Beschrijving Boerenstand

 

Tegenwoordige Staat van Wirdum, beschreven door: Doeke Wijgers Hellema in 1823/1824

(gepubliceerd in de Stúdzjerûnte-rige II)

Het oorspronkelijke handschrift bestaat uit drie delen, waarvan er hieronder twee volgen, namelijk een beschrijving van de dagelijkse werkzaamheden op het boerenbedrijf, gevolgd door een verslag van de algemene gewoonten en gebruiken van die tijd. De beschrijvingen zijn te karakteriseren als ’feitelijk registrerend’ en komen modern over. Hierdoor wordt een betrouwbaar beeld geschetst van een Friese boerengemeenschap van ongeveer 200 jaar geleden.

 

Het algemeen gebruik en de levenswijze

De Boerenstand, het aanzienlijkste gedeelte der Bevolking alhier, verdient de eerste plaats.
De Boer is zeer naarstig in zijn werk, staat ’s zomers des morgens omtrent 4 uren op, wekt dadelijk zijne boden, schiet een linnen broek en kijltje aan, en begeven zich ieder terstond naar zijn werk. De boerin, mede al rap bij der hand, verlaat met stilte haar klein gezin (als zij dat heeft) in diepe rust, en spoed zich dadelijk in de molkenkelder. Zij neemt de room van de melk aldaar in houten of koperen aden* met een roomspa af, terwijl de man intusschen (ook doet zij dit zelf wel, ook wel een der boden) de afgeroomde aden ledig stort in de kaasketel en buiten deur brengt, dikwijls tot 20 en meer stuks, naarmate de boerderijen groot of klein zijn. Dit verrigt zijnde, begeeft zij zich terstond in den ijster om te melken, waar het volk, na de koeijen zamen gedreven te hebben, alreeds ijverig bezig is.

De vrouw zuivert met boenen en daarna uitbranden de uitgebragte aden van alle vuiligheid en aanzetsels van zuur. Zij behandeld dit werk met de uiterste voorzorg en oplettendheid, dewijl er hier zeer veel aan gelegen ligt om het zuivel te bewaren en goed te houden, terwijl zij intusschen de kaasketel stookt, met 20 emmers meer en minder melk voorzien, en op zijn pas warm gemaakt zijnde, stremsels daarin doet. Onder alle deze bezigheden is het melken ook gedaan en de melk te koelen gezet, hetzij in de bakken of slooten met koud water voorzien, hoe kouder hoe liever.
De vrouw laat onder haar ijverig voortwerken niet na altemet in stilheid te luisteren, of haar dierbaar kroost in de wieg of te bed de zoete rust nog geniet. De varkens voorzien, de kalvers gedronken en de schapen gemolken zijnde, heeft de boerin tevens het morgen ontbijt klaar gemaakt, bestaande in thee en een goed stuk roggenbrood met boter en kaas voorzien. Een ieder zet zich daar zonder talmen neer en na gezamenlijk gebeden en gedankt te hebben, geniet het gezin, met een aangename graagte en opgeruimd gemoed, de aangeboden spijze.

Ongeveer 6 uren des morgens, na een kwartier, soms meer of min aan tafel gezeten hebbende, verlaat ieder zijne plaats en begeeft zich naar zijn werk. De vrouw, als er gekarnt is, om de boter te beredden; de boer of de knecht naar de brokken, ontdoet die van wei en na ze snel uitgeperst en fijn gemaakt te hebben, zet ze om wijder uit te zijgen; daarmede worden de brokken gedekt, zoo als men dan zegt. De meiden, of de meid is druk bezig met de emmers te boenen en wel te zuiveren, na alvorens in de gezuiverde en nedergezette aden de melk uitgegoten te hebben.
Het kleine gezin, intusschen ook wakker geworden zijnde, wordt gekleed en komt mede huppelende op de been. De boer stelt daarop zijn knecht of arbeider hun werk, of zoo het onder het morgenontbijt afgesproken is, aan hunne bezigheden, terwijl hij zelve mede doet, of in zijn klein gebied overal rondziet, of het vee, landen, hekken en dammen, wel in orde zijn, tevens opneemt wat verbeterd moet worden. De boerin klaart tevens met de meid het verder huiswerk in order; hiermede wordt omstreeks 9 á 10 uur het morgenwerk gerekend gedaan te zijn.

Indien alles wel is en bij aangenamen zomerschen morgen, gaat de aangenaamheid van dit morgenbedrijf alle verbeelding te boven.

Intusschen verzint de boer of de boerin na het afgeloopen werk, bij gelegen tijd wel eens een reisje naar een hunner bloedvrienden; onderling eensgezind, verkleeden zij zich en trekken opgeruimd, met een wagentje met een paard bespannen, tot een gemelded gebruik in de belasting van het personeel aangegeven, voorzien tevens met een hunner kleinen op reis, brengen daar den dag wijders aangenaam door, en komen ’s avonds weder thuis. Doch na dezen uitstap keeren wij weder tot onze bezigheden.

Het morgenwerk gedaan zijnde, voorziet de vrouw wijder in de belangen harer huishouding. Omstreeks 11 uren ’s morgens wordt een ieder van het gezin opgeroepen en men drinkt te zamen koffij; indien er geen drukke bezigheden zijn, wordt hiermede eenige tijd gesleten. Dit afgenomen, wordt de tafel terstond met eten voorzien, en men eet omstreeks 12 uren, na alvorens gebeden te hebben, aardappelen, grauwe of groene erwten, witte boontjes, gort, boekweiten of gebroken gort, meelspijze of iets anders, wel met vet, spek en rookvleesch voorzien, met eene lust en graagte, dat het de pijn waardig is om te zien. Brij van zuip en gort gekookt wordt doorgaans na het eten genoten; een ieder verzadigd zijnde, wordt er gedankt en de tafel verlaten.

De knecht stopt nu de kaasvaten, waar de kaas van den vorigen dag reeds uitgenomen is, met de bereide en wel droog uitgerijpte brokken, en zet die wel gevuld onder de kaaspers, om wel in elkander te drukken en te persen, en gaat, dit gedaan zijnde, weder aan zijn werk, zoo ook het verder huisgezin, ieder in zijne bezigheden.
De middag alzoo door ieder in zijn werk doorgebragt zijnde, wordt om half 4 elkander opgeroepen aan de theetafel, wanneer men somtijds een sober middagmaal genoten heeft, met voor elk een stuk roggenbrood voorzien. Dit genoten hebbende, begint om 4 uur het avondwerk, met dezelfde drukte als des morgens, uitgezonderd het kaasmaken, ten ware de nood dringt, bij aanhoudend warm en vochtig weder, des avonds om geen weekke kaas te maken, het derde maal wel moet uitgebragt worden, om de zurigheid der melk voor te komen; wordende anders van het vierde maal, alvorens ook zoo veel malen de room afgenomen te hebben, de kaas gemaakt, dat is nadat de melk de tweede dag, en bij frisch weder, de derde dag oud is, waartoe de molkenkelders ook veel bijdragen, nadat die droog of vochtig zijn.

Het melken gedaan, de melk gekoelt en opgegoten, de varkens voorzien, de kalvers gedronken, de schapen gemolken en het een en ander geschoond en nagezien en opgeredderd zijnde, zet men zich om 7 uren aan tafel om te eten, hetzij opgewarmd brij of iets anders, doch altijd warm eten. Gespijsd zijnde, drinkt men om 8 uur thee en meestal ligt het geheele huisgezin ’s avonds 9 uren weder terust. Dit is de dagelijksche levenswijs der boeren in gewone tijden.


Maar in den onleeg- of hooitijd, welke bij goed weder in den tijd van 3 à 4 weken gedaan is, heeft men geen vaste levensregel. Vooral bij schoon weder, dewijl, behalven 2 à 3 onleegtijders, soms vreemde zweelers* als het druk is, meest vrouwen uit de arbeidersstand, vermits doorgaans de mans in vaste onleegtijden zijn genomen, allen klein en groot van het huisgezin, ieder wat doen moet.


Men staat dan gemeenlijk 3 uren ’s morgens op, en eindigt vaak 10 à 11 uur ’s avonds eer men zijn matte leden te ruste legt. Het gewone avond- en morgenwerk belemmerd doorgaans veel in het hooiwerk, maar moet volstrekt gedaan worden.


Bij rijp hooi en mooi zonneschijn weder, eet men wel 10 uren ’s morgens; rap spoed de verzamelde magt dan veldwaarts in en ieder zonder talmen op zijne plaats gesteld, werkt men doorgaans tot 2 uren, wanneer de boerin zorgt dat de thee en een goed stuk eten aangebragt wordt.


Fluks spreidt zich dan de geheele hoop bij een rook* hooi op den grond in een kring neder en brengt vaak de aangeboden spijs en drank reeds dan al met matte en bevende handen aan den mond. Als men zich dus met spijs en drank verkwikt heeft, rijst het gezelschap weder op en ieder herneemt de plaats, welke hij zoo even verlaten had en werkt weder met lust en ijver als te voren.

Half 4 scheiden zich de melkers en trekken naar huis om te melken, de meid blijft voorder om de boerin te helpen; de andere komen met een stuk eten en koffij terug. Men zet zich dadelijk om te eten als voren op den grond neder, waarna het overige werk wordt voltooid. De rooken opgemaakt en alles op de hooiwagen gepakt, komt men vaak 9 uren, wat eerder of later, thuis.

Wanneer ieder zich, na alvorens gebeden hebbende, met ruime vette spijs met spek en rookvleesch en brij tot verzadens toe voorziet; en gedankt zijnde begeven de mannen na alvorens zich met een pijpje tabak verkwikt te hebben, ter ruste, zoomede ook de boerin en de meid, alles na de huishouding opgeschikt en in orde gebragt te hebben. Men roert alsdan nauwelijks het bed, of men ligt in de armen van de zoete slaap.

