'Tot berging van allerleije goederen'


Pakhuizen in Leeuwarden

Open monumenten in Leeuwarden 14 september 2002

Inhoudsopgave

Woord vooraf

Inleiding

  • Van pakzolders naar pakhuizen
  • Op het Vliet
  • Dragers en dienders
  • Vaste vazallen en losse lossers
  • Schaalvergroting en industrie
  • Pakhuizen in verval
  • Nieuwe bestemmingen

Objectbeschrijvingen

  1. Zwitserswaltje 14
  2. Ossekop 4
  3. Heerenwaltje 12-I
  4. Bagijnestraat 30
  5. Grote Kerkstraat 15
  6. Eewal 86
  7. Sacramentstraat 12
  8. Voorstreek 74
  9. Amelandsstraat 12, De Kuiper
  10. Tuinen 8, 't Springend Hert
  11. Oostersingel 2a, Petersburg
  12. Oostersingel 24
  13. Oostersingel, 62-66
  14. Zuidvliet 22, 24 en 26, Groningen, Friesland, Koningsbergen
  15. Noordvliet 145
  16. Zuidvliet 282, Rotterdam
  17. Romkeslaan 3, Hartelust
  18. Willemskade 22


Woord vooraf
Vanaf het begin in 1987 heeft Leeuwarden meegedaan aan de organisatie van de landelijke Open Monumentendag. Dit jaar wordt voor de zestiende keer de Open Monumentendag in Leeuwarden georganiseerd. Steeds weer is het gelukt nieuwe thema's aan de orde te stellen. Dit komt natuurlijk omdat Leeuwarden zo'n rijke monumentengemeente is. In de stad maar ook in het landelijk gebied is er een groot scala aan monumentale objecten te vinden. Ook voor de komende jaren zijn nog tal van interessante thema's uit te werken. Nu al kan gemeld worden dat in 2003 in het kader van het jaar van de boerderij in het zuidelijk trimdeel van Leeuwarden veel boerderijen opengesteld zullen worden. Ook het thema 'historische binnentuinen' staat voor een volgend jaar op het programma.
De Leeuwarder Open Monumentendag trekt ieder jaar duizenden bezoekers van jong tot oud. Dat komt omdat naast het openstellen van monumenten vele andere activiteiten georganiseerd worden. De samenwerking met de N.V. Stadsherstel is daarbij onmisbaar.
Landelijk is voor de Open Monumentendag gekozen voor het thema 'handel'. In Leeuwarden is het thema ingeperkt tot 'pakhuizen'.
Vroeger stonden in Leeuwarden veel pakhuizen. Toen het vervoer over water afnam, verloren veel pakhuizen hun oorspronkelijke functie. Een aantal werd afgebroken. Ook door andere oorzaken, zoals brand, verdwenen monumentale pakhuizen. Veel Leeuwarders herinneren zich de spectaculaire brand in de pakhuizen Odessa, Rusland en Riga. Een brandweerman merkte toen op: 'Wij trekke meer mensen dan die foetballers van Cambuur.' Die pakhuizen aan de Hoekstersingel gingen verloren. Anderen bleven gespaard en kregen grotendeels een andere bestemming.
Dit jaar wordt een twintigtal pakhuizen opengesteld. In het boekje dat u nu in handen heeft worden ze beschreven. Het boekje bevat daarnaast een inleiding over de handel in Leeuwarden van de hand van Harm Nijboer. De Open Monumentendag is één dag, maar het boekje blijft. De zestien deeltjes van de serie zijn intussen een belangrijke bron voor de geschiedenis van de Leeuwarder monumenten. Wij danken onze subsidiënten dat wij dit jaar opnieuw een boekje aan de serie kunnen toevoegen.
Dit jaar is de subsidie van de gemeente Leeuwarden voor de Open Monumentendag verdubbeld. Toch draait de dag nog altijd op de vele vrijwilligers. Vrijwilligers die hun pand voor de honderden bezoekers openstellen en vrijwilligers die helpen bij de organisatie. Dit is denk ik de grote kracht en charme van de Leeuwarder Open Monumentendag. Heel belangrijk is daarnaast de medewerking van het Historisch Centrum Leeuwarden. Het is niet mijn gewoonte bij het bedanken namen te noemen. Ik wil nu toch een uitzondering maken voor Klaas Zandberg van het HCL. Al jaren verzet hij heel veel werk voor de organisatie en voor de productie van het boekje.
Tenslotte wens ik alle bezoekers van de Open Monumentendag een plezierige dag toe.

Hendrik ten Hoeve

Voorzitter werkgroep Open Monumentendag van de vereniging Aed Levwerd

INLEIDING

Pakhuizen in Leeuwarden
Pakhuizen. Velen zijn in de afgelopen eeuw het Leeuwarder stadsgezicht door sloop, verval en brand ontvallen, maar gelukkig niet allemaal. Verspreid over de stad vinden we nog enkele van deze karakteristieke bouwwerken die met hun robuuste voorkomen een 'stevige' herinnering vormen aan de rijke geschiedenis van Leeuwarden als handelsstad. Eeuwenlang was de groothandel in agrarische producten een van de belangrijkste pijlers van de Leeuwarder economie en voor de kooplieden die bij deze handel betrokken waren bestond er altijd de behoefte om hun waren gedurende kortere of langere tijd op te slaan.

Een van de oudste archiefstukken over de opslag van goederen in de stad betreft een proces dat in 1533 werd gevoerd tussen de koopman Thonis van Hees en de bakker Symen. Laatstgenoemde had een partij tarwe van Van Hees gekocht. Toen Symen bij hem op de zolder stond om het gekochte te ontvangen, kwam er een Bildtboer aangereden met een vracht tarwe voor Van Hees. Op dat moment stelde Van Hees aan Symen voor om deze partij maar mee te nemen, dat zou hem de 'arbeijt die weijt vanden solder te dragen' besparen. Of kwam Symen met dit voorstel, zoals Van Hees beweerde? In elk geval kwam Symen, 'een olt man nyet well syende', er thuis achter dat de geleverde tarwe 'molterich' was en derhalve onbruikbaar.
Wat dit voorval duidelijk maakt is dat opslag van goederen nogal wat arbeid vergde en dus beslist niet kosteloos was. Een goede koopman was er dan ook altijd op bedacht of er ook voordeel op dit terrein te behalen was. Tevens komen we te weten waar een grote koopman als Van Hees zijn waren opsloeg: op de zolder van zijn woonhuis.

Van pakzolders naar pakhuizen
Het was tot ver in de zeventiende eeuw gebruikelijk dat kooplieden hun waren op de pakzolders van hun woningen opsloegen. Dergelijke zolders bevonden zich doorgaans ook boven de achterhuizen van de koopmanswoningen. In latere tijden zijn dergelijk achterhuizen wel als min of meer zelfstandig pakhuis van het voorhuis afgesplitst. Maar in de zestiende eeuw was er nog niet of nauwelijks sprake van afzonderlijke pakhuizen in de stad. Overigens ook in de veel grotere handelsstad Amsterdam was het in de zestiende eeuw nog de gewoonte dat kooplieden hun handel opsloegen op de pakzolders boven hun woningen. Hier verrezen pas in het begin van de zeventiende eeuw de karakteristieke Amsterdamse pakhuizen, doorgaans drie vensters breed met in het midden een verticale rij zoldervensters en voorzien van een tuitgevel.
In de loop van de zeventiende eeuw verrezen ook in Leeuwarden afzonderlijke pakhuizen. Een beetje naar Amsterdams voorbeeld kunnen we wel stellen. Vanuit de Friese hoofdstad werden intensieve handelscontacten met Amsterdam onderhouden. Men was hier dan ook goed op de hoogte van wat zich daar afspeelde, ook op architectonisch gebied. Het is dan ook niet zo vreemd dat de meeste oude Leeuwarder pakhuizen van het voor Amsterdam zo karakteristieke type zijn, zij het dat doorgaans van bescheidener omvang.
Het ontstaan van afzonderlijke pakhuizen heeft verschillende oorzaken. Enerzijds zijn die economisch: de intensivering van de handel en de concentratie daarvan in minder handen. Maar ook een culturele ontwikkeling speelde hier een rol bij. Het werd door de grote kooplieden namelijk steeds minder chique gevonden om magazijn aan huis te houden.

Op het Vliet
Ook het verplaatsen van economische activiteiten vanuit de stad naar het Vliet heeft de bouw van pakhuizen bevorderd. Al in de zestiende eeuw had zich aan de oostzijde van de stad een buitenbuurtje gevormd, toen nog voornamelijk als vestigingsplaats voor brandgevaarlijke activiteiten zoals de aardewerkindustrie. In de loop van de zeventiende eeuw vestigden zich hier ook verscheidene handwerklieden, schippers en winkeliers. Het buurtje nam in deze eeuw snel in omvang toe, naar schatting verviervoudigde het inwonertal.
Voor verscheidene Leeuwarder kooplieden was het Vliet ook een heel geschikte plaats om pakhuizen te laten bouwen. Hier was meer plaats dan in de dicht bebouwde binnenstad en bovendien was de grond er aanmerkelijk goedkoper. Bovendien kon men zijn waren er een stuk makkelijker laten versjouwen dan in de binnenstad.

Dragers en dienders
Tot aan de Franse Tijd was het zo dat men in de binnenstad voor het versjouwen van bier, wijn, graan, turf en zuivel verplicht gebruik diende te maken van speciaal daarvoor aangestelde dragers. Het loon dat deze dragers voor hun diensten mochten, werd door de stedelijke overheid vastgesteld. Zo werd in 1582 dat de roggedragers voor elk last graan dat zij 'van eenich diepswal aff tot opten eersten zolder' brachten, vier stuivers betaald dienden te krijgen en voor elke zolder hoger een stuiver meer. Daarbij gold nog een stuiver verhoging in het geval de koopmanswonig aan de brede zijde van de Nieuwestad, op de kelders of op het Gouverneursplein stond. Voor de zolders op de achterhuizen gold eveneens een stuiver opslag. En voor huizen gelegen in 'eenijge binnenstraeten ofte steegen' moest een kwart stuiver extra betaald worden voor elk huis dat gepasseerd werd. Er waren dus plekken in de stad waar een koopman maar beter niet kon wonen.
Zo'n systeem van verplichte dragers is in deze van het vrije-markt-denken doordrenkte tijd ondenkbaar, maar toch zaten er zeker wel voordelen aan. Zo werd in 1582 tevens bepaald dat de roggedragers 'heuren dienst nijemandts moegen weijgeren hetzij dattet naebij ofte verre te draegen is, midts ontfangende t voorsschreven salaris'. De koopman was er dus zeker van dat zijn waren versjouwd zouden worden. Bovendien kwam hij wat de kosten betreft ook niet voor rare verrassingen te staan. Voor de overheid zaten er ook voordelen aan. De beëdigde dragers hielden toezicht dat er niet op ongeoorloofde plaatsen handel werd gedreven en controleerden of de over de verschillende producten verschuldigde accijnzen wel waren voldaan.
Hoewel de dragers dus een aantal ambtelijke taken hadden, waren deze potige jongens vaak beslist geen modelambtenaren. Zo voelde het stadsbestuur zich in 1578 genoodzaakt om in de ordonnantie voor de kaasdragers het volgende artikel op te nemen: 'Sullen huerluijden oeck eerlicken ende well draegen ende holden bij ende inden waege sonder ijemandts te bespotten ofte begecken gelijck zij tot dijverschen tijden toe gewoontlijck geweest zijn te doen.' En de bierdragers waren naar het schijnt niet alleen stevige jongens, maar ook stevige innemers. In 1673 werden in elk geval maatregelen genomen vanwege 't droncken drincken althans bij de bierdragers gepleecht, ende de disordren die daer door dagelijx veroorsaeckt worden'.

