Het Blokhuispoort-complex in Leeuwarden

... eene der meest geschikte gevangenissen ...


Het zijn roerige tijden in Friesland, de laatste decennia van de 15e eeuw. Twee kampen staan elkaar hevig naar het leven: de Schieringers en de Vetkopers. Tegen het einde van die eeuw raakt de burgeroorlog in een beslissend stadium. De Vetkopers, met Leeuwarden als bolwerk, vinden steun bij Groningen en lijken daarmee de sterkste partij te worden. De Schieringers op hun beurt wenden zich voor hulp tot hertog Albrecht van Saksen. Hij stuurt in de zomer van 1498 zijn legeraanvoerder graaf Willibrord von Schaumburg met een geduchte troepenmacht naar Friesland om het voor hem in bezit te nemen.
Op 23 oktober 1498, na een beleg van negen weken, rijdt Von Schaumburg aan het hoofd van zijn troepen Leeuwarden binnen.
Een van de eerste zaken die hij regelt is het bouwen van een steunpunt, een vaste basis van waaruit hij zijn macht over de stad zal kunnen doen gelden. Een blokhuis. Nog in hetzelfde jaar wordt een terrein in de zuidoostelijke knik van de stadsgracht, geschikt gemaakt en in het voorjaar van 1499 kan met de bouw begonnen worden.


Het Blokhuis - een fort

De naam Blokhuis is eigenlijk een beetje verwarrend. Wat Von Schaumburg laat bouwen is geen ‘huis'-achtig bouwwerk in de vorm van een kasteel of iets dergelijks. Het lijkt meer op een fort. Op enkele oude kaarten is Von Schaumburgs blokhuis ingetekend. We zien een groot, bijna vierkant terrein, beschermd door hoge aarden wallen met op de hoeken zware ronde torens. Het hele gebied is omgeven door brede grachten. Zeker is dat het een veel groter gebied betrof dan waarop nu het gevangeniscomplex ligt.
Uit de jaren rond 1560 zijn enkele rentmeesterrekeningen bewaard gebleven. De uitgaven die daarin vermeld staan, geven ons een beeld van hoe het ‘fort' er moet hebben uitgezien. De aarden wallen zijn verstevigd met eiken planken en balken om verzakking te voorkomen en er zijn greppels gegraven om het hemelwater af te voeren. Aan de buitenzijde zijn de wallen beplant met stekelige doornstruiken. Bovenop de wallen is een houten beschutting aangebracht waarachter een met schelpzand bestrooid pad ligt waarlangs de schildwachten hun ronde kunnen doen. Het terrein was via twee bruggen te bereiken. Er was een lange smalle brug in de zuidoostelijke hoek over de stadsgracht. De hoofdtoegang was een grote klapbrug over de westelijke, naar de stad gekeerde gracht. Over die brug kwam men bij het poortgebouw met beneden onder meer de portierskamer en enkele cellen en boven een paar kamers en een zaal. Rechts naast de poort bevond zich het grote hoofdgebouw met twee torens. Hierin bevonden zich de woonruimtes van de stadhouder en een grote zaal waar het Hof van Friesland rechtszittingen hield. De commandant van het blokhuis, meestal aangeduid als maarschalk, had een eigen woning op het terrein en er waren speciale onderkomens voor de lijfwacht van de stadhouder en de op het blokhuis gelegerde soldaten. Overigens was niet alles binnen het blokhuis even hecht en solide. Meer dan eens wordt gemeld dat het dak van het onderkomen van de knechten ... van den winde neergeworpen ... was. Midden op het terrein stond de aan de heilige Anna gewijde kapel. In het noordwestelijke rondeel bevond zich de privé-wijnkelder van de stadhouder en daarnaast, langs de noordelijke wal, waren de paarden- en koeienstallen, een varkenskot en een kippenhok en de schuren waarin de wagens werden gestald.
In de noordoostelijke hoek stond een molen. Verder bevonden zich op het terrein een smederij, een brouwerij met eigen waterput, een soort badhuis met koud en warm water, voorraadschuren voor tarwe, rogge, gerst en haver, een washuis, een schavot en enkele wachthuisjes. Tenslotte waren er enkele huisjes die dienden als gevangenis en die hondegaten genoemd werden. Een daarvan was speciaal bestemd voor vrouwelijke gevangenen.
In het rondeel in de zuidoosthoek was de pijnbank ondergebracht en die toren heette in de volksmond daarom ‘de pijnigtoren'. De toren is in de achttiende eeuw afgebroken maar de fundamenten zijn in 1919 opgegraven. Metingen en berekeningen wezen uit dat de toren tussen de zeven en acht meter hoog geweest moet zijn. De doorsnee was 12.50 meter en de muren waren 3.25 meter dik. Het gejammer van degenen die op de pijnbank ‘behandeld' werden, zal daar niet doorheen gegaan zijn.


