. De wijk Bilgaard werd in 1972 voltooid. In de jaren-negentig tot slot werd begonnen met de aanleg van het Leeuwarder Bos in het gebied dat ruwweg wordt begrensd door de Brédyk, de Jelsumervaart, de Dokkumer Ee en de Taniameer.

Na de Tweede Wereldoorlog voltrok zich in Lekkum langzaam de ontwikkeling van agrarisch dorp naar forensendorp. Tussen 1960 en 1970 werd een flinke impuls aan het dorpsleven gegeven door de bouw van woningen aan de Buorren, de Terp en de Weme. De uitbreidingsplannen stelden Lekkum nog een forse voortgaande groei in het vooruitzicht, maar uiteindelijk zijn die plannen van tafel verdwenen. In

Lekkum diende ruimte te komen voor 150 woningen op termijn en dat was voor de dorpsgemeenschap heel wat acceptabeler dan de drieste cijfers met drie nullen die begin jaren-zestig werden gelanceerd.

De planologische gedachten van de jaren-tachtig gingen uit naar een maagdelijk weidegebied tussen het dorp en de Dokkumer Ee, waarbij aanvankelijk nog rekening werd gehouden met de aanleg van een verbinding tussen de Groningerstraatweg en de Harlingerstraatweg, de zogenaamde Noordtangent die tussen Lekkum en Snakkerburen door zou lopen. Dit plan is in de in begin 1996 gepresenteerde Structuur-schets Leeuwarden, Open Stad weer verlaten.

De komst van een woonboothaven nabij Lekkum bleek ondanks protesten uit de dorpsgemeenschap niet te keren. In 1991 werd tussen het Mearsterpaed en de Dokkumer Ee een speciale haven aangelegd voor acht woonboten die op last van het gemeentebestuur het Bisschopsrak moesten verlaten. De vooroordelen die aanvankelijk heersten over de woonbootcultuur, zijn na vijf jaren geheel uitgewist. Sterker nog, de haven wordt nu eerder als een aanwinst voor het dorp beschouwd.

In de jaren-vijftig ging het met Snakkerburen snel bergafwaarts. Snak-kerburen vergrijsde en het voorzieningenniveau reduceerde tot vrijwel nul. Sommige arbeidershuisjes verloren hun woonfunctie en vielen aan verkrotting ten prooi. Andere werden benut als pakhuis of kregen een bestemming als autostalling. Om aan deze ongewenste ontwikkeling een halt toe te roepen, werd eind jaren-zestig een werkgroep in het leven geroepen. In 1972 werd de Stichting Snakkerburen een feit. Deze stichting stelde zich ten doel Snakkerburen te behouden en te rehabiliteren.

Sindsdien is een en ander ten goede gekeerd. In de loop der jaren is de Snakkerbuurster bevolking met veel nieuw bloed verrijkt. Deze ‘nieuwe generatie' - als kinderen van hun tijd vaak idealistisch bevlogen en met een positief waardeoordeel over wonen op het platteland - herontdekte op loopafstand van de stad het bijna paradijselijke buurtschapje. Om het saamhorigheidsgevoel te versterken, werden inwoners door de Stichting Snakkerburen intensief bij de plannenmakerij voor dorpsvernieuwing en woningverbetering betrokken. Tot dan toe onbenutte subsidiebronnen werden aangeboord om de in verval geraakte panden op te knappen, te renoveren of te restaureren. Sommige panden werden zelfs op de monumentenlijst geplaatst. Deze positieve ontwikkelingen stimuleerden ook andere bewoners om hun huizen op te knappen, in veel gevallen zonder een financiële injectie van de overheid. De afgelopen jaren is er zelfs op bescheiden schaal nieuwbouw gepleegd, welke aan het totaalbeeld van Snakkerburen geen afbreuk doet.


Tot besluit
Van de drie dorpen is Miedum in de loop der eeuwen wel het minst veranderd. Het is altijd dezelfde agrarische samenleving gebleven, die het vanaf zijn ontstaan is geweest. In de loop der tijden verloor het zijn kerk en grotendeels zijn terp, maar de toren en de boeren zijn gebleven, al was hun aantal in 1986 tot zes gedaald. Lekkum heeft zijn agrarische karakter enigszins behouden, hoewel het overgrote deel van de tegenwoordige bevolking zijn brood niet langer verdient in de primaire sector. Snakkerburen dankt zijn ontwikkeling aan zijn ligging aan de Dokkumer Ee, net buiten de klokslag van Leeuwarden, en aan zijn verzorgingsfunctie voor de agrarische bevolking van Lekkum en Miedum. In de vorige eeuw kreeg het enigszins het karakter van een klein industrieel centrum met veel middenstand. Eerst na de Tweede We-reldoorlog kregen zowel Snakkerburen als Lekkum een geheel andere functie. Het werden forensendorpen waar middenstand en nijverheid nagenoeg verdwenen zijn.

De relicten van de klokslag van Leeuwarden liggen inmiddels grotendeels verscholen onder de bebouwing, straten, parken, tuinen en parkeer- en bedrijfsterreinen van de Friese hoofdstad. Laten we hopen dat Lekkum, Miedum en Snakkerburen dit lot bespaard blijft, want...


Lekkum, Miedum en Snakkerburen, één groot Open Monument!

Een boerderijhistorische verkenning
Het fraaie open weidegebied ten noordoosten van Leeuwarden rond de dorpen en het buurtschap van Lekkum, Miedum en Snakkerburen is van oudsher een veeteeltgebied. De boerderijen zijn er gezichtsbepalende elementen van het landschap. In het navolgende zal aan de hand van een aantal boerderijen een korte boerderijhistorische verkenning worden uitgevoerd. Ze beoogt aan te tonen dat boerderijen bedrijfsgebouwen zijn, voortdurend onderhevig aan veranderingen die vallen af te lezen aan de gebouwen.

Een boerderij was en is in de eerste plaats een bedrijfsgebouw voor de boer en zijn gezin. Zolang als we het kennen, heeft het in de Friese gebieden uit drie hoofdbestanddelen bestaan: de woning voor het boerengezin, de winterstalling voor het vee en de berging voor het wintervoer of, in geval van akkerbouw, voor de oogst. Tot de dag van vandaag hebben boeren gezocht naar een zo voordelig mogelijke opzet van deze bestanddelen. Hoe ze zich onderling verhielden, werd in tweeduizend jaar boerderijhistorie bepaald door diverse factoren, om te beginnen of een bedrijf louter zelfvoorzienend was, er daarnaast ruil- en geldhandel werd gedreven of het zich uitsluitend op de markt richtte. Andere factoren die het boerenbedrijf in gunstige en ongunstige zin kunnen beïnvloeden, zijn: de bodemgesteldheid, overheidsbeleid (bestemmingsplannen, stads- en dorpsuitbreidingen, bouwverordeningen en wegen- en kanalenaanleg), veeziekten, klimaatveranderingen en natuurlijk ook financieringsmogelijkheden. Door de tijd heen hebben al deze factoren hetzij afzonderlijk, hetzij in combinaties, een rol gespeeld.

Toch vallen bij nadere bestudering wel hoofdlijnen in de boerderijhistorie te onderkennen. Interessant is nu, dat ook in de afgelopen eeuwen deze algemene lijnen zijn terug te vinden bij de boerderijen van Lek-kum, Miedum en Snakkerburen. Veranderingen voltrekken zich overigens nooit van het ene op het andere moment en oude en nieuwe situaties blijven soms langdurig naast elkaar bestaan. Bij deze verkenning is gebruik gemaakt van uitkomsten van archeologisch, archief- en bouwhistorisch onderzoek in Friesland.


Van de Romeinse tijd tot het einde van de middeleeuwen
Voor de Romeinse tijd nemen we aan, dat de boerderijen in ons gebied in sterke mate moeten hebben geleken op de boerderijen die in de jaren-dertig zijn opgegraven in de terp van Ezinge in de provincie Groningen. Deze eenvoudige boerderijen met simpele houten gebinten, vlechtwerkwanden en riet- of strodaken, gebouwd in de zogenoemde langhuisvorm, trof men aan in het gehele Friese gebied langs de Noordzeekust. Kenmerkend voor deze boerderijvorm is het woongedeelte aan de voorkant met daarachter een dubbelrijige koestal, waarin tussen ieder gebint de koeien twee aan twee met de koppen naar de lange wanden stonden. Het woongedeelte had geen toegang aan de voorkant en kon slechts via de stal worden bereikt. Deze huizen konden soms wel veertig meter lang zijn.

Uit Friese rechtsbronnen uit de Karolingische tijd en daarna valt af te leiden, dat dit huistype zich tot in de Middeleeuwen heeft weten te handhaven en daarna nog een ontwikkeling doormaakte waarbij de plattegrond vrijwel ongewijzigd bleef. We spreken dan van een woonstalhuis van het langhuistype.


Een verdwenen oud-Fries langhuis in Snakkerburen
Het heeft maar een haar gescheeld of een exemplaar van deze oervorm van de Friese boerderij was tot in onze tijd blijven bestaan! Tot 1965 stond namelijk aan het einde van het Pôllepaed een verbouwd restant van een in 1643 op last van de vicarie van Lekkum gebouwde boerderij van het langhuistype.

Deze stenen boerderij had reeds een hogere trap van ontwikkeling bereikt dan de hiervoor beschreven boerderijvorm uit de vroege Mid-deleeuwen. Het is bekend dat door de goede opbrengsten van de vruchtbare Friese kleigronden reeds vroeg in de Middeleeuwen een geldhuishouding is ontstaan. Verhoudingsgewijs vroeg wordt in Fries-land gehandeld in landbouw- en veeteeltproducten. In de veertiende en vijftiende eeuw komen op de kleigronden van Oostergo en Westergo steden tot ontwikkeling, die voor het omringende platteland de afname van en de handel in zuivel- en akkerbouwproducten bevorderen. De boerenstand profiteert hiervan. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat de verstening van het Friese langhuis al in de vijftiende eeuw inzet. Een stenen woonhuis voor de stal is al spoedig geen uitzondering meer.

Het langhuisprincipe blijft overeind, ook wanneer later het stalgedeelte van steen wordt opgetrokken en het hooi of de oogst in een overkapte hooiberg naast de stal wordt bewaard. In de zestiende eeuw ontwikkelt zich tussen het woonhuis en de stal geleidelijk aan een afzonderlijke ruimte voor de zuivelbereiding, waar vervolgens in de zeventiende eeuw een door een paard voortbewogen karnmolen zijn intrede doet, als een vroege vorm van mechanisatie. De noodzaak hiertoe deed zich gevoelen omdat er in toenemende mate boter en kaas marktgericht moest worden geproduceerd voor de steden.

De zuivelbereiding ondergaat in de zeventiende eeuw allerlei vernieuwingen, die aanleiding geven tot aanpassing van de boerderij. Zo krijgt de boerderij een melkkelder, in de vorm van een verdiepte aanbouw naast het woonhuis of een zijdelings uit het karnvertrek tussen de woning en stal uitgebouwd afzonderlijk vertrek. Dit vertrek, waar het koel was, werd gebruikt voor het opromen van de melk. Nadat de room was komen bovendrijven, werd deze er voorzichtig met een platte spatel afgeschept en vervolgens in de karnton gebracht om in het karnvertrek tot boter te worden gekneed. Kaas werd uitsluitend gemaakt in de zomer. Hiervoor was een kaasketel nodig, die zomers vaak op de achterste stal werd geplaatst. Soms had de kaasbereiding in het karnvertrek of een speciaal daarvoor ingerichte aanbouw plaats. Het hooi, wintervoer voor het vee, werd bewaard in een overkapte hooiberg naast de stal.

Uit een reconstructie van de afgebroken boerderij aan het Pôllepaed blijkt dat hier alle genoemde elementen aanwezig zijn geweest. Friesland kent nog één historisch exemplaar van het Friese schuurloze langhuis en wel de Oud Friese Greidboerderij te Wartena, die in 1994 werd gerestaureerd in de oorspronkelijke vorm.

Het aldus ontwikkelde proces van zuivelbereiding bleef in feite tot in negentiende eeuw gehandhaafd, zij het dat melkkelders en karnruimten nog zouden worden verbeterd.


De Friese schuur
Een andere belangrijke ontwikkeling in de zeventiende eeuw was de opkomst van de grote Friese kapschuur, die samenhing met ontwikkelingen op fokkerijgebied.

In verband met een almaar groeiende vraag naar Friese boter en kaas in Amsterdam en andere grote Hollandse steden en de daarmee samenhangende verschuiving naar marktgerichter produceren, trachtte men de opbrengsten te vergroten door verbetering van de fokmethoden van het Friese vee. Overigens bleven de koeien tot ver in de achttiende eeuw kleiner dan tegenwoordig, sterk gevlekt, roodbont of muiskleurig. Pas door de import van Deens vee na perioden van massale veeziekte in de achttiende eeuw zou het Friese vee zwartbont worden. Vooral in de negentiende eeuw legde men zich toe op het fokken van zwartbonte koeien, waarbij een harmonieuze verdeling van zwarte en witte gedeelten als ideaal gold. Bekende fokkers in Friesland, waaronder de familie Brandsma op de boerderij Lekkumerweg 84, bleven daarnaar streven totdat aan het begin van de jaren-zeventig van onze eeuw werd overgegaan op de import van de veel grotere zogenoemde Amerikaanse koeien, die op hun beurt eveneens hun roots in Dene-­marken/Holstein hadden.