Vaste vazallen en losse lossers
In de Franse Tijd verloren de beëdigde dragers hun monopoliepositie en in de negentiende eeuw werd het laden en lossen van schepen steeds meer door losse arbeiders gedaan. Deze stonden doorgaans op de bruggen over het Vliet te wachten op een koopman die om hun diensten verlegen was. De meesten leidden dan ook een schamel bestaan. Anders lag dat voor de knechten die vast in dienst waren bij een koopman of fabrikant. En dat waren er nog flink wat. In 1895 telde de Leeuwarder beroepsbevolking maar liefst 260 pakhuisknechten. Opvallend is dat er onder deze groep toen geen grote armoede was, hoewel het economisch tij niet echt meezat. Er bestond dan ook een bijzondere band tussen de werkgever en zijn pakhuisknechten. Een rapport over de werkeloosheid uit die tijd omschreef de pakhuisknechten als 'dienaren, van wie geene vakkennis, maar alleen ijver, trouw en geschiktheid worden gevraagd'.
Dat vertrouwen een belangrijke factor was in de relatie tussen werkgever en pakhuisknecht blijkt ook uit de aantekeningen die de wijnhandelaar Menalda in 1868 maakte over degenen die bij hem solliciteerden naar de functie van pakhuisknecht. Menalda was duidelijk op zoek naar nette mensen. Zijn notities gaan dan ook niet over de vakbekwaamheid van sollicitanten. Wel werd bijgehouden wie de vader en moeder waren en of de sollicitant gereformeerd was - Menalda zelf was doopsgezind. Een van de sollicitanten, Oebele Popma van het Vliet, kon Menalda in elk geval meteen niet bekoren. 'Rook naar drank' en 'zag er arm en vuil uit' melden de notities.

Schaalvergroting en industrie
De negentiende eeuw bracht niet alleen vrijere arbeidsverhoudingen. Ondernemers waren ook niet langer gebonden aan vestiging binnen de stadswallen om als volwaardig burger te gelden. De ontwikkeling van de buitenbuurten kreeg daardoor een extra impuls. Niet alleen op het Vliet, waar reeds in de achttiende eeuw pakhuizen waren gebouwd, maar ook langs de Hoekster- en Oostersingel en op Camstraburen verrezen nu dergelijke bouwwerken en in de tweede helft van de negentiende eeuw eveneens aan weerszijden van de in 1869 rechtgetrokken zuidelijke stadsgracht. De kaden hier werden in 1873 naar aanleiding van een bezoek van koning Willem III - hoogst origineel - Willemskade Noord- en Zuidzijde gedoopt.
De schaalvergroting in de industrie en de sterke verbetering van het wegtransport vanaf het einde van de negentiende eeuw had ingrijpende gevolgen. De klassieke pakhuizen voldeden steeds minder voor de opslag van goederen. Nieuwe bouwwerken voor de opslag van bulkgoederen als silo's en vemen deden hun intrede en stukgoederen werden hoe langer hoe meer rechtstreeks vanuit de magazijnen van de fabriek naar de detailhandel verscheept. En hoewel Leeuwarden beslist wel een aantal bouwwerken kent en heeft gekend die met deze moderne vormen van opslag annex zijn, is deze ontwikkeling toch voor een belangrijk deel aan de stad voorbij gegaan.
Hoewel enkele bedrijven (Koopmans, CCF) met succes het industriële pad bewandelden, heeft de industrie maar een zeer bescheiden stempel op de Leeuwarder economie weten te drukken. Bovendien heeft de stad in de twintigste eeuw veel van zijn karakter als handelsstad verloren. De dienstensector is thans de belangrijkste sector in de stedelijke economie. Kantoren hebben - vaak letterlijk - de plaats van pakhuizen ingenomen.

Pakhuizen in verval
In een aantal branches, zoals de wijnhandel, de kaashandel en de handel in koloniale waren, bleven pakhuizen tot ver in de twintigste eeuw in gebruik en vanuit het prille grootwinkelbedrijf bestond aanvankelijk eveneens behoefte aan pakhuizen. Maar na de Tweede Wereldoorlog sloeg ook in deze sectoren de schaalvergroting toe. Het ene na het andere pakhuis verloor zijn oorspronkelijke functie. Door de demping van het Vliet in 1969 werden de daar aanwezige pakhuizen van de aanvoer over water afgesloten. En voor zover zij hun oorspronkelijke functie niet al hadden verloren, was het nu helemaal gedaan.
Veel pakhuizen hebben in de jaren zeventig en tachtig plaats moeten maken voor nieuwbouw. Vooral aan en rond de Willemskade en op Camstraburen heeft de slopershamer de weg voor kantoor- en woningbouw geplaveid. Elders, aan de Hoekstersingel, was het een spectaculaire brand die drie karakteristieke pakhuizen aan het stadsgezicht onttrok. Op 28 februari 1981 ontstond er brand in een in de pakhuizen Rusland, Odessa en Riga gevestigde zaak in woningtextiel. De massa brandende tapijten en karpetten was voor de brandweer bijzonder moeilijk onder controle te krijgen en deze kon niet voorkomen dat het vuur steeds verder oplaaide. Het en masse toegestroomde publiek werd dan ook op steeds grotere afstand gesommeerd. De panden brandden uiteindelijk tot de grond toe af. Een waar spektakel! Menig Leeuwarder zal zich de brand in elk geval beter herinneren dan de pakhuizen die er door verwoest werden.

Nieuwe bestemmingen
Een aantal pakhuizen is gelukkig aan slopershamer ontsnapt en heeft een nieuwe bestemming gevonden. De grote open ruimtes in deze panden zijn ideaal om kleine kantoortjes in te richten. Maar ook bewoning behoort tot de mogelijkheden. En daarvoor hoeft beslist niet altijd ingrijpend verbouwd te worden. De 'loft', een grote open woonruimte in een voormalig pakhuis, wint de laatste tijd snel aan populariteit. Om aan deze vraag te voldoen is corporatie Beter Wonen Leeuwarden (BWL) al 8 jaar bezig met plannen voor een groot woonpakhuis op de hoek van de Oostersingel en de Karel Doormanstraat. Onlangs maakte architect Bauke Tuinstra zijn definitieve ontwerp bekend. Het gaat om een paars gebouw van 7 verdiepingen. Het verrijst komend jaar pal naast het pand van theatergezelschap Tryater.

Hadden de beleidsmakers die in de voorbije decennia ten behoeve van onder andere woningbouw menig pakhuis hebben laten slopen, maar een vooruitziende blik gehad.


OBJECTBESCHRIJVINGEN

1. Zwitserswaltje 14 (Voormalige vermaning, thans Ve-Bo CV kaashandel en export)
Voorheen was in het achterste, zestiende-eeuwse gedeelte van dit kaaspakhuis een vermaning of Doopsgezinde kerk gevestigd, waarvan de eerste vermelding van 1595 dateert toen zij als naastligger werd genoemd: 'die Minnoniste vergaederende ten noorden'. In 1620 wordt zij omschreven als: 'de plaets op 't Waltje, waerin de Mennonieten leeren'. Doopsgezinden staan ook wel als Mennonieten of Mennisten bekend, naar hun geestelijk leidsman Menno Simons (1496-1561). Na de Reformatie in 1580 werden zij slechts oogluikend getolereerd. Hun godshuizen waren schuilkerken, stonden achteraf en mochten vanaf de openbare weg niet als zodanig herkenbaar zijn. Ze konden alleen via stegen bereikt worden en torens waren helemaal uit den boze.
Nog tijdens het leven van Menno Simons dienden zich de eerste scheuringen binnen deze religieuze beweging aan, die er uiteindelijk toe leidden dat in Leeuwarden drie verschillende Doopsgezinde gemeenten ontstonden, elk met een eigen kerkgebouw. In 1705 fuseerden de gemeenten wier vermaningen stonden achter de westzijde van de Wirdumerdijk (op dezelfde plaats als de huidige Doopsgezinde kerk) en achter de Nieuwestad bij de Waag (waar zich tegenwoordig V&D bevindt). In 1758 volgde de samenvoeging met de 'Broederschap op 't Waltie'. Bij de laatste fusie werd afgesproken om de diensten voortaan afwisselend in een der drie vermaningen te houden, maar reeds in 1760 besloot men om alleen nog in het gebouw aan de Wirdumerdijk bijeen te komen. Daarmee verloor het pand aan het Zwitserswaltje zijn religieuze bestemming.
Kerkhistorici wisten nimmer een eensluidend antwoord te geven op de vraag welke geloofsrichtingen deze drie gemeenten precies aanhingen. Inmiddels is zoveel duidelijk geworden dat zowel de Waterlandse als de Vlaamse gemeente van Leeuwarden waren aangesloten bij de in 1695 opgerichte Friese Doopsgezinde Sociëteit (blijkens haar notulen van 7 juli 1702) en dat die sociëteit wel bijeenkwam in de vermaningen bij de Waag en de Wirdumerdijk. Daar zullen we deze twee denominaties dus moeten situeren. Tevens blijkt uit een artikel in Doopsgezinde Bijdragen (1918) dat de bekende Waterlandse voorganger en kunstschilder Lambert Jacobsz de in 1631 nieuwgebouwde vermaning aan de Wirdumerdijk met een dienst heeft ingewijd. Aangezien er in de zeventiende eeuw in Leeuwarden ook sprake is van Janjacobsgezinden moeten die hun bijeenkomsten dus wel aan het Zwitserswaltje hebben gehouden. Ten tijde van de laatste fusie telde deze rechtzinnige groepering nog slechts achttien broeders en zusters en zullen zij zich noodgedwongen bij de anderen hebben gevoegd.
Volgens een twintigste-eeuwse overlevering, opgetekend in Van het Menniste erf in Leeuwarden van de hand van J.T. Nielsen, was in het pand aan het Zwitserswaltje de begane grond vanouds als graanpakhuis ingericht. De Menniste schuilkerk bevond zich op de eerste verdieping, die naderhand met gemak het gewicht van 35.000 kilo kaas kon torsen. Als we kijken naar de dikke balken waarop deze verdieping rust, en de nog dikkere muren waarin die balken eindigen, kan de conclusie moeilijk anders luiden dan dat dit gebouw in eerste instantie als pakhuis is gebouwd. Een dergelijk zware vloer zal voor het dragen van de Doopsgezinde gemeente toch niet noodzakelijk zijn geweest? Ook de raamverdeling in de tuitgevel, zoals afgebeeld op de foto uit 1931, doet sterk denken aan een pakhuis. De zeer uitgelopen wenteltrap wijst op hoge ouderdom. Zonder bouwhistorisch en dendrologisch onderzoek (datering van hout aan de hand van jaarringen) kunnen keiharde uitspraken evenwel niet worden gedaan.
In 1806 besloot de Doopsgezinde gemeente dit pakhuis, 'staande agter het oude hengstewad' (zoals het Zwitserswaltje toen ook bekend stond), bij publieke verkoop te veilen. Daarbij werden ook het huis en de vier eenkamerwoningen verkocht, die als een aaneengesloten huizenblok tussen het pakhuis en de straat in stonden. Deze woningen waren 'bevoorrecht met het meede gebruik der regenwatersbak aan het pakhuis staande .. des die bak en de gooten van 't pakhuis massaal onderhoudende'. Het pakhuis ging voor 2408 gulden van de hand, het huis bracht 655 gulden op en de vier 'kamers' werden voor in totaal 762 gulden verkocht. Aan weerszijden van het huizenblok bevond zich een steeg: de Eerste en Tweede Vermaningsteeg (de eerste inmiddels dichtgetimmerd en de laatste reeds lang vervallen). Tussen het pakhuis en het huizenblok bevond zich ook nog een steeg, die de beide Vermaningstegen met elkaar verbond. Ook vanaf de Blokhuissteeg was de kerk via twee stegen bereikbaar. Het pakhuis werd gekocht door het Doopsgezinde echtpaar Jelle Faber Schoonlingen en Geertjen Cornelis Blok, die naderhand ook in bezit kwamen van het oostelijk, naastgelegen huis met erf en tuin. In 1806 was Schoonlingen koopman van beroep, terwijl hij in 1828 als leerlooier te boek stond.
Rond 1900 ging het zwaar verkrotte huizenblok tegen de vlakte, waar twee panden voor in de plaats kwamen, die tegen het pakhuis werden aangebouwd. Aan de zijde van de Eerste Vermaningsteeg die in breedte meer dan gehalveerd werd, verrees een bedrijfswoning voor de pakhuischef. Daarnaast werd een bedrijfspand opgetrokken, dat naadloos aansloot op het pakhuis, daarvan ook deel ging uitmaken en er voortaan de ingang van vormde. Toen was er reeds een kaashandel in gevestigd. Op de eerste etage van het nieuwe pand werd een kantoor ingericht. In de huisnummering valt deze nieuwbouw nog altijd af te lezen: zij verspringt van 14 naar 22; de nummers 16, 18 en 20 waren komen te vervallen. Het oude pakhuis heeft sinds decennia zijn zadeldak verloren en daarvoor een plat dak in de plaats gekregen. Naar verluidt gebeurde dit kosteloos, want de aannemer moet zich met de Friese geeltjes die bij de sloop van de topgevels vrijkwamen, tevreden hebben gesteld. Volgens Nielsen werd het oude pakhuis in 1984 niet meer als opslagruimte gebruikt en verkeerde het in een dermate slechte toestand, dat het niet meer te bezichtigen viel. Anno 2002 wordt die teloorgang evenwel met duizenden kilo's kaas gekeerd en wordt er weer gelegenheid tot bezichtiging gegeven.


