HET SINT ANTHONY GASTHUIS


De ouden tot nut, de zwakken tot stut

Geachte lezer,

De binnenstad van Leeuwarden is in de afgelopen jaren enorm opgeknapt. De Eewal, het Hofplein en zeker ook de Grote Kerkstraat vormen inmiddels met alle zijstraten het zeer fraaie historische hart van de Friese hoofdstad.
Tijdens een bezoek aan die binnenstad zal de wandelaar in en rond de Grote Kerkstraat veel gebouwen met gevelstenen aantreffen met daarop de afbeelding van een gouden bel. Het zijn de panden van het Sint Anthony Gasthuis.
Hoewel het Sint Anthoon een van de oudste instellingen van de stad Leeuwarden is, is het bij een breed publiek ook een van de minst bekende instituten. Dat is jammer, want de geschiedenis van het Gasthuis is zeer interessant. Het Sint Anthoon is nauw verweven met de geschiedenis van de stad. Zo bieden de archieven van het Gasthuis een goed inzicht in de sociale geschiedenis van Leeuwarden terwijl de gebouwen veel kunnen vertellen over de ontwikkelingen in bouwkunst en architectuur.
Het bestuur van het Sint Anthony Gasthuis is dan ook zeer ingenomen met het initiatief van de Werkgroep Open Monumentendag van de Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd om het Gasthuis centraal te stellen tijdens de Open Monumentendag 2006. Enkele gebouwen en de tuinen van het Gasthuis zijn voor u, als bezoeker van de Open Monumentendag, opengesteld. De voogden, zoals de bestuursleden al eeuwen worden genoemd, willen u graag uitleg geven over de activiteiten van het Gasthuis.

In dit voortreffelijke boekwerk wordt een compleet beeld gegeven van de geschiedenis van het Gasthuis.
Ik hoop dat de Open Monumentendag ook dit jaar een succes wordt.

mr R.S. Cazemier, president voogd

Woord vooraf

Voor de twintigste keer wordt dit jaar in Leeuwarden de Open Monumentendag georganiseerd. Het thema is dit jaar: Feest in en om het Sint Anthony Gasthuis. Het Gasthuis heeft een rijke geschiedenis die voor een deel parallel loopt met de stadsgeschiedenis. Het is ook een heel eigen en eigenzinnige geschiedenis, vol tradities en gebruiken. Het Anthoon is bijna een enclave in de stad; ik noem het wel eens Vaticaanstad in Leeuwarden.
Onder de philantropische instellingen hier ter stede bekleedt het St. Anthony-Gasthuis eene eerste plaats. Zijne ruime inkomsten stellen de voogden in staat deze stichting op de meest onbekrompen wijze te beheeren, terwijl het bestuur, getrouw aan zijne leus: "ter voorkoming van armoede", daarboven verschillende andere inrichtingen krachtig steunt.
Deze passage uit het werk van archivaris Rinske Visschers Leeuwarden 1846-1906 is nu nog actueel. Het Sint Anthony Gasthuis speelt nog steeds een belangrijke rol in de Leeuwarder samenleving en is bovendien beeldbepalend in het noordelijk deel van de binnenstad.

Door de welwillende opstelling van de voogden en voogdessen van het gasthuis zijn een groot aantal onderdelen van het gasthuis die anders nooit toegankelijk zijn, voor het publiek opengesteld. Ook de prachtige tuinen zijn vrij toegankelijk en  Woningcorporatie Nieuw Wonen Friesland maakt het mogelijk het complex van het Oud Sint Anthoon te bekijken. In het Stadhouderlijk Hof zit een poort waardoor de hooiwagens vroeger het Anthoon konden bereiken.
In deze poort bevindt zich het oudste renaissance beeldhouwwerk van Friesland. Ook deze poort staat wijd open en in de Hoftuin is gelegenheid iets te drinken.

Dan is er nog de traditie dat het bestuur van het Sint Anthony Gasthuis het stadsbestuur een portret aanbiedt van de regerende vorst of  vorstin. Recent is het door de, uit Leeuwarden afkomstige, schilder Douwe Elias (Kamstra) gemaakte portret van koningin Beatrix aangeboden. Dit nieuwe portret en de eerder geschonken portretten in de oude raadszaal zijn op de Open Monumentendag te bezichtigen.

Traditiegetrouw verschijnt ter gelegenheid van de twintigste Open Monumentendag een boekje. Door een genereus gebaar van de voogdij van het Sint Anthony Gasthuis is het dit jaar voor het eerst mogelijk het Open Monumentendagboekje 'full-colour' te laten drukken.

Dit jaar vindt er voor het eerst ook op zondag een activiteit plaats. Op zondag 10 september voert een fietsroute langs de boerderijen van het Sint Anthoon in de directe omgeving van Leeuwarden. Een aantal boerderijen wordt opengesteld.

Het idee mag niet post vatten dat er na twintig Open Monumentendagen geen nieuwe onderwerpen meer zijn. Voor volgend jaar wordt al gewerkt aan het thema ‘Swichum/Wirdum'. 

Andere mogelijke onderwerpen voor de toekomst zijn: de architecten W.C. de Groot, Thomas Romein en  Gerrit van der Wielen, verborgen tuinen in de binnenstad en de stinzen en stadshuizen in Leeuwarden.

Eén ding moet duidelijk zijn. De Open Monumentendag in Leeuwarden draait niet op geld, maar op inzet en enthousiasme van vrijwilligers die van hun stad houden en anderen er van willen laten genieten. Maar ondanks die inzet en dat enthousiasme zou het
zonder de hulp en steun van de medewerkers van het Historisch Centrum Leeuwarden niet kunnen. Daarvoor dank.

Hendrik ten Hoeve, voorzitter werkgroep Open Monumentendag van de Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd

Deel 1  DE GESCHIEDENIS

Armenzorg in Leeuwarden

Om een goed beeld te krijgen van het belang en de betekenis van het Sint Anthony Gasthuis voor de stad Leeuwarden is het goed om de sociale zorg in het algemeen onder de loep te nemen. Hoe deze zorg zich tussen 1500 en 1800 ontwikkelde is onderzocht door Joke Spaans. Haar bevindingen zijn gepubliceerd in ‘Leeuwarden 750-2000, hoofdstad van Friesland'. Mede op basis van dit onderzoek destilleren we hier een globaal beeld van de armenzorg in Leeuwarden.

In de Middeleeuwen was de armenzorg slecht georganiseerd. Wat wel gedaan werd geschiedde uit liefdadigheid door kerkelijke instellingen en/of de gegoede burgerij. Hierdoor ontstonden vele afzonderlijk opererende instellingen. Deze traditionele vorm van armenzorg was niet toereikend en noodzaakte veel armen bedelend en zwervend te zoeken naar een beter bestaan. Deze bedelaars, ook wel landlopers of pauperaars genoemd, reisden veelal in groepen rond. Hun aantal was zo groot dat ze een serieus orde- en veiligheidsprobleem vormden.

Vanaf de zestiende eeuw kwam er langzaam verandering in dit patroon. Dit had een aantal oorzaken. De belangrijkste was dat op 7 oktober 1531 Karel V een ordonnantie uitvaardigde die repressieve maatregelen tegen bedelarij oplegde en de plaatselijke gezagdragers opdroeg de armenzorg op een efficiënte manier te organiseren. Hierdoor werden de lokale bestuurders verantwoordelijk voor de ondersteuning van hun eigen armen. Dat hield in dat alleen  mensen die in de stad geboren waren of er al lang woonden en werkten, moreel aanspraak op ondersteuning konden maken. Bovendien werd met deze ordonnantie het bedelen strafbaar gesteld en was het armen niet toegestaan om hun stad te verlaten. Armen van buiten de stad werden verjaagd en teruggestuurd naar de plek waar ze vandaan kwamen. Het was voor vreemden niet langer mogelijk zich zonder toestemming van het stadsbestuur in een stad te vestigen. Tevens werd een arbeidsplicht ingevoerd voor diegenen die tot werken in staat waren. Daarnaast vormden de 16de-eeuwse hervormingen een grondslag voor de veranderingen in denkwijzen over armenzorg. Het humanistische gedachtegoed pleitte ervoor dat de armenzorg structureel onder toezicht van het stadsbestuur kwam te vallen. Het stadsbestuur diende voor voldoende financiële middelen te zorgen om alle armen naar behoren en zonder aanziens des persoons of religie te ondersteunen.

De stadsbestuurders stelden er eer in om hun taak, het zorgen voor een welvarende stad, zo goed mogelijk uit te voeren. Zij waren vaak als bestuursleden betrokken bij de liefdadigheidsinstellingen.
Op deze wijze werd de armenzorg onlosmakelijk verbonden met het stadsbestuur, de politieke macht en de openbare orde. Het principe dat de armenzorg in essentie een taak was van de overheden vond in deze eeuw definitief ingang. De ordonnantie uit 1531 zou tot het einde van de achttiende eeuw de grondwet van de armenzorg in de Nederlanden blijven.

De uitgevaardigde ordonnantie werd niet meteen door alle steden en dorpen uitgevoerd. Met name in het noorden kwam dit pas veel later, in de laatste decennia van de zestiende eeuw, op gang. Leeuwarden daarentegen nam al vóór 1531 maatregelen ten behoeve van de centralisatie van de armenzorg. In 1525 bracht het stadsbestuur alle armenzorg, die tot dan toe door verschillende instanties en particulieren werd verricht, onder bij één instelling: het Sint Anthony Gasthuis. Maar door de sterke weerstand die dit opriep werden enkele onderdelen al weer snel gedecentraliseerd naar verschillende instanties. Voorbeeld hiervan is het Zoete Naam Jezus gilde, dat zorg droeg voor de thuiszittende armen.

De weerstand kwam voort uit het aanzien dat de hulpbiedende particulieren en instellingen genoten en de belangen die hiermee verstrengeld waren. Welgestelden die goederen voor de armen nalieten, deden dat niet alleen voor het welvaren van de stad maar ook uit eigenbelang. Liefdadigheid verhoogde de status en hielp de nagedachtenis levend te houden. Met de centralisatie werd hen dit waardevolle ‘privilege' ontnomen. Daarnaast hechte de stedelijke elite sterk aan traditionele vormen. Deze spanning tussen het stads-bestuur dat de zorg wilde centraliseren en de stedelijke elite die de traditionele wijze van zorg wilde handhaven, bleef tot het einde van de zeventiende eeuw bestaan.

In 1580 wijzigden de verhoudingen enigszins. Na de religieuze omwentelingen kreeg de stad de beschikking over de inkomsten van de opgeheven kloosters. Het stadsbestuur verdeelde de buiten de stad gelegen onroerende kloostergoederen in drie gelijkwaardige delen en bestemde die voor het Sint Anthony Gasthuis, het weeshuis, en een nieuw opgerichte armenvoogdij. De armenvoogdij was een college van voogden dat zorg droeg voor de huiszittende armen.
Het stadsbestuur verbond aan de overdracht van kloosterfondsen de voorwaarde dat de instellingen zich zouden voegen naar het humanistische ideaal van de stedelijke armenzorg. In de praktijk betekende dit, dat de instelling het oppertoezicht van het stadsbestuur over het dagelijks bestuur en de financiën moest accepteren. Hiermee werden de drie instellingen, gasthuis, weeshuis en algemene armvoogdij de drie pijlers van een samenhangend systeem van armenzorg en werd er een flinke stap gezet naar de centralisatie van de sociale zorg.
Dit ging niet geheel zonder slag of stoot. Het Sint Anthony Gasthuis was de enige instelling waarbij dit geen problemen opleverde, omdat dit gasthuis al onder toezicht van het stadsbestuur stond. Het Zoete Naam Jezus gilde wist zijn autonomie te behouden. Leeuwarden had dus aan het einde van de zestiende eeuw twee armenvoogdijen voor huiszittende armen, een stedelijke en een particuliere.

In de zeventiende eeuw werd deze situatie anders. Het Zoete Naam Jezus gilde bouwde het Ritske Boelema Gasthuis, vernoemd naar de familie die de financiële basis had gelegd voor het gilde, waarna het gilde zich beperkte tot de zorg voor dit gasthuis. En in 1676 stichtte het stadsbestuur een nieuw stadsweeshuis, naast het al bestaande burgerweeshuis.

Aan het einde van de zeventiende en in het begin van de achttiende eeuw trad er een verandering op in het denken over de organisatie van de armenzorg. In toenemende mate waren niet de stad of de familie belangrijk voor de ondersteuningstaken, maar de ideolo-gische of sociaal-economische gemeenschap waartoe de armen behoorden. Deze gemeenschappen werden de kring waarbinnen men elkaar diende te ondersteunen. Een voorbeeld hiervan is de bloei van de kerkelijke armenzorg. Dit werd eerst met argusogen door het stadsbestuur bekeken. Maar in de achttiende eeuw droegen de kerkelijke diaconieën de verantwoordelijkheid voor hun leden en vormden zij gezamenlijk met het stadsbestuur de publieke armenzorg. De armenzorg decentraliseerde op deze wijze weer. Doordat de geloofsgemeenschappen ook weer sterk onderverdeeld waren in sociale klassen kregen ook de particuliere stichtingen en fondsen weer een belangrijker rol waardoor de armenzorg nog meer versplinterde. Elke groep bedeelde de eigen armen. De stadsarmvoogdij werd een vangnet voor de armen die niet op grond van kerklidmaatschap of relaties werden ondersteund. De armenzorg was dus een belangrijke taak binnen de ‘sociale sector' waarin de stedelijke elite, de kerk en het stadsbestuur zich konden manifesteren. Zij deden dit uit naasten-liefde, uit zorg voor het welvaren van de stad of uit eigenbelang.

Oud en eerbiedwaardig, maar toch vitaal

Zo heeft het Sint Anthony Gasthuis al sinds mensenheugenis een plekje in het hart van Leeuwarden. Als een dorp in de stad. Een symbool, ouder zelfs dan de Oldehove. Maar hoe oud - dat weten we niet precies...

Onbekend is wie het gasthuis heeft gesticht en wanneer en waarom dat geweest is. In de 19de eeuw veronderstelde stadsarchivaris Wopke Eekhoff dat het gasthuis zijn ontstaan dankte aan een geestelijk gilde: het Heilig Sacramentsgilde. Bewijzen daarvoor zijn niet gevonden. Ook voor de veronderstelling dat het gasthuis van oorsprong een overheidsinstelling was is geen grond te vinden, evenmin als voor het idee dat het een klooster als voorganger had. Het meest waarschijnlijke is dat het initiatief tot oprichting door een of meerdere personen genomen is, zoals dat bij zovele verzorgende instellingen in de late Middeleeuwen het geval was. Bij een ander gasthuis in Leeuwarden, het Sint Jakobs Gasthuis, is dat ook het geval geweest en daarvan is de ‘oprichtingsakte' - de z.g. fundatiebrief - bewaard gebleven. Bij het Sint Anthony Gasthuis is die brief er niet meer. De oudst bewaard gebleven akte die rechtstreeks verband houdt met het gasthuis stamt uit 1425. Daarin schenkt vrouwe Jouke van Burmana een stedde in der Scochstrede to Sunte Antonius iesthus. In 1425 bestond het gasthuis dus al. Maar dat is dan ook alles wat we op dit moment weten...

Sint Antonius

De naamgever van het gasthuis is Antonius van Egypte.
Antonius ziet het levenslicht in het jaar 251 in Coma (Egypte) als kind van welgestelde ouders. Nog voor hij twintig is geworden sterven zijn beide ouders. Antonius geeft al zijn bezit aan de armen en trekt zich terug in de eenzaamheid van de woestijn om als kluizenaar God te zoeken. Volgens de overlevering bezoekt de duivel hem herhaalde malen met verlokkende visioenen maar hij weerstaat ze. Zijn roem als kluizenaar verbreidt zich en hij krijgt veel volgelingen. Antonius overlijdt in 356 op 105-jarige leeftijd. Tegen het einde van de 11de eeuw sticht een Frans edelman een hospitaal gewijd aan Antonius. Het hospitaal komt onder beheer van een lekenbroederschap en bepaalt zich voornamelijk tot de verzorging van zieke pelgrims. De orde groeit, richt zich steeds meer op algemene ziekenzorg en heeft tegen het eind van de 13de eeuw meer dan 350 hospitalen in heel West-Europa. Nog steeds dragen talloze gast- en ziekenhuizen de naam van de heilige.

Antonius staat in het algemeen afgebeeld als kluizenaar in een zwarte, ruwe pij met een staf in de vorm van een T in de hand. Een van zijn vaste attributen is de bel die hij meestal in de hand houdt of soms aan de staf bevestigd heeft. In zijn directe omgeving bevindt zich veelal een varken. Vaak ziet men een boek - de bijbel - en een rozenkrans. Antonius is onder meer geportretteerd, door Van Eyck, Jeroen Bosch, Dürer, Fra Angelico, Teniers en meer recent door Salvador Dali en Max Ernst.

In het volksgeloof is Antonius schutspatroon van het vee, van vee-boeren, stallen, huisdieren en slagers. Hij werd aangeroepen tegen de pest en ter bestrijding van de zeer giftige moederkorenschimmel. In de Middeleeuwen hadden de naar hem genoemde Anthonius-gilden het recht hun varkens, de zogenoemde  Teunisvarkens, vrij in de straten naar voedsel te laten zoeken.

Zijn naamdag is 17 januari - een dag die in het gasthuis ieder jaar gevierd wordt. In de volksweerkunde is het een kritische dag die ijs of dooi brengt. Er zijn een aantal weerspreukjes met Antonius' naam bekend, zoals: Sint-Antonius schoon en helder - vult het vat en ook de kelder

De eerste jaren

...to ermora ende elindighere liodena...

De oudst bewaard gebleven akte waarvan we zeker weten dat die met het Sint Anthony Gasthuis te maken heeft stamt uit 1425. Het is een giftbrief. Vrouwe Jouke van Burmana uit Leeuwarden schenkt daarin een deel van een stede in de Schotstraat - de huidige Kleine Kerkstraat - aan het Sint Anthoon, bestemd voor de verzorging van ermora ende elindighere liodena, arme en ellendige lieden.