Met het verbeteren van de fokkerij in de zeventiende eeuw ontstond de behoefte aan betere berging voor het wintervoer. Hiertoe werden de grote Friese schuren gebouwd. Deze schuren werden als het ware over het stalgedeelte van het Friese langhuis heen gebouwd, aanvankelijk door de stijlen van de hooiberg te omtimmeren met hout en deze over het stalgedeelte heen te bouwen waardoor als tussenfase de blokschuur ontstond.


Snakkerburen, Oan ‘e Ie 26
In de hooiberging op het boerderijerf van de familie Herder te Snakkerburen is in feite nog het principe te herkennen van een omtimmerde hooiberg die de vorm van zo'n blokschuur heeft gekregen. Een ontwikkeling die in de zeventiende eeuw spoedig volgde, was om de schuur nog eens te vergroten met een schuurreed, waardoor een hoge, driebeukige ruimte ontstond die kenmerkend is voor de Friese schuur.

Alle onderdelen op rij: 1. het woonhuis vóór de karnruimte die zich eveneens tot woongedeelte zou ontwikkelen nadat vooraan in de grote Friese schuur ruimte werd gevonden voor karnruimte en melkkelder; 2. de karnruimte c.q. woonkeuken voor de stal; 3. een dubbel- of enkelrijige koestal in een zijbeuk van de Friese schuur langs de lange zijmuur achter het woongedeelte; 4. de tasruimte voor het hooi of de oogst in de hoge middenbeuk; 5. en de schuurreed met aan de achterzijde de grote schuurdeuren, waardoor de geladen hooiwagens naar binnen konden worden gereden, in de andere zijbeuk.

Tussen stal en schuurreed aan de achterzijde vond een jongveestalling zijn plaats, terwijl vooraan in de schuur een melkkelder werd gebouwd, een karnruimte met daarin de karnton en op de schuurreed daar vlakbij een grote, door een paard in bewogen karnmolen.


Miedum, Wynserbinnenpaed 4
De aan het Miedumerdiep gelegen kop-hals-rompboerderij Wynser-binnenpaed 4 dateert in de kern waarschijnlijk uit het einde van de achttiende eeuw. Weliswaar zijn in onze eeuw tal van veranderingen aangebracht - zo werden de melkkelder en het karnvertrek vooraan in de schuur bij het woongedeelte getrokken - bij nauwkeurige waarneming is de oude situatie met de elementen, zoals boven beschreven, nog wel voorstelbaar. Uiteraard verdween de karnmolen na z'n functie te hebben verloren door verplaatsing van de zuivelbereiding naar de fabriek. Maar dan spreken we over een ontwikkeling die plaatshad op het einde van negentiende eeuw, na de ernstige landbouwcrisis tussen 1879 en 1880.

Statuselementen
De bouw en inrichting van boerderijen geschiedde altijd hoofdzakelijk op basis van doelmatigheid. Dit betekendt echter niet dat de status van een eigenaar nimmer een rol kon spelen bij het uiterlijk van een boerderij. Meestal komt die status tot uitdrukking in de vormgeving van het woongedeelte.

In Boerderijen rond Leeuwarden. Een momentopname van het platteland bij de stad (1988) heb ik er al eens op gewezen dat adellijke en patricische eigenaren in de achttiende en negentiende eeuw bij voorkeur een kop-hals-rompboerderij met een onderkelderd voorhuis lieten bouwen. Waarschijnlijk wilden zij op deze wijze een herinnering aan de onderkelderde zaalstins levend houden. Een bijkomend voordeel was dat de ruimte onder het voorhuis te benutten was als melkkelder, waardoor in de schuur meer ruimte overbleef. Het is opmerkelijk dat de meeste kop-hals-rompboerderijen met een onderkelderd voorhuis door adellijke of patricische eigenaren zijn gebouwd, terwijl aanzienlijke eigenerfde boeren meestal kozen voor een dubbel dwarshuis, gelijkend op een pastorie of huis van een dorpsnotabel, waarbij dan de melkkelder een plek vooraan in de schuur kreeg.


Lekkum, Canterlânswei 1
In Lekkum staat nog een boerderij van het kop-hals-romptype met een onderkelderd voorhuis, waarvan de kelder aantoonbaar in gebruik is geweest als melkkelder. Het betreft Eeburg Zathe onder Lekkum, in 1871 gebouwd door de patricische familie Van Hettinga Tromp, lange tijd de grootste landeigenaar in Lekkum en Miedum. De boerderij, thans bewoond door de familie De Jong en nog in redelijk gave staat verkerend, markeert feitelijk het eindpunt van de kop-hals-rompboerderij.


Lekkum, Mearsterpaed 8
Een andere markante boerderij is die aan het Mearsterpaed, gesitueerd op een zeer oude huisterp en bewoond door de familie Spandaw. Uit de verte lijkt het een boerderij te zijn van het kop-hals-romptype met een onderkelderd voorhuis, doch schijn bedriegt (waar de hoge ligging debet aan is). Deze boerderij bezat oorspronkelijk een melkkelder in het voorste stuk van de grote schuur, waarin zich voorts de karnmolen en karnruimte bevonden.

De boerderij heeft haar huidige vorm gekregen in de jaren 1867 en 1874. Op een stichtingssteen staat te lezen: „Door J.K.Hoekstra en P.J.Lettinga, echtelieden te Jelsum, is in 1867 deze schuur en in 1874 deze voorhuisinge gesticht. Gebouwd door K.R.Sijbrandi, timmerman ter Wirdum". De opdrachtgevers waren rijke eigenerfden van het Jelsumer en Stienzer Oudland, het timmerbedrijf was toentertijd een  lokaal bekende dorpsaannemer die onder meer ook de boerderij Noardein 1 te Wytgaard (1874) en de pastorie Hof 1 te Wirdum (1875) bouwde.

Het bestaande gebouw kende overigens een voorganger die langdurig in handen is geweest van de evengenoemde familie Van Hettinga Tromp. Zij kreeg die boerderij op haar beurt aangeërfd uit de Leeu-warder familie Voorda en nog eerder is de in oude archivalia ook als „Brandeplaats" aangeduide voorganger bezit geweest van baron Plettenberg.


Bedrijfsvergrotingen in de tweede helft van de negentiende eeuw
In onze hedendaagse ogen zijn de boerderijen uit vroeger tijden verwonderlijk gering in omvang. Een korte oriëntatie in de achttiende-eeuwse Speciecohieren (belastingregisters op vee, personeel en schoorstenen) leert dat de boerenbedrijven in Lekkum en Miedum destijds niet meer dan gemiddeld twaalf melkkoeien bezaten, met neerwaartse uitschieters tot vijf en opwaartse tot vijftien. Wij weten dat de aantallen in de zestiende eeuw nog lager waren, doch in de Gouden Eeuw niet veel verschilden van de achttiende en begin negentiende eeuw.

Na de Franse tijd ging het langzaamaan beter met de landbouw en veeteelt in de provincie Friesland. Exporteerde men vóór de Franse tijd zuivelproducten naar Holland, na deze periode richtte Friesland zich veel meer op het buitenland, vooral op Londen. Deze export verliep via de handel aan de boter- en kaaswagen in de steden en voorts door bemiddeling van kaas- en boterkooplieden en zuivelcommissionairs. Vooral na het midden van de negentiende eeuw ontwikkelde de export zich snel, met de Gouden Jaren 1865-1879 als hoogtepunt.

In de tweede helft van de negentiende eeuw leidt kapitaalvorming bij boer en eigenaar tot schaalvergroting in de landbouw en veeteelt. Het aantal boerderijen neemt af, de landoppervlakte bij de overblijvende boerderijen wordt vergroot en de veestapels worden uitgebreid. Van gemiddeld twaalf koeien groeien de boerenbedrijven naar een gemiddelde van twintig, dertig, zelfs vijftig koeien. Kadastrale gegevens over Lekkum en Miedum tonen inderdaad onomstotelijk enerzijds de afname van het aantal boerderijen aan en anderzijds de bouw van nieuwe en veel grotere schuren, vaak achter bestaande voorhuizen. Zo zijn de eerdergenoemde Eeburg Zathe en de boerderij Mearsterpaed 8 in de Gouden Jaren gebouwd en werd de schuur van de boerderij Wynserbinnenpaed 4 vergroot. Meer naar het westen in Miedum, op de kwelderwal langs de Dokkumer Ee, verdwenen boerderijen en voor het dorpsgebied van Lekkum gold hetzelfde.


Koemelkerijen en kleinbedrijf
De Landbouwcrisis van 1879-1880 maakt een abrupt einde aan de jaren van agrarische voorspoed. De Landbouwcrisis leidde ook tot iets anders, namelijk het ontstaan van de zogenoemde koemelkerijen, kleine bedrijven met zo'n vijf melkkoeien en in verhouding te weinig, bovendien her en der gehuurd land. Ze waren gehuisvest in zeer eenvoudige bedrijfsgebouwen, die verdacht veel lijken op de onderdelen van het Friese langhuis met woonhuis, kleine stal en hooiberg of blokschuur. In de buurtschap Snakkerburen ontstaan veel van deze kleine ondernemingen, vaak gesticht door boeren die tengevolge van de Landbouwcrisis verdreven waren van hun (pacht)boerderijen omdat ze de pacht niet meer konden opbrengen. Ook elders uit Friesland is bekend dat de koemelkers, die door gebrek aan voldoende weiland hun koeien 's zomers en 's winters op stal voerden, uit praktische overwegingen teruggrepen op een bedrijfsvorm die sterke overeenkomst vertoonde met de bedrijfsvoering in het Friese langhuis van een paar eeuwen eerder.

Een zevental koemelkerijen of kleine boerenbedrijven heeft het in Snakkerburen volgehouden tot aan het begin van de jaren-zestig. Restanten ervan zijn nog steeds aan te treffen, zij het meestal ingrijpend verbouwd tot woonhuizen. Het boerenbedrijf van de familie Herder, hoewel in de loop der tijd uitgegroeid tot een volwaardig agrarisch bedrijf, is nog immer in zo'n bedrijfsgebouw gevestigd.


Lekkum, Mearsterpaed 2-4
Een ander voorbeeld van een kleinbedrijf, ontstaan in de jaren van de Landbouwcrisis, is het fraai gesitueerde boerderijtje aan het begin van het Mearsterpaed, dat bewoond wordt door de familie Van der Meer. Het woongedeelte van deze boerderij heeft een aanzienlijke ouderdom en is gebouwd in de zeventiende of achttiende eeuw. Uit kadastrale gegevens valt af te leiden dat in 1887 een schuur werd aangebouwd, haaks op het oude huis. Hiertoe werd het huisperceel enigszins vergroot door er een deel van het erf van de boerderij ten westen bij te trekken.

Hebben we hier op het eerste gezicht te maken met een heel oude boerderij, het blijkt toch om een relatief jong kleinbedrijf te gaan waar de ouders van de tegenwoordige eigenaar tot 1965 het boerenbedrijf hebben uitgeoefend.

Interessant zijn de gebintconstructies die bestaan uit hergebruikt materiaal dat waarschijnlijk afkomstig is van afgebroken boerderijen.


Opkomst van de zuivelfabrieken
Na de Landbouwcrisis werd de zuivelbereiding van de boerderijen verplaatst naar de overal opduikende zuivelfabrieken. Zo leverden de boeren en koemelkers van Lekkum, Miedum en Snakkerburen hun melk vrij spoedig aan de in 1896 in Leeuwarden gevestigde Leeuwarder Melk Inrichting, een coöperatieve zuivelfabriek. Maar ook eerder ging er al melk naar de fabriek, bijvoorbeeld naar de in 1887 te Stiens opgerichte Stoomzuivelfabriek. Het vervoer van de melkbussen geschiedde tot in het begin van de jaren-tachtig over het water van de Dokkumer Ee.


Miedum, Wynserbinnenpaed 11
Eén van de eerste boerderijen uit het tijdperk van de melkfabriek is de stelpboerderij Wynserbinnenpaed 11, in 1890 door de familie Van Hettinga Tromp gebouwd aan het Miedumerdiep. Dit solide gebouw was destijds het toonbeeld van een modern bedrijf, gesticht door een welgestelde landeigenaarsfamilie die het belang van haar pachtboeren goed onderkende.

De stelpboerderij staat aan het einde van de ontwikkeling van de traditionele boerderijbouw. Dit boerderijtype, waarbij niet alleen de stal, tasruimten en schuurreed onder het dak van de Friese schuur zijn gebracht maar ook het woongedeelte, komt in de achttiende eeuw nog nauwelijks voor. Het type stemt overigens qua inrichting van de schuur vrijwel overeen met de kop-hals-rompboerderij. De kop-hals-rompboerderij en de stelp hebben zich beide ontwikkeld uit het Friese langhuis.