2. Ossekop 4 / Berlikumermarkt 17 (Beddenhandel Reitsma, voorheen Suren manufacturen)
De ontstaansgeschiedenis van dit pakhuis is wel bijzonder gemakkelijk te volgen. Een aan de achterzijde vlak boven de grond ingemetselde steen vermeldt namelijk 'eerste steen gelegd door E. en Th. Suren 7 juli 1914'. De familie Suren woonde achter het pakhuis, in Berlikumermarkt 17. In en vanuit dit voorname pand met veel 18e eeuwse elementen in het interieur werd 'in manufacturen' gehandeld door Heinrich Karl Suren en zijn jongere broer Jacobus Paulus. De Surens waren typische 'lapkepoepen', afkomstig uit Westfalen, katholiek en begonnen als 'handelsreiziger' alvorens een echte winkel te stichten. Ook al voor de Suren werd het huis aan de Berlikumermarkt gebruikt voor de textielverkoop, getuige onder meer de originele kastenwand in de winkel.
Het statige pakhuis heeft een strakke geleding met drie dubbele deuren (links) en drie vensters in elke bouwlaag in lijn; boven de gevelopeningen hanekammen. De deuren op de bovenste verdieping worden bekroond door een decoratieve houten overkapping, die geflankeerd wordt door bakstenen ornamenten. Ook op de andere hoek is een dergelijk ornament geplaatst. De uitkragende bakstenen daklijst is bedekt met keramische dakpannen. Het dak is deels ingericht als terras. De horizontale belijning van het pand wordt benadrukt door de twee tegeltableaux, die zijn aangebracht tussen de verdiepingen. Het onderste tableau is lang afgedekt geweest met bruine verf. Opvallend zijn verder de nog aanwezige authentieke hulpwerktuigen zoals takel en rollen.
Het pakhuis is minder groot dan het eruit ziet. Het telt weliswaar twee verdiepingen en is tamelijk breed, maar niet erg diep. Oorspronkelijk was er een binnenpleintje tussen het pakhuis en de woning aan de Berlikumermarkt, maar dat is - evenals het grootste deel van de begane grond van het pakhuis - bij de winkel getrokken. Al in de zeventiende eeuw stond op de plaats van het pakhuis een laag woonhuis.
De buitenpandige achteringang van Berlikumermarkt 17 is waarschijnlijk tegelijk met het pakhuis of anders niet lang daarna ontstaan. De deur is mogelijk ouder. Het dak, met geglazuurde dakpannen en een keramische pinakel, steekt uit en wordt ondersteund door houten stijlen met decoratief vormgegeven zwikken. Het bouwsel heeft een apart huisnummer '2a' gekregen. Het tuintje en bijbehorend hek hebben wel eens in betere staat verkeerd.
Het grootste deel van de begane grond van het pakhuis - tot voor kort werkplaats - is sinds vorig jaar bij de winkel getrokken. Een kleiner deel is kantoor. Op de verdiepingen is nog opslag. Het trappenhuis wordt verlicht door een daklicht. Origineel zijn o.a. de trap, vloeren, deuren, balken en de kasten voor de opslag van textielwaren. Op de muur van de bovenste verdieping bevinden zich bij de trap tekeningen en krabbels vanaf in ieder geval de jaren dertig. In de winkel staat nog een authentieke 'toonbank', afkomstig uit het pakhuis.
Volgens sommigen zou het pakhuis ontworpen zijn door architect Kramer. Feddema, die enkele pakhuizen aan de Zuidergrachtwal en Romkeslaan heeft getekend, zou echter ook goed de geestelijke vader kunnen zijn.


3. Heerenwaltje 12-I (keramiekatelier Ceramic)
Het hoekpand Maria Annastraatje / Heerenwaltje is in de eerste helft van de zeventiende eeuw gebouwd als woonhuis. Het kwam in de plaats van een ouder huis van slechts één bouwlaag hoog. In 1598 is hier nog sprake van een 'camer' en in 1628 verkopen Egbert Willems en zijn vrouw Trijn Thomasdr. er hun 'woning'. Met beide termen werd destijds een huis aangeduid van beperkte omvang en zonder verdieping . Ook op de bekende vogelvlucht plattegrond van Leeuwarden uit 1603 is hier een woonhuis van slechts een bouwlaag afgebeeld. Koper in 1628 werd Auck Feckesdr die, blijkens de transportregisters in het Historisch Centrum Leeuwarden, meer onroerend goed in deze omgeving bezat. Maar als haar kleinkinderen in 1688 het pand verkopen, wordt het een 'huijsinge' genoemd, een term die werd gereserveerd voor een woning met tenminste één verdieping.
Tot 1842 blijft het woonhuis, met wellicht een gedeelte dat gebruikt werd als bedrijfsruimte. In dat jaar wordt het door bakker J.E. Kuipers verbouwd tot pakhuis. Al spoedig blijkt het te klein: in 1847 wordt het met een tweede verdieping verhoogd. In de twintigste eeuw was o.a de bekende boekhandelaar Hilarius eigenaar, deze verbouwde het pand nogmaals. Recentelijk werd het eigendom van het keramiekatelier Ceramic dat het liefdevol restaureerde en er cursussen organiseert.
Helaas zijn geen verkoopaktes bekend die de indeling van het pand beschrijven, maar de geschiedenis ervan laat zich voor een deel lezen in het interieur en het exterieur. Daarbij is vooral de gevel aan het Maria Annastraatje welsprekend: dichtgezette vensteropeningen met ontlastingsbogen, ramen die later zijn ingebroken en fraai gesmede muurankers.


4. Bagijnestraat 30 (de Drie Gouden Kronen)
Het pand Bagijnestraat 30 heeft lange tijd een eenheid gevormd met het achterliggende pand Nieuwestad 53, eertijds bekend als de Drie Gouden Kronen. Reeds in de 17e eeuw was achter het pand Nieuwestad 53 een zeepziederij gevestigd. In 1673 wordt gesproken over een 'huysinge en seeperije' die gekocht werden door Gerrit Pytters van Erpen. In de 18e eeuw kwamen beide panden in handen van de rijke doopsgezinde koopmansfamilie Zeper die ook het pand Nieuwestad 55 bezat. De familie ontleende haar familienaam aan het beroep dat uitgeoefend werd.
Jan Dirks Zeper liet in 1766/'67 Nieuwestad 53 ingrijpend verbouwen en zal toen ook de oude zeepziederij hebben vervangen door een moderne, veel grotere. Een deel van de oude 17e eeuwse zeepziederij werd verbouwd tot keuken. Dat was het gedeelte dat grensde aan het woonhuis terwijl een ander deel werd opgenomen in de nieuwe bebouwing. Bijna het gehele achtererf van Nieuwestad 53 was toen bebouwd.
De nieuwe 'fabriek' kreeg een afmeting van circa 40 x 7 meter en werd gemetseld van een bruine baksteen . De zolder wordt gedragen door een groot aantal ( 42) stevige balken waarvan sommige een doorsnede hebben van 30 à 35 cm. Gerekend vanaf de Bagijnestraat lijken de eerste 13 balken uit later tijd te dateren. Zij zijn iets geringer van doorsnee en regelmatiger van vorm. De verdieping zal als opslagzolder zijn gebruikt. Op verschillende plaatsen bevinden zich nog luiken in de verdiepingsvloer waardoor de goederen naar beneden werden gebracht.
Helaas is de kap in later tijd verlaagd. Oorspronkelijk was er waarschijnlijk een zadeldak tussen topgevels aanwezig. In de zijgevel aan de Oostzijde bevinden zich vensters die de arbeiders licht moesten verschaffen. De huidige eigenaar heeft in enkele daarvan de oude roedeverdeling teruggebracht.
In 1859 werden de panden Bagijnestraat 30 en Nieuwestad 53 gesplitst. Eerder, in 1832, bewoonde de eigenaar van de zeepziederij Pier Zeper, tevens wethouder, het naastgelegen pand Nieuwestad 51. Zijn broer Dirk bewoonde no 53 en gebruikte Bagijnestraat 32 als stal. De laatste Zeper die Bagijnestraat 30 in eigendom had was Epke. Hij noemde zich zeepzieder en woonde op het adres Grote Kerkstraat 10. Deze verkocht uiteindelijk de zeepziederij aan de fa. J.Pel Hzn, die in Leeuwarden al een dergelijk bedrijf uitoefende. In 1900 kregen zij toestemming om een 2e zeepziedersketel te plaatsen. Ook in 1905 en 1906 volgde er een uitbreiding. In 1919 werd Bagijnestraat 32 onderhands aangekocht en bij het bedrijf gevoegd. Het definitieve einde kwam op 11 oktober 1950 toen B. v.d. Vaart als directeur van de N.V. Zeepfabriek De 3 Gouden Kroonen het pand Bagijnestraat 30 verkocht aan de fa. Bosma Nieuwestad 61.