Het gasthuis heeft zich dan dus al een plekje verworven. Maar de zekerheid dat het een permanent plekje zou zijn had Jouke kennelijk niet, want ze laat in de giftbrief opnemen dat wanneer dat Gasthues forsz. woesthastich werde ende vrgenge, minne erffnemman then stedde forsz. weder tot nimane ende hiare wille ther mey to dwane - wat zoveel betekent dat wanneer het gasthuis zou vervallen en vergaan, haar erfgenamen de stede terug krijgen en er mee zouden mogen doen wat ze willen.

Een volgende schenking toont aan dat het gasthuis toch al een zekere omvang gehad moet hebben. In 1430 schenkt de Leeuwarder burger Vtkia Jellama het gasthuis ... myn hala stedde der die tzerke mey op tymmereth is ... een halve stede waar de kerk méé op gebouwd is.
Die kerk stond er dus al en heeft tot 1877 deel uitgemaakt van de gevelwand van het gasthuis aan de Grote Kerkstraat. 

In de volgende jaren wordt het gasthuis geregeld begunstigd en breidt het zich gestaag uit. In 1433 ontvangt het van Kampo Abbema een stede waarop het kasteel Blankenborg gestaan heeft en Eekhoff situeert dat op de hoek van de Grote Kerkstraat en de binnengracht - de huidige Sint Anthonystraat. Later komen daar nog stukken grond oostelijk en zuidelijk van het gasthuis bij. Rond 1436 krijgt het gasthuis dankzij een schenking van Frouke Minnama via een steeg een uitgang naar de Eewal - het huidige Hofplein. De gasthuisvoogden doen zelf ook af en toe aankopen. Zo kopen ze in 1450 een huis ten oosten van de kerk waar de beijer in ondergebracht wordt. Stukje bij beetje groeit het gasthuis zo en aangenomen mag worden dat het tegen het eind van de 15de eeuw in grote lijnen de oppervlakte heeft zoals die tegenwoordig nog is.

Hoe het gasthuis de allereerste jaren functioneert en hoe het er uitziet weten we niet. Aannemelijk is dat het in ieder geval letterlijk als ‘gasthuis' dient: onderdak voor reizigers. De plaats waarin de reizigers worden ondergebracht heet de Beijer - ook wel Baayer(t). Daaraan is wel de beperking verbonden dat die gastvrijheid voor maximaal drie dagen en drie nachten geldt.

Toch zal ook al redelijk snel begonnen zijn met het permanent opnemen van ouderen die daarvoor betalen; de zogenaamde  proveniers. Er wordt dan een overeenkomst opgesteld, de proefbrief, waarbij ze zich in het gasthuis inkopen om tot en met hun begrafenis verzorging te krijgen en de voogden zich tot die verzorging verplichten. Vaak dragen de proveniers daarvoor geld, onroerend goed of land over. Soms gaat het om roerende goederen als huisraad. De oudst bewaarde proefbrief is een uitgebreid document uit 1477 waarin ene Benne Jacobs uit Noordermeer opname in het gasthuis verzoekt. Zij biedt daarvoor aan: haar huis, al haar tilbaar goed, 4 pondematen rogge en haver, 3 koeien en nog enkele kleinigheden. De voogden nemen haar in het gasthuis op en beloven daarbij haar te verzorgen ... in lieue en siele, nae de ghevoente onses Gaest hwses ... in cost ende in clederen ende schoen ende sweerringhe ende in alle saecke seet behoef is of mach vaerden up dat leste (... in lijf en ziel, naar de gewoonte van ons gasthuis ... in kost en klederen, in schoenen en zwarigheden en in alle zaken die zij nodig is of mag worden tot het laatste). Daarnaast is zij vrijgesteld van syecken te verwaren, noch tot enich werk te doen meer dan hoer lwste te doen (zieken te verzorgen, of enig werk te doen, anders dan zij wenst). De toevoeging naar de gewoonte van ons gasthuis toont aan dat het opnemen van proveniers al niet meer ongewoon was in 1477.  

Naast instelling voor ziekenverzorging en bejaardenhuisvesting is het gasthuis in later jaren ook de plaats waar krankzinnigen worden ondergebracht. Soms is dat bepaald door de overheid om onhandelbare en gevaarlijke mensen uit de samenleving te verwijderen, maar het komt ook voor dat krankzinnigen, vaak versluierend innocent of onnoozel genoemd, door verwanten tegen betaling als proveniers in het gasthuis worden ingekocht. De ergste gevallen gaan simpelweg in een hok achter tralies. Dat is de dorekast waar de stumpers af en toe tegen betaling te bezichtigen zijn. De minder ernstige gevallen moeten, als ze kunnen, binnen het gasthuis werk verrichten en op die manier hun bijdrage aan de gasthuisgemeenschap leveren. Rond 1630 is er kennelijk een behoorlijk aantal van deze werkzame zwakzinnigen want er is dan sprake van een speciale innocententafel waaraan zij hun maaltijden krijgen. Een enkele maal verlaat een dorekast-verpleegde ‘genezen' het gasthuis. Maar meestal is het verblijf er levenslang. Zoals de man die we als ingenieur in de boeken terugvinden: opgenomen in 1723 verblijft hij de rest van zijn leven in de dorekast tot hij er in 1772 sterft.  

Het Sint Jakobs Gasthuis

...borgheren en borgherinnen, olt ende cranck... 

Naast het Sint Anthony Gasthuis heeft Leeuwarden een aantal jaren een tweede gasthuis gehad: het Sint Jakobs Gasthuis. Van dat gasthuis is de fundatiebrief wel bewaard gebleven. Het begint in 1459, als Arnt van Suerhusum en zijn vrouw Hille van Zwol in hun testament een derde deel van hun bezittingen bestemmen voor godvruchtige doeleinden. In 1478, als Arnt is overleden, geeft Hille uitvoering aan dat testament. Zij bepaalt dat haar woonhuis in de Grote Hoogstraat, alsmede het naastgelegen huis in de Klokstraat, ingericht moeten worden als gasthuis. In het voorste deel aan de Klokstraat moet de kapel komen. Slechts één kamer houdt ze voor zichzelf. Om dat alles te bekostigen stelt ze onder meer 30 pondematen land aan de Marssumerweg en de huuropbrengsten van een aantal panden beschikbaar.

Het gasthuis wordt opgedragen aan Sint Jakob (Jacobus de Meerdere), de beschermheilige van Arnt. Hille geeft het bestuur en de dagelijkse leiding in handen van het Heilig Sacramentsgilde.
Het gilde beslist over opname in het gasthuis, maar Hille heeft wel bepaald dat het moet gaan om eerweerdighe en eerbaer borgheren en borgherinnen die olt ende cranck en foerarmit sint. De panden bestemd voor het gasthuis liggen in het blok tussen de Klokstraat, de Grote Hoogstraat, de Sint Jacobsstraat en het Naauw. In de volgende jaren komen op het binnenterrein woninkjes, terwijl in het midden van de zuidzijde van de Klokstraat de gewenste kapel verrijst die in 1480 gereed is.  

Het gaat de eerste jaren goed met het gasthuis. De belangstelling om er in opgenomen te worden is groot. Zo groot dat in 1501 aan de zuidzijde van het binnenterrein een groot pand opgetrokken wordt dat als De Schure in enkele aktes voorkomt. Daarna gaat het minder goed, de inkomsten lopen terug en dat heeft z'n weerslag op de verzorging van de bewoners en het onderhoud van de gebouwen.
Kort na 1530 is de toestand dermate slecht dat het stadsbestuur ingrijpt. Op basis van de keizerlijke ordonnantie uit 1531 vindt er een fusie plaats; het Sint Anthony Gasthuis neemt het Sint Jacobs Gasthuis over met alle verplichtingen, bezittingen en schulden. Daarmee komt een einde aan het kwijnende bestaan van het Sint Jakobs Gasthuis, hoewel er tot na 1580 verzorgden in het complex achter de Klokstraat blijven wonen.  

De 16de eeuw, moeilijke tijden

...doer dese oorlogsche en trubele tijden...  

Uit de 15de eeuw zijn maar weinig originele stukken van het Sint Anthony Gasthuis bewaard gebleven. Stukken uit de 16de eeuw, met name de tweede helft, zijn er iets meer. Zo zijn de jaarrekeningen over 1561, 1582, 1594 en 1597 bewaard gebleven, evenals een Memoriael over de jaren 1558-1573. Het gasthuis verkeert in slechte staat in die jaren. De onkosten zijn hoog en de financiële positie laat ernstig te wensen over. De rekening over 1561 sluit met een positief saldo van 65 gulden. Te weinig, vooral omdat bepaalde onderdelen van het complex dringend aan onderhoud en verbetering toe zijn.
Die slechte financiële situatie bestaat dan al enige tijd. Al in 1557 hebben de voogden moeten ingrijpen door de proveniers, afwijkend van de afspraken die in de proefbrieven stonden, brandstof en levensmiddelen te onthouden. Woedende proveniers brengen de kwestie voor het Hof van Friesland. De voogden bepleiten hun zaak onder meer met de mededeling dat 't voersegde gasthuys meer dan drye duysent guldenen ten achteren is gegaen. Omdat de zaak in der minne geschikt wordt, hoeft het Hof niet tot een uitspraak te komen. In 1558 schiet het stadsbestuur te hulp door bij koning Philips II octrooi te vragen voor een loterij ten bate van het gasthuis. Het gasthuis heeft het moeilijk want daer moet men aanveerden en onderhouden alrehande crancke siecke ende gebrecklijke menschen ende daerenboven de buyten-weeskinderen ende vondelingen van 't plattelandt mitsgaders oick een groot getal van arme, oude mans- ende vrouwspersoonen, onmachtigh den cost te winnen - aldus het stads-bestuur in de octrooiaanvraag. De verloting moet gehouden worden in de provincies Friesland en Groningen en de loten kosten twee Brabantse stuivers elk. Als alle loten van de hand gaan, verwacht men een opbrengst van 4000 gulden. De verloting gaat echter niet door vanwege het overlijden kort na elkaar van enkele gasthuisvoogden.  

In 1565 is de onderhoudstoestand van het gasthuis slecht en zijn dringende herstelwerkzaamheden nodig. Maar omdat er geen geld is, gaat er opnieuw een octrooiaanvraag voor een verloting naar de koning. Wederom geeft Fillips II zijn toestemming. Er zijn geen bewijzen gevonden die aantonen dat de verloting vervolgens ook daad-werkelijk gehouden is. Dat hoefde ook niet meer omdat jonkvrouwe Saepck van Burmania het gasthuis een flinke som geld schenkt. Daarvan kunnen het herstel van de keuken, het washuis, de gang, de put, de koestal en een jaar later de eetzaal, voogden-vergaderkamer, kelder, brouwerij en ziekenzaal betaald worden.
Als in datzelfde jaar ook aan de beijer dringend onderhoud verricht moet worden, steekt de stad de helpende hand toe. De magistraat betaalt 350 gulden als afkoop ineens van een claim die het gasthuis heeft op een deel van de jaarlijkse opbrengst van de stadswaag.
Als aanvullende bepaling eist het stadsbestuur dat de beijer naast passantenhuis ook een functie krijgt als ziekenhuis. Een aantal van de verpleegplaatsen wenst het stadsbestuur zelf te begeven. De verzorging van een aldus geplaatste zieke komt voor rekening van het gasthuis. Kleding en schoeisel zijn op kosten van de gemeente. Later wordt de ziekenhuisfunctie uitgebreid als ook gewonde militairen in de beijer worden ondergebracht. Wezen en vondelingen werden er al verzorgd. In de loop van de 17de eeuw lijkt voor de beijer de rol van passantenhuis voorbij en gaat de verpleging van zieken over in langdurige, soms zelfs permanente verzorging. Omdat opnames in de beijer vaak gratis - om godswille - zijn is het voor het gasthuisbestuur een voortdurende bron van financiële zorg.  

In 1580 bevrijdt Leeuwarden zich van de Spaanse overheersing.
De protestanten krijgen het voor het zeggen. De katholieke goederen en gebouwen vervallen aan de stad en de geestelijken worden de stad uitgejaagd - zij het met recht op een levenslang pensioentje. Het Sint Anthony Gasthuis heeft het moeilijk. Door de oorlog tegen Spanje zijn de inkomsten laag, terwijl de kosten van verpleging en verzorging steeds verder oplopen. Samen met de besturen van het Armhuis en het Weeshuis wendt het gasthuis zich in 1583 met een noodkreet tot het stadsbestuur. In een uitgebreide brief schrijven zij onder meer dat zij: ... doer dese oorlogsche en trubele tijden hoe langer hoe meerder van daege tot daege belast ende beswaert (werden), niet alleene mette arme miserabele persoonen deeser Stede, maar ooyck van den platte lande, doer de verwoestinghen ende desolatiën der personen ende armen huysluyden aldaer; comende derhalven dagelijx in dese Stad krijten ende karmen olde, sieke, beroofde en gewonde persoonen, weduwen, weesen ende vondelingen ... De besturen weten zich geen raad meer en zij vragen het stadsbestuur hen bepaalde katholieke bezittingen toe te delen om daar inkomsten uit te trekken. Het stadsbestuur stemt in, maakt een verdeling in drieën en verloot deze tussen de besturen. Het Sint Anthony Gasthuis krijgt het deel "A": zes boerderijen en flinke hoeveelheden land. Daarbij stelt het stadsbestuur wel als eis voortaan een rol te krijgen bij de benoeming van het gasthuisbestuur en moet het gasthuis elk jaar de jaarrekening vaststellen ten overstaan van het stadsbestuur. Het verlotingsbriefje is in het gasthuisarchief bewaard gebleven.
De inkomsten die de boerderijen en de landerijen genereren, stellen het gasthuis in staat de financiële problemen te boven te komen.  

Het leven in het gasthuis

...kijverije, dronckenschap, hoererije... 

Veel van de oudste proefbrieven zijn verloren gegaan. Maar uit de weinige die bewaard zijn gebleven kunnen we opmaken dat het gasthuis rond 1500 naast de kerk, bestond uit een aantal woningen, een mannen- en een vrouwenslaapzaal, een reventer (eetzaal) en een keuken. De leiding van het gasthuis was in handen van drie voogden met verschillende taken en functies. Rond 1560 blijken er twee voogdessen te zijn die buitenmoers genoemd worden. Zij bestieren de dagelijkse gang van zaken in het gasthuis en krijgen daarvoor in 1565 per kwartaal 65 gulden om de cleyne dagelixe nootrufte te betalen. De voogdessen worden bijgestaan door een keukenmoer, een zieke- of kerkemoer, een aantal dienstmeisjes, knechten en een bode.
Soms is er sprake van binnenmoer, belast met linnen, tinnen en wollen.

Geeft de oudste proefbrief nog een uiterst ruime verzorging, in de loop der tijd verandert dat en moeten proveniers zaken als kleding, schoeisel en later ook linnengoed voor eigen rekening nemen.
Steeds vaker wordt van de verzorgden verlangd te werken ten bate van het gasthuis: de vrouwen spinnen of naaien en de mannen metselen, timmeren of houden toezicht op het vee, de landerijen of de gasthuis-venen. Daar staat dan meestal wel een kleine vergoeding tegenover. In 1531 ontvangt bijvoorbeeld provenier Aucke Metzelaar voor zijn werk dagelijks een halve kan bier.

Jarenlang is er een medicus aan de gasthuis-instellingen verbonden. Het Memoriael maakt op 20 mei 1563 melding van de benoeming van Mr. Pieter Janszoen van Worckum tot chirurgijn die gehouden zal weesen alle die cranken int gasthuys na zin beste vermoegen te cureren en te geneessen. In later jaren blijkt er een scheiding te zijn aangebracht in medische verzorging. Degenen die kosteloos, veelal van overheidswege, in de beijer en de dorekast zijn opgenomen, krijgen hun medische hulp van de chirurgijn. Voor betalende proveniers en al het personeel is een, over het algemeen wat beter opgeleide, dokter aangesteld. De kosten voor de medicijnen zijn voor rekening van de artsen zelf, evenals de kosten voor de aan patiënten te verstrekken brandewijn.  

Mede afhankelijk van de verkregen rechten lopen de in de proefbrieven genoemde bedragen waarvoor de proveniers zich inkopen sterk uiteen. Op 25 oktober 1625 wordt Aecht Heere aangenomen voor 150 gulden, enkele weken later betaalt het echtpaar Hottze Pyters en Yldu Tyallingsdr maar liefst 1100 gulden voor hun toekomstige verzorging. Daardoor ontstaat een zeker standsverschil dat af en toe tot problemen leidt: zo is er een officiële klacht van de ‘armere' proveniers bewaard gebleven, dat ze door de ‘rijkere' proveniers geminacht en beledigd worden. Overigens is het regime in het gasthuis tamelijk streng. Helemaal in de beijer met zijn vaak wisselende bevolking.
In 1578 komt het strenge verbod om ... eenyge kijverije, dronckenschap, hoererije noch andere excessen ofte andere ongeregeltheyden ... te plegen. Ook diefstal van voedsel komt geregeld voor. Op dergelijke misdragingen staan straffen uiteenlopend van het inhouden van voeding, opsluiting in het block, tot uitzetting uit het gasthuis of beijer. Zelfs opsluiting bij de krankzinnigen in de dorekast wordt een enkele maal als straf toegepast.  

De 17de en 18de eeuw

...goede tijden, slechte tijden...  