Andere heersers

Hertog Albrecht heeft niet lang plezier gehad van Friesland; hij overlijdt al in 1500. Zijn zoon en erfgenaam Hendrik toont geen belangstelling. Hij verkoopt zijn rechten op Friesland aan zijn broer Georg. Al in 1515 moet Georg, bijna bankroet door de oorlogen die hij gedwongen was te voeren, Friesland verkopen. Het is de Habsburger Karel V die het gewest voor 100.000 gulden koopt.
In de rentmeesterboeken van rond 1560 komen geregeld aankopen voor van materialen die dienen om het complex beter te kunnen verdedigen. Zo komt in de gracht rondom het blokhuis een ring van palen, die hoog opsteken uit het water. In de noordoosthoek komt een nieuw rondeel. Er wordt nieuw geschut geplaatst en de wallen krijgen versteviging van eiken balken. In het zicht staande bomen worden gekapt en de gevangenis wordt vergroot en krijgt, heel kenmerkend, ijzeren deuren. En om de macht helemaal te onderstrepen breekt men het oude schavot af om het te vervangen door een stevig nieuw exemplaar.


Het blokhuis in Leeuwarder handen

In 1568 breekt de Tachtigjarige Oorlog uit. In Friesland is Caspar di Robles, namens het Spaanse gezag de baas maar in 1576 wordt hij gevangen gezet en als stadhouder vervangen door George, graaf van Rennenberg. Hoewel benoemd door de Staten-Generaal in Den Haag staat men in Friesland wat argwanend tegenover deze graaf. Men vertrouwt hem niet helemaal. Dat wordt er niet beter op als Rennenberg Jan van Schagen, iemand met een tamelijk dubieuze reputatie, aanstelt als maarschalk van het blokhuis. Voor de Staten van Friesland is het duidelijk dat bezit van het blokhuis van cruciaal belang is en men besluit Adje Lambertsz, burgemeester van Leeuwarden en kapitein van de plaatselijke burgerwacht, opdracht te geven het blokhuis in te nemen - goedschiks of kwaadschiks.
In de vroege ochtend van 1 februari probeert Lambertsz het blokhuis met een list in handen te krijgen maar dat mislukt en in het blokhuis wordt alarm geslagen. Lambertsz realiseert zich dat er snel gehandeld moet worden. Hij laat katholieke geestelijken uit de kloosters halen evenals enkele vooraanstaande katholieke burgers en de in de stad wonende vrouwen en kinderen van de soldaten op het blokhuis. Hij stelt ze op als een levend schild in het zicht van het blokhuis. De soldaten op het blokhuis begrijpen dat, mocht het tot een gevecht komen, er veel slachtoffers zullen vallen, geestelijken en wellicht zelfs hun eigen vrouwen en kinderen. Er blijft niets anders over dan zich over te geven en het blokhuis over te dragen. Nog dezelfde dag beginnen honderden Leeuwarder burgers met het afgraven van de naar de stad gerichte wallen en het dempen van de grachten ervoor. Ook drie van de vier rondelen worden gesloopt, alleen de pijnigtoren in de zuidoostelijke hoek blijft overeind. Duidelijker kan het niet: het blokhuis is nu van de stad.


