Watervoorziening


Een eigen gemeentelijke drinkwatervoorziening bezit Leeuwarden niet meer sedert 1 januari 1925, omdat Leeuwarden sedertdien van water wordt voorzien door de intergemeentelijke instelling, de N.V. Intercommunale Waterleiding Gebied Leeuwarden. Tussen dat gemeenschappelijk bedrijf en Frieslands hoofdstad bestaat echter een bijzondere band. In de eerste plaats omdat een burgemeester van Leeuwarden - jhr. mr. J.M. van Beijma - in 1922 de stoot gaf tot oprichting van het Friese streekwaterleidingbedrijf. In de tweede plaats omdat Leeuwarden aan het prijsgeven van het eigen waterleidingbedrijf de bijzondere voorwaarde verbond, dat de hoofdstad van de provincie blijvend recht zou hebben op het voorzitterschip van de raad van commissarissen. De statuten vermelden, dat de vergadering van aandeelhouders de voorzitter kiest uit een door de raad der gemeente Leeuwarden opgemaakte voordracht van 2 personen. De overige leden van de raad van commissarissen worden door die vergadering gekozen uit de burgemeesters, de leden van de raden der gemeenteaandeelhouders en de secretarissen der ander gemeenteaandeelhouders. Terwijl de voorzitter steeds herkiesbaar is, treden de overige leden om de drie jaren af, terwijl zij slechts éénmaal herkiesbaar zijn.

De raad van de gemeente Leeuwarden heeft zijn voorzitter, de burgemeester, steeds no. 1 op de voordracht geplaatst en zo is dan sinds 29 september 1922 de burgemeester van de Friese hoofdstad de president-commissaris van het gemeenschappelijk waterleidingbedrijf geweest. Diens vooraanstaande positie in de vennootschap wordt nog geaccentueerd door het feit, dat hij in de vergadering van de raad van commissarissen 2 stemmen uitbrengt tegen de andere leden ieder 1 stem.

Dat een stad met een eigen waterleidingbedrijf het initiatief neemt tot oprichting van een streekwaterleidingbedrijf, is in de geschiedenis van de Nederlandse drinkwatervoorziening uniek. Het betekende in meer dan één opzicht het brengen van een offer in het belang van andere Friese gemeenten die nog geen waterleiding hadden (in 1922 hadden alleen Leeuwarden, Sneek en Heerenveen waterleiding).

Aanvankelijk stelden de 9 gemeenten die de I.W.G.L. stichtten, zich een streekwaterleidingbedrijf voor, dat de noordelijke helft van het vasteland van Friesland van goed en betrouwbaar drinkwater zou gaan voorzien. Reeds in 1931 besloot het toenmalige college van gedeputeerde staten het gehele vasteland van Friesland met uitzondering van de voorzieningsgebieden van de gemeente Sneek en van de N.V. De Heerenveensche Waterleiding, aan de I.W.G.L. toe te wijzen, en dat was het begin van een ontwikkeling, welke ertoe zou leiden, dat “Friesland” en “Gebied Leeuwarden” praktisch synoniem zouden worden. Geleidelijk traden alle Friese gemeenten, met uitzondering van Sneek, als aandeelhouder tot de N.V. I.W.G.L. toe; de N.V. De Heerenveensche Waterleiding werd eind 1954 overgenomen. De gemeente Sneek ging in 1960 een overeenkomst met de I.W.G.L. aan tot inkoop van waterengros en liquideerde haar pompstation.

Toen enkele jaren vóór het uitbreken van de wereldoorlog de statuten van de vennootschap werden herzien, kwam ook de naam van de intergemeentelijke onderneming in discussie. De vertegenwoordiger van één der plattelandsgemeenten stelde toen voor om de oude naam te handhaven als een eerbetoon aan de gemeente Leeuwarden, waaraan de kleinere gemeenten, voor wat de drinkwatervoorziening betreft, zo bijzonder veel hebben te danken. Leeuwarden heeft geen reden om het besluit van 1922 tot stichting van een intercommunaal bedrijf te betreuren.

Leeuwarden werd al spoedig een uitermate belangrijk verdeelpunt in het intercommunale net van de noordelijke helft van de provincie. Via Leeuwarden wordt door middel van een drietal aanjaagstations, waarvan het aanjaagstation Leeuwarden-Noord tot stand kwam kort na de oorlog, een groot gedeelte van het noorden van de provincie, het noordwesten en het centrum van water voorzien. Daardoor beschikt Leeuwarden over 3 zware transportleidingen tussen het pompstation Noordbergum en de stad en sedert kort ook over een zware ringleiding langs de grote ringweg, waardoor de bedrijfszekerheid van de levering en een goede drukverdeling zijn gewaarborgd. Voor de bedrijfszekerheid zijn de grote watervoorraden in de reservoirs binnen de gemeente Leeuwarden eveneens van grote betekenis. In de loop van 1966 zal de voorraadcapaciteit worden vergroot met nog eens bijna 16.000 m3, op te slaan in 2 tanks aan de Greunsweg. Het pompbedrijf, dat deze voorraden in het net brengt als daaraan behoefte bestaat, is o.m. uitgerust met een zelfstartend diesel-noodstroomaggregaat, hetgeen een extra zekerheid geeft voor een zo veilig mogelijke voorziening als tijdelijk de stroomvoorziening van het G.E.B. mocht uitvallen.

Ook de spreiding van de reservoirs over het stadsgebied is gunstig. Voorzieningstechnisch beschouwd is de positie van Leeuwarden als belangrijk centrum in een streekvoorziening aanmerkelijk beter dan mogelijk zou zijn geweest voor een zuiver lokaal bedrijf.

In Leeuwarden werd op 4 juni 1964 het nieuwe hoofdkantoor van de I.W.G.L. aan het Zaailand in gebruik genomen. De bekende architectuurcriticus A. Buffinga constateerde in “Bouw” van 23 oktober 1965, dat “een meer dan vluchtig onderzoek naar de hedendaagse architectonische rijkdom van Friesland helaas tot de conclusie moet voeren, dat die uitermate beperkt is”, na welke opmerking hij de loftrompet steekt over de schepping van de Leeuwarder architect ir. J.J.M. Vegter.

De gunstige ligging van de hoofdstad heeft er verder toe geleid, dat het centrale magazijn en de centrale werkplaatsen van de I.W.G.L. te Leeuwarden zijn gevestigd. Het nieuwe centraal magazijn met werkplaatsen en dienstwoningen aan de Snekertrekweg kwam tot stand tussen 1952 en 1957. Een belangrijke uitbreiding van de watermeterijk- en herstelinrichting, waar weldra ook de watermeters voor enkele andere grote waterleidingbedrijven zullen worden behandeld, is in voorbereiding. Van het thans meer dan 350 koppen tellende personeel in vaste en tijdelijke dienst van de I.W.G.L. woont 60 procent binnen de gemeente Leeuwarden.

Voorheen was er in het plattelandsgebied van Leeuwarden nog een aantal niet aansluitbare percelen. Na de annexatie van een groot gedeelte van de gemeente Leeuwarderadeel nam dat aantal toe en bovendien waren er in het tegenwoordige stadsdeel Huizum nog vrij veel percelen niet aangesloten op het waterleidingnet als gevolg van de redactie van de bouwverordening van Leeuwarderadeel met betrekking tot de verplichting tot aansluiting. Doch inmiddels zijn ook in de gemeente Leeuwarden de onrendabele gebieden aangesloten en de superonrendabele percelen aansluitbaar gemaakt. Het voorzieningspercentage in de gemeente bedraagt thans praktisch 100.

De start van een onderneming is belangrijk, maar niet minder de wijze waarop de onderneming zich verder ontplooit. Jhr. mr. J.M. van Beijma was president-commissaris van 29 september 1922 tot februari 1943, toen de bezettende macht hem als burgemeester van Leeuwarden ontsloeg en daarmede automatisch een einde kwam aan zijn voorzitterschap. Hij was derhalve goed 20 jaren president-commissaris, in welke tijd de basis werd gelegd voor de latere ontplooiing van het bedrijf tot een de gehele provincie omvattend nutsbedrijf.

Mr. A.A.M. van der Meulen werd gekozen tot president-commissaris op 3 mei 1946. Ook hij heeft dus ongeveer 20 jaren het voorzitterschap bekleed. Toen hij zijn taak begon, waren nog slechts ruim 48.000 percelen op het net van de I.W.G.L. aangesloten. In geheel Friesland was nog niet de helft van het aantal bewoonde woningen van waterleiding voorzien. Nu mr. A.A.M. van der Meulen zijn taak neerlegt, zijn rond 136.000 percelen op het net aangesloten en binnen weinige jaren zal heel Friesland van leidingwater gebruik kunnen maken. De afgeleverde hoeveelheid water, die eind 1946 nog slechts 6.6. miljoen m3 bedroeg, steeg tot bijna 25 miljoen m3 in 1965.

Deze sterke ontwikkeling schiep een reeks van moeilijke vraagstukken. De plannen voor de aansluiting van de onrendabele gebieden (waaronder het z.g. industrialiseringswaterleidingplan een voorname plaats innam) en vervolgens het plan voor de aansluiting van de z.g. superonrendabele percelen, vormden meermalen een onderwerp van diepgaand beraad. Bestaande pompstations moesten worden uitgebreid, nieuwe pompstations moesten worden gesticht. Een reeks van andere werken moest worden uitgevoerd om in de snel stijgende behoefte op de juiste wijze te kunnen voorzien. De bij voortduring grote investeringen die nodig waren om het bedrijf naar behoren te doen functioneren, vereisten grote aandacht voor financiering. Grote veranderingen voltrokken zich ook in het personeelsbeleid en in de interne organisatie van het bedrijf.

De totstandkoming van het nieuwe hoofdkantoor van de I.W.G.L. aan het Zaailand te Leeuwarden vormt een van de naoorlogse hoogtepunten. Een taakverruiming onderging de I.W.G.L. in 1964, toen het bedrijf ook belast werd met de controle van de afvalwaterzuiveringinstallaties van gemeenten, die daarvoor van de diensten van de I.W.G.L. gebruik willen maken.

De I.W.G.L., uitgegroeid tot het vijfde waterleidingbedrijf in grootte in ons land, heeft steeds veel contacten gelegd en onderhouden met instellingen en personen buiten de provincie en ontvangt herhaaldelijk bezoek van deskundigen uit binnen- en buitenland. Ook op die wijze heeft de I.W.G.L., als schepping van Leeuwarden, het hare kunnen bijdragen tot de bloei van de stad.

De verwachtingen omtrent de behoeften waarin de waterleidingbedrijven in de toekomst zullen moeten voorzien als gevolg van de groeiende bevolking, de verdere industrialisering en de stijging van het hoofdelijk verbruik, scheppen nieuwe problemen, die de volle belangstelling hadden van de scheidende burgemeester - president-commissaris, die tal van maatregelen, nodig om in Friesland ook in de toekomst een goede drinkwatervoorziening te waarborgen, heeft bevorderd.

Terug

Onderwijs


De ontwrichting van het maatschappelijk leven, die het gevolg was van de bezettingsjaren, had ook op het onderwijs een desorganiserende invloed gehad. Toen men in 1945 na de bevrijding de balans kon gaan opmaken, kon men niet anders constateren dan dat het onderwijs in alle opzichten in een deplorabele staat verkeerde.

Van de schoolgebouwen was een groot deel door de Duitsers voor militaire doeleinden gebruikt, terwijl andere waren benut voor het onderbrengen van geëvacueerden of voor andere zaken, die met onderwijs niets uitstaande hadden. De gevolgen van dit gebruik waren voor de gebouwen vaak ruïneus. Ook het meubilair, voorzover men dit althans voor vernieling had kunnen behoeden, had vaak ernstig geleden, terwijl de leermiddelen eveneens in vele gevallen grote schade hadden opgelopen of soms zelfs geheel waren verdwenen. Wanneer men bovendien bedenkt, dat in 1945 nieuw meubilair en leermiddelen niet te verkrijgen waren en dat verschillende schoolbehoeften, zoals papier, nauwelijks of, zoals pennen, in het geheel niet konden worden geleverd, is het wel duidelijk, dat het weer op gang brengen van het onderwijs een schier onmogelijke taak was.

Om toch zo goed en zo kwaad als het ging weer te kunnen beginnen moesten vaak allerlei noodoplossingen gecreëerd worden. Verscheidene scholen hebben geruime tijd bij elkaar moeten “inwonen”, waarbij dan de klassen beurtelings op verschillende tijden naar school gingen. Een extra handicap vormde het brandstofgebrek, dat er oorzaak van was, dat verschillende scholen nog in de winter van 1946-’47 geruime tijd, sommige kleuterscholen zelfs enkele maanden, gesloten moesten blijven.

Was dus in materieel opzicht de situatie bij het onderwijs zorgwekkend, ook het moreel van de leerlingen kon oorzaak zijn van verontrusting. Deze verontrusting was voor enkele organisaties van onderwijzers zelfs aanleiding om gezamenlijk een commissie te vormen, die opdracht kreeg een onderzoek in te stellen naar de “verwording der schooljeugd”. Hoewel de commissie in haar rapport van mei 1946 enkele ontstellende feiten moet melden, blijkt het over de gehele linie met de morele ontreddering nog wel iets mee te vallen. De commissie heeft althans slechts aan een tweetal scholen een “daadwerkelijke verwildering” kunnen constateren. Wel verontrustend acht men de omvang, die het schoolverzuim heeft aangenomen, al wordt dit kennelijk sterk beïnvloed door gebrek aan kleding, schoeisel e.d. Typerend is in dit opzicht het geval van de moeder, die aan het hoofd der school bericht: “Eerst klompen en anders stuur ik mijn kinderen niet meer”. Waarschijnlijk zijn de klompen er wel gekomen, want er werd op ruime schaal kleding en schoeisel verstrekt. Zo werd b.v. door de vereniging Tot Opbouw aan rond 2.000 schoolkinderen kleding uitgereikt. Ook aan de voeding werd aandacht geschonken. Enkele malen kon door tussenkomst van het Rode Kruis een uitreiking van sinaasappelen en chocolade plaats vinden, terwijl aan een aantal scholen gedurende een zekere periode aan de leerlingen warme maaltijden werden verstrekt.

Men vraagt zich af hoe het mogelijk is, dat in de hier geschetste omstandigheden nog iets van het onderwijs kon terechtkomen. En toch heeft de toen opgroeiende generatie, die nu in 1965 de groep jong volwassenen vormt, blijkbaar voldoende onderwijs gehad om zich in de huidige maatschappij te kunnen handhaven.