De stelpboerderij beleeft in de tweede helft van de negentiende eeuw, periode van de bedrijfsvergrotingen, een snelle opmars in Friesland. Niet verwonderlijk want de bouwkosten liggen lager dan die van de kop-hals-rompboerderij. Doordat geen ruimte meer hoeft te worden gereserveerd voor de zuivelbereiding, zoals een melkkelder, een karnruimte en een karnmolen, kan het stalgedeelte worden vergroot. In de stelp Wynserbinnenpaed 11 strekte de stal zich oorspronkelijk ook uit over de gehele lengte van de lange zijmuur.

De boerderij bezit voorts aan de achterzijde een hoog opgaande muur die doet denken aan de achtermuur van een boerderij, ingericht voor het akkerbouwbedrijf. Aan het eind van de vorige eeuw echter bepleitte de Friesche Maatschappij van Landbouw ruime en hoge stallen voor de paarden. Stonden de paarden eertijds veelal te warm in een in de schuur uitgebouwde ruimte van de koestal, hier werd de plaats van de jongveestal tussen de grote koestal en de schuurreed ingericht tot een goede en frisse paardenstal. Dit verklaart de hoge achtermuur. Ook de deur naar deze ruimte wijst nog op het gebruik als paardenstal. Nadat de paarden waren vervangen door tractoren, werd er weer een jongveestal ingericht en weer later kwam er een moderne melktank te staan.


Lekkum, Miedwei 2
Een boerderij die iets laat zien van de ontwikkeling van de moderne veeteelt in de periode tussen de wereldoorlogen, is de boerderij Burmania Zathe aan de Miedwei. Hier heeft men alle moderne opvattingen uit de jaren-dertig willen toepassen. De vensters in stal- en schuurgedeelte beantwoorden aan het streven naar licht, lucht en ruimte. Voorts zijn de paardenstallen uit de buurt van de koestallen geplaatst, omdat de veterinaire opvattingen toentertijd hiervoor pleitten. Hetzelfde geldt voor de voormalige varkensstallen en de 'ziekenboeg' voor het vee. Het woongedeelte van deze onder architectuur gebouwde boerderij wordt hier naar de toenmalige opvattingen van brandassurantiemaatschappijen gescheiden van de schuur door een vrijwel ondoordringbare brandmuur.

Dat architectuur en gewenste bedrijfsmatige ergonomie niet altijd met elkaar spoorden, bewijst deze boerderij. Zo telde de boerderij oorspronkelijk nog meer deuren dan thans, hetgeen niet altijd praktisch was. Later is een aantal dan ook gedicht. Naar de mode van de tijd kreeg de boerderij een voorhuis met een afgewolfd dak, een vorm die niet strookt met de Friese bouwtraditie die altijd is uitgegaan van opgaande topgevels. Architecten die pleitten voor de toepassing van Friese bouwtradities in de boerderijbouw, veroordeelden deze architectuur nogal.

Burmania Zathe is gebouwd aan het einde van de jaren-dertig, al weer in opdracht van de familie Van Hettinga Tromp. Een veel oudere boerderij van de familie, die op de plaats stond van het fraaie landhuis op de hoek van de Miedwei en het Mearsterpead te Lekkum, werd afgebroken en in feite verplaatst. Korte tijd na de bouw werd Burmania Zathe verkocht aan de Algemene Friesche Levensverzekeringmaat-schappij, die zetelde in het Burmaniahuis aan de Nieuwestad in Leeuwarden. Deze verzekeringmaatschappij, voorloper van de AEGON, verleende vervolgens de naam aan deze fraaie boerderij.


Tot besluit
Op de boerderijen in Lekkum, Miedum en Snakkerburen zijn nog tal van elementen aanwezig, die getuigen van de veranderingen in het Friese boerenbedrijf door de eeuwen heen. Deze veranderingen zullen in een voortdurend hoger tempo doorgaan. Het streven naar continuïteit van de bedrijfsvoering en productiviteitsverhoging is altijd de drijvende factor geweest. Dit zal zo blijven. Doordat echter elke boer individueel bepaalt hoe hij zijn bedrijfsvoering inricht, zullen velerlei elementen, ook van nieuwe ontwikkelingen, steeds naast elkaar blijven voortbestaan. Wie daar oog voor heeft, kan dat altijd blijven aflezen aan de bedrijfsgebouwen, ook de moderne van onze tijd. Dit kan het begrip voor het boerenbedrijf op een plezierige wijze vergroten en verdiepen.

 

Lekkum, Weme 18
Het historische woord ‘Weme' of ‘Weeme' heeft niets met grootgrutters te maken. Het heeft simpelweg de betekenis van pastoorshuis of pastorie en was later ook de aanduiding voor predikantswoning. Met het droppen van een sleutel vanuit een vliegtuigje werd op 26 augustus 1973 ‘De Weeme' in Lekkum heropend, ditmaal als dorpshuis en cultureel centrum. In zekere zin: ook nu weer een geschenk uit de hemel.

De pastorie in Lekkum kent een lange geschiedenis, aanvangend in de Middeleeuwen. Het woonhuis maakte deel uit van een klein complex van stenen gebouwen, dat op de kerkterp stond. Het omringende land  en de terp behoorden toe aan het klooster Fulda. Er bestaat nog een oorkonde uit 1397, waarin melding wordt gemaakt van de Lekkumer priester Walteka die het opneemt voor één van zijn parochianen. Deze was buiten zijn schuld in financiële problemen geraakt. Misschien was Walteka wel de eerste bewoner van ‘De Weeme'. Het huidige aanzien van de pastorie dateert weliswaar ergens uit het derde kwart van de negentiende eeuw, ondanks talrijke bouwactiviteiten in de loop der eeuwen zijn er naar alle waarschijnlijkheid nog restanten in te vinden van het oorspronkelijke: delen van de fundering en zelfs de noordelijke muur, die een dikte moet hebben gehad van zo'n 75 centimeter.

Tot 1580 bleef ‘De Weeme' een „pastoirshuys", daarna is het predikantswoning geworden. Toevalligerwijs moest de pastoor van Lekkum, Piter Lieuwesz, in het jaar van de Hervorming ook met pensioen. Nu is de Hervorming een ingrijpende gebeurtenis geweest - alle kerk- en kloostergoederen werden geconfisceerd, geestelijken werden verdreven - maar meneer de pastoor was kennelijk zo geliefd bij de Lekkumers dat hij toch een pensioen van 60 goudguldens jaarlijks tegemoet kon zien. De pastorie heeft nog een poosje gediend tot opvang voor een paar verdreven minderbroeders-Franciscanen.

De eerste predikant in Lekkum, tevens bewoner van ‘De Weeme', was ds. Albartus Dockum. Geen gemakkelijk mens, reden waarom hij alras in onmin raakte met z'n „gemeensluyden", die met succes bij Gedeputeerde Staten aandrongen op zijn vertrek. Dat gebeurde in 1585. Van zijn opvolgers moeten met name Paulus Mensonis

(1631-1666), Lovius Molinacus (1667-1688), Frans Pieter Florison (1844-1884), Sjoerd Minnes Cuperus (1916-1943) en J.J. Kalma (1946-1960) worden genoemd, de meeste vanwege hun publicistische activiteiten op religieus en geschiedkundig terrein.

Een andere bekende oud-bewoner van ‘De Weeme' is Abraham Wassenbergh, geboren in 1701 te Leeuwarden en in 1729 bevestigd als „candidaet" te Lekkum. Wassenbergh bewoonde de predikantswoning aanvankelijk samen met zijn zuster Sara. Abraham was een militante dominee. Zo trok hij in 1748 aan het hoofd van een groep boeren, met vaandels en trom en knuppels en stokken gewapend, naar Leeuwarden om daar te protesteren tegen de hoge opgelegde belastingen.

Uit Abrahams huwelijk met Clarissa Maria Langenhart werd in 1742 een zoon geboren, die Lekkums bekendste inwoner zou worden: Everwinus Wassenbergh. Erwinus verwierf faam als classicus en heeft als hoogleraar in de Nederlandse en de Friese taal en letterkunde gedoceerd in Deventer en Franeker. Bekend van zijn hand zijn de Bijdragen tot den Frieschen Tongval, geschreven tussen 1802 en 1806. Vader en zoon Wassenbergh zijn naast hun huis op de begraafplaats van Lekkum begraven.

Te beginnen in 1797 heeft ‘De Weeme' vooral in de negentiende eeuw een reeks van min of meer ingrijpende verbouwingen en moderniseringen ondergaan, in 1849, 1857, 1878 en 1890. Fraai geschreven en soms gedrukte, zeer gedetailleerde omschrijvingen en bestekken in de archieven getuigen hiervan. Door de kerkvoogden werd een en ander zorgvuldig gecontroleerd, dit vanzelfsprekend na goedkeuring van het ‘Provinciaal Collegie van Toezigt'.

In 1973 is de ‘De Weeme' voor voorlopig de laatste keer ingrijpend verbouwd en bovendien uitgebreid met het gebouw ter linkerzijde, staande aan het Tsjerkepaed. Dit had oorspronkelijk de functie van consistoriekamer en werd in 1928 ontworpen door de architect Bartsma. Dorpshuis De Weeme is sindsdien dé ontmoetingsplaats en hét culturele middelpunt voor de inwoners van Lekkum, Miedum en Snakkerburen. Of eigenlijk: is het gebleven, want vóór de oorlog al kwamen in de predikantswoning ondere andere de Vrijzinnige Vrouwen Vereniging, de Meisjesvereniging, het Vrijzinnig Kerkkoor en de Naaivereniging bijeen.


Miedum, Wynser Binnenpaed 11
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Miedum, Wynser Binnenpaed 4
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Miedum, Canterlânswei 8 (kerktoren)
„De Miedumer toren is klaar" meldde de Leeuwarder Courant op 8 mei 1957 verheugd. Terechte blijdschap want de flink uit het lood staande zadeldaktoren bevond zich begin jaren-vijftig in een deplorabele toestand. Een inzamelingsactie werd gestart, begeleid door een SOS-brochure door J.J. Kalma, die met gevoel voor dramatiek waarschuwde: „De dagen fan de Miedumer toer binne teld. It kin nog efkes duorje, it kin ek moarn wêze dat er omfalt". De actie had succes en in 1955-1956 kon de toren worden gerestaureerd. Anno 1995, slechts 40 jaar later, is de toren helaas weer aan een fikse onderhoudsbeurt toe.

Het oorspronkelijke torenbouwwerk stamt vermoedelijk uit de veertiende of vijftiende eeuw. Wat men echter aan de buitenkant ziet, is een baksteenschil uit de vorige eeuw om het middeleeuwse muurwerk heen - ook al om beginnend verval tegen te gaan. Het bijbehorende kerkschip werd in 1834 afgebroken wegens vergaande bouwvalligheid; de eredienst werd er toen al niet meer uitgeoefend.

De toren herbergde vroeger twee klokken, die beide in de Tweede Wereldoorlog door de Duitsers werden meegenomen om omgesmolten te worden. Eén ervan is teruggekeerd in Friesland maar niet op de goede plaats: in de kerktoren van Gytsjerk. Toch is de toren niet ‘klokloos' gebleven, want er is een kleinere, zogenoemde stormklok in opgehangen.

Aan die stormklok is inmiddels een leuke anecdote verbonden. In 1949 was een opzichter-tekenaar van een architectenbureau uit Leeu-warden bezig de toren op te meten. Ongelukkigerwijs viel de deur achter hem in het slot en zat hij hulpeloos opgesloten. Pas na een paar uur wist hij de aandacht te trekken van een passerende melkrijder. Bepaald geen Barmhartige Samaritaan, zo bleek uit z'n reactie: „Jo sitte dêr goed". Tegen de avond greep de tekenaar ten einde raad het klokketouw, wist door gelui de aandacht van omwonenden te trekken en werd uiteindelijk toch uit zijn benarde positie verlost.

Op het kerkhof bevinden zich nog enkele oude grafstenen. Tegen de toren aan ligt een buitengewoon zwaar exemplaar. Hierop zijn attributen van het boerenbedrijf weergegeven. Deze „dekte een gemetselden kelder van ongemeene grootte", aldus Jacob Hepkema in zijn Eenvoudige memories en bemerkingen langs straten en wegen voor landgenoot en vreemdeling die hij schreef tussen 1894 en 1917. De rijke, altijd vrijgezel gebleven en wat excentrieke greidboer Johan Jellema heeft deze kelder voor zichzelf laten metselen. Jellema woonde van 1782 tot 1851 op de boerderij It Heechterp. Erg feodaal ingesteld is hij waarschijnlijk niet geweest; naar verluid is zijn knecht eveneens in de kelder bijgezet.


Lekkum, Canterlânswei 1 (Eeburg Zathe)
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Lekkum, Buorren 99 (Sjoerdsmastate)
De tegenwoordige boerderij Sjoerdsmastate lijkt in niets op haar voorgangster, een negentiende-eeuwse ‘kop-hals-romp' die in de zomer van 1932 in vlammen opging. Op zaterdag 30 juli kon een brand als gevolg van hooibroei nog juist worden voorkomen, zo wist de Leeuwarder Courant te melden. Een dag later werd wederom alarm geslagen doch ditmaal was er geen redden aan; binnen korte tijd stond de schuur in lichterlaaie. Uiteindelijk wist men alleen het woongedeelte te behouden.