Na de moeilijke 16de eeuw is de 17de eeuw een goede tijd voor het gasthuis. De oorlog woedt in andere delen van het land, ver weg van Leeuwarden. Door de rust trekt de economie aan, waardoor de opbrengsten van de verpachte boerderijen en landerijen toenemen. De groeiende welvaart stelt mensen weer meer in de gelegenheid zich voor een verzorgde levensavond in het gasthuis in te kopen. 
Een van de eerste zaken die de voogden aanpakken is het wijzigen van de bestemming van de gasthuiskerk. Nadat de katholieke geestelijken in 1580 uit de stad verdreven zijn, vinden er nog enkele jaren protestantse erediensten plaats. In de rekening over 1582 staat als inkomstenpost: Noch ontfangen van 't geen onder die predicatie in den gasthuyscapelle met dat ommegaen vergaart ... die somma van twie ende veertich karolus gulden, tien stuvers. En enkele jaren later verzoekt Pieter Liuwes, die er als katholiek geestelijke de mis nog bediend had, om te zijner tijd in de kerk te mogen worden begraven. Maar in 1603 is het gebeurd met de religieuze bestemming. Het gebouw wordt ingericht als zwack- en sieckhuys waarin zieke en zwakke armen een plaatsje krijgen evenals vaste proveniers van het gasthuis die ziek geworden zijn. De grote binnenruimte krijgt de functie van centrale eet- en woonzaal. Op de kraak komen zes kleine kamertjes, zonder schoorsteen, bestemd voor de wat minder gegoede proveniers en voor proveniers die zich hebben ingekocht maar nog wachten op een eigen woninkje.  

De aanwas van proveniers leidt gedurende de gehele 17de eeuw tot bouwactiviteiten op het gasthuisterrein. Er ontstaat een conglomeraat van gangen en straatjes met allemaal hun eigen naam: een dorp  in het hartje van de stad. Eekhoff heeft dat tamelijk nauwkeurig weten te reconstrueren.
In 1604 komen er in de zuid-west hoek van het terrein vier woninkjes bij tegenover de veestalling. De veestalling verliest zijn functie, wordt verlengd en verbonden met de vleugel langs ‘De Oude Gracht'. Vervolgens wordt het timmer- en washuis er in ondergebracht. Het steegje dat aldus ontstaat krijgt de naam ‘De Duistere Gang'. Er tegenover komen, met de rug naar de dorekast, in 1626 zeven nieuwe huisjes en het straatje dat daardoor ontstaat, wordt Heerestraat genoemd.

Rond 1630 lukt het de voogden alle pandjes aan de Beijerstraat aan te kopen. Ze worden in 1636 verbouwd en geschikt gemaakt voor proveniersbewoning. Het rijtje huisjes heet vanaf dat moment Het Hoog. Op het binnenterrein, voor de beijer langs, komen in 1644 vier nieuwe huisjes. Vier woninkjes gelegen aan De Kerkeplaats krijgen in 1660 een grondige opknapbeurt. Vervolgens worden in 1685 en in 1696 in twee etappes zeventien huisjes gebouwd tegen de Hoftuinmuur.
Het rijtje krijgt de naam Nieuweburen. Ter gelegenheid van deze omvangrijke uitbreiding laat het bestuur een herdenkingssteen maken die tegenwoordig ingemetseld is in de oostelijke gevel van het complex van het Nieuw Sint Anthoon - tegenover de Julianavleugel. 

Tussendoor krijgt de kerk in 1667 een nieuw dak met leitjes, waarbij blijkt dat het torentje op de kerk dusdanig vervallen is, dat het weggehaald wordt. Als teken van welvaart krijgt de hoofdingang van het gasthuis aan de Grote Kerkstraat een heel fraai poortje. Het heeft de eeuwen overleefd en bevindt zich nu - zonder functie - centraal in de gevel van de Julianavleugel aan het Schoenmakersperk. 
Het blijft het gasthuis in die jaren financieel voor de wind gaan. Hoewel alle bouwactiviteiten flink geld gekost zullen hebben, kent de rekening aan het einde van elk jaar een overschot.
In 1693 toont de gasthuisexploitatie een batig saldo van ruim 15.000 gulden, in 1695 is dat zelfs al 23.000 gulden. Al die overschotten worden door de voogden wijs belegd in onroerend goed en in vastrentende Landschaps Obligaties. Ook in de 18de eeuw zijn er bouwactiviteiten. In 1728 verrijst een nieuwe turfschuur waaraan aan de noordzijde twee proveniers-woninkjes en twee onderkomens voor krankzinnigen worden verbonden. Een aan deze bouw herinnerend gedenksteentje bevindt zich in de gevel aan de Grote Kerkstraat. 
Maar langzamerhand ontstaan er weer financiële problemen voor het gasthuis. Hoewel het wat bezittingen betreft rijk genoemd mag worden, lopen de inkomsten terug. Elk jaar is het positieve saldo van inkomsten en uitgaven kleiner en in 1739 sluit de jaarrekening voor het eerst sinds lange jaren met een tekort. Steeds vaker is er geld nodig. Het bestuur genereert dat niet door obligaties te verkopen, maar door leningen af te sluiten. Al in 1740 blijkt er voor 19.000 gulden te zijn opgenomen, een bedrag dat jaarlijks verder oploopt. Enig soulaas bieden de leningen aanvankelijk wel, maar op den duur begint de rentelast zwaar te wegen.  

Rond 1755 is de toestand problematisch. De schuld aan opgenomen leningen bedraagt inmiddels meer dan 86.000 gulden. Men krijgt de balans niet meer in evenwicht en bezuinigingen zijn vereist.
De grootste kostenpost is de beijer. Het gasthuis wendt zich tot de gemeente met het verzoek  om de door de gemeente te begeven plaatsen onvervuld te laten. De gemeente gaat akkoord. Dit biedt het gasthuis de mogelijkheid de beijer langzaam te laten uitsterven. Dat lijkt niet helemaal gelukt. In 1771 is de financiële toestand wederom precair en in het memorieboek klinkt de noodkreet dat er geen geld meer in kas is. Het bestuur gaat opnieuw naar de gemeente, nu ronduit met het verzoek de beijer te mogen opheffen. Men spreekt over: ... den zeer aghterlijken toestand van het zelven huis voornamelijk veroorzaackt door de beswaarnisse van den Beyer. De magistraat stemt in en besluit op 17 januari 1772 voor altoos af te zien van het recht tot plaatsing. Saillant detail: drie van de vier zittende burgemeesters zijn op dat moment tevens gasthuisvoogd.
Het gasthuis pakt door: het personeel in de beijer krijgt ontslag, de inboedel gaat in de verkoop en het pand zelf wordt verhuurd. Eerst aan boekdrukker H.A. de Chalmot en in 1779 aan de gemeente, die er een stadsschool in vestigt.  

Het verzorgen en verplegen van zwakzinnigen in de dorekast was nauw verbonden aan de beijer en na het verdwijnen daarvan besluit het gasthuis ook de dorekast op te heffen. De verblijven worden ontruimd en op 5 april 1775 voor 586 gulden aan timmerman Jan Dircks op afbraak verkocht. Daarmee is de eeuwenoude taak zieken te verplegen en te verzorgen afgesloten: het gasthuis richt zich uitsluitend nog op de verzorging van mensen in hun levensavond. Met de bezuinigingen die het afstoten van de beijer en de dorekast opleveren, krijgt het gasthuis ruimte om een paar aanpassingen uit te voeren. Het gebruik van de voormalige kerk, nog steeds met zijn algemene woon- en eetzaal en zijn zes kleine kamertjes op de kraak, voldoet al lang niet meer. Besloten wordt het gebouw inwendig geheel uit te breken en er twaalf kamers, elk met schoorsteen, venster, bedstee en kasten, in aan te brengen. In 1783 vindt de ingrijpende verbouwing plaats; de aannemer moet grondig aan de slag en alles wegbreken wat maar agterdogt aan weegluis kan geven. Een deel van de begane grond wordt samengevoegd met het westelijk gelegen pand en ingericht als extra vergaderruimte voor de voogden. Door de verbouwing kunnen de forse steunberen die aan de straatzijde flink uitsteken verwijderd worden. Ook deze gelegenheid wordt middels een gevelsteentje vereeuwigd - de steen is nu te vinden in de muur aan de Beijerstraat.  

Als alles gereed is, blijken ook de financiën op orde: de schulden zijn weggewerkt maar dat kost het bestuur het complete vermogen aan landschapsobligaties. Jaar na jaar staan in de marge van het besluitenboek verkopen van landschapsobligaties afgetekend - veelal tegen een koers ver onder pari. Er is nog slechts een bedrag aan kasgeld. Aan beleggen komen de voogden niet meer toe, maar het ergste lijkt voorbij. Toch zal het enkele jaren later allemaal nog veel penibeler worden.

De Franse tijd

Op de rand van de afgrond

In februari 1795 vindt in Leeuwarden een revolutie plaats. Met de Franse troepen in aantocht krijgt het zittende stadsbestuur zijn congé en wordt vervangen door een ‘democratisch' gekozen college. Opgetogen danst de bevolking rond de vrijheidsboom voor het stadhuis. De vreugde duurt maar kort als blijkt dat het Franse liberté, egalité et fraternité bepaald niet kosteloos is. Hoewel de financiën wellicht nog niet optimaal zijn, is het gasthuis met zijn boerderijen en grondbezit nog wel degelijk een rijke instelling. Het door de Fransen ingestelde provinciaal bestuur rangschikt het gasthuis onder de Publycque Corpora (openbare lichamen) en gelast de voogden om bij het Comptair der Domainen 5.000 gulden te storten, om te zetten in landschapsobligaties die 3% rente geven. Daarnaast krijgt het gasthuis te maken met belastingen in de vorm van de 25e, de 50e en de 100e penning.
Dit zijn forse aanslagen voor het gasthuis, maar ze waren waarschijnlijk nog wel te behappen geweest geweest als de provincie in oktober 1796 niet had geëist dat een-zesde deel van het bezit van het gasthuis te gelde moet worden gemaakt en omgezet in landschapsobligaties. Nog geen jaar later valt het besluit dat voor een-vijfde deel van het overgebleven vijf-zesde deel van het gasthuisbezit óók landschapsobligaties gekocht moeten worden. Alles met elkaar moet het gasthuis meer dan 100.000 gulden ophoesten en de voogden zijn genoodzaakt vijf boerderijen en forse stukken land te verkopen.
De 3% rente die de obligaties opbrengen kan het gemis aan inkomsten uit boerderijen en landerijen lang niet compenseren. Het gasthuisbestuur moet een zware strijd om het bestaan voeren die nog moeilijker wordt als de Franse overheerser in 1811 besluit tot tiërcering (het tot op een derde verminderen) van de obligatierente. Het gasthuis balanceert op de rand van de afgrond, maar gelukkig komt in november 1813 een eind aan de Franse overheersing en herstelt het gasthuis zich langzaam.  

Het gasthuis en het stadsbestuur

...niet is eene Gemeente instelling...  

Over bemoeienis met of betrokkenheid bij het gasthuis door het stadsbestuur is in de eerste jaren van het bestaan van het gasthuis is niets te vinden. Dat verandert in 1531 als Karel V de ordonnantie afgeeft die stedelijke overheden verplicht toezicht te houden op instellingen die zich bezighouden met de armenzorg. Vrijwel onmiddellijk verschijnt de magistraat van Leeuwarden, zich noemende foeghden ex officio, naast de gasthuisvoogden als partij op proefbrieven. Een gewoonte die overigens niet lang stand houdt, maar wel komt het daarna nog geregeld voor dat de magistraat ‘consent' (toestemming) verleent en de verhuur van gasthuisboerderijen en - landerijen blijft mede een zaak van de magistraat.
De betrokkenheid van de magistraat blijkt via het bij Philips II aangevraagde ‘loterij-octrooi' en omdat de jaarrekeningen van het gasthuis worden afgelegd ten overstaan van een der burgemeesters en twee schepenen, kan ook op die manier een vinger aan de pols gehouden worden.
In 1579 stelt het stadsbestuur een Policyboek samen met regels en richtlijnen voor instellingen in de stad. Ook voor het gasthuis. Allerlei zaken worden geregeld zoals het afleggen van rekening en verantwoording door de voogden, het houden van voogdenvergaderingen, de geldigheid van hun besluiten, het opmaken en bijhouden van staten met eigendommen, voorschriften omtrent de maaltijden en de openingstijden. Zelfs het gasthuisarchief ontsnapt niet aan de aandacht: dat moet worden opgeborgen in ene stercke ende vaste kiste ... slechts te openen met vier sleutels. Voor de beijer wordt een soortgelijk instructieboek opgesteld. Tenslotte krijgt de magistraat een stem in het benoemen van de voogden en vanaf dat moment worden leden van de magistraat vaak tot voogd benoemd.

Door die dwarsverbanden verwatert de rechtstreekse bemoeienis van het stadsbestuur met het gasthuis. De vastgestelde vijf-jaarlijkse zittingstermijn van voogden wordt vaak stilzwijgend overschreden. Voogd-zijn blijkt een langdurige klus. Termijnen van twintig jaar zijn geen uitzondering. En als er al een benoeming van een nieuwe voogd aan de orde is, gaat er een briefje naar het stadsbestuur met daarop slechts één kandidaat - die dan ook prompt benoemd wordt.  

In de volgende eeuwen is de relatie van het gasthuisbestuur met het stadsbestuur door de vele dubbelrollen er een van welwillende zakelijkheid. Een enkele maal is er onenigheid, maar dat loopt nooit uit de hand. Dat verandert in 1795. Met de Franse troepen in aantocht trekt een aantal ‘democraten' de macht naar zich toe en vervangen het zittende stadsbestuur. Dat nieuwe stadsbestuur vervangt vervolgens,
op de rentemeester na, het gehele gasthuisbestuur. Vreemd genoeg maken de nieuwe voogden zich de oude voorrechten snel eigen.
Niet alleen betwisten ze de stad het recht hen zomaar aan de kant te zetten, maar bij de eerstvolgende voogdenbenoeming krijgt het stadsbestuur ook maar één kandidaat aangeboden in plaats van de gevraagde drie. Er volgt een juridische strijd die door het gasthuis-bestuur wordt gewonnen. De onenigheid verscherpt zich als het gasthuis een door de Raad opgestelde voogden-instructie eenvoudig naast zich neerlegt. Het slotakkoord komt als na een nieuwe problematische kandidaats-voordracht de Eerste Kamer in 1806 beslist dat het stadsbestuur de betreffende kandidaat móet benoemen. 

Rond 1860 komt het tot een grote krachtmeting tussen stads- en gasthuisbestuur. De stad heeft er wel oren naar het welvarende gasthuis, dat zich na de problemen in de Franse tijd geheel hersteld heeft, te rangschikken onder de gemeentelijke instellingen. In 1854 meent men daarvoor grond te vinden als de Wet tot regeling van het Armbestuur van kracht wordt. Het gasthuisbestuur doet enkele voorstellen tot schikking en krijgt daarbij steun van de Provincie. Het leidt niet tot een oplossing en er komt een rechtszaak. De uitspraak van de Rechtbank is niet gunstig voor het gasthuis dat daarom bij het Hof in beroep gaat. Daar volgt een geheel ander vonnis: Dat het gasthuis niet is eene Gemeente instelling, maar eene bijzondere instelling ... Nu is de teleurstelling aan gemeentezijde groot en op haar beurt gaat zij in cassatie bij de Hoge Raad. Het zullen spannende momenten geweest zijn op 8 februari 1861 als de uitspraak bekend wordt gemaakt: het arrest luidt dat de door de gemeente gevraagde voorziening wordt verworpen. Het gasthuis blijft zelfstandig en dat is reden voor een feest - het ‘bevrijdingsfeest', dat heden ten dage nog steeds op die dag gevierd wordt.

In de volgende jaren zijn er nog enkele kleine kwesties met de gemeente, maar die dragen alle kenmerken van achterhoedegevechten. In 1868 erkennen burgemeester en wethouders formeel de autonomie van het gasthuis. Dan ook wordt een in onbruik geraakte traditie weer opgepakt: het in aanwezigheid van burgemeester en wethouders afleggen van rekening en verantwoording van het gasthuis over het voorgaande jaar. De sfeer is weer goed en zal dat blijven. Zoals het eerder was: welwillend zakelijk. 

Drie nieuwe gebouwen

...bij voorkeur ingezetenen van Leeuwarden... 

De overwinning op de gemeente geeft het gasthuisbestuur de gelegenheid gestalte te geven aan plannen die al enkele jaren spelen: een nieuw gebouw. In 1843 heeft het gasthuis de oude beijer weer in gebruik genomen en verbouwd tot zeven provenierskamertjes. Aan de andere kant van het terrein komen er in hetzelfde jaar nog acht. Maar daarmee is alle aanwezige ruimte opgebruikt. Ruimte voor verdere uitbreiding zal ergens anders gevonden moeten worden. In 1857 lijkt die mogelijkheid zich voor te doen, als een pand aan de Grote Kerkstraat met daarachter een enorme tuin waarin vruchtboomen, heesters, stamboomen, een moestuin met oranjerie, trekkas en broeibakken, een koetshuis en stalling en een tuinmanswoning, alles doorlopend helemaal tot aan de bebouwing aan de Groeneweg aangekocht kan worden. In dezelfde koop verwerft het gasthuis een fors deel van die bebouwing evenals panden aan de westkant van het Schoenmakersperk en alle tussenliggende tuinpercelen. Daarmee wordt het gasthuis eigenaar van een groot, haast landelijk gebied. Hoe landelijk blijkt wel uit het verkoopboekje waarin is opgenomen dat de mastpaal met ooijevaarsnest op een der tuinpercelen niet bij de verkoop is betrokken.
Als er zekerheid is dat het gasthuis zelfstandig blijft, wordt besloten tot nieuwbouw. De opdracht gaat naar architect Frederik Stoett. Onder zijn leiding verrijst er langs de Groeneweg een bijna 90 meter lange hoofdvleugel met vier op het zuid-oosten gerichte zijvleugels. In de loop van 1865 is het gebouw gereed en betrekken de bewoners hun kamers. Het gasthuis neemt er volgens het voor het nieuwe complex gemaakte reglement ... bij voorkeur ingezetenen van Leeuwarden ... op.
Een jaar later gaan enkele bouwvallige huisjes in de noord-oosthoek van het terrein tegen de vlakte om plaats te maken voor een uitbouw waarin onder meer de turfschuur, een smederij en de timmerwerkplaats ondergebracht worden. Om op de lange duur uitbreidingsruimte te hebben, koopt het gasthuis geregeld onroerend goed in de directe omgeving en verwerft op die manier forse delen van de bebouwing aan het Schoenmakersperk, het Perkswaltje, de Pijlsteeg en de tussenliggende stegen. De meeste van de aangekochte panden verdwijnen om de tuin uit te kunnen breiden. Op andere plaatsen komt nieuwbouw ten behoeve van gasthuispersoneel.
Ondertussen veroorzaakt het oude gasthuisgebouw steeds meer problemen. Voortdurend zijn er verbouwinkjes en vertimmeringen, maar het complex met z'n straatjes, steegjes en gangetjes en soms eeuwenoude huisjes voldoet niet meer. In 1877 valt het besluit: ook aan de Grote Kerkstraat komt nieuwbouw. De opdracht gaat opnieuw naar architect Stoett. In mei 1880 is de nieuwbouw zover gereed dat de eerste kamers in gebruik genomen kunnen worden.  