Dat dit resultaat bereikt kon worden, dwingt, zeker wanneer men een vergelijking maakt met de situatie, waarin in 1965 kan worden gewerkt, tot bewondering voor de prestaties van het onderwijzend personeel in de naoorlogse jaren.

Nieuwe ontwikkelingen

De bevrijding luidde in 1945 voor het onderwijs niet alleen een periode van wederopbouw in, maar ook een tijdperk, waarin belangrijke nieuwe ontwikkelingen op onderwijskundig terrein zich zouden voltrekken of een aanvang zouden nemen. Deze ontwikkelingen betroffen zowel de inhoud en de methoden van het onderwijs als de omvang en aard van de onderwijskundige voorzieningen, de leerlingenaantallen, de huisvesting van de onderwijsinrichtingen, het personeel en de bijkomende voorzieningen ten dienste van het onderwijs. Mede door de aandacht en de zorg van overheid en schoolbesturen konden deze ontwikkelingen zich voltrekken in die mate als in de jaren 1945 - 1965 het geval is geweest. Hoewel stellig niet alle facetten hiervan hun weerspiegeling vinden in het financiële vlak, kunnen toch de met de zorg voor het onderwijs gemoeide geldsbedragen een duidelijke aanwijzing vormen voor de omvang van de hier bedoelde ontwikkelingsverschijnselen.

Wanneer we zien, dat in deze periode de uitgaven voor b.v. het gewoon lager onderwijs bijna verzesvoudigd werden, die voor het buitengewoon lager onderwijs tot het vijventwintigvoudige (!) opliepen en de kosten van het nijverheidsonderwijs stegen tot vierentwintig maal het bedrag van 1945, dan zijn dit bepaald geen getallen, die kunnen worden verklaard uit verschijnselen als prijsstijging en geldontwaarding, maar kan hierin wel degelijk een bewijs worden gezien voor de stelling, dat het onderwijs in Leeuwarden in de laatste twintig jaar een indrukwekkende ontwikkeling heeft doorgemaakt.

 

 

 

Inhoud en methoden van het onderwijs

De in 1945 alom gehanteerde leuze “herstel en vernieuwing” kon ook in onderwijskringen worden gehoord. Hier gold echter niet, wat op vele andere terreinen des levens wel een realiteit bleek, dat na de voltooiing van het herstel de lust tot vernieuwing al weer vrijwel bleek te zijn weggeëbd. Integendeel, de roep om onderwijsvernieuwing bleef klinken en is ook heden ten dage nog een levende klank en wellicht mogen wij daar wel dankbaar voor zijn. Het is immers de vraag of zonder deze voortdurende vernieuwingsdrang de ontwikkeling van het onderwijs wel enigermate gelijke tred zou kunnen houden met die van maatschappij en wetenschap. Talrijke vernieuwings- en applicatiecursussen, die aan het vernieuwingswerk een deugdelijke grondslag beoogden te geven, werden sinds 1945 georganiseerd. Met betrekking tot de organisatie hiervan mogen vooral de pedagogische centra en de vakorganisaties met ere worden genoemd.

Vernieuwing kwam niet alleen tot uiting in het bezigen van andere onderwijsmethoden, maar ook in nieuwe vakken of een andere interpretatie van bestaande vakken. Zo kregen b.v. de expressievakken veel meer aandacht, terwijl, vooral in de laatste jaren, de muzische vorming meer op de voorgrond treedt. Het vak verkeersonderwijs, als onderdeel van het vak aardrijkskunde al in de lesprogramma’s binnengeslopen, werd in 1964 als een afzonderlijk, verplicht, vak voor het lager onderwijs in de wet opgenomen, terwijl in datzelfde jaar het vak zingen werd vervangen door muzikale vorming.

Niet onvermeld mag hier blijven, dat naast de al bestaande mogelijkheid om de Friese taal als vak bij het lager onderwijs en het v.h.m.o. te onderwijzen, in 1955 de lageronderwijswet 1920 ook de mogelijkheid opende om in de eerste twee leerjaren van het gewoon lager onderwijs het Fries als voertaal te gebruiken. Van de eerste mogelijkheid (het ontvangen van onderwijs in de Friese taal) is door de schooljeugd in Leeuwarden slechts een spaarzaam gebruik gemaakt. De tweede mogelijkheid leidde in september 1959 tot het invoeren van tweetalig onderwijs op de openbare Wiardaskoalle in Goutum. Aan de onderwijzers, in het bezit van de Friese akte, kende de gemeenteraad vanaf 1947 een extra beloning toe.

Een zeker vernieuwing voltrok zich ook in de gebruikte leermiddelen en schoolbehoeften. Het aloude lesplankje is nog steeds een niet geheel onbekende verschijning, maar overigens zijn voor vrijwel alle vakken talrijke nieuwe methoden verschenen. Als laatste ontwikkeling heeft zich met name voor het voortgezet onderwijs aangediend de geprogrammeerde instructie. Ook de ontwikkeling van de techniek deed haar invloed gelden en zeker niet alleen in die zin, dat de kroontjespen langzaam terrein verliest aan de balpen. De schoolradio is reeds lang ingeburgerd, maar ook de film- en diaprojector en, in iets mindere mate, de bandrecorder zijn in vele scholen al een vertrouwd hulpmiddel geworden. De schooltelevisie heeft in Leeuwarden nog geen vaste voet gekregen, maar alle door de gemeente te bouwen scholen worden sinds 1965 voorzien van een loze leiding voor televisieaansluiting, zodat ook ten aanzien van deze ontwikkeling in feite de eerste stap al gezet is. Tenslotte kan nog worden genoemd het talenpracticum, in Leeuwarden nog niet gerealiseerd, maar zowel bij de gemeentebestuur als bij andere instanties een onderwerp van studie en naar het zich laat aanzien een project, dat binnen afzienbare tijd zal worden verwezenlijkt.

Omvang van de onderwijsvoorziening

De omvang van het onderwijs in Leeuwarden laat zich zowel beschouwen vanuit het gezichtspunt aantallen leerlingen als vanuit het oogpunt aantallen en soorten scholen en opleidingen. In beide opzichten hebben zich in de laatste twintig jaren opmerkelijke ontwikkelingen voorgedaan. Wat de leerlingenaantallen betreft, zij verwezen naar het bijgevoegde overzicht, waaruit het verloop bij de verschillende soorten onderwijs valt af te lezen. Hieruit blijkt b.v., dat het gewoon lager onderwijs uiteindelijk geen opmerkelijke groei te zien geeft, maar dat in de sectoren kleuteronderwijs en voortgezet onderwijs van een zeer belangrijke groei sprake is. De betrekkelijk stabiele situatie bij het gewoon lager onderwijs kan gevoeglijk worden verklaard uit de vrij geringe bevolkingstoeneming van Leeuwarden en het na 1947 teruglopende geboortecijfer. Voor de groei bij verschillende ander takken van onderwijs kan een aantal oorzaken worden genoemd. De belangrijkste zijn waarschijnlijk wel de, mede door de verbeterde subsidiemogelijkheden (b.v. de kleuteronderwijswet!) sterke uitbreiding van de gelegenheid om onderwijs te ontvangen, de verlenging van de leerplicht en de grote toeneming van het verlangen om na het doorlopen van de gewone lager school een passende vorm van voortgezet onderwijs te ontvangen. Vooral deze laatste factor, het verlangen van meer en passend onderwijs, gezien in samenhang met de eisen, die de maatschappij is gaan stellen, heeft de overheid en schoolbesturen voor de opdracht gesteld aan de mogelijkheden voor het volgen van een passende opleiding de nodige uitbreiding te geven. Of deze opdracht in alle opzichten volledig is vervuld, moge aan het meer objectieve oordeel van buitenstaanders worden overgelaten, maar dat de inspanning van gemeente- en schoolbesturen in de periode 1945 - 1965 voor de onderwijsmogelijkheden in Leeuwarden belangrijke resultaten hebben gehad, staat wel vast. De feiten, waarmee dit kan worden aangetoond, zijn, gerangschikt naar de verschillende soorten onderwijs, de volgende.

Kleuteronderwijs

In 1945 hield de gemeente zes kleuterscholen in stand, alle gehuisvest in oude schoolgebouwen. Voorzover bekend waren er toen elf niet gemeentelijke schooltjes. Exacte gegevens zijn hierover echter niet beschikbaar, omdat in die jaren nogal eens particuliere kleuterklasjes werden gevormd, die na kortere of langere tijd weer geruisloos verdwenen. Wettelijke eisen, waaraan de gebouwen, de onderwijzeressen en het onderwijs moesten voldoen, waren er niet en naar de tegenwoordige maatstaven gerekend kon men soms nauwelijks van kleuteronderwijs spraken. De toen gebruikelijke aanduiding “bewaarschool” gaf inderdaad beter de werkelijkheid weer.

Een belangrijke stimulans voor het streven naar beter kleuteronderwijs vormde het, oorspronkelijk al van 1926 daterende, besluit van de gemeenteraad om het bijzonder kleuteronderwijs, dat aan bepaalde voorwaarden voldeed, met een bepaald bedrag per jaar per leerkracht uit de gemeentekas te subsidiëren. Bedroeg dit subsidie in 1945 nog slechts ƒ 300,- per leerkracht, in 1950 was dit bedrag al opgelopen tot ƒ 1.500,-, terwijl het uiteindelijk in 1955 een hoogte van ƒ 3.500,- bereikte. Daarnaast verleende de gemeente bijdragen in de kosten van stichting van nieuwe schoolgebouwen, bijdragen, die bij de nadering van de inwerktreding van de kleuteronderwijswet zelfs opliepen tot 100 % van de stichtingskosten.

De hier genoemde kleuteronderwijswet, die op 1 januari 1956 in werking trad, betekende het begin van geheel nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden voor het kleuteronderwijs. Deze wet immers gaat uit van het beginsel van een volledige kostenvergoeding door het Rijk van het openbaar- en bijzonder kleuteronderwijs. Weliswaar brengt de wijze, waarop dit beginsel in praktijk wordt gebracht, met zich mee, dat de gemeente Leeuwarden vrij belangrijke bedragen moet bijpassen, maar dit neemt niet weg, dat na 1956 het kleuteronderwijs in deze gemeente een belangrijke ontwikkeling, zowel kwantitatief als kwalitatief, te zien heeft gegeven. Na tien jaren kleuteronderwijswet is het aantal scholen in Leeuwarden dan ook gestegen tot vijftien voor het openbaar- en zeventien voor het bijzonder onderwijs.

 

 

 


Gewoon lager onderwijs

Het aantal openbare scholen voor gewoon lager onderwijs bedroeg in 1945 voor het stedelijk deel der gemeente achttien met daarnaast nog de scholen in Goutum, Hempens, Lekkum en Wirdum. In 1965 was dit aantal gestegen tot twintig stedelijke scholen, met daarnaast nog steeds de vier dorpsscholen, die met het oog op hun geringe leerlingental echter slechts krachtens een door Gedeputeerde Staten goedgekeurd raadsbesluit in stand kunnen worden gehouden.

Het aantal bijzondere scholen bedroeg in 1945 in totaal zeventien, waarvan twee dorpsscholen (Wirdum en Wytgaard). Dit aantal was in 1965 gestegen tot vierentwintig, inclusief de beide dorpsscholen. De uitbreiding van het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs vond, zoals wel voor de hand ligt, in hoofdzaak plaats in de nieuwe stadswijken. Dit verschijnsel spreekt nog duidelijker, wanneer men in aanmerking neemt, dat alleen al van de in de oude binnenstad van Leeuwarden gevestigde scholen er sinds 1945 zes wegens het teruglopen van het aantal leerlingen moesten worden opgeheven.

 

 


Voortgezet gewoon lager onderwijs

De aanvankelijk nog aan verschillende scholen verbonden 7e en 8e leerjaren moesten tengevolge van een wijziging van de lager onderwijswet 1920 successievelijk verdwijnen. Voor het voortgezet gewoon lager onderwijs was men dientengevolge aangewezen op de openbare Vijverscholen (in 1963 samengevoegd tot één school) en op de Protestants-Christelijke Marnixschool. Het onderwijs aan deze scholen is in de laatste vijf jaren enigermate van karakter veranderd, omdat het zich meer dan vroeger gaat richten op (voor) opleiding voor bepaalde beroepen. Afzonderlijk moet genoemd worden de openbare Brugschool, omdat deze zich uitsluitend toelegt op het voorbereiden van leerlingen op het volgen van voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs.

 

 

 


Uitgebreid lager onderwijs

In 1945 telde het uitgebreid lager onderwijs in Leeuwarden twee openbare-, twee Potestants-Christelijke- en twee Rooms-Katholieke scholen. Deze aantallen waren in 1965 vier voor het openbare, vier voor het Protestants-Christelijke en twee voor het Rooms-Katholieke onderwijs. In totaal dus een stijging van zes naar tien scholen.

 

 

 


Buitengewoon lager onderwijs

Op het terrein van het buitengewoon lager onderwijs hebben zich in de afgelopen twintig jaren vrij ingrijpende veranderingen voltrokken, niet alleen in de zin van een verbreding van reeds bestaande mogelijkheden, maar vooral ook door het brengen van een grotere differentiatie in de onderwijsmogelijkheden voor kinderen, die door bepaalde oorzaken het gewone onderwijs niet kunnen volgen. Deze uitbouw is enerzijds bevorderd door de betere mogelijkheden die door nieuwe wettelijke regelingen (het op 1 januari 1950 in werking getreden besluit buitengewoon lager onderwijs 1949 en het besluit stichtingskosten buitengewoon lager onderwijs, dat op 1 januari 1959 van kracht werd) worden geboden, maar was anderzijds slechts mogelijk, doordat zowel bij bestuurders als bij de onderwijsmensen meer inzicht en begrip groeide ten aanzien van het “afwijkende kind”. Aan dit begrip heeft het gelukkig ook in Leeuwarden bij de verantwoordelijke instanties en personen niet ontbroken en dit heeft tot gevolg gehad, dat het buitengewoon lager onderwijs in 1965 een geheel ander, we mogen gerust zeggen een veel gunstiger beeld vertoonde, dan in 1945 nog het geval was. In laatstgenoemd jaar bestond het buitengewoon lager onderwijs in Leeuwarden alleen uit de openbare school voor zwakzinnige kinderen aan het St. Jobsleen, later genoemd de Prinsentuinschool. Wel waren er ook al de openbare en de Protestants-Christelijke school voor schipperskinderen, maar deze scholen werden pas bij de inwerkingtreding van het besluit buitengewoon lager onderwijs 1949 onder het buitengewoon lager onderwijs gerangschikt. Ook de toen al bestaande school voor ziekelijke kinderen bleef tot 1 januari 1950 eveneens tot het gewoon lager onderwijs behoren.