Annex met de zeepziederij van de familie Zeper was hun oliemolen, eveneens de Drie Gouden Kronen genaamd, op Snakkerburen. Zeep wordt namelijk gemaakt door vetten of olie met een alkalisch loog te koken. Voorheen werd soda (natriumcarbonaat) gebruikt voor harde zeep en potas (kaliumcarbonaat) voor zachte zeep. Tegenwoordig gebruikt men natron- respectievelijk kaliloog. Voor de aanvoer van soda en potas waren de Zepers afhankelijk van invoer van elders, maar de aanvoer van lijnolie had men dus in eigen hand. Aardig detail is dat de gevelsteen van de in 1892 afgebroken molen thans aanwezig is in een bedrijfspand aan de James Wattstraat. Het zou aanbeveling verdienen deze steen terug te plaatsen op Snakkerburen of anders op Nieuwestad 53.

In Bagijnestraat 30, dat thans als opslagruimte en garage dienst doet, herinnert weinig meer aan de vroegere functie.


5. Grote Kerkstraat 15 (Voormalig pakhuis Menalda, thans onderdeel van het Princessehof)
Het voormalige wijnpakhuis van de familie Menalda maakt thans deel uit van het complex van het keramiek museum het Princessehof en het is gesitueerd ten oosten van het voormalige Camminghahuis. Op de plaats van dit pand stond tot 1874 een woonhuis, dat al in de 17de eeuw op de stadsplattegronden is weergegeven.
In het begin van de 19de eeuw was de familie Van Welderen Rengers eigenaar van het pand. In 1874 kocht Hendrik Hermanus Menalda dit gebouw dat spoedig werd afgebroken. Op dezelfde plaats, vermoedelijk op de fundamenten van het eveneens terugspringende oude pand, verrees een nieuw pakhuis met woning voor deze wijnhandelaar. Ter herinnering aan de stichting van het pand is door A. Menalda Gzoon in 1875 de eerste steen gelegd welke nu nog te zien is boven de kelderingang. Hendrik Hermanus Menalda was een telg uit een familie van wijnhandelaren. Hij was in 1830 geboren en leefde tot 1917. Zijn vader Albert Menalda vestigde zich in 1828 als wijnhandelaar met Elisabeth Reijers in Leeuwarden in de St. Jacobsstraat nr. 15. Albert en zijn vrouw kregen 2 zonen en 3 dochters. Zoon Gillis (1829-1894) gaf leiding aan de tweede vestiging van de firma in Harlingen. Hij woonde daar tussen 1852-1865. De andere zoon, Hendrik Hermanus (geb. 1857) runde de wijnhandel vanaf 1876 in Leeuwarden. Hendriks zoon Albert nam het bedrijf over. Vanaf 1898 zwaaide hij de scepter in de firma en met succes. De familie Menalda was intussen zeer vermogend geworden en hoorde bij de rijkste burgers van de stad. Behalve dit pand bezat de familie pakhuizen aan de Doelestraat, de Bagijnestraat en aan de Groene weg. Interessant is het feit dat Albert in Leiden rechten heeft gestudeerd. Hij deed de wijnhandel in 1930 van de hand toen hij naar Velp vertrok. Het bedrijf werd door anderen voortgezet onder de naam Menalda. De firma Menalda deed zaken met vele leveranciers in Frankrijk en Duitsland, zelfs uit Hongarije werd wijn geïmporteerd. Hun aanbod betrof een breed assortiment van de goede wijnen uit het Bordeaux-gebied waarvan de namen nog steeds bekend in de oren klinken. Zij leverden aan klanten in de provincie en ver daar buiten.
Het jaar 1874 was zoals vermeld een belangrijk jaar voor de firma. In verband met de bouw van een nieuw pakhuis werd de bekende Leeuwarder architect Herman Rudolf Stoett ingeschakeld. Hij bouwde het pand in de vorm zoals wij het nu kennen. De gevel is sober vormgegeven maar bezit enkele aardige architectonische details. Het bakstenen gebouw telt 2 bouwlagen op een kelder. De bouwlagen worden door middel van eenvoudige bakstenen lijsten onderscheiden. In het midden van de gevel op de begane grond is de deur gesitueerd, via welke de vaten binnengehesen konden worden. Boven de deur is een ontlastingsboog waar te nemen, waarvan de vormgeving overeenkomt met de ontlastingsbogen van de 2 pakhuisramen aan weerszijden van deze toegang. Op de eerste verdieping is weer een deur te zien met aan weerszijden pakhuisramen. De houten deur is hier door een raam vervangen. De gevel wordt door een houten daklijst op klossen afgesloten. In het interieur is de stuctuur van het pakhuis nog te herkennen. Misschien is de kelder het meest interessant, waar de collectie prachtige tegels van het Princessehof een imposant beeld oplevert.
Het aangrenzende pand aan de oostzijde diende als woning voor de Menalda's.


6. Eewal 86 (Voormalig theepakhuis, thans architectenbureau Heijdeman / Tuinstra)
Dat het met de ontwikkeling van de handelsfunctie van de Eewal na de demping in 1884 niet afgelopen was, wordt o.a. bewezen door de bouw van een fors pakhuis in 1897. De opdrachtgever was Rients Hendriks Dijkstra, een doopgezinde groothandelaar in thee. Hij was in goeden doen, wat onder andere blijkt uit het enorme woonhuis aan de Oostergrachtswal, dat hij in 1883 liet bouwen door de architect Hendrik Kramer. Voor de bouw van het pakhuis deed Dijkstra wederom een beroep op deze bouwkundige.
De theehandel van 'Roodharige Dijkstra', zoals zijn bijnaam luidde, was een florerende onderneming met filialen op toplocaties in Amsterdam, Utrecht en Den Haag. Thee was bovendien een relatief duur product. Het succes van de ondernemer en de waarde van zijn koopwaar zijn aan de voor een pakhuis rijke aankleding van de gevel af te lezen. Het gebouw heeft een vierzijdige plattegrond met een scheluwe voorgevel, een breedte van drie traveeën, waarvan de middelste iets breder is dan de anderen en een hoogte van vier bouwlagen plus zolder. De gevel staat op een natuurstenen plint en is daarboven opgetrokken uit rode strengperssteen, geglazuurde baksteen en natuurstenen details. Op de begane grond zit in het midden een dubbele deur. Rechts ervan staat de inscriptie 29/9 R.H.D. 1897. De oorspronkelijke houten deur is waarschijnlijk verplaatst naar de eerste verdieping, getuige de aanwezigheid van een klopper. Te weerszijden van de ingang bevinden zich twee natuurstenen penanten, versierd met gebeeldhouwde gnomen. Misschien hebben deze een balkon gedragen. De beide vensters hebben een gesneden bovenkalf en natuurstenen vensterbanken. Een natuurstenen waterlijst, die ter hoogte van de middelste travee onderbroken is, scheidt de begane grond van d eerste verdieping. Boven de begane grond zijn de raamvakken verticaal samengevat in diepe nissen, die naar boven rondbogig gesloten zijn. De vensters op de eerste, tweede en derde verdieping hebben segmentbogige ontlastingen met in de trommels divers gekleurd vlechtwerk en afzaten van groen geglazuurde tegels. In de lisenen, die de raamvakken scheiden bevinden zich op iedere verdieping twee zeer smalle lichtopeningen, die aan de bovenzijde een natuurstenen afsluiting hebben, waarboven een gesmeed muuranker. De gevel wordt afgesloten door een trapgevel met een overhoekse pinakel, die gedragen wordt door een mannenkop, bekroond door een bol en geflankeerd door twee dolfijnen. Het zadeldak is gevat tussen twee trapgevels. Het westelijke dakschild is belegd met rode Lucas IJsbrandspannen en het oostelijke met leien. De achtergevel is geheel gesloten behoudens een diepe, rondbogig gesloten nis over de gehele hoogte, die voorzien is van vele kleine vensters.
In verband met de oorspronkelijke functie van theepakhuis zijn de verdiepingsvloeren niet uitgevoerd in hout, maar in staal. Een goederenlift, mogelijk uit de bouwtijd, verbindt de verdiepingen. De oorspronkelijke trappen werden vervangen door moderne. Thans is hier na vele functiewisselingen een architectenbureau gevestigd.