Met het hooi in te brengen is men minder afhankelijk van het weder, maar gaat met zware moeite verzeld vooral als de gollen* hoog worden. Evenwel men werkt met moed, en de eene buurman krijgt vaak tegen den ander wie eerst gedaan heeft, dewelke niet zelden met een soort van vlag de laatste wagenvragt te huis brengt, ten bewijze van gedaan werk. Daarna, alles gehemelt, de gollen effen geplukt, de onleegtijders hun bedongen loon toegeteld en vertrokken zijnde, valt men weder in zijn gewoon werk, en het is alsdan of alles ledig is en niets te doen valt, zoo groot is de verandering.

Na de onleegtijd klaren de boeren de slooten van vuiligheid met hekkelen, waartoe doorgaans de knechten gebezigd, indien zij het niet aan arbeiders besteden. Voorts worden de hekkelzooden weggeruimd, over het land in laagten gebragt, of op hoopen te zamen gevoerd, om in de ruigscharne of mesthoop verbruikt, tot dong te maken, zoo als de schrijver thans doet.

Met deze en andere bezigheden loopt de zomer en daarna de herfst ten einde, tot dat de beesten gestald worden; men gebruikt, bij gebreke van genoegzaam hooi, lijn of graan koeken tot bijvoeder. De levenswijs is in dezen tijd des winters na rato des zomers, alleen staat men dan ’s morgens later, dat is om 5 uur op, wanneer men behalven de vorengemelde spijs zich tevens voed met voorraad rapen, wortels en kool op eigen tuin, zooals men doorgaans heeft gekweekt om tot spijze te nuttigen, en van vleesch of spek wel voorzien.

De boeren mesten doorgaans voor hunne huishouding een of meer varkens, ook al na dat de huishouding groot is, somtijds tot 300 ponden oud gewigt. Daar benevens slagten zij de bullen, tot het bespringen van hun vee gebezigd, ook voor hunne huishouding, en die het wel doen kan, een rund bij hen zelf geweid tevens, of ook wel dat zij de bullen verkoopen, om door een vet slagtbeest wel van vet en smeer voorzien te worden, waaraan der boeren huishouding zeer veel gelegen ligt.

In de Meitijd als de beesten kalven, verbruiken zij zeer veel nuchteren kalfvleesch, of voorzien bij overvloed daarvan de burger- of gemeene lieden tot een geschenk, zoo was het althans in voorgaande jaren. Maar dewijl het geslagt en tevens de jonge kalveren thans met impost* zijn bezwaard, zal dit weg geven vervolgens misschien zoo vlot niet loopen.

Over het algemeen wordt de spaarzaamheid zeer in acht genomen. Zoodra het een of ander hetzij tot voedsel of deksel hier of elders voor een verminderde prijs te bekomen is, wordt er dadelijk gebruik van gemaakt; men ontziet bij zoodanig geval geen moeite om het van elders, uit de stad of van andere plaatsen te togen en van daar te halen, vooral ten aanzien van winterprovisie; aardappels, rapen en wortels.

Als men zelf niet genoeg heeft, haalt men met de hooiwagen, doorgaans van de bouwkant, en dewijl meesttijds alle op marktdagen naar de stad reizen, neemt een ieder van de dagelijksche benoodigheden daar hij het goedkoopst uit de winkels kan krijgen op zijn rug en toogt het naar huis; des winters evenwel over ijs op een sleed, of als de wegen rijdbaar zijn, op zijn rijd- of hooiwagen bij welke gelegenheden de vrouwen als zij van huis kunnen, de mans al veel verzellen. Deze zien dan overal in de stad rond, om een koopke voor hare huishouding op te doen, waarmede zoo veel tijd gesleten wordt, dat zij op de met den man afgesproken tijd zich aan den wagen vervoegt en te zamen tijdig weder naar huis keeren.

Zelden ziet men de vrouwen in de herberg; de mans nemen daar wel gebruik van, zonder evenwel misbruik van drank, strekkende hun verblijf aldaar meest om tijd te winnen, hetzij om de boter te verkoopen, of naar het bestelde te wachten, of om een of ander hunner vrienden en kennissen van elders te spreken.

Dat de boeren moeten missen van vellen, koeijen, schapen en varkens, als zij het te huis met de kooplieden, welker bedrijf dit uit maakt, en doorgaans bij den boer rondzien of bij het ontmoeten uitgenoodigd worden, niet eens kunnen worden, voeren zij dit met behulp van hunne werkboden, of iemand anders ter markt om te verkoopen.

De kaas wordt mede om de week, 1, 2 of 3 en somtijds langer nadat de boer zich een goede markt belooft, naar vaste kaaskoopers gevoerd, hier of te Warga woonachtig, doch meest op de marktdagen te Leeuwarden verkocht. De boter verkoopen zij zelf, of geven die op aan vaste boterkoopers, of aan de zoogenaamde schippers, welke deze tot een groote partij dikwijls opzamelen. Tot den prijs, waarvoor zulke partijen verkocht worden, rekent men op dien marktdag de prijs der boter te zijn, waarboven de boeren als de markt graag is, somtijds 3, 4 of 5 gulden bedingen, zoodat diegene, welke onafgebroken zelf hunne boter ter verkoop aanbieden, doorgaans meer maken en profijtelijker doen, dan anderen. Maar velen voegt dit niet, om den wijden afstand of omdat hun vertegenwoordigheid vroeger, bij een slepende markt, te huis vereischt wordt, zorgende de boterkoopers bij een slappe markt wel ter deege, dat de markt laat op den dag afloopt, om langs dien weg de boeren te verpligten, de boter hen zonder vaste prijs op te geven, of aan de daartoe vaste schippers over te laten.

Vele boeren evenwel gaan nooit in de herberg, maar nemen wel eens koffij in zoodanige winkelhuizen in de stad daar zij hunne noodwendigheden koopen, waar hun verblijf en de koffij om niet aangeboden wordt; zoomede doen ook de boerinnen. De kooplieden doen dit graag om de clandisie, latende zich evenwel ongemerkt daarvoor betalen, door met eene kleinigheid de gekochte zaken te verhogen, schoon de boer meent, dat hij het verblijf en het genotene aan de goedheid van de koopman heeft te danken. Ook betaald de boer doorgaans in de stad met gereed geld, daar zij vaak van hunne eigen ingezetenen te borg nemen. De boeren en boerinnen worden graag in de stad gezien en van de kooplieden gevleid.

De boeren welke een aanzienlijk huishouden hebben, ziet men hunne vrouwen, altijd bij gelegenen tijd, tot vaak in den nacht, aan het verstellen en in orde houden der kleederen van haar gezin; het geen zij zelf niet doen kan of te veel tijd neemt, laat zij elders door naaisters doen, of neemt nu en dan zulk eene in huis, welke des daags, die hun werk verstaan, behalve de kost, 25 cents verdienen. De meiden wordt ook gelegenheid gegeven, het dagelijks noodige te stoppen of in orde te houden, terwijl de knechten buiten deur, bij hunne familie of andere, voor een zekere prijs in het jaar, hunne kleederen laten in orde houden.

Vooral zorgt een goede boerin, dat er veel gesponnen wordt om een genoegzaame voorraad van goed linnen om handen te hebben tot behoefte van haar gezin; ook doet zij wel voorlaken of rokstreept* vervaardigen van gesponnen witte of zwarte wol, tot kleeding. Met één woord: alles spant te zamen, de man in zaken de boerderij en de vrouw der huishouding betreffende, om door vlijt, overleg en spaarzaamheid, een bestaan te hebben en het huisgezin van het noodige te voorzien, om indien mogelijk, daarteboven nog iets af te zonderen, tot verbetering van huisraad of versiering tot lijfdragt.

Bij betere tijden hadden vele boeren de gewoonte, hetwelk bij de gegoedsten nog niet in onbruik is, om onderlinge gastmalen en theedrinken te houden. Ten tijde van gastmalen werden 3, 4, 5, 6, en somtijds meer paren naarmate de kring groot en klein was, op zekere tijden genoodigd, meest in de nazomer, ook wel des winters herhaald. Men kwam dan bij opvolging aan het huis van den genoodigden omstreeks 11 á 12 uur te zamen, nadat de gastheer of gastvrouw een dag of twee tevoren tot de komst der gasten hadden voorbereid. Eerst dient men de mannen een pijp tabak en een slok bitter genever en de vrouwen een zoeter drank voor; dezerwijs het gezelschap bij elkander zijnde, wordt een goede koffij geschonken en daarmede tevens een geruimen tijd doorgebracht bij onderlinge gesprekken. Zoo staat men eindelijk op, wandelt eens rond, terwijl dekt de vrouw de tafel met behulp van hare werkboden. De tafel na verloop van eenigen tijd gedekt en wel voorzien zijnde, worden de gasten opgeroepen en men zet zich aan het maal. Men wordt dan met onderscheidene geregten gediend, b.v. appel in bolle geweekt, met zoet saus en suiker overspreid, weeke bolle met gesmolten boter en suiker, te zamen met gekookte pruimen, gekookte rijst met rozijnen gemengd, suiker en gesmolten boter overgestort. Vele mengen hier ook koudderijen onder, koud rundvleesch gaat onder het genieten van deze spijs rond; een ieder tot genoegen hiervan genoten hebbende, wordt afgenomen en vervangen door heerlijke gebradens van schapen, kalfs- of varkensvleesch en spek met aardappelen, appels als die er zijn, de zoete gekookt en zure geweekt, wel voorzien van boter en suiker.

Hiermede en met eenig ander geregt, neemt de maaltijd omstreeks 3 á 4 uren een einde, elk is vol en zad, men dankt en daarmede wordt van de mans dadelijk de lange pijp opgestoken, men staat van de tafel op en wandelt landwaarts in, om des gastheers landen en vee te bezien, terwijl de vrouwen in onderlinge gesprekken onder het naaijen en breiden, somtijds zeer druk en om den boventoon te houden luidruchtig bezig zijn en ingewikkeld worden.