De Prinsentuinschool kreeg in 1951 een Protestants-Christelijke pendant in de vorm van de Da Costaschool. Beide scholen waren bestemd zowel voor debiele als voor imbeciele kinderen en voor beide gold daarom ook de wenselijkheid om de school te splitsen, opdat deze twee categorieën kinderen ieder in een geheel eigen, aan hun mogelijkheden en behoeften aangepast milieu zouden kunnen worden opgevangen. Voor de Prinsentuinschool vond deze splitsing - waarbij aan de imbecielenschool het eerste vrouwelijke hoofd van een lagere school in Leeuwarden haar intrede deed - plaats met ingang van 1 september 1956. Voorlopig was dit alleen nog maar een organisatorische splitsing, want de ruimtelijke scheiding moest wachten tot in mei 1960 de nieuwe school voor imbecielen aan het Schapendijkje, de Dr. van Voorthuysenschool, in gebruik kon worden genomen. De splitsing van de Da Costaschool vond plaats, toen op 1 april 1958 de school voor imbecielen kon worden overgebracht in de oude St. Vitusschool aan de Speelmansstraat. De debielenschool bleef gevestigd in de tot school verbouwde woning Droevendal 1, tot eind 1960, toen het nieuwe schoolgebouw aan de Schieringerweg in gebruik kon worden genomen.

Een Rooms-Katholieke school voor zwakzinnigen kwam tot stand met de oprichting op 1 september van de St. Petrusschool, die in januari 1963 werd gehuisvest in een noodschool aan de Badweg.

De reeds genoemde school voor ziekelijke kinderen, de Buitenschool, die zich reeds geleidelijk ontwikkelde in de richting van een onderwijsinstituut, waar de zorg voor de geestelijke èn de lichamelijke ontwikkeling van het kind als één geheel werd gezien, trad een geheel nieuwe ontwikkelingsfase in, toen op 14 september 1961 een nieuw en uiterst modern schoolgebouw door Prinses Beatrix officieel in gebruik werd gesteld. Dit gebouw, dat door de Vereniging Parkherstellingsoord tot stand kon worden gebracht dan zij de, vooral financiële medewerking van het gemeentebestuur, is op de modernste wijze uitgerust om de leerlingen, naast het eigenlijke onderwijs, een volledige verzorging en voeding alsmede de nodige medische-, paramedische- en sociale begeleiding te kunnen verschaffen. Met deze outillage en een staf van deskundige medewerkers biedt deze Buitenschool een voorbeeld van een complete vorm van buitengewoon onderwijs.

Een kleine loot aan de nog steeds groeiende stam van het buitengewoon lager onderwijs, maar daarom voor de betreffende groep leerlingen niet minder belangrijk, vormt de in 1952 tot stand gekomen klas voor “kinderen wier ouders een trekkend bestaan leiden”, kortweg gezegd de woonwagenkampklas. Als dependance van de Aebingaschool is deze klas, waarvan het leerlingental zo tussen de 5 en 25 pleegt te schommelen, ondergebracht in een verenigingsgebouw in het plaatselijke woonwagenkamp.

Een belangrijke ontwikkeling in het buitengewoon lager onderwijs diende zich aan, toen ongeveer halverwege de jaren vijftig de gedachte meer algemeen veld begon te winnen, dat ook voor leerlingen van het gewoon lager onderwijs, die, hoewel verstandelijk normaal begaafd, door bepaalde leermoeilijkheden dit onderwijs bezwaarlijk bleken te kunnen volgen, een vorm van buitengewoon onderwijs wenselijk zou kunnen zijn. Hoewel het denkbeeld van stichting van een aparte school voor deze leerlingen, een school dus voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, al in 1957 bij het gemeentebestuur aanhangig was, duurde het nog, ook al omdat er aanvankelijk eenvoudig geen geld voor was, tot 1960, voor er een definitief standpunt ten gunste van de oprichting van een z.g. l.o.m.-school werd ingenomen. Terzelfder tijd was de gedachte ook in de kring van het Protestants-Christelijk onderwijs in overweging en in goede verstandhouding gevoerd overleg leidde er uiteindelijk toe, dat de gemeenteraad in de vergadering van 7 december 1960 kon besluiten zowel tot stichting van een openbare school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden als tot het verlenen van medewerking voor de oprichting van een soortgelijke school van Protestants-Christelijke signatuur. Beide scholen werden in de loop van 1961 geopend en ontwikkelden zich voorspoedig, zij het, dat de huisvesting bijzonder grote moeilijkheden opleverde. De openbare school heeft in 1964 na drie (!) voorafgaande verhuizingen uiteindelijk een uitstekend houten gebouw aan de Verdistraat kunnen betrekken, maar de problemen van de bijzondere school zijn in dit opzicht in 1965 nog niet opgelost.

Een beschrijving van het buitengewoon lager onderwijs zou niet compleet zijn, wanneer niet een nauw met dit onderwijs samenhangend stukje nazorg werd genoemd, te weten de cursussen voor oud-leerlingen van het buitengewoon lager onderwijs. Uitgaande van de desbetreffende scholen voor zwakzinnige kinderen werd in 1948 gestart met een openbare- en in 1951 met een Protestants-Christelijke avondcursus, die beide uit de gemeentekas worden gesubsidieerd en ook nog een kleine provinciale bijdrage krijgen. Bovendien bestaat sinds enkele jaren een (nog) niet gesubsidieerde Rooms-Katholieke cursus.

 

 

 


Voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs

Wanneer men afziet van de kwantitatieve groei, biedt het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden in 1965 een beeld, dat op het eerste gezicht niet essentieel afwijkt van de situatie in 1945. Als nieuwe opleidingsmogelijkheden kunnen worden genoemd de afdeling middelbare school voor meisjes van de Christelijke h.b.s. en de in 1957 gestarte Christelijke middelbare handelsavondschool, terwijl in 1950 de gemeentelijke lagere avondhandelsschool werd omgezet in een middelbare handelsavondschool met 3- en 5-jarige cursus. Voor het overige is de geschakeerdheid van het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs niet toegenomen, al moet hier voor een goed begrip wel bij worden opgemerkt, dat het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden, wanneer men afziet van de door velen betreurde afwezigheid van een lyceum, een vrij compleet geheel vormt.

Uit het ontbreken van spectaculaire veranderingen mag niet worden afgeleid, dat het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs een starre onveranderlijke grootheid in het onderwijsbestel vormt. Integendeel, de betekenis van met name het laatste deel van de periode 1945 - 1965 is vooral gelegen in de voorbereiding van maatregelen om aan het gehele voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs een andere, doelmatiger en beter aan de moderne eisen voldoende structuur te geven. Een belangrijke factor vormde hierbij uiteraard de nieuwe wet op het voorgezet onderwijs (“Mammoetwet”), die na jarenlange voorbereiding in 1963 het Staatsblad bereikte.

Voor wat het gemeentelijk voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs betreft, moet hier worden genoemd het in 1963 uitgebrachte rapport van een door burgemeester en wethouders ingestelde studiecommissie. Mede naar aanleiding van dit rapport besloot de gemeenteraad in 1964 in principe tot het stichten van een geheel nieuw scholencomplex, waarin, voorzover mogelijk, met behoud van de zelfstandigheid en het eigen karakter van de verschillende schooltypen, de drie gemeentelijke dagscholen (de meisjes-h.b.s. en middelbare school voor meisjes, de h.b.s.-A en het gymnasium) zullen worden samengebracht. In de terminologie van de wet op het voortgezet onderwijs gesproken zullen in dit scholencomplex dus op den duur een gymnasium, een atheneum A en B en een h.a.v.o.-opleiding een plaats vinden. Aan het bouwplan voor dit in het Aldlân te situeren complex werd eind 1965 hard gewerkt.

Ook voor het rijks voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs, tot dusver alleen de rijks h.b.s.-B omvattend, is een nieuwe structuur in voorbereiding en als de voortekenen niet bedriegen, zal deze waarschijnlijk leiden tot een opzet, die veel trekken van overeenkomst met die van het gemeentelijke complex zal hebben. In de kring van het Protestants-Christelijke voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs tenslotte is eveneens beraad gaande om te komen tot een nieuwe vormgeving van het van deze richting uitgaande voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs in Leeuwarden. Geconstateerd kan dus worden, dat in 1965 een basis was gelegd, waarop binnen enkele jaren een geheel nieuwe onderwijsstructuur kan worden opgebouwd.

 

 

 

Nijverheidsonderwijs

De meest opvallende groei, niet alleen naar de omvang, maar ook wat betreft de variatie in opleidingsmogelijkheden, heeft ongetwijfeld het nijverheidsonderwijs te zien gegeven. Legio was het aantal gevallen, waarin door de gemeenteraad een z.g. nodigverklaring voor de stichting van een nieuwe school of opleiding werd afgegeven (alleen al in de periode van 1953 t/m 1965 niet minder dan 58!), meestal na korter of langer tijd gevolgd door toekenning van rijkssubsidie.

Zonder ook maar enigszins op volledigheid aanspraak te maken, volgt hierna een opsomming van een aantal nieuwe scholen en cursussen, die sinds 1945 werden gesticht of waaraan voor het eerst rijkssubsidie werd toegekend.

 

  • Opleiding van leerkrachten voor het nijverheidsonderwijs (1948).
  • R.K. huishoudschool (1952).
  • Bakkersvakschool (1955), in 1957 uitgebreid met een avondschool.
  • Uitgebreid technische school (1958), in 1963 uitgebreid met een afdeling elektrotechniek.
  • Christelijke lagere technische school (1960).
  • Middelbare kunstnijverheidsschool (1961).
  • Algemene detailhandelsvakschool (1962).
  • Patroonscursus aan de slagersvakschool.
  • Christelijke opleidingsschool voor gezinsverzorgsters.
  • Tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool (1964).
  • Vooropleiding lerares aan de Christelijke huishoudschool (1963).
  • Opleiding individueel nijverheidsonderwijs aan de tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool.

In 1965 nog niet gestart, maar wel in een vèrgaand stadium van voorbereiding waren o.m. een algemene en een christelijke school voor individueel technisch onderwijs, een algemene middelbare detailhandelsvakschool en een tweede christelijke industrie- en huishoudschool. Afzonderlijke vermelding verdient nog het voorlichtingscentrum Het Baken, dat sinds 1955 voor een aantal opleidingen eveneens een rijkssubsidie ingevolge de nijverheidsonderwijswet ontvangt. Ook mag hier, al behoort deze school formeel niet tot het nijverheidsonderwijs, wel worden gereleveerd de oprichting in 1954 van de Bijzondere hogere landbouwschool.

Met de reeds bestaande opleidingen, waarvan volledigheidshalve de hogere technische school (vroeger m.t.s.) en de lagere technische school nog wel mogen worden genoemd, heeft de hiervoor beknopt geschetste ontwikkeling er toe geleid, dat Leeuwarden in 1965 een rijk geschakeerd patroon van nijverheidsonderwijs heeft te bieden.

 

 

Het kweekschoolonderwijs

Op het gebied van de onderwijzersopleiding bouwden de Rijkskweekschool en de Hervormde kweekschool hun opleiding onder de werking van de nieuwe kweekschoolwet van 1952 verder uit. Nieuwe vormen van kweekschoolonderwijs vonden hun basis in de kleuteronderwijswet. Nadat reeds jarenlang particuliere opleidingen op verdienstelijke wijze de opleiding van leidsters bij het kleuteronderwijs ter hand hadden genomen, konden, na het van kracht worden van deze wet op 1 januari 1956, de gemeentelijke en de christelijke opleidingsschool voor kleuterleidsters, dank zij de toekenning van volledig rijkssubsidie, tot volwaardige dagopleidingen uitgroeien. Een Rooms-Katholieke opleiding bleek na enkele jaren niet levensvatbaar te zijn.

Andere onderwijsvormen

Een bespreking van het onderwijs in Leeuwarden zou niet volledig zijn, wanneer daarin niets zou worden gezegd over de Fryske Akademy. Hoewel dit unieke instituut in de eerste plaats is opgezet als een centrum van wetenschappelijk onderzoek, heeft het in de loop der jaren daarnaast ook steeds maar een taak op het gebied van het eigenlijke onderwijs op zich genomen. Reeds in 1947 werd begonnen met de organisatie van een cursus voortgezet bouwkunstonderricht. Daarnaast zijn onder auspiciën van de Fryske Akademy in 1947 tot stand gekomen de Noordelijke Leergangen, die een opleiding bieden voor verschillende middelbare akten. Nadat aanvankelijk alleen een opleiding in Leeuwarden werd gegeven, hebben de leergangen naderhand hun werkterrein ook uitgebreid tot de steden Groningen en Zwolle. Voorts worden door de Akademy o.m. nog opleidingen verzorgd voor kleuterpedagogiek, voor leeszaalassistente en voor het buitengewoon onderwijs.

Aparte vermelding eist nog de ook onder de hoede van de Fryske Akademy staande, in 1960 tot stand gekomen Bestuursacademie voor Friesland. Deze instelling, die tot stand kwam in samenwerking met gemeentebesturen en particuliere opleiders, biedt een complete part-time dagopleiding voor bestuursambtenaren van provincie en gemeente en was bij de oprichting een unicum in den lande. Het Friese voorbeeld heeft inmiddels in verscheidene andere provincies navolging gevonden.

Als laatste in de rij van onderwijsvormen kan tenslotte nog worden gewezen op het werk van de instellingen, die zich toeleggen op het geven van een zekere algemene vorming aan in het bedrijfsleven werkzame jongeren. De spits werd hier afgebeten door de in 1952 opgerichte Mater Amabilisschool (R.K.), in 1956 gevolgd door de stichtingen Ontwikkeling Bedrijfsjeugd en De Zonnebloem.

Helaas kan dit overzicht niet besloten worden met het vermelden van het tot stand komen van een vorm van wetenschappelijk onderwijs in Friesland. Aan pogingen om hiertoe te komen heeft het niet ontbroken. Een breed samengestelde provinciale commissie rapporteerde omtrent dit vraagstuk en kwam, uitvoerig geargumenteerd, tot de conclusie (rapporten van 1959 en 1960 en een nota van 1961), dat hoger onderwijs voor Friesland noodzakelijk en mogelijk is. De gemeente Leeuwarden en de Provincie verklaarden zich in 1960 tot belangrijke financiële steun bereid en ook het bedrijfsleven en de maatschappelijke organisaties lieten zich niet onbetuigd. Tot nu toe is men er echter niet in geslaagd de voor de verwezenlijking van de plannen onontbeerlijke steun van de rijksoverheid te verwerven. Het denkbeeld zelf is echter bepaald niet prijsgegeven. Wellicht zullen de komende jaren voor Leeuwarden en Friesland voor de verwezenlijking betere perspectieven bieden!