Gevangenis en tuchthuis

Onttrokken aan de militaire functie, krijgen een aantal gebouwen op het terrein van het blokhuis een andere bestemming. Het kerkje wordt Stads wapen- en ammunitiehuis, de pijnigtoren dient als kruitopslagplaats - veilig achter de meters dikke muren - en in het hoofdgebouw, ooit woning van de stadhouder, worden verdachten opgesloten die wachten op hun rechtszaak voor het Hof van Friesland. Het gebouw fungeert aldus in feite als een Huis van Bewaring en het is dit gebouw dat men voortaan ‘het blokhuis' zal noemen. Tegen de westgevel, goed te zien vanaf de grote open ruimte die wij nu het Blokhuisplein noemen, komen een schavot en een galg. Hier moeten degenen die door het Hof veroordeeld zijn en later ook degenen die door de militaire rechtbank zijn veroordeeld, hun straf ondergaan.
Uit oogpunt van veiligheid besluit het stadsbestuur dat het verstandig is het terrein met een gracht van de stad af te schermen en waar in 1580 door Leeuwarder burgers met veel enthousiasme de gracht werd dichtgegooid, wordt amper twintig jaar later weer een gracht gegraven: de Keizersgracht.
Er is behoefte aan een plek waar bedelaars en andere overlastveroorzakers kunnen worden ondergebracht en in 1660 besluiten de Staten van Friesland tot de instelling van een tucht- en werkhuis. Als locatie kiest men - na experimenten elders in de stad - het oostelijke deel van het blokhuisterrein waar een gebouw komt met vier vleugels en omdat de twee lange vleugels met elkaar verbonden worden, ontstaan er twee binnenplaatsen. Het wordt in 1661 in gebruik genomen. Helaas heerst er een ernstig gebrek aan discipline, er zijn brandstichtingen en uitbraken waarbij ...geheele troepen ontvlugtten... en het gebouw zelf vertoont nogal wat gebreken. Na aanpassingen en verbeteringen doet het tuchthuis dienst tot het in de nacht van 11 op 12 november 1754 tot de grond toe afbrandt. Al enkele weken later valt het besluit tot herbouw en wat men bij de bouw honderd jaar eerder verkeerd had gedaan, gebeurt nu goed. In 1756 wordt het nieuwe tuchthuis in gebruik genomen worden en dat functioneert kennelijk zo goed, dat een deskundige schrijft dat er ... in de geheele republiek niet een zo wel ingericht Tucht- en Werkhuis gevonden werd.
Hoe lovend de opmerkingen ook zijn, het leven in het tuchthuis is zwaar. Met z'n allen op zalen, zonder veel verzorging en hard werken: spinnen, weven, breien en het raspen van tropisch hardhout waarmee een verfkleurstof werd verkregen. Later komen daar onder meer een bontwerkerij, een ververij en een perserij bij. Ook de samenstelling van de bevolking verandert in de loop van de jaren. Was het tuchthuis aanvankelijk bedoeld als een soort heropvoeding-door-werk-en-discipline voor bedelaars en andere klaplopers, na 1700 fungeert het steeds vaker als gevangenis voor door het Hof van Friesland veroordeelde misdadigers. Zo rond 1750 zijn nagenoeg alle gevangenen veroordeelden. De bedelaars gaan dan naar de stedelijke en particuliere werkhuizen.