Omstreeks 5 á 6 uur komen de mans weder binnen, vermoeid en afgemat, men drinkt vervolgens thee en na het afloopen daarvan en voortdurende gesprekken, wordt er weder een koude maaltijd toebereid, bestaande somtijds in boffet*, krenten en fijne bollen, boter en kaas in overvloed; tevens met koud rundvleesch en gekookt spek met mosterd. Een ieder wederom zijn genoegen hebbende, wordt de tafel afgenomen en terstond met koffij en thee voorzien, nadat elk verkiest, zoodat eindelijk, na nog een slok genomen te hebben, de gastheer en gastvrouw bedankt, het gezelschap 10, 11 of 12 uren ’s nachts naarmate van de voortvarendheid der gastvrouw, gescheiden wordt.

Deze gastmalen bepalen zich bij opvolging tot de anderen, tot dat een ieder der gasten wederkeerig op zijn tijd, aan zijne verpligting om een gastmaal te geven voldaan heeft, welke somtijds ook weder in betrekking tot andere gezelschapskringen bestaat en daaraan ook op zijn tijd voldoen moet, zoodat deze maaltijden zich bij sommigen zeer wijd uitstrekken, zoo wijd, dat de aanzienlijkste burgers mede ingewikkeld zijn. Die dit te zuur viel, of de kosten niet kon hoeden, noodigde niet weder en daarmede waren dezulken er af.

Met de genoodigden tot thee drinken ging het op dezelfde wijs, als wij van den nademiddag der gastmalen geschreven hebben, met die uitzondering dat het theedrinken alsdan vroeger, dat is 2 á 3 uur, een aanvang neemt, doch wijders den dag op gelijke wijze met eten en drinken enz. eindigt. Deze tezamenkomsten zijn minder kostbaar, maar tevens ook tot de burgerstand uitgebreid. Wij zeiden dat deze maaltijden enz. bij betere tijden veel plaats vonden, waardoor de anders zoo zuinige boer veel verkwistte en het niet zonder voorbeeld is, dat sommige zich ook daardoor in behoeftige omstandigheden gebragt hebben. Doch thans heeft dit gebruik zich vrij wat ingekort en is lang zoo algemeen niet, alhoewel het bij de aanzienlijksten nog lang niet in onbruik is. Evenwel willen wij wel aangemerkt hebben, geen aanleiding gegeven te hebben om te denken dat de geheele bevolking of algemeene boerenstand zich aan dit verkwistend gebruik heeft, of nog schuldig maakt, hetwelk zoo als wij gezegd hebben, onder de aanzienlijksten en gegoedsten in gebruik ware.

De boeren rijden met hunne vrouwen ook wel eens, behalve de gewone marktdag, naar de kermis, hetzij naar Leeuwarden, hetzij naar andere plaatsen, doch velen maken daar geen gebruik van, behalven naar Bergum, zoo wel de voor- als najaarsmarkt, waar het jonge gezin of de boden ook wel in deelen.

Evenwel maken de boeren hier veel gebruik van veemarkten, waarvan Berlikum, Stiens, Bergum, Oostermeer, Rien en Oosterwierum wel de voornaamsten zijn, om paarden of koeijen te koopen, of te verkoopen.

Veel houden sommigen van harddraven en houden daarom wel jonge paarden, om die tot dat einde op te leiden en aan te kweeken, om ze duurder te verkoopen en winst te doen; bij sterk ijs bespannen zij gaarne den arresleden om de paarden te oefenen.

De Wirdumer kermis werd 1667, met voorkennis der Edelen en eigenerfden, door den Grietman afgeschaft. Wanneer deze weder in gebruik gekomen is kan ik niet zeggen, maar wierd 1795 weder door de toenmalige municipaliteit van Leeuwarderadeel verboden gehouden te worden. Dit en het voorgaande gebod strekte alleen tot belang der ingezetenen, dewijl die door het houden dezer kermis zeer veel nadeel leden, gelijk wij zoo even zien zullen.

Niettegenstaande dit alles, was men over het algemeen zeer kwalijk over het Bestuur tevreden; men bragt het door morren en vertoogen zoo ver, dat het gemelde Bestuur, na verloop van 2 á 3 jaren, vrijheid gaf deze kermis volgens gebruik weder te vieren, op den eersten dinsdag na of op den 12 Augustus. Op dezen kermisdag staan alle handteeringen stil, het is een feestdag; een ieder heeft zijne vrienden, kennissen of naastbestaanden dan te gast, welke wijd en zijd vandaan met de inboorlingen, van buiten in het dorp, hetzij te voet, of met rijtuigen zamen vloeijen. Alle huizen, weinigen uitgezonderd, tot den geringen en behoeftigen toe, worden met gasten gevuld, een ieder heeft zich dan naar zijn vermogen met noodigen voorraad voorzien.

Doorgaans worden tegen dien tijd verscheidene varkens en schapen geslagt; elk voorziet zich van zooveel vleesch en spek, als hij tot zijne gasten noodig heeft en bereid zijnde, naar de bakkers gebragt wordt, om in den oven gebraden te worden. De slagters doen bij zoodanige gelegenheden een goede winst, en het is om te verwonderen, de groote menigte van de gebradens aan de bakkershuizen te zien, die door de groote menigte ook goede dagen huur genieten, zoomede de winkeldoende lieden een goede sleet hebben aan nieuwe geele aardappels welke op dezen tijd tijdig en zeer smakelijk zijn, behalve andere spijzen naar elks vermogen en behoeften.

Het gebuurte wemelt intusschen van huppelende kinderen, een ieder naar des vaders vermogen opgekleed. De kramen met allerlei koopmanschappen opgevuld, vervullen eerlang het gebuurte. De gasten doen intusschen wel eens eene rondwandeling, maar na den eeten komt alles op de been en men ziet alsdan eene groote menigte menschen, zoo ingezetenen als vreemden, door elkander wemelen. De kastelein laat een zilveren zweep verrijden; de liefhebbers begeven zich dan naar de Wijtgaarderdijk, alwaar deze harddraverij van driejarige paarden plaats heeft, even het schiphuis voorbij. Gedurende deze liefhebberij zit men aan weerskanten van den dijk bij mooi weder in het gras neder, loopt af en aan, tot dat eindelijk de Zweep gewonnen is, keert men om 5 á 6 uur, eerder of later terug, een ieder naar de zijnen. Men drinkt thee, zet een koude maaltijd en eindelijk koffij; de gasten vertrekken, vooral die verre vandaan zijn vroegtijdig, dewijl de dagen op dezen tijd reeds merkelijk korten.

Intusschen komen de boereknechten en meiden, zonen en dochters, somtijds bij paren, na gedaan avondwerk aan, en brengen den nacht onder het vervelend gekras der viool, vrolijk in de herberg of tappershuizen door.

Velen der inwoners zijn dan dikwijls ook tot laat in den nacht op den been, of komen bij elkander te zamen, terwijl de vrouwen, na de huishouding in order gebragt te hebben, weder aanstalte maken tot den volgenden dag om theedrinkers te ontvangen, vermits de kastelein heeft laten bekend maken, dat er dan op paarden met een mans- en een vrouwspersoon opgezeten, zal geringreden worden. Op welken tijd zich alsdan weder vele liefhebbers uit de stad en van elders verzamelen, doch neemt om eene prijzenswaardige schaamachtigheid der meiden altijd geen voortgang, doch de volgende nacht is de meest gekozene tijd tot de vrolijkheid der jonge paren, even als de vorige nacht, in de herberg.

De ingezetenen der groote buren hebben op dezen morgen in de belangen van den haven voorzien, de rekening opgenomen en een nieuwen havenmeester gestemd en daarmede onder het drinken van genever en bier den geheelen voormiddag in den herberg gesleten.

Des Donderdags is men nog van de zet, men kan niet aan zijn werk komen; dit sloert al voort tot in de volgende week eer men de kermis ter degen uit het hoofd heeft gezet; schoon de gevolgen, vooral onder de minst gegoeden, dan eerst worden gevoeld; de huishouding is achteruit gezet, men heeft dagen huur gemist en daarbij kosten boven vermogen gemaakt. De huishouding lijdt behoefte en veroorzaakt bekommering; de dienstboden beklagen hunne verteerde penningen, waarvoor zij zo zuur gewerkt hebben, en werken moeten. Met reden mogten voormaals Volkslievende Grietmannen en Besturen, deze kermis afstellen en verbieden.

Trouwens de laatste kermis 1823 heeft geen harddraverij of andere vermaken plaats gehad; zoo klaagde ook de kastelein, dat het de kosten niet langer konde hoeden en aan jongelieden weinig verteering gesleten te hebben.

Behalve deze kermis maken de boereknechten en meiden, zoonen en dochters bij paren, elk van paard en chais voorzien, als zij dezelve bekomen kunnen en als zij van hunne boeren en vrouwen permissie verkrijgen kunnen, wel gebruik van de Bolswarder, Bergumer en Leeuwarder kermissen, om zich te vermaken, waarmede dikwijls den volgenden nacht gemoeid wordt. Evenwel zoodanig niet, dat het algemeen daarin deelt, maar meest dezulken, welke van zoodanig pleizier houden en ook niet te spaarzaam zijn; wordende andere ook wel daardoor terug gehouden, om het lijden van de beurs, welke zij van hun verdiend loon zoo noodig hebben om iets om en aan te krijgen. Waarvan sommige die kloek en spaarzaam zijn door eenige jaren dienens zich rijkelijk voorzien van kleedingsbehoefte en tot versiering. En het is hierom, dat de oppassendste boeremeiden tot opschik, in plaats van zilveren, gouden oorijzers opzetten en van andere versieringen na rato; het is niet zonder voorbeeld, dat zij van 70 tot 80, ja wel tot 90 gulden verdienen, zoo als de schrijver ze wel heeft gehad.