Huisvesting onderwijs

Een vraagstuk, dat in de afgelopen twintig jaren in bijzondere mate de aandacht heeft gevraagd, is de huisvesting van het onderwijs. De gebouwen, waarover de onderwijsinrichtingen in 1945 konden beschikken, waren voor het merendeel van een respectabele leeftijd, maar ook voorzover zij dat niet waren, was het onderhoud in de oorlogsjaren vaak volkomen verwaarloosd of waren zij door de bezetter in een ruïneuze staat achtergelaten.

Nieuwbouw van scholen vond in de eerste jaren na de bevrijding nauwelijks plaats en ook daarna aanvankelijk nog slechts mondjesmaat. Dit gepaard met een sterke stijging van het leerlingental in verschillende sectoren en een, vooral na 1950, indrukwekkende vermeerdering van de onderwijsvormen, leverde een situatie voor het onderwijs op, die vergelijkbaar is met de woningnood, waarmee Nederland tot vandaag de dag heeft te kampen.

Het spreekt vanzelf, dat het gemeentebestuur onder deze omstandigheden steeds met kracht heeft gestreefd naar het tot stand brengen van zoveel mogelijk (maar ook: naar zo goed mogelijke) schoolgebouwen. Ook de schoolbesturen hebben in dit opzicht hun verantwoordelijkheid verstaan. Een sterke rem bij de scholenbouw vormden en vormen nog steeds het beperkte bouwvolume en de te geringe financiële mogelijkheden, terwijl daarnaast ook proceduremoeilijkheden soms vertragen werken.

De scholennood is dan ook na twintig jaar nog steeds niet opgeheven en het gevolg daarvan is, dat in 1965 nog altijd scholen zijn ondergebracht in gebouwen, die eigenlijk niet meer voor dit doel geschikt zijn en dat in de nieuwe stadsuitbreidingen de scholenbouw nog altijd geen gelijke tred kan houden met de woningbouw en dus met de toeloop van leerlingen. Niettemin is er, dank zij het onvermoeid werken van gemeentebestuur en schoolbesturen, waarbij vaak een grote inventiviteit aan de dag moest worden gelegd om allerlei problemen op te lossen, toch opmerkelijk veel tot stand gebracht. Dit was mede mogelijk, doordat de hiervoor onontbeerlijke samenwerking tussen het gemeentebestuur en de schoolbesturen in het algemeen weinig te wensen overliet. Voor wat het lager- en kleuteronderwijs betreft, is deze samenwerking in de laatste jaren zelfs zo nauw geworden, dat de plannen voor de nieuwe stadswijken in volledig overleg tussen de gemeentelijke instanties en de besturen worden opgesteld en de administratieve en technische voorbereiding en uitvoering van de bouw van alle openbare- en bijzondere scholen door de gemeente worden verzorgd. Bij deze planning wordt een dankbaar gebruik gemaakt van de resultaten van door het Nederlands Economisch Instituut in opdracht van het gemeentebestuur ingestelde onderzoeken omtrent de behoefte aan lagere- en kleuterscholen in de te realiseren uitbreidingsplannen.

Om een indruk te geven van wat op het terrein van de scholenbouw sinds 1945 tot stand werd gebracht, volgt hier een globale vermelding van de scholen c.q. aantallen lokalen, die ten behoeve van de verschillende soorten van onderwijs werden gebouwd en van de andere bouwactiviteiten, die ten behoeve van de scholenhuisvesting werden bedreven.

  • Kleuteronderwijs: Voor het openbaar onderwijs kwamen 34, voor het bijzonder onderwijs 30 nieuwe lokalen tot stand.
  • Gewoon lager onderwijs: Het openbaar onderwijs kreeg 58 nieuwe lokalen, het bijzonder onderwijs 61, terwijl bovendien verschillende scholen grondig werden gerestaureerd. Daarnaast werden op ruime schaal in de bestaande scholen allerlei moderniseringen ingevoerd, zoals het vervangen van verouderde banken door leerlingensets, het aanbrengen, waar nodig, van naadloze vloerbedekking, het verbeteren van de kunstverlichting en het installeren van volautomatische centrale verwarmingsinstallaties.
  • Voortgezet gewoon lager onderwijs: Voor de Protestants-Christelijke school kwam een nieuw gebouw tot stand.
  • Uitgebreid lager onderwijs: Er werd één openbare school voor uitgebreid lager onderwijs gebouwd, terwijl voor het bijzonder uitgebreid lager onderwijs twee volledige nieuwe scholen alsmede een achttal houten lokalen tot stand kwamen. Plannen voor nog drie scholen voor uitgebreid lager onderwijs (één openbare en twee bijzondere) waren in 1965 in het laatste stadium van voorbereiding.
  • Buitengewoon lager onderwijs: In de openbare sector kwamen tot stand een school voor imbecielen en een school voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden, terwijl het bijzonder onderwijs verrijkt werd met een nieuwe Protestants-Christelijke debielenschool, een houten Rooms-Katholieke school voor zwakzinnige kinderen en de reeds eerder vermelde school voor ziekelijke kinderen, de Buitenschool. De verbouw van de opgeheven Arendstuinschool (gewoon lager onderwijs) tot openbare debielenschool stond eind 1965 voor de deur, terwijl ook aan plannen voor een nieuwe Protestants-Christelijke imbecielenschool hard werd gewerkt.
  • Voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs: Volledige nieuwbouw deed zich hier niet voor. Wel werd echter de Rijks h.b.s. met een verdieping uitgebreid, terwijl ook de Christelijke h.b.s. een uitbreiding onderging en daarenboven voor een belangrijk deel werd vernieuwd. Zoals eerder in deze beschouwing al werd vermeld, werd echter in de laatste jaren van het beschreven tijdvak een eerste begin gemaakt met omvangrijke nieuwbouwplannen voor het voorbereidend hoger- en middelbaar onderwijs.
  • Kweekschoolonderwijs: De Hervormde kweekschool kreeg een nieuw gebouw, dat naderhand al weer een belangrijke uitbreiding onderging. Een nieuw gebouw voor de Rijkskweekschool was eind 1965 bijna voltooid, terwijl met de bouw van een gemeentelijke Opleidingsschool voor kleuterleidsters, op dat tijdstip een begin was gemaakt na een voorbereidingsprocedure, die meer dan zeven jaren in beslag had genomen. Ook de plannen voor een nieuwe Christelijke Opleidingsschool waren op dat moment bijna in het stadium van uitvoering aangeland.
  • Nijverheidsonderwijs: Tot stand kwamen nieuwe gebouwen voor de uitgebreid technische school (voorlopig), de Christelijke huishoudschool, de Rooms-Katholieke huishoudschool, de tweede Leeuwarder industrie- en huishoudschool en de Christelijke lagere technische school. De nieuwe neutrale lagere technische school was eind 1965 grotendeels voltooid, terwijl het plan voor een nieuwe bakkersvakschool op dat tijdstip het eerste stadium van uitvoering had bereikt. De Christelijke school voor gezinsverzorgsters betrok het geheel gerestaureerde gebouw van de vroegere Bornia-kliniek, terwijl tenslotte de Huisvesting van Het Baken vernieuwd en belangrijk uitgebreid werd.

Andere voorzieningen

Met een behandeling van de omvang en geschakeerdheid van de onderwijsvoorzieningen en de huisvestingproblematiek alleen is “het” onderwijs in Leeuwarden nog niet voldoende geschetst. Om het beeld enigermate compleet te maken, zullen hier nog een aantal onderwerpen kort dienen te worden besproken, die, al vertonen zij misschien weinig samenhang, alle dit gemeen hebben, dat zij voor Leeuwarden en het onderwijs van betekenis zijn. Volledigheid zal daarbij, binnen het bestek dezer verhandeling, niet mogen worden verwacht, terwijl ook de volgorde van belangrijkheid vrij willekeurig zal zijn.

  • Schoolverzorging: Onder deze term vat men wel samen alle activiteiten, die door deskundigen, niet behorend tot het gewone onderwijzend personeel, worden bedreven, met het doel het onderwijs beter tot zijn recht te laten komen en de belangen van de leerlingen te dienen. Tot deze deskundigen kan in de eerste plaats worden gerekend de schoolarts, bij het onderwijs in Leeuwarden al sinds lang ingeburgerd. Naast deze zijn in de afgelopen jaren ook enkele meer gespecialiseerde artsen bij de schoolverzorging betrokken, zoals de psychiatrisch geschoolde arts (bij het l.o.m.-onderwijs) en de kinderarts (Buitenschool). Voorts is omstreeks 1961 ten tonele verschenen de schoolpsycholoog, aanvankelijk vrijwel alleen ten dienste van de l.o.m.-scholen, maar bij het gemeentelijk onderwijs tevens met de bedoeling, zodra mogelijk, ook andere schooltypen hiervan te laten profiteren. Door de indiensttreding in 1965 van een eigen schoolpsycholoog bij de gemeente Leeuwarden is een stap in de richting van dit doel gezet. Aan de l.o.m.-scholen en de Buitenschool heeft ook het schoolmaatschappelijk werk zijn intrede gedaan. Tenslotte heeft de gemeente Leeuwarden in 1965 toestemming gekregen tot aanstelling van een “remedial teacher”, met welke onvertaalbare term een pedagogisch-didactisch specialist wordt aangeduid, die speciaal tot taak heeft leerlingen van het gewoon lager onderwijs, die met bepaalde leermoeilijkheden hebben te kampen, te helpen deze te overwinnen. Met het verschijnen van de hier genoemde deskundigen in het onderwijsleven is een ontwikkeling begonnen, die haar einde voorlopig nog niet heeft gevonden. Wellicht zullen op den duur de nu nog enigszins verspreide bemoeiingen van deze specialisten binnen het raam van een nieuwe organisatievorm moeten worden gecoördineerd.
  • Inspectie: Naast de verschillende rijksinspecties kende Leeuwarden tot 1958 geen eigen gemeentelijke inspectie. In dat jaar werd evenwel ingesteld de functie van gemeentelijke inspecteur van de lichamelijke opvoeding. Een algemene onderwijsinspectie werd tot dusverre niet ingesteld, maar wel hebben burgemeester en wethouders bij de aanbieding van de gemeentebegroting voor 1966 te kennen gegeven, dat de wenselijkheid van een zodanige inspectie bij hen in overweging is.
  • Godsdienstonderwijs: In navolging van verschillende andere gemeenten besloot ook het gemeentebestuur van Leeuwarden om met ingang van 1 januari 1963 het godsdienstonderwijs op de openbare scholen te gaan subsidiëren.
  • Vervoer van leerlingen: Sedert 1 februari 1960 wordt het vervoer van leerlingen van het buitengewoon lager onderwijs van gemeentewege per stadsbus verzorgd. Ook het vervoer van de leerlingen van de dorpsscholen voor het volgen van het zwemonderwijs geschiedt voor rekening van de gemeente.
  • Schoolmuseum: Vermelding verdient nog het in 1926 in de toenmalige inspectie Franeker opgerichte schoolmuseum. Vanaf 1945 is dit museum gehuisvest in enkele lokalen van de St. Anthonyschool.
  • Studiefonds: In 1949 besloot de gemeenteraad van Leeuwarden tot het in het leven roepen van een gemeentelijk studiefonds, waarin jaarlijks een bedrag van ƒ 10.000,- zou worden gestort. Dit fonds bleek in een behoefte te voorzien en vervult ook nu nog, ondanks de aanmerkelijke verruiming sinds 1949 van de mogelijkheden tot het verkrijgen van een beurs of voorschot uit ’s rijks kas, een nuttige functie. De volgende cijfers mogen dit illustreren. In 1949 werd aan vier aanvragers in totaal ƒ 1600,- uitgekeerd; in 1955 was het aantal begiftigden gestegen tot 14, die in totaal ƒ 8100,- ontvingen; 1960 gaf een totaal aan uitkeringen te zien van ƒ 10.400,- aan 28 personen, terwijl tenslotte in 1965 aan niet minder dan 71 begunstigden in totaal ƒ 23.235,- werd uitgekeerd.
  • Jeugdzaken: Hoewel niet het onderwijs in enge zin betreffend, moge hier, vanwege het nauwe verband met de belangen van de jeugd in de schoolgaande leeftijd, met een enkel woord melding worden gemaakt van het feit, dat het gemeentebestuur van Leeuwarden in 1965 overging tot het benoemen van een ambtenaar, die speciaal belast zal zijn met de behartiging van de gemeentelijke bemoeiingen met jeugdzaken. Deze benoeming geschiedde mede op aandrang van de Leeuwarder Jeugd Gemeenschap, sectie van de in 1947 in het leven geroepen Leeuwarder Gemeenschap. De ambtenaar voor jeugdzaken heeft dan ook mede tot taak het vervullen van het secretariaat van de Leeuwarder Jeugd Gemeenschap. Door het creëren van genoemde functie heeft de gemeente Leeuwarden dus uitdrukkelijk ook de niet tot het onderwijs in de strikte zin te rekenen belangen van de jeugd tot een direct voorwerp van gemeentelijke zorg gemaakt.