Ondanks het nieuwe en grote gebouw ontstaat aan de Groeneweg al snel ruimtegebrek. Er komt flink wat ruimte bij als in 1910 de Julianavleugel gebouwd wordt. Een forse hap tuin aan het Schoenmakersperk wordt opgeofferd voor een onder architectuur van W.C. de Groot gebouwd twee verdiepingen hoog gebouw. 

Het Sint Anthony Gasthuis en Leeuwarden

Onder de philantropische instellingen hier ter stede
bekleedt het Sint Anthony Gasthuis eene eerste plaats

Als het gasthuis in 1861 ‘bevrijd' is van de Gemeente en in 1864 het Nieuw Sint Anthoon bijna gereed is, gaat het bestuur over tot het opstellen van een nieuw ‘Reglement op de inrichting en het bestuur van het Sint Anthony Gasthuis te Leeuwarden'. In dat reglement komen alle bestuurszaken aan de orde, worden functies beschreven en taken toebedeeld aan een viertal commissies. Tevens wordt kernachtig de doelstelling van het gasthuis omschreven: De instelling is bestemd om oude lieden, van een onbesproken levensgedrag, zonder onderscheid van godsdienstige gezindte, huisvesting en verzorging of tegemoetkoming te verstrekken, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos en bewijst wijders aan arme, kranke, troosteloze en desolate personen, weduwen en weezen troost en hulpe. Die insteek op liefdadigheid heeft het bestuur in de tweede helft van de 19de eeuw en in de 20ste eeuw nadrukkelijk gestalte gegeven.  

Een van de eerste zaken waarvoor het gasthuis zich inzet is de wezenzorg. Voor wezen is zes jaar de minimale leeftijd om in een van de weeshuizen in de stad opgenomen te worden. Wezen jonger dan zes krijgen een plaatsje in arbeidersgezinnen waar de omstandigheden ‘soms' te wensen over laten. De gemeente wil dat eigenlijk wel verbeterd zien en besluit een weeshuisje voor deze groep kinderen in te richten. Het beheer en bestuur laat men over aan het gasthuis dat als onderkomen voor het weeshuis twee panden aan het Perkswaltje koopt. De bedoeling is goed maar het weeshuis is geen succes. Behalve in de beginjaren behoeft de capaciteit eigenlijk nooit ten volle te worden gebruikt en de aantallen wezen lopen elk jaar terug. In 1912 woont er nog maar één meisje.  Als zij in 1913 ook vertrekt, besluit het gasthuisbestuur het huis te verbouwen en in te richten als gasthuis-ziekenhuisje. 

De ambachtsschool

Het is opvallend hoeveel aandacht en betrokkenheid het bestuur vanaf 1860 aan de dag begint te leggen voor jonge mensen, met name voor de opvoeding en opleiding van jongens. De rol die het Sint Anthony Gasthuis speelt bij de totstandkoming van de Leeuwarder Ambachtsschool is groot. In november 1875 vraagt een aantal maatschappelijke instellingen, waaronder het gasthuis, de gemeente Leeuwarden een school op te richten waar jongens die een ambacht willen leren een opleiding kunnen volgen.  De bestaande burgerdagschool geeft dat onderwijs wel, maar dan voornamelijk theoretisch - het praktische deel van het ambachts-onderwijs is er zeer beperkt. De instellingen zijn bereid om een bedrag van 35.000 gulden bij te dragen waarvan maar liefst 10.000 afkomstig is van het Sint Anthony Gasthuis. Ook voor de jaarlijkse onkosten wordt een tegemoetkoming in het vooruitzicht gesteld. Het kost de gemeente drie jaar om in oktober 1878 te komen tot een afwijzing van het verzoek. De initiatiefnemers laten zich echter niet uit het veld slaan en besluiten zelf zo'n school op te richten. Ze zijn bereid om alles te regelen mits de gemeente een passend schoolgebouw ter beschikking stelt. Nu stemt de gemeente wel in en wijst de leegstaande School 8 in de Speelmansstraat aan als huisvesting. Sterker nog, de gemeente betaalt een forse verbouwing en biedt aan jaarlijks 2000 gulden in de kosten bij te dragen.
In juni 1880 komt het schoolbestuur voor de eerste maal in formele vergadering bijeen en kiest gasthuisvoogd Mr. E. Attema tot voorzitter. De school gaat een jaar later van start en blijkt in een behoefte te voorzien. Het aantal leerlingen groeit met het jaar en het school-gebouw moet herhaaldelijk aangepast en uitgebreid worden. Als bij aanvang van het schooljaar 1902 ruim 70 nieuwe leerlingen wegens ruimtegebrek geweigerd moeten worden, is het duidelijk dat een nieuw, veel ruimer schoolgebouw noodzakelijk is. Men laat het oog vallen op een groot perceel, gelegen in het noordelijk deel van de stadsuitleg langs het Nieuwe Kanaal. Het bestuur van het Sint Anthony Gasthuis is mogelijke financiële problemen vóór met een toezegging van 125.000 gulden - een voor
die tijd werkelijk formidabel bedrag! - zij het onder voorwaarde van teruggave als de gebouwen hun bestemming verliezen.
Als de school, een ontwerp van directeur van gemeentewerken, W.C.A. Hofkamp, in april 1905 feestelijk geopend wordt, onthult de voorzitter van het bestuur een plaquette waarop de dankbare tekst: Tot een blyvend Aandenken aan de Grootsche Gedachte en de Ryke Gift van het Bestuur van het Sint Anthony Gasthuis alhier, waaraan de Stichting van dit Gebouw is te danken. Gedurende de jaren verandert de structuur van het onderwijs dusdanig dat in 1968 het moment aanbreekt om het gasthuis de 125.000 gulden terug te geven. Dit gebeurt met een kleine plechtigheid.
In 1973 brandt het gebouw van de ambachtsschool voor een groot deel af, waarna het gesloopt wordt.  

De ambachtsschool mag dan al jaren verdwenen zijn, op een andere plaats in de stad is de helpende hand van het gasthuis nog wel te vinden. In 1902 biedt het echtpaar Van Welderen Rengers de stad een drietal aan de Spanjaardslaan gelegen percelen weiland aan, om er een openbare wandelplaats van te maken. Het ontwerp van tuin-architect Henri Copijn vergt echter een behoorlijk bedrag.
De gemeente heeft dat bedrag niet direct voorhanden waarna het gasthuis met 5.000 gulden bijspringt en de plannen gerealiseerd kunnen worden. In april 1906 is het Rengerspark voor het eerst toegankelijk en beschouwt men het als voor Leeuwarden eene ware weldaad.  

De toekomst van jonge knapen staat ook voorop bij de bemoeienissen die het gasthuis heeft met de Kweekschool voor de Zeevaart in Leiden. Vanaf omstreeks 1860 bekostigt het gasthuis onderdelen van de opleiding die Leeuwarder jongens aan deze school kunnen volgen. De school neemt leerlingen bij voorkeur op dertienjarige leeftijd aan en de opleiding leidt naar een baan bij de marine of, bij gebleken geschiktheid, naar de functie van stuurman op de koopvaardij. Een lonkend perspectief, maar toch is het gasthuis niet altijd ingenomen met de kweekschool. Niet alleen is de keuring tamelijk streng maar er zijn ook bezwaren tegen het 12-jarig contract dat de jongens verplicht zijn te ondertekenen. ‘Zielsverkoop', vindt het gasthuisbestuur zoiets. Later wordt de contracttermijn overigens iets teruggebracht. In 1920 worden nog acht Leeuwarder jongens op de school geplaatst, maar eind van dat jaar komt onverwacht het bericht dat de school ‘tijdelijk' gesloten is; een sluiting die al snel permanent blijkt. 

Van een ander gehalte is de plaatsing van jongens op ‘Nederlandsch Mettray', een op een Frans project geënte landbouwkolonie in Gorssel waar zichzelve verwaarloozende of door anderen verwaarloosde knapen geplaatst kunnen worden. Deze jongens, vaak uit de sociaal laagste klassen, krijgen er naast een feitelijke heropvoeding een beroepsopleiding in de agrarische sector waarmee ze zich een eigen plaatsje in de maatschappij kunnen verwerven. Grote inspirator en mede-oprichter van de kolonie is de in Leeuwarden geboren filantroop W.H. Suringar. Wellicht dankzij hem raakt het Sint Anthoon bij Mettray betrokken. Jarenlang doneert het gasthuis bedragen aan de kolonie in ruil waarvoor het twee plaatsen in de kolonie mag begeven. Dat gebeurt overigens lang niet altijd en gaandeweg de jaren ook steeds minder. Na 1920 komen er geen aantekeningen aangaande Mettray meer voor in de notulen van het gasthuisbestuur. Ook voor gehandicapten is er, direct of indirect, ondersteuning van het gasthuis. Doofstomme kweekelingen - zoals ze genoemd werden - die het Guyot-instituut voor doven of slechthorenden in Groningen bezoeken, ontvangen een tegemoetkoming in te maken medische kosten en het instituut zelf mag elk jaar een algemene bijdrage tegemoet zien. Datzelfde geldt voor het Blindeninstituut in Amsterdam.  

De soepuitdeling

Open de deuren! Ze komen...

Jarenlang is het gasthuis betrokken bij de soepuitdeling aan de Leeuwarder armen. De uitdeling werd sinds 1800 georganiseerd door de commissie ‘Tot Nut der Armen' en financieel ondersteund door onder meer het Sint Anthoon. Als in 1859 de commissie haar werkzaamheden beëindigt neemt het gasthuis de uitdeling geheel voor haar rekening en na voltooiing van de nieuwbouw in 1864 kan de soep in eigen huis bereid en uitgedeeld worden. In zijn boekje ‘Wandeling door het Oud en Nieuw Sint Anthony Gasthuis te Leeuwarden' uit 1905 beschrijft gasthuisvader Petersen in bloemrijke, haast aandoenlijke taal de soepuitdeling: de organisatie, het recept en de ingrediënten, de bereiding en het werk van de chef-soepkoker en zijn helpers.
Als het dan 12 uur is gaat het los: Open de deuren! Ze komen ... waarna Petersen een levendig beeld schetst van ... lawaai makende vrouwen, zorgende, tobbende huismoeders, opgedirkte deernen, suffige oudjes, mannen zonder werk en groote lummels ... die allemaal in hun meegebrachte potten, pannen, ketels en emmers precies één lepelschep (inhoud 1,1 liter) soep toebedeeld krijgen.
Naast de uitdeling is er voor kinderen van behoeftige ouders de gelegenheid om in het gasthuis een stevig bord soep te komen eten. Elk kind is welkom mits ... zindelijk gewasschen en van een lepel
voorzien ...
De soepuitdeling begon meestal medio december en eindigde in maart. De soepuitdeling heeft jarenlang plaatsgevonden, altijd geheel verzorgd door en voor rekening van het gasthuis. Pas in 1918, als voedselschaarste het werken met bonnen noodzakelijk maakt en soephalers te weinig genegen blijken hun bonnen aan het gasthuis af te staan, stopt de uitdeling. Het aantal verstrekte porties is zo klein geworden, dat het de moeite niet meer loont.

Los van de soepuitdeling biedt het gasthuis de gelegenheid van maalhalen waarbij behoeftigen drie keer daags een maaltijd kunnen afhalen. Ook op veel kleinere schaal, is het gasthuisbestuur actief. Het armbestuur van de Joodse gemeenschap in Leeuwarden krijgt gedurende lange tijd elk jaar een bedrag om haar eigen armen van voedsel te voorzien. De gemeente ontvangt van het gasthuis geld voor de verzorging en verpleging van armen. Kerkelijke armbesturen kunnen voor de medische verzorging van huiszittende behoeftigen elk jaar op een bijdrage rekenen, evenals de lokale commissie die kleding koopt voor schoolkinderen van wie ouders geen kleding konden kopen. 

Ongetwijfeld heeft in de intimiteit van de gasthuis-bestuurskamer nog veel meer geld een goede bestemming gekregen. In de notulenboeken zijn daarvan nog stille getuigen te vinden zoals in 1876 van een vader de ingekomen ... dankbrief vanwege de geldelijke ondersteuning ter bekoming van de machine, noodig voor zijn kind lijdende aan een ongemak in den rug. 

De 20ste eeuw

Een van de belangrijkste jaren...

De 20ste eeuw is voor het Sint Anthoon zoals de voorgaande eeuwen: voor- en tegenspoed wisselen elkaar af. En er is een unicum: voor het eerst in zijn bestaan wordt het gasthuis kleiner. 

Op 15 september 1906 bezoekt koningin Wilhelmina het nieuwe gasthuis. Het is strak geregisseerd: voor het bezoek zijn precies 25 minuten gereserveerd en de majesteit wenst niet toegesproken of toegezongen te worden.
De Eerste Wereldoorlog vergt veel van de leiding van het gasthuis, met name op het gebied van voedsel- en brandstofvoorziening. Met veel improvisatievermogen weet men de moeilijkheden het hoofd te bieden.
De freules Quirina Jacoba en Anna Augustina van Eysinga schenken in 1925 het buitengoed Wilhelminaoord in Sint Nicolaasga aan het gasthuis. Het prachtige landhuis blijkt echter op de lange duur niet te passen binnen de activiteiten van het gasthuis en het bestuur draagt het in 1963 over aan de Provincie.
In 1928 krijgen de voogden het bericht dat Klaas Laurens Olivier op enkele legaten na zijn hele bezit heeft nagelaten aan het gasthuis.  Het is een enorme erfenis: drie boerderijen, een huis in Amsterdam, enkele stukken land, een aantal boten, schilderijen, porselein, zilver en andere kunstvoorwerpen en een grote som aan geld en waarde-papieren. Er komt veel bij kijken voordat alles in kannen en kruiken is. Maar als alles geregeld is en president-voogd Beekhuis op de eerste vergadering in 1929 terugkijkt op het afgelopen jaar, kan hij tevreden constateren dat 1928: ... een van de belangrijkste jaren van het huis is geweest. De erfenis geeft het gasthuis de mogelijkheid om het Leeuwarder Diakonessenhuis, dat voor een forse uitbreiding staat, tegen uiterst gunstige condities een lening van 300.000 gulden te verstrekken.
Van een andere orde is in 1930 de aankoop door het gasthuis van de bekende Staniastate in Oenkerk. Het karakteristieke 19de-eeuwse huis komt ter beschikking van het Fries Genootschap, dat er een belangrijk deel van zijn landbouwcollectie in onderbrengt. Maar net als bij Wilhelminaoord blijkt ook hier dat het beheer van dergelijke buitengoederen niet op de weg ligt van het gasthuis. In 1954 gaat Staniastate weer over in andere handen.

Op de avond van 9 mei 1940 vergadert het bestuur en als de leden zich laat die avond naar huis spoeden, valt het Duitse leger Neder-land binnen. Tijdens de gevechten van de volgende dagen sneuvelt een van de gasthuis-pachtboeren. Op de eerstvolgende bestuursvergadering staat de voorzitter even stil bij de veranderde omstandigheden. Het bestuur zal zich gerealiseerd hebben dat ze voor problemen komt  te staan. En die komen, langzaam maar zeker. De voedselvoorziening, de brandstofvoorziening en de talloze kleine voor de bedrijfsvoering belangrijke zaken die steeds schaarser worden, baren zorgen en eisen veel van hetbestuur en het personeel.
Daarnaast ondervindt men dat Nederland, anders dan in de Eerste Wereldoorlog, daadwerkelijk in oorlog én bezet is. De inslag van een Duitse luchtdoelgranaat op het dak van het Oud Sint Anthoon veroorzaakt weinig schade, maar zorgt wel voor schrik en de nodige onrust. Onrust ontstaat ook door de telkens opduikende geruchten over inkwartiering van Duitse soldaten. Aanvankelijk kan nog gemeld worden dat het allemaal wat meevalt, maar in de eerste dagen van 1944 komt het bericht toch: de bezetter neemt van het Nieuw Sint Anthoon de Wiardavleugel en de Julianavleugel in bezit. Het gasthuis ontruimt de vleugels en brengt de bewoners elders onder.

Met de Duitsers in de gebouwen breekt een vervelende tijd aan. De beide vleugels en de omliggende tuin zijn verboden gebied en worden afgeschermd door barse schildwachten. Geregeld is er tot diep in de nacht overlast door soldatenrumoer en ‘blitzmädel' zorgen voor ergernis, door voor iedereen zichtbaar, verregaand ontkleed op de grasvelden te zonnebaden.
Een zware klap krijgt het gasthuisbestuur met de dood van mede-voogd B.P. baron van Harinxma die in de avond van 12 februari 1945 door vier NSB-landwachters uit z'n huis gehaald wordt en op het Blokhuisplein in koelen bloede wordt doodgeschoten. Het waarom van de laffe moord is nooit opgehelderd. 