7. Sacramentstraat 12 (Voormalig pakhuis, thans leermakerij)
Voor zover in de archieven valt na te gaan was de aanvankelijke bestemming van het pand op deze plek die van woonhuis. Getuige de afmetingen die zijn aangegeven op de kadastrale kaart uit 1832 moet het een vrij eenvoudig pand met een klein achterhuis zijn geweest. Dat wordt ook bevestigd door de vermeldingen in het Klein Consentboek.
Omstreeks 1900 worden beide woonhuizen gesloopt. Een van de laatste bewoners was kleermaker Harmen van der Hoog, die daar met zijn vrouw en tien kinderen leefde en werkte. Op de plaats van die huizen wordt dan een pakhuis gebouwd. Eerste eigenaar is Simon Arnoldus Boudewijn Taconis, een tabaksfabrikant en handelaar in tabakswaren die woonde aan de Voorstreek 61.
Later krijgt het pand ook andere functies zoals meelpakhuis. In 1949 wordt het verhuurd aan de gebroeders K. en J. Huisman. Zij hadden de grossierderij (groothandel) en vruchtensap-distilleerderij van Donker in Bolsward overgenomen, compleet met de naam: N.V. Wijnhandel H. Donker.
Achter in de tuin van Sacramentstraat 12 staat een sterk vervallen stenen gebouwtje, het prieel genaamd. Wijnhandel Donker vestigde hier zijn vruchtensapdistilleerderij oftewel de siroopfabricage. Hiervan zijn nog duidelijk sporen te vinden. Aanvankelijk behoorde dit prieel bij Voorstreek 61. Simon Taconis bouwde dit kleine, maar fraaie twee verdiepingen tellende huisje voor zijn ouders Bouk Symon Taconis, de oprichter van het bedrijf, en diens vrouw Lucretia Ouwehand van Dijk. Later, door verkoop van grond, kwam het prieel op het terrein van Sacramentstraat 12 te liggen. De vervallen gevel van het prieel bevat nog steeds gevelstenen met o.a. de letters SABT, een afbeelding van de Mercuriusstaf en het jaartal 1897. Foppe Valk heeft in januari 2001 in de reeks '700 jaar bouwen in Leeuwarden' in de Leeuwarder Courant uitgebreid aandacht besteed aan de geschiedenis van dit gebouwtje.
De plek waar in 1897 het prieel gebouwd werd, is naar het zich laat aanzien van heel bijzondere betekenis. In zijn Geschiedenis van Leeuwarden uit 1846 stond volgens de toenmalige stadsarchivaris Wopke Eekhoff op deze plek of er tegenaan een gebouwtje dat als synagoge gehuurd werd door de Joodse gemeente. Volgens Eekhoff was dit gebouw al voor 1735 en zeker tot 1747 als zodanig in gebruik.
Hij situeert dit in de tuin achter huis K 13 (nu Voorstreek 63) bij de Amelandspijp aan de Oude Ee. Maar ergens anders schrijft hij sprekend over Zalen Schaaf dat dit grote zalencomplex werd gebouwd op het uitgebreide terrein van de voormalige Katholieke Statie, dat Gerrit van der Wielen in 1797 had gekocht. Het terrein was door een gang gescheiden van de percelen ten noorden van de Voorstreek, op en waarvan het gebouw stond dat tot omstreeks 1745 / 1747 als 'sjoel' dienst had gedaan. Hij doet dit mede op aanwijzingen van Gerrit van der Wielen, de latere stadsarchitect, die ook de nieuwe synagoge in de Sacramentstraat bouwde. Het kan niet anders dan dat hier sprake is van de gang of steeg die langs de westgevel van Sacramentstraat 12 liep, onder andere de voormalige toegang tot het prieel. Aanleiding tot de nieuwbouw was het gegeven dat op zeker moment de synagoge te klein was geworden voor de sterk gegroeide Joodse gemeente en uitbreiding van het gebouw ter plekke niet toegestaan werd. Ook H. Beem, schrijver van De Joden van Leeuwarden (1974) situeert de oude synagoge op de plaats waar nu het prieel staat.
Na het vertrek van wijnhandel Donker is het pakhuis enige tijd in gebruik geweest bij de firma Fred van der Werf, de eerste 'super' in Leeuwarden. Momenteel is het pand eigendom van Wim en Nienke van der Meer, Wim heeft op de begane grond zijn leermakerij en woont met zijn gezin op de eerste verdieping. Voor het prieel bestaan concrete restauratieplannen, maar de realisatie daarvan, grotendeels in eigen beheer, zal nog even duren.
Over eventuele voorgangers van het woonhuis, later pakhuis Sacramentstraat 12, kan nog de volgende veronderstelling gemaakt worden. Op de kaart van Johannes Sems uit 1603 staan op de plaats van het huidige pand een drietal gelijkvormige kleine huizen getekend. Het zou kunnen zijn dat het hier gaat om de bezittingen van het Heilige Sacramentsgilde, een geestelijke broederschap die in 1526 in deze straat enkele 'kamers' kocht (en waaraan de straat haar naam heeft ontleend). Harde bewijzen voor deze stelling zijn echter nog niet te vinden.


8. Voorstreek 74 (Voormalig pakhuis, thans Film- en Mediamuseum)
Dit pakhuis is een goed voorbeeld van de manier, waarop de achterterreinen van onze oude steden werden volgebouwd. De voorgevel ligt aan een gangetje, dat zo smal is, dat hij nauwelijks in een oogopslag te overzien is. Het pakhuis telt drie bouwlagen plus een zolder. De gevel vertoont het vertrouwde beeld van een pakhuis: op de begane grond bevindt zich in het midden een rondbogige deur met links en rechts dito vensters. De rondboog zet aan op natuurstenen blokken en is opgemetseld in gele baksteen, evenals de vensterbanken. De eerste verdieping heeft een identieke indeling. De gevel is asymmetrisch, omdat die tegen een reeds bestaand,maar nu verdwenen gebouw is gezet. Aan de rechterzijde tekenen zich bouwsporen af van een tweelaags gebouw met een zadeldak. Goed te zien zijn nog de vlechtingen van de topgevel. De vensters op de derde bouwlaag, die over het verdwenen pand is doorgetrokken, zijn wat rijker uitgevoerd: de boog van het zesruitsvenster zet aan op natuurstenen blokken. Daarnaast zit een venster met een gietijzeren raam uit de negentiende eeuw. Voor het overige is het pand te dateren in de achttiende eeuw en de verdwenen aanbouw mogelijk in de zeventiende eeuw. De overige gevels zijn te zien vanaf het Bonifatiusplein. Er is weinig fraais meer aan te bespeuren. Na vele verbouwingen geeft alleen de witte kleur nog een beetje eenheid.
Het interieur herbergt tegenwoordig een Film en Mediamuseum. Oude bouwsporen gaan geheel schuil achter betimmeringen. Op de eerste verdieping is een tentoonstelling van oude filmapparatuur, maar ook toverlantarens met bijbehorende glasplaatjes, stereoscopen en stereocamera's, talrijke boeken en affiches, die allemaal op een of andere manier met film of fotografie te maken hebben. In een zijzaaltje zijn vitrines gewijd aan zeer uiteenlopende zaken met als bindend element negentiende-eeuwse druktechnieken.


9. Amelandstraat 12 (De Kuiper)
Voor zover kan worden nagegaan heeft het pand Amelandstraat 12 sedert de bouw - in 1686 volgens de jaarstenen - altijd een pakhuisfunctie gehad. Overigens ongetwijfeld in combinatie met het onderdak bieden aan het uitoefenen van een ambacht, het alleraardigste gevelsteentje met de voorstelling van een kuiper met een hamer in de hand naast een vuurkorf zou daar althans op kunnen wijzen.
Het gevelsteentje en de jaarstenen zijn aangebracht in een (tamelijk vooroverhellende) tuitgevel die in 1948 is gerestaureerd onder leiding van de Leeuwarder architectenbureau Ir. J.J.M. Vegter. Onder andere is de dubbele deur in het midden (wél functioneel voor een pakhuis) vervangen door een enkele toegangsdeur links met daarnaast twee ramen die elk uit twaalf ruitjes bestaan. Boven de deur en ramen bevinden zich fraaie ontlastingsbogen met natuurstenen negblokken. De enigszins spitsvormige ontlastingsboog aan de rechterzijde is overigens niet geheel compleet, het schijnt dat de gevel aan die zijde enigszins versmald is.
In het pand vinden we op de begane grond zware balkenpartijen die nog uit de bouwperiode stammen. De balken worden ondersteund door zowel originele als een aantal vernieuwde klossen. De pakhuisfunctie wordt ook benadrukt door de aanwezigheid van luiken in de verdiepingsvloeren. De binnenmuur aan de achterzijde van het pand is - hoewel van kloostermoppen opgetrokken- van recente datum.
Voor zover kan worden nagegaan heeft Amelandstraat 12 altijd één geheel gevormd met Tuinen 9: in een koopakte uit 1794 wordt gesteld dat het pand aan de Tuinen aan de noordzijde begrensd wordt door de Amelandstraat. Deze situatie geldt overigens ook voor de belendende panden. Halverwege het pand is nog een binnenplaatsje met daarop de wat treurige resten van wat eens het 'húske' geweest is.


10. Tuinen 8 (Het Springend Hert)
Het begin van de geschiedenis van het bedrijfspand Tuinen 8 ligt buiten Leeuwarden. In 1776 stichtte Jan Ymes Tichelaar uit Makkum de enige papiermolen die ooit in Friesland heeft gestaan. De molen werd gebouwd in Idsegahuizen onder Makkum en kreeg de naam Het Springend Hart. De bouw was gereed in 1768. Bij de molen stond een honderd meter lange droogschuur en een molenaarswoning. In de molenaarswoning bevond zich onder de schoorsteenmantel een tegeltableau met het volgende opschrift:

Uit afgesleten linnen doeken
Hier op te kopen daar te zoeken
Gewasschen en tot pap gebracht
Maak ik Papier zo Waard geacht
Anno 1768

In 1801 werd de molen gekocht door Anne Lieuwes Buma en Trijntje Sytzes Ykema. Hun oudste zoon, Dr Lieuwe Annes Buma, werd de stichter van de Buma-bibliotheek en maakte het bij testament mogelijk dat na zijn dood een gebouw voor de Buma-bibliotheek in de Grote Kerkstraat werd gebouwd. Tegenwoordig is hierin het Historisch Centrum Leeuwarden gevestigd.
In 1859 werd Into Nauta Andreae de nieuwe eigenaar van de molen. Nauta Andreae was papierhandelaar te Leeuwarden in het pand Tuinen B67. (nu no. 8) De firma Nauta Andreae had dus een vestiging in Makkum en in Leeuwarden. Het gebouw Tuinen no. 8 werd in 1901 gesloopt en vervangen door een bijzonder vormgegeven bedrijfsgebouw.
De firma Nauta Andreae kon het in het begin van de twintigste eeuw door de opkomende concurrentie, o.a. van de strokartonfabriek aan de Potmarge, niet meer bolwerken. Het bedrijf werd in 1909 overgenomen door papiergroothandelaar Sytze Vermeulen. De molen Het Springend Hart werd in 1911 gesloopt, maar de naam, nu Het Springend Hert, bleef bestaan. Het pand Tuinen no. 8 hield die naam en nog altijd staat op het fraaie sierhek op het dak als teken hiervan een windwijzer in de vorm van een springend hert.
Ontwerper van het sierlijk vormgegeven bedrijfspand was de Leeuwarder architect Zytse Siewert Feddema. Hij kreeg zijn architectuuropleiding in Amsterdam en Antwerpen. Feddema heeft voor Leeuwarden een aantal eigenzinnige gebouwen ontworpen. Hij is o.a. ook de architect van de De Drie Kiosken op de hoek van de Koningsstraat en de Voorstreek.
Het Springend Hert is met veel aandacht voor details vormgegeven. Het vrij diepe pand is gemetseld van donkerrode perssteen. In de voorgevel zitten veel aardige details zoals een plint van hardsteen met bij de bedrijfsdeuren stootblokken. Deze dubbele bedrijfsdeur en de kantoordeur zijn mooi vormgegeven en hebben decoratieve gehengen in Art Nouveau-vormentaal. Voor de raampjes boven de deuren zitten tralies van gesmeed ijzer in de vorm van bloemen. In de lateien, dat zijn de liggende balken boven bedrijfsdeuren, kantoordeur en drielichtsvenster, zijn gesmede rozetten aangebracht. Het tegelfries dat onder in de topgevel zat is jammer genoeg verdwenen. De consoles in de topgevel in de vorm van 'Vlaamse wortels' dragen een rondboogfries dat doorbroken wordt door een groot venster. Aan weerszijden van dit venster zijn in nisjes twee tegeltableaus geplaatst. Op de tegeltableaus met geel rolwerk op een blauwe ondergrond staat het stichtingsjaar: Anno 1901.
De afgeknotte trapgevel wordt bekroond door een hek van siersmeedwerk met hierin rondpassen. Op dit hek staat aan de linkerzijde het al genoemde springend hert. De dakvlakken zijn gedekt met leien. Binnen zijn ook nog een aantal interieuronderdelen te zien. De rails waarover vroeger de karretjes voor het vervoer van het papier werden getrokken, zijn ook nog aanwezig en onlangs is onder de vloer zelfs zo'n oude lorrie teruggevonden.

