Leeuwarden: Sodom en Gomorra


Artikel van Bearn Bilker, gepubliceerd in Leovardia nr. 18

Johannes Hendrikus Zelle was in velerlei opzicht een singulier man.Een geliefd thema van de vermaarde dominee Johannes Hendrikus Zelle was de verderfelijkheid die eens in Sodom en Gomorra heerste. Dat in zijn tijd Sodom en Gomorra voor Leeuwarden ingeruild kon worden, kostte Zelle geen enkele moeite, sterker nog: in praktisch elke preek werd de kerkganger Leeuwarden  als afschrikwekkend voorbeeld voorgehouden.

En toch woonde Zelle, die van 1907 tot 1983 leefde, bijna zijn hele leven in deze stad, die hij kennelijk niet de rug wilde toekeren. Wellicht dat hij gedacht moet hebben, dat zolang er nog enkele rechtvaardigden in deze stad woonden, de stad behouden kon blijven!

Mijn eerste kennismaking met dominee Zelle was in Wijnaldum. Tot mijn dertiende woonde ik in Sexbierum en zondags werden we 's morgens met andere kinderen uit het dorp naar ‘het gereformeerde lokaal' te Wijnaldum gebracht. Daar konden de weinige kerkgangers dan toch naar het eigen dorp om de preek te beluisteren. Maar kinderen uit Sexbierum moesten het zaaltje wat vullen en na afloop hadden wij daar dan zondagsschool. De meest bijzondere dominees gingen voor: kandidaten die het preken nog moesten leren, ouderlingen die voor het eerst een leesdienst hielden en dominees die het puur van het preken moesten hebben, zoals dominee Zelle uit Leeuwarden. Die kwam daar menigmaal. Op jonge kinderen maakte niet alleen de persoon Zelle, maar ook zijn preken een enorme indruk. Zelle was in velerlei opzicht een singulier man. De kerkdienst begon ook wel eens later op de ochtend, omdat hij dan eerst ergens in de buurt had gepreekt. Zo zaten wij als kinderen opgepakt achter in de auto van de plaatselijke winkelier en Zelle zat voorin, want dan hadden we dominee opgehaald uit een naburig dorp. Spraakzaam was hij niet, een afgedwongen ja of nee was meestal het antwoord. Wat wij als kinderen goed in de gaten hielden, waren zijn snoepjes. Hij stak het één na het ander keelsnoepje in zijn mond, om zijn stem kracht bij te zetten. De snoepjes werden niet helemaal opgegeten, hij haalde ze uit de mond en gooide ze achteloos over zijn schouder naar de achterbank waar wij ze moesten zien te ontwijken. Ik weet nog dat het kleine groene snoepjes waren! Het lokaal in Wijnaldum was helemaal vol, normaal konden wij op de stoelen plaats nemen, maar als Zelle preekte, wisten wij al dat we op ongemakkelijke bankjes zonder leuning moesten zitten en dan nog wel pal naast de preekstoel. Dus de zwarte dominee stond recht boven ons te preken. Elke keer trilden wij van ontzag en wij waren stil als muisjes, want dit was in onze ogen de enige echte dominee. En hij kwam ook nog uit Leeuwarden.

De preek over Sodom en Gomorra maakte diepe indruk op ons. Immers, op die bloedhete zondag was het zo warm, ook in het lokaal, dat dominee zelf in een wit overhemd preekte. Het zweet gutste langs zijn gezicht. Wij hadden het ook erg warm, maar we zaten braaf te luisteren naar wat komen ging. Dominee kon mooi preken, je wist waar je aan toe was, de preek was altijd in drie punten verdeeld en elk punt eindigde concreet met de toepassing. En wat heel bijzonder was, je mocht ook nog tussen door zingen. Zelle preekte nooit lang, de kerkdienst ging altijd snel voorbij, vaak binnen het uur. Dat had te maken met het feit dat hij de dingen kort en krachtig zei en dat hij altijd haast had, omdat de volgende dienst al weer op hem wachtte. Vier keer preken op zondag was gewoon. Zijn donderpreken waren niet alleen van invloed op de kinderziel, maar lieten onuitwisbare herinneringen na. Als Sodom en Gomorra vanwege de vele zonden die daar begaan werden dan eindelijk in brand stonden, wist je dat het verdiend was; en het werd op die warme zondag daardoor nog warmer.

Maar wat kon die man zijn stem gebruiken, buiten op straat was hij goed te horen, en het werd in het lokaal doodstil. Een stem als een klok. Hij preekte beslist niet met de traditionele galmklank, maar in een heel eigen stijl en met gebruik van stem, hoogte en timbre en door middel van  korte zinnen, wist hij je van begin tot eind te boeien. Maar wat heel erg opviel was, dat Zelle in zijn preken, zeker die over Sodom en Gomorra hel en verdoemenis uitsprak over de verderfelijke stad Leeuwarden. Leeuwarden lag een heel eind weg, dus dat was veilig voor ons. Onze naburige steden Harlingen en Franeker waren zeker zonder zonde, want die werden nooit genoemd en dat troostte ons weer. In Leeuwarden ging er bijna niemand naar de kerk en bijna iedereen ging er naar de hoeren. De jeugd deugde niet, de stad zat vol met nozems. Er werd gestolen en je werd in elkaar geslagen; kortom, Leeuwarden was Sodom en Gomorra in onze tijd. Voor de beeldvorming was dat niet zo best voor Leeuwarden. Dat ik er daarna goed terecht ben gekomen en me op en top Leeuwarder ben gaan voelen, mag dan ook een wonder heten.

Leeuwarden: slechte stad
Jaren later kwam ik Zelle weer tegen. In de zeventiger jaren preekte hij enige keren in de Koepelkerk, waar ik zelf jarenlang gekerkt heb. Ook toen werd over Leeuwarden gepreekt, zij het dat hij de ondeugden die op Leeuwarden betrekking hadden, wat minder direct benoemde, althans wat minder direct in relatie bracht met de stad. Maar Leeuwarden was en bleef een slechte stad: een stad waar het geestelijk en zedelijk niet goed kwam, want de helft van de stad ging nooit naar de kerk. Wat het zedelijk leven betrof stond Leeuwarden in het zelfde rijtje als Amsterdam en Rotterdam. En...de Leeuwarders wilden zo weinig mogelijk werken en zoveel mogelijk verdienen. Met de jeugd was het ook al niet best gesteld. De ene helft was aan de drugs en de andere helft gebruikte condooms en dat al vóór het huwelijk. Ik vroeg me toen wel af, hoe het mogelijk was dat Zelle wist dat de drugsgebruikende helft geen condooms gebruikte en andersom! Brood en spelen voor de massa, dat was altijd weer waar dominee Zelle op uit kwam: uitgaan en plezier maken, de brede weg bewandelen. zo kwam het niet goed met de wereld. De drie punten waarin de predikatie was verdeeld, waren voorspelbaar. Het verkeerde, het slechte van de mens kwam eerst, vervolgens kwam in punt twee de verdieping en de toepassing van wat in zijn preek het thema was en in het derde punt kwam de verlossing: de redding door Christus. Wat dat betreft was Zelle een echte gereformeerde predikant, hoewel de klemtoon wel erg op de zonde kwam te liggen en uiteindelijk de genade dan wel kwam, maar na de preek bleef men toch met het gevoel zitten dat de zonde, hel en verdoemenis en het slechte in en van de mens wel erg overheersten.  Hij was erg behoudend, en verontrust en was ook tegen alles wat nieuw was. De taal van de Statenbijbel had hij het liefst, daar werd door hem ook uit voor gelezen. Gezangen waren niet aan de orde, we zongen uitsluitend psalmen. De liturgie die  dominee toepaste was allang achterhaald: de tussenzangen waren uit den boze, maar Zelle maakte er gretig gebruik van. Desondanks trok Zelle veel mensen. Dat had te maken met uiteraard zijn aantrekkingskracht, zijn  speciale manier van verkondiging, maar ook zeker vanwege zijn duidelijkheid over wat goed en wat fout was. Dat er daarnaast ook veel mensen op af kwamen vanwege de sensatie, was natuurlijk voor de hand liggend.

Een oud fietsje
In de stad zelf kwam ik Zelle ook wel tegen. Meestal in de regen. Hij fietste dan door de stad, op een eenvoudig oud fietsje en alleen maar in een wijde broek met laarzen aan en in een bloesje met korte mouwen. Het haar hing in slierten naast zijn hoofd. Zo fietste hij ook naar de Kleine Wielen om daar zijn dagelijkse baantjes te zwemmen, met een eenvoudig handdoekje onder de snelbinder.

Hij deed veel aan sport: een gezonde geest in een gezond lichaam, was zeker op hem van toepassing. De Leeuwarders konden hem in de nachtelijke uurtjes wel aantreffen als hij zijn rondjes liep. De overige uren van de dag werd er gestudeerd. De geschiedenis van de christelijke organisaties hadden zijn interesse. Vooral de theologie en de vaderlandse geschiedenis werden nauwkeurig bestudeerd. Al die onderwerpen gebruikte hij in zijn preken en in zijn spreekbeurten, die hij voornamelijk hield voor de vakbeweging en voor de kiesverenigingen van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP). Met aansprekende stellingen als Op de rand van het ledikant of  Doorbraak-uitbraak-inbraak of  Hou ze in de gaten wist hij zijn gehoor te trekken en te boeien.

Op 1 maart 1973 was er een belangrijke ARP-vergadering in Leeuwarden, afdeling Centrum-Oost. Het ging over de strategienota voor een basisprogramma voor het samengaan van de ARP, de CHU en de KVP. De vergadering was tegen dit document: het was te oppervlakkig.(1 voor, 2 blanco en 36 tegen). En naast wie zat ik die avond? Juist, naast dominee J.H. Zelle. Hij was gekleed in een grote broek met een donker jackje aan. Hij heeft zijn bijdrage ook geleverd, met een stem als een klok vertolkte hij zijn opvatting.