In het voorgaande is getracht een zo objectief mogelijke globale weergave te bieden van het wedervaren en de ontwikkelingsdrang van het onderwijs en hetgeen daarmee samenhangt in Leeuwarden gedurende de periode 1945 tot en met 1965. Wanneer deze beschouwing dan moge worden besloten met een wellicht enigszins subjectief geformuleerde conclusie, zou deze kunnen luiden, dat in het tijdvak na de bevrijding het onderwijs in Leeuwarden een belangrijke verbreding en verdieping te zien heeft gegeven en daardoor, al blijven er ook nog onvervulde wensen, de jeugd de kansen biedt, die zij in een zich snel ontwikkelende maatschappij nodig heeft.























































































































Terug

Industrialisatie


Van de bronnen van bestaan is de industrie een der jongste. Het agrarische bedrijf, de visserij, de handel en het verkeer zijn eerder tot ontwikkeling gekomen dan de industriële activiteit. Wel was er reeds vroeg sprake van enige - nog meest ambachtelijke - nijverheid in de stad, maar tot werkelijke ontplooiing kwam deze pas in het laatst van de vorige en in de loop van deze eeuw. Slechts in geringe mate bestond die ontplooiing in een uitgroeien van reeds van ouds aanwezige bedrijven. Het aantal industriële en ambachtelijke bedrijven van zeer oude datum is in Leeuwarden dan ook niet heel groot. Al veranderde het aandeel van de nijverheid in het totaal van de welvaartsbronnen van de stad lange tijd niet veel, binnen een groep van verwante bedrijven traden vaak aanzienlijke wijzigingen op. Bedrijven, die vroeger een vooraanstaande plaats innamen, raakten na verloop van tijd achterop, de vraag naar hun producten verminderde en zij ruimden tenslotte het veld om plaats te maken voor nieuwe. Illustratief is een vergelijking van een bedrijfsinventarisatie uit het jaar 1785 met de toestand van nu. Leeuwarden had in 1785: 4 oliemolens, 5 zaagmolens, 2 zeemleermolens, 1 snuifmolen, 5 pelmolens, 8 korenmolens, 1 oliemolen en 2 cementmolens (paardenkracht), 4 leerlooierijen, 2 tichelwerken, 1 pannenbakkerij, 2 pottenbakkerijen, 2 zeepziederijen, 2 zoutketen, 1 suikerraffinaderij, 1 meestoof, 3 kalkbranderijen, 1 lakenververij, 1 bontweverij en 1 dekenfabriek. Daarvan is nu niets meer terug te vinden. Slechts in een enkel geval is van een in die opsomming voorkomend bedrijf via modernisering en concentratie de lijn der geschiedenis door te trekken naar een thans nog bestaande industrie. De methoden veranderen, van windkracht naar stoom, van stroom naar elektriciteit, de behoeften wijzigden zich (rond de Franse tijd telde Leeuwarden 40 bierbrouwerijen, in 1856 waren er nog 2, in 1867 verdween de laatste). Het algemene beeld, dat men ook bij een duik in de historie van deze bestaansbron te zien krijgt, is: opgaan, blinken en verzinken.

In zijn totaliteit toonde de industriële sector zich in Leeuwarden echter in de aan de laatste wereldoorlog voorafgegane halve eeuw vrij stabiel met een lichte neiging tot achteruitgang in verhouding tot het totaal van de bevolking. Deze betrekkelijke stabiliteit betekende evenwel in het licht van de ontwikkeling elders in ons land een sterk achterblijven. De nijverheid in Leeuwarden droeg in hoofdzaak een plaatselijk en regionaal verzorgend karakter; sterke groeistimulansen deden zich niet voelen, vooral tengevolge van het nagenoeg ontbreken van grote, stuwende bedrijven. Bij de laatste bedrijfstelling van voor de oorlog - die van 1930 - werden in Leeuwarden slechts drie bedrijven geteld met meer dan 100 man personeel, terwijl er toen 16 bedrijven waren met 50 tot 100 man. Van de processen, die in Nederland reeds verscheidene decennia bepalend waren voor de spreiding van de werkgelegenheid en van de bevolking, t.w. schaalvergroting, industrialisatie en verstedelijking, deed zich in Friesland wel het eerstgenoemde - de schaalvergroting - voelen, maar de beide andere verschijnselen gingen aan deze provincie nagenoeg voorbij. Terwijl b.v. steden in het westen des lands in de laatste drie decennia van de vorige eeuw hun inwonertal zagen stijgen met 100 à 200 %, groeide Leeuwarden (incl. Huizum) slechts met 30 %. De concentratie van de werkgelegenheid en bevolking speelde zich grotendeels buiten Friesland af; de schaalvergroting had daartegenover tot gevolg, dat in Friesland tal van nog op ambachtelijke leest geschoeide bedrijven, die hun bestaansrecht ontleenden aan de lokale en regionale behoeften, verdwenen. Vervanging van deze bedrijven door industrieën had slechts in geringe mate (behalve in de zuivelsector) plaats.

Crisis- en oorlogsjaren waren niet het meest geschikt om een industriële bloei te zien te geven en allerminst om de eenmaal opgelopen achterstand te doen verdwijnen. In de ergste jaren van de malaise (1936 t/m 1939) schommelde het werkloosheidscijfer in Leeuwarden rond de 2.000. Tewerkstelling buitenlands van arbeidskrachten, gebrek aan grondstoffen en andere, de bedrijven voor vele proplemen plaatsende, narigheid kwamen de industrie in de oorlogsjaren in het algemeen niet ten goede.

De periode 1930 - 1945 was er dan ook een van een zekere stilstand. In 1930 telde de industriële beroepsbevolking in Friesland ruim 10.700 werknemers; in 1945 bedroeg dit aantal nog maar weinig meer, n.l. ± 11.200. De werkgelegenheid in de industrie werd voor meer dan de helft gevormd door de voedings- en genotmiddelenindustrie. Daarin had de zuivelsector het leeuwenaandeel.

Toen de donkere jaren 1940 - 1945 voorbij waren, moest men constateren, dat de industriële welvaartsbron in Friesland veel minder rijk vloeide dan elders. Leeuwarden stak tegen deze achtergrond weliswaar gunstig af, maar kon toch ook het voor geheel Nederland geldende gemiddelde van de percentages van in de nijverheid werkzame personen niet halen. (Opvallend was daartegenover, dat het percentage van ten behoeve van handel en verkeer tewerkgestelden in Leeuwarden zeer ver uitstak boven de Friese en Nederlandse cijfers.)

 

 

 


Na de oorlog

Zo zien we dus, dat Leeuwarden onmiddellijk na de oorlog een stad is met een sterk ontwikkelde handels- en verkeersfunctie en een relatief zwakke industriële sector. Hoe zag die industriële sector er nu uit? Een belangrijke plaats nam - zoals we reeds vaststelden - de bedrijfsklasse voedings- en genotmiddelen in. Alleen al in de zuivelbranche (inclusief de condensproductie) waren ± 500 personen werkzaam. Een belangrijk deel van de producten van de in deze branche werkzame bedrijven (Coöperatieve Condensfabriek “Friesland” in de eerste plaats) was bestemd voor de export. Daarnaast was er een margarinefabriek (Benninga), waarvan de producten ook niet alleen in Nederland werden afgezet, doch ten dele eveneens werden geëxporteerd.

Van de vroeger vrij talrijke grutterijen en molens was niet veel meer terug te vinden. De concentratietendens had uit de vele kleine bedrijven aan het eind van de vorige eeuw tenslotte één grote meelfabriek (Koopmans Meelfabrieken N.V.) overgelaten. Deze behoorde tot de grootste bedrijven in den lande op dit gebied. Verder was er één grote graanmalerij overgebleven met daarnaast nog enkele kleinere in dezelfde branche werkzame bedrijven. De oliemolens en olieslagerijen waren geheel verdwenen. Enkele beschuit- en koekfabrieken, evenals enige roggebroodbakkerijen, voorzagen in meer dan de plaatselijke behoefte. Een belangrijke - van origine niet-Leeuwarder - industrie met nationale en internationale afzet was een suikerwerkfabriek, die zich in 1932 van Harlingen naar Leeuwarden had verplaatst.

De cichoreibranderij, in de vorige eeuw in Leeuwarden (trouwens in geheel Friesland) een veel voorkomend bedrijf, was sterk op haar retour. In 1860 waren er in Leeuwarden nog 3 cichoreifabrieken met 57 werknemers, in 1871 nog maar 2 met 48 werknemers en na de tweede wereldoorlog bestond er nog één met een zeer gering aantal arbeiders.

Ook in de tabaksindustrie had o.m. de mechanisatie tot sterke concentratie, vooral in het zuiden des lands, geleid. Van de in 1860 nog bestaande 13 tabaks- en sigarenfabriekjes met 67 man personeel in Leeuwarden hadden zich nog een paar kleine bedrijven kunnen handhaven.

De bedrijfsklasse van de metaalbedrijven had zich reeds een belangrijke plaats veroverd. Het grootste aantal werknemers in deze sector had de blikindustrie. De machinefabrieken vertoonden een toenemende ontwikkeling. In 1948 boden alleen al de grotere bedrijven van deze sector werk aan een 250-tal personen. Er was 1 scheepswerf van enige omvang. Verder 1 rijwielfabriek.

Van textielindustrie was in het Leeuwarden van direct na de oorlog nauwelijks sprake. Enkele chemische industrieën (casolith- en stremselfabrieken) boden in 1948 werkgelegenheid aan een 150 man.

Tot de grote, stuwende bedrijven kon toen al worden gerekend de in 1907 opgerichte Leeuwarder Papierwarenfabriek. Reeds eerder was er in de papiersector een belangrijk bedrijf geweest, n.l. een strokartonfabriek, opgericht in 1869 en in de vorige eeuw zelf 140 werklieden tellend, doch vlak voor de eerste wereldoorlog werd dit bedrijf opgeheven.

In de houtsector zijn het de kistenindustrie, de meubelfabrieken (waaronder een met meer dan 50 werknemers) en met name ook de timmerfabrieken, die aan tal van mensen werk geven.

Tenslotte verdient vermelding het grafisch bedrijf. Enkele honderden werknemers vonden emplooi in deze bedrijfstak. Verschillende bedrijven waren gesticht in de vorige eeuw en hadden zich geleidelijk uitgebreid en veelal gespecialiseerd. Enkele telden meer dan 50 personeelsleden.

Wanneer men dit alles overziet, blijkt, dat Leeuwarden uit de oorlog kwam met een te weinig gevarieerd industrieel patroon, dat zich bovendien nog niet goed ontplooid had en dat voornamelijk voorzag in de productie ten behoeve van de plaatselijke en regionale vraag.

De hoofdmoot vormde - zoals al aangeduid - de voedings- en genotmiddelenindustrie, die zich vrij snel uitstekend had ontwikkeld. Rond 1860 was 12 à 13 % van de nijverheidsbevolking in deze bedrijfsklasse werkzaam, in 1889 was dit 14,1 %, in 1899 reeds 16,6 % en in 1930 was het opgelopen tot 27,4 %. Daarmee was deze klasse de belangrijkste industriële sector geworden. De groei zette zich na 1930 nog voort. Vanzelfsprekend moet de verklaring voor het verschijnsel, dat de voedings- en genotmiddelenindustrie zo’n belangrijke plaats innam, voornamelijk worden gezocht in het nog bijna geheel agrarische karakter van Friesland. De industrieën in de stad verwerkten in de eerste plaats de grondstoffen, die landbouw en veeteelt leverden, of produceerden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering en van de agrarische bevolking van het omliggende platteland. Verschillende andere bedrijven dankten hun bestaan - of althans hun ontstaan - aan de vraag naar hulpmiddelen, die van de voedings- en genotmiddelenindustrie kwam, met name naar verpakkingsmiddelen (blik, papier, kisten etc.) en naar machines (zuivelwerktuigen etc.). Opvallend was voorts, dat de industrie nog nagenoeg geheel uit kleinere bedrijven bestond.

Vrij spoedig na de tweede wereldoorlog traden in de agrarische sector ontwikkelingen op, waarvan verwacht moest worden, dat ze de werkgelegenheid in ernstige mate zouden beïnvloeden. Aan de ene kant zoog de grote vraag naar arbeidskrachten elders, met de geboden lonen en verdere voorwaarden, velen weg uit de agrarische gebieden, zodat het steeds moeilijker werd bekwame landarbeiders te krijgen of te behouden; aan de andere kant maakten mechanisatie en rationalisatie steeds minder arbeidskrachten in de landbouw- en veeteeltbedrijven nodig.

Rationalisatie, verhoging van de efficiency, het gebruik van moderne vervoermiddelen en naderhand ruilverkaveling en bedrijfsvergroting leidden tot een betere benutting van arbeidskracht en arbeidstijd en bevorderden de uitstoting van werkkrachten uit de agrarische sfeer nog. Door deze oorzaken liep bovendien de op het platteland voorheen sterke verborgen werkloosheid terug.

Het kon niet anders, of een zo eenzijdig agrarische provincie als Friesland moest wel heel in het bijzonder van deze structuurwijzigingen de gevolgen ondervinden. De toch al gedurende een aantal decennia geringe expansie van de werkgelegenheid in de agrarische sector sloeg om in een geleidelijk toenemende achteruitgang. In het tijdvak van 1899 tot 1947 nam de mannelijke agrarische beroepsbevolking in Friesland nog toe met rond 7 %, n.l. van 49.000 tot 52.000, toch al weinig vergeleken bij een bevolkingsgroei over deze periode van 35 %. In 1930 waren in totaal 54.000 personen in de landbouw etc. werkzaam, in 1955 was dit aantal al gedaald tot 45.000 en in 1960 tot 37.000. Relatief vooral betekende dit een sterke teruggang (in 1947 was van de totale beroepsbevolking in Friesland 34 % werkzaam in de landbouw, in 1960 was dit nog geen 23 %; in de gemeente Leeuwarden was dit percentage in 1947 nog 5,4 in 1960 was het gedaald tot 2,7 en dus gehalveerd).

Reeds lang - en met name sedert de industriële revolutie - was Friesland een gebied, dat vele werkkrachten aan andere delen van Nederland leverde. De structuurveranderingen in de agrarische sector dreigden de expulsie nog veel groter te doen worden. Naar mate die veranderingen zich duidelijker gingen aftekenen, onderkende men, zowel in overheidskringen in Friesland, als in die van organen en organisaties in de maatschappelijke en economische sfeer, dit gevaar. Dit leidde tot een gezamenlijk pogen om middelen te beramen, die aan de uittocht van werkkrachten een halt zouden kunnen toeroepen.

Ook het gemeentebestuur van Leeuwarden ging zich, anders dan voorheen wel eens het geval was geweest, realiseren, dat alleen verdere industrialisatie de mogelijkheid zou openen Leeuwarden zijn aandeel in de welvaart te doen krijgen en dat slechts (of althans in de eerste plaats) industrialisatie de dam zou kunnen vormen, die de stroom van werkkrachten naar elders zou kunnen tegenhouden. Het werd daarbij krachtig gesteund door de commissie voor productieve werkgelegenheid, ingesteld door het departement Leeuwarden en omstreken van de Nederlandse Maatschappij voor Nijverheid en Handel en ten stadhuize geïnstalleerd op 11 augustus 1952. De activiteit van deze commissie resulteerde in een viertal rapporten, waarin gemotiveerd en geargumenteerd aandacht werd besteed aan onderscheidenlijk:

  • de mogelijkheden tot industriebevordering in Leeuwarden;
  • de centrumfunctie van Leeuwarden;
  • de recreatie en het vreemdelingenverkeer in Leeuwarden;
  • de verkeersverbindingen en de nutsvoorzieningen van Leeuwarden.