De knechten en meiden zonderen somtijds daarteboven nog wel eens, naar hun stand gerekend, eene aanmerkelijke somme af, om naderhand iets te beginnen, als zij ten huwelijk mogten geraken.

Een ander vermaak waar de Wirdumer Ingezetenen over het algemeen zeer veel van houden, is des winters bij goed ijs het schaatsrijden; oud en jong, klein en groot, wemelen alsdan door elkander, terwijl de jongelieden zich oefenen om hard te rijden, waardoor onder de Wirdumers ferme rijders zijn en sommige uitmunten. Veel houdt het jongvolk van baanrijden, op plaatsen welke daartoe gelegen zijn, en bij sneeuw daarvan geruimd en wel geveegd worden, genietende dezulke gemeene lieden, welke zich daartoe belasten, van de baanrijders eene kleinigheid. Men ziet dikwijls, vooral des Zondagsavonds, eene menigte, welke men naauwelijks tellen kan, door elkander woelen en zich vermaken, veroorzakende daardoor een gekras en gedruis, dat men zich verwonderen moet.

Andere vermaken, zoo als kaatsen en anders, op sommige plaatsen in gebruik, weet men hier niet van. Met de kaart te spelen, is bij de Roomschen meer in gebruik; onder het algemeen handelen sommigen het dambord, somtijds ook het kijnespel, doch ook weinig in gebruik.

Onder de dorpelingen in het gebuurte, komen de Ingezetenen des winters avonds veel bijelkander te koffijdrinken bij beurten op de daartoe bestemde tijden, meest des Zondagsavonds, bestaande uit verscheidene paren. De tijd der tezamenkomst is altijd te 8 uur, de mannen scharen zich dan om den haard, met een goed en levendig vuur wel voorzien als het koud is. De vrouwen nemen plaats aan de koffijtafel, welke daartoe reeds met de noodige schoteltjes gedekt is, verzamelen, als het geen Zondagavond is, intusschen haar medegebragte voorraad van naaijen of breiden, terwijl de mans met pijpen en tabak gediend worden. Alles wel geplaatst en in gereedheid zijnde, begint het koffijdrinken, ieder schoteltje wel van noode klontjes suiker voorzien. Dit duurt somtijds tot laat in den nacht onder aangename gesprekken; somtijds wordt voor men scheidt wel eenige drank, zonder misbruik, rondgediend, onder het bedanken wenscht men elkander een goeden nacht, en zoo keert een ieder tot het zijne.

De schrijver moet bekennen, dat hij bij zoodanige gelegenheid, hetzij aan huis, of bij anderen genoodigd, zich bij uitnemendheid diverteerde, onder de aangename gesprekken, waar men dan dikwijls in gewikkeld wierd.

Kindervisiten zijn geheel niet buitengewoon. Zij worden onthaald en laten zich bij zoodanige gelegenheid boven andere kinderen, welke niet verzocht worden, of altoos niet in aanmerking komen, vrij wat voorstaan, vooral de meisjes.

Even zulke bezoeken bestaan onder de volwassen meiden, zoons en dochters; men brengt aan het huis van den genooden den dag en avond in vrolijkheid en met alle ontspanningen door, wel te verstaan niet onder elkander, maar de mans en de vrouwspersonen ieder afzonderlijk op onderscheidene tijden, waarvan de eene genoemd wordt een feinten en de andere eene meiden visite.

Wij willen het zoo verstaan hebben, dat zulke visiten over de geheele bevolking niet bestaan, alleen bij een zeker gedeelte; schoon de onderlinge gemeenschap der gebuurtens, meiden en knechten, bij wijze van koffij-drinken, elders bij gemeene lieden op een zekeren avond besteld, wel een plaats hebben.


De algemeene zeden


Van de Huwelijken

Het is een algemeen gebruik onder de jongelieden dat zij verkeering zoeken met zoodanige meiden van huns gelijken, welken zij uitkiezen; des Zondags-avonds is gemeenlijk de daartoe bestemde tijd. Als de huisgenoten te bed zijn, vervoegen zij zich bij elkander, en als zoodanigen bezoeker niet onaangenaam is, slijten zij te zamen wel den geheelen nacht. Het is niet vreemd dat somtijds twee, drie en meer tevens zulk een bezoek op dezelfden tijd bij eene meid of meiden afleggen; zulke vrijerijen zijn gemeenlijk wildzang, somtijds wel met overlast en onaangenaamheid des huisgezins alwaar zulke bezoeken menigmaal herhaald worden. Evenwel worden deze bezoeken eindelijk ernstig, de zinnen bepalen zich wederkeerig enkel tot een en hetzelfde voorwerp, de anderen krijgen hun afscheid, of worden zoodanig afgezet, dat zij volgens het spreekwoord een blaauwe scheen loopen.

Wanneer deze dan, hetzij door een korter of langer verkeering het eens worden, volgt er een onderlinge huwelijksverbindtenis, en men verlangt alsdan het huwelijk te voltrekken; hetgeen somtijds zoo spoedig geen voortgang kan hebben als men wel wenscht, dewijl er zich daartoe teveel zwarigheden opdoen, hetzij om de toestemming der ouders te verkrijgen, inzonderheid als zij elkander in gelijke vermogens niet bestaan, maar vooral, hoe zij tot eene kostwinning zullen geraken, waardoor de verkeering somtijds jaar en dag uitgerekt wordt, totdat, hetzij wat eerder of langer, de zwarigheden opgelost en de toestemming der ouders verkregen, er schikking tot het Huwelijk wordt gemaakt.

Der bruids en des bruidegoms kleederen worden uitgezien en na eens ieders vermogen besteld, bestaande doorgaans die des mans in een zwart lakensch broek, vestje en rok, en de bruid tevens in eene zwarte schortjak en schorteldoek, het een en ander na rato; strekkende zoodanig een kleed voorts tot alle plegtige gelegenheden, ook tot rouw, maar voornamelijk bij begrafenissen.

Wijders worden zij in het burgerlijk register ingeschreven en na afgeloopen tijd van de bekendmaking der aangegeven gebodens, als er zich geen zwarigheden opdoen, door het burgerlijk bestuur bevestigd, latende zich de gereformeerden alhier, volgens kerkgebruik op de eerste Zondag daarna meestal godsdienstig inzegenen.

 

De ouders en naastbestaanden vieren dan te zamen de bruiloft, of liever brengen den avond in gesprekken met elkander door, hetzij aan het huis van de jonggetrouwden, doch meest aan dat van de ouders, alles evenwel naar gelang der omstandigheden. Zelden wordt er algemeen bruiloft gehouden, dat is te zeggen, zelden ziet men een aantal jonge genoode lieden van des bruidegoms en bruids bekenden tot een plegtig of vrolijk vieren van den bruiloft; dit is geen algemeen gebruik, vooral onder de gereformeerden niet.

Wanneer evenwel de ouders of naastbestaanden bij het voltrekken des huwelijks niet te zamen zijn, hebben zij staande de huwelijksgebodens reeds wederkeerig bij elkander bezoeken afgelegd, gedurende een dag of avondtijd, met de jongelieden altijd aan het hoofd.

Er zijn evenwel naar gelang der omstandigheden somtijds wel uitzonderingen op het bevorens vermelde algemeen gebruik, welke wij daarom ook niet zullen beschrijven, noch beschrijven kunnen.

De begrafenissen bestaan ook hier, zoo als algemeen ter plattenlande plaats heeft, namenlijk, alle de bloedverwanten, naastbestaanden en kennissen van den overledene worden op een bepaalden dag doorgaans 9 uur ’s morgens aan het huis van den overledene verzocht, om het lijk de laatste eer mede aan te doen; tot welk einde dikwijls een groote menigte aan het sterfhuis te zamen komt, ook veelal naar vermogen, uitgestrektheid der familie, vrienden of bekenden. Om 11 uur komen de buren binnen, schroeven de doodkist, welke gemeenlijk plat is zonder verheven te zijn, toe, dekken die met een zwart doodkleed, welke tot dat einde geschikt en op huur gedaan wordt, dragen het lijk uit, een of tweemaal om het kerkhof en eindelijk in het graf.

De Predikant heeft onder de Gereformeerden doorgaans den voorgang aan het lijk, de naaste bloedverwanten volgen in betrekking van bestaan, daarna de goede bekenden en vrienden, voorts de vrouwen, een ieder in betrekking tot de overledene. Het lijk ter aarde besteld zijnde, gaat men eenmaal om het kerkhof in vorigen rang en vervolgens aan het sterfhuis, plaatst zich rondom de tafels op stoelen of banken, welke tot dat einde geschikt en van den kastelein op huur gedaan worden, in vorige rang en betrekking.

De Predikant, als hij zich daartoe opgewekt gevoelt, voert naar tijd en omstandigheden stichtelijke gesprekken; men rookt intusschen een pijp tabak en na verloop daarvan, doet de predikant een openbaar gebed, naar gelang der omstandigheden ingerigt. De tafels zijn met leedbollen, bestaande in krente- en fijne bolle, boter en zoetemelkskaas rijkelijk voorzien en door de tafeldienaars telkens aangebragt, tevens bier in glazen geschonken naar elks believen. Het eten gedaan zijnde, doet de leeraar weder naar omstandigheden gepast eene dankzegging; men staat van den tafel op, of begeeft zich onderling door elkander, vrienden en bekenden, welke men in lang niet gesproken heeft en thans bij elkanderen te zamen. Eindelijk is de thee klaar gemaakt en begint men te theedrinken, steeds onder gesprekken en tabakrooken; dit gedaan zijnde, vertrekken de vrienden, en blijven de naaste bloedvrienden nog wel eenigen tijd te zamen, zulks ook al naar gelang der omstandigheden.

De kosten van een zoodanige lijkstatie zijn zeer aanzienlijk en dikwijls boven vermogen; langer tijd loopt het dikwijls aan, eer de kosten van kist en ijzerwerk, leed en begrafenis voldaan zijn.