Als Leeuwarden bevrijd is en de bewoners in het gasthuis zijn teruggekeerd, spreekt het bestuur grote waardering uit voor het personeel en hun inzet tijdens de oorlog: ...vooral ook omdat door de tactische wijze waarop dit is geschied, nimmer ernstige ongelukken zijn ontstaan.

Grote ingrepen

Wat zou het een onherstelbare aanslag zijn...

In de jaren na de oorlog probeert het gasthuisbestuur de dagelijkse werkzaamheden weer op te pakken. Maar dat valt nog lang niet mee. De tijden worden duurder: een hogere levensstandaard, scherpere eisen aan comfort en veiligheid, loonrondes met salarisverhoging voor het personeel - ze eisen op de jaarlijkse rekening van het gasthuis zichtbaar tol. Verontrust constateert het bestuur geregeld een nadelig exploitatie-saldo. Daar komt nog bij dat door inflatie de ooit door proveniers ingebrachte proefsommen beginnen te ontwaarden. Een aantal maatregelen volgt. Van de bewoners, die dankzij de invoering in 1947 van de Noodwet Ouderdomsvoorziening een klein inkomen krijgen, wordt een bijdrage in de kosten gevraagd. In 1953 wordt het opnemen van proveniers beëindigd en de steun aan de doven- en blindeninstellingen gestopt.  

Met de invoering van de Wet op de Bejaardenoorden in 1963 stelt de overheid scherpe regels vast op het gebied van bejaardenzorg, met name voor wat betreft het opnamebeleid, de tarieven en het functioneren van de instellingen. Na een aantal jaren onder het regime van de wet gewerkt te hebben, ziet het Sint Anthony Gasthuis zich voor twee cruciale vragen geplaatst: willen wij nog wel een verzorgings-instelling zijn en hoe blijven wij in staat, ook op lange termijn, tot het voeren van een gezond financieel beleid? Om deze vragen beantwoord te krijgen treedt het gasthuis toe tot de Stichting Bejaardenwoningen Leeuwarden waaraan ook de Vereniging voor Volkshuisvesting en de Hofwijck deelnemen. De stichting onderzoekt de beide gasthuiscomplexen en constateert dat het Oud Sint Anthoon geschikt gemaakt kan worden voor bejaardenhuisvesting. Die mogelijkheid ziet de stichting niet voor het Nieuw Sint Anthoon en voor dat complex wordt afbraak en nieuwbouw in overweging gegeven. De 33 verzorgingsplaatsen van het gasthuis zullen overgedragen moeten worden aan de Hofwijck waarna het Sint Anthoon zich geheel zal richten op bejaardenhuisvesting.

Besloten wordt architect Abe Bonnema een stedenbouwkundige schets te laten maken. Op 16 november 1982 presenteert Bonnema zijn plannen. Er staat hem rigoureuze kaalslag voor ogen: de Hofwijck en het Oud Sint Anthoon gaan radicaal tegen de vlakte en van het Nieuw Sint Anthoon blijven alleen de Julianavleugel en de vier vleugel-kopdelen overeind. Ook de bebouwing aan het Perkswaltje zal verdwijnen evenals de Sint Anthonyschool. Er voor terug komen bijna 300 verzorgingsappartementen en aanleunwoningen.  Een omvangrijk project dat zeer ingrijpende gevolgen zal hebben in het hart van de stad.
De gemeente heeft moeite om de plannen in te passen in het in 1974 vastgestelde Structuurplan Binnenstad, als uitvloeisel waarvan de hele binnenstad tot beschermd stadsgezicht was verklaard. Daarnaast is het Nieuw Sint Anthoon een beschermd monument. De plannen roepen maatschappelijke kritiek op. Het comité Wonen in de Binnenstad roert zich, pleit voor behoud en roept op tot andere keuzes: de sloop van het Oud Sint Anthoon zou een onherstelbare aanslag op de binnenstad zijn. In de Leeuwarder politiek is geen  meerderheid voor de plannen. Het gaat allemaal traag en als eind 1984 nog steeds geen besluit gevallen is, gaat de Hofwijck, die eigenlijk niet langer kan wachten, over tot nieuwbouw aan de Rengerslaan. Dat betekent het einde van de heilloze Bonnema-plannen. Het bestuur van het Sint Anthoon is in feite weer terug bij af, maar is ondertussen wél haar verzorgingsplaatsen aan de Hofwijck kwijt geraakt.
Het gasthuisbestuur laat opnieuw onderzoek doen naar de toekomst van de beide complexen. In de bestuursvergadering van 27 mei 1986 vallen twee belangrijke besluiten: het Oud Sint Anthoon wordt afgestoten en het Nieuw Sint Anthoon wordt gerenoveerd en geschikt gemaakt voor ‘moderne' bejaardenhuisvesting.
De Vereniging voor Volkshuisvesting koopt het oude complex. Een zeer ingrijpende verbouwing volgt: de beide binnenvleugels worden op de kopdelen na gesloopt en de rest wordt inwendig totaal vernieuwd; alleen de naar de straat gekeerde gevels blijven gespaard. Het gasthuisbestuur is erg ongelukkig met die aanpak maar kan er niets meer aan doen. De renovatie is eind 1989 gereed. Ondertussen wordt onder leiding van architectenburo Van Manen en Zwart het andere complex gerenoveerd en aangepast aan de veranderde opvattingen over bejaardenhuisvesting. Het werk is in april 1990 voltooid. Op de 28ste van die maand zweeft burgemeester John te Loo in een kooi aan een PAX-kraan naar de voorste tuinkoepel en plaatst daar, als officiële heropeningshandeling van het complex, een bord met de gasthuisbel. 

De volgende jaren gaat het gasthuis door met het renoveren van haar bezittingen. In 1991 ondergaat het voormalige ziekenhuisje, dat in-middels de wat weidse naam Perkflat had gekregen, een grondige opknapbeurt. Twee jaar later gebeurt hetzelfde met de panden Grote Kerkstraat 41 en 43. Daarna zijn de panden Grote Kerkstraat 33, 35 en 37 aan de beurt. Er worden drie luxueuze appartementen in aangebracht. Met het verwerven van die drie panden heeft het gasthuis een gericht aankoopbeleid voltooid: het in eigendom krijgen van alle panden rondom de prachtige tuin. Het gasthuis bezit daarmee een waardevol stukje binnenstad, rijk aan geschiedenis, dat met zorg en gevoel voor die waarde en geschiedenis beheerd en gebruikt wordt.


DEEL 2  DE GEBOUWEN

De gebouwen van het gasthuis en hun details

Het bestuurshuis, Grote Kerkstraat 39

In 1856 kocht het gasthuis twee huizen in de Grote Kerkstraat aan van Abraham Swart, Johannes Antoon Janssen en Christiaan Pieters Bleeker. Deze panden worden het latere bestuurshuis van de instelling. Op de kaart van Sems uit 1603 zijn de panden te herkennen als twee diephuizen met trapgevels. Hoe de bouwgeschiedenis voortgaat is niet bekend maar het pand wordt in de 18de eeuw verbouwd. Hoogstwaarschijnlijk zijn de twee panden samengevoegd tot één herenhuis. Zeker is dat het pand na de verwerving door het Sint Anthoon opnieuw grondig wordt verbouwd. Daarna wordt het verhuurd aan mr. Solko Walle Tromp, voogd en rentmeester van het Sint Anthony Gasthuis. Hij woont hier van 1862 tot zijn dood in 1874.
Na zijn overlijden nemen de voogden en voogdessen het besluit om op de begane grond van dit pand vergaderkamers te laten bouwen en er de administratie van het gasthuis onder te brengen. In 1877 volgt daartoe een verbouwing, waarvoor Frederick Stoett tekent en diens zoon Herman Rudolph later meewerkt. Het westelijke deel van het pand wordt gedeeltelijk afgebroken en opnieuw opgebouwd en uitgebreid in volledige harmonie met het oudste deel. In deze periode worden de empire ramen aangebracht die in de hergebruikte kozijnen werden geplaatst.
Het exterieur is vrij sober, maar het metselwerk van het oude rechtergedeelte is fraai: de rode steen is met een flinterdunne voeg gemetseld. De steenkleur verraadt dat het hier gaat om 18de-eeuws metselwerk want in de 19de eeuw is de steen door een ander productieproces veel donkerder. Het interieur is zeer fraai. Een lange gang loopt van voor naar achter met aan weerszijden vertrekken. De gang heeft marmeren tegels en lambizering. De afmetingen van de tegels zijn vrij fors, hetgeen de rijkdom van de opdrachtgever aantoont. In de gang bevindt zich links een sierlijke, later aangebrachte, trap met ijzeren balustrade naar de verdieping. Onder de trap naar de verdieping zit een boogje met eenvoudig stucornament. Onder de trap  is een steektrap naar de kelder. In de kelder bevindt zich rechts de keuken. Aan de andere zijde bevinden zich de droogkasten, waar etenswaren te drogen werden gelegd. Precies onder de gang ligt  nog een overwelfd deel van de  kelder. 
Rechts van de ingang bevindt zich het kantoor, met een stalen kluiskast op de plaats van de schouw. Vanuit deze ruimte geeft een dub-bele deur, een zogenoemde  porte-brisée, toegang tot de vertrekken erachter: de vergaderruimtes van het gasthuisbestuur. Dit zijn twee vertrekken achter elkaar die beide zeer rijk gedecoreerd zijn. De lambizering, de plafonds en de kastdeuren in deze ruimtes zijn voorzien van zeer fraai Art Nouveau schilderwerk. De muren zijn voorzien van stofbehang in een diep rode tint. In elk vertrek bevinden zich 19de-eeuwse schouwen. Rechts achterin het laatste vertrek bevindt zich een kamertje met een grote kluis, waarin vroeger de rijkdommen werden bewaard. Nu is de kluis niet meer in gebruik. Aan de achterzijde worden de vertrekken afgesloten door een driezijdig gesloten gevel met grote T-vensters gericht op de tuin. 

Grote Kerkstraat 41

Het pand naast het bestuurshuis is een bijzonder monumentaal pand. Zoals op zoveel plekken in de binnenstad schuilt achter deze 19de eeuwse gevel een veel oudere kern. Het pand is vermoedelijk gebouwd in de 16de eeuw en bestond toen nog uit twee panden. Het gedeelte links van de entree was oorspronkelijk een laag dwarshuis met een kelder en vermoedelijk één bouwlaag en een kapver-dieping. Rechts daarvan bevond zich een diephuis: een hoog huis met een trapgevel. De achtergevel is nog gedeeltelijk oorspronkelijk. In ieder geval is hieraan duidelijk het oorspronkelijke bouwvolume te zien. Als op verschillende kaarten de bouwvolumes worden bekeken dan zien we een verschil optreden op een kaart van rond 1660. Op kaarten vóór die tijd zien we duidelijk twee dwarspanden in het bouwblok: het hoekpand met de Wijde Gasthuissteeg én het pandje dat tot Grote Kerkstraat 41 behoort. Op de kaart van 1660 zien we dat het hele bouwblok, op het hoekpand aan de Wijde Gasthuissteeg na, bestaat uit dieppanden. Dit beeld zet zich voort op latere kaarten. Het is dus niet onwaarschijnlijk dat het pand in de eerste helft van de 17de eeuw een omvangrijke wijziging heeft ondergaan, waarbij het aanzienlijk is vergroot. Het heeft in deze tijd waarschijnlijk het huidige bouwvolume gekregen. In de 18de eeuw is het pand opnieuw ingrijpend gewijzigd, maar dit betreft met name het interieur. Vervolgens is in de 19de eeuw de voorgevel aangepast, waarbij de kroonlijst en de grote vensters zijn aangebracht. 

Het pand heeft een centrale gang die van voor naar achter loopt. De gang is voorzien van marmeren tegels en lambrisering. Rechts bevinden zich twee 18de eeuwse deuromlijstingen en in het midden van de gang bevindt zich een poort uit dezelfde periode, beiden uitgevoerd in de Lodewijk de Veertiende stijl, die tussen 1700 en 1740 in zwang was. Op de plaats van de poort is nu de toegang naar de woning op de begane grond. Links achter de poort bevindt zich een zeer oude spiltrap. Opmerkelijk is dat het oudste gedeelte van de trap, het gedeelte met een ronde spil en eenvoudige uitgesneden treden, boven een latere trap is geplaatst. De nieuwere trap heeft een achtzijdige spil met geprofileerde treden en stootborden. Dit is te verklaren doordat bij verbouwingen uit kostenoverwegingen materiaal vaak opnieuw werd gebruikt. Waarschijnlijk is de nieuwe trap aangebracht bij het verhogen van dit deel van het pand in de eerste helft van 17de eeuw. De nieuwe trap die modieuzer was werd in het zicht gebracht, terwijl de oude trap naar boven werd verplaatst om de nieuwe verdieping te bereiken. Deze wijze van hergebruik van materiaal is in meer panden in Leeuwarden aangetroffen. De oudste trap dateert dus van vóór 1644, en hoort mogelijk zelfs bij het oorspronkelijke 16de-eeuwse huis.
Vanuit dit middendeel bij de trap is de boven de kelder gelegen voorkamer toegankelijk; dit werd vroeger wel de kelderkamer genoemd. Hier is een hoge schouw te zien met een fraai schilderstuk. Deze wordt in een verkoopakte van 1735 als volgt beschreven: ‘Een kelderskamer aen de straet met een schoorsteen en voor deselve een schilderije en spiegelglas behangen'.
Rechts van de gang bevinden zich de hoofdvertrekken die middels een port-brisée met elkaar verbonden zijn. De vertrekken zijn voorzien van een enkelvoudige balklaag. In de voorkamer is nog een 18de-eeuwse schouw aanwezig, in de achterkamer is die verdwenen. De vertrekken moeten zeer rijk ingericht geweest zijn. Een verkoopakte uit 1735 geeft hier een uitvoerige beschrijving van: 'een groot sael met een kostelijk schilderij en spiegelhke voor de schoorsteen en van gelijke een heerlijke schilderij boven de porte-brisees en kostelijke tapeten, behangselen en kroon welke mede onder coop en koopschat sijn beklemt, een groote agterkamer op de tuin uitsiende met gouden leer behangen, hebbende mede een schilderij en spiegelglas in de schoorsteenmantel en aan weerskanten van de schoorsteen een groot bouffet, beide dese kamers met houten floeren, die door het openen van de porte-brisee tusschen beiden voor één kunnen worden gebruikt'. Tussen 1712 en 1735 waren Generaal Majoor J. van Idsinga en zijn vrouw eigenaren en bewoners van het pand. Dit echtpaar heeft het huis aanzienlijk gemoderniseerd. Dit is te zien aan de beschrijving van het huis uit 1735. Tijdens de verbouwing zijn de 18de-eeuwse elementen als de schoorstenen met schilderijen en spiegels, de porte-brisée en de deuromlijstingen van het voorhuis aangebracht. Bijzonder aan het pand is de voormalige keuken achter de trap. Hier bevindt zich een watersteen met twee koperen kranen die in de akten van 1683 en 1713 worden genoemd: 1713 - ‘een groote keuken, tevens deselve agtercamer met een blauwe steenen vloer daarin een schone regenswaterbak, put, pompen met een koperen kraan watersteen fornuisen en meer ander gerieff'.
Opvallend in beide aktes is dat er verschillende keukens worden genoemd. Vaak zijn dit verschillende vertrekken waarin niet altijd gekookt werd. Met de grote keuken die hier is genoemd wordt waarschijnlijk de eetkamer aangeduid. Verder wordt in de aktes ook nog een ‘koucken' (1683)en ‘somerkeuken' (1735) vermeld. Een zomer-keuken stond altijd apart van het hoofdgebouw. Hier werd in de zomer het eten klaargemaakt. Voordeel hiervan was dat de bewoners tijdens het bereiden van het voedsel geen last hadden van de kooklucht en ongewilde warmte in de zomer. Dat gold met name als er grote hoeveelheden voedsel werden bereid, bijvoorbeeld voor het inmaken voor de winter of het verwarmen van het waswater. Daarnaast werd de kans op brand aanzienlijk verminderd. Van de in de akte van 1683 genoemde ‘koucken' is het niet duidelijk of deze apart van het woonhuis heeft gestaan. Waarschijnlijk is dit wel, want er wordt vermeld dat erboven een turfzolder zit. In de eerste helft van de 19de eeuw wordt het pand opnieuw verbouwd, waarbij de voorgevel aangepast wordt en de huidige uitmonstering krijgt. In het midden van jaren negentig van de vorige eeuw wordt het pand grondig gerestaureerd en verbouwd waarbij de huidige appartementen zijn gerealiseerd.