De tegenwoordige eigenaar/gebruiker is muziekhandel Bob de Jong.


11. Oostersingel 2a (Petersburg)
Voormalig pakhuis Petersburg (hoek Oostersingel, Noordvliet) staat anno 2002 weer helemaal te stralen. Het pand is opnieuw gevoegd en in de zuidgevel springen de twee kleurig geverfde gevelstenen de toeschouwer tegemoet. In opdracht van de huidige eigenaren /bewoners zijn de gevelstenen geschilderd, volgens een kleurenschema opgesteld door de afdeling Monumentenzorg van de gemeente Leeuwarden. Overigens hebben deze gevelstenen, de Wildeman en de Harlinger Trekschuit, niets van doen met de oorspronkelijke of de huidige bestemming van het pand. Na de sloop van de brugwachters-woning in 1940 is de saaie zuidgevel gewoon opgesierd met gevelstenen uit de kelders van het Fries Museum. De Wildeman zat oorspronkelijk in een pand in de Grote Kerkstraat, de Harlinger Trekschuit is afkomstig van de Harlinger Stal die in de buurt stond van de huidige Verlaatsbrug.
Pakhuis Petersburg dateert van 1750 en het pand heeft een rijke historie. De naam is ontleend aan de gelijknamige Russische havenstad, die in 1701 door tsaar Peter de Grote werd gesticht. Het pakhuis heeft dan ook lange tijd gediend voor de opslag van graan dat destijds in grote hoeveelheden vanuit de Baltische regio werd geïmporteerd. Rond 1850 kwam het pand in bezit van de famillie Huisinga. Vanaf die tijd heeft het als opslag gediend voor veel verschillende soorten goederen, onder andere suiker en meel. Halverwege de vorige eeuw heeft grossierderij Vivo 'Petersburg' als opslag gebruikt. De laatste jaren voor de restauratie diende de begane grond als verkooppunt en opslag van Butagas.
Rond 1993 is het pand onder architectuur gerestaureerd/verbouwd tot een eigentijds woon/werk pand. Met als aardig detail een oude red-cedarvloer die vroeger de refter van het Diaconessen Ziekenhuis sierde. Op de woonverdiepingen zijn op de oude (nok)balken nog een aantal hijshaken zichtbaar.


12. Oostersingel 24
Het uit ca. 1810 stammende voormalige graanpakhuis Oostersingel 24 is het minst opvallende van de vier resterende pakhuizen tussen het Vliet en de Bleeklaan. De huisjes 20 en 22 zijn er later tegenaan gebouwd. Een steegje tussen 22 en 26, dat vroeger doorliep naar het buurtje De Weerklank, geeft toegang. Het is dan ook geen monument en zeker geen beeldbepalend pand, want vanaf de straat kun je het niet eens zien. Daarvoor moet je de steeg in, naar de Nieuwekade aan de overkant of opzij de M.H. Trompstraat inlopen.
Wie het pakhuis heeft laten bouwen, is moeilijk te achterhalen. Het is deze eeuw een keer of vijf van eigenaar gewisseld. Uit de oudste, ons bekende akte blijkt dat er vroeger - toen er nog graan opgeslagen werd - al in het pakhuis werd gewoond. Rond de Eerste Wereldoorlog kreeg het pand een functie als brandstoffenopslag. In een opsomming van de inboedel is sprake van een cokes-zeef en een cokes-vloer. En als het stormt valt er nog altijd steenkoolstof uit het dakbeschot.
Twee bejaarde zussen, die vroeger wel in het pakhuis logeerden, vertelden dat er een paard op de begane grond gestald was, dat de cokes door de steeg trok. Als je goed kijkt kun je de slijtsporen van zijn juk nog in de muur van nr. 26 zien.
In de jaren zestig hebben de beeldend kunstenaars David van Kampen en Jentsje Popma het pand als woning-met-atelier in gebruik genomen. Van Kampen heeft een bronsover in de vloer gemaakt. Popma liet een uitbouw met groot bovenlicht aan de achterkant maken, om beter te kunnen werken. Uit die woeste jaren horen we nog altijd verhalen over ruige kunstenaarsfeesten op de eerste verdieping. Popma heeft het aanleunhuisje 22 jarenlang als galerie benut, waarbij hij ook een deel van zijn eigen werk op de eerste verdieping had hangen.
Toen de huidige bewoners het pakhuis tien jaar geleden kochten was dat vanwege de ontzaglijke ruimte (meer dan 750 kubieke meter) en om het mooie, lichte atelier beneden. Hoewel ze nogal wat hebben verbouwd en gerepareerd, hebben ze de pakhuissfeer in de geest van Popma geprobeerd te respecteren. De cokesvloer bestaat nog, de balken zitten in het zicht en er is ook nog altijd een losdeur. Verder hebben ze door kachelbouwer Fetze Tichelaar midden in het pand een vijf meter hoge Finse ovenkachel laten bouwen met hetzelfde ruitvormige grondvlak als het pakhuis. Hoewel het tochtige pand nauwelijks is geïsoleerd, verbruiken ze nu nog maar 700 kubieke meter aardgas per jaar. De rest van de warmte komt goeddeels van de straat, want schoon afvalhout en fruitkistjes liggen in dit deel van Leeuwarden voor het oprapen.
Door zijn achterlijke ligging, z'n onregelmatige ruitvorm en z'n verzakte model is Oostersingel 24 bepaald geen doorsneewoning. En de bewoners zijn daar zeer content mee.

13. Oostersingel, 62-66 (Voormalige grutterij Burmania, thans communicatieadviesbureau Weda)
De noordzijde van nr. 66 suggereert met de oude deels dichtgemetselde raambogen een vroeg negentiende-eeuwse of nog eerdere oorsprong. De rest van het gebouw is van recenter datum. Het lijkt niet erg waarschijnlijk dat het pand gebouwd is als pakhuis. Concrete gegevens over de ontstaansgeschiedenis zijn helaas schaars of onduidelijk. Wel lijkt vrij zeker dat de bouwmeester Faber op deze plaats aan de singel in 1720 een zomerhuis met uitgestrekte tuin koopt. De familie laat het zomerhuis kennelijk niet lang daarna verbouwen tot een behoorlijk woonhuis. Als een weduwe Faber het in 1810 voor 3.026 carolus gulden en 5 st. verkoopt aan koopman Rinze Jans Dorema, koopman aan het Vliet, wordt het complex als volgt omschreven: 'zekere hegte huisinge en van allerleije fijne jonge vruchtboomen voorziene tuin, staande en gelegen aan de stadsbuitencingel, tusschen de Tuinster en Hoekster poorten bij Leeuwarden, gequoteert met letter M no. 252, bestaande de huizinge in een behangen voorkamer met twee schuiframen, zeer ruim en vermakelijk uitziende op de buitencingel en met twee dito ramen in de tuin uitziende, voorzien van een schoorsteen, met staande en leggende plaaten, en vier kasten en wijdere gerieflijkheden, een slaapkamertje met besteed en twee kasten, onder welke een keldertje, een grote kelderskamer uitziende als gemelde voorkamer, mede met schoorsteen, staande en leggende platen en twee kasten, een achterkamer even als gemelde kamers uitziende, mede met schoorsteen, staande en leggende platen, twee kleerkasten, een porcelein en twee andere kasten, boven deze huizinge drie ruime zolders, de eene voorzien van linnenstokken, en bij de huizinge een plaats, met schoone put en regenwatersbak, voorts eene tot berging van allerleije goederen opgeslagene loots, eindelijk de gemelde tuin, zijnde groot anderhalf pondematen, voorzien van jonge fijne vruchtboomen en grondgewassen, begerechtigd met een vrije uitgang aan het eind der Weerklank door een steeg op het Vliet'.
Onduidelijk is wat er van deze 18e eeuwse bebouwing is overgebleven. Zeker is wel dat rond 1830 Dorema een omvangrijk complex in en rondom de Weerklank bezit. Op de plaats van Oostersingel 66 (voor zover bebouwd op dat moment) en achter de nrs. 62-64 heeft hij naast een woonhuis o.a. een pottenbakkerij, een leerlooierij en een pakhuis. Hij wordt als eigenaar opgevolgd door koopman Martinus Miedema.
Rinske Visscher vermeldt in 1906 het volgende over dit pand: 'Van veel ouderen datum is de stichting van de Vrije Evangelische gemeente, die hier meer dan eene halve eeuw gevestigd is. Zij richtte eerst eene voormalige vellenbloterij in de Weerklank, welke door haar voorganger Holman was gekocht, voor hare godsdienstoefeningen in. In 1894 ging dit pand aan den bloemist Jongstra over, die het eerst nog tijdelijk aan deze gezindte in huur gaf. Spoedig daarop kocht zij het vroegere diaconessenhuis op de Voorstreek aan, waarvan zij de achterzalen tot kerk inrichtte, terwijl zij het overige gedeelte van het gebouw verhuurt.'
De feiten lijken door Visscher echter niet helemaal juist te zijn weergegeven. Kadastrale gegevens omschrijven het perceel ter plekke van nr. 66 als 'Weerklank G 1702, kerk, pakhuis en erf' en noemen het jaar 1859 als stichtingsjaar. Eerste eigenaar zou beurtschipper Jan Swart zijn. De hoveniersfamilie Jongstra woont weliswaar vlakbij en heeft ook bezittingen langs de singel, maar heeft niet het kerkgebouw in eigendom. Van een voorganger Holman was geen spoor te vinden. In 1879 is het pand kennelijk geen kerk meer en wordt het gesplitst in pakhuis (M 251a) en huis (M 251). Eind 19e eeuw komt het pakhuis in eigendom van de firma Kiers en Heida. In 1918/'19 wordt het verenigd met de nrs. 62-64.