Armelieden en vooral die onder Diakonie of Armvoogdij zijn, worden om een uur na den middag ter aarde besteld, met zoo weinig kosten als met eenig fatsoen kan bestaan. Van de Diakonie overledene verzellen doorgaans de Ouderlingen en Diakenen, met de naaste bloedvrienden, de Predikant tot den voorgang, het lijk. Der Armvoogden van die hunner overledene gealimenteerden, nemende een hunner veelal den voorgang, wordende bij deze voogdijen altijd bij deze gelegenheid met een kopje thee verzeld, waartoe men thans de herberg, om met eenig fatsoen bij elkander te zijn, als tot een geschikte plaats heeft ingevoerd; men laat zich van de kastelein van het noodige voorzien, hetwelk tevens van de moeite bevrijd om het van elders te bestellen.

De overledene kleine kinderen worden van het algemeen doorgaans zonder eenige staatsie des avonds laat ter aarde besteld.

De buren genieten in zoodanig geval van diensten als het bekleeden, in kisten te leggen, om te zeggen aan de buren wegens het overlijden en den tijd der begraving, opdragen en de klokken te luiden, een daartoe gezette belooning van koffij en koek, in die der burenshuizen wiens beurt het is. Ook genieten zij wel aan het sterfhuis eten, of men geeft hen wel eenig geld, ieder man der buren tot een halve of heele gulden gerekend, na elks vermogen.

Bij het overlijden worden doorgaans de klokken geluid, doch niet algemeen, maar meer altijd bij de Roomschen, van een groote of volwassene anderhalf en van een kleine een half uur; in het eerste geval houden de klokken om ieder half uur een weinig stil, in het ander een kwartier.

Van de mannelijke dooden, klein of groot, slaat de groote klok eerst aan, en bij eene vrouwelijke de kleine, waardoor men over het algemeen aan het aanslaan der klokken en den tijd van het luiden weet, of het een mannelijke of een vrouwelijke, kleine of groote doode is.

Bij de begrafenissen, als de lijken van buiten in komen, beginnen de klokken bij het inkomen in de buren te luiden; zijn het ingebuurtens, dan dadelijk bij het aantasten van het lijk; dit duurt zoo lang tot dat het lijk ter aarde besteld is en de lijkstatie de buren weder verlaat, of in de buren aan het sterfhuis gekeerd is.

Bij het beluiden der dooden heeft doorgaans eene ongevoeligheid plaats, welke zeer te verwonderen is; na gedaan werk, gaat men in de herberg, drinkt jenever en brandewijn, al naar het vermogen van den overledene. Bij het begrafenismaal aan het sterfhuis, verdiepen zich de vrienden dikwijls in luidruchtige gesprekken, tot ergernis en groote droefheid van de naastbestaanden, hebbende een aanzien van een huis der maaltijden en vrolijkheid, meer als dat van een klaaghuis of van een huis van droefheid. Voor het algemeen zouden wij wel ongevoelig afgeleid worden om van het ondoelmatige van zoodanig een bedrijf enige aanmerkingen te maken; maar wij herinneren ons, dat wij een tegenwoordigen staat beschrijven zoo als zij is, doch niet zoo als zij behoorde te zijn.

Wij kunnen niet voorbij te melden eene begrafenis welke wij hier gezien hebben van vreemde grasmaaijers, bij gelegenheid dat een hunner landslieden kwam te sterven.

Na bekomen permissie werd het hen vrijgestaan, den doode op het kerkhof te begraven en de baar daartoe te gebruiken; of zij de klokken toen ook geluid hebben is mij vergeten; maar toen het lijk van den wagen genomen en aangetast werd, waren de dragers met ongedekte hoofde, zoomede alle landslieden, ook droegen zij het lijk, en die volgden allen met ongedekten hoofde, zeer eerbiedig een of tweemalen om de kerk, begroeven het lijk en dekten zich niet voor dat zij het graf verlieten.

Deze lijkstatie verwekte eene stilte onder de aanschouwers die verwonderlijk was en men kon daarbij den invloed opmerken, welke deze bij hen anders niet zeer geachte menschen op hunne gemoederen verwekte, terwijl bij gewone begrafenissen der Ingezetenen de aanschouwers even onverschillig toekijken, alsof er geen mensch, maar een onverschillig onding ten grave wordt gevoerd. Het doel alleen van de aanschouwers is maar om de lijkstatie te zien, waarbij dikwijls een groote menigte meest gemeene lieden, of die het anders niet zien kunnen, bij het kerkhof te zamen vloeijen.

Bij de geboorte van een kind wordt aan het gebuurte, vrienden en bekenden aanzegging gedaan, en met de geboorte van een zoon of eene dochter bekend gemaakt. De vader begeeft zich met een buurman binnen 24 uren naar het Gemeentebestuur om in het geboorteregister ingeschreven te worden, met aangave van den naam, doorgaans naar de familie genoemd, des jonggeborene, bevorens reeds door de ouders gesteld.

Na verloop van eenige dagen, al nadat de kraamvrouw gezond en welvarende is, komen der buren, vrienden en bekenden vrouwen bezoeken afleggen, brengen tevens mede een kraamkoek of eene daartoe gebakte zware krentebolle, of steur zoo als men die noemt, van 50 cents tot een gulden en meer waarde, alles naar elks vermogen, en worden bij zoodanige visite getracteerd op brandewijn met suiker en tevens koffij en koek. Deze bezoeken zijn wel eens lastig, vooral als het treft dat verscheidene bezoekers op een en denzelfden tijd tevens komen, en dit bezoek een wijl uitrekken, vooral als de kraamvrouw zich niet al te wel bevindt, of door al te veel spreken wel vermoeid en afgemat wordt. Bij de gemeene lieden langen de fatsoenlijkste bezoeksters wel eenig geld, kleed- of eetwaren uit.

Indien de kraamvrouw benevens het kind zich na een week of twee wel bevinden, wordt er aanstalte tot de kraamvisite gemaakt; de vorige bekend gemaakte worden dan tevens op eenen namiddag te zamen, of na de uitgebreidheid van familie, vrienden en bekenden, tevens met de buren, op onderscheidene dagen verzocht, wel somtijds tot drie dagen ingesloten.

De vrouwelijke genoodigden, somtijds ook met de mans tevens, vooral op dien tijd van des families visite, komen doorgaans om twee uur des namiddags, er wordt thee gedronken, brandewijn met suiker, tevens ook wel met rozijnen voorzien, rijkelijk rondgediend, nemende het gezelschap dan wel eens een vrolijk aanzien; evenwel neemt een ieder zich zoo wel in acht, dat men zelden of nooit bij zoodanige gelegenheden van dronkenschap of buitensporigheden hoort. Wijders wordt omstreeks 7 à 8 uren de tafel met onderscheiden bollen, beschuit, suiker, boter en kaas in overvloed voorzien; men eet smakelijk met elkander, waarbij de suikerbakken, dat is beschuit rijkelijk met suiker overstroomt, bij deze gelegenheid niet vergeten worden. Een ieder verzadigd zijnde, wordt de tafel afgenomen en rijkelijk van thee en koffij naar elks believen weder gedekt, eindelijk drinkt men weder rond, tot dat de vrienden en vriendinnen omstreeks 10, 11 à 12 uren, afscheid nemen en een ieder weder naar zijn huis keert.

De moeder hersteld en behoorlijk gesterkt, doet zij, gereformeerd zijnde, haar eerste kerkgang, en houdt tevens met den man het kind ter doop en wordt dezer wijs der Gemeente godsdienstig ingelijfd; de Roomschen verrigten evenwel deze plegtigheid terstond bij de geboorte het zij bij nacht of bij dag.



Naar school

Als de kinderen den ouderdom van omstreeks vijf jaren bereikt hebben, worden zij naar school gezonden, onderwezen in lezen, schrijven, zingen, rekenen en andere wetenschappen, na elks vordering en vermogen, tot den ouderdom van 10, 11 à 12 jaren, naar gelang der omstandigheden of naar elks vermogen, meer of minderen tijd, na dat een ieder zijn beroep vereischt, om dezelve daarin op te leiden, of op een handwerk te besteden, of om anderen te dienen.

De geheele bevolking zonder uitzondering van gezindte, rijk of arm, die digt bij, of buiten van verre zijn, laten de kinderen zeer naarstig en gezet indien mogelijk naar het school gaan, hetwelk voor die van buiten dikwijls met gevaar, moeite en kosten verzeld gaan, dewijl zoodanige kinderen tusschen den schooltijd van verblijf moeten voorzien worden, en veelal des winters om de moeijelijkheid der wegen en paden, regen en wind, sneeuw en vorst, geen gebruik van het onderwijs kunnen maken, ten ware zulke buiten kinderen, elders in het gebuurte ter kost besteed worden, dat alleen het doen van meer vermogenden is, en het algemeen daarvan verstoken moet zijn, waardoor zulke kinderen des winters zeer veel in het leeren achteruit gezet worden, en somtijds weder verliezen, hetgeen zij des zomers geleerd hebben.

De schrijver heeft het tijdens zijn onderwijs er wel op toegelegd, om des winters de kinderen te Wijtgaard gelegenheid te geven om onderwezen te worden, maar bij gebreke van een geschikt persoon en vooral noodige kosten, heeft dit altijd weinig voortgang genomen.

In het vierendeelsjaar betaalden de kinderen voor schoolpenningen 4 st. maar die schreven 8 st. zonder meer, terwijl de schrijver daarteboven volgens oud gebruik, boven vrij huis en tuin voor al zijne diensten, behalven eenige kleine emolumenten, aan jaarlijksch traktement uit de kerkekas 225 gulden genoot. Den tegenwoordigen meester betalen de kinderen in ieder vierendeelsjaar 8 st., maar die schrijven 10 st. en deze geniet, boven vrij huis en tuin en eenige emolumenten uit de kerkebeurs, het bevorens vaste traktement, behalven uit den dorpsomslag nog 125 gld., dus te zamen 350 gld.