Koepelkerk
Op 8 september 1975 gingen we met een stel vrienden naar de Koepelkerk, want eindelijk na jaren preekte dominee Zelle daar. Dat was inderdaad jaren geleden, want Zelle preekte eigenlijk nooit in de poel des verderfs. Dit was dus een hele sensatie en de dienst trok veel mensen. De kerk was vol en dat zegt wat in de Koepelkerk, want er kunnen zo'n duizend mensen in. We kregen heel wat over ons heen. Alle thema's die Zelle altijd al ter sprake bracht, kwamen ook nu aan de orde: de Tweede Wereldoorlog, Leeuwarden, de christelijke politiek, de christelijke vakorganisaties, waaronder zeker de vakbond en het christelijk onderwijs. Maar de preek was duidelijk, zwart wit zoals te doen gebruikelijk. Er waren twee tussenzangen, waaronder zijn geliefde psalm 42 (´t Hijgend hert der jacht ontkomen....) De preek handelde over Zacheüs: ´Ik moet heden bij U verblijven´. De drie punten waren: 1.Zacheüs kreeg de káns van zijn leven. 2.Zacheüs had de dág van zijn leven. 3. Jan Publiek heeft altijd kritiek. Vooral punt drie veroorzaakte enige hilariteit. Maar helaas, hij zong weinig liederen mee, alleen het laatste lied, psalm 25, zong hij uit volle borst mee. Hij was goed te horen, maar hij overstemde de volle kerk niet. Dat zou ook een wonder geweest zijn. Hij was natuurlijk ook al 68! Het viel ons op dat er veel mensen waren die hem nog nooit hadden meegemaakt en die waren dan ook erg verbaasd, er werd dan ook hardop gelachen in de kerk.

Later kwam Zelle nog wel een enkele keer in de Koepelkerk. Zo ook, toen er net een orgel werd geplaatst.(1976). Dat gebeurde door vrijwilligers en hoge stellages stonden voor in de kerk. Daardoor was de kansel niet te gebruiken. Er was een noodpodium gemaakt van planken op aardappelkistjes. Maar dat kon je eigenlijk goed zien als je boven zat in de middengalerij. En daar zat ik meestal in die tijd. Dus ik zag Zelle heen en weer bewegen en als hij een tussenzang liet zingen zat hij op de stoel, die erg gevaarlijk op het randje stond. Er gebeurde niets, maar ik zal niet zeggen wat wij stiekem hoopten!

Hema-schriftjes
Op 31 januari 1982 preekte Zelle in de gereformeerde Schranskerk. Hij was die zondag op dreef. Hij preekte over de jongeling van Naïn. En zijn predikatie, zoals hij dat noemde, was wederom verdeeld in drie punten: 1.De smaad van de dood 2. De strijd tegen de dood en 3.De overwinning op de dood. Hij verklaarde veel in die preek, gebruikte daarbij de Griekse, de Hebreeuwse en de Latijnse teksten. Hij doorspekte zijn preek, zoals gebruikelijke, met 18e en 19e eeuwse gedichten van bijvoorbeeld ‘de vrome dichter Jodocus van Lodesteyn'. Hij haalde zelfs een modern gedicht aan, dat hij gebruikte om aan te tonen dat daar tegenwoordig geen hoop meer uitsprak. De gehele kerkdienst was het wachten op het zingen van Zelle, maar alleen de laatste psalm werd meegezongen, waarbij hij er met zijn zeer welluidende stem goed boven uitkwam. Op 7 maart 1982 preekte Zelle weer in de Schranskerk. Ik was al weer onder zijn gehoor! De preek  werd met de volgende drie punten uitgelegd: 1. Het geloof van de discipelen op het nulpunt. 2. De trouw van de discipelen  onder het vriespunt. 3e. De genade voor de discipelen op het hóógtepunt.

Johannes Hendrikus Zelle was in feite een kluizenaar in de Gysbert Japicxstraat. Hij woonde daar jarenlang  met zijn oude moeder op nr. 82.Hij schreef toen in eenvoudige schriftjes met fel gekleurde kaftjes, waarvan ik dacht dat hij die in de Hema had gekocht, omdat ze goedkoop waren! Want Zelle lette erg op de kleintjes. Hij had slechte ogen, moest dus groot schrijven, waardoor hij snel de bladzij moest omslaan.


Soms was hij even het spoor bijster en dan duurde het even voordat hij de draad weer oppakte. Maar zijn stem, zijn zinswendingen en zijn theatrale gebaren waren onnavolgbaar. Toch heb ik vaak gedacht, dat hij niet alleen bijzonder was, maar vooral ook zonderling. Want hetgeen hij zondags preekte, leek in contrast te zijn met hoe hij door de week leefde. In feite was hij een kluizenaar in de Gysbert Japicxstraat 82. Daar woonde hij jarenlang met zijn oude moeder en later met een huisgenote. Toen deze niet langer meer voor hem kon zorgen ging het bergafwaarts met Zelle. Op 11 mei 1983 stierf hij. Hij kwam niet opdagen in de kerkdienst in Munnekezijl. Toen werd er alarm geslagen en vond de politie hem dood, achter zijn bureau, studerend zoals altijd, dus in het harnas gestorven.

De man die het duidelijk wist te zeggen, was zelf niet in een hokje te plaatsen: hij was een Einzelgänger, een predikant die zijn gang ging in de Gereformeerde Kerken en als inwoner van Leeuwarden was hij iemand die zijn eigen leven leidde. Echte vrienden had hij niet. In Rockanje, waar hij een gemeente als herder moest dienen, was het op een mislukking uitgelopen. Een eenzaam figuur, die door zijn gedisciplineerde leven, eigenlijk in ascese levend, op zijn manier het koninkrijk Gods wilde beërven. Hij behoort nu tot de kleurrijke figuren die Leeuwarden heeft voortgebracht: het Sodom en Gomorra, maar wél zijn eigen stad, waar hij niet zonder kon.

Terug

Maurits Jacob van Lennep


Op 12 maart 2002  overleed op 80-jarige leeftijd jhr. drs. Maurits Jacob van Lennep, die 24 jaar lang, van 1953 tot 1977, gemeentearchivaris van Leeuwarden is geweest.

Van Lennep werd geboren op 23 mei 1921 in Amsterdam. Hij was een achter-achterkleinzoon van de bekende negentiende-eeuwse dichter en romanschrijver Jacob van Lennep (1802-1868).

De jurist en historicus Van Lennep was een toegewijd en gedreven vakman, trots op zijn eruditie, scherp van intellect. Zijn wat rusteloze activiteit, die hem iets excentrieks gaf, richtte zich in de allereerste plaats op het verzamelen van alle materiaal dat de geschiedenis van Leeuwarden direct of indirect maar enig extra reliëf kon geven. Hij las en knipte zoveel mogelijk kranten, van plaatselijke tot de Staatscourant, om zijn documentatie van de leden van de Leeuwarder burgerij aan te kunnen vullen; geen document was hem te bescheiden om er zijn historische verzamelingen mee te verrijken. Soms bracht zijn nerveuze strijdbaarheid hem met zijn omgeving in conflict en toen het gemeentebestuur begin jaren zeventig besloot tot een rigoureuze sanering van zijn geliefde Stedelijke Bibliotheek, heeft Van Lennep het Archief en Leeuwarden tenslotte teleurgesteld de rug toegekeerd.

Van Lennep wortelde in een aantal opzichten mentaal in de negentiende eeuw en hij is opgeleid in de periode vóór de modernisering die het Nederlandse archiefwezen vooral sinds de jaren zestig sterk van karakter heeft veranderd. Toch heeft hij op een deel van de nieuwe ontwikkelingen met succes ingespeeld. Mede door zijn vasthoudendheid kon in 1970 eindelijk de zolderverdieping van het stadhuis als hoofdvestiging van het Gemeentearchief worden verruild voor de huidige locatie aan de Grote Kerkstraat. De publieke belangstelling kreeg hierdoor eindelijk de ruimte die zij behoefde en het bezoekenaantal is toen in zijn laatste paar ambtsjaren nog verdrievoudigd. Van Lenneps hart lag vooral bij de Stedelijke Bibliotheek, maar hij heeft ook belangrijke archieven als die van het Old Burgerweeshuis en de Evangelisch Lutherse Gemeente geordend en beschreven.

Publicitair was Van Lennep vooral actief als genealoog, maar ook als cultuurhistoricus. Zijn in 1968 in de Vrije Fries verschenen artikel ‘Vroege en late regenten in Friesland' wordt nog steeds geraadpleegd.

Terug

Het geboortehuis van Saskia, Rembrandts vrouw


door Jan Faber

Gepubliceerd in: Leovardia, historisch tijdschrift voor Leeuwarden en omgeving; nr. 1, mei 2000 (N.B. de gebruiksgeschiedenis na 1971 is later aan deze webpagina toegevoegd en ontbreekt in het artikel waarnaar hier wordt verwezen). 

In maart 1999 werd het Leeuwarder Gemeentearchief [sinds mei 2001 Historisch Centrum Leeuwarden] benaderd door een medewerkster van Japan-Euro Promotions B.V., die in opdracht van een Japanse televisieproducent wilde nagaan of er bij het Gemeentearchief [HCL] ook iets bekend was over Saskia Ulenburgh, dochter van een Leeuwarder burgemeester en de eerste vrouw van Rembrandt Harmensz. van Rhijn. Zij werkte aan een Japanse televisie-documentaire in het kader van de 400-jarige handelsbetrekkingen tussen Nederland en Japan. Vluchtig literatuuronderzoek leerde dat hoofdonderwijzer D.J. van der Meer uit Reduzum jarenlang met noeste ijver had gespeurd naar het familieverleden van de Ulenburgh’s. In 1971 werd zijn speurwerk bekroond met een publicatie van de genealogie Ulenburgh in het Genealogysk Jierboekje. De genealoog J.C. Kutsch Lojenga voegde nog belangrijke feiten toe in zijn publicatie over de familie Van Loo in het Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie. Gezien de volledigheid van beide artikelen ga ik hier niet al te diep in op de familiebetrekkingen van Saskia Ulenburgh, maar beperk ik me tot de hoogst noodzakelijke.

Bezoek ook het Rijksmuseum in Amsterdam

De vader van Saskia - Rombertus Ulenburgh - werd rond 1554 in Bergum geboren. Op 10 september 1578 promoveerde hij, na aan de universiteit in Heidelberg te hebben gestudeerd, tot doctor in de rechten. Ongeveer 30 jaar oud, werd hij burgemeester van Leeuwarden, in 1585 Gedeputeerde Staat van Friesland en in 1597 raad ordinaris in het Hof van Friesland. Van Rombertus Ulenburgh is bekend dat hij op 10 juli 1584 als een van de laatsten prins Willem van Oranje in levende lijve heeft gezien en gesproken. Bij onderhandelingen in Den Haag en Delft trad hij op namens de stad Leeuwarden en zijn gewest. Die bewuste avond dineerde hij bij de prins. Deze werd na de maaltijd door Balthazar Gerards doodgeschoten. Rombertus huwde voor 1591 met Siuckien Ulckedr. Aessinga, uit welk huwelijk acht kinderen zouden worden geboren, waarvan Saskia - gedoopt op 2 augustus 1612 - de jongste was. Na het overlijden van haar vader op 3 juni 1624 - haar moeder was vijf jaar daarvoor reeds overleden - werd Saskia toevertrouwd aan de zorgen van haar zwager dr. Gerryt van Loo en haar oudere zuster Hiske Ulenburgh. Op 22 juni 1634 zou Saskia in Sint Annaparochie in het huwelijk treden met de uit Amsterdam afkomstige kunstschilder Rembrandt Harmensz. van Rhijn. Aldus Van der Meer in 1971.