De verwoeste boerderij was eigendom van het Sint Anthony Gasthuis. Spoedig na de brand kwam het bestuur in buitengewone vergadering bijeen en werd besloten de boerderij snel te herbouwen, zodat het vee in de winter weer onderdak zou hebben. Architect M.O. Meek uit Donkerbroek mocht met spoed een ontwerp leveren. Voltooiing van de nieuwe boerderij vóór de winter van 1932-1933 bleek echter geen haalbare kaart - een noodstal ving dit probleem op. De karakteristieke (voor)gevelsteen met stichtingstekst en de luidklok van de H. Antonius, die op de meeste gebouwen van het Sint Anthony Gasthuis voorkomt, jokt wat dat jaartal betreft dus een beetje.

De geschiedenis van Sjoerdsmastate gaat terug tot de vijftiende eeuw. In 1472 schonken Tzjomme Wiarda en zijn vrouw At Binnenga aan „(..) dae Heilighe Sacraments jeld tho Lyowerth, thoe da riuchta scaemela huussittende behoeff, dat gued ende setha tho Leckum, heten Syuwrdsma-gued (..)". Dit Heilig Sacramentsgilde was een geestelijk gilde of broederschap, dat zich voornamelijk toelegde op de armenzorg (de ‘scaemela huussittende'). Het gilde had in de St. Vituskerk van Oldehove een eigen altaar, waar missen werden opgedragen voor het zielenheil van overleden gildebroeders. In 1531 werd het Heilig Sacramentsgilde opgeheven en gingen alle bezittingen over op het Sint Anthony Gasthuis. Sjoerdsmastate met 65 pondematen bijbehorend land (1 pondemaat = 0,3678 ha) werd in het vervolg verhuurd door het gasthuisbestuur.

Kende Sjoerdsmastate in de eerste helft van de zestiende eeuw nog een gemengde bedrijfsvorm en omvatte de grond niet alleen weide- of hooiland maar ook veen- en akkergrond, door specialisatie verderop in die eeuw is overwegend weiland overgebleven. De grondoppervlakte bleef lange tijd vrijwel gelijk. Pas in 1910 had een fikse uitbreiding plaats naar ongeveer 40 hectare.

Door gebrek aan bronnenmateriaal is onzeker hoe de oorspronkelijke boerderij er heeft uitgezien. Waarschijnlijk was het een langhuis, een veel voorkomend boerderijtype in de omgeving van Leeuwarden, dat zich later ontwikkelde tot de kenmerkende kop-hals-rompboerderij. Hoe dit ook zij, uit stukken in het gasthuisarchief blijkt dat die, in de kern middeleeuwse, boerderij in 1844 werd afgebroken en vervangen door een moderne ‘kop-hals-romp', voorzien van een karnmolen, een kaasketel en een ruimte om spek te roken, zoals het bouwbestek vermeldt. De totale herbouwkosten bedroegen ƒ 6284,35.

Een foto van die Sjoerdsmastate, in 1925 gemaakt ter gelegenheid van het 500-jarig bestaan van het Sint Anthony Gasthuis, geeft een mooi beeld van dit kop-hals-romptype. Wèl waren sinds het jaar van de bouw verbeteringen aangebracht: in 1904 was een ‘gierkolk' gegraven, twee jaar later een extra schuurtje gebouwd door de Lekkumer timmerman Bijlsma, in 1913 vervolgens de stalinrichting veranderd en weer een jaar later tot slot de aansluiting op het elektriciteitsnet gerealiseerd.

Architect Meek draaide de nieuwe boerderij 180° om ten opzichte van de uitgebrande. Het front van het brede woongedeelte verrees op de oude fundamenten en werd gericht naar de nieuw aangelegde weg. Het is een kop-rompboerderij, die stilistisch onder invloed staat van de wat sobere, licht traditionalistische architectuur uit de jaren-dertig.

Het kop-romptype komt uit de Friese Wouden. Door de overgang van zelfstandige zuivelproduktie naar fabrieksmatige produktie verloor bijvoorbeeld het veelal als karnvertrek in gebruik zijnde middendeel (de „hals") zijn functie. Bij nieuwe boerderijen ontbrak de „hals" zelfs volledig; de schuur zit meteen aan de woning. In de omgeving van Leeuwarden staan enkele kop-rompboerderijen.

Typerend voor de verzorgde architectuur uit de jaren-twintig en -dertig is het metselwerk met een trasraam van grauwbruine klinkers en contrasterend opgaand muurwerk van gele, iets gesinterde bakstenen met verdiepte lintvoegen die voor schaduwwerking zorgen, de gemetselde bloembakken die de ingangspartij flankeren, het deurlicht van glas-in-lood met een zware ommetseling en zeker ook de berging aan de zuidzijde onder een open ellips met gebeitelde, waaiervormige ommetseling. Ook het zogeheten wolfseinde waarmee de voorgevel wordt beëindigd in plaats van een traditionele geveltop, is pas in de eerste decennia van deze eeuw geïntroduceerd.


Lekkum, een verdwenen state (Eeburg)
Gesloopt maar toch een beschrijving waard: de state Eeburg te Lekkum, in 1898 afgebroken als zoveel andere achttiende- en negentiende-eeuwse states in Friesland.

In 1767, een welgesteld man geworden, besloot de Woudsender scheepsbouwer Tiete Hylkes Tromp (1704-1785) om te gaan rentenieren. In Lekkum kocht hij landerijen met een opstal aan, grenzend aan de pastorie tegenover de kerk, en die opstal werd in 1768 ingrijpend verbouwd tot een state die de naam Eeburg kreeg. De naam verwees naar de Ee waaraan Tromps werf in Woudsend was gelegen en, toevallige bijkomstigheid, naar het water dat langs z'n nieuwe bezit stroomde, de Ee tussen Leeuwarden en Dokkum.

Tromp overleed ook in Lekkum; z'n grafsteen bevindt zich in de kerk. Er prijkt echter niet de naam Tiete Hylkes Tromp op maar het chiquere Tiete van Hettinga Tromp - in 1778 had hij zich vernoemd naar zijn moeders familie. Eeburg vererfde op zijn enige dochter Wytske, gehuwd met Hein Blok. Dit huwelijk bleef kinderloos en vervolgens viel het bezit toe aan een achterneef, een zoon van neef Solke Walles en nicht Tjitske Ages Tromp. Die erfde het geheel op voorwaarde dat hij Tiete ging heten en op de state ging wonen. Deze Tiete, later president van het Provinciaal Gerechtshof, kwam zijn verplichtingen na en betrok het pand met vrouw en elf kinderen.

De Eeburgstate was sober maar voornaam. Het bijna vierkante gebouw telde twee bouwlagen: een ruim souterrain en een hoofdverdieping, onder een kap met vier hoekschoorstenen. Uit het dak was een kajuit gebouwd die twee vensters onder een tympaan bevatte. De voorgevel bezat twee keer twee ramen aan weerszijden van de toegangsdeur. De ramen hadden een roedenverdeling in zes ruiten. De ingangspartij met bovenlicht werd benadrukt door een omlijsting en een dubbele trap met bordes en hek. Onder het bordes evenals onder de vensters van de beletage voorzagen flinke ramen de kelders van licht. De achtergevel had dezelfde indeling als de voorzijde inclusief een dubbele trap met bordes. Er zijn foto's van bewaard gebleven maar het rijke lover van de lindebomen beneemt helaas het zicht wat op de gevels.

Van het interieur kunnen wij ons een beeld vormen dankzij oude beschrijvingen. Het souterrain bevatte een goed uitgeruste keuken met aanrecht, pomp en koperen kranen en kasten, een washuis, voorts turf,- provisie- en wijnkelders. Ook bevond zich hier een „nette woonkelder" met twee bedsteden die waarschijnljk voor het personeel bestemd was, evenals de „ene dienstbodekamer".

Op de eerste verdieping lagen uiteraard de voornaamste vertrekken, vier grote ruimten aan weerszijden van een brede, gestucadoorde gang met marmeren vloertegels, een rijk geheel. Westelijk van de ingang bevond zich de „Nankingkamer", behangen en voorzien van een schoorsteen met spiegel, waarvan tenminste de naam refereert aan de Chinese mode in de bouw- en interieurkunst van de tweede helft van de achttiende eeuw, en die mogelijk ook naar die mode was versierd en ingericht. Hierachter lag de zaal of witte kamer die van een rijk stucplafond en een marmeren schoorsteen met spiegel voorzien was, dit alles ongetwijfeld, gelet op het bouwjaar 1768, in de toentertijd modieuze Lodewijk XV of rococo. De zaal was bestemd voor ontvangst van gasten en die kwamen kennelijk in grote getale, getuige de aanwezigheid van drie logeerkamers in het huis. In de ontvangstruimte werd ook het porselein en kristal bewaard.

Oostelijk van de ingang bevonden zich de slaapkamer en de zogenoemde grijze kamer. Uit de meubels die er stonden, kunnen we opmaken dat het de zitkamer van de familie was.

Onder de kap bevonden zich eveneens vier kamers rond een portaal. Ze hadden de functie van logeerkamer, misschien met uitzondering van een vertrek waar mogelijk al in 1768 de bibliotheek van de heer des huizes stond en waar in elk geval later de jurist Tiete Solkes Tromp zijn boeken had staan. Verder was er nog een linnenzolder.

Over de oudste tuinaanleg weten we niets, wèl echter over een latere vorm. Te oordelen naar de foto's is de tuin op enig moment aangepast naar de mode van de Engelse landschapsstijl die in Friesland in zwang raakte aan het begin van de negentiende eeuw. De Eeburg-tuin bezat alle kenmerken van deze stijl, zoals een door een brug overspannen vijver met een golvende contour en perken van onregelmatige vorm tussen kronkelende paden, het geheel omzoomd door zware eiken, linden en esdoorns. In de zuidoostelijke tuinhoek stond zelfs een zomerhuis of prieel en er hoorde een boomgaard bij.

De state werd in 1897 verkocht aan de landbouwers Pieter en Joute van der Werff. De afbraak van het als „soliede" aangemerkte Eeburg volgde een jaar later. In de Leeuwarder Courant van 11 maart 1898 lezen wij het droevige relaas: „Vele werklieden gewapend met bijl en breekijzer en hamer zijn dag uit dag in bezig het nog hechte gebouw te vernietigen (..). Al het boom- en struikgewas der buitenplaats is reeds verwijderd (..). Het gaat deze plaats net als vele andere dorpen op of nabij terpen of wierden gelegen, of in 't bezit eener buitenplaats, eenmaal gaat de vroegere schoonheid voorbij (..)." Aan de vroegere Eeburg herinneren nu slechts enkele straatnamen in Lekkum.


Lekkum, Tsjerkepaed 26 (Hervormde kerk)
De topograaf Jacobus Stelling-werf tekende in 1723 de voorganger van het huidige kerkgebouw. Die middeleeuwse kerk, grotendeels afgebroken in 1778, was gewijd aan de martelares St. Cecilia die vooral bekendheid genoot als patrones van musici. De tekening toont een overwegend laat-gotisch schip met hoge spitsboogvensters met vorktraceringen en daaronder een geprofileerde waterlijst, onderbroken door tweemaal versneden steunberen. De zadeldaktoren had geveltoppen met renaissancistische versieringen, die ontleend moeten zijn aan de architectuurboeken van Hans Vredeman de Vries. Het middeleeuwse gebouw onderging mogelijk nog herstellingen in 1606 en 1657. De Staten van Friesland schonken de kerk in die jaren in elk geval gebrandschilderde glazen.

In 1778 lieten de kerkvoogden van Lekkum een geheel nieuw schip optrekken. Een gedenksteen boven de zuiddeur herinnert aan de eerste steenlegging door Hein Blok. Deze gebeeldhouwde steen in rococo- of Lodewijk XV-stijl is de enige versiering aan het wel erg sober gehouden gebouw, waarvan de muren geleed worden door pilasters en onderbroken door rondbogige vensters. Uit archieven is bekend dat in 1779 gebrandschilderde wapenglazen in deze vensters werden geplaatst, onder andere in opdracht van de Staten, Gedeputeerde Staten, de Rekenmeesters en de Raden van het Hof van Friesland, maar die zijn verloren gegaan, mogelijk in de Franse tijd.

De oude zadeldaktoren bleef in 1778 overeind staan, maar legde in 1896 alsnog het loodje. Er kwam een nieuwe voor in de plaats met een ingesnoerde spits en op de hoeken driemaal versneden pilasters. De bouwkosten: ƒ 2.850,-. Twee klokken uit de neergehaalde toren, daterend van 1512 en 1540, werden hergebruikt in de nieuwe toren. De toren onderging in 1994 een restauratie.

Het schip werd gerestaureerd in de jaren 1968-1970 onder leiding van architect G.W. Goodijk uit Sneek. De negentiende-eeuwse inrichting werd toen ingrijpend gewijzigd. Een onoverhuifde achttiende-eeuwse herenbank ging verloren. Gespaard bleven een overhuifde herenbank en de preekstoel uit 1778.

De eikenhouten preekstoel is gemaakt door Jan Molaan, schrijnwerker op Oldegalileën boven Leeuwarden. Op de panelen van de hoekpilasters van de kuip sneed hij blad- en bloemornamentjes in Lodewijk XV-stijl. Het ruggeschot met de knop voor de domineessteek kreeg gesneden vleugelstukken. De stralen die onder het klankbord uit een bladrozet komen, zouden een verwijzing kunnen zijn naar de Zon der Gerechtheid (Maleachi 4:2).