De voorgeschiedenis van Oostersingel 62-64 is minder uitvoerig. Omstreeks 1830 heeft de rentenier Anton Meetsma op de plek van 62-64 een 'plaisiertuin' en een huis in eigendom. In 1835 wordt de tuin bebouwd met 'twee kamers'. Later hebben achtereenvolgens de kooplieden Postma en Feenstra hier en in de omgeving bezittingen. De weduwe Feenstra verkoopt in 1875 aan de graanhandelaren Jarig Gjalts de Vries en Dirk de Vries. Dirk de Vries, 'korenfactor', woonde omstreeks 1900 in het grote huis Eebuurt 14. De firma De Vries (later De Haan en De Vries) had eveneens pakhuizen aan het Noordvliet, de Hoekstersingel en de Oldegalileen. Het bedrijf laat enkele huisjes aan de Oostersingel afbreken, zodat hier in 1878 een groot dubbel pakhuis kan verrijzen. Nr. 62 krijgt de naam Zwarte Zee, terwijl nr. 64 Oostzee wordt gedoopt.
In 1914 breidt de fabrikant, koopman en grutter W.J. Nauta zijn fabriek 'voor het bereiden van voederartikelen' uit aan de Kapelsteegzijde met een machinekamer ten behoeve van de 'breek- wals, maal, zift, poets, riffel- en droogmachines'. Op dat moment is nr. 64 als pakhuis en nr. 62 als fabriek ingericht. De firma houdt kantoor in Oostersingel 32 (nu Bierhuis Lampie). In 1918/'19 wordt er wederom verbouwd en gaan de nrs. 62-66 een geheel vormen.

Nauta wordt opgevolgd door achtereenvolgens de NV meelfabriek en grutterij Burmania en de koopman Algra uit Stiens. Tegenwoordig is het communicatieadviesbureau Weda in het complex gehuisvest.


14. Vliet 22, 24 en 26 (Groningen, Friesland en Koningsbergen)
Koningsbergen is het meest stoere uit dit rijtje pakhuizen, niet alleen omdat het het grootste is, maar ook iedere vorm van decoratie mist. Het werd omstreeks 1800 gebouwd in opdracht van Jan Zeper, die, zoals zijn naam al doet vermoeden, zeepzieder was. Mogelijk gebruikte hij Koningsbergen als opslag van grondstoffen of het eindproduct. De naam is afgeleid van de destijds Oostpruisische havenstad die thans Kaliningrad heet.
Het pakhuis heeft drie volledige bouwlagen, nog een volledige bouwlaag in de kap en twee vlieringzolders. Ook hier zijn de gevelopeningen gerangschikt in het traditionele pakhuisschema: laaddeuren in het midden met aan beide zijden vensters. In dit geval hebben de vensters van de benedenste verdiepingen zware tralies. Oorspronkelijk zat er geen glas in en als de luiken open stonden voor verlichting of ventilatie, moest inbraak voorkomen worden. Eveneens opvallend zwaar zijn de gehengen van de deur op de begane grond. Die van de volgende verdieping zijn een graadje lichter uitgevoerd. Als concessie aan het huidige gebruik als architectenbureau zijn vele openingen van glas voorzien. Het smeedijzeren hek voor de hijsdeur van de vierde bouwlaag is een moderne toevoeging. De rechter zijgevel ligt vrij aan een steeg. Door middel van lisenen is het gebouw in ongeveer tien traveeën verdeeld. In iedere travee bevinden zich meerdere ontluchtingsopeningen, waarvan de meesten thans zijn dichtgezet. De achtergevel aan het Molenpad telt drie bouwlagen met drie assen van rondboogvensters, deels met tralies en alle voorzien van luiken. Hier is geen topgevel, maar een dakschild.
Het interieur, waarvan de begane grond ter bezichtiging open is, valt op door de zware standvinken, die de vloeren dragen. Hier staan een aantal voorwerpen opgesteld, die herinneren aan de functie van graanpakhuis: een weegschaal, houten steekwagens om zakken te transporteren, diverse takels en een gedeelte van een graanelevator met poelies en drijfriemen.
De twee andere pakhuizen, Friesland en Groningen, lijken een tweeling, maar zijn dat niet. Er ligt bijna veertig jaar tussen. Dat de panden zo op elkaar lijken is te verklaren, dat ze allebei door dezelfde familie werden gesticht. De familie Feddes, graanhandelaren en destillateurs probeerden hiermee hun bedrijf een eigen gezicht te geven. Het oudste is Groningen op nummer 22 en dateert uit 1755. Kenmerkend is de indeling van de twee benedenste bouwlagen. Het gebruikelijke schema voor pakhuizen van deuren in het midden en vensters daarnaast is hier vervangen voor een veel onregelmatiger indeling. Dit kan twee oorzaken hebben: ofwel de bedrijfsvoering vereiste dit, of de eerste verdiepingen waren bewoond. Pas op de in de kap gelegen verdiepingen treedt de oude, vertrouwde symmetrische indeling terug. Het pand is gedateerd op twee gevelstenen onder de schouders. Op de lambrequins staan de teksten 'ANNO' en '1755'. Bijzonder speels is de gevelafdekking. De brede tuit is versierd met een dubbele zwenking, die afgezet is met een geprofileerde natuurstenen band. Qua stijl heeft deze top iets van het Rococo.
Het jongere pakhuis Friesland lijkt sterk op Groningen, alhoewel de proporties en de verdeling van de openingen verschillen. Zo is hier het pakhuisschema over alle verdiepingen doorgezet en ligt de aanzet van de topgevel hoger. Getuige oude foto's is de pui een aantal malen verbouwd, laatstelijk nog een jaar of tien geleden. De moderne rood-witte baksteen rond deuren en vensters laat dit duidelijk zien. Ook dit pand is gedateerd op de schouders. Twee gevelstenen dragen op draperieën in Lodewijk de Zestiendestijl de teksten 'ANNO' en '1793'. De top van de tuitgevel voegt zich tot in details naar zijn 38 jaar oudere buurman.


15. Noordvliet 145 (Bandenhandel Strooisma)
Soberder dan het gebouw waarin thans bandenhandel Strooisma is gevestigd, kan een pakhuis bijna niet wezen. Eenvoudige baksteen, houten luiken en afwezigheid van versieringen kenmerken het gebouw.
Het werd rond 1874 als vlasdrogerij op een plek, waar al een pakhuis stond, gebouwd. Een architect is niet bekend. Voor zo'n eenvoudige opgave was dat ook niet nodig. Een aannemer kon putten uit een lange traditie en hij hoefde het wiel niet opnieuw uit te vinden. Behalve soberheid is de ongerepte staat, waarin het aan ons is overgeleverd, opvallend. Het gebouw heeft een rechthoekige, zeer diepe plattegrond en ligt aan de rechterzijde vrij aan een steeg. Het telt drie bouwlagen plus een kap, voorzien van een eenvoudige topgevel. Op de begane grond zit in het midden een dubbele deur met een segmentboogvormige rollaag. Te weerszijden bevinden zich vensters met eenzelfde afsluiting. De tweede en derde bouwlaag vertonen hetzelfde beeld, met dien verstande, dat de verdiepingshoogte telkens iets afneemt. In de topgevel zit nog een vierde dubbele deur, die wederom iets lager is. De zijgevel, die opgebouwd is uit friese geeltjes, ook al geen chic bouwmateriaal, is door middel van lisenen in elf traveeën ingedeeld. Iedere travee heeft op elke verdieping een rondbogig venstertje, dat met een houten luik is afgesloten. Omdat die ook aan de linkerzijde voorkomen, kan men afleiden, dat het pakhuis bij de bouw ook aan die kant heeft vrijgestaan.
Het interieur onderging enkele kleine wijzigingen. Zo werd in het voorste gedeelte de eerste verdiepingsvloer uitgebroken en werd er een kantoortje voor de bandenhandelaar ingetimmerd. Opvallend zijn de houten schuifjes, die in de vloeren voorkomen. Die stammen waarschijnlijk nog uit de tijd, dat het pand een vlasdrogerij herbergde.


16. Zuidvliet 282 (Rotterdam)
De geschiedenis van dit voormalige pakhuis gaat terug tot omstreeks 1770, toen hier een zoutziederij werd gesticht door Pieter Luytjens van der Meulen. Hij richtte een indrukwekkend complex van bedrijfsgebouwen op dat uit de olie-, eek- en cementmolen 'De jonge Fenix' (1752), een leerlooierij, een zoutkeet en zeepziederij bestond. De Tegenwoordige Staat van Friesland (1786) noemde het 'de fraaiste en kostbaarste fabriek van de geheele provincie'. Het indrukwekkende complex werd samen met het aangrenzende blok arbeiderswoninkjes al snel Pietersburen genoemd; naar Van der Meulens voornaam.
Na het overlijden van Van der Meulen werd J.G. Herbig de nieuwe eigenaar van de zoutziederij, die hij tot 1800 leidde. Hierna verkochten zijn erfgenamen het bedrijf aan de koopman Reitse Bloembergen. Reitse, wiens familie in het bankwezen naam verwierf, dreef de firma jarenlang met succes. Onder zijn beheer werd aan de zoutziederij in 1823 een nieuw pakhuis toegevoegd om in de groeiende behoefte aan opslagruimte voor het zout te kunnen voorzien. Het bedrijf bestond verder uit een zoutkeet met een zogenaamde zoutpan en enkele loodsen. Hij bezat ook twee schepen die het zout via het Vliet aan- en afvoerden.
In 1874 werd het pakhuis verkocht. Dit betekende de beëindiging van het bedrijf na ruim 100 jaar. De nieuwe eigenaren F. Rodenburg en C. Bijkerk begonnen er met een graanopslag die zij tot 1889 dreven. Zij werden door de aannemer-timmerman Theodorus Bekhuis opgevolgd. Hij gebruikte het pand waarschijnlijk als opslagruimte. Zijn opvolger, de koopman J. Feenstra, bezat het gebouw omstreeks 1900.
Het pakhuis in zijn huidige gedaante is overigens jonger dan zijn ouderwetse voorkomen doet vermoeden. Op een niet gedateerde foto van het complex rondom de Jonge Fenix is te zien dat aanvankelijk een lager pakhuis op deze plek stond. Vermoedelijk is het huidige pakhuis Rotterdam dan ook pas gebouwd na de afbraak van de molen in 1904, waarschijnlijk gelijktijdig met de oosterbuur die uit dezelfde steensoort is opgetrokken en hetzelfde metselverband kent. Het pakhuis moet toen meteen zijn naam hebben gekregen, want een foto uit circa 1910 laat op de voorgevel een klein houten bordje 'Rotterdam' zien.
Het pakhuis bestaat uit vier bouwlagen onder een kap met zolder en is voorzien van een tuitgevel. Op de begane grond en de eerste verdieping bevinden zich brede deuren waardoor het laden en lossen plaatsvond. Aan weerszijden hiervan ziet men twee kleine ramen voorzien van nieuwe luiken. Op de tweede en derde bouwlaag zijn respectievelijk drie en twee vensters aangebracht, alle getoogd. In de top van de gevel ziet men een rond raampje.
In 1982 is het pakhuis met respect voor de indeling van het pand en de gave voorgevel, gerestaureerd; slechts de houten luiken van de brede deuren zijn door glas vervangen. Binnen zijn nog enkele oude balken te zien. Thans doet het gebouw dienst als kantoorruimte. Het pakhuis houdt de herinnering levend aan de vroegere bedrijvigheid die voor het Vliet zo kenmerkend was.