Op de onderste regel de doopinschrijving van Saskia Ulenburgh d.d. 2 augustus 1612

Hoewel Van der Meer in zijn artikel melding maakt van de aankoop in 1595 door Rombertus Ulenburgh van een huis bij de ‘Blockhuyster piep’, laat hij de lezers in het ongewisse over de exacte lokatie van dit pand. Wel spreekt hij het vermoeden uit dat Rombertus en de zijnen dit pand jaren lang moeten hebben bewoond en dat Saskia in dit huis geboren zou zijn. Volgens Van der Meer was het pand evenwel niet eenvoudig te localiseren. In het zogenaamde Schoorsteengeldregister - een uit 1606 daterend register waarin de opbrengsten van een belasting op schoorstenen werden geregistreerd - wordt ‘mynheer Wijllemborg’ als eigenaar-bewoner van een huis in Keimpema-espel vermeld. Met name de vermelding ‘bij de Blockhuyster piep’, alsmede de situering in Keimpema-espel maakte mij nieuwsgierig. Omdat ik nauw betrokken was bij de organisatie van de Open Monumenten Dag in 1998, waarbij panden aan de Turf- en Tweebaksmarkt, de Druifstreek en het Blokhuisplein te bezichtigen waren, had ik uitgebreid onderzoek gedaan naar de bewoningsgeschiedenis van het perceel Blokhuisplein 18. Bij het terugvolgen van een gebouw in de tijd moet vaak worden teruggevallen op koopcontracten van belendende percelen, omdat die de namen van de eigenaren van de buurpanden bevatten. Zodoende had ik reeds de gehele gevelwand van het Blokhuisplein en een deel van het Zwitserswaltje in kaart gebracht. Hoewel vooral bij de hoek van het Blokhuisplein en het Zwitserswaltje veel panden werden aangeduid met ’gelegen bij de Blokhuisterpijp’, kwam de naam van Rombertus Ulenburgh niet als eigenaar van een van deze percelen voor. Aangezien het hiervoor aangehaalde Schoorsteengeldregister wel degelijk een logische volgorde kent - namelijk de route die de belastingcollecteur liep - werd al snel duidelijk dat het pand van Ulenburgh in de onmiddelijke nabijheid van de hoek Zwitserswaltje-Blokhuisplein moest worden gezocht en wel nabij de pijp die het Blokhuisplein tot 1894 met het straatje de Ossekop verbond. Nadere beschouwing van het reeds door Van der Meer genoemde koopcontract van 1 maart 1595, leerde dat het bewuste perceel zowel ten noorden als ten zuiden belendende percelen kende. Zonder dat er in het koopcontract sprake was van een straat ten westen, rees, gezien de noord-zuidrichting van de bebouwing, al vrij snel het vermoeden dat het geboortehuis van Saskia aan de Ossekop moest worden gezocht en wel ergens tussen de percelen 1 en 13. Op genoemde datum droegen Mr. Eco Isbrandi, Secretaris van Gedeputeerde Staten van Friesland, en diens huisvrouw Eets Douwesdr. voor de somma van 1300 goudguldens hun huis over aan burgemeester Rombertus Ulenburgh en zijn huisvrouw, waarbij het verkochte alsvolgt werd omschreven: ‘zeeckere huysinghe metten boomen, achterplaatze ende schuijre, achter ande voersscreven plaats opde waterswal getimmert ende tot d’voersscreven huysinge behoorende’. Uit deze omschrijving blijkt dus dat de eigendom aan de achterzijde - dus ten oosten - grensde aan een water. Uit nadere bestudering van de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603 bleek dat zich in het Keimpema-espel slechts één situatie voordeed waarbij de achtererven van woningen aan de oostzijde aan een gracht grensden en dit bevestigde wederom het eerder geuite vermoeden dat het bewuste pand aan de Ossekop moest worden gezocht. Aangezien het pand niet op een hoek was gelegen, doch zowel ten noorden als ten zuiden belenders kende, diende dus het aantal woningen tussen Ulenburgh’s pand en een hoekpand te worden bepaald. Gelet op de nadere omschrijving ‘bij de Blockhuysterpijp’ leek dus een hoekpand ten zuiden - dus nabij het Blokhuisplein - het meest voor de hand te liggen. In het eerdergenoemde koopcontract werd als belender ten zuiden Mr. Focco Rommarts, raadsheer ordinaris in het Hof van Friesland en zoon van wijlen de oud-stadssecretaris Mr. Matthijs Rommarts, genoemd. Ook deze verkocht datzelfde jaar zijn huis en plaats bij ‘de oude Blockhuysterpijp’: ‘hebbende de Herevaart ten oosten en zuiden en Mr. Eco Isbrandi ten noorden’. Met deze omschrijving en door vergelijking van de zeer gedetailleerde wijkkaarten uit 1843 en 1876 zou het raadsel dus zijn opgelost: precies daar waar de van het noorden naar het zuiden lopende voormalige Heregracht een bocht naar het westen richting de Weaze maakte, stond het laatste pand dat nog aan de Ossekop nummerde en sedert 1876 als nummer 13 bekend staat. Rombertus Ulenburgh moest dus haast wel zeker het ten noorden daarvan gelegen perceel Ossekop 11 hebben bewoond.

De huwelijksinschrijving in het trouwboek van St. Annaparochie van Rembrant Hermens van Rhijn en Saskia van Ulenborgh op 22 juni 1634 (Ryksargyf yn Fryslân)

Echter om er geheel zeker van te zijn dat de bebouwingssituatie aan de Ossekop tegen het einde van de 16de eeuw vergelijkbaar is met de huidige toestand, werd ook de ten noorden van Ulenburghs pand gelegen bebouwing aan een nader onderzoek onderworpen. Het koopcontract uit 1595 maakt melding van een ‘camer, toebehorende het weeshuys’ als noordelijke belender. Een nadere bepaling in hetzelfde koopcontract luidde dat de koper (Ulenburgh) gerechtigd was om ‘door de caamer, staande op’t noord (deeser huysinge) t’heymelijck gemack t’allen tyden te moogen reijnighen oft leedigen’. Enige maanden eerder, te weten op 1 december 1594, had de eerder in dit artikel genoemde Mr. Focco Rommarts in één koop een aantal panden overgedragen aan Jan Hendricxzn. Rhala, ontvanger van de kloosteropkomsten in Friesland. Deze overdracht behelsde naast een aantal kamers in de Oude Oosterstraat, het hoekpand op de hoek van de Oude Oosterstraat en de Ossekop, ook wel aangeduid als de ‘gladde gevel’, het ten zuiden daarvan gelegen Ossekop 3 alsmede een ‘ledige plaatze dair aan ten zuijden’. Als ten zuiden belendende percelen werden vermeld aan de straatzijde het weeshuis en aan de achterzijde Mr. Eco Isbrandi. In verwarring gebracht door de huidige situatie - de percelen Ossekop 5 en 7 zijn in vergelijking met de naastliggende panden namelijk relatief ondiep waarbij de panden Ossekop 3 en 9 als het ware deze woningen omsluiten - rees even het vermoeden dat het pand van Isbrandi en later van Ulenburgh misschien toch niet Ossekop 11 doch 9 (voorheen Drukkerij Wielsma) is geweest, waarbij op de toenmalige ledige plaats ten zuiden van Ossekop 3 in 1596 door de meester metselaar Utse Riemers het perceel Ossekop 5 is gebouwd en dat Ossekop 7 eigendom van het Old Burger Weeshuis is geweest. Nadere beschouwing van genoemde wijkkaarten bleek naadloos op deze theorie aan te sluiten: immers tussen de percelen Ossekop 9 en 11 leek hoe dan ook geen kleinere woning te (hebben) bestaan.

Het raadsel van de ’ledige plaatze’
Tijdens de aanvankelijke euforische stemming die heerste over de nieuwe ontdekking en het feit dat de Japanse televisie reeds zijn opwachting maakte voor opnamen, lekte dit enigszins wat premature vermoeden uit naar de lokale pers, die er prompt een ‘Dossier Leeuwarden’ aan wijdde. Achteraf bleek het oorspronkelijke vermoeden toch te worden bevestigd door de ontdekking van een koopcontract, waarbij Brecht Jacobsdr., weduwe van Hans Croes ‘de Jonge’, in juni 1576 ‘seeckeren huys metten annexen ende vrien grondt van dien’ voor 180 goudguldens overdraagt aan de voogden van het Old Burger Weeshuis. Blijkens de rekeningboeken van het weeshuis, waarin ondermeer de inkomsten uit verhuur van onroerend goed werden geadministreerd, bleek dat deze woning tot het jaar 1604 door het weeshuis aan diverse personen werd verhuurd totdat melding werd gemaakt van verkoop van het pand aan ......... Den Edel Achtbaren ende Hoechgeleerden Heere Doctor Romberto Ulenburch, mede Raedt ordinaris inden Hove van Frieslandt, ende Sijuckyen Wlcke Reijnsdr., echtelieden te Leeuwarden. De alfabetische ingangen op de zogenaamde consentboeken noemden deze overdracht echter niet onder de aan de Ossekop gelegen woningen, doch achteraan bij de zogenaamde ‘aantekeningen’, dan wel de niet te lokaliseren percelen. Het van 29 november 1604 daterende koopcontract vermeldt de overdracht van ‘zeeckere camer ofte olde behuysinge, zampt d’loedtzen daerachter, met allen voorderen annexen ende gerechticheijdt zoe ende als ‘t weeshuijs aldaer competeert, staande ten noorden vande voersschreven heeren Ulenburchs huijsinge, als nu tegenwoordich bij hem ende zijn huijsfrouwen bewoent’. Dr. Ulenburgh en zijn huisvrouw kochten dit pand voor 399 goudguldens, waarbij de volgende kantekening werd geplaatst: ‘alsoe wij Ulenburch ende Sijuckien voersschreven den voersschreven camer ofte olde behuijsinge all opden eersten Maij laestleden angevaerdet ende d’zelve oeck t’onsen wille vernijeut ende verbout hebben ende alsoe in goede possessie vandien zijn, soe bedancken wij d’voersschreven weesmeesteren ende administratoers voer goede traditie ende nemen derhalven aen ende beloven d’zelve administratoers ten proufite van t’weeshuijs voersschreven aende bovengemelde Rentemeester ofte zijnen successor in officio d’resterende twije derde parten der opgemelte penningen te voldoen ende betalen’.