De herenbank, die gelijktijdig met de preekstoel zal zijn ontstaan, oogt moderner doordat het snijwerk is uitgevoerd in Lodewijk XVI-stijl. De panelen aan de voorzijde en van het achterschot zijn versierd met rozetten, gehangen doekjes en festoenen. De gebogen overhuiving, die rust op twee kolommen met gladde schachten en korintische kapitelen, is voorzien van een blokjesfries. Op de overhuiving staat een ajour gesneden kuifstuk, waarin tussen acanthusloof twee wapenschilden zijn aangebracht. De wapens zijn in 1795 weggesneden, maar op de banderolles onder de schilden zijn de namen blijven staan van de families van wie ze afkomstig zijn: Blok en Tromp. Hein Blok, die een grote steenfabriek aan het Vliet onder Leeuwarden bezat, huwde in 1762 met de uit Woudsend afkomstige Wytske Tietes van Hettinga Tromp. Haar vader, de Woudsender scheepsbouwmeester Tiete Hylkes van Hettinga Tromp, vestigde zich vijf jaar later op Eeburg te Lekkum en werd daar kerkvoogd, zoals ook op de eerdergenoemde gedenksteen boven de kerkdeur valt te lezen. Het echtpaar zal ongetwijfeld als zoveel Vlietsters in Lekkum hebben gekerkt en bewoonde wellicht ook de state Eeburg.

Andere vermeldenswaardige voorwerpen in de kerk zijn de collectezakken met het ingegraveerde jaartal 1779, een merkwaardige offerbus die mogelijk van Arabische herkomst is, een archiefkist en de uit 1663 daterende kanselbijbel die in 1779 aan de kerkvoogdij werd geschonken door Ambrosius Dorhout. Van de dertien grafstenen in de vloer zijn er enkele interessant. Een dubbele steen dekt de graven van Tiete van Hettinga Tromp (+1785), zijn vrouw Uilkje Hoites (+1788) en hun dochter Wytske van Hettinga Tromp (+1791). Op de grafzerk voor koopman Oene Wopkes is een springend paard afgebeeld en op de hoeken van de grafsteen van Aecht Sickesdr. staan de vier evangelisten met hun symbolen. In de vloer van de voorkerk liggen twee zerken en een middeleeuws sarcofaagdeksel van rode Bremer zandsteen.

Het orgel is gebouwd door de gebroeders Luitjen Jacob en Jacob van Dam, orgelmakers te Leeuwarden. Het werd op 20 juli 1828 in gebruik genomen tijdens een dienst, geleid door „de Leeraar R.S. Sevensma uit Workum". Het front van het instrument bestaat uit een ronde middentoren waarop een beeld staat, voorstellende Koning David met harp, en twee spitse zijtorens die worden bekroond door musicerende putti. Het snijwerk in empirestijl bestaat uit blad- en vruchtmotieven.

In 1913 onderging het orgel een ingrijpende verandering door P. van Dam, maar deze ingrepen zijn in 1984 ongedaan gemaakt door de firma Bakker & Timmenga uit Leeuwarden. Adviseur bij deze restauratie was de organist Jan Jongepier.

Het orgel heeft één klavier en aangehangen pedaal en kent de volgende dispositie:

MANUAAL: C-f'''

Prestant 8 vt.
Holpijp 8 vt. b/d
Viool de Gambe 8 vt. disc.
Octaaf 4 vt.
Fluit d'Amour 4 vt.
Quint 3 vt.
Woudfluit 2 vt.
Mixtuur 3-5 st.

Tremulant
Afsluiting
Pedaalkoppel

Het kerkhof is toegankelijk door een ijzeren hek met symbolen van dood en vergankelijkheid: uilen, gevleugelde zandlopers, zeisen en naar beneden gerichte flambouwen. Ook is de ouroboros er tweemaal in verwerkt: de slang die zichzelf in de staart bijt en die het symbool van de eeuwigheid is. Veel bewoners van het onder Leeuwarden gelegen Vliet maar ook inwoners van de stad lieten zich in Lekkum begraven. Daardoor is het kerkhof overvol geraakt; er zijn zelfs begravingen gedaan onder het klinkerpad dat naar de kerkdeur voert.

Opvallend aan de oostzijde van het kerkhof is de dubbele grafzerk voor professor dr Everwinus Wassenbergh (1742-1826) en zijn vrouw en dochter. De in Lekkum geboren domineeszoon, die hoogleraar was in Deventer en Franeker, heeft een grote impuls gegeven aan de studie van het Fries en in het bijzonder aan die van het werk van Gysbert Japicx. Op twee stenen uit 1890 en 1931 voor leden van de familie Humalda zijn een koe en een paard gebeeldhouwd. Op de grafsteen voor Marten Jans Mellema (+1926) staat een beurtschip afgebeeld. De grafsteen voor Jan Doetjes (+1985) en Hinke de Vries (+1995) is voorzien van afbeeldingen van een vrachtauto en een kat. Binnen een ijzeren hekwerk liggen de grafstenen van mr Solko Walle Tromp (+1875) en zijn vrouw Anna Elisabeth Le Maire (+1866), van mr Tiete van Hettinga Tromp (+1906), van zijn vrouw Maria Geertruida Agatha Levina Burger (+1876) en van hun dochter (+1942) die vernoemd is naar de in het kraambed gestorven moeder.


Lekkum, Mearsterpaed 8 (Soete Hofstee)
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Lekkum, Mearsterpaed 2-4
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Lekkum, Miedwei (Bullemolen)
De met riet gedekte Bullemolen is een watermolen. Hij behoort tot de bovenkruiers, wat wil zeggen dat de kap naar de wind kan worden gedraaid. Het type wordt in Friesland ook wel aangeduid als monnikmolen.

Deze molen stond oorspronkelijk een kilometer of acht zuidoostelijker dan nu, onder Tietjerk. In 1825 werd hij overgebracht naar zijn huidige plaats, de Grote Lekkumer Polder die ook wel Bullepolder wordt genoemd. In deze particuliere polder, waar de familie (Van Hettinga) Tromp en het Sint Anthonygasthuis op dat moment de belangrijkste landeigenaren waren, kreeg de molen tot taak om de waterstand op peil te houden. Overigens is de naam ‘Bulle' volgens de overlevering ontleend aan het beroep van een van de eerste eigenaren, die beul van Leeuwarden was.

In 1971, na enkele andere eigenaars te hebben gekend waaronder de Algemeene Friesche Levens-verzekering Maatschappij, ging de molen in handen over van het waterschap De Wâlden. De verantwoordelijkheid voor het waterpeil in de polder had het waterschap al in 1969 overgenomen en de Bullemolen kreeg toen een dieselinstallatie.

De gecombineerde bemaling nu door wind- en dieselaandrijving functioneerde tot volle tevredenheid van de landgebruikers. Toch ging de molen zienderogen achteruit; tegen vandalisme viel helaas weinig te beginnen. De Vereniging van Dorpsbelang drong daarom aan op preventieve maatregelen ter voorkoming van verdere vernielingen. Dat hielp aanvankelijk niet erg - in 1983 brandde het naast de molen gelegen molenaarshuisje zelfs geheel af.

Op initiatief van ‘Dorpsbelang' werd in 1987 besloten tot een molenrestauratie in twee fasen. De eerste fase had tot doel de molen weer aan het draaien krijgen, wat ƒ 130.000,- kostte. Bij de eerste fase bleef het voorlopig, een nieuwe eigendomswisseling doorkruiste de voornemens: op 22 januari 1988 nam waterschap De Wâlden de beslissing om de molen over te dragen aan de stichting De Fryske Mole. Voor de tweede fase kreeg de stichting een bruidsschat mee van ƒ 60.000,- en bovendien werd de jaarlijkse bijdrage in het molenonderhoud verhoogd.

Aanvankelijk was gedacht de tweede fase uit te voeren in 1992, maar het zou 1995 worden. Tijdens deze restauratie (kosten ƒ 102.000,-) zijn het krooshek vernieuwd alsook de vijzel, de onderbonkelaar, een roede met fokwieken, de lange spruit en het spilrad. Als sluitstuk kreeg de molen een schilderbeurt.

De molen is nu compleet en er wordt geregeld mee gemaald door een vrijwillige molenaar. Door de situering midden in een van de laatste open agrarische natuurlanden in het ongerepte weidelandschap ten noordoosten van Leeuwarden is de windvang optimaal.

De molen blijft niettemin een zorgenkind van de stichting. Om vernielingen tegen te gaan, is de uitstroomkoker van de molen inmiddels met betonijzer afgesloten en over de sloot naar de Murk is een balk gelegd om te voorkomen dat er met bootjes en vlotten vanaf De Grote Wielen naar de molen wordt gevaren. Voorts zijn de ramen voorzien van onbreekbaar glas. Gelukkig houden de Lekkumers een waakzaam oogje in het zeil.


Lekkum, Miedwei 2 (Burmaniastate)
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Leeuwarden, Lekkumerweg 84
Deze kop-hals-rompboerderij kreeg grote bekendheid door de fokstier Blitsaerd Keimpe 48326. Op 26 mei 1956 werd Blitsaerd Keimpe in de stal van Sjoerd Brandsma geboren. De stier was genoemd naar het fokbedrijf van Brandsma, dat Blitsaard heette (naar de gelijknamige terp die in de hoek van Snakkerburen en de Bonke had gelegen). Brandsma was in de jaren-vijftig en -zestig één van de weinige Friese fokkers die nog vasthielden aan een grote, melkrijke koe. Met Blitsaerd Keimpe kreeg hij min of meer zijn gelijk, de fokstier verbeterde alle.

De familie Brandsma was in 1891 op de boerderij gaan wonen. Petrus Sjoerd Brandsma, de grootvader van Sjoerd, was daarvoor landbouwer in Oudega (Smallingerland) geweest. De boerderij te Lekkum was destijds nog in eigendom van het Sint Anthony Gasthuis. Het gasthuis had de boerderij in 1585 tijdens een publieke veiling gekocht van de kinderen van Tjalling Andringa. Andringa had zijn kinderen „groote ende diversche schulden" nagelaten, waardoor de voogd zich genoodzaakt zag om enige huizen in Leeuwarden en de zate te Lekkum te verkopen.

Wie in vroeger eeuwen op de boerderij hebben gewoond, is niet precies bekend. De eerste vermelding van een bewoner is te vinden in het jaar 1684, wanneer de zate verhuurd blijkt te zijn aan Rinse Sierx uit Wirdum. Vier jaar later waren het Bauke Dirx en Janke Sierx die op de boerderij woonden. Ze betaalden een jaarlijkse huur van 125 Carolus-gulden. Was de totale oppervlakte van de landerijen in 1585 bijna 15 ha, een eeuw later was dit  21 ha.

In het archief van het Sint Anthony Gasthuis bevindt zich een boedelbeschrijving van de boerderij uit het jaar 1777. De inventarisatie had plaats op last van de gasthuisvoogden omdat de huurders van de boerderij, Hessel Meijners en Antie Reijners, al vier jaar geen huur hadden betaald. Ze hadden de huur bij opbod verkregen in 1772. De beschrijving begint met de aangetroffen „levendige have". Naast een „oude ziekgeweeste zwarte koeij met witte pooten" waren er nog twee zieke koeien. Verder was er nog slechts één gezonde koe en één gezonde stier. In totaal dus vier koeien (waarvan drie ziek) en een stier. Uit een toelichting blijkt wat voor catastrofe de boerderij had getroffen: „zijnde geen meerder runderbeesten dan deeze vijff bevonden; hebbende de egteluiden meijerlieden verklaard zeedert ruim vier weeken dertien beesten aan de besmettelijke ziekte te hebbende verlooren". Binnen een maand was dus driekwart van de veestapel bezweken, waardoor de huurders geruïneerd moeten zijn. De inboedel van het woonhuis was ook tekenend voor de situatie. Er waren twee oude bedden, met vier „vodden van deekenen en vier laakens zeer grof en gering", twee oude tafels, zes oude stoelen, een kast en een „cabinettie en daar niets hoegenaamd in bevonden, als eenige heel geringe vodden en versleeten kindergoed, alles zonder waarde". Uit de beschrijving van de aanwezige „boeregereedschappen" (karnmolen, kaasvat) blijkt dat er op de boerderij zuivelproducten werden gemaakt. De hele inboedel werd uiteindelijk verkocht en de huurders moesten de boerderij verlaten.

In de loop der tijd verwierf het Sint Anthony Gasthuis meer land voor de zate, die in omvang toenam tot zo'n 47 ha. In 1866 werd daarom besloten de zate in tweeën te delen. In de Camminghabuursterpolder aan de Groningerstraatweg werd een nieuwe boerderij („stelphuizinge") gebouwd en de huurders van de ‘oude' boerderij, Auke Dirks Algera en Jantje Wildeboer, gingen daar wonen. De ‘oude' boerderij werd vervolgens verhuurd aan Jouke Ruurds Wartena en na zijn overlijden in 1888 door zijn weduwe. De zate mat door de splitsing nu ongeveer 26 ha. Zoals we al eerder zagen kwam de familie Brandsma hier in 1891 te wonen. De familie Brandsma bleef er wonen tot 1971, toen de boerderij door het Sint Anthony Gasthuis werd verkocht aan de gemeente Leeuwarden in verband met uitbreidingsplannen. In 1975 werd de boerderij gekocht door de familie Palma-Drion die een ‘hondensalon' in de boerderij begon.