Een ander regime

Het oude blokhuis ondergaat in 1783 een verbouwing. De westgevel wordt vernieuwd en verfraaid en er komt een nieuwe ingangspoort. Naast veertien ruimtes waar de gevangenen verblijven komen er een aantal ruimtes met speciale functies. Zo is er een geselzaal. een aparte pijnigkamer - met daarin nog de oude pijnbank -, en de droefkamer - waar de ter dood veroordeelden hun laatste minuten doorbrengen voor ze het schavot op geleid worden. Net als die van het tuchthuis, is de rol van het blokhuis als huis van bewaring in de loop der tijd veranderd in die van strafinstelling. Verminkende lijfstraffen als het afsnijden van oren en het doorpriemen van de tong komen steeds minder voor - gegeseld wordt er echter nog volop! - en daarvoor in de plaats geven rechters in toenemende mate vrijheidsstraffen. Het blokhuis wordt steeds meer een echte gevangenis.
Na de Franse Tijd wordt het gevangeniswezen een taak van het Rijk. Kleine plaatselijke gevangenissen gaan dicht en de gevangenen worden ondergebracht in een aantal grotere. Een Koninklijk Besluit wijst het tuchthuis in Leeuwarden in 1821 aan als een van die grote gevangenissen waarbij het de naam Huis van Opsluiting en Tuchtiging krijgt. Dat betekent de samenvoeging van het blokhuis en het tuchthuis. In 1824 vindt op het terrein een forse verbouwing plaats. Het oude kerkje, dat de eeuwen getrotseerd had, wordt afgebroken evenals de aangrenzende staande grote Stadstimmerschuur om plaats te maken voor een groot gebouw, bestemd voor werkruimtes voor de gevangenen. Ook komt er een wachtlokaal voor de bewakers. Het oude blokhuis wordt verbouwd tot woning voor de commandant te kunnen dienen. Het schavot wordt afgebroken - executies vinden vanaf dat moment plaats op een mobiel schavot. Voor gevangenen-in-bewaring is in het complex geen plaats meer, zij wachten voortaan hun proces af in een cel in de Kanselarij.
Moderne gedachten dat straf niet alleen ‘wraak en vergelding' is maar ook moet dienen om de gestrafte te verbeteren, beginnen rond 1830 ingang te vinden. Als uitvloeisel daarvan worden in 1836 de gevangenen ingedeeld in vier klassen. In de eerste klasse zitten de zwaarste criminelen zoals moordenaars die nooit meer in de maatschappij zullen terugkeren. Voor hen geldt een uiterst streng regime. Zij leven strikt afgezonderd en ontvangen nooit bezoek. Ze moeten het zwaarste werk doen, voor hen is er geen onderwijs en ze mogen niet naar godsdienstoefeningen in de kerk. Dat laatste wordt later overigens wel toegestaan, maar de betreffende gevangene krijgt dan wel een kap over het hoofd. De eerste klasse is ook de enige waarvoor lijfstraffen gelden. In de vierde klasse, waarin de kleine criminelen zitten, heerst een losser regime. Deze gevangenen hebben ruime slaapzalen die ze met elkaar delen, zij mogen wel bezoek ontvangen en het is toegestaan van het bezoek een klein geldbedrag aan te nemen waarmee bijvoorbeeld wat extra eten kan worden gekocht.
De gevangenis in Leeuwarden krijgt er een goede naam mee. Zo goed dat de minister van Justitie J.J.L. van der Brugghen in 1857 in een brief de Leeuwarder gevangenis ... eene der meest geschikte gevangenissen ... noemt.
Tien jaar later is er weinig meer van die goede naam over. Enerzijds omdat het complex, waarvan het grootste deel meer dan 100 jaar oud is, veel gebreken vertoont en amper meer voldoet. Anderzijds vanwege een tweetal geruchtmakende ontsnappingen van zware criminelen. De angst onder de burgerij voor de ontsnapten is zo groot dat in sommige plaatsen zelfs de schutterij onder de wapenen wordt geroepen. De vluchtelingen, opgejaagd en uitgeput, worden echter na een paar dagen weer opgepakt.