Uitsnede van de stadsplattegrond van Johannes Sems uit 1603, waarop de oorspronkelijke panden die in 1604 werden samengevoegd, samen met het nog steeds bestaande achterhuis staan weergegeven. Tussen Ossekop 11 en 13 de poort door welke Rombertus Ulenburgh gerechtigd was wijnen te kelderen

Waarschijnlijk heeft Ulenburgh spijkers met koppen geslagen en de oude vervallen woning tot één geheel met zijn eigen grote huis laten verbouwen. In ieder geval is nadien geen sprake meer van een gescheiden verkoop. De ‘ledige plaatze’ ten zuiden van Ossekop 3, waarvan in 1594 sprake was, heeft zich dus veel verder zuidwaarts uitgestrekt dan aanvankelijk werd aangenomen. Jan Hendrickszn. Rhala verkocht in 1596 slechts een klein gedeelte van deze lege plek aan de meester metzelaar Utse Riemers, die er de percelen Ossekop 5 en 7 op liet bouwen. Op het meest zuidelijke deel van de onbebouwde huisstede liet Rhala voor zichzelf het huidige pand Ossekop 9 bouwen. Nader onderzoek heeft uitgewezen dat ook het grote pand van Ulenburgh tot 1569 in eigendom toebehoorde aan de weduwe van de jonge Hans Croes of Cruys. Reeds op 12 september 1526 is er ter plekke sprake van onroerend goed van Hans Cruys. Het stadsbestuur verhuurde op die datum aan laatstgenoemde en aan Lenart Huges de tot dan toe braak gelegen hebbende grond ten noorden van het Oud Hengstewad (Zwitserswaltje) - de latere Uniabuurt - waar (tot 1498) de verwoeste Uniastins had gestaan: ‘............ dat tot profytt der stadt hebben verhuijrt ende voerpacht die ledighe plaets, liggende bij ende omtrent dat Henxtewad, ter oestzijde soe wydt ende langck ende breet als dat water van dat Henxtewad wtstreckt, ende niet vorder nae die straete soverre Hans Kruijshair huijss ende woeninge’. Onduidelijk is of hier de ‘jonge’ Hans Cruys wordt bedoeld, dan wel zijn vader, die tussen 1531 en 1535 en in 1537 burgemeester van Leeuwarden was en die reeds in 1511 als inwoner van het Keimpema-espel wordt vermeld. Deze Hans Cruys ‘de oude’ moet rond 1538 zijn overleden. Beiden worden overigens gelijktijdig genoemd in enkele belastingomslagen van het Keimpema-espel uit 1531. Zij wonen dan bij elkaar in buurt.

Wisselende eigenaars
Op 4 juli 1628 maken de proclamatieboeken melding van de verkoop van ‘de huijsinge ende hovinge cum annexis bij de heer Ulenburgh ende Siucktien Aesinga, echtelieden naegelaten’. Het huis werd door de raadsheer ordinaris Gellius van Jongestall voor 2600 goudguldens gekocht van de erfgenamen van genoemde echtelieden, te weten ‘vande minderjaarige bij decreet ende vande andere sonder decreet’. Helaas zijn de decreetboeken van het Hof van Friesland over deze periode verloren gegaan, zodat we over de indeling van het pand niet worden ingelicht. In het koopcontract uit 1595 wordt in een nadere bepaling wel melding gemaakt van het feit dat de woning een kelder bezat: ‘mit oock de gerechticheyd omme over d’plaatze ofte poorte vande voersscreven vercofte huysinge van Focke Rommerts an dr. Jan Loo (Ossekop 13) te moogen wynen opslaan ende voorts kelderen inde kelder vande vercofte huysinge’. Pas in 1682, wanneer de erfgenamen van Allert Pijter van Jongestall het pand voor 3430 goudguldens overdragen aan Bruno van Vierssen uit Koudum, worden we uitvoeriger ingelicht. Gezien de waardestijging van het pand sedert 1595 en de integratie van de ten noorden gelegen oude woning mag worden geconcludeerd dat aanvankelijk Rombertus Ulenburgh het pand al drastisch zal hebben laten verbouwen. Indien ervan uit mag worden gegaan dat er tussen 1628 en 1682 sprake is geweest van een inflatiepercentage van rond de 30%, dan zou het pand, afgezien van enkele kleine verbeteringen, in laatstgenoemd jaar nog de oorspronkelijke indeling uit 1628 hebben gehad. Het verkochte wordt dan omschreven als ‘seeckere heerlijcke en voortreffelijcke huisinge, voorsien met een voorhuis, costelijcke groot beneden zaal, een achter camer, twe kelderscamers, een clein schrijffcamerke, een groote kelders keucken, met watersteen, regenwaters back, en dan noch twe andere bierkelders, vier boven camers, kostelijcke kleersolderen, een tuijn en bleeckvelt achter de huisinge, met een nieu geboude camer, keucken, waschhuis, turffsolder, put en back, secreet en ander gerijff meer, staande aan ‘t water achter voorschreven voorhuisinge’.

Druifstreek westzijde ca. 1860, met geheel links de ’nieu geboude camer aen ’t water’, later de werkplaats van goudsmid Pieter Adama HJzn.

Als Bruno van Vierssen het pand in 1696 voor 4400 goudguldens overdraagt aan de raadsheer Aggaeus van Hamerster, lijkt de indeling nog hetzelfde. Ook wanneer de erfgenamen van laatstgenoemde in 1738 de woning verkopen aan de heer Colonel Eelco van Glinstra, lijkt met een koopsom van 5000 goudgulden de waardevermeerdering binnen acceptabele grenzen te liggen, zij het, dat de beschrijving van het interieur uitgebreider is. De hoofdindeling lijkt echter nog hetzelfde als in 1682 en het pand kende nog steeds één verdieping met daarboven een zolder. In 1795, wanneer Arend Johan van Glinstra voor 2002 goudguldens 3/5 deel van het huis koopt van de mede-erfgenamen van zijn ouders, lijkt er zelfs sprake van een waardedaling van het pand. Omgerekend zou de totale waarde van het pand destijds 3337 goudguldens hebben bedragen.

In 1811 wordt het pand door de erven van Arend Johan van Glinstra overgedragen aan de echtelieden Jan Thomas Ferdinand Huguenin, destijds Maire van Sonnega, en Lamberdina Henriëtta Huber, beiden woonachtig te Wolvega. De weduwe verkoopt het op haar beurt rond 1834 aan de goud- en zilversmid Pieter Adama HJzn. Hij verwijderde hoogstwaarschijnlijk, gelet op de neoclassisistische stijl van de gevellijst, de topgevels en liet een 19de eeuwse lijstgevel aanbrengen. De befaamde tekenaar en schilder Willem Bartel van der Kooi, van wie nog vele fraaie stadsgezichten op het Gemeentearchief[HCL] en het Fries Museum worden bewaard, huurde het huis tot ca. 1833. Grietje Adama werd in 1888 de nieuwe eigenaresse. Zij sloopte het bouwsel dat aan de oostzijde van de tuin aan de oude Herengracht lag en dat als werkplaats van Pieter Adama had gediend.

Een metamorfose
Nadat de gracht in 1894 was gedempd werd hier ter verkrijging van een betere rooilijn een strook grond van 100 m2 voor 680 gulden aan de stad overgedragen. In 1897 werd het pand verkocht aan de N.V. Leeuwarder Waterleiding Maatschappij, die er enige jaren kantoor en magazijn hield, waarna het - na nog enige jaren in gebruik te zijn geweest als was- en strijkinrichting - in 1921 in gebruik werd genomen als zusterhuis van het nabijgelegen Stads Ziekenhuis. Bij de drastische verbouwing die in 1920 en 1921 heeft plaatsgevonden en waarbij het pand werd voorzien van een extra verdieping, is de oorspronkelijke indeling van het pand helaas volledig verstoord. De verbouwingsplannen werden door de toenmalige directeur van Gemeentewerken alsvolgt omschreven: ‘Het maken van een keldertje van gewapend beton, een verwarmingskelder met brandstofberging. Op den beganen grond: een portaal met garderobe en vestibule met trap, ontbijt- of conversatiezaal, keukentje en W.C., en 2 slaapkamers voor te zamen 5 bedden. Op de verdieping: trap, badkamer, leerkamer, W.C., 3 kamers elk voor één bed en 2 kamers elk voor 2 bedden. Op de 2e verdieping: trap, W.C., 2 kamers met elk één en 2 kamers met elk 2 bedden. Voorts een dienstbodenkamer boven de badkamer’. In 1921 heette het, dat het gebruik van het gebouw zeer goed aan zijn bestemming voldeed: ‘Van een oud uitgewoond heerenhuis is een vriendelijk en gezellig tehuis voor het verplegend personeel gemaakt’. Dat het voorkomen van het pand in 1920/21 een ingrijpende metamorfose heeft ondergaan, valt eveneens te constateren als we een panoramafoto uit 1877 van Gerharda Henriëtta Mattijssen (1830-1907) vergelijken met een panoramafoto uit de jaren zeventig van de vorige eeuw.