Snakkerburen, Oan 'e Dyk (drenkelingenkerkhof)
Waar Snakkerburen ophoudt en vroeger de Modderreed naar Lekkum begon, daar werd in 1873 door de gemeente Leeuwarderadeel een kleine openbare begraafplaats aangelegd op grond die behoorde tot de zogenaamde ‘schoollanden'. Dit waren weilanden in eigendom van de school in Lekkum, die een belangrijke bron van inkomsten vormden voor de hoofdonderwijzer. In genoemd jaar verkocht de toenmalige hoofdonderwijzer Jan Marinus Wildeboer de weilanden aan de gemeente. Hij kreeg er een jaarlijkse vergoeding van ƒ 25,- voor, in die tijd een enorm bedrag. Een gedeelte van de grond werd bestemd voor dodenakker. Omdat bijna iedereen destijds op een kerkhof begraven werd, gebruikte men de begraafplaats in Snakkerburen alleen voor doden waarvan men de identiteit niet kon vaststellen. Zo zouden er rond de eeuwwisseling twee volwassen drenkelingen en een pasgeboren verdronken kind ter aarde besteld zijn.

Meint Span, een voormalige doodgraver uit Lekkum, vertelde vroeger, dat wanneer je maar drie stekken in de grond was, het water je al over de klompen liep en dat de doodskisten in het water van de verse graven kantelden. „De minsken fersûpe der twa kear", zo zei men.

Een halve eeuw later sprak men in Snakkerburen niet langer over drenkelingen maar over doden op de begraafplaats, nu vijf in getal: twee kinderen, een man die onder een trein kwam en twee Belgische vrouwen die in 1916 of 1917 aan de pest zouden zijn overleden toen zij met een schip in de Ee lagen en Leeuwarden niet binnen mochten. Grafstenen kunnen ons helaas geen nadere informatie geven; ze zijn er simpelweg niet.

De begraafplaats werd overbodig toen Lekkum in de oorlogsjaren bij de gemeente Leeuwarden werd ingedeeld. Immers, Leeuwarden beschikte ook over een openbare begraafplaats. Voortaan betaalde de gemeente Leeuwarden jaarlijks ƒ 25,- aan de kerkvoogdij van Lekkum; de grond werd als weilandje verpacht. De iepen er omheen werden vrijwel meteen geveld en het lijkenhuisje, met daarin de zwarte baar, viel in de loop der tijd ten prooi aan vernielzucht.

In de jaren-vijftig was er even sprake van dat de grond als bouwterrein zou worden vrijgegeven. Gebouwd is er echter nooit. Om de herinnering aan de voormalige dodenakker levend te houden en om de akker van het omringende weiland te kunnen onderscheiden, zijn weer lindebomen geplant. De toegang wordt afgesloten door een hekwerk, dat overigens gebaat zou zijn bij een opknapbeurt.


Snakkerburen, Pôllepaed 10 (directeurswoning Hommema)
Van deze aardige vrijstaande villa is al eens gesuggeerd dat de bekende Leeuwarder eeuwwisselingsarchitect Willem Cornelis de Groot de ontwerper is geweest. Het is een woonhuis in zogenoemde vernieuwingsstijl en het dateert uit 1911. Het bestaat uit twee haaks op elkaar geplaatste vleugels met uitgebouwde erkerpartijen. Die met houten stijl- en regelwerk op het zuiden is (uiteraard) niet alleen de grootste maar vormt bovendien handig een door een luifel overdekt balkon voor de daar uitgebouwde verdieping. Kenmerkend voor de architectuur uit die periode zijn beslist ook de afgewolfde schildkappen met oranjerood geglazuurde, platte en gegroefde pannen en de hoekpironnen van zink.

De villa is gebouwd door en voor de directeur van een naastgelegen fabriek. Het voormalige bedrijfsgebouw, in hoofdvorm nog aanwezig en herkenbaar in het merkwaardig ogende gepleisterde buurpand, staat op grond die al enige industriële voorgeschiedenis had. Beter uitbeelden dan de kunstenaar Gerhardus du Pon het voor het nageslacht deed, kunnen wij het niet. Du Pon schilderde in 1771 een enorm behangsel met een voorstelling van de Dokkumer Ee, geflankeerd door de boerderij Vierhuis aan de westzijde en een forse molen op een langgerekte onderbouw op de andere oever. Deze molen was de achtkante bovenkruier met woon- en werkruimte, die de rijke Leeuwarder zeepzieder Jan Zeeper hier in 1770/'71 liet bouwen en die bekend stond als „DE 3 GOUDEN KROONEN". Het behangsel heeft ooit bij Zeeper aan de muur gehangen.

De molen bleef overeind tot 1891 of 1892, maar als olieslagerij bleef de firma hier ook daarna voortbestaan. Er werd veevoer geproduceerd, waaronder lijnkoeken, sojakoeken en grondnootkoeken. In 1904 werd Hommema Eskes & Co. te Birdaard eigenaar. Directeur R. Hommema besloot in 1911 tot sloop van de oude en bouw van een nieuwe directeurswoning. Dat werd dus de huidige villa Pôllepaed 10.


Snakkerburen, Oan ‘e Ie 30
Aan de Dokkumer Ee in Snakkerburen staat zomaar tussen woonhuizen, boerderijtjes en bescheiden bedrijfspanden op huisnummer 30 opeens een grote boerenschuur met een rieten dak en een houten gevelvoorzetting boven de begane grond. De kadastrale archivalia wijzen uit dat de bebouwingsgeschiedenis van deze plek terugreikt tot 1844, maar de schuur is een halve eeuw jonger.

Vóór 1844 lag op deze plek een moestuin ter grootte van 7 roeden en 40 el in 't vierkant. De moestuin geraakte in 1837 in handen van timmerman Tetman Pieters Hettema (1792-1866) en die zette er zeven jaar later een huis met een (scheeps)timmerschuur neer. Tegelijkertijd of kort erna verrees op een stuk grond direct ten noorden van het eerste huis een tweede, eveneens met een schuur. Beide huizen werden in 1858 gescheiden verkocht en kadastraal gesplitst in de percelen Oan 'e Ie 31 en Oan 'e Ie 30. De kopers van Oan 'e Ie 30 waren de echtelieden Douwe Ages van der Meulen, arbeider/koemelker, en Trijntje Sikkes Siksma. Douwe Ages zou in 1893 overlijden, maar voor het zover was liet hij omstreeks 1885 het huis afbreken en vervangen door de huidige boerenschuur.


Snakkerburen, Oan 'e Ie 26
Zie de inleiding ‘Een boerderijhistorische verkenning'


Snakkerburen, Oan 'e Ie 24-25 (In de stokerij)
Gevelstenen zijn kleine monumentjes op zichzelf, monumentjes van beeldhouwkunst in zandsteen. De stad Leeuwarden is er vrij rijk mee bedeeld, veruit de meeste daterend uit de zeventiende en achttiende eeuw, maar de dorpen beduidend minder. Snakkerburen heeft er in elk geval nog twee gehad.

De steen met de inscriptie „DE 3 GOUDEN KROONEN" uit 1770, die het muurwerk van de gelijknamige oliemolen aan de Dokkumer Ee verlevendigde, bevindt zich nu in een muur van het bedrijfspand van K & G Postma aan de James Wattstraat in Leeuwarden. Nog wel in Snakkerburen te bewonderen, is „IN DE STOOKERY - 1737", een eenvoudige rechthoekige steen waarop keurig in rij twee mortieren met vijzel, een vat en een destilleerketel staan tegen een kaal gehouden achtergrond. Deze gevelsteen siert de voorgevel van een dubbele woning die ergens uit de periode 1945-1955 moet dateren.

Nu is er iets vreemds aan de hand. Gevelstenen waren bedoeld om een pand identiteit te geven, beeldmerken om de voorbijganger te laten zien wie er woonde of wat er voor ambacht werd uitgeoefend, zoals we nu naast de voordeur van ons huis een naamplaatje zouden hangen of op de dakrand van een bedrijfshal een forse neonreclame zouden plaatsen. „IN DE STOOKERY" moet afkomstig zijn uit een jeneverstokerij, die gesticht werd in 1737. Nu was in heel Snakkerburen althans in de negentiende eeuw geen stokerij te bekennen, zo heeft men op het Gemeentearchief uitgeplozen, terwijl je toch verwacht dat zo'n bedrijfje een lang leven beschoren is, een leven dat verder reikt dan tot omstreeks 1800. Zou de gevelsteen dan van buiten Snakkerburen komen en hier eigenlijk een misleidend historisch verhaal vertellen?

Snakkerburen, Oan 'e Ie 6a/Oan 'e Dyk
Van alle historische panden in Snakkerburen is Oan 'e Ie 6a een van de oudste. De westelijke voorgevel laat nog gedeeltelijk zien hoe oud: in smeedijzer hangt er een restant aan van het vermoedelijke jaartal 1666 . Het is stellig ook vanwege de hoge leeftijd, dat men ooit besloten heeft om het pand aan te wijzen als rijksmonument. De Rijksdienst voor de Monumentenzorg heeft de ouderdom destijds overigens rijkelijk onjuist ingeschat: „midden 19e eeuw".

Oan ‘e Ie 6a is een zeer diep en verhoudingsgewijs breed en laag pand, evenals de omringende bebouwing oost-west georiënteerd, en met twee fronten, aan de Dokkumer Ee en aan Oan 'e Dyk. Qua opbouw bestaat het simpelweg uit een vrijwel ongedeelde ruimte onder een bijna twaalf meter lang zadeldak tussen twee topgevels. Het zijn twee tuitgevels met vlechtingen, aan de Oan ‘e Ie-zijde op de gebruikelijke wijze afgedekt door een zandstenen afdekplaat. Overigens is het hoogteverschil tussen beide gevels opmerkelijk; het bedraagt al gauw een halve meter als gevolg van het aflopend grondpeil in de richting van het water. De westgevel is nog redelijk gaaf, wat niet gezegd kan worden van de Oan 'e Dyk-gevel waarin op enig moment na de Tweede Wereldoorlog rucksichtlos een garagedeur is ingebroken.

Over de functie(s) is voorlopig het laatste woord nog niet gezegd. In archiefstukken uit het negentiende eeuw wordt het pand meermalen als een pakhuis aangeduid en zo staat het tevens op de monumentenlijst. Weliswaar heeft het overwegend die uitstraling, zowel aan de waterkant als de andere zijde, maar de chique, laat-achttiende-eeuwse paneeldeur in Lodewijk XVI-stijl, voorzien van ornamentiek van hulstbladeren en bessen op de naald en verder kraal- en parellijstjes, wijst toch ook op een woonfunctie. De ramen met een zesruits-roedenverdeling moeten trouwens uit dezelfde tijd stammen.

Medewerkers van het Gemeentearchief hebben recentelijk onderzoek naar het pand gedaan. Ze zijn hierbij niet alleen een eind gekomen met het achterhalen van de eigenaars, het is bovendien vast komen te staan dat het perioden lang in elk geval ten dele een woonfunctie heeft gehad want rond 1700 wordt het een „huisinge" genoemd en bij een verkoping in 1877 wordt gesproken over „een pakhuis en twee woonkamers cum annexis". Mogelijk is men, ervan uitgaande dat het jaartal op de gevel inderdaad 1666 is geweest, zelfs de bouwer of tenminste een dochter of andere directe erfgename van de eerste eigenaar op het spoor gekomen: in 1689 werd het huis namelijk door Wiltie Pijtters verkocht aan Claes Bauckes voor de somma van 290 goudguldens.

Vanaf de achttiende eeuw is het pand met regelmaat eigendom geweest van degene die ook de belendingen Oan 'e Ie 6 en Oan 'e Dyk 9 bezat. De meest opmerkelijke bestemming in recentere tijd was die van siroopfabriek tussen 1908 en 1928/'29, waarvoor ook het buurpand Oan 'e Ie 6/Oan 'e Dyk 9 werd benut.


Snakkerburen, Oan 'e Ie 6/Oan 'e Dyk 9
In het zuidelijke deel van Snakkerburen, aan het begin van Oan 'e Ie langs het water, staat bebouwing die doorloopt tot aan Oan 'e Dyk. In sommige gevallen hebben we hier te maken met een enkel, langgerekt pand met twee min of meer volwaardige straatgevels, zoals Oan ‘e Ie 6a, in andere met twee in de loop der tijd samengevoegde of althans in een hand geraakte panden, zoals de woning met de dubbele adressering Oan 'e Ie 6/Oan 'e Dyk 9. Snakkerburen telt weinig rijksmonumenten, maar dit is er een van. In het Monumentenregister heeft het - of misschien moeten we zeggen: hebben ze - de volgende omschrijving: „Pand onder met pannen gedekt wolfdak, eind 18e of begin 19e eeuw. In de gevel aan Oan 'e Ie vensters met zes- en negenruitsschuiframen. Driedelig zoldervenster met getoogd kozijn tussen twee rechthoekige vensters. In de gevel aan de Oan 'e Dyk vensters met zesruits-schuiframen en een zoldervenster met luik. Het interieur bevat betimmeringen met bedsteden, kastdeuren en een schouw in de keuken met Lodewijk XVI-versiering".