De gealimenteerde kinderen, zonder onderscheid van gezindheid, werden voormaals ook door den schrijver gratis onderwezen, behalven vergoeding van schoolbehoeften; thans meen ik, dat dezen schoolpenningen ook betaald worden.

Het visschen is bij velen liefhebberij en er werd bij het algemeen zeer veel gebruik van gemaakt, inzonderheid bij de boeren, welke gemeenlijk in de sloten, welke doorgaans zeer vischrijk, met zoogenaamde hoepnetten vischten; doch dewijl het visschen zonder eene acte of permissie niet mag gedaan worden, en alzoo eene belasting daarvan geheven wordt, is het veel in onbruik. Behalven dit, zijn er evenwel nog al een aanzienlijk gedeelte, welke van benoodigde acten zijn voorzien; deze visschen met fuiken, schakels* en zegen*; van dit laatste vischtuig bedienden zich weleer ook een aanzienlijk aantal boeren, doch dewijl er veel werk aan vast zit, is dit in een minder getal overgegaan. De schrijver, benevens die van N∞. 75, 111 en 117 zijn thans eigenaar van deze; behalve deze zijn er nog een of twee seinen* onder Wirdum; het is niet buitengewoon, dat men in onze vaarten op een halven dag, behalven eene menigte andere visch, 70, 80, 90, ja tot over de 100 snoeken vangt. De schrijver heeft voor eigen liefhebberij ook nog schakels en fuiken, doch maakt er thans weinig werk van.

Behalve deze visscherijen is het angel visschen een algemeene liefhebberij bij klein en groot, en velen maken daarvan gebruik, omdat dit niet in de belasting begrepen is en daarom een ieder vrijstaat.

Zoo hebben de schrijver met die van 117, welke een aanzienlijk jagt heeft, te zamen met 111, jaarlijks een of tweemalen, eene gezette angel visscherij. Men trekt dan in gemeenschap in het laatst van Julij of begin van Augustus zeer vroeg des morgens met het jagt naar Grouw in de Wijde Ee. Men werpt dan in de diepte een daartoe mede genomen anker uit, en zet zich vast.

De schrijver kan zich als ’t goed stil weder is en de visch bijten wil, geen aangenamer visscherij verbeelden; men haalt de beste baars, blank en zuiver, dikwijls uit eene diepte van 7 à 8 voeten en meer.

Als men het geluk heeft, eene plaats te treffen, alwaar de baars aast, dan veroorzaakt het eene drukte dat te verwonderen is; men werpt de angel zoodra niet, of de kurk duikt al weder onder, zoodat men nauwelijks tijd heeft om de visch af te nemen of de andere is al weder klaar; bij zoodanig eene gelegenheid hebben wij met ons drieën eenmaal 31 blanke baars gevangen; maar zoo goed hebben wij het ook niet weder gehad. Deze vischtijd is bij ons een feesttijd en een gezet jaarlijks gebruik, zonder verandering van personen; ’s avonds is men weder vroegtijdig thuis, doch ook na dat de wind staat.

Van schieten en met de honden te jagen wordt van de Ingezetenen geen gebruik gemaakt, dewijl dit mede aan de belasting onderhevig is, behalven zoodanige, welke met hunne landheeren moeten jagen; dikwijls tot verbaasden last van de ingezetenen; velen palen hunne landen in, om van dezen overlast bevrijd te zijn, maar moeten daarvoor nog al vrij wat kosten maken.

De Godsdienst wordt bij de onderscheidene gelegenheden openbaar wel waargenomen, inzonderheid bij de Roomschen, waarbij, behalven den Zondag en gewone feesttijden, de heele en halve heilige dagen nimmer verzuimd worden.


De Mennonieten doen hunnen kerkgang meest te Warga, alwaar zij kerkelijk behooren; somtijds, als hen dat niet voegt, maken zij alhier ook wel gebruik van de gereformeerde kerk. De gereformeerden zijn op Zondagen en andere gewone feestdagen gewoon de openbare Godsdienstoefeningen bij te wonen en zich daar telkens, zoo wel des morgens, als des namiddags, des winters zooveel mogelijk, des avonds ook te laten vinden; sommigen altijd zeer gezet, waaronder van de aanzienlijkste ingezetenen, hetwelk voor het algemeen zeer veel invloed veroorzaakt.

Wirdum is van voorgaande tijden reeds beroemd wegens den ijver welke het betoonde tot de openbare Godsdienstoefening, waartoe de invloed der brave Predikanten, welke hier opvolgende in bediening geweest zijn, zeer zeker veel heeft bijgedragen. Dit gebruik gaat van de ouders tot de kinderen over.

Op Zon- en Feestdagen staan alle bedrijven en handteeringen stil, behalven het noodige morgen- en avondwerk van den boerenstand, als iets dat niet nagelaten kan worden, evenwel zonder eenig verzuim van de Godsdienstoefening, wordende des morgens zooveel spoed daarmede gemaakt als mogelijk is, waardoor men op zijn Zondags verkleed, nog tijdig ’s morgens te 9 uur in de kerk verschijnt. Die wagentjes houden en verre buiten zijn, rijden des zomers gemeenlijk met hun gezin zooveel als zij bergen kunnen, derwaarts.

Velen hebben des Zondags hun verblijf in de buren en spoeden zich terstond na het eindigen van den namiddag Godsdienst weder naar huis, ten einde tijdig het avondwerk van melken als daartoe betrekkelijk aan te vangen. Voor het overige rust een ieder van zijn werk en brengt den overigen tijd met wandelen en bezoeken af te leggen gemeenlijk door. Die geen of zelden gebruik van de Godsdienstoefening maakt, is volstrekt in geen achting, maar wordt als het ware voor een heiden of Turk aangezien.

Voor eenige jaren had men hier een buitengewoon natten zomer, waardoor eenige boeren, en op voorbeeld daarvan eenige bij opvolging, misbruik van den Zondag maakten om in het hooi te werken, niettegenstaande den algemeene wederzin en openbare waarschuwingen van den tegenwoordigen Leeraar. Op den derden Zondag, toen dit gebruik meer algemeen werd, is bij een helderen en broeijenden voormiddag, juist op den achtermiddag, toen een ieder derzulke op het drukst met het hooi bezig waren, haastig een ontzettend onweder van donder en bliksem opgestoken, gemengd met storm, verpletterende hagelsteenen van een zeer buitengewone grootte, die niet alleen het tegenwoordige werk, maar ook dat van vorige dagen, in een half kwartier zoodanig verstrooide, dat er als het ware geen hooi op zijn plaats bleef, de rooken plat tegen de grond sloegen en door den fellen regen het overige door en door nat geweekt werd. Dit werd, gevoegd bij de ernstige vermaningen des Leeraars, algemeen als eene waarschuwing des hemels aangemerkt, tot blijdschap van diegenen, welke gaarne gemeenschappelijk den Zondag als een rustdag vierden. Sedert heeft men dit nagelaten op een Zondag te doen.

Wanneer men naar elders op eenen Zondag reist, hetzij om vrienden te bezoeken, of om andere dringende noodzakelijkheden, maakt men doorgaans zooveel spoed, dat men indien mogelijk de godsdienstoefening daar ter plaatse kan waarnemen.

Evenwel ontbreekt het ook niet aan zoodanige, welke zoo naauwgezet niet zijn, dat zij op den namiddag gezelschap ontvangen, of bij eene andere gelegenheid of voorwendsel, de openbare godsdienstoefening verzuimen; doch wij spreken algemeen, en niet bijzonder, want algemeen houdt men zich niet gerust, als men de godsdienst niet heeft bijgewoond.

Des winters wordt er onderwijs in de godsdienst verleend, en de jeugd, jonge en bejaarde lieden, gelegenheid van den leeraar gegeven, om zich te laten onderwijzen; de jeugd in de school, en de overige op onderscheiden tijden in de kerk eenmaal des weeks. De getrouwde en bejaarde lieden opzettelijk om belijdenis te doen, en om Ledemaat van de Godsdienst te worden.

Niettegenstaande dit alles, moet men zich over de onkunde in de godsdienst van het algemeen verwonderen, terwijl wij het daarvoor houden, dat er weinigen zullen worden gevonden, die de godsdienst welke zij openbaar omhelzen, behoorlijk belijden kunnen. Daar integendeel de Roomschen van kind af in hunne Godsdienst geworteld zijn, wordende reeds met twaalf jaar of daaromtrent tot Ledematen van hunne kerk aangenomen, na alvorens onafgebroken zoowel des zomers als des winters, meer dan eenmaal des weeks onderwijs genoten te hebben. En zouden wij de onkunde van die der gereformeerden daaraan niet mogen toeschrijven, dat er geen meer opzettelijk onderwijs, naar aanleiding van de daartoe geschikte onderwijsboekjes aan de jeugd gegeven wordt. Men neme het ons niet kwalijk, ons deze aanmerking veroorloofd te hebben, als iets buiten ons bestek.

Niemand wordt door die des anderen gezindte, gereformeerd of Roomsch, in het waarnemen van zijnen godsdienst gestoord, gesmaad of beschimpt, men leeft in het betrachten der burgerpligten en in de verkeering gemeenzaam onder elkander, zonder godsdiensthaat, wrok of nijd, wordende zonder onderscheid vrijheid van geweten gegund, ten ware eenig slecht volk op den andersdenkenden smaalde, of smaalde om te tergen, ook wel onder de kinderen als zij verbitterd tegen elkander worden, maar dit maakt weinig uitzondering op den algemeenen regel, want men handelt en wandelt onder elkander, men reist tezamen, men geeft elkander wederkeerige bezoeken, en betracht alle openbare bijeenkomsten en gemeenzamen omgang, zonder schenden van eens ieders godsdienst. Hoe een ieder zijne godsdienst in het bijzonder betracht en beleeft, is eene andere zaak en behoort niet tot ons bestek.