De hierin gedane suggesties stimuleerden het gemeentebestuur in zijn streven Leeuwarden meer nog dan reeds het geval was een functie te geven als opvangcentrum ten aanzien van het platteland van Friesland. Het zich voltrekkende proces van ontvolking van de agrarische gebieden leidde tot een trek naar de steden. Het was de taak van Leeuwarden zoveel mogelijk van hen, die het omringende platteland wilden of moesten verlaten, op te nemen en door het bieden van werkgelegenheid in de provincie vast te houden. Met name gold dat ook ten aanzien van de jongeren die in toenemende mate door het volgen van technisch onderwijs de opleiding hadden genoten, die hen voorbestemde voor een werkkring in de industrie en die nu nog veelal moesten wegtrekken om de voor hen geschikte arbeid te vinden.

Het was ook het belang van Leeuwarden te pogen een aanzienlijk deel van degenen, die het platteland de rug toekeerden, naar zich te trekken. De teruggang van de bevolking van het omringende platteland zou immers ook de veelzijdige centrumpositie van de stad aantasten. In het bijzonder ook de handels- en dienstensector zouden hiervan de weerslag ondervinden. Ook om dit te voorkomen was het nodig compensatie te vinden door toeneming van de werkgelegenheid in Leeuwarden en daarmee van de bevolking van de stad en omgeving.

Stellig was er een aantal factoren, die Leeuwarden tot een aantrekkelijke vestigingsplaats voor industriële bedrijven maakten. Het arbeidsoverschot was hier relatief groot. In de naaste toekomst zouden er nog steeds veel werkkrachten beschikbaar komen. Hier waren dus gemakkelijk arbeidskrachten - vooral ook ongeschoolde - te krijgen. Het loonniveau was lager dan in verschillende andere delen van het land. Leeuwarden was een stad van behoorlijke omvang, met de nodige voorzieningen op cultureel en onderwijsgebied en met de nodige gevarieerdheid van bedrijven, die bepaalde onderhoudsvoorzieningen op zich konden nemen. De stad beschikte over goede verbindingen met andere plaatsen: wegen, spoorwegen, waterwegen, openbare middelen van vervoer. Het was mogelijk nieuwe industrieterreinen aan te leggen, die gunstig lagen ten opzichte zowel van de stad als van de gelegenheden tot aanvoer van grondstoffen en afvoer van producten.

Wel waren er ook tegenwerkende omstandigheden te signaleren, vooral in het psychologische vlak. Friesland (en dus ook Leeuwarden) lag voor velen in het westen en in andere delen van het land ver weg. Het was een land van boeren. Zou daar wel een klimaat te vinden zijn, geschikt voor de moderne industriële bedrijvigheid? Waren degenen, die gisteren nog aardappelen en bieten rooiden of koeien molken, mentaal geschikt om vandaag hun plaats in een lopende bandsysteem in te nemen? Mocht men daar bij de overheid begrip verwachten voor de behoeften en verlangens van het bedrijfsleven van deze tijd? Kon men als industrieel, als manager, als intellectueel in een provinciestad als Leeuwarden ook prettig wonen, kon men er leven?

 

 

Industriehallen

Een van de belangrijkste stappen, die ter bevordering van de industrialisatie in Leeuwarden werden ondernomen, was de oprichting van de Stichting “Leeuwarder Industriegebouwen” op 24 september 1953. Deze was het resultaat van het gezamenlijk streven van overheid en particulieren om de werkgelegenheid in de stad te vergroten. De stichting beoogde daartoe de industrievestiging in Leeuwarden zoveel mogelijk te stimuleren en te bevorderen. Het stichtingsbestuur - bestaande uit vertegenwoordigers van handel en industrie, van werknemersorganisaties, van het Economisch-Technologisch Instituut voor Friesland en van de Rijksnijverheidsdienst, alsmede uit de burgemeester, de wethouder van openbare werken en enkele functionarissen van de gemeente - wilde trachten een gunstig klimaat te scheppen door zowel aan reeds in de binnenstad bestaande bedrijven als aan nieuwe industrieën op aantrekkelijke voorwaarden huisvesting te bieden in moderne en goed geoutilleerde gebouwen. De betrokkenen zouden de keuze krijgen tussen huur en eigendomsverwerving.

De eerste drie industriehallen werden door de stichting gebouwd op het industrieterrein West, gelegen tussen de Harlingertrekvaart, de spoorlijn naar Harlingen en de spoorlijn naar Stiens. Dit industrieterreinencomplex was, met het industrieterrein Greuns in het oosten van de stad, tezamen ongeveer 20 ha. groot, de eerste door de gemeente ter speciale bevordering van de industrialisatie aangelegde en uitgegeven industriegrond.

De eerste drie met financiering door de gemeente, door de stichting gebouwde hallen vonden al spoedig hun bestemming, zodat het nodig bleek opnieuw enkele hallen te stichten. In 1956 kwamen opnieuw drie hallen gereed, in 1959 weer 2, in 1961 zelfs 6, in 1962 weer 2 - waarvan één dubbele - , in 1964 nog 2, terwijl er eind 1965 een uitbreiding van één hal in uitvoering is genomen. De totale bouwkosten van de door de stichting gebouwde 18 hallen bedragen ruim ƒ 5.500.000,-. Van het aan de huurders verleende recht om de bij hen in gebruik zijnde industriehallen te kopen werd ten aanzien van zeven hallen gebruik gemaakt, terwijl de stichting daarnaast drie hallen in huurkoop gaf.


Industriespreiding

Hoewel deze ontwikkeling wel aantoonde, dat er iets veranderd was en dat de industriële activiteit in Leeuwarden wel groter werd, toch was dit bij lange na niet voldoende om het vertrekoverschot uit Leeuwarden en het omliggende gebied (met name het noordwesten van Friesland) te niet doen gaan. Het leek ook voor Leeuwarden ondoenlijk dit geheel op eigen krachten te bereiken. Daarvoor zou nodig zijn, dat het beleid van het gemeentebestuur op effectieve en krachtige wijze ondersteund werd door maatregelen op nationaal niveau.

Weliswaar had de regering reeds spoedig na de oorlog doelbewust gekozen voor spreiding van industriële werkgelegenheid, maar Leeuwarden moest vrij lang wachten tot het daarvan de vruchten kon plukken. In de eerste industrialisatienota (van 1949) zette de regering haar plannen ten opzichte van de regionale arbeidsmarktproblemen vrij duidelijk uiteen. De oplossing werd echter nog niet in de eerste plaats gezocht in een doeltreffende stimulering van de industriespreiding. Hoofddoel was de structurele werkloosheid in gebieden met relatief grote arbeidsoverschotten te bestrijden. Daartoe werd zelfs migratie naar andere landsdelen bevorderd. Niettemin had dit beleid daarnaast toch ook een spreiding van werkgelegenheid tengevolge. Leeuwarden profiteerde daarvan echter niet of hooguit indirect enigszins, want wel was een deel van Friesland, n.l. het oosten, aangewezen als probleemgebied, maar dat omvatte Leeuwarden niet.

Eerst in de volgende jaren werd duidelijk, dat welbewust een spreidingsbeleid moest worden gevoerd, opdat er een betere verdeling van de bestaansbronnen, in het bijzonder van de industrie, over het land en daarmee ook over de bevolking zou komen. Wel was in de vijftiger jaren het aantal industriële arbeidsplaatsen in het noorden des lands verhoudingsgewijs sterk toegenomen, nog steeds was er een grote achterstand voor wat het aandeel in de totale industriële werkgelegenheid betrof.

Van het gewijzigde beleid kon Leeuwarden pas de voordelen gaan genieten, toen het in 1959 als primaire industriële ontwikkelingskern werd aangewezen. Van dat moment af konden bedrijven, die zich hier vestigden of uitbreidden, op grond van de premie- en prijsreductieregeling bevordering industrialisatie ontwikkelingskernen in aanmerking komen voor een reductie van 50 % op de kosten van het industrieterrein en voor een premie, berekend naar de vloeroppervlakte van het bedrijfsgebouw. Voor de toekenning van deze vestigings- of uitbreidingspremie gold als voorwaarde, dat binnen een tijd van twee jaar een aantal nieuwe werkkrachten moest worden tewerkgesteld. Bij vestiging was dit 1 man op elke 100 m2, bij uitbreiding 1 man per 50 m2.

Naast deze direct stimulerende maatregelen werden tevens mogelijkheden geschapen om langs meer indirecte weg industrialisatie in de hand te werken. De gemeente kon n.l. in de kosten van allerlei klimaatverbeterende voorzieningen een rijkssubsidie verkrijgen. Vooral de totstandkoming van verschillende belangrijke, de infrastructuur verbeterende, verkeersvoorzieningen (o.m. de ringweg om Leeuwarden) werd aldus - door rijkssubsidies tot in de regel 85 % van de kosten - mogelijk gemaakt. Dit stimuleringsbeleid betekende aanvankelijk een sterke opleving van de belangstelling voor vestiging en uitbreiding van industrieën in Leeuwarden. Geleidelijk aan verzwakte het effect echter weer, hoewel de groei tengevolge van min of meer toevallige omstandigheden het ene jaar soms weer groter was dan het andere. Het duidelijkst spreken hier de cijfers betreffende de industriële arbeidsplaatsen in Leeuwarden:

 

 

 

 

 

m.

vr.

totaal

jaarlijkse groei

30/9-45

1575

155

1730

 

39/9-50

4307

470

4777

 

eind ‘58

4800

594

5394)

638

eind ‘59

5370

662

6032)

557

eind ‘60

5865

724

6589)

274

eind ’61

6057

807

6863)

121

eind ‘62

6112

872

6984)

357

eind ‘63

6562

979

7341)

499

eind ‘64

6732

1108

7840)

-122

eind juni ’65

6634

1084

7718

 

 

 

 


Terwijl gedurende de jaren 1950 tot en met 1958 de personeelsbezetting van de industrie in Leeuwarden in totaal slechts met ruim 600 personen toenam, was de groei over de jaren 1959 tot en met 1964 meer dan 2500 personen, d.w.z. per jaar gemiddeld meer dan 400.

Buiten beschouwing zijn bij de samenstelling van deze cijfers dan nog gelaten de openbare nutsbedrijven. Zij omvatten eind 1965 toch ook nog altijd ± 1350 werknemers in Leeuwarden. Geconcludeerd kan dan ook wel worden, dat de werkgelegenheid in Leeuwarden en naaste omgeving zich gedurende de laatste jaren gunstig heeft ontwikkeld. Tot voor enkele jaren was het aantal werklozen hier, zowel door structuurverschijnselen als door seizoeninvloeden, regelmatig verhoudingsgewijs aanmerkelijk hoger dan het landelijke gemiddelde. De voor het rayon Leeuwarden de laatste tijd geldende werkloosheidscijfers vertonen een gunstiger beeld. Wel moet men zich echter realiseren, dat daarop ook algemeen geldende (conjuncturele) tendensen en toestanden invloed uitoefenen. Toch mag men wel stellen, dat deze ontwikkeling voor een belangrijk deel te danken is aan de vestiging en uitbreiding van industrieën in Leeuwarden de laatste jaren. Het zou onjuist zijn te menen, dat de groei van de industriële sector in Leeuwarden geheel of grotendeels te danken zou zijn aan de oprichting van nieuwe bedrijven of aan verplaatsing van industrieën van het te vol wordende westen des lands naar hier. De al langer in de stad bestaande bedrijven grepen ook de kansen, die de welvaartsperiode van na de laatste oorlog bood. Ook zij profiteerden van de mogelijkheden, die de economische integratie en de opkomst van de nieuwe consumptiegebieden meebrachten. Frappant is in dit verband b.v. de stormachtige ontwikkeling, die de Coöperatieve Condensfabriek “Friesland” doormaakte. Voordurend wordt er de laatste jaren gewerkt aan de vergroting en aan de aanpassing aan nieuwe eisen van het gebouwencomplex van dit bedrijf. Aanvankelijk alleen gevestigd ten noorden van de spoorlijn Leeuwarden-Groningen, bracht deze industrie naderhand ook aan de zuidzijde van die spoorlijn een forse nederzetting tot stand, terwijl zij bovendien nog een dubbele industriehal op het industrieterrein Van Harinxmakanaal in gebruik nam. Toont dit de groei van dit bedrijf reeds aan, die blijkt ook uit de toeneming van het aantal werknemers. In 1949 beliep dit ± 400, in 1956 was het gestegen tot ± 1000 en thans bedraagt het ± 1700.

 

 

 

Industrieterreinen

De toenemende industriële activiteit had tot gevolg, dat de industrieterreinen Greuns en West, op enkele kleinere stukjes na, snel uitgegeven raakten. In 1959 werd daarna met spoed de aanleg ter hand genomen van het industrieterrein Van Harinxmakanaal, ter grootte van ± 24 ha., vrij gauw gevolgd door de aanleg van het aangrenzende industrieterrein Zwette, met een oppervlakte van ± 9 ha. Bovendien bleek het al spoedig gewenst aan het industrieareaal nog een aanzienlijke uitbreiding te geven. Daarbij werd aan complexen ter grootte van meer dan 50 ha. ook nog een industriële bestemming gegeven, namelijk aan het terrein Bisschopsrak, groot ± 22 ha. en aan het terrein Schenkenschans ter grootte van ± 30 ha. Met het bouwrijp maken van het terrein Schenkenschans werd in het laatst van 1965 een begin gemaakt. Op het terrein Bisschopsrak verrees het indrukwekkende gebouwencomplex van de Verenigde Stofzuigerfabrieken N.V., een samenwerking van de N.V. Philips Gloeilampenfabrieken en de N.V. Van der Heem. De vestiging van dit bedrijf in Leeuwarden in 1961 - eerst voorlopig in een dubbele industriehal aan de Marconistraat op het industrieterrein Van Harinxmakanaal, daarna in het definitieve complex ten zuiden van de weg naar Harlingen - mag wel als een van de belangrijkste bijdragen tot het industrialisatieproces worden aangemerkt.

In verband met de bestemming van de drie laatstgenoemde terreincomplexen voor industriële doeleinden was het noodzakelijk, dat een gedeelte, ter grootte van bijna 100 ha., van de gemeente Menaldumadeel word toegevoegd aan het grondgebied van Leeuwarden. Dank zij het begrip dat burgemeester en wethouders en de gemeenteraad van Menaldumadeel hadden voor de belangen, die hiermee gemoeid waren, kon deze grenswijziging vlot tot stand komen. Zij ging in op 1 januari 1962.