Nieuwbouw gevangenis

Sluiting dreigt. Helemaal wanneer de Tweede Kamer in 1869 geld reserveert voor een nieuwe gevangenis in Medemblik ter vervanging van die in Leeuwarden. Diverse instellingen, waaronder de gemeenteraad van Leeuwarden, lopen te hoop tegen dit voornemen. Effectief, zo blijkt een jaar later want dan valt het besluit tot nieuwbouw van de gevangenis in Leeuwarden. Zes jaar wordt er onder leiding van Johan Frederik Metzelaar, Ingenieur-Architect voor 's Rijksgevangenisbouw, gewerkt aan de nieuwbouw. De oorspronkelijke plattegrond van het blokhuisterrein met de rechthoekige binnenplaatsen werd grotendeels gevolgd. Als de gevangenis gereed is, is iedereen vol lof. Het is er ruim en netjes, ... menigeen zou wenschen zijn eigen huis zoo zindelijk te zien schrijft een bezoeker. Het meest imposante gedeelte van het nieuwe complex is het poortgebouw dat geïnspireerd lijkt door de waterpoort van Sneek. De torens flankeren de grote poort en geven het gebouw een weerbaar karakter. In het linker gedeelte van dit gebouw werd de militaire wacht gevestigd en in het rechter was de woning van de directeur. Het exterieur oogt als een conventionele baksteenbouw, maar in het interieur is veel gebruik gemaakt van ijzer en gietijzer. Heel ingenieus zijn de holle gietijzeren kolommen die een ventilatiesysteem bevatten. Het kolossale gebouw op de hoek van het blokhuisplein en de Zuiderstadsgracht was het alcovengebouw dat slaapzalen, opgedeeld in bedstede-achtige slaapplaatsen, bevatte.
Ondertussen wint het idee dat gevangenen afzonderlijk moeten worden opgesloten, steeds meer terrein. Men is bang dat gevangenen elkaar met criminele ideeën ‘besmetten' of plannen voor ontsnapping beramen. Ook het zedelijkheidsaspect speelt een rol. De maatregelen zijn streng en soms zeer opvallend. Gevangenen mogen niet met elkaar praten, op het binnenterrein worden luchtcellen gebouwd in de vorm van een in punten gesneden halfronde taart: degenen die zich even in de frisse lucht mogen vertreden zien slechts de muren van de luchtcel en boven zich een stukje van de hemel. Heel ver gaat men in het kerkzaaltje waar de banken worden verwijderd en vervangen door éénpersoons-hokjes. Daarin zit de gevangene die niets anders kan zien dan de voorganger van de kerkdienst. Gelukkig worden bepaalde aspecten van dit extreem strenge regime al snel verzacht. Toch blijven de hokjes in het kerkzaaltje gehandhaafd tot na de Tweede Wereldoorlog.


Nieuwbouw Huis van Bewaring

Bij een grote reorganisatie van het gevangeniswezen in 1884 krijgt de gevangenis in Leeuwarden de speciale status van Bijzondere Strafgevangenis, bestemd voor degenen die veroordeeld zijn tot een straf langer dan vijf jaar. In 1889 wordt aan de oostkant van het terrein begonnen met de bouw van een nieuw Huis van Bewaring. De Kanselarij, die sinds 1824 als zodanig dienst doet, was niet meer geschikt. Onder leiding van Willem Cornelis Metzelaar, in 1886 zijn vader opgevolgd als architect van Justitie, wordt in 1891 dit gebouw voltooid.
Het Huis van Bewaring kreeg een eigen ingang aan de oostzijde, waarvoor een gedeelte van de Keizersgracht gedempt moest worden. De beide gevangenissen stonden dus ruggelings tegen elkaar en er was aanvankelijk zelfs geen doorgang. Het nieuwe gesticht bestond uit een administratiegebouw en een evenwijdig met de voorgevel opgetrokken verblijfsgebouw. Het administratiegebouw bevatte op de begane grond het bureau voor de directeur, de regentenkamer en een portiersloge. Op de verdieping waren onder andere de krijgsraadkamer, het vertrek voor de geneesheer en een wachtkamer voor getuigen. Vanzelfsprekend kreeg ook dit gedeelte een directeurswoning, rechts van de administratievleugel. Deze woning was in overeenstemming met zijn traktement eenvoudig gehouden. Het verblijfsgebouw van 45 meter lang bevatte in het noordelijk gedeelte cellen voor afzonderlijke opsluiting en in het zuidelijk gedeelte ruimten voor gemeenschappelijke opsluiting. Voor vrouwen was op de tweede verdieping een afzonderlijke ruimte ingericht met een vertrek voor een bewaarster. Tevens waren er een bibliotheek, een onderwijzerskamer en ziekenvertrekken. Voor het luchten van de gedetineerden was aan het eind van de vleugel een ommuurde open plaats gereserveerd.
Na het gereedkomen van het Huis van Bewaring onderging ook de Bijzondere Strafgevangenis een uitbreiding. Een nieuwe cellenvleugel verrees langs de Keizersgracht en kwam in 1894 gereed. Deze langwerpige vleugel van drie verdiepingen hoog kreeg inwendig gietijzeren galerijen met een opengehouden constructie. De cellen bevinden zich thans nog in nagenoeg originele toestand. Ze hebben een gewelfd plafond en in de deuren zitten schaftluiken en een kijkgat. Alleen de hoogte van de deuren is thans een probleem, want de gevangenen zijn in de loop van de eeuw steeds langer geworden. De ventilatie van de cellen geschiedt door middel van de holle vensterbanken. Aan de binnenzijde kan de bewoner met drie klepjes zelf de toestroom van buitenlucht regelen.