Het Oud Sint Anthoon

De naam van het gasthuis aan de Grote Kerkstraat, het in de volksmond geheten Oud Sint Antoon is wat verwarrend: het gebouw is namelijk nieuwer dan het Nieuw Sint Anthony Gasthuis. Het is dan ook de opvolger van een groep gebouwen die op dit terrein stond en die gezamenlijk het Oud Sint Antoon vormde. Op de kaart van Sems is goed te zien hoe dit eruit moet hebben gezien, maar er zijn ook gravures van voor de vernieuwing.
Het gasthuisterrein besloeg het gebied tussen de Grote Kerkstraat, de Sint Anthonystraat en de Beyerstraat. Aan de zuidzijde werd het gebied begrensd door de tuin van het Stadhouderlijk Hof. Behalve dit terrein behoorden ook kamers elders in de stad tot het gasthuis. Toen het nieuwe Sint Anthony Gasthuis in 1864 gereed was, werd duidelijk dat ook het oude Sint Antoon niet meer voldeed. Ondanks verbouwingen en reparaties waren er veel klachten van bewoners over de slechte toestand van de woningen. Dit zorgde ervoor dat het bestuur in 1876 besloot om ook dit gasthuis geheel te vernieuwen. In oktober van dat jaar konden de eerste ontwerptekeningen van de architect Frederik Stoett bekeken worden. Het gebouw had evenals het Nieuwe Sint Anthony Gasthuis een harkvormige plattegrond: een hoofdvleugel met vier op het zuiden gerichte zijvleugels waarvan de binnenste twee bij de grootscheepse verbouwing in 1988 zijn afgebroken. Na goedkeuring van het gasthuisbestuur kon begonnen worden met de bouw, waarna het geheel in 1878 werd opgeleverd.
Het gebouw heeft een ruime opzet. De 75 meter lange hoofdvleugel aan de Grote Kerkstraat kwam twee en een halve meter achter de rooilijn te staan en kreeg vier vleugels. De vleugels zijn genoemd naar oude Friese geslachten: Minnama, Wiggama, Jellema, Abbama en Oenama. De vleugels werden, vooral aan de tuinzijde, soberder opgezet dan het hoofdgebouw en varieerden in diepte. Bijzonder was dat niet elke woning een eigen ingang kreeg, zoals de traditie was, maar dat de woningen centraal en van binnenuit ontsloten werden.
Het gebouw is opgetrokken uit baksteen met een op het beloop van het terrein aangepaste hardstenen voet. Het gebouw is onderkelderd met daarboven twee verdiepingen en een kap. Het hoofdgebouw is verlevendigd door regelmatig geplaatste hardstenen pilasters, baksteen omkadering van de gevelvlakken en cordonlijsten die de verdiepingen van elkaar scheiden. In het midden bevindt zich een drie traveeën breed ingangsportaal, waarboven het opschrift anno sint anthony gasthuis 1878 en een sluitsteen met klok. Op het dak bevindt zich een gietijzeren windvaan met een Antoniusbel en een noordpijl.
De beide hoekblokken aan de Sint Anthonystraat en de Beyerstraat hebben afgeronde hoeken. Deze zijn door Stoett op verzoek van het gemeentebestuur ontworpen om de toegang tot de Sint Anthony-straat en de Beyersstraat voor koetsen en wagens te vergemakkelijken. Ronde hoeken zijn karakteristiek voor de Leeuwarder binnenstad in de late 19de eeuw. Dit had te maken met de toenemende verkeersdrukte en de smalle straten in de binnenstad. Met name kruispunten waren problematisch voor afslaand verkeer. Hierop besloot de stad zoveel mogelijk hoeken van panden af te ronden, zodat de binnenstad voor koetsen en wagens beter toegankelijk was. In het muurwerk van het gasthuis zijn twee oudere herdenkings-
stenen aangebracht, respectievelijk uit 1728, ter herinnering aan de bouw van een turfschuur en twee kamers voor krankzinnigen (links van de hoofdingang) en 1783, ter herinnering aan de verbouw van de toenmalige gasthuiskerk. 
Het gehele terrein is aan Grote Kerkstraat-, Beyerstraat- en Sint Anthonystraatzijde omsloten door een eenvoudig gietijzeren hek  met door dennenappels en enig krulwerk versierde palen. Het terrein is vanuit de Sint Anthonystraat toegankelijk via een fraai dubbel hek met daarboven in gietijzer het opschrift sint anthony gasthuis en een cartouche met een Anthoniusbel. 

Aed Levwerd, Grote Kerkstraat 43

Op de hoek van de Grote Kerkstraat en de Wijde Gasthuissteeg staat een pand op een wel heel bijzondere plek. Het is een dwarspand met twee bouwlagen en een kap. Aan de achterzijde is het schild van de kap verlengd zodat er onder meer diepte verkregen is. De voorgevel is in de 19e eeuw gewijzigd, waarbij de kroonlijst, de vensters en de omlijstingen op de begane grond naar de mode van die tijd zijn aangepast. Het is een sober doch fraai woonhuis. Wellicht het meest opmerkelijke aan het pand is de gevelsteen in de voorgevel. Naar de betekenis van die gevelsteen, en daarmee het perceel, hebben velen onderzoek gedaan. Maar tot nu toe is niemand er in geslaagd het raadsel op te lossen. Wel is duidelijk dat de gevelsteen een tastbaar spoor is van de historie van dit perceel.
Op dit perceel stond in de Middeleeuwen een stins die toebehoorde aan de Cammingha's, een van de hoofdelingen-geslachten in de stad. Hoofdelingen waren individuen of invloedrijke geslachten van boeren die veel land bezaten. Ze waren in staat in hun dorpen of gebieden machtsposities te creëren en te behouden. Daarnaast hadden ze bestuurlijke en juridische bevoegdheden verworven. Als teken van hun macht bouwden de hoofdelingen talrijke stinzen of steenhuizen, de voorlopers van de latere burchten, van waaruit ze hun gebieden bestuurden en beschermden. Stinzen waren naast de kloosters en kerken vaak de enige stenen huizen in een dorp of stad. Ze werden veelal vervaardigd van baksteen, wellicht met tufsteen. Vanaf de 12de eeuw werd in Friesland, eerst op kleine schaal, baksteen geproduceerd. Door de hoge kosten van baksteen en natuursteen konden alleen rijke families een stins bouwen; de overige woningen werden veelal uit hout en leem opgetrokken. De Cammingha's waren een vermogend en invloedrijk geslacht met een omvangrijk grondbezit, waaronder aanzienlijke gebieden ten noordoosten van Leeuwarden. Er zijn verschillende Cammingha-stinzen in Leeuwarden geweest, waarvan drie in de Grote Kerkstraat. De stinzen hadden oorspronkelijk naast een woonfunctie ook een defensieve functie, wat ook wel nodig was in de onrustige late Middeleeuwen. Tevens boden stinzen bescherming tegen de stadsbranden die Leeuwarden geregeld teister-den. De stinzen verloren hun defensieve karakter nadat de stadsgrachten voltooid waren en de stad als geheel kon worden verdedigd. De meeste stinzen raakten in verval. Vele werden in de eeuwen erna afgebroken omdat de kosten van onderhoud te hoog werden.  

Zoals vermeld is de ontstaansgeschiedenis van deze stins raadselachtig. Een overzicht van wat uit de bronnen bekend is kan een tip van de sluier oplichten. Volgens de gevelsteen zou de stins gebouwd zijn in 1171. Een tamelijk vroege datering, want baksteen, dat veelal werd toegepast voor deze bouwwerken, werd pas in de late 12de of begin 13de eeuw op grote schaal gefabriceerd. Het kan evenwel zijn dat de stins gebouwd is met tufsteen zoals bij veel middeleeuwse kerkjes het geval was in het terpengebied. Maar ook het bouwen in tufsteen was een zeer dure aangelegenheid. In de literatuur worden ook andere meldingen gemaakt. Volgens J.G. Schuur in zijn boek ‘Leeuwarden voor 1435' wordt de stins in 1527 in bronnen genoemd. Op basis van andere gegevens gaat Eekhoff ervan uit dat de stins vermoedelijk in 1238 weer is opgebouwd - of verbouwd. Over de oorsprong tasten we dus in het duister maar zeker is dat in bepaalde stukken van het Sint Anthony Gasthuis uit 1535 het huis is vermeld met de aanduiding: het Olde Stins. Daarnaast komt het huis in 1543 voor in het ‘Beneficiaalboek van Friesland' onder de naam 't olde Styns by Sinte Anthonis Gasthuys als bezitting van Rints van Minnema, de weduwe van Wytze van Cammingha. Ook is uit de stukken duidelijk dat het gaat om een oud en fors gebouw met een grote voorpoort in de naastgelegen steeg. Het pand zal dan al wel een behoorlijke ouderdom hebben. In de 15de eeuw werd het gebruikt als particuliere Latijnse school voor de kinderen van stadsbestuurders en grietmannen. De stins, dan nog steeds eigendom van de Cammingha's, werd nu aangeduid als De Groote Schoole. Tussen 1584 en 1587 heeft het huis nog een tijdje als residentie gediend van stadhouder Willem Lodewijk van Nassau, maar het was inmiddels al zo bouwvallig geworden, dat het in 1594 op afbraak verkocht werd. Uit bronnen is op te maken dat metselaar Wybe Lieuwes in 1595 een nieuw huis bouwde. Op zijn kaart uit 1603 tekent Sems op de plaats van de oude stins een dwarspand met een tuitgevel. Blijkbaar was de hele stins afgebroken en heeft hij plaatsgemaakt voor een woonhuis. Op een tekening uit 1723 van Jacobus Stellingwerf is het pand beter te zien. Ook tussen 1603 en 1723 lijkt het pand weer een verbouwing te hebben ondergaan, waarbij de tuitgevel is verdwenen. Stellingwerf laat een wat sobere gevel zien met een brede luifel boven de ingang, het rechter venster en de potkast (een uitstekende kelder). In de gevel zitten enkele kruisvensters en drie kleinere ramen. Een opvallend detail is dat hier een gedeelte van de huidige gevelsteen is te zien.
Stellingwerf tekent heel duidelijk een leeuw. Het bovenste deel van de huidige gevelsteen vertoont dus overeenkomsten met de gevelsteen die Stellingwerf heeft getekend. De gevelsteen zoals hij er nu uitziet bestaat uit twee delen: op het bovenste deel staat een afbeelding van een stins met een zadeldak tussen topgevels, torens op de hoeken en een open weergang met vensters daartussen. In een van de muurvlakken is een poort te zien en op de zijgevel is een wapen opgehangen. Dit biedt ons een goed inzicht in  hoe een stins er uit moet hebben gezien. Op het onderste deel staat Aed Levwerd en 1171
vernieut 1762. Het opschrift van de gevelsteen doet vermoeden dat het pand in dat jaar ingrijpend is verbouwd of geheel is vernieuwd. Ook staat er een teken op het onderste gedeelte, naast 1171. Het is een merkteken, maar het is niet precies bekend wat het betekent.
Het zit op een te prominente plek om het door te laten gaan als een steenhouwersmerk. Het zou een huis- of handmerk kunnen zijn. Huis- of handmerken waren tekens van een familie, vergelijkbaar met een wapen. Het huismerk is een zeer eenvoudige eigendomstekening van Germaanse oorsprong en bestaat uit simpele rechte lijnen omdat het merk gemakkelijk in steen of hout aangebracht moest kunnen worden. Het handmerk werd ook wel voor het ondertekenen van stukken gebruikt. Vaak zien we het teken dan samen met de geschreven naam. Als het hier gaat om een huis- of handteken dan kunnen de letters MB de initialen van de eigenaar zijn. 

Het Ketelhuis

Aan de oostzijde van de Wijde Gasthuissteeg staat een wat onooglijk gebouw waar ook de gevelsteen met gouden bel in de gevel prijkt. De forse schoorsteen verraadt de functie: het is het ketelhuis van waaruit alle gebouwen van het gasthuis, in en om het Perkswaltje, werden - en worden - verwarmd. Nadat het bestuur zich al langer het hoofd had gebroken over een betere verwarming in de gebouwen, werd in 1936 besloten centrale verwarming aan te leggen. Architect Meek bouwde in 1937 het ketelhuis. Geen bijzonder gebouw, opgetrokken als het is in de wat sobere bouwtrant die eind jaren dertig veelvuldig werd gebruikt. Op de begane grond werden de kolen bewaard en in de wel vier meter diepe kelder stonden de ketels. Jarenlang hielden de installatiebeheerders dagboeken bij met nauwkeurige aantekeningen over allerlei relevante gegevens: binnen- en buitentemperatuur, aanlevering van brandstof en het verbruik daarvan, klachten, kleine reparaties, groot onderhoud en omstandig-heden in de panden die van invloed op het stoken zouden kunnen zijn. Het ketelhuis is nog steeds in gebruik. Op de plek waar de kolen werden bewaard is nu de werkplaats voor de technische dienst van het gasthuis. 

Gasthuiswoningen:  Perkswaltje 2, 4 en 6

Het kleine woningblok op de hoek van de Wijde Gasthuissteeg en het Perkswaltje behoort eveneens tot het gasthuis. Dit is duidelijk te zien aan de gouden gasthuisbel in de topgevels. Elk pand dat tot het gasthuis behoort draagt zo'n bel in de gevel. Het woningblokje doet sterk denken aan de Julianavleugel. Dit is niet vreemd, omdat ook dit blok ontworpen is door huisarchitect W.C. de Groot. De nummers 4 en 6 zijn in 1894 gebouwd, nummer 2 in 1917, kort na de voltooiing van de Julianavleugel. De woningen waren waarschijnlijk alle bedoeld voor het vaste personeel van het gasthuis. Zeker is dat nummer 2 de tuinmanswoning was. Alle drie woningen zijn in de Neo Renaissancestijl gebouwd en vormen duidelijk een ensemble dat qua schaal een eenheid vormt met de straatwand. Toch hebben de afzonderlijke woningen, ondanks de hoge ensemblewaarde, wel een eigen karakter gekregen door kleine verschillen in de opbouw en de decoraties.

Bijzonder zijn de rijk gedecoreerde trapgeveltjes. Boven de ingang van nummer 6 wordt de natuurstenen waterlijst ondersteund door een tandlijst van grijze en rode baksteen en op de hoeken door consoles met kopjes. Daarboven bevindt zich een trapgeveltje met natuurstenen schouderstukken. De pinakel wordt ondersteund door een aanzetsteen met leeuwenkop. Op de pinakel is een sieranker aangebracht en ter weerszijden hiervan bevinden zich kleine klauwstukken. De gevel wordt bekroond met een bal. Bij nummer 4 loopt de gootlijst over de volle breedte door. Onder de goot wordt het muurwerk bekroond met een fries van metselwerk met rosetten en boven de ingangspartij door consoles met kopjes. De geveltop is eigenlijk geen trapgevel maar een variatie op een zogeheten Vlaamse gevel. Dit is een stenen dakkapel waarbij de voorzijde in een lijn doorloopt in de gevel en dus niet terugspringt zoals de meeste dakkapellen doen. De geveltop is ‘zwaar' versierd met natuurstenen banden in het metselwerk, klauwstukken en een kroonlijst met gegroefde console. Daarboven wordt de gevel afgesloten door twee ballen en in het midden vindt men een geliefd klassiek tempelmotief met pilasters en fronton, een zogeheten Aedicula.
De Groot wilde dat het hoekpandje overeenkwam met de andere twee woningen, maar tegelijk heeft hij duidelijk willen laten zien dat het hier om een latere toevoeging gaat. Het pand toont bijna vanzelfsprekend, gezien het bouwjaar, overeenkomsten met de Julianavleugel. In vergelijking met de nummers 4 en 6 is de stijl hier ‘strakker' en lijkt de gevel wat rijziger doordat de nadruk is gelegd op de enigszins vooruitspringende trapgevel en de hogere kap. De entreepartij wordt benadrukt door een luifel die enkele decimeters buiten de gevel steekt. De luifel wordt ondersteund door gepro-fileerde zuiltjes op muurtjes ter weerszijden van de stoep. Boven de luifel bevindt zich een natuurstenen rondvenster versierd met een guirlande.
Is bij de overige woningen de overgang tussen de bouwlagen nadrukkelijk aangegeven, bij nummer 2 is dit niet het geval. Bij dit pand zijn het de luiken die de aandacht vragen. Met dit ensemble heeft De Groot op een subtiele wijze de gevelwand een mooie afsluiting gegeven. 

Het Perk

Het gebied tussen de Grote Kerkstraat, Groeneweg, Pijlsteeg en de Doelestraat is tijdens de 19de eeuw sterk veranderd. In dit gebied, achter de stadsverdedigingswallen en de rond het midden van de 17de eeuw aangelegde Prinsentuin, bevond zich een open terrein. Meer naar de Grote Kerkstraat toe was het gebied dicht bebouwd met kleine stegen. Het was zeker geen vooraanstaande plek. Hier zaten de leerlooiers en schoenmakers die verplicht werden hun ambacht aan de stadsrand uit te oefenen omdat hun werkzaamheden voor nogal wat stankoverlast zorgden. Maar tevens was hier, in ieder geval in de 16de eeuw, de rosse buurt gesitueerd.
De gildebroeders van de Leerlooiers pachtten het open terrein - het perk - voor 12 goudguldens per jaar van de kerk van Oldehove. Het perk werd in de 17de eeuw naar de oost- en noordzijde uitgebreid en kreeg een afrastering met aan de Groeneweg een poort. Uitgezonderd de Wijde- en de Dichte Gasthuissteeg zijn alle stegen verdwenen.

Wat er in de 18de en 19de eeuw precies in dit gebied veranderde is wat onduidelijk, maar zeker is dat het Sint Anthony Gasthuis enkele panden in en bij de Grote Kerkstraat en Perkswaltje verwierf. Daaronder was in 1857 het herenhuis Grote Kerkstraat 39. In de archieven wordt gemeld dat in dat jaar een dubbel herenhuis in de Grote Kerkstraat (waaronder nummer 39), een koetshuis met stalling aan de Groeneweg, tien huizen aan de Groeneweg, een huis in de Pijpbranderssteeg en zes stukken grond aan de Groeneweg gekocht worden van Anna Charlotte van der Haer en Catharina Johanna van der Haer. Kort hierop werd de binnengracht van de Nieuweburen langs het Schoenmakersperk en het Perkswaltje gedempt. Hiermee waren de ruimtelijke voorbereidingen getroffen voor de bouw van een nieuw gasthuis op deze plek.
Ondertussen woedde het hoogoplopende conflict tussen het gemeentebestuur en de voogden van het Sint Anthony Gasthuis. Met de uitspraak van de Hoge Raad waarmee de zelfstandigheid van het gasthuis bevestigd werd, zagen de voogden mogelijkheden om een al langer gekoesterde wens tot uitbreiding ook daadwerkelijk aan te pakken. Op het in 1857 verworven terrein werd het nieuwe gasthuis geprojecteerd en architect Frederik Stoett kreeg de opdracht voor het ontwerp. Frederik Stoett was in 1811 geboren als zoon van een uit Westfalen gevluchte timmerman. Hij werd opzichter van wegen en gebouwen van het Rijk, de voorloper van de Rijksgebouwendienst, waardoor hij onder andere betrokken was bij de bouw van het Paleis van Justitie. Daarnaast nam hij ook particuliere opdrachten aan. Hij was onder andere de ontwerper van het Ritske Boelema Gasthuis aan de Turfmarkt. In tegenstelling tot het Nieuw Sint Anthony Gast-huis was dit gasthuis op traditionele wijze in een carré-vorm rond een bleek opgezet.
Op 5 maart 1862 werd het nieuwe gasthuis voor 82.500 gulden aan-besteed en op 1 mei 1864 kon het gebouw worden opgeleverd. Het complex breidde zich al kort na de oplevering uit. Tussen 1865 en 1889 kocht het bestuur enkele verpauperde huisjes aan het Schoen-makersperk, die direct werden gesloopt. De verkregen ruimte werd gebruikt om de Wiardavleugel uit te breiden en om tuinen aan te leggen, behalve op de hoek van het Schoenmakersperk en de Groeneweg waar twee huizen voor personeelsleden van het gasthuis werden gebouwd. Deze woningen zijn inmiddels gesloopt. Later werden ook de overige woninkjes aan het perk gekocht en gesloopt. Door de verkregen ruimte kon in 1909/10 de Julianavleugel onder architectuur van Willem Cornelis de Groot tot stand komen. 