Weergave van het bestaande frontaanzicht van het perceel Ossekop 11 op een verbouwingstekening van 1920/21

Vóór 1920 telde het gebouw boven de begane grond nog één verdieping met daar boven een zolder voorzien van twee dakkajuiten. Wat bouwhoogte betreft, viel Ossekop 11 bijna geheel in het niet bij buurpand nummer 9. Het huidige dak heeft een centrale dakkajuit en links bevindt zich een zijkajuit. Toch zijn de verbouwers niet geheel voorbij gegaan aan de historische kenmerken van het exterieur. De bestaande kroonlijst met een geprofileerde dakgoot op een reeks klossen lijkt omhoog gebracht. Ook aan de achterzijde toont het pand nog onmiskenbaar zijn 16de eeuwse oorsprong, waarbij de gehandhaafde dubbele dakconstructie verraadt dat hier twee panden hebben gestaan, ooit in opdracht van Rombertus Uylenburgh tot één woonhuis verenigd. Het destijds van het Old Burger Weeshuis aangekochte pand toont aan de achterzijde nog het oorspronkelijke 16de eeuwse kruisvenster, zij het, dat het is herplaatst op de nieuwe verdieping. Het buitenmuurwerk van het dubbelpand is tot aan de eerste verdieping opgetrokken uit ruim 50 centimeter lange en 9 centimeter dikke kloostermoppen. Het is niet geheel ondenkbaar dat hier bouwmaterialen zijn hergebruikt die na de verwoesting van de Uniastins in 1498 op het stinsterrein zijn blijven liggen, dan wel oorspronkelijk deel hebben uitgemaakt van de fundering van deze sterkte. Toen in 1526 dit terrein door de stad aan Hans Cruys en Lenart Huges in verhuur werd afgestaan, werd in het huurcontract de bepaling opgenomen dat de huurders het terrein dienden ‘to slichten ende to bereyden’. Hieruit mag men afleiden dat de grond er toen nog als een puinhoop bij moet hebben gelegen. Ondanks de rigoreuse bouwkundige ingrepen laat het interieur van Ossekop 11 nog steeds een duidelijke scheiding tussen de twee oorspronkelijke panden zien. Ondanks het feit dat het metselwerk door een dikke pleisterlaag aan het zicht wordt onttrokken, verraden ontlastingsbogen boven de doorgangen, dat dragende (buiten)muren zijn doorgebroken. Tenslotte zijn in de achterkamer van het voorhuis nog de oorspronkelijke moerbinten zichtbaar waarvan er één rust op een 16de eeuws sleutelstuk. Bekijk ook het filmpje waarin de vier bouwfasen van het pand zijn gevisualiseerd.

Het perceel Ossekop 11 in 1976 (bestaande situatie)

Op 14 april 1971 vertrokken de laatste leerling-verpleegsters naar een nieuw onderkomen aan de Borniastraat en werd het gebouw ingericht als opleidingsschool voor leraren van de Stichting Leraren Opleiding Ubbo Emmius. Vanwege de ongeschiktheid van de bovenverdieping als lesruimte werd in de loop van dat jaar al weer uitgeweken naar andere lokaties in de stad en bleef alleen de administratie van de lerarenopleiding achter in het pand. In 1976 verhuisde 'Ubbo' naar het gebouw van de voormalige Middelbare Landbouwschool aan de Vredeman de Vriesstraat. Vervolgens werd het overgrote deel van het pand voor vijf jaar verhuurd aan de Algemiene Fryske Underrjocht Kommissje (AFUK). Daarnaast huurden de Provinciale Onderwijsraad, de Commissie Wetenschappelijk Onderwijs, Frysk en Frij, de Coöperatieve Uitgeverij en de Ried fan de Fryske Beweging er kantoorruimte. In 1981 verkocht de gemeente het pand aan  advocatenpraktijk Stoop c.s. die op dat moment reeds kantoor hield in het belendende pand Ossekop 13. Vanaf 1984 - nadat Mr. J.C. Stoop uit de maatschap was getreden, veranderde de naam in Advocatenkantoor Bierman & De Goede en na het vertrek van Bierman in 1987 in De Goede & Koster. Na in 1989 te zijn gefuseerd met Advocatenkantoor Trip uit Groningen werd de praktijk tenslotte omgedoopt in Trip & De Goede Advocaten. In 1994 verliet de danig uit haar jas gegroeide advocatenpraktijk beide panden aan de Ossekop om zich in de verlaten Willem Lodewijkschool aan de Druifstreek te vestigen, waarna in 1995 Ingenieursbureau DHV - zij het slechts voor vier jaar - zijn intrek in Ossekop 11 nam. Sedert mei 1999 biedt het statige pand onderdak aan de bekende strafpleiters Anker & Anker, tot dat jaar reeds zelfstandig werkzaam in het kantoor van Trip & De Goede. Met hen lijken de oorspronkelijke bewoners - de raadsheren van het Hof van Friesland - waardige opvolgers te hebben gekregen.

Omslag 10 jaar Anker & Anker aan de Ossekop 11In 2009 vierde de maatschap Anker & Anker Strafrechtadvocaten haar 10-jarig bestaan, hetgeen o.a. leidde tot het uitbrengen van de hiernaast afgebeelde gelegenheidspublicatie. Naast een samenvatting van de hierboven vermelde geschiedenis, licht Mr. Evert Kuiters van Anker & Anker de meest recente geschiedenis van de praktijk toe en is tevens een bloemlezing van diverse verhalen van bewoonsters van het zusterhuis toegevoegd. De betreffende publicatie kan worden gedownload door op de boekomslag hiernaast te klikken.

 

 

 

 


Bekijk ook de tweede aflevering van Rembrandt en ik - Saskia van Uylenburgh 
Neem daarnaast kennis van het overzicht van de manifestatie Sporen van Saskia, hét evenement dat op 13 oktober 2012 ter gelegenheid van het 400ste geboortejaar van Rembrandts grote liefde en muze heeft plaatsgevonden. Tenslotte draaide tijdens Open Monomentendag 2013 in het speciaal voor die gelegenheid opengestelde Anker & Ankerpand een diavoorstelling, welke hier in PDF (5 Mb) kan worden bekeken of gedownload

 

Terug

Dirk van Gorkum, een spraakmakend scherprechter

(Dit artikel is in maart 2001 gepubliceerd in het tijidschrift Leovardia nr. 4 van de Leeuwarder Historische Vereniging 'Aed Levwerd' , p. 10-14, )

Klaas Zandberg

Scherprechters, of beulen zoals ze meestal genoemd werden, spraken tot de verbeelding. Ook in Leeuwarden oefenden ze eeuwenlang hun beroep uit. In 1568 werd David Vlaender van Göttingen als eerste ‘meester van de scarpen swaerde' van het gewest Friesland bij naam genoemd. Op 23 maart 1860 werd met het ophangen van Ype Baukes de Graaf op het Zaailand de laatste executie in Leeuwarden verricht, de op één na laatste in Nederland. De meest spraakmakende beul was ongetwijfeld Dirk van Gorkum, die maar liefst van 1755 tot 1797 dit ambt bekleedde

Beulen hadden over gebrek aan publieke belangstelling niet te klagen. Als er één evenement was dat in vroeger eeuwen een massa kijkers trok was dat wel een terechtstelling. De overheid bevorderde het openbare karakter van deze executies ook zoveel mogelijk. Dit vooral tot een exempel ende afschrik.

Dankzij hun kennis van de menselijke anatomie oefenden beulen vaak het nevenberoep van chirurgijn of ledenzetter uit en kregen daardoor betalende klanten. Over het algemeen behoorden ze tot de rijkere bewoners van een stad.

Hoewel het werk van de beul noodzakelijk werd geacht, werd het tegelijkertijd beschouwd als iets verachtelijks en minderwaardigs. De beulen en hun familieleden werden door de meeste mensen dan ook gemeden als de pest. Kinderen van beulen moesten noodgedwongen met elkaar trouwen, zodat er typische beulsfamilies ontstonden. Soms kregen ze aantoonbare morele problemen met hun werk.

Er werd niet zo heel vaak een doodstraf voltrokken; rond 1700 gemiddeld 5 per jaar in Leeuwarden. Justitie hield zich veel vaker bezig met andere lijfstraffen als brandmerken, geselen en verminken. Een hoofd of een hand moest in één klap worden afgeslagen, anders ontstak de toekijkende menigte in woede en was de beul zijn leven niet zeker. Er moest dus flink worden geoefend. Daar gebruikten ze gewoonlijk varkens en ander al dan niet dood vee voor.

Dirk van Gorcum zwaait het zwaard over het hoofd van de voorwaardelijk terdoodveroordeelde Mr.  C. van den Burg, 1788In Leeuwarden herinneren nog enkele namen aan deze sinds lang verdwenen beroepsgroep. De naamgever van de Bullepolder zou volgens overlevering een Leeuwarder beul zijn geweest, maar een schriftelijk bewijs is niet te vinden. In 1562 en later was er sprake van Beulsbrug of Beulspijp als benaming voor de Brol. De plaats waar in de 16e eeuw de meeste executies plaats vonden was de Brol, zodat de benaming Beulsbrug een zekere logica had. De namen Galgerak en Blokhuisplein -de plekken waar vroeger eveneens werd terecht gesteld- bestaan nog. De meeste beulsfamilies hebben niet veel sporen nagelaten in Leeuwarden. De Friese scherprechters waren in de 16e en 17e eeuw in de regel jongere zonen van beulen in Duitse steden als Bentheim, Lingen, Tecklenburg en Bremen.

De tweede generatie vertrok vaak weer naar elders. Wie wil weten hoe het belangrijkste gereedschap van de beul er uit zag moet het grote (‘zweihänder') zwaard in de entreehal van het Fries Museum, dat door sommigen aan Grutte Pier wordt toegeschreven, maar eens van dichtbij bekijken.

Voorgeslacht
Philip Gercken, ca. 1630 geboren te Neheim (Westfalen) en achtereenvolgens scherprechter te Zutphen, Deventer en Groningen, werd in de Nederlandse gewesten ook wel Gorcum genoemd. Zijn zoon Jan Dirksz en andere afstammelingen hanteren ‘Van Gorcum' als min of meer vaste familienaam. Deze Jan (die ook wel Dirk werd genoemd) van Gorcum was vanaf 1688 scherprechter te Groningen, maar werd in 1694 wegens openbare dronkenschap uit zijn functie ontheven. Kennelijk was hij wel goed genoeg voor de Friezen, want in 1702 wordt hij te Leeuwarden benoemd. In Groningen was een versje over hem in de omloop:

Geen Zaterdag in 't gansche jaar,
Of meester Dirk mijn Bessevaar,
Die veegde agtenveertig slagen.
Moest merk en roeden zelvers dragen,
Doch 't was een sterke, stoute gast,
Die meester Dirk naar 't leven tast.

En meester Dirk of gij 't ook weet,
Die veegde dat het roode zweet
Hun liep van schouders tot de lenden,
En of zij zich al tot hem wenden
En schreeuwden, duizend ach! En wee!
Hun drukte hun de Vriesche V
Zoo netjes op het schouderblad
Alsof Hosson 't geteekend had

Deze eerste ‘Leeuwarder' Van Gorcum wordt na zijn dood in 1726 opgevolgd door zoon Christiaan. Dirk, de oudste zoon van Christiaan van Gorcum en Petronelle Geerts, wordt op 18 februari 1727 geboren en drie dagen later (hervormd) gedoopt. Het begraven van Christiaan van Gorcum op 23 februari 1755 kan best wel eens traumatisch zijn geweest voor zijn zoon en andere naaste familieleden. Niet alleen was het graf op het Oldehoofsterkerkhof voor luiden van zyne bedieninge en hunne familie afgezonderd, maar ook konden pas na langdurig getouwtrek tussen de buren en justitie kistdragers worden geregeld. Bovendien kwam nog eens een uitzonderlijk groot aantal nieuwsgierigen op de begrafenis af.