Wij beschrijven de algemeene zeden, zoowel in het godsdienstige als burgerlijke, en laten daaruit een ieder vrij, het voor en tegen voor zich zelven op te doen en over dit punt te denken zoo als hij verkiest.

Weinige huisgezinnen, hoewel anders niet zeer onbeschaafd, zijn er onder de geheele bevolking, alwaar het verachtelijk vloeken of onwellevende stopwoorden niet in dagelijksch gebruik zijn. Zoo niet algemeen bij de huisgenooten in gebruik, zal den een of den ander, hetzij de hoofden of leden van dezelve, zich nu en dan, bij gewone of buitengewone gelegenheden veroorloven leelijke vloekwoorden uit te drijven of zijn doen daarmede te staven, wetende echter dezulke welke daaraan niet geheel overgegeven zijn, zich bij zekere personen en gelegenheden zoo wel in acht te nemen, dat er om zoo te zeggen geen onbekwaam woord uit hunnen mond valt, en zoo bestaan de meesten, waarvan eenige echter zich in openbare vloekers onderscheiden. Bij de Roomschen is, behalven het meer vloeken dan de gereformeerden, nog de gewoonte Gods naam zeer ligtvaardig en ijdel te misbruiken en zijn zoodanig daaraan gewoon, dat zij dit zelf misschien niet eens merken; en men moet tot lof van de Gereformeerden zeggen, dat zij zich zelden of nooit daaraan schuldig maken.

Het ligtvaardig zweren is wel bij sommigen maar niet algemeen in de dagelijksche omwandeling in gebruik. Men kan over het algemeen op iemands ja en neen af; die in de dagelijksche omwandeling altoos geen waarheid opmerkt, of zich met leugens ophoudt, wordt algemeen veracht, als zulk eenen waarop men geen staat kan maken. Men heeft zeer veel eerbied voor den eed, en bedroeft zich wel eens, dat de burger overheid bij alle kleinigheden in de verpligting is de onderdanen de eed te moeten afnemen.

De ouderliefde wordt over het algemeen zeer wel betragt; iemand die zijnen vader of zijne moeder geen behoorlijke achting of eerbied bewijst, of dezelve door zijne handeling, woorden of werken, verdriet, oneer, schade of schande toebrengt, wordt over het algemeen voor een laag en verachtelijk schepsel aangezien en behandeld, waar integendeel een ouderlievend kind, die de zelve met raad en daad bijstaat, de algemeene achting en goedkeuring wegdraagt.

Het ontbreekt hier niet aan voorbeelden, zelfs onder de behoeftige stand, dat wel oppassende kinderen van hun zoo zuur verdiend loon iets afzonderen tot onderstand van hunne behoeftige ouderen, waardoor zij zelf wel iets van lijfdragt, vooral tot versiering dienen te ontberen, daar zij anders voor huns gelijken niet behoefden onder te doen; maar dit offer brengen zij met zoo veel liefde en gewilligheid dat het te verwonderen is. Ja, er zijn die hunne ouders, vader of moeder van hand tot tand onderhouden en steeds van al het noodige voorzien.

De bevelen van de overheid worden van het algemeen zeer wel betracht; een ieder betoont zich bij het uitvaardigen hunner verordeningen, terstond gewillig zich daarnaar te gedragen; nimmer of zelden hoort men van tegenstrevers of weerbarstigen, en als er dezulken mogten zijn, worden zij voor dwarshoofden aangezien en hebben geen achting.

Met volle ruimte en in den volsten zin mag men zeggen dat Wirdum een voorbeeld oplevert van onderwerping en gehoorzaamheid aan hunne wettige overheden. Dit neemt niet weg, dat er wel onderlinge oneenigheden of verschillen ontstaan, maar worden veelal bij tusschen spreken van goede mannen weg geruimd, of wanneer zulks niet gebeuren kan, onderwerpt men zich terstond aan de aanspraak der burgerlijke overheid.

De schrijver kan zich niet herinneren, dat er bij zijnen tijd onderlinge pleidooijen onder de Ingezetenen hebben bestaan. Van wrevel en vechterijen hoort men bijkans niet, straatschenden of de ingezetenen moeijelijkheden aan te doen, door jongelieden of anderen, zijn bijkans zonder voorbeeld. Het geval en de ongeregeldheden in het voorgaande jaar gepleegd van 3 à 4 slechte personen, jonge deugenieten, maken op den algemeenen regel geene uitzondering; trouwens dezelve zijn uit de maatschappij voor eenigen tijd ook weggeruimd en van de justitie in hechtenis genomen. Neen, een ieder geniet zonder stoornis het gebruik van zijne have en goed.

Men kan de geheele bevolking echter niet vrijspreken van haat en nijd, laster en kwaadspreken, waardoor men dikwijls zijns naasten goeden naam kwetst en nadeel toebrengt; dit bepaald zich echter maar tot een gedeelte, welke, zonder het zelf te merken, zich zelven in een algemeenen laak daardoor brengen, als dezulken welke nijdig en afgunstig zijn, en daardoor over zich zelven halen, hetgeen zij anderen meenen toe te brengen. Desniettegenstaande moet men de algemeene dienstvaardigheid roemen. Wanneer iemand bijvoorbeeld zijns buurmans bijstand behoeft, aanstonds betoond deze zijne hulpvaardigheid en bereidwilligheid, hetzij bij nacht of dag, om hulp of bijstand te verleenen, zonder eigenbaat of vergoeding te vragen. Wanneer iemand zonder zijn eigen schade te lijden, dat van zijnen buurman kan weren, zal hij aanstonds daartoe gereed zijn.

Echtscheidingen zijn hier zeldzaam. De schrijver kan zich niet herinneren, dat zulks bij zijnen tijd ooit, of ten minsten zelden heeft plaats gehad. Men hoort zeer schaars van overspel en bedrijven van hoererijen, en indien iemand zich veroorloofde, bij stedelijke lichtekooijen en hoeren te loopen (want hier zijn ze niet openbaar en wat er in het verborgene geschiedt, daar schrijven wij niet over) en dit lekte uit, gelijk doorgaans het geval is, die haalt over zich zelven schande en oneer, en wordt door een ieder met de grootste verachting beschouwd en behandeld, bespot en beschimpt, wordt van de Ledematen der gereformeerde kerk gecensureerd en van de gemeenschap der kerk uitgesloten, zoo als eenmaal gedurende ruim 30 jaren, dat de schrijver hier verkeerde, gebeurd is.

Door al te gemeenzame en langdurige verkeering der jongelieden, gebeurt het wel, dat het huwelijk noodzakelijk wordt en zeer veel spoed vereischt, om de schande hunner gemeenzaamheid niet te boeten; hetwelk bij het ten doop houden van zoodanig een kind echter niet ongemerkt door den Leeraar wordt onaangeroerd gelaten, tot waarschuwing voor anderen.

Evenwel gebeurt het ook wel, dat de vader te zoek wordt, waardoor zulk een mensch geheel in het verdriet geraakt en eerlang een onecht kind ter wereld brengt, tot haar eigen groote schande en het bezwaar der ouders of der armen-administratien.

Het getal der onechte kinderen alle jaren door elkander gerekend, kan naar des schrijvers herinneringen gedurende 30 jaren nagenoeg zes bedragen, hier geboren en dus alle vijf jaren een doorelkander.

Het huwelijk wordt over het algemeen wel beleeft; zelden hoort men van twist en krakeel der echtelieden, en wanneer dit wel eens plaats heeft, wordt zulks om de algemeene schande, zooveel mogelijk bedekt gehouden. Wanneer het al eens zoo hevig uitbreekt, dat er een onderlinge verwijdering ontstaat, zoo als er thans een huisgezin is, heeft het toch tot geene Echtscheiding kunnen komen. Trouwens dit zijn uitzonderingen op den algemeenen regel. De schrijver gelooft, om met een woord hiervan af te stappen, dat de wezentlijke oorzaak der grootste verwijdering tusschen echtgenooten hier geheel niet, of ten minste openbaar zeer weinig bestaat, namelijk overspel.

Geheel van schraapzucht, list en bedrog zijns naastens goed aan zich te brengen, kan men niet roemen de geheele bevolking bevrijd te zijn, maar over het algemeen bestaat er eerlijkheid en trouw; men gaat hierin dikwijls zoo verre, dat men bij onderlinge koopen en verkoopen, in handel en wandel geen schriftelijke bewijzen verlangt. Ik heb nooit gehoord, dat hieromtrent eenig feil bestaat, ten ware bij haastige sterfgevallen.

Men gelooft elkander onderling op het woord; men sluit wederzijdsche accoorden, en deze worden in het geheugen opgesloten en bewaard, of men houdt voor zich zelven aanteekeningen, en deze na verloop van een korten of langen tijd tegen elkander overgezien, worden altijd goed gedaan, of men geeft elkander een klein onderhandsch schuldbriefje en dit is genoeg iemand te waarborgen en bij gebrek van een goed geheugen in veiligheid te stellen. Men handelt en bedingt elkander zoo naauw als mogelijk is, maar voor openbare trouw en eerlijkheid, bestaat geen twijfel en weinige worden gevonden die daarvan misbruik maken, en zoo die er zijn, is men, tot straf van dezulken, altijd op zijne hoede.

In het verkoopen of koopen op publieke markten van levend vee, heeft men wel eens ondervinding dat men bedrogen wordt, maar zelden zullen Ingezetenen dit onder elkander doen, en worden in zoodanig geval wel ter zijden geleid, met eene ontdekking van de heimelijke gebreken van zoodanig een beest bekend gemaakt en aldus door den verkooper zelf gewaarschuwd om zulk een beest niet te koopen. Wanneer evenwel iemand misbruik maakt van het algemeen vertrouwen, en dit openbaart zich, zulk eenen wordt dan met afkeer en afschuw, als een bedrieger aangezien.