In de oorlog en daarna

De Leeuwarder gevangenis zal onlosmakelijk verbonden blijven met ‘De Kraak' - de beroemde bevrijdingsactie van het Friese verzet. De Duitse bezetters hadden het bestuur over de gevangenis en het Huis van Bewaring al snel na de capitulatie overgenomen. De dagelijkse gang van zaken blijft aanvankelijk nagenoeg gelijk. Maar dat verandert in 1942. Joden worden tijdelijk gevangen gezet om later op transport te gaan naar Westerbork, gevangenen en bewakers komen over uit Den Haag en Haarlem en steeds vaker worden zwarthandelaren in de gevangenis opgesloten.
Begin 1944 vorderen de Duitsers het Huis van Bewaring om er mensen, verdacht van betrokkenheid bij de illegaliteit, op te sluiten. In november van dat jaar zitten enkele belangrijke verzetsmensen gevangen. De kans dat ze tijdens de gruwelijke verhoren iets los zullen laten is groot en daarom besluit de leiding van het verzet ze uit de gevangenis te halen. In de vroege avond van 8 december 1944 weet een aantal verzetsmannen toegang te krijgen tot het Huis van Bewaring en 51 gevangenen te bevrijden.
In de nacht van 15 april 1945 is het Huis van Bewaring een van de eerste gebouwen in de stad die door de NBS in bezit worden genomen, bang als men is voor een laatste Duitse wraakactie.
Na de oorlog is de gevangenis een van de plaatsen waar oorlogsmisdadigers en collaborateurs wachten op hun rechtszaak en sommigen zitten er later hun door een van de tribunalen opgelegde straf uit.
In 1970 wordt de Bijzondere Strafgevangenis, waar op dat moment nog 23 gevangenen verblijven, gesloten. Het gebouw is oud en inefficiënt en heeft daardoor te veel, kostbare, bewaking nodig. Toch wordt het in 1976 weer in gebruik genomen, nu als Huis van Bewaring. Aanvankelijk bestond het plan alle gebouwen te slopen, maar later werd besloten tot instandhouding met behoud van het oude aanzicht. Een omvangrijke verbouwing startte, die extra gecompliceerd was omdat tijdens de werkzaamheden het gebouw als gevangenis in gebruik bleef. Sporen van de ingrepen zijn aan de buitenkant zichtbaar onder andere in de nieuwe hekwerken voor het poortgebouw en de liftschacht aan het alcovengebouw.
In de jaren '80 en '90 van de vorige eeuw spendeert de overheid nog miljoenen guldens aan onderhoud en verbetering van het complex. Maar steeds vaker doen geruchten over sluiting de ronde; de gevangenis is al enige tijd de oudste van Nederland.
Aan de onzekerheid komt in oktober 2007 een eind: het gebouw is niet veilig meer - het stond om die reden al een jaar leeg - en aanpassingen om het weer veilig te maken, zijn veel te duur. In 2008 wordt het leeggeruimd en begint een discussie over de toekomst van het grote complex. Een discussie die ongetwijfeld boeiend zal zijn. En gegeven de vele begerige ogen ook lang zal duren ...

Lijntekening van het Blokhuispoortcomplex in 2007.

Klik op bovenstaande illustratie om de indeling van het complex op ware grootte (ca. 500 Kb.) in een afzonderlijk frame te kunnen bekijken.

Bekijk ook de uitzending over de geschiedenis van de Blokhuispoort van GPTV van 16 september 2014.

Terug