‘Veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft'
Toen hij na het overlijden van zijn vader in diens voetsporen trad, zal Dirk of ‘Theodorus' van Gorcum waarschijnlijk niet hebben kunnen vermoed dat hij voorbestemd was tot een bijna vijftigjarige carrière als ‘dienaer van Justitie'.

Uit een in 1777 gepubliceerd lofdicht ter verjaaring van meester Theodorus van Gorkum, blijkt dat hij en de zijnen toch beslist niet door iedereen met de nek werden aangekeken: Wat uw nuttig, ja noodzaak'lijk Ampt betreft, Da's veel aanzienlijker dan 't dom gemeen bezeft. Waard gij ‘er niet, wie at gerust zijn brood en zuivel? De Boosheid heeft meer vrees voor U dan voor den Duivel. Uit de verdere tekst (zie achterzijde omslag) blijkt dat de schrijver A. Jeltema, een bekend publicist in 18e eeuws Leeuwarden, Dirk goed heeft gekend en hem zelfs ‘vriend' noemde.

Dirk van Gorcum staat ook te boek als chirurgijn. Kennelijk hadden de andere chirurgijns geen bezwaren tegen zijn praktijk, want in tegenstelling tot de meeste van zijn voorgangers zijn over hem geen bezwaren aangetroffen in het archief van het chirurgijnsgilde. Van Gorcums expertise lag vooral op het terrein van verwrongen ledematen en gekneusden pees, of ader. Vanuit Leeuwarden bezocht hij met zijn eigen rijtuig en span paarden ook dorpen in de omtrek.

Vergoedingenlijst van door de Leeuwarder scherprechter uitgevoerde strafexercities, 1753


De rijkdom van Dirk van Gorcum is niet precies te bepalen. Een testament of boedelbeschrijving is niet aangetroffen. Wel is uit boedelbeschrijvingen van vroegere Leeuwarder scherprechters bekend dat er meestal nogal wat bezittingen vielen te verdelen, waaronder veel goud- en zilverwerk. Van Gorcum was in ieder geval kapitaalkrachtig genoeg om geld te kunnen uitlenen aan handelaren. Ook is zeker dat hij behoorlijk veel onroerend goed bezat. Na allerlei aan- en verkopen was Dirk aan het eind van zijn leven in bezit van een complex van minstens vijf panden tussen Weaze, Ossekop, Blokhuissteeg en Keizersgracht. Dus vlakbij zijn voornaamste werkplek: het Blokhuisplein.

Terwijl grootvader Jan van Gorcum zijn echtgenote nog binnen de scherprechtersfamilies moest zoeken, konden zijn oudste zoon en kleinkinderen met telgen uit burgerfamilies in het huwelijk treden. Het huwelijk in 1782 van Anna Christina, de dochter van Dirk, met een telg uit het rijke Groninger koopmansgeslacht Reisiger zal vast als een groot succes zijn beschouwd door de familie.

Liever scherprechter dan beul
De term beul was in Friesland eigenlijk alleen van toepassing op de knecht van een scherprechter. In de regel was de knecht een zoon van de functionerende scherprechter. Beide begrippen werden echter steeds vaker verwisseld en het kwam zelfs voor dat ‘beul' als scheldwoord werd gebruikt.

Op woensdag 28 januari 1778 kregen twee Leeuwarder kooplui ruzie in de herberg van Tytsjerk. Hessel Barends, woonachtig aan het Vliet, verweet Douwe Ypes dat hij geld van Van Gorcum had geleend: Jimme binne groote luiden van de beul zijn geld. Jimme hebben geld van de beul op intressen. Barends zal met deze opmerking hebben bedoeld dat hij dat geld eigenlijk als bloedgeld beschouwde. Toen Dirk van Gorcum later van dit meningsverschil hoorde, reageerde hij furieus. Dat hij voor beul werd uitgemaakt was in zijn ogen hoon en smaed. Hij eiste op 13 maart 1779 voor de rechtbank dat de lasteraar met een boete van 24 goudguldens bestraft zou worden. Bovendien wilde Van Gorcum dat hij voortaan niet meer met de veragtelijke naam van beul maar met die van scherptregter werd bestempeld.

Strafvoltrekking op het schavot voor het Blokhuis, 1788


De gedaagde Barends verklaarde dat hij niet de bedoeling had gehad Van Gorcum te beledigen. Hij had zich goed voorbereid en haalde naslagwerken en deskundigen aan om zijn stelling dat beul en scherprechter gelijk beteekende woorden waren, kracht bij te zetten: Samuel Litiscus zeijde in zijn lexicon ‘in voce camiflex' dat zelve beteekende een beul een scherprechter, daaragterbij volgende: zij noemen zig zelven meester van de scherpen zwaarde ‘in voce lictor' zeijde dat hetzelve betekende een beul, pijniger, scherpregter. (...) F. Halma in zijn woordenboek stelde beul en scherprechter ook volkomen als hetzelfde betekende woorden. (...) De Nederlandse historie van den beroemden Heer Wagenaar, gebruikte in de passages over de onthoofding van Johan van Oldebarnevelt in 1619 en het verhoor van Cornelis de Wit in 1672 de beide benamingen door elkaar.

Tenslotte noemde Barends ook nog het verslag van James Boswell. Die schreef in 1769: De beul van Corsica verdiende een buitengewone aanmerking dewijle hij in alleruiterste verfoeiing stonde durfe hij niet leven gelijk een ander inwoner van 't eiland. De man woonde in een klein hoeck torentie, alwaar hij maar een gerige ruimte voor sijne rampzalig bed en een weinigje vuur hadde om daar op zijne bekrompene spijze die hij tot levensonderhoud nodig hadde te kunnen bereiden want niemand wilde eenige verkeering met hem hebben, maar elk een keerde hem de rugge toe. Toen de Corsicanen deze geboren Siciliaan eerder vroegen het beulsambt te aanvaarden, schijnt hij -in zijn lot berustend- te hebben geantwoord: mijn grootvader was een beul, mijn vader was een beul, ik zelvs ben een beul geweest, ik ben gewillig een beul te blijven. De rechter was door al deze voorbeelden overtuigd dat de termen beul en scherprechter van een gelijke kragt sijn. Barends werd vrijgesproken en hoefde geen cent te betalen.

‘Filia carnificis Leovardiensis'
Anna Christina,de al eerder genoemde dochter van Dirk van Gorcum, ondervond in 1782 een nare ervaring die te maken had met haar afkomst. Met haar verloofde Jacob Reisiger, diens vader en een aantal andere familieleden, bezocht ze vanuit de stad Groningen per rijtuig de Zuidlaarder markt. Op de terugweg kreeg het gezelschap een woordenwisseling met enkele Groninger studenten. Er ontstond een vechtpartij met als gevolg verwondingen en beschadiging van eigendommen.

Opmerkelijk aan deze kwestie is vooral dat in een willekeurige herberg, in dit geval Het Jagtwagentje te Haren, Anna Christina van Gorcum werd herkend als de dochter van de Leeuwarder scherprechter. Kennelijk was haar afkomst iets waar niet gemakkelijk over werd gepraat: (...) waarop een van de studenten, welke in gezelschap mede was gegaan gevraagd hadde, ‘wat meisje dat was', aan welken de student Heshusius, haaren Vader niet openlijk willende noemen, in het Latijn geantwoord hadde, ‘est filia carnificis Leovardiensis' (zij is de dochter van de beul van Leeuwarden)'. Waarschijnlijk werden de studenten klef en vervelend. Volgens één bron werd Anna Christina zelfs uitgescholden voor Vriesche hoer.

De ruzie escaleerde op een gegeven moment nadat een van de studenten eenen geweldigen slag aan het hoofd hadde gekregen, zoodanig dat (hij) sterk daarvan uit de neus hadde gebloed. Tijdens de terugreis ging werden in een andere herberg zelfs de wapens te voorschijn gehaald. 's Avonds komt het voor het huis van de familie Reisiger in Groningen uiteindelijk tot een oploop van een grote groep studenten. Over wat er precies voorviel tijdens het uitstapje naar Zuidlaren, bleven de meningen uiteen lopen. Na jaren procederen werden in 1786 tenslotte enkele leden van de familie Reisiger veroordeeld wegens mishandeling.

Opvolging
De zoon van Dirk, de op 12-10-1759 in de Westerkerk gedoopte Petrus, leek aanvankelijk in de voetsporen van zijn vader te treden. Samen hadden ze een bloeiende praktijk als chirurgijns en ledenzetters en zo nu en dan assisteerde Petrus zijn vader ook als scherprechter. Waarschijnlijk had Petrus van Gorcum zijn vader op kunnen volgen als scherprechter, als hij niet in opspraak was gekomen. Petrus was een overtuigd patriot. Toen de Bataafse Republiek in 1795 werd gerealiseerd, werd hij lid van het Leeuwarder stadsbestuur. Hij hield dit nog geen jaar vol. In januari 1796 wordt hij wegens fraude gezocht en vlucht de stad uit. Het dagboek van voormalig stadsbestuurder Roelof Storm geeft de volgende beschrijving van dit voorval:

30 december heeft een van de Leden van de Municipaliteit sig te buiten gegaan, dat hij als Commissaris sat bij de opbreng der vijffentwintigste penning, dat hij sig van het geld, het welk in de losse bakken stond, bediende, het welk door eene swangere vrouw gesien werdt, die het selve heeft uitgebragt, en is van dat gevolg geweest, dat hij des Saturdags, sijnde 2 Janij 1796, toen hij hoorde, dat het hem sou gelde, is hij voortgaan: want der sijn informasjes van hem aan 't Hoff gekomen, en daarop geordonneerd, soo sij hem mogten te weeten komen, hem direkt te vatten: het is de soon van onse thans fungerende Beul, sijn naam is Petrus van Gurkum.

Oranjegezinden vervaardigen naar aanleiding van dit wangedrag van een vooraanstaand voorvechter van het nieuwe gezag een uitgebreid spotgedicht getiteld: Ode op de onverwagte vlugt van den grooten municipaal Petrus van Gorkum. Later keert hij toch terug naar zijn geboortestad. Tot op hoge leeftijd blijft hij het beroep van ledenzetter uitoefenen vanuit zijn woonhuis De Karseboom aan de Keizersgracht. Hij overlijdt in 1845.
Met het wegvallen van Petrus als assistent, bleef de zware taak aan de inmiddels bijna zeventigjare Dirk voorbehouden. Hoewel de beide galgen op 4 augustus 1796 werden afgebroken, duurde het nog enkele jaren voordat de guillotine zijn intrede deed in Friesland. In maart 1798 gaf dit problemen toen een van de aanstichters van het Kollumer oproer van 1797 ter dood moest worden gebracht. Van Gorcum kon het zware zwaard niet meer goed hanteren en vroeg om een vervanger.