De weldadigheid is wel inzonderheid een Wirdumer deugd, in tijden van schaarschheid, in tijden van strenge winters, zijn er somtijds aanzienlijke bijdragen, hetzij bij inteekening of met onderling goedvinden, tot ondersteuning van behoeftigen gedaan, waardoor eet- en kleedwaren, door eene onder elkander benoemde Commissie, openbaar uitgereikt werden.

Zoodanig eene rekening van voor eenige jaren, is bij den schrijver nog voorhanden, en bedraagt eene aanzienlijke som. Hoevele menschenvrienden zijn er niet, die in het geheim behoeftige menschen ondersteunen, of nu en dan handreikinge doen?

Tot wering van schade en blussching van brand is tot dit weldadig oogmerk hier ook eene aanzienlijke brandspuit aangeschaft, alsmede tot voornoemden einde eene Brand Assurantie Sociëteit opgerigt, waardoor iemand die brandschade lijdt, vergoeding bij wijze van omslag verleend wordt.

Alle deze dingen te zamen genomen, staan regelregt tegen schraapzucht, list en bedrog, waaraan eenigen zich mogten schuldig maken, en dus geen uitzondering maakt op het algemeen bevorderen van iemands nut, en instandhouding van de maatschappij.

De levenswijze van de burgerij is uit den aard der verschillende bedrijven en wijze van bestaan, zeer veel van den boerenstand onderscheiden. Zij hebben de gewoonte, om, vooral bij winter avonden na gedaan werk aan eens ieders huis, behalve het vorengemelde koffij drinken, een pijp tabak te rooken, hetzij bij schemeravond, of na den eten, maar hebben dit met den boerenstand gemeen, dat men nooit misbruik van de herberg maakt, of drink- en zwelggelagen houdt. Wij willen hierin Wirdum als een voorbeeld van navolging aangemerkt hebben. De reden, zoo als wij die beschreven hebben, willen wij op de gehele bevolking toegepast hebben, zonder eenige uitzondering.

Aan de beoefening van kunsten en wetenschappen legt het algemeen zich weinig gelegen, schoon Wirdum ook niet geheel daarvan ontbloot is, gelijk uit onze beschrijving wel eenigszins kan opgemerkt worden, blijkens de bestaande ordeningen, opzichten en daarstellen van nuttige Maatschappijen, inzonderheid de zoo zeer bloeijende Brand Assurantie Sociëteit, aan welks oprigting de Wel Edele Heer P. v. Beijma, Mederegter van het Kanton Rauwerd, te Weidum woonachtig, de eerste hand mede geleend heeft.

Veel wordt er gelezen, zoo wel ten aanzien van dagbladen, maandwerken als nieuw uitgekomene, als in eigendom bezeten boeken. Leesgezelschappen zoowel hier of elders bestaande, tellen nogal vele leden.

De voornaamste wetenschap waaraan het algemeen, en inzonderheid de boerenstand zich gelegen laat, is de beoefening van hun bestaan, waarin de boeren uitmunten. Een ieder derzelve is een kunstenaar in zijn bedrijf, en doorgeleerd in Veefokkerij en bedrijf van boerderij, van kindsbeen daartoe opgeleid, waardoor de schrijver bekennen moet, dat hij, ofschoon reeds vele jaren boerderij bedreven hebbende, en zijns inziens, niet geheel onkundig daarin zijnde, bij gelegenheid wel eens opmerkt, nog veel bij de boeren ten achteren is.

In vroegere jaren droeg men hier opgetoomde hoeden met korte spitsen, welke geheel, behalve eenige, in onbruik zijn; zoo ook de schoengespen. Het gebruik der kniegespen heeft men nog niet verlaten, waarvan de waarde van beide somtijds tusschen de 20 en 30 gulden bedroeg; men droeg lange rokken, kamisool altijd met een regel knoopen. Ook droeg men gouden of zilveren knoopen in het hemd. Sedert 30 jaren is de kleederdragt zeer veranderd, en veranderd nog dagelijks. Men draagt nu roode hoeden met verheven platte bollen, riemen op de schoenen, de jongelieden lange, doch de bejaarde, korte broeken, rokken met omslag en vestjes, een witte fijne doek om den hals, met een zwarte zijden doorgaans overtoogen, zoodat eene witte zoom boven van de onderdoek bloot ligt. De gouden knoopen, ook de zilveren, zijn geheel in onbruik, behalve bij enkele oude lieden. Meest draagt men kamisools en vestjes met overslag, doch sommige jonge knapen ook buizen, achter met verscheidene klinken na de tegenwoordige mode.

Op zijn Zondags is men doorgaans deftig gekleed, meest in het donker, zoowel dienstbare als vrije; een ieder is met een horologie, waarvan een zilveren keten, altijd buiten hangende voorzien, waarvan sommige ook van goud. Dat is behalven een goed pak kleederen, altijd de eerste overwinst der dienstbaren, waarop men zeer gesteld is. Over het algemeen is de dragt van de mans zedig en deftig.

De vrouwen en vooral de jongemeiden, maken hiervan eene uitzondering, doch om de verscheidenheid kunnen wij die niet beschrijven. Voormaals droegen zij groote kappen of zonhoeden, tevens zoogenaamde groote Duitsche mutsen, met een omleggende zoom, dikwijls van een zilveren priem ondersteund en geheel somtijds van kant tezamen gesteld; maar de fijne strooijen hoedtjes even als die der mans gefatsoeneerd, of de meer algemeen wordende kijpsen* in de plaats van de kappen of zonhoeden.

De zoogenaamde floddermutsen, welke een kwart el van het hoofd terzijden en achterwaards nederhangen, met een breed kant omzoomd, vervangen de Duitsche mutsen; koralen met een gouden kroon omringen den hals; het hoofd pronkt bovendien met een gouden oorijzer, somtijds achter ook een duim of meer breed, tevens om te verglijden te voorkomen met gouden spelden vast gezet; het andere na rato, hetwelk ons niet lust breeder te beschrijven. Om met een woord te sluiten; de vrouwen zijn van weelde geheel niet te ontschuldigen, daar Wirdum anders een voorbeeld oplevert van zedigheid.

* aden: langwerpige, ondiepe bakken
* zweelers: (Fri.) swylje, harken
* rook: (Fri.) reak, opgemaakte bult hooi van 2 à 3 meter hoog
* golle: (Fri.) hooivak
* impost: (Fra.) accijns
* rokstreept: geweven stof, van wol en ook linnen, met zwarte en witte stroken, gebruikt voor onderrokken
* boffet: (Fri.) boffert, gebak, soort tulband, vaak met krenten
* schakel: driewandig visnet, waarmee men smalle wateren over de gehele breedte afzet
* zegen: breed sleepnet, waarmee men een vaart over de gehele breedte kon bevissen. De vis had geen kans
* seine: (Fri.) zegen
* kijps: (Fri.) kyps, zwart strooien hoedje met linten, gedragen over het oorijzer

Terug

’den ganschen hemel [...] verlicht en bloedrood’


Een van de meest bijzondere documenten in het HCL over Wirdum e.o., is een register m.b.t. het gebruik van de brandspuit over de jaren 1803-1873. Het register, een tamelijk recente aanwinst uit 1984, is opgenomen in het archief van de NH Gemeente Wirdum (inv. nr. 234a). De kerkvoogdij kreeg in overleg met het grietenijbestuur namelijk het beheer in 1803, toen de aanschaf van een nieuwe brandspuit het opstellen van een reglement noodzakelijk maakte. De regeling werd goedgekeurd door het grietenijbestuur. Behalve financiële zaken, roosters en reglementen bevat de administratie eveneens verslagen van de werkzaamheden van de brandmeesters, zodat we vrij uitvoerig worden ingelicht over branden in en rond Wirdum. Ook de bekende Doeke Wiegers Hellema ondersteunde de brandspuit met een contributie en was zelfs enige tijd brandmeester. Soms leest het verslag door citaten van de ooggetuigen als een spannend verhaal.

De eerste brand die wordt beschreven, is die in de boerderij van Broer Dooitzes; een stelp, "pas een jaar geleden splinternieuw gebouwd", even ten zuiden Wijtgaard. Op 29 januari 1803 "zag men buiten den deur koomende den ganschen hemel en alles wat rondom zich was, in deezen duisteren winteravond, verlicht en bloedrood". De brandspuit rukte snel uit, maar de boerderij stond toen al "in lichte laaije vlam". De brandbestrijders hakten een bijt in het dikke ijs en lieten de brandspuit "met alle macht het water in den gloed" werpen. De inspanningen hielpen weinig. Aan alle kanten sloegen de vlammen uit het gebouw of in de woorden van de verslaglegger: "ijslijk toneel! Verschriklijken gloed! Het gebulder der vlammen, het kraaken van vallend hout, het gekletter der nederstortende pannen, waar mede de stelp gedekt was en bovenal het rumour in de brandende stallen, het geworstel en gebrul tegen de woedende vlammen, verwekten in den onmachtigen en bedeesden aanschouwer, hoe gaarn anders ook redding en hulp toegebragt, in den hoogsten graad ontzetting en kille verbaasdheid". De "koemuur" bleek te sterk om door te breken of omver te trekken. Slechts vier koeien konden worden gered, "waarvan er een deerlijk uitzag". De rest "wierd aan zijn verschrikkelijk noodlot overgegeven. 23 hoornbeesten, 14 schaapen, 2 paarden en verders als wat binnen de muuren leeven had, wierd een prooi des vernielenden vuurs".

De bewoners konden het vege lijf ternauwernood redden. De boer schrok om half 10 wakker "door een geluid als van het gekletter van een sterken hagel", sprong uit bed en "schikte zijne hoogzwangere vrouw en 4 a 5 kleine kinderen buiten deur, wekte den slaapenden knecht in het brandend buithuis, sleepte de beste en meeste huisgeraaden, met behulp van een en ander onverzaagde menschenvrienden, die trots de gevaaren mede toeschoten, ter deuren en vensters uit".

Terug

Subcategorieën