17. Romkeslaan 3 (Pakhuis Hartelust)
De gevelwand van de Romkeslaan wordt door twee markante pakhuizen bepaald. Op de hoek met de Zuidergrachtswal staat het voormalige kaaspakhuis van architect Z. Feddema uit 1902 en op de zuidhoek van de Romkeslaan verrees enkele jaren later het markante pakhuis voor de ijzerhandel van de firma Hartelust. Het pand lijkt met zijn twee torens meer op een fort dan op een pakhuis. De verdere detaillering van de gevel en het interieur is onmiskenbaar op de bedrijfsfunctie afgestemd. Het pand is niet meer ingesloten door bebouwing aan de zuidzijde. De arbeiderswoningen van het vroegere Tulpenburg hebben plaats gemaakt voor nieuwbouw in dit deel van de stad.
Het pakhuis is gebouwd op het terrein van de tuin achter het herenhuis van Zuidergrachtswal 2. Het huis werd in 1877 gebouwd in opdracht van de kassier en later gedeputeerde mr. Auke Bloembergen. Na de verkoop van het bezit in 1902 werd de westelijke aanbouw afgebroken en verrees op dit perceel op de hoek met de Romkeslaan het kaaspakhuis van de firma de Jong. In 1906 kocht Bernard Hartelust, koopman te Leeuwarden en gehuwd met Anna Cornelia Haverschmidt, bovengenoemd herenhuis met tuin aan. Een jaar later liet hij het pakhuis bouwen dat in 1908 ingebracht is in de C.V. (commanditaire vennootschap) B. Hartelust. In 1911 wordt het pakhuis overgedragen aan de N.V. B. Hartelust Ltd., gevestigd in de East City te Londen voor het bedrag van f 56.000,-. De opvolger van de in Londen gevestigde firma was de in 1922 opgerichte N.V. Hartelust's IJzerhandel, die tot 1967 bleef bestaan. Daarna werd deze firma voortgezet door Rouppe van der Voort's Industrie- en Metaalmaatschappij N.V. te 's-Gravenhage, leverancier van verwarmingsapparatuur. In de jaren '80 was geopperd om in het gebouw een museum te vestigen voor verzamelingen op het gebied van industriële archeologie. Later leefde het idee bij de Woningbouwcorporatie Patrimonium om in het pakhuis Hartelust appartementen onder te brengen.
Vanaf de jaren '90 is het pakhuis in gebruik bij de stichting Emmaüs als opslagruimte en distributiecentrum van goederen.
Hartelust is een blokvormig gebouw op een bijna vierkant grondplan met 2 torens op de hoeken van de voorgevel aan de Romkeslaan. Het pand vertoont de stijlkenmerken van de z.g. overgangsstijl waarin een zweem van de Jugendstil is te herkennen. De naam van de architect is niet bekend maar Z. Feddema wordt wel eens als bouwer genoemd. De voorgevel is met veel zorg vorm gegeven. Ze is overwegend van gele baksteen opgemetseld maar ter verlevendiging is tot de tweede bouwlaag en voor de hele noordelijke toren grauwbruine baksteen gebruikt. Het materiaalgebruik zorgt voor een verlevendiging van de gevel. Opmerkelijk zijn de muurankers die met hun sierlijke zweepslagvorm naar de Jugendstil verwijzen. Het meest opvallend is echter de vormgeving van de vensters die veel afwisseling tonen.
De voorgevel is 6 traveëen breed waarvan 2 traveëen door de torenelementen worden gevormd. De noordelijke toren is 5, de zuidelijke 4 bouwlagen hoog evenals het middengedeelte. Het laatste heeft een plat dak, gezoomd door gootlijsten met een royaal overstek dat op opengewerkte houten consoles rustte. De torens hebben eveneens een grote dakoverstek met fraaie consoles. Op deze wijze zijn de verschillende bouwvolumes met elkaar verbonden zodat een eenheid is bereikt. Naast de horizontale geleding van de bouwlagen is ook sprake van een verticale geleding. In het middengedeelte wordt dit bewerkstelligd door muurdammen en regenpijpen die de traveëen scheiden. De traveëen bevatten verschillende series van vensters. Op de eerste verdieping zijn deze telkens staande acht-ruitvensters in rijen van 3 naast elkaar en voorzien van hanekammen aan de bovenzijde. Op de tweede verdieping zijn iets lagere zesruitsvensters die aan de bovenzijde van een boog zijn voorzien en telkens per drie ramen door een brede segmentboog als het ware samengevat zijn. De uitzondering vormt het 3de travee (vanuit het noorden gerekend), van het middengedeelte. Hier zijn op iedere verdieping 4 vensters in de gevel geplaatst maar op dezelfde wijze omlijst als de ramen in de andere gevelvlakken. Dit brede travee breekt de schijnbare symmetrie.
De derde bouwlaag onder het dakoverstek bevat steeds 2 kleine staande vensters tussen de consoles. De plaatsing van de vensters zorgt voor variatie en verlevendigt de aanblik van de gevel. De afwisselende detaillering wordt in de torens voortgezet. Zelfs de tentdaken van de hoektorens zijn op een verschillende manier uitgevoerd. De noordelijke toren heeft een bolronde bekroning bedekt met zinkplaten en aan alle vier zijden een 3-delige dakkapel. De zuidelijke toren bezit een laag tentdak bedekt met imitatie pannen maar dan van oranje geglazuurde keramische leipannen.
De voorgevel is waarschijnlijk in de jaren '60 aanzienlijk aangetast. Op de begane grond zijn in de 3 zuidelijke traveëen grote deuren aangebracht en op de 1e verdieping zijn in 2 gevelvakken grote ramen ingebroken. Algemeen beschouwd kan men echter vaststellen dat het pakhuis Hartelust zijn karakteristiek uiterlijk heeft behouden.
Interieur.
Het pand heeft zijn oorspronkelijke T-vormige inwendige structuur in de volle hoogte behouden. De verschillende afdelingen zijn naar de straten toe van gele bakstenen gevels afgewerkt. De inwendige straat wordt in de volle lengte door een lichtpui in de zuidgevel verlicht. De afdelingen worden door gaanderijen en luchtbruggen met elkaar verbonden.
In een straatarm zijn later tussenvloeren gelegd waardoor de heldere ruimtelijke werking teloor is gegaan. In de noordelijke straatarm is een open liftconstructie aangebracht met een hefvermogen van 500 kg. De fa. J.C. van Straaten's liften en machinefabriek NV. Te Den Haag heeft hiervoor in 1934 het ontwerp geleverd. De oorspronkelijke lift is nog aanwezig.
Het intrigerende pakhuis Hartelust is een beeldbepalend pand aan de Romkeslaan dat thans op een ingrijpende restauratie wacht. Het is wenselijk dat dit monumentale bedrijfspand op korte termijn wordt aangepakt.


18. Willemskade 22 (Baarsma binnenhuisarchitectuur, voorheen Van Duijsen bouwmaterialen)
De komst van de spoorweg in Leeuwarden in 1863 heeft grote gevolgen gehad voor het zuidelijk deel van de vestingstad. Om de bereikbaarheid tussen stad en station te verbeteren gaf de gemeenteraad in 1866 aan de stadsarchitect van Leeuwarden Thomas Romein de opdracht een uitbreiding te ontwerpen op de plaats van de zuidelijke wallen. Dit plan werd uitgevoerd en de Willemskade is er een onderdeel van. In 1869 werd met de uitgifte van percelen begonnen. Aanvankelijk wordt op nummer 22 een pakhuis gebouwd, waarvan verder niets bekend is. Op 5 mei 1894 vestigt Cornelis Hendrik van Duijsen zich op deze plek in een voor hemzelf nieuw gebouwd woon-pakhuis. De architect van het pand, dat in neo-hollandse renaissancestijl is gebouwd, is niet bekend, maar een man als W.C. de Groot komt er wel voor in aanmerking. Van Duijsen had een handel in bouwmaterialen in de breedste zin van het woord, getuige een advertentie in het adresboek van 1899. Het pand met zijn rijk uitgevoerde gevel oogt niet in de eerste plaats als een pakhuis, zoals we die in andere delen van de stad zien, bijvoorbeeld aan het Vliet. Dit gedeelte van de stad had ook een representatieve woonfunctie en van Duijsen heeft die status goed aangevoeld. De begane grond heeft een hardstenen plint. Daarboven is de gevel uitgevoerd in rode baksteen met imitatiespeklagen in gele steen en onderdelen in natuursteen. In het midden zat oorspronkelijk een dubbele deur naar de opslagruimte en links daarvan een deur, die leidde naar de bovenwoning. De verdiepingshoogte van het woongedeelte is aanzienlijk groter dan de andere bouwlagen en voorzien van drie T-vensters met siermetselwerk in de boogtrommels. Daarboven bevindt zich een opvallend lage verdieping met een stahoogte van nog geen anderhalve meter. Deze wordt verlicht door drie rechthoekigevensters die forse hanekammen dragen. Een geprofileerde cordonlijst leidt de topgevel in. Natuurstenen klauwstukken begeleiden de aanzet naar de topgevel. Op de trap staan twee forse pironnen. De top wordt gevormd door een aedicula, dat ook weer begeleidt wordt door klauwstukken. Bovenop het fronton staat weer een piron. Het bouwjaar is aangebracht op twee gevelstenen met de teksten 'ANNO' en '1894'. De zijgevel aan de zijde van de steeg vertoont een groot aantal dichtgemaakte vensters en hijsdeuren. Bij de verbouwing tot meubelzaak werd het interieur grondig gewijzigd. Alleen het balkenplafond van de woonverdieping, de balkenconstructie met standvinken van de lage bovenverdieping en de kap bleven bewaard.

Colofon

  • Uitgave: Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd samen met Historisch Centrum Leeuwarden.
  • Eindredactie: Harm Nijboer.
  • Tekstbijdragen: Willem Bosma, Sonja Burgerjon, Wim Dolk, Jan Faber, Ad Fahner, Jaap Falize, Onno Hellinga, Hendrik ten Hoeve, Jacqueline van Leeuwen, Rita Mulder-Radetzky, Harm Nijboer, Henk Oly, Hein Walsweer, Jesse Wassenaar, Klaas Zandberg, Marieke van Zanten, Thom Zomerschoe.
  • Illustraties: Historisch Centrum Leeuwarden, Museum Princessehof, Fries Museum, Hendrik ten Hoeve, Harm Nijboer.
  • Lay-out en druk: Dekker Drukwerken, Leeuwarden
  • Met dank aan: de eigenaars/beheerders van de 'Open Monumenten', NV Stadsherstel, de gemeentelijke afdeling Monumentenzorg, Kunstencentrum Parnas, de Commerciële Club Leeuwarden, Omroep Mercurius.

Terug