Het Nieuw Sint Anthony Gasthuis

Wanneer men vanaf het centrum door de Grote Kerkstraat loopt en bij de Pijlsteeg afslaat richting het Perkswaltje komt men terecht in een oase van rust. Een fraaie parkachtige omgeving met een afwisselende tuinarchitectuur. Het is een schril contrast met het drukke, dichtbebouwde centrum. Op het eerste gezicht ziet men vier deftige villa's in een groene omgeving. De villa's hebben een rechthoekige grondslag met twee woonverdiepingen en een flauw schilddak. Ze hebben een typische 19de-eeuwse uitstraling met symmetrisch ingedeelde gevels en regelmatige grote vensters en een centrale entreepartij. De gevels worden omlijst door lisenen, een breed lijstwerk onder de goot en een hardstenen plint boven het maaiveld. Ook de grote vensters zijn breed omlijst. De centrale ingangspartij wordt benadrukt door pleisterwerk waarin scherpe schijnvoegen zijn aangebracht. Hierdoor wordt de indruk gewekt dat er veel natuursteen is gebruikt, wat een chique uitstraling geeft en erg geliefd was in die tijd.

Als men even langer stilstaat wordt pas duidelijk dat het hier gaat om een complex waarvan de villa's de hogere, zuidelijke kopwoningen zijn. De plattegrond van het complex wordt helder als de assen van de bouwblokken met elkaar verbonden worden. Het complex heeft een hark-vormige plattegrond: een langgerekt bouwvolume aan de Groeneweg met ten zuiden daarvan vier dwarsvleugels die de hogere villa's als afsluiting hebben. De vleugels achter de villa's hebben een bouwlaag met daarboven de kap. Ook hier zijn de raampartijen ritmisch in de gevels aangebracht maar ze zijn niet omlijst. De gevels zijn vrij sober gedecoreerd, alleen de goot met sierlijke gootklossen en de roset-ankers geven de gevels wat sjeu. De plattegrond is een goed voorbeeld van de moderne 19de-eeuwse bouwopvatting, waarbij het gezondheidsaspect een grote rol speelde. De licht- en luchttoetreding van de woningen dient volgens deze opvatting optimaal te zijn en door het gebruik van dit type bouw wordt elke vleugel voorzien van voldoende licht en lucht. De centrale entreepartij van het complex aan het Perkswaltje bevindt zich ietwat verscholen in het middelste segment van de vleugel aan de Groeneweg, de Sint Jacobs-vleugel. De ingang wordt bekroond door een fronton met daarboven een opengewerkte klokkenstoel met uurwerk en klok.

In de 19de eeuw was de maatschappij opgedeeld in duidelijk gescheiden klassen die grofweg in te delen waren in de arbeidersklasse, de middenstand en de hogere burgerstand. Daarbinnen bestonden ook weer onderverdelingen. Ook in het gebouw is een klassenverdeling aangebracht die zichtbaar is gebleven in de architectonische uitdrukking. De Sint Jacobsvleugel en de dwarsvleugels zijn zichtbaar ondergeschikt aan de kopwoningen. De dwarsvleugels dragen de namen en wapens van historische weldoeners: Burmania, Minnema, Auckema en Wiarda.
De villa's waren bestemd voor lieden uit den beschaafde stand oftewel de proveniers. Zij hadden hun bezit overgedragen aan het gasthuis in ruil waarvoor ze tot hun dood verzekerd waren van een verzorgde oude dag. Ook degenen die wel behoorden tot een gegoede klasse maar niet voldoende financiële middelen hadden, konden een plaatsje in de kopvilla's krijgen. In de vleugels erachter werd de gewone man gehuisvest. Getrouwden en weduwen kregen hun eigen woninkjes maar alleenstaande mannen kregen gezamenlijke onderkomens in de Wiardavleugel, de meest oostelijke vleugel. Daar waren ook de meeste van de algemene functies ondergebracht zoals de keuken, het ketelhuis en de droogkamer. De gasthuisvader had in de Wiardakopvilla een etage voor zichzelf en voor de voogden waren er twee vergaderruimtes.

Verschil in stand moest er zijn want ook voor het gebruik van de tuinkoepels werd onderscheid gemaakt tussen de klassen. De koepel bij de Wijde Gasthuissteeg was bedoeld voor de armere bewoners en de ‘hogere' stand kreeg een eigen prieel bij de Minnemavleugel. Dit bijna vanzelfsprekende klassenverschil uit die tijd wordt ook duidelijk uit de archieven. Proveniers die zich al hadden ingekocht moesten soms wachten op een woning. Tijdelijk werden ze dan elders in het gasthuis tussen het gewone volk ondergebracht. Dit zorgde voor ontevredenheid.

In de zijvleugel bevindt zich de bestuurskamer van het Nieuw Sint Anthoon. Hier komen elk jaar de pachters nog samen op de betaal-dagen. Vroeger werd op deze dag de pacht overhandigd. Tegenwoordig gebeurt dit anders, maar nog altijd wordt de traditie om op die dag samen te komen in stand gehouden. De bestuurskamer is in Neo Renaissance stijl ingericht, met een hoge schouwpartij die aan weerszijden wordt gesteund door schoorsteenposten en zuiltjes met kapitelen van leeuwenkoppen. Als haardplaat is er een tegeltableau van het Oud Sint Anthoon naar een tekening van A. Martin. De wanden van het vertrek zijn voorzien van een vrij hoge paneellambrisering en het plafond is een variatie op een zogenoemd cassetteplafond. Deze kamer is de enige kamer die nog in originele staat is. De overige kamers zijn in de loop der jaren behoorlijk aangepast om onderkomens te creëren die voldoen aan de eisen van deze tijd.  

De Julianavleugel

In 1909/10 kwam aan het Schoenmakersperk de grote Julianavleugel tot stand naar ontwerp van Willem Cornelis de Groot. Het is een rechthoekig bouwwerk van twee hoge bouwlagen en een hoog opgaand met leien gedekt dak met een aantal grote, uitgebouwde trapgevels. De gevels zijn opgetrokken in baksteen met afwisselend natuurstenen banden. Hierin zijn kruisvensters geplaatst met daarboven de ontlastingsbogen voorzien van natuurstenen neggen. Aan de voorzijde wordt het gebouw afgesloten door drie hoge trap-gevels en aan de zijde van het Schoenmakersperk bevinden zich nog eens twee trapgevels. De boogtrommels boven de vensters van de gevels die vanaf de straat te zien zijn, zijn voorzien van rolwerk met versieringen in de vorm van woest uitziende koppen. Op de begane grond zijn ze voorzien van decoratief metselwerk. In het midden van de lange gevel aan de Schoenmakersperkzijde is de uit het Oud Sint Anthoon afkomstige barokke poort uit 1682 verwerkt. Op het bekronende timpaan zit de heilige Antonius geflankeerd door twee proveniers.
De vleugel is gebouwd in een stijlzuivere (noordelijke) Renaissance en vormt met de tegenover liggende vleugel van het Nieuwe Stads-weeshuis uit 1888 een bijzondere begrenzing van het Schoenmakers-perk. De Neo Renaissance is een van de vele neo-stijlen die aan het einde van de 19de eeuw in ons land opkwamen en die rond 1915 weer aan betekenis verloren. Het is een stijl die duidelijk geënt is op een oude Hollandse traditie van bouwen in de renaissancetijd. Kenmerkend aan de stijl is het gebruik van baksteen afgewisseld met natuursteen banden of speklagen, natuursteen neggen in de vensterbogen, siermetselwerk in de boogtrommels, exotische decoraties als medaillons, diamantkoppen en sierkoppen. Maar het belangrijkste kenmerk is wel het veelvuldig gebruik van trapgevels, die ook in de 17de eeuw veel gebruikt zijn. In vergelijking met de traditionele Renaissance trad er wel een schaalvergroting op. Werden tijdens de Renaissance nog relatief kleine gebouwen opgetrokken, tijdens de Neo equivalent werden vaak grote complexen of een aaneenschakeling van kleinere gebouwen neergezet. De Groot heeft met het ontwerp een groot complex neergezet. Maar hij heeft het op de een of ander manier toch zó weten te bouwen dat het niet groots aandoet; er zit als het ware een menselijke maat of herkenbare schaal in.
W. C. de Groot was een belangrijk architect voor Leeuwarden en was tevens vanaf 1887 de ‘huisarchitect' van de instelling. Willem Cornelis de Groot werd geboren op 6 oktober 1853 te Hollum op Ameland en vestigde zich in 1871 in Leeuwarden. Zijn vroegst bekende grote op-dracht was de Noorderkerk aan de Grote Kerkstraat. Andere in het oog springende ontwerpen zijn het Diaconessenhuis (1894) aan de Noordersingel, volkswoningcomplexen in Leeuwarden waaronder Nieuw Eigen Brood Bovenal (1904) en de Hollanderwijk (1914/1915). In het trappenhuis van de Julianavleugel bevindt zich een fraai tegeltableau te zijner nagedachtenis. 

Weeshuis en Ziekenhuis, Perkswaltje 12

Bij het vaststellen van een nieuw reglement voor het gasthuis in 1864 werd ook bepaald dat de zorg voor wezen, die vanwege hun jeugdige leeftijd nog niet in de weeshuizen konden worden opgenomen, tot de taken van Sint Anthoon moest worden gerekend. Tot die tijd was de zorg voor jonge wezen een particuliere aangelegenheid. Vanaf hun zesde jaar konden wezen opgenomen worden in het Nieuwe Stads Weeshuis of het Old Burger Weeshuis. In 1868 besloot het bestuur om tegenover het nieuwe gasthuis aan het Perkswaltje een weeshuis voor jonge wezen te bouwen. Wie de architect was is niet met zekerheid te zeggen, maar het is mogelijk dat dit Frederik Stoett was.

Er werden twee huisjes aan het Perkswaltje gekocht die meteen werden gesloopt. Hiervoor kwam een eenvoudig herenhuis in de plaats met twee bouwlagen en een kap. Het weeshuis bood ruimte aan tien wezen en een weesmoeder. Het huis had een zit- en eetkamer aan de voorzijde, een speelkamer, een grote slaapzaal boven en een kleine zaal die voor zieken gebruikt kon worden. Achter het huis kwam een open speelplaats met zandbak.
Veel wezen zullen er nooit geweest zijn want in 1913 besloot het bestuur het pand een andere bestemming te geven: gasthuis-ziekenhuis. Vervolgens ontwierp W.C. de Groot in 1928 een aanzienlijke uitbreiding. Daartoe werden vijf onbewoonbaar verklaarde woningen in de Pijlsteeg afgebroken. Ver achter de rooilijn kwam een gebouw tot stand met ervoor een door een hek afgesloten tuin. Het gebouw was een twee verdiepingen hoog slaapzaalgebouw met zuidelijk daarvan een lager element met drie zwakkenkamers. De kleine vleugel werd gebouwd in traditionalistische stijl met een risalerende middenpartij en een topgevel. In de gevel is een steen te zien met een voorstelling van Sint Anthoon met bel en varken.

In 1939 werd onder leiding van de volgende gasthuisarchitect M.O. Meek het pand opnieuw verbouwd zodat er weduwenkamers ontstonden. Daarna is het uiterlijk van dit gebouwencomplex aan Perkswaltje en Pijlsteeg niet meer gewijzigd. Het interieur van het ziekenhuis is nog wel ingrijpend verbouwd voor de huisvesting van ouderen. Maar in de gangen is met de tegellambrisering de ziekenhuissfeer nog steeds goed te proeven. Ook de architraven en glas-in-loodramen zijn nog oorspronkelijk. Op de verdieping aan de achterzijde bevindt zich een mooi vertrek waarin het gasthuis een klein museumpje heeft ingericht. 


De Poortjes

De Vredeman de Vries-poort

Bij gelegenheid van de oplevering van het gerenoveerde Oud Sint Anthoon besluit de woningvereniging de doorgang naar het binnenterrein aan de zijde van de Beyerstraat van een poort te voorzien.
De poort, ontworpen door de Koöperatieve Architekten Werkplaats in Groningen, herinnert aan de in 1527 in Leeuwarden geboren Hans Vredeman de Vries, een merkwaardig en veelzijdig man. Hij was schilder, decorateur en architectuurtekenaar, maar ook stads- en vestingbouwkundige, in welke hoedanigheid hij tot in Dantzig en Praag werkzaam was. Hij publiceerde een aantal boeken waarin hij veel aandacht geeft aan de perspectiefwerking. In het boek Perspective (1604) beschrijft hij de grondregels van het wetenschappelijk perspectief. Tevens dient dit werk als een voorbeeldboek voor aan de klassieke oudheid ontleende elementen. Vredeman de Vries' boeken zijn van grote invloed geweest op de architectuur in Noord-Europa. 

Het Gasthuispoortje

Op 6 juli 1682 aanvaardt meester Frans Tjeerds ‘hardhouwer' voor een bedrag van hondert en tseventig Car.guld, de opdracht een poort te vervaardigen die sullende staan aan de ingangh van Anthonij Gasthuis in de Kerckstraat. Het poortje wordt gemaakt en geplaatst en dient jarenlang als hoofdingang van het gasthuiscomplex aan de Grote Kerkstraat. Op diverse oude prenten is het te zien. Het poortje heeft de eeuwen overleefd. Bij de grote verbouwing in 1783 blijft het gehandhaafd en bij de algehele sloop van het complex in 1877 wordt het poortje uiteen genomen en tijdelijk opgeslagen.
In 1894 ondergaat het een restauratie en wordt vervolgens ingemetseld in de Wiardavleugel van het Nieuw Sint Anthoon waar het als ‘soeppoortje' toegang geeft tot de soepuitdeling. Tenslotte vindt het onder architectuur van W.C. de Groot een plaatsje - zonder enige functie - in de voorgevel van de in 1911 gebouwde Julianavleugel. Daarbij krijgt het een uitbreiding in de vorm van een op het drie-
hoekig fronton geplaatste beeldengroep. In het midden zien we de heilige Antonius geflankeerd door een man en een vrouw. Zij symbo-liseren de verzorgden in het huis. Ter weerszijden zijn in cartouches de teksten te lezen: ‘De ouden tot nut' en ‘De zwakken tot stut'.
Het hergebruik van de poort paste bijzonder goed in de stijl van het gebouw, want vaak werden in de Neo Renaissancestijl poorten aan-gebracht die replica's van 17de eeuwse poorten waren of in ieder geval sterk hieraan deden denken. De Groot zal dus dankbaar gebruik hebben gemaakt van de nog aanwezige poort van het oude gasthuis. 

De poortjes aan de Groeneweg

Aan de uiterste zijden van de gevel van het gasthuis aan de Groeneweg bevinden zich twee poortjes. De westelijke poort is versierd met een leeuwenkopje dat bij de bouwwerkzaamheden in 1862/64 op het terrein is gevonden. Het poortje wordt dan ook het Leeuwenpoortje genoemd. De oostzijde van de gevel wordt afgesloten met het Schoenmakers-poortje. In de Middeleeuwen moesten de leden van het leerlooiers-gilde verplicht hun kwalijk riekende werkzaamheden buiten de stad uitvoeren. Zij hadden daarvoor een stuk land buiten de toenmalige stadsgracht achter de Groeneweg. Later werd dat terrein afgesloten en gaf een grote poort toegang tot het terrein. De gevelstenen bevonden zich in die poort. De stenen tonen typische leerlooiersgereedschappen: een gekroonde els, een bijl en een leermes. Bij de bouw van het gasthuis verdween de poort en werden beide stenen in een nieuw poortje herplaatst samen met de runderkop, als symbool van het leer.  

De andere poort

Eeuwenlang heeft het gasthuis de beschikking gehad over een uitgang via een steeg die loopt van het terrein achter de Grote Kerk-straat naar de Eewal. Het gasthuis had die uitgang gekregen bij een schenking in (of rond) 1436 van Frouke Minnama. Jarenlang is er gebruik van gemaakt tot in 1564 Boudewijn van Loo, rentmeester-generaal van Friesland, zich bij de voogden meldt. Hij wil ter plekke nieuwbouw plegen en daarbij zit de steeg hem eigenlijk een beetje in de weg. Mag hij, zo is zijn vraag, over de steeg heen bouwen en de op die manier ontstane poort afsluitbaar maken? De voogden vinden het goed maar stellen wel als voorwaarde dat de overwelving zo hoog en breed moet zijn dat de hooiwagens van het gasthuis er doorheen kunnen en dat Van Loo - of zijn rechtverkrijgenden - de sleutel van de poort nimmer aan de voogden zal mogen weigeren. Van de overeenkomst wordt een akte opgemaakt en die bevindt zich nog steeds in het gasthuisarchief.
Het gasthuis is van de poortdoorgang gebruik blijven maken, ook toen er later stadhouders in Van Loo's grote huis resideerden en het later koninklijk paleis werd. Pas in 1880, bij een grote verbouwing aan het koninklijk paleis, ruilen de voogden het recht van doorgang tegen een klein stukje grond van de Hoftuin. Het kan dan ook wel; hooiwagens zijn er rond 1880 nauwelijks meer.
Aan de binnenkant is nog iets bijzonders te zien. Een latei (oorspronkelijk een draagbalk boven een poort, deur of venster) van natuursteen met renaissance versieringen. De latei heeft in de poort geen functie maar is kunsthistorisch wel van belang omdat het het oudst bekende beeldhouwwerk met renaissancemotieven in Friesland is. 