Beschrijving van de executie van Jan Binnes, één van de hoofdaanstichters van het Kollumer Oproer op 18 maart 1797

Deze invalbeul werd Hendrik Gjalts Zandberg of Zandburg, een ver familielid van schrijver dezes. Hendrik slaagde er niet in zoveel kapitaal en prestige op te bouwen als zijn voorgangers. Toen hij in 1800 overleed, bleef zijn weduwe achter onder behoeftige omstandigheden. Dirk van Gorcum overleed pas in 1807 en kon al met al terugzien op een geslaagde carrière.

De laatste beul in Leeuwarden, de uit Utrecht afkomstige Joannes J. Ras, woonde rond het midden van de 19e eeuw in Weaze nr. 27 (tegenwoordig deel uitmakend van de opvang voor drugsverslaafden). Dus vlak bij de plek waar eerder Dirk van Gorcum woonde en werkte.

* Met dank aan dhr. C.R.H. Snijder te Berg en Terblijt, de kenner van de Nederlandse beulenhistorie bij uitstek.

Zie hier voor meer scherprechters in De Nederlanden.

Terug

De familie Beucker Andreae: een Leeuwarder juristengeslacht met grote historische belangstelling

NB Eerder verschenen in De Vrije Fries  82 (2002, themanr. Genootschapscultuur in Friesland

Klaas Zandberg

Maar liefst drie opeenvolgende generaties van de familie Beucker Andreae speelden een vooraanstaande rol in het Friesch Genootschap. Daniël Hermannus (1772-1828) was medeoprichter van het genootschap, groot verzamelaar en inspirerend onderzoeker, Johan Henrik (1811-1865) werd penningmeester en deed van zich spreken door vele publicaties en lezingen, Hajonides (1845-1925) was 27 jaar lang penningmeester. Kennelijk zat historische belangstelling de familie in het bloed, want ook verwanten als G.J. Voorda, S. Fockema Andreae en A.J. Andreae waren zeer actief in de geschiedbeoefening (1).

De oudste geschiedenis van het geslacht
De eerste generaties - die overigens nog geen familienaam voer­den - waren allen erfgezetene boeren te Hitzum. De stamvader was Meynert Jans, die in 1553 het boerenbedrijf op de pastorie­sate van Hitzum overname van Hil Jans weduwe.

Gatse Andries (1657-1736) de oudste zoon uit het eerste huwe­lijk van Andries Gatses (1620-1678) met Rinske Pytters de Wein (1635-1666) studeerde in 1682 af als medisch doctor aan de universiteit van Franeker. Naar de mode van die tijd verlatiniseerde hij zijn naam tot Gajus Andreae. Na zijn studie vestigde hij zich als geneesheer te Makkum. In 1686 trouwde hij met Tha­mara Reneman (1661-1737), dochter van de Harlinger predikant Daniël Reneman (1636-1716). Gajus ging theologie studeren. In april 1694 werd hij bevestigd tot predikant en op 16 juli 1694 vertrok Gajus met zijn vrouw vanuit Vlissingen naar Oost-Indië. Van 1695-1704 was hij predikant in Oost-Indië. Na zijn terug­keer praktizeerde hij wederom als geneesheer, ondermeer in Har­lingen, Ried en Blija.

Zijn zoon Daniël Hermannus Andreae (1697-1771), geboren op het Oostindische eiland Onrust, was vanaf 1721 tot aan zijn overlij­den predikant te Blija en Hogebeintum. Door zijn huwelijk in 1733 met Taestke Margaretha (van) Beucker (1710-1772) werd de familie Andreae verbonden met de families (van) Beucker en Voorda. Ook deze families brachten in de 17e en 18e eeuw een aanzienlijk aantal rechtsgeleerden voort.

Henricus, de oudste zoon van Daniel en Teatske, Henricus (1735-1806), studeerde aan de universiteit van Franeker. In 1757 promoveerde hij tot doctor in de rechten en in 1758 liet hij zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Friesland. In 1762 werd hij benoemd tot secretaris van de grietenij Het Bildt. Deze functie vervul­de hij tot begin 1796. Op nieuwjaarsdag 1771 overleed zijn oom Johannes (van) Beucker (1708-1771). Uit diens huwelijk met Taetske Margariet Frieswijk (1713-1762) waren 4 kinderen gebo­ren, die allen op jonge leeftijd overleden. Henricus werd be­noemd tot zijn erfgenaam op voorwaarde dat hij de familienaam Beucker aan de zijne zou toevoegen. Vanaf 1771 voerde Henricus dan ook de familienaam Beucker Andreae.

In hetzelfde jaar trouwde hij met Baukje Maria Lycklama à Nije­holt (1730-1805) geboren te Franeker als oudste dochter van burgemeester Albertus Lycklama à Nijeholt (1705-1753). Haar va­der was later secretaris van de grietenij Hennaarderadeel. Zij was eerder gehuwd geweest met Dirk Jan Dibbetz (1731-1764), met wie zij in 1761 vertrok naar Oost-Indië, waar haar man was benoemd tot raad van justitie. Na slechts drie jaar keerde zij als weduwe met haar zoontje Reinier terug. Reinier (de Klerk) Dibbetz (1764-1808) was tijdens de Bataafse Republiek enige tijd griffier van de Representanten van Friesland.

Zoals ook het geval was bij de andere voorname families (Buma, Dorhout, Huber, Heloma, Bergsma en Van Sloterdijk) die begin 19e eeuw wisten door te dringen tot de gewestelijke elite, had het geslacht Beucker Andreae in het laatste kwart van de 18e eeuw eigenlijk al dezelfde scholingsgraad, functies en rijkdom als de echte Friese elite. Alleen de politieke invloed, het maatschappelijk aanzien en huwelijksstrategie bleef nog wat achter. Yme Kuiper, de kenner van de Friese elite, deelt ze in bij het ‘oude lokale patriciaat' (2).


Mr. Daniël Hermannus Beucker Andreae (1772-1828)
Daniël Hermannus Beucker Andreae was het enigste kind uit het huwelijk van Henricus en Baukje Maria Lycklama à Nijeholt. Zijn jeugd bracht hij door in zijn geboortedorp Sint Annaparochie, waar hij werd onderwezen door twee predikanten. Drie dagen na zijn zeventiende verjaardag werd hij ingeschreven aan de universiteit van Franeker. In 1795 promoveerde hij tot doctor in de rechten. Een dag later liet hij zich inschrijven als advocaat bij het Hof van Friesland. Aangezien hij sympathiseerde met het patriotse gedachtengoed accepteerde hij in oktober 1795 de functie secretaris van de commissie van achttien uit de Representanten van Friesland. Een jaar later verloor hij deze betrekking, nadat hij in de intern-politieke machtsstrijd het onderspit had gedolven. Hij vertrok uit Friesland, eerst naar Groningen en later naar Den Haag. In augustus 1796 werd hij benoemd tot substituut-secretaris van het departement van financiën. Na een verblijf van zes jaar in Den Haag, waar hij diverse ambtelijke functies vervulde, keerde hij terug naar Friesland. In 1802 werd hij benoemd tot drost van het 11e drostambt van Friesland (Ferwerderadeel, Het Bildt en Menaldumadeel). In 1803 trouwde hij met Catharina Elizabeth Huber (1779-1822). Door dit huwelijk werd de familie Beucker Andreae verbonden met de familie Huber. De familie Huber behoorde tot één van de aan­zienlijkste families in Friesland. Een aantal bekleedde hoge functies in het bestuur en de rechtspraak. Het echtpaar ging in 1804 wonen op het buitengoed Schatzenburg onder Dronrijp. Door een reorganisatie werd Daniël in 1806 benoemd tot drost - in oktober 1807 werd de titel drost gewijzigd in baljuw  - van het 2e district van Friesland. In 1809 verkocht hij zijn buitengoed Schatzenburg aan zijn schoonvader Johannes Lambertus Huber (1750-1826) en ging te Ferwerd wonen. In 1811 werd hij benoemd tot rechter van instructie bij de rechtbank van eerste aanleg te Leeuwarden, waar hij ook ging wonen. Na ruim een jaar nam hij ontslag als rechter en werd hij benoemd tot griffier bij dezelfde rechtbank. Deze functie vervulde hij tot aan zijn overlijden. In 1821 werd hij eveneens lid van de gemeenteraad.


Daniel Hermannus als wetenschapper en verzamelaar
Daniel Hermannus werd door zijn tijdgenoten beschouwd als een veelzijdig en begaafd man. De Leeuwarder Courant noemde hem in 1828 "een' van deszelfs grootste geleerden, die, hoewel niet als boekenschrijver roem verworven hebbende, in zeer vele uiteenloopende vakken van wetenschap eene grondige en volledige kennis bezat; zoodat zij, die tot hem in betrekking waren, of in zijnen aangenamen en leerrijken omgang deelden, daarover telkens verbaasd stonden. Als wijsgeer, regtsgeleerde, geschied-, aardrijks- wis-, landbouw- en kruidkundige zoude hij, indien zijne zucht, om alle vakken van wetenschap te beoefenen, hem daarin niet had belemmerd, waardiglijk eenen Hoogleeraarstoel hebben kunnen bekleeden" (3). Goffe Jensma typeert hem als een "typisch negentiende eeuwse burger" en een "zoeker" (4). Beucker Andreae was zeker geen ‘vinder'. Tot publiceren kwam hij niet of nauwelijks. Wel legde hij een enorme bibliotheek aan van boeken en manuscripten op alle terreinen van de kunst en de wetenschap. De catalogus van de na zijn dood geveilde bibliotheek telde meer dan 6000 titels. Tijdens zijn leven stelde hij deze vaak zeldzame publicaties beschikbaar aan geleerden en anderen zonder aanzien des persoons. Door zijn brede wetenschappelijke kennis had hij zit­ting in tal van commissies zowel in als buiten Friesland. Natuurlijk was was hij ook actief in de Maatschappij tot Nut van't Algemeen. Bijzondere belangstelling had hij voor taal. Beucker Andreae bestuurde enkele leesgezelschappen en was een gewaardeerd lid van de Maatschappij van Nederlansche Letterkunde te Leiden. Opmerkelijk was zijn positieve houding ten opzichte van het Fries: "De Friesche Landtaal, die hij grondig verstond, beminde hij en achtte hij zoo hoog, dat hij het ontwerp wenschte uit te voeren, om, door gezet onderwijs in die moedertaal, op alle scholen door het geheele gewest, dezelve mede algemeen te doen spreken, schrijven en lezen", aldus zijn biograaf M.J.W. de Crane (5). 