De indeling van het pand heeft in de loop der jaren talrijke wijzigingen ondergaan, mede als gevolg van wisselend gebruik. Zo heeft het voor opslag gediend, wat nog te zien is aan het luik en aan het iets lager geplaatste raamkozijn op de verdieping. En in de negentiende eeuw heeft een gedeelte van het pand korte tijd een bestemming als herberg gekend, terwijl een ander gedeelte winkelhuis was. Bearn Calsbeek wist in 1949 te vertellen: dat „er in die tijd in Snakkerburen meer borrels werden geschonken als tegenwoordig, blijkt wel uit het feit dat er op de hoek van de Spokesteech ook nog een herberg stond, alwaar P. Bottinga sedert 1865 de scepter zwaaide". De herberg zou een ruime benedenlokaliteit hebben gehad en een bovenzaal waar kon worden gebiljart. Ook was in het pand een hulppostkantoortje gevestigd.

De eigenaars-, bewoners- en gebruiksgeschiedenis van Oan 'e Ie 6/Oan 'e Dyk 9 kent talrijke episodes, te veel om op te noemen, maar om een paar kunnen we niet heen. Uit archiefonderzoek is gebleken dat de geschiedenis van dit pand in elk geval terugreikt tot vóór 1714. Op 22 september van dat jaar kochten Hans Tiepkes en Antie Molinius, echtelieden „op Snackerbuijren" „sekere huijsinge cum annexis, staende aldaar, bij Sije Riencks cum sociis bewoont; sijnde vercoght met alles dat spijcker ende nagelvast is, sampt het heerd ijser in de voorcamer ende beijde vuijrplaeten; hebbende de gemene rijdwegh ten oosten, Tijmen van Oosten ten suijden, de Ee ten westen ende Claas Baukes erven ten noorden".

In 1861, diverse verkopingen en verervingen later, wist koopman Pier Annes Bottinga de hand op Oan 'e Dyk 9 te leggen en hij liet het daarop vertimmeren tot herberg. Met het verdwijnen van de meelfabriek en het tichelwerk uit Snakkerburen, begon de herberg bij gebrek aan klandizie al snel een kwijnend bestaan te leiden. In 1873 verkocht Bottinga zijn bezittingen, waaronder ook het belendende pakhuis Oan 'e Ie 6a, en vertrok met z'n gezin naar Leeuwarden.

In 1908 kreeg Folkert Dekenga vergunning tot oprichting van een fabriek voor de bereiding van zwarte siroop in het pakhuis Oan 'e Ie 6a. De inrichting zou worden gebruikt tot het bergen van verschillende soorten siroop en het bewerken ervan door ze te stoken. Er zou geen machinale beweegkracht worden aangebracht. Het noord-oostelijke deel van de voormalige herberg werd als berg- en werkplaats bij de fabriek getrokken. Het fabriekscomplex omvatte zodoende de beide percelen direct ten noorden van de Spokesteech. Fabriek De Hoop leverde ruim 20 jaar lang siroop in heel Friesland. De siroopfabriek werd in 1928/'29 opgeheven.

In 1976 is het pand volledig gerestaureerd en hebben intern een aantal aanpassingen plaatsgehad met het oog op het wonen. Tien jaar later werd de familie Daan eigenaar, waarna het grotendeels intern is verbouwd naar een plan van architect Gunnar Daan uit Oosternijkerk. De verdieping heeft nu een geheel eigen sfeer, in historisch opzicht niet authentiek. Op de begane grond zijn ondanks de verbouwingen wèl originele elementen bewaard gebleven: de bedsteewand, de keukenschouw en enkele deuren. De huidige eigenaars hebben de woning verworven in 1995.


Snakkerburen, Oan 'e Ie 1 en Oan 'e Ie 2/Oan 'e Dyk 1 (Waterherberg en buurpand)
De geschiedenis van de voormalige waterherberg De Sevenster is altijd nauw verbonden geweest met die van het buurpand. Oan 'e Ie 1 en Oan 'e Dyk 1 zijn niet alleen in dezelfde periode gebouwd maar verkeerden ook vaak in handen van dezelfde eigenaar. De panden behoren tot de oudste huizen van Snakkerburen en zijn beschermde monumenten.

Gebouwen
Vanaf de straatkant is duidelijk te zien dat de panden vroeger min of meer een geheel vormden. De gevelwand is van dezelfde steensoort en stijl van kort vóór 1800. In een belastingregister uit 1797 wordt van beide panden gezegd dat ze „door verbouwing ineen gesmolten" zijn. Gezien de lage huurwaarde van ƒ 36,- moeten we ons niet te veel voorstellen van het complex van bouwsels toentertijd. In 1828 werd het perceel met bebouwing verkocht voor ƒ 1013,60. De koopakte geeft de volgende omschrijving: „eene ruime kamer met eenen uitgang naar buiten ten zuiden en ten westen, met twee ramen ten zuiden en twee ten westen, uitzicht hebbende, vuurhaard met staande en liggende platen, twee bedsteden en een kast, hiernaast een voorhuis met eenen uitgang naar en ligtschepping aan het pad langs de Ee, hierachter eene bergplaats met genoemd voorhuis door eenen gang verbonden, met eenen uitgang en twee lichtscheppingen aan de rijdweg ten oosten; verder is naast gemeld voorhuis eene andere ruime kamer met twee vensters uitziende op de Ee, waarin vuurhaard met staande en liggende platen, bedsteed en eene kast, hiernaast weder een voorhuis met toonbank en winkelplanken - die de koper aan zich zelf behoudt - met ingang en lichtschepping ten westen, hieragter een kamertje met een venster lichtscheppende ten oosten, waarin vuurhaard en bedsteed met uitgang aan den rijdweg ten oosten; over het geheele huis loopt eene zolder". Geheel duidelijk is de indeling niet, maar zeker is wel dat de diverse voorhuizen, „kamers" en de bergplaats of „loods" sinds 1828 meer een geheel zijn geworden.

In 1862 was alleen Oan 'e Ie 1 al ƒ 1055,- waard. De toen opgemaakte koopakte beschrijft het complex: „een voorhuis met raam aan de straat dienende tot winkelingang tot een ruime kelder. Een ruime woon- en gelagkamer met 5 schuiframen, haarsteed met staande en liggende plaat, bedsteed, kast en turfkoker. In het voorhuis toegang tot een ruime loods of bergplaats met venster en deur aan het erf. Boven het huis een groote zolder met trap. Ten oosten een erf of straatje met hek en deurtje". Cornelis Dekenga, de nieuwe eigenaar, liet het pand spoedig na aankoop verbouwen. In ieder geval moest hij volgens het koopcontract de deur in de scheidsmuur met Oan 'e Dyk 1 dichtmetselen. De vensters met zesruits-schuiframen waren al eerder aangebracht. In 1885 werden de verschillende vertrekken opgemeten, waaruit bleek dat de benedenkamer 20,6 vierkante meter groot was, het aangrenzend vertrek 19,25 m en de bovenzaal 71 m. In de bovenzaal was een biljart aanwezig. Tot in de jaren-vijftig van onze eeuw was in het noordwestelijke deel van Oan 'e Ie 1 nog een kruidenierszaakje gevestigd. Aan de twee nog aanwezige deuren is te zien dat het zuidelijke deel (de herberg) en het noordelijke deel (winkel- en woonhuis) van het pand afzonderlijk werden benut. De vensterblinden lijken nog authentiek. Binnen is niet veel ouds meer. De bedsteden, het winkelinterieur en de caféruimten beneden zijn verdwenen. De voormalige bovenzaal is ingericht als woonkamer. Behalve de vloer en de balken herinneren slechts een tapkast, rookroosters en haken voor toneelgordijnen aan de herbergperiode. Bovendien zijn estrikken, afkomstig van een van de twee stroopfabrieken die vroeger in Snakkerburen waren gevestigd, hier in de vloer herplaatst.

Oan 'e Dyk 1 werd in 1862 apart verkocht voor ƒ 525,-. Het pand bestond toen uit: „een voorhuis met raam ten westen, bedsteed, stellingen met planken, een voorkamer met twee schuiframen ten westen, bedsteed en kribbe, kast, haarsteed met staande en liggende plaat, opgang naar de zolders over het huis. Ten oosten een portaal, kamer met een schuifraam ten oosten, schoorsteen, bedsteed en kastje. Boven een zolder met ladder". Omstreeks 1880 werd het verbouwd tot winkel en koffiehuis. Dekinga, in 1884 voor de som van ƒ 1562,- eigenaar geworden, veranderde de bestemming in woon- en (kaas)pakhuis. De tapkast, toonbank en koffiemolen werden verwijderd. Het voorhuis aan de Eezijde en het achterhuis aan de straatzijde kregen een aparte adresaanduiding. Nog lang werden de beide delen apart bewoond. In 1971 werd het pand met steun van monumentenzorg gerenoveerd.

Eigenaars en bewoners
De tekst op het uithangbord aan Oan 'e Ie: „voorheen herberg De Sevenster anno c. 1775" kan niet geheel letterlijk worden genomen. Althans, al uit archiefstukken van het midden van de zeventiende eeuw blijkt iets van een horecagelegenheid. In 1649 werd Gerrit Cornelis genoemd als bewoner en uitbater van de herberg „alwaer die Sevenstar uijthangt". Waarschijnlijk was vanaf begin negentiende eeuw in ‘De Sevenster' - overigens een gebruikelijke naam voor een herberg destijds - tevens een winkel gevestigd. In 1805 werd een zekere Rienk Johannes Kramer eigenaar en bewoner van van de toenmalige nummers ‘Lekkum 16 en 17'. Hij stond vermeld als „herbergier en winkelkoopman".

In 1862 werd de herberg met bijbehorend woonhuis verkocht aan Kornelis Folkerts Dekenga (ook wel Dekinga). Dekenga was vermoedelijk een paar jaar eerder herbergier en tevens bewoner geworden van Oan 'e Ie 1 (‘51a'). De verkoop vond curieus genoeg eveneens plaats in ‘De Sevenster'. Oan 'e Dyk 1 (‘51b'), waarvan een deel in huur was bij Dekenga, werd in 1862 verkocht aan bakker H.H. v.d. Wal.

Kornelis Dekenga, geboren in 1823 te Rijperkerk als zoon van een schipper, ging het voor de wind. De eerste spraakmakende telg van de familie - de Dekinga's hebben een stevig stempel gedrukt op Snakkerburen - stond omstreeks 1850 nog te boek als arbeider, maar in de loop van de eeuw werd hij reeds betiteld als kastelein, winkelier en koopman. Ook zijn onroerend goedbezit breidde zich gestaag uit. In 1884 verwierf hij Oan 'e Dyk 1, dat tot dan door Douwe Iedema was gebruikt als winkel en koffiehuis. Rond 1890 woonde Kornelis Dekenga met een dienstmeid in Oan 'e Dyk 1, terwijl zoon Folkert in de waterherberg bleef. Omstreeks 1915 was Folkert Dekenga in het bezit gekomen van een achttal huizen en andere gebouwen in Snakkerburen.

Folkert Dekenga hield zich vooral bezig met handel in kaas en fourage en vanaf 1908, na de inrichting van een fabriekje (De Hoop) in Oan 'e Ie 6, tevens met stroopfabricage. In 1912 nam Dekenga, inmiddels verhuisd naar Oan 'e Ie 6, ook de stroopfabriek van Arjen Miedema (De Nijverheid) over. Deze inrichting was verrezen op een perceel waar tot 1897 een tichelwerk was gevestigd. Het fabrieksgebouw van ‘De Nijverheid' bestaat nog altijd maar wordt tegenwoordig bewoond en als timmerwerkplaats gebruikt: Oan 'e Dyk 12. Gedurende een aantal jaren bloeide de fabricage en handel in stroop behoorlijk.

Ondanks alle andere activiteiten was Folkert Dekenga ook nog „kastelein" of „koffiehuishouder", maar hij zal de dagelijkse gang van zaken wel aan zijn vrouw of personeel hebben overgelaten. Waarschijnlijk is ook dat hij op een gegeven moment het roer heeft omgegooid en geen sterke drank meer liet schenken. Het ‘uitgaansleven' in Snakkerburen was intussen drastisch veranderd. Konden er omstreeks 1870 nog vijf kroegen en tapperijen bestaan, door de aanleg van de nieuwe weg naar Lekkum in 1873 kwam Snakkerburen afzijdig te liggen en toen ook de tichelwerken in onbruik raakten, was er geen klandizie meer voor zoveel horecagelegenheden. De herberg van Dekenga bleef echter voorlopig het centrum van het culturele leven van Snakkerburen en Lekkum. De bovenzaal stond vooral bekend vanwege de toneeluitvoeringen en de vergaderingen van dorpsbelang die er werden gehouden. Voor schippers vanuit Leeuwarden bleef ‘De Sevenster' de eerste pleisterplaats aan de Dokkumer Ee. En bij strenge vorst waren er vele schaatsliefhebbers die bij de herberg een pauze inlasten.