De gevelstenen

Pijlsteeg

Tijdens de werkzaamheden aan de uitbreiding van het gasthuis-ziekenhuisje in 1928 besluit het bestuur dat architect De Groot ruimte uit moet sparen voor een gevelsteen met een beeltenis van Sint Anthonius. De opdracht tot vervaardiging van de steen gaat naar Eduard Jacobs uit Laren (N.H.) die een zekere faam geniet en in 1888 de Prix de Rome gewonnen had. Jacobs neemt als voorbeeld een schilderij uit de collectie van het gasthuis, waarop een zittende Anthonius is afgebeeld. Als de steen afgeleverd is, zijn de meningen niet onverdeeld positief. Niet geheel ten onrechte: Jacobs heeft de heilige wat vlak en stijf uitgewerkt en de anatomische onderdelen lijken niet alle even correct. Daarnaast zijn de oren van het varken nogal groot uitgevallen.Toch laat het bestuur de steen in de geveltop van het zwakkenzaaltje plaatsen en daar zit de steen, rechtsonder voorzien van Jacobs' monogram, nog steeds.
Heeft het bestuur achteraf toch bedenkingen gehad bij de wat vlakke en saaie steen van Jacobs? Het zou best kunnen want een jaar later worden de muren rond de tuin opgevrolijkt met een aantal gevelstenen uit het depot van het Fries Museum.

De overige stenen

Op de meeste gasthuispanden is in de gevel een steentje te vinden met daarop een gouden bel op een blauw veld. De bel is het Antonius-symbool bij uitstek en komt talloze malen voor: op de
prieeltjes en tuinbanken, op het briefpapier en de boeken, op veel meubilair en op het bestek. Maar ook in de windvaan boven de tuiningang van het Nieuw Sint Anthoon en in de hekwerken bij de huizen komen we de bel tegen.
Her en der laat de geschiedenis van het gasthuis zich van de muren aflezen. Bij verschillende gelegenheden zijn gedenksteentjes gemaakt die, zij het soms op een andere dan de oorspronkelijke plaats, nog te vinden zijn. De stenen van diverse uitbreidingen zijn bewaard gebleven: 1696 - nu in de oostelijke gevel van het Nieuw Sint Anthoon, 1728 - in de Grote Kerkstraat en 1783 - in de Beijerstraat.

Het Nieuw Sint Anthooncomplex valt haast als een geschiedenisboek te lezen. Boven de ingang aan de Groeneweg zit een steen die herinnert aan de oprichting van het Sint Jakobs Gasthuis in 1478. Boven de ingang aan de andere kant, de tuiningang, vinden we een steen met de namen van alle voogden en voogdessen die in die jaren in functie waren en van de bouwmeester van het complex. Rechts naast de tuiningang is ter gelegenheid van de restauratie van het uurwerk in het torentje een bronzen gedenkplaat aangebracht. Op de fraaie vleugel-kopgevels geven stenen een korte uitleg over de naamgevers van de vleugel en een heel klein eerste-steen-steentje met de namen van twee voogden bevindt zich naast de deur van de Wiardavleugel.
In de Julianavleugel bevindt zich een tegeltableau herinnerend aan W.C. de Groot die van 1887 tot 1930 fungeerde als gasthuisarchitect. Daar is ook het uiterst fraaie tegeltableau te zien dat het gasthuis-bestuur ter gelegenheid van de ingebruikname van de nieuwe Stads-schouwburg De Harmonie had willen aanbieden. Het stuitte op onwil en tegenwerking en ging, jammergenoeg, niet door. 


DEEL 3  DE TUINEN


De tuinen van het Sint Anthony Gasthuis


Welk eene keur van bloemen en heesters,
welk een dicht gebladerte...

Stadstuinen raken in de verdrukking door de oprukkende bebouwing. Het is een verademing als men ruime tuinen in de stad aantreft, zoals die van het Oud- en Nieuw Sint Anthony Gasthuis. Van oudsher bezaten kloosters en liefdadigheidsinstellingen tuinen in de steden. Doel van die tuinen was te voorzien in de dagelijkse levensbehoefte nvan de bewoners. De aanleg was eenvoudig. Kruis- of stervormige paden sloten kleine perken met kruiden en groenten in. Zo was het ook bij het oude Sint Anthony Gasthuis. Volgens de kaart van Blaeu uit 1649 lagen achter het complex drie rechthoekige percelen. Twee hiervan hadden een voor die tijd gangbare geometrische indeling. Verdere details zijn niet bekend maar waarschijnlijk hebben deze perken als een kruidentuin gediend. Het derde langwerpige grasperk aan de westzijde deed dienst als bleek voor het wasgoed. Een boomgaard is hier niet geweest. Het nodige fruit werd van de appelhoven van de gasthuis-boerderijen betrokken. De eenvoudige indeling in rechthoekige percelen bleef in de 18de eeuw bestaan.
Op een plattegrond van J.H. Knoop van omstreeks 1760 ziet men twee langgerekte percelen weergegeven; dit zijn bleekvelden geweest. De twee bleekvelden zijn samen met een driehoekig grasveld en omgeven door hekken goed te zien op een ingekleurde plattegrond uit 1875. 

De tuin voor de nieuwbouw

De oude situatie van de tuin van het Oud Sint Anthony Gasthuis is op een ingekleurde tekening van D. Vonk uit 1875 meer gedetailleerd weergegeven. Hierop is de plaats van de geplante bomen aangegeven. De invulling van het grote bleekveld achter het gasthuis is op een door A. Martin gemaakte tekening te zien. Vonks plattegrond toont een strook met een aanleg in de landschapsstijl aan de Sint Anthonystraat. Een kronkelend pad loopt tussen de ronde en boonvormige grasperken, waarvan enkele door bloemperken zijn verlevendigd. De aanleg herinnert qua stijl aan de bekende tuinarchitect L.P. Roodbaard, die vele tuinen in de stad en in de provincie heeft aangelegd. Vanaf 1820 voerde hij opdrachten uit voor het stadsbestuur en voorname families. Het is niet onmogelijk dat de regenten van het gasthuis, zelf van voorname afkomst, Roodbaard hebben aangetrokken voor de inrichting. Na de verbouwing in 1878 is dit stukje tuin helaas verdwenen.

De aanleg na 1878

De plattegrond van de tuin is na de verbouwing van het Oud-Sint Anthoon grondig gewijzigd. Het nieuwe complex, een hoofdgebouw aan de Grote Kerkstraat met vier vleugels aan de achterzijde, vroeg om een andere inrichting van de tuin. Tussen de vleugels werden de smalle tuintjes volgens het principe van de landschapsstijl, maar wel elk met een eigen tuinplan, aangelegd. Er werden ronde en boonvormige grasveldjes tussen kronkelpaden gerealiseerd, zoals op een foto uit 1925 te zien is.
Het ontwerp was van Gerrit Vlaskamp, telg uit een hoveniersgeslacht. Zijn vader Lambertus Vlaskamp werkte als hovenier met tuinarchitect Roodbaard samen. De invloed van de laatste is dan ook te zien op de weinige bewaard gebleven foto's van de tuinen. De aanleg tussen de keuken- en de Oenemavleugel toont ronde grasvelden met bloemperken en enkele bomen. Een blikvanger vormt de volière, bestaande uit een kioskachtig houten gebouwtje, met een veelhoekige ren voor de vogels. Het is waarschijnlijk een ontwerp van W.C. de Groot, maar de ontwerptekening is niet teruggevonden. Wel is een andere, nooit uitgevoerde versie uit 1904 bewaard gebleven. Een andere foto toont de inrichting van de tuin bij de Minnemavleugel. Hier ziet men opnieuw grasvelden met golvende contouren, verlevendigd met bloemperken en langs de gevels veel rhododendrons. De tuinen met de vele bloeiende planten vormden tot de herinrichting in 1988 een groene oase in de dichtbebouwde binnenstad. 

De tuinen van Nieuw Sint Anthoon

Het complex van het nieuwe gasthuis verrees op het gebied tussen de Grote Kerkstraat en de Groeneweg, het terrein tegenover het bestaande Oud Sint Anthoon. Na aankoop in 1857 van een dubbel herenhuis (Grote Kerkstraat 39, nu het bestuurshuis) van de zusters Van der Haer, verwierf het gasthuis ook het bijbehorende koetshuis, de tuinmanswoning en de uitgestrekte tuin. Daarin stonden een oranjerie, broeibakken en drie beuken. Na het verrijzen van het nieuwe gasthuis werden tussen de vleugels diepe smalle tuinen aangelegd.
 Ook voor de hoofdgebouwen werd een ruime tuin geprojecteerd.
Het complex werd in 1865 aan de kant van het Perkswaltje, dat als voorkant gold, met een hek afgesloten. Het hek werd ontworpen door H.R. Stoett, zoon van architect Frederik. De uitvoering lag bij ijzergieterij B. Mohrmann & Co. te Leeuwarden. Het bestuur was kennelijk tevreden met het resultaat, want de firma mocht ook het hek voor het nieuw gebouwde Oud Sint Anthoon in 1878 leveren.
De langwerpige tuinen werden naar de bekende hoofdgebouwen genoemd, te weten Burmania-, Minnema-, Wiarda- en Aukematuin. Ze bevatten kleine ovale en boonvormige grasvelden, waarin onregelmatig geplaatste bloemperken werden gevormd volgens de landschapsstijl. Een ontwerptekening is er helaas niet meer.
De ontwerper zou G. Vlaskamp kunnen zijn, gezien zijn bemoeienissen met de tuin van het oude gasthuis in 1880. De overeenkomsten in de vormgeving van de tuinen van de beide gasthuizen zijn namelijk groot. Het onderhoud van de tuin was in 1865 in handen van de hovenier P.G. Hornstra uit Leeuwarden. Bote Bloemhof, eveneens tuinman, was de leverancier van bloemen.
In 1867 schonk de bekende Leeuwarder portretschilder J.J.G. van Wicheren enkele paren fazanten ter opluistering van de tuin van het nieuwe gasthuis. Het gebaar kan als een soort relatiegeschenk worden gezien want als portretschilder had hij in de jaren 1861-1863 opdracht gekregen om de voogden van het gasthuis te vereeuwigen. 

In de tuin stond ten oosten van de huidige Wiardavleugel een bloemenkas, waar in 1886 een stookinstallatie werd geplaatst. De kas moest voor de in 1911 gebouwde Julianavleugel aan het Schoen-makersperk plaatsmaken. Een andere, veel eenvoudiger bloemenkas van het zogenaamde lessenaarsmodel, stond tegen de muur die de tuin aan de westkant afsloot. Er zijn van de tuin van het Nieuw Sint Anthoon geen afbeeldingen bekend van voor circa 1900. De oudst bewaarde foto's laten ons eenvoudig aangelegde tuintjes zien met strakke grasvelden. Een enkele boom en wat struiken completeren het geheel. In de voortuin langs het hek aan het Perkswaltje, staan de rechte beuken op een rij. De foto's tonen niet meer de aanleg in landschapsstijl uit 1868, maar een veel strakker tuinplan met heesters dat door fleurige bloemperken werd verlevendigd. De aanleg ademt de sfeer van de toenmalige mode, de architectonische stijl. 

Het aanzien van de tuin is na 1911 opnieuw veranderd. Als gevolg van de bouw van de Julianavleugel werd het tuinplan aan de oostzijde sterk gewijzigd. Behalve de oranjerie moest ook een houten zomertent of prieel worden afgebroken. Daarnaast werd de vorm van de perken aangepast.

Twee nieuwe tuinkoepels

In 1916 werden op de hoek van de Wijde Gasthuissteeg en het Perkswaltje twee kleine woningen afgebroken. Dit terrein werd aan de tuin toegevoegd met het oogmerk er een tuinkoepel te bouwen voor de armere bewoners van het gasthuis. Het werd een houten prieel met puntdak, dat aan de voorkant aan een veranda doet denken. De nog bestaande groene koepel werd aan weerszijden door pergola's geflankeerd. Links ervoor werd een exotische boom geplant, een slangenden met een grillig silhouet.
Elf jaar later, in 1927, verrees een tweede houten prieel voor de meer welgestelde bewoners van de hoofdgebouwen. Het stond meer naar achteren, vlakbij de Minnemavleugel. Deze koepel werd door architect W.C. de Groot ontworpen. De blauwdruk hiervan is bewaard gebleven. De zogenaamde bruine koepel herinnert qua vorm aan het bouwsel uit 1916, maar is groter en wijkt in details af.

Een blik op de tuin nu

Na de renovatie van het gasthuis in 1990 werd de tuin ook grondig opgeknapt. De tuinen tussen de vleugels kregen een formele aanleg met in geometrische patronen geschoren buxusheggen. De sfeer roept de stijl van de 16de-eeuwse architect en tuinontwerper Vredeman de Vries op. Overal werden bolgewassen geplant en de oude beuken staan nog steeds fier overeind. Het westelijk deel van de tuin strekt zich uit tot aan het bestuurshuis van het gasthuis. Deze tuin, oorspronkelijk van de familie Van der Haer, werd in 1877-1878 opnieuw aangelegd en bij de tuin van het gasthuis gevoegd. Een oude kastanjeboom herinnert nog aan de voormalige aanleg. Enkele andere bijzondere bomen zijn de treurwilg, de judasboom en de fraaie slangenden. In 1935 werd een vijver aangelegd en in 1945 plaatste men bij dit water een bakstenen monument ter herinnering aan het 75-jarig bestaan van het gasthuis.
Voor het onderhoud zorgden tot na de oorlog een tuinman en twee knechten. De tuinmanswoning op de hoek van het Perkswaltje, tegenover de tuinkoepel, werd door gasthuisarchitect W.C. de Groot in 1917 gebouwd. Achter dit karakteristieke gebouw stond een plantenkas. De kas, eveneens door De Groot ontworpen, werd in 1974 afgebroken. De huidige tuinman woont in een pand uit 1905 aan de westkant van de tuin.
De goed onderhouden tuin met fleurige bloemenpracht vormt nog steeds een groene long in de stad en is een lust voor het oog van de liefhebber van historische stadstuinen. 


Literatuur

Joke Spaans. Armenzorg in Friesland 1500-1800. Hilversum/Leeuwarden, 1997
Hendrik ten Hoeve, Hugo Kingmans, Peter Karstkarel, en Rita Mulder-Radetzky. Sint Anthoon in steno, steen en groen. Leeuwarden, 1990
Peter Karstkarel. Volkshuisvesting in Leeuwarden. Leeuwarden, 1992
Peter Karstkarel, Huub Mous en Cor Wetting. Beelden in Leeuwarden. Leeuwarden, 1994
Lieuwe Valk (Peter Karstkarel). Voor Ziel en Zaligheid Voor Lijf en Leden. Leeuwarden, 1993
Gedenkboek 50-jarig bestaan ... van de Ambachtsschool. Leeuwarden, 1930
R. Visscher. Leeuwarden van 1846 tot 1906. 's-Gravenhage, 1908
R. Visscher. Inventaris van het archief van het Sint Anthony Gasthuis. Leeuwarden, 1921 (aangevulde heruitgave, M. Koopstra, Leeuwarden,2005)
Gedenkboek Leeuwarden 1435 - 1935. Leeuwarden, 1935
J.R.G. Schuur. Leeuwarden voor 1435. Zutphen, 1979
René Kunst et al. Leeuwarden 750 - 2000. Franeker, 1999
W. Eekhoff. Geschiedenis van het Sint Anthonij-Gasthuis te Leeuwarden. Leeuwarden, 1854 (aangevulde heruitgave, Leeuwarden, 1893)
Leo van der Laan. Verhalen in steen. Leeuwarden, 1998
N.N. (= binnenvader Petersen). Wandeling door het Oud en Nieuw Sint Anthony Gasthuis te Leeuwarden. Nijmegen, 1905
Trijntje Blomhoff. In en om het Sint Anthonij Gasthuis. Leeuwarden, 1995 

Voor verder onderzoek is er het archief van het gasthuis, dat wordt bewaard in het HCL. Op de website www.wcdegroot.nl is veel informatie over architect  W.C. de Groot en zijn werk te vinden.

Het Sint Anthony Gasthuis in Leeuwarden

De ouden tot nut
De zwakken tot stut

Open Monumentendag 2006

Uitgave
Leeuwarder Historische Vereniging Aed Levwerd en Historisch Centrum Leeuwarden  

Redactie
Hendrik ten Hoeve, Henk Oly,
Marieke van Zanten en Leendert Plaisier 

Teksten
Leendert Plaisier en Marieke van Zanten
Het hoofdstuk ‘De tuinen van het Sint Anthony Gasthuis' is van de hand van Rita Mulder-Radetzky 

Tekstadviezen en -correctie
Andries de Haan, Marga ten Hoeve 

Foto's en andere illustraties
Hendrik ten Hoeve, Leendert Plaisier, Ad Fahner,
Aerophoto Eelde, Johan van der Veer, gemeente Leeuwarden,
Historisch Centrum Leeuwarden en het Sint Anthony Gasthuis 

Met dank aan
De dames Bosma en Ter Horst en de heren Vlas, De Lange
en Tabak voor alle hulp en informatie 

Subsidiënten en sponsors Open Monumentendag 2006
Sint Anthony Gasthuis
Woningcorporatie Nieuw Wonen Friesland
Gemeente Leeuwarden 

Ontwerp en opmaak
Invorm Grafisch ontwerpburo 

Drukwerk
Hellinga Grafische Specialisten

Terug