Zijn grootste interesse was de botanica. Naast zijn studie van de levende planten, deed hij ook studie naar de kruidkundigen in de zestiende en zeventiende eeuw. Hij legde een voortreffe­lijk herbarium aan van voornamelijk Friese flora.

Vanzelfsprekend was hij betrokken bij de oprichting van het Friesch Genootschap in 1827; helaas ook het eerste lid dat werd afgevoerd wegens overlijden. Een deel van zijn bijzondere bibliotheek zal ongetwijfeld bij andere actieve genootschapsleden terecht zijn gekomen. Hij heeft ook zeker anderen geinspireerd tot wetenschapsbeoefening.


Mr. Johan Henrik Beucker Andreae (1811-1865)
Johan Henrik Beucker Andreae was de derde zoon uit het huwelijk van Daniël Hermannus en Catharina Elizabeth Huber. Zijn eerste onderwijs ontving hij op de school van hoofdonder­wijzer P.H. Burggraaff te Leeuwarden. Daarna volgde hij onder­wijs aan het te Leeuwarden gevestigde instituut van Jean Paul Trautman uit Geneve. In 1828 ging hij naar de latijnse school te Sneek. Na twee jaar verliet hij Friesland en vervolgde zijn studie aan de latijnse school te Zutphen. In het najaar van 1831 liet hij zich inschrijven aan de universiteit van Utrecht. Naast zijn studie was hij actief lid van een aantal studenten­gezelschappen. Hij promoveerde in 1840 tot doctor in de rechten op een rechtshistorisch. Het proefschrift 'De origine juris municipalis Frisici' kreeg, zelfs tot in het buitenland, veel aan­dacht. Na zijn studietijd ondernam hij een grote reis naar Italië, Sicilië en Griekenland. Over deze reizen publiceerde hij een aantal malen. Na bijna twee jaar te hebben gereisd, vestigde hij zich in 1842 als advocaat bij het Provinciaal Gerechtshof van Friesland te Leeuwarden. Hij trouw­de in 1843 met Baukje Bolman (1822-1886). In 1851 werd hij benoemd tot burgemeester van Leeuwarden. Deze func­tie vervulde hij tot zijn dood. Politiek staat hij te boek als gematigd liberaal (6).

Verder vervulde hij vele maatschappelijke functies, hij was on­der andere regent van het Diakoniehuis, voogd van het Nieuwe Stads Weeshuis en schoolopziener van achtereenvolgens het zevende, het eerste en vierde schooldistrict in Friesland. Ook in het letterkundig gezelschap Constanter en de vrijmetselaarsloge De Friesche Trouw was hij actief.

In 1852 werd hij, tijdens een bezoek van koning Willem III, benoemd tot Comman­deur in de Orde van de Eikenkroon. Naar aanleiding van zijn op­treden tijdens de grote brand van de Prins Frederikkazerne werd hij in 1860 benoemd tot Ridder in de Orde van de Neder­landse Leeuw.


Johan Henrik Beucker Andreae als wetenschapper en verzamelaar
Net als zijn vader had Johan Henrik belangstelling voor verschillende takken van wetenschap. Geschiedenis was echter zijn grootste hobby. Hij deed veel onderzoek in archieven en verzamelde geschiedkundige stukken. Van de re­sultaten van zijn geschiedkundig onderzoek gaf hij lezingen (over o.a. de Schotanussen, Aucke Stellingwerf en de Voorda's) in de vergaderingen van het Friesch Genootschap. Een aantal van deze lezingen werd gepubliceerd in De Vrije Fries en De (nieuwe) Friesche Volksamanak. Van 1849 tot 1852 was hij penningmeester van het Friesch Genootschap, maar werkend lid was hij al vanaf 1843. Hij maakte deel uit van de commisie ter bestudering van de correspondentie van Viglius en Hopperus en een commissie voor de gewestelijke archieven. Ook is het aan Beucker Andreae te danken dat het genootschap actie ondernam om de voormalige bibliotheek van de Franeker universiteit voor Friesland te behouden (7). Hoewel hij een aimabel persoon was, ging Beucker Andreae een conflict niet altijd uit de weg. In de Leeuwarder Courant van 19 november 1850 wees hij jhr. Mr. De Haan Hettema in tamelijk scherpe bewoordingen ("zeer verwarde en door niemand begrepen wordende inzigten") terecht.

Net als zijn vader bouwde Johan Henrik een uitgebreide bibliotheek op. Zijn woning (Tweebaksmarkt (nr. 47) zal gekraakt hebben onder deze zware boekenlast. De catalogus van de nagelaten bibliotheek Johan Henrik werpt licht op diens verzamelwoede. Zijn zwager Dirks merkt in het voorwoord van deze catalogus al op: Het is vooral in de boekerij, dat zich het beroep, de studiezin, ja de reislust van den bezitter er van afspiegelt. De bibliotheek van Beucker Andreae werd door de boekhandelaar Swarts publiek verkocht in 1867.

De catalogus maakt melding van ruim 2000 boeken, waaronder enkele handschriften (o.a. Leeuwarder gilderollen, later waarschijnlijk door Eekhoff aangekocht!) en enkele tientallen kaarten, prenten, schilderijen en foto's. De afdelingen geschiedenis (algemene en ‘vaderlandsche') en taal- en letterkunde zijn ongeveer even groot (rond de 600 items). Rechtsgeleerdheid (ruim 250 items), godsgeleerdheid (ruim 80), natuurwetenschap (ruim 80), en onderwijs (een kleine 50 items), aardrijkskunde (enkele tientallen items) en wijsbegeerte (ruim 20) zijn eveneens vertegenwoordigd. Boeken over Friesland (taal, geschiedenis etc.) zijn met 212 items (waarvan zo'n 30 in het Fries geschreven) ook talrijk. Bekende werken als het ook voor de historicus van die tijd onmisbare charterboek van Schwartzenberg e.a. bronnenuitgaven, de Vrije Fries en verslagen van het Fries Genootschap treffen we aan (8). 

In 1853 heeft hij het grootste gedeelte van de archiefbescheiden geordend en in een inventaris beschreven. Het eigen familiearchief gebruikte hij ook ten behoeve van lezingen en publicaties.

Van zijn tamelijk omvangrijke oeuvre is een rapport uit 1850 over de toestand van de arbeiders op het Friese platteland wel de bekendste (9).


Andere leden van de familie Beucker Andreae
Hajonides (1845-1925) volgde de voetsporen van zijn vader slechts ten dele. Hij begon zijn  carriere achtereenvolgens bij de Nederlandsche Bank en als gemeenteontvanger van Leeuwarden. Succes oogstte hij als oprichter en directeur van de Algemeene Friesche Levensverzekerings Mij. Hij bekleedde ook allerlei nevenfuncties: o.a. voogd SAK, vz van Eigen Brood Bovenal, vz. Van de Spaarbank, lid gemeenteraad (en enkele malen tijdelijk wethouder), voogd NSW. Net als zijn vader werd hij penningmeester van het Friesch Genootschap, een functie die hij maar liefst 27 jaar uitoefende. Hajonides was intelligent en werkte hard, maar vooral achter de schermen. De Leeuwarder Courant noemt hem in een In Memoriam: "een goed burger, een energiek man, die zijn levenswerk met succes bekroond heeft gezien" en "een van de laatste vertegenwoordigers van het Leeuwarden van vroeger" (11).

In de loop van de 20e eeuw vertrokken de meeste telgen uit het geslacht Beucker Andreae uit Leeuwarden. Hajonides Beucker Andreae (1905-1989) had eveneens historische belangstelling en verrichtte genealogisch onderzoek. Hij gaf in juni 1983 de familiepapieren aan het Gemeentear­chief Leeuwarden in bewaring (12).

NOTEN

  1. Dit artikel is voor een deel gebaseerd op de inleiding van Jan Metzlar's Inventaris van het familiearchief Beucker Andreae (vervaardigd in 1996; niet-gepubliceerd, maar in typoschrift aanwezig in het Historisch Centrum Leeuwarden).
  2. Yme Kuiper, in Nederlands Patriciaat (‘sGravenhage 1993), p. XXII-XXIII.
  3. Mr. J.W. de Crane, Levensschets van mr. Daniel Hermannus Beucker Andreae (Leeuwarden 1829), p. 2-3.
  4. Goffe Jensma, Het rode tasje van Salverda. Burgerlijk bewustzijn en Friese identiteit in de negentiende eeuw (Leeuwarden/Ljouwert 1998), p. 38.
  5. De Crane, Levensschets p. 18-19.
  6. Yme Kuiper, in Leeuwarden 750-2000 (Franeker 1999), p. 267.
  7. I. Telting, Levensschets van mr. Johan Henricus Beucker Andreae (Leeuwarden 1865), p. 10.
  8. Deze veilingcatalogus is bewaard gebleven in de aan het HCL verbonden Stedelijke Bibliotheek (cat.-nr.  D 902).
  9. Vgl. Goffe Jensma (ed), Tien Friezen over armoede en zedenbederf. De bronnen van J.H. Beucker Andreae's Rapport betreffende een onderzoek naar den zedelijken en materielen toestand der arbeidende bevolking ten platten lande en van de middelen om dien zooveel mogelijk te verbeteren (Leeuwarden/Ljouwert 1998).
  10. Leeuwarder Courant, 22 december 1925.
  11. Het omvangrijke familiearchief (8 strekkende meter) is een van de belangrijkere in Friesland. De aanwezige archiefbescheiden geven een beeld van het persoonlijk en openbaar leven van een aantal leden van voorname Friese families in het laatste kwart van de achttiende en in de negentiende eeuw. Niet alleen uit telgen van het geslacht Beucker Andreae, maar ook van patricische families als Voorda en Suringar en adellijke families als Lycklama a Nijeholt, Buma en Huber. De meeste archiefbescheiden die deel uitmaken van het familie­archief zijn door vererving in bezit gekomen van Johan Henrik Beucker Andreae (1811-1865). Het resterend gedeelte - voornamelijk zijn persoon­lijk archief - is na zijn overlijden in 1865 aan het archief toegevoegd. Voor zover valt na te gaan is het archief tot 1983 in verschi­llende kantoorpanden van de Algemeene Friesche Levensverzeke­ring-Maatschappij bewaard. Zie verder de inventaris van Metzlar.

Terug