In een artikel in de Leeuwarder Gemeenschap uit 1969 werden de moeilijke jaren van de laatste uitbater, J.C. Kabel, beschreven: :„Hij heeft ongeveer een kwart eeuw het dorpscafé De Sevenster te Snakkerburen beheerd en daar heeft hij veel gedaan om het dorpsleven op gang te houden. De zaal die bij het café hoorde werd voor weinig geld ter beschikking van de verenigingen gesteld. Daar kon men alle aktiviteiten bedrijven, behalve het consumeren van alkoholhoudende dranken, want de heer Kabel en zijn vrouw waren onthouders. Het ligt wel voor de hand, dat speciaal het onthouderskoor hier tot bloei kon komen, want in deze kring werd dit voor een café opmerkelijk gemis uiteraard niet gevoeld. In de eerste jaren waren in de bovenzaal de uitvoeringen van dit gezelschap, voorts kinderuitvoeringen van de Lekkumer school enzovoort". Op een gegeven moment kon Kabel het hoofd niet meer boven water houden. Een poging om het café om te vormen tot een dorpshuis mislukte. Toen begin jaren-zestig de voormalige herberg kwam leeg te staan en dreigde te verkommeren, kocht notaris Wierda het pand aan en kreeg het - na een renovatie - een woonbestemming. Vandaag de dag herinneren slechts het uithangbord en de benaming Kastleinshoeke aan de oude herberg.


Dokkumer Trekweg 59 c.a. (kalkwerk)
Storende bouwsels her en der daargelaten moet wonen aan de Dokkumer Ee een idylle zijn. Het zal het ook in vervlogen eeuwen al zijn geweest. Een andere realiteit van vroeger was in elk geval het harde bestaan in de oliemolens, de tichelwerken en ook in het kalkoven-complex waarvan nog een grote schuur en mogelijk de belendende woning aan het voormalige jaagpad overeind staat.

De pré-kadastrale atlas (1832) is een waardevol en betrouwbaar ijkpunt voor onderzoek naar de historie van Leeuwarden. De opname voor de atlas werd in 1829 gemaakt, dus dat is het echte ijkjaar. Waar nu de bovengenoemde schuur staat, geeft de atlaskaart aan: een „schuur, kalkoven en erf", daarnaast een „plaiziertuin en Zomerhuis" en voorts „Albertus Buijsing, kalkbrander in Leeuwarden". Om precies te zijn staan op de kaart drie cirkels (kalkovens) getekend. Op een foto uit juni 1908, gemaakt door ene Matheus P. en in het bezit van het Gemeentearchief van Leeuwarden, zijn twee van die ovens te zien. In de ovens werden schelpen verbrand tot kalk, dat bijvoorbeeld werd gebruikt voor metselspecie.

Albertus Buysing werd geboren in 1782 te Leeuwarden en overleed „na langdurig en smartelijk ligchaamslijden" in 1858, zoals het Genealogysk Jierboekje MCMLXVI van de Fryske Akademy weet te melden. Buysing leverde zijn kalk en cement onder andere aan de stad. Albertus was niet de eerste Buysing die kalk aan de Dokkumer Trekweg produceerde; vader Reijnder (1743-1821; een man van aanzien, die onder meer vier jaar president-burgemeester van Leeuwarden is geweest) en grootvader Geert (1709-1773) gingen hem voor. Samen met een zwager met de welluidende naam Bernardus Kalkensteyn had Geert het kalkwerk plus een huis, tuin en zomerhuis in 1759 overgenomen van zijn schoonmoeder. Het kalkwerk omvatte destijds, zo blijkt uit een taxatierapport, „twee ovens, een lasthuis en twee turfhokken, alles op de vloeren af, en de wal in 't lasthuis op het water af". De schepen die de schelpen over de Dokkumer Ee aanvoerden, konden kennelijk zo ongeveer midden in het bedrijf aanleggen.

Het kalkwerk bestond dus reeds vóór 1759 en werd nadien nog uitgebreid. Intussen zijn de meest karakteristieke elementen, de konische ovens met een schoorsteen erop, gesloopt. Wat resteert, is ten eerste een verhoudingsgewijs brede en lage gemetselde schuur, onder een lui dak met wolfseinden dat door oranje Friese golfpannen wordt gedekt. Op het dak liggen ook een groot aantal uilepannen, zeker een dertigtal, die niet bedoeld waren om vogels broedgelegenheid te geven maar om door een stevige luchtstroom de schelpen goed te laten drogen. Aan de zijde van de Ee treedt men de schuur binnen door een rondgesloten ingang. De lemen vloer erachter lijkt nog origineel te zijn en zeker geldt dit voor de boeiende dakconstructie.

Waarschijnlijk hoorde het rechts belendende huis eveneens tot het complex. Het ziet er in z'n hoofdvorm en detaillering met zesruits-vensters tenminste naar uit dat het uit de achttiende of negentiende eeuw dateert, op het dak liggen dezelfde dakpannen en het heeft ook buitenhuis-achtige trekken, zoals de dakvorm met hoekschoorstenen.

Dit unieke restant van een pré-industrieel fabriekscomplex verdient, hoe sleets en onbeduidend het er voor de argeloze voorbijganger ook uitziet, de volle aandacht en misschien wel bescherming.


Dokkumer Trekweg 61 (Vierhuis)
Gerhardus du Pon schilderde in 1771 een behangsel met een bijna panoramisch gezicht op een klein stukje landelijk gebied bij Snakkerburen. Het kunstwerk was bestemd voor de stadswoning van fabrikant Jan Zeeper, Nieuwestad 53, maar maakt inmiddels deel uit van de collectie van het Fries Scheepvaart Museum te Sneek. Weliswaar vormt Zeepers oliemolen De drie gouden kronen het hoofdonderwerp, op de tegenover gelegen oever van de Dokkumer Ee staat een monumentale, misschien wel ietwat hybride boerderij. Het is 'Vierhuis', een kop-hals-rompboerderij met een voorhuis als een luxe buiten, een kleine state. De directeur van het scheepvaartmuseum, Sietse ten Hoeve, heeft al eens verondersteld dat het voorhuis niet voor bewoning door de boer was bedoeld, maar de functie had van herenverblijf waar de eigenaars uit de stad zich konden verpozen. Rond de boerderij lagen 48 pondematen grond.

Toen Du Pon z'n kwasten hanteerde, stond 'Vierhuis' er eigenlijk nog maar pas: „Den grondsteen van dit Huis lag Isabella's hand/'t Herbouwde Vierhuis wagt van God den milden zegen/In 't kweeken van het vee, en 't bloeijen van het land/Hierin is 's Landsman's steun en 's Landheer's heil gelegen/Den 26e Maij 1758". Daarna volgt nog „Herbouwd 1890" ter aanvulling, waarmee meteen het jaar is genoemd waarin de boerderij van de schildering werd vervangen door de huidige mooie stelpboerderij. De geciteerde tekst vormt de inscriptie op een gevelsteen in de zuidgevel van die stelp.

Overigens was ook de boerderij waar ‘Isabella' een handje aan hielp en de deurwaarder Elsinga en de vrouwen van Gerrit Alefs en Pytter Jurryts de gezamenlijke opdrachtgevers van waren, niet de eerste bebouwing op deze plek. De vroegste vermelding van een gebouw - over de functies bestaat geen zekerheid - is in een consentbrief uit 1437 en wel onder de naam „Fyorhustera gued".

Zelfs ondanks de relatieve ‘onscherpte' van Du Pons schildering is goed te zien dat ‘Vierhuis' uit 1758 bijzondere elementen had, bijvoorbeeld een hoog opgaande, gemetselde dakkajuit met zijlichten en een bekronend kuifstuk, die zo op het eerste gezicht veel weg heeft van de in Lodewijk XV-vormen opgetrokken kajuit op Zuidergrachts-wal 14 in Leeuwarden. Het voorterrein was gescheiden van het jaagpad door een smeedijzeren hek; links vooraan bevindt zich de ingang van twee vierkante penanten met een draaihek ertussen. De situatie anno 1996 refereert zonder twijfel aan de oude en de bestaande gemetselde boogbrug waar men de ‘gracht' oversteekt, heeft beslist een redelijke ouderdom.

Er bestaat nog een tweede afbeelding van het oude ‘Vierhuis', een schilderij van Jacob Bonga uit 1843. Hierop is hetzelfde voorhuis te zien als op de schildering van Du Pon. De vensters zijn echter gemoderniseerd tot zes- en achtruiters en in plaats van een kuif heeft de kajuit een bekroning van een segmentvormig tympaan gekregen.

Valt te betreuren dat het oude ‘Vierhuis' is verdwenen, de neo-renaissancistische stelpboerderij die er laat in de negentiende eeuw in opdracht van Jan Keimpes Terpstra en Minke Schaafsma voor in de plaats kwam is ook niet onaardig. De voorgevel heeft een licht risalerende middenpartij die wordt bekroond door een mooie kajuit met een attiek, voorzien van hoekobelisken, en met wangen, pilasters, een doorbroken fronton en een zinken pinakel. De woningentree is opgenomen in het middenelement en rechts daarvan lag oorspronkelijk de molkenkelder met een insteek. Het met blauw geglazuurde, gegolfde Friese pannen belegde schilddak wordt bekroond door uileborden in zwanehalsvorm. Het woongedeelte kent nog verschillende originele interieurelementen zoals paneeldeuren, beddenschotten en een schoorsteenmantel.


Leeuwarder Bos, grafheuvel
Het is misschien voor sommige liefhebbers van het vlakke Friese landschap nog altijd wennen, het omhoogschieten van een fors bos waar van oudsher nooit iets anders heeft gelegen dan weiland op vette knipklei. Om niet te spreken over de huizenbewoners aan de Vierhuister-weg die hun weidse uitzicht binnen een paar jaar tijd zien veranderen in een uitzicht op een boszoom. Met de aanleg van het zogeheten Leeuwarder Bos is begonnen in het voorjaar van 1992.

Nu wordt dat Leeuwarder Bos weliswaar een echt bos, er zijn toch ook een aantal fraaie waterpartijen tussen de boompartijen gegraven en voorts is een heuvel als uitzichtpunt opgeworpen, die tegelijk dient als een eigentijdse grafheuvel voor tientallen zerken uit de Westerkerk in Leeuwarden. Deze zerken kwamen te voorschijn in 1991 bij het verwijderen van een houten vloer. Dit gebeurde ter voorbereiding op de restauratie van de oorspronkelijk middeleeuwse kloosterkapel aan de Bagijnestraat, die later langdurig voor de hervormde dienst is gebruikt. Het zijn de achttiende- en negentiende-eeuwse zerken van veelal bekende en voorname Leeuwarders en Leeuwarder families. Na veel discussie heeft de gemeente Leeuwarden besloten om de zerken niet onder een nieuwe betonnen kerktheatervloer te laten verdwijnen, maar ze voor iedereen zichtbaar een nieuwe laatste rustplaats te geven bovenop een speciaal daartoe ontworpen heuvel in het bos.


Vierhuisterweg 72 (Taniaburg)
De ongemeen fraai gelegen boerderij Taniaburg, bij de Leeuwarders beter bekend als de boerderij van Sijbrandy, staat op historische grond. Het is het terrein van een verdwenen adellijke state. De in 1450 genoemde schepen en olderman Hincka Taingha te „Lyowert" is wellicht de naamgever geweest van die state. In 1511 komt in een archiefstuk de aanduiding „Taynga Buyeren" voor. Een volgende vermelding is te vinden in de Aanbreng van Leeuwarderadeel van 1540, waaruit blijkt dat „de edele state Taniaburg" op dat moment in bezit was van de Camstra's. „Renyck Campstra" bracht 60 pondematen land aan en uit een reconstructie is gebleken dat het hier de plaats Taniaburg betrof. De atlas van Eekhoff (1849-1859) laat bij Taniaburg twee terpen zien. Op de ene terp nu heeft de state gestaan, op de andere ten noorden ervan een bijbehorende boerderij. Wanneer de state werd afgebroken is onbekend, maar het moet in elk geval zijn geweest voordat de eerste kadastrale kaart in 1829 werd getekend. Hierop komt het gebouw namelijk al niet meer voor. De terpen zijn overigens grotendeels afgegraven voor de verkoop van de vruchtbare terpgrond.

In het begin van de negentiende eeuw was veel land van de Taniaburg in bezit van de rijke familie Cats. De oude boerderij werd in 1839 gesloopt in opdracht van erfgenaam Pieter Heringa Cats (1823-1880). Op 16 juli 1839, 16 jaar oud, legde hij vervolgens eigenhandig de eerste steen voor de opvolger, de huidige kop-hals-rompboerderij, die op de terpflank terechtkwam. Een stichtingssteen in de voorgevel van het huis getuigt nog immer van deze bescheiden bouwkundige daad. Voorts staan op de gevelsteen de namen vermeld van de toenmalige huurder, K.M. Sinnema, en de timmerman die de nieuwbouw voor zijn rekening nam, J.J. van Dyk.

Qua opzet is Taniaburg een tamelijk traditionele ‘kop-hals-romp' met een zijdelings vooraan in de schuur uitgebouwde molkenkelder. Zeldzaam voor Friesland was wel de kelderdeur met speciaal daarin een luik dat in combinatie met de luiken van de kelderramen geopend kon worden om een tochtstroom voor de koeling te bevorderen.

Terug