 

 

 


Resultaten

Gaven de resultaten van het door de regeringsmaatregelen ondersteunde industrialisatiebeleid dus wel goede resultaten te zien, geheel voldoende waren zij toch niet. In de eerste plaats vertoonde Leeuwarden nog regelmatig een vertrekoverschot. Weliswaar werd dit nu in de regel overtroffen door het geboorteoverschot, zodat het inwonertal langzaam aan toenam, maar toch was het aantal personen, dat de gemeente verliet, nog te groot. De grote zuigkracht, die de elders nog sterkere vraag aan arbeidskrachten uitoefende, kon ten dele wel als verklaring gelden, een geheel gezonde situatie was stellig nog niet bereikt. In de tweede plaats fungeerde Leeuwarden kennelijk nog onvoldoende als opvangcentrum ten aanzien van het platteland van Friesland. De provincie had nog steeds (te) grote vertrekoverschotten, hoewel deze gelukkig verminderden. In 1952 beliep dit overschot nog 5903, in 1960 was het gedaald tot 4503, terwijl het in 1962, 1963 en 1964 onderscheidenlijk beliep 2057,2125 en 1586. Een verdere toeneming van de arbeidsgelegenheid in Leeuwarden zou zeker een einde aan dit proces kunnen maken. In de derde plaats kan gewezen woeden op het niet geringe aantal jongeren, dat het technisch onderwijs volgt en te zijner tijd voor deelneming aan het arbeidsproces beschikbaar komt. Dikwijls is er nog steeds geen passende werkkring voor hen te vinden. Verschillende van de bedrijven, die de laatste jaren in Friesland zijn neergestreken, hebben een groot aantal ongeschoolden nodig en slechts een gering aantal mensen met een goede technische opleiding. Een frappante illustratie van het gebrek aan emplooi voor jongelui met een vakopleiding leverde enige jaren geleden een klas van een lagere technische school in Leeuwarden, op het punt om examen fijnbankwerken te doen, toen zij collectief solliciteerden naar tewerkstelling bij de N.V. Optische Industrie “De Oude Delft” te Delft. Dit geval leidde er toe, dat deze N.V., verbaasd hier een dergelijk aanbod van jonge werkkrachten te kunnen vinden, in 1960 besloot een nevenvestiging in Leeuwarden tot stand te brengen in een van de hallen van de Stichting “Leeuwarder Industriegebouwen”.

De stijging van het aantal industriële arbeidsplaatsen was, behalve aan de vestiging van de beide zo even genoemde bedrijven (V.S.F. en De Oude Delft), te danken aan de uitbreiding van verschillende reeds langer bestaande bedrijven en aan de komst van enkele andere nieuwe industrieën, als Saunders Valve Nederland N.V. (1961), een dochtermaatschappij van een Engelse industrie, en Penn Controls Nederland N.V. (1964), een dochtermaatschappij van een Amerikaanse onderneming, beide werkzaam in de metaalsector, en enkele bedrijven in de textielbranche (Santega en Dotter).

Het industriële patroon van Leeuwarden in 1965 vertoont het volgende beeld:

 

 

1

bedrijf

met

1500

-

2000

werknemers

-

bedrijf

met

1000

-

1500

werknemers

2

bedrijven

met

500

-

1000

werknemers

1

bedrijf

met

250

-

500

werknemers

11

bedrijven

met

100

-

250

werknemers

19

bedrijven

met

50

-

100

werknemers

58

bedrijven

met

10

-

50

werknemers

 

 

Overziet men het tijdvak van zo’n twintig jaar, gelegen tussen de tweede wereldoorlog en nu, dan mag men concluderen, dat de industriële sector in Leeuwarden een behoorlijke versterking heeft ondergaan. Bovendien is wel komen vast te staan, dat het klimaat in Leeuwarden voor zich hier vestigende bedrijven zeer aantrekkelijk is en dat zij kunnen beschikken over uitstekende werknemers, die betrouwbaar en ook trouw aan “hun” bedrijf zijn. Aan de andere kant moet men echter vaststellen, dat de resultaten van het streven van het gemeentebestuur om de industrialisatie in de gemeente krachtig te bevorderen, de ondersteuning van dit beleid door stimulerende regeringsmaatregelen ten spijt, nog zeer onvoldoende zijn. Nog steeds vertoont het inwonertal van Leeuwarden te weinig groei. De opbouw van de bevolking is in Leeuwarden niet gunstig: landelijk omvat de leeftijdsgroep van 20 tot 40 jaar ruim 26 % van de bevolking, in Leeuwarden ruim 24 %; de 60- tot 70-jarigen vormen landelijk nog geen 8 % van de bevolking, in Leeuwarden meer dan 9 %. Een ondermaat dus van hen, die in de kracht van hun leven zijn, een overmaat van bejaarden. Hierin ligt een van de oorzaken van het feit, dat het gemiddelde inkomen per hoofd van de bevolking in Leeuwarden nog altijd lager is dan het landelijke cijfer. In 1960 bedroeg het gemiddelde inkomen per inwoner in Friesland ƒ 2.023,-, in de drie noordelijke provincies ƒ 2.079,- en in Leeuwarden ƒ 2.397,-, terwijl voor het gehele land dit bedrag ƒ 2.410,- beliep.

Al is er iets ten goede veranderd, nog steeds is er sprake van een onevenwichtige economische ontwikkeling. Daarom zal het beleid van het gemeentebestuur van Leeuwarden ook in de toekomst onverkort gericht moeten blijven op een krachtige versterking van de werkgelegenheid, met name in de industriële sector. Dit beleid zal echter slechts succes kunnen hebben, als de beperkte mogelijkheden, die dat gemeentebestuur ten dienste staat, worden aangevuld en ondersteund door meer doeltreffende maatregelen van de zijde van het rijk dan momenteel gelden. Het rijksbeleid tot bevordering van de industrialisatie in het noorden mag dan wel enig succes hebben geoogst, het blijkt tenslotte toch onvoldoende te zijn om Leeuwarden het aandeel in de welvaartsspreiding te verschaffen, waarop deze stad recht heeft. Als een van de twee sterk ontwikkelde stedelijke centra in het noorden kan Leeuwarden zijn regionale, interregionale en nationale taak slechts ten volle vervullen, wanneer de nog steeds aanwezige struikelblokken worden weggeruimd en de factoren, die een gezonde ontwikkeling afremmen, worden gecompenseerd door aanvullende voorzieningen, die de hogere instanties stellig kunnen en behoren te verschaffen.







Bijlage 2.

 

 

 

Nominatieve opsomming industriën

 

 

o

10

-

50 werknemers

oo

50

-

100 werknemers

ooo

100

-

250 werknemers

oooo

250

-

500 werknemers

ooooo

500

-

1000 werknemers

oooooo

1000

-

1500 werknemers

ooooooo

1500

-

2000 werknemers

 

 

 

 


Bewerking van steen en cement:

 

 

 

oo

 

 

Betonindustrie Fa. Kolk en Co.

o

 

Fa. S.J. Mellema (beton- en cementsteen)

o

 

Friesland Beton N.V.

o

 

N.V. Eerste Leeuwarder Mortel Ond. (beton)

 

 

 

 

 

 


Grafische Nijverheid (papierindustrie):

 

 

o

 

N.V. de Handelsdrukkerij van 1874

o

 

Drukkerij N. Miedema en Co.

ooo

 

N.V. Erven Koumans Smeding. Drukkerij

o

 

Drukkerij Bouman

o

 

Drukkerij Eisma

o

 

Drukkerij Mercurius

o

 

Drukkerij Fries Dagblad

o

 

Drukkerij T. van der Wey

o

 

N.V. v.h. Fa. L. Scheepstra (boekbinderij)

oo

 

A. Jongbloed’s Uitgeverszaak

oo

 

Kantoorboekenfabriek De Jong en Co.

o

 

Boekbinderij Gebr. Kooistra

oooo

 

N.V. Leeuwarder Papierwarenfabriek

 

 

 

 

 

 


Chemische Nijverheid en leder:

 

 

o

 

Verffabriek N.V. v.h. Joh. Zandleven

o

 

Kunstvuurwerkfabriek Fa. J.N. Schuurmans

o

 

Coöp. Stremsel- en Kleurselfabriek

ooo

 

N.V. Hollandsche Casolithwerken (caseïneplastic)

o

 

Fa. K. de Jong, verkeersborden

o

 

Lederwarenfabriek “Succes”

 

 

 

 

 

 


Kleding, reiniging en textiel:

 

 

ooo

 

N.V. Herenkledingfabriek v/h Gebr. Levie

oo

 

Damesconfectiefabriek “Dotter”

o

 

N.V. v/h Fa. A. Kwint (tenten, dekkleden e.d.)

o

 

Wasserij “Rapenburg”

o

 

Fa. C. Wagenaar (dekkleden, markiezen e.d.)

o

 

Wasserij “De Hoop”

o

 

Stoomververij en chemische wasserij “Expres”

o

 

Ververij en chemische wasserij Gebr. Hoeksema

o

 

N.V. Palthe (chemisch reinigen)

 

 

 

 

 

 


Hout, kurk en stro:

 

oo

 

N.V. v.h. A. Kingma en Zn. Timmerfabriek

oo

 

N.V. Halbertsma’s fabrieken voor houtbewerking

oo

 

Meubelfabrieken Hero de Vries

o

 

Fa. Gebr. D.G. en H. Hoekstra (rietdekkersbedrijf)

o

 

De Boer’s Borstelfabriek

 

 

 

 

 

 


Metaalnijverheid, scheepsbouw:

 

 

oo

 

N.V. Ned. Onttinningsfabriek

oo

 

Machinefabriek A. Bijlenga

o

 

N.V. Machinefabriek “Friesland”

oo

 

Landbouwmachinefabriek S. de Vries (Hermes)

oo

 

Machinefabriek Ducosto

o

 

Machinefabriek S. Douna en Zn.

o

 

Fa. L.S. Brouwers (artikelen voor stalinrichting)

o

 

Koeltechnisch centrum “Friwo”

o

 

Saunders Valve Nederland N.V. (afsluiters)

oo

 

N.V. v/h B. Mohrmann en Co. (metaalconstructies)

oo

 

Fa. Hoeksma en Velt (zuivelwerktuigen)

oo

 

Machinefabriek Fa. F. v.d. Ploeg en Zn.

o

 

Techn. Bureau en Machinefabriek “Recoma”

o

 

Scheepswerf en Machinefabriek “Welgelegen”

o

 

Scheepsbouw- en Machinefabriek “N.V. de Greuns”

oo

 

Fa. Gebr. Visser (carosserie- en brancardbouw)

ooooo

 

Verenigde Stofzuigerfabrieken

oo

 

Faber Haardenfabriek

oooo

 

N.V. Electro-Blikfabriek

ooo

 

N.V. Optische Industrie “De Oude Delft”

o

 

Jongia-Fabriek (machinerieën)

ooo

 

Friesch Isolatie Bedrijf (isolatiematerialen en roestvrij stalen apparaten)

o

 

Machinefabriek Fa. F.A. van Brummelen

o

 

C.V. Machinefabriek Postma en Feenstra

oo

 

Penn Controls (regelapparatuur)

o

 

Habé constructiewerken

 

 


Voedings- en genotmiddelen:

 

ooooo

 

Koopmans Meelfabrieken N.V.

o

 

Broodfabriek “De Zelfstandigheid”

o

 

Bakkerij Van den Berg

oo

 

Vonk’s Bakkerijen

o

 

Bakkerij Verbruikscoöp. “Excelsior”

o

 

Bakkerij Fa. J. Schuurmans

o

 

P. Tromp (bakkerij)

ooo

 

Beschuitfabrieken Turkstra N.V.

o

 

Biscuitfabriek “Helwa”

ooo

 

V.S. Pepermunt- en Suikerwerkfabriek

ooo

 

N.V. Lijempf (melkprodukten)

ooooooo

 

Coöp. Condensfabriek “Friesland”

o

 

Coöp. Zuivelfabriek “Wirdum”

o

 

M. Hoitsma (banketbakkerij)

ooo

 

Leeuwarder Melk Inrichting

o

 

Frico N.V. (Smeltkaasfabriek)

ooo

 

N.V. Oliefabrieken T. Duyvis Jzn.

o

 

N.V. Douwe Egberts Tabaksverpakkerij

o

 

J. Boomsma’s Distilleerderij N.V.

o

 

Samenwerkende Noordelijke Distilleerderijen

oo

 

Fa. P. Bokma (distilleerderij)

o

 

Veevoederbedrijf A. Slump

o

 

Friesche Rundvetsmelterij

o

 

D.L. Tromp (mineralen, veevoeder)

o

 

N.V. Vruchten- en Confijtindustrie “Steensma”

o

 

Zolffman’s laboratorium (bakkerijgrondstoffen)

o

 

Fa. P. Huisman (bakkerijgrondstoffen)

o

 

Frucaps industrie (vruchten-produkten)

ooo

 

C.A.F. (Veevoer)

Terug

Gas en Elektriciteit


Bij de bevrijding van Leeuwarden op 15 april 1945 was de bevolking geheel verstoken van gas en elektriciteit. Wegens gebrek aan grondstoffen moest de gasfabricage op 9 maart 1945 worden gestaakt. De elektriciteitslevering aan de overgrote meerderheid van particuliere verbruikers was reeds in het najaar van 1944 stopgezet. Slechts aan enkele vitale bedrijven werd nog elektriciteit geleverd tot 14 april 1945, toen de levering totaal werd onderbroken, omdat bij de bevrijding van Groningen de centrale aldaar was beschadigd (de centrale van het P.E.B. in Friesland was niet in bedrijf).

Het eerst kon de elektriciteitslevering weer worden hervat. Op 16 april werd door de energiebedrijven een verbinding tot stand gebracht tussen de Coöperatieve Condensfabriek en de centrale van het P.E.B. Op deze wijze kon de P.E.B.-centrale op 17 april weer in bedrijf komen en kon aan enkele vitale bedrijven weer elektriciteit worden geleverd. Bij bijna alle particuliere verbruikers waren in verband met de afsluiting in de laatste oorlogsmaanden de hoofdzekeringen verwijderd. De aansluiting van deze verbruikers werd dan ook zeer bemoeilijkt door gebrek aan zekeringen. Men was toen zelfs genoodzaakt het personeel noodzekeringen te doen vervaardigen.

Na de bevrijding werd al spoedig met behulp van militaire vrachtauto’s cokes aangevoerd. Ook werd gasolie ontvangen, zodat op 11 juli de watergasfabriek weer in gebruik kon worden genomen en de gaslevering weer kon worden hervat. Het duurde echter nog tot 18 september eer de koolgasfabriek weer in gebruik kon worden genomen. In verband met de schaarste aan grondstoffen bleef het gas- en elektriciteitsverbruik nog enige jaren na de bevrijding gerantsoeneerd.

In 1945 bevonden de installaties van de energiebedrijven zich in een zeer slechte staat. Ten gevolge van materiaalgebrek was het onderhoud in de oorlogsjaren absoluut onvoldoende geweest. Tevens dient nog vermeld te worden, dat op last van de bezetter het koperdraad van het bovengrondse net was vervangen door ijzerdraad. In de eerste naoorlogse jaren bleven de materiaalmoeilijkheden en moest op velerlei wijze worden geïmproviseerd om de moeilijkheden het hoofd te bieden. Langzamerhand werd de materiaalsituatie echter beter en konden de installaties weer in een redelijke staat worden gebracht.



































De eerste naoorlogse periode, gekenmerkt door het herstel van de geleden schade, kon als afgesloten worden beschouwd met de ingebruikneming van het nieuwe kantoorgebouw op 9 mei 1949. In 1939 was met de bouw reeds een aanvang gemaakt, maar ten gevolge van de bezetting was het werk al spoedig gestaakt. Omdat reeds materiaal aanwezig was, kon betrekkelijk kort na de beëindiging van de oorlog met het werk worden voortgegaan. Het nieuwe kantoorgebouw betekende een grote verbetering voor de huisvestiging van het personeel.

In de daaropvolgende periode werd grote aandacht besteed aan de verbetering van de efficiency van het bedrijf en aan de verbruiksontwikkeling. Zo werd in 1950 begonnen met het verhuren van gasgeisers. De huurgeisers werden reeds spoedig zeer populair en thans zijn er al ongeveer 11.500 geplaatst.

Op gasgebied trokken na 1950 reeds spoedig de aardgasvondsten in het oosten van het land de aandacht. Dit had tot gevolg, dat geen verdere plannen werden gemaakt voor een grondige modernisering van de gasfabriek. In 1955 ging Leeuwarden aardgas betrekken, dat werd omgezet in de watergasfabriek. De koolgasfabriek werd toen gesloten en ten dele afgebroken. Een deel van het personeel moest op wachtgeld worden gesteld. Gedurende enige jaren werd omgezet aardgas gedistribueerd, maar tenslotte werd besloten over te gaan op de distributie van puur aardgas. Vanaf midden 1959 tot eind 1960 werden alle gasverbruiktoestellen van de Leeuwarder gasverbruikers geschikt gemaakt voor puur aardgas. In totaal werden 21.865 gasverbruiktoestellen bij particulieren omgebouwd. Voorts werden 18.257 nieuwe toestellen aangesloten. Op 30 december 1960 werd de watergascentrale gesloten en kwam na 115 jaar een eind aan de gasfabricage in Leeuwarden. De watergasfabriek werd spoedig daarna gesloopt. Sinds het hiervoor genoemde tijdstip wordt in Leeuwarden slechts puur aardgas gedistribueerd. In de daarop volgende jaren moest bijzonder veel aandacht worden besteed aan de bestijding van het lekverlies. Enige jaren later werden zeer grote aardgasvoorraden bij Slochteren ontdekt. Deze ontdekking had tot gevolg, dat het aardgas op grote schaal werd toegepast voor ruimteverwarming. Om de veel grotere gashoeveelheden te kunnen transporteren, werd in 1964 begonnen met een uitbreidingsprogramma ter vergroting van de transportcapaciteit van het gasnet.

De snelle toename van het elektriciteitsgebruik maakte het noodzakelijk grote bedragen te investeren ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening. In de naoorlogse periode werd de hoogspanningsschakelinrichting van de P.E.B.-centrale uitgebreid en kwamen de schakelstations Sumatrastraat, Voltastraat, Binnenstad en Julianastraat in bedrijf. Van vele transformatorstations werd de inrichting gemoderniseerd en vele kabels met geringe koperdoorsnede werden vervangen door zwaardere.

In de jaren 1961 t/m 1964 werd de netspanning gewijzigd van 127/220 V in 220/380 V. In totaal werden 13.595 percelen omgeschakeld. Aan de verbruikers, die een nieuwe spanning kregen, werden 135.663 nieuwe gloeilampen verstrekt en 28.061 elektrische toestellen werden omgebouwd.

Aan de openbare verlichting werd veel aandacht besteed. In 1945 werden nog uitsluitend gloeilampen voor de straatverlichting toegepast. Al spoedig deed de gasontladingslamp haar intrede. Voor de openbare verlichting werd uiteindelijk het navolgende patroon gekozen:

 

 

Rondwegen en industrieterreinen

natrium (geel)

Wegen en straten met intensief verkeer

kwik (blauw)

Woonstraten

TL

 


Van de belangrijkste straten en wegen werd de verlichting in de beschouwde periode verbeterd. Voor de verbetering van de verlichting in de woonstraten werd een 10-jarenplan opgesteld.









 

































Terug

Beurs en Markten


De taken, die aan de Markt- en Havendienst toevallen, omvatten een veel ruimer terrein van activiteiten en bemoeiingen, dan de beperkende naamsaanduiding van de dienst op het eerste gezicht zou doen vermoeden. In de nog vrij statische samenleving ten tijde van de instelling van deze dienst was de naamgeving misschien wel juist, maar sinds het einde van de tweede wereldoorlog dekt de naam van de dienst de aan hem opgedragen werkzaamheden al lang niet meer. In de Markt- en Havendienst onderhoudt het gemeentebestuur contacten met verschillende facetten van het economisch leven der stad. Tot de werkzaamheden van de dienst behoren:

1. De bemoeiingen met het marktwezen in de ruimste zin, maar buiten de veemarkt, waartoe gerekend moeten worden:

 

  • de beurshandel,
  • de markthandel,
  • de straathandel, onder te verdelen in de verkoop op vaste standplaatsen en het venten;

2. De bemoeiingen met de diverse vervoerstechnieken:

 

  • het interlokale autobusvervoer,
  • het stadsautobusvervoer,
  • het goederenvervoer per as,
  • de scheepvaart in het kader van het havenwezen.

Beginnen we met het marktwezen, met zijn hierboven aangegeven geledingen, dan mag worden geconstateerd, dat de positie van de Beurs na de oorlog een sterke verandering heeft ondergaan. Zo lang het vooroorlogse Nederland binnen zekere grenzen nog een eigen economisch beleid kon voeren, heeft de Beurs te Leeuwarden een eigen plaats in het economische leven van onze stad en ons gewest ingenomen. Door de oorlog werd dit allemaal anders en ook na de oorlog heeft de handel zich niet weer in de vooroorlogse vormen en omvang hersteld.

De agrarische paragraaf van de Europese Economische Gemeenschap, die op 1 januari 1958 van kracht werd, is uitermate belangrijk en zal, als zij eenmaal in volle omvang in werking is getreden, verstrekkende gevolgen hebben voor de nationale economieën der aangesloten landen. De gevolgen van Europese regelingen zijn reeds merkbaar op het gebied van de graanhandel en die agrarische industrieën, waarvoor onze graanimporten grondstoffen waren in een agrarische verdelingsindustrie. Zo mogen wij verwachten, dat de Europese landbouwpolitiek voortaan in Brussel zal worden vastgesteld en niet in de nationale regerings- of productiecentra. Hierdoor en mede door een rationelere bedrijfsvoering op de landbouwbedrijven, die echter ook weer tegen Europese achtergrond moet worden gezien, is de betekenis van de Beurs te Leeuwarden voor de graanhandel na de oorlog verminderd. In deze dynamische tijd, waarin allerwegen naar nieuwe vormen wordt gezocht, is nog niet te zeggen op welk niveau bestaande instituten opnieuw zinvol ingeschakeld kunnen worden in het moderne economische gebeuren. Grossiersbeurzen voor de handel in levensmiddelen tussen grossiers en detaillisten hebben de laatste jaren reeds hun weg gevonden naar de Beurs, de ontmoetingsplaats bij uitstek voor deze nieuwe handelsvorm. Voorts hebben beurzen voor automobielen, gemotoriseerde landbouwwerktuigen, tractoren en tuinbouwmachines in de Beurs reeds een goede reputatie verworven.

Mede in verband met het zich wijzigende karakter van de handel werd in 1952 een ingrijpende verbouwing tot stand gebracht, waardoor het nu meer dan tachtig jaar oude gebouw, waarvan in 1955 het 75-jarig bestaan werd herdacht, ook in onze tijd zijn functie in een geheel andere maatschappijstructuur redelijk kan vervullen.

 

 

 

Markthandel

Het is duidelijk, dat in de eerste naoorlogse jaren geen sprake kon zijn van een markt, gebaseerd op de voortstuwing van een goederenstroom, die toen ten enenmale ontbrak. Pas toen door de Marshallhulp onze economie weer op de been werd geholpen en de distributie geleidelijk kon worden afgeschaft, begon ook het marktwezen weer te herleven. Het snelle herstel van het marktwezen heeft aangetoond, dat deze vorm van detailhandel zich ook in de gewijzigde omstandigheden van de vijftiger en zestig jaren dezer eeuw zeer goed heeft weten te handhaven. De markt legt nog altijd een druk op de kosten van levensonderhoud, daarmee een wezenlijke economische functie vervullende. Zij werkt mede aan een snelle omzet van massale aanvoeren en massale productie. Wij zien dan ook het verschijnsel, dat in deze jaren in vele gemeenten tot de instelling van nieuwe markten wordt overgegaan. In een tijd van industriële massaproductie beschikt de markt over de apparatuur om een snelle afzet van producent naar consument te waarborgen. Al zal het assortiment van artikelen op de markt veranderen, voor de taakvervulling van de markt is juist in de moderne tijd een ruim arbeidsveld aanwezig.

In dit verband moet aandacht geschonken worden aan het feit, dat door de stadsuitbreiding en het snel toenemende verkeer zich ook in deze gemeente de behoefte heeft doen gevoelen uitbreiding te geven aan het marktinstituut. Achtereenvolgens werden algemene weekmarkten ingesteld voor het oosten der stad op het Cambuurplein op 4 juni 1957; voor het westen der stad op 20 juni 1961 in de Menaldumerstraat en ten slotte voor het zuiden der stad in de Dirk Boutsstraat bij de Aert van der Neerstraat op 20 mei 1963. Al deze markten voorzien in de behoeften van de bewoners van de verschillende stadsdelen; als bijzonderheid kan hierbij vermeld worden, dat deze wijk- of buurtmarkten geen afbreuk hebben gedaan aan de weekmarkt, die vanouds op het Wilhelminaplein wordt gehouden. Zelfs kan met redelijke zekerheid de stelling worden geponeerd, dat de wijkmarkten in zekere zin kopers heeft gekweekt voor de centrale weekmarkt op vrijdag. De ontwikkeling in de tuinbouw, het transport van levensmiddelen met koelschepen en koelwagens, de inrichting van gekoelde opslagplaatsen voor de bewaring van fruit, groenten, enz. maken het mogelijk groenten en fruit het gehele jaar door massaal aan te voeren. Al deze technieken hebben het tevens mogelijk gemaakt op dit terrein prijsregelend op te treden.

Gewijzigd zijn ook de mogelijkheden om als marktkoopman op te treden. Was het vroeger voor ieder mogelijk zich als zodanig te vestigen, in navolging van de vestigingsregeling voor het kleinbedrijf, krachtens de vestigingswet kleinbedrijf 1937, is sinds 1960 ook de vestiging als ambulante handelaar, i.c. marktkoopman, gebonden aan vestigingsregelingen krachtens de vestigingswet bedrijven 1954. Dit betekent, dat het verschijnsel uit de crisisjaren, dat men met wat handelsgeld van sociale zaken de straat kon worden opgestuurd om zijn geluk nog maar eens in de handel te beproeven, thans gelukkig niet meer voorkomt. Meestal betekende dit toch de economische ondergang van de op deze wijze geholpene, die door zijn beunhazerij de markt voor de bonafide marktkoopman alleen maar kwam bederven en deze in zijn ondergang meezoog. Ook de marktkoopman moet nu aantonen voldoende handelskennis en handelsbekwaamheid te bezitten, kredietwaardig te zijn en over de nodige vakkennis te beschikken. Evenals de vestigingswet kleinbedrijf tot verheffing van het peil van de middenstand heeft bijgedragen, kan de vestigingsregeling voor de ambulante handel dat doen voor de ambulante handelaren.

In de naoorlogse jaren en vooral in de laatste jaren ziet men het aantal venters van jaar tot jaar teruglopen. Hiervoor zijn verschillende oorzaken aan te wijzen. De verbetering van de sociale positie van de werknemers heeft er toe geleid, dat de werknemer dikwijls in gunstiger sociale omstandigheden is komen te verkeen dan de kleine zelfstandige, die alle sociale lasten volledig zelf moet dragen in een ongelijke economische strijd tegen het grootwinkelbedrijf en de coöperatie. De politiek van volledige werkgelegenheid heeft geleid tot een voortdurende spanning op de arbeidsmarkt, waardoor ieder, die tot werken in staat is, tegenwoordig een plaats in het arbeidsproces kan vinden.

De snel toenemende autodichtheid in ons land is een andere oorzaak voor de inkrimping van het aantal venters, die zich in de vaak overvolle straten ternauwernood met hun voertuig met handelswaar kunnen verplaatsen. Op de verkeerswegen is het venten praktisch overal verboden. Een en ander heeft er toe geleid - zoals hiervoor reeds werd opgemerkt - dat een concentratie van de straathandel heeft plaats gehad op markten en vaste standplaatsen. De straathandelaar kan zijn tijd op deze wijze efficiënter besteden dan door te gaan venten. Hij kan zijn waren op aantrekkelijker wijze brengen en zijn zaken afdoen tijdens een voormiddag- of namiddagmarkt op één en dezelfde plaats. Met het venten was vroeger veelal de gehele dag gemoeid.

Kwamen vroeger kooplieden en publiek overwegend te voet naar de markt, de tegenwoordige markt is uiteraard ook in de algemene motorisering opgenomen. Evenals voor de supermarkt zijn voor een goed geoutilleerde markt onontbeerlijk: ruime toegangswegen en ruime parkeerterreinen. Zowel de marktkoopman als zijn publiek zijn in toenemende mate gemotoriseerd en de moderne koopstijl eist, dat alle inkopen op dezelfde plaats kunnen worden gedaan, zodat de koper met éénmaal parkeren kan volstaan.

Terug