Bronnen in de database

Koopakten (ca. 29.000 records)
NH Dopen Leeuwarden 1603-1813 (ca. 88.000 records)
Trouw en ondertrouw Leeuwarden 1594-1812 (ca. 88.000 records)
Huwelijken Leeuwarderadeel (Noord en Zuid) 1594-1812 (ca. 11.000 records)
Stadsbegraafboeken 1687-1692, 1723-1805 (ca. 34.500 records)
Aanvulling op de Stadsbegraafboeken ca. 1550-1805 (ca. 16.500 records)
Aangiften van overlijden in de regio Leeuwarden t.b.v. het successierecht 1806-1811 (ca. 8.700 records)
Schoorsteengeldregister Leeuwarden 1606 (ca. 2.000 records)
Register der Quotisatie Leeuwarden 1808 (ca. 4.000 records)
Registre Civique Leeuwarden 1811 (ca. 3.400 records)
Register van manspersonen van 20 tot 60 jaar in Leeuwarderadeel 1812 (ca. 1.250 records)
Register van Leeuwarder Stemgerechtigden 1824 (ca. 6.000 records)
Volkstelling Leeuwarderadeel 1829 (ca. 5.000 records)
Hoofdbewoners Leeuwarden 1872 (ca. 3.500 records)
Leden Leeuwarder Groot-Schippersgilde ca. 1554-1823 (ca. 1400 records)
Protocol besteding wezen uit het Old Burger Weeshuis te Leeuwarden 1619-1824 (ca. 2.000 records)


Koopakten 1540-1811

Deze database is een bundeling van allerlei informatie over overdracht van onroerend goed. De oorspronkelijke toegangen zijn bijna alle meer dan 100 jaar geleden vervaardigd door gemeentearchivaris mej. R. Visscher. Aangezien er destijds nog geen ABC-standaard bestond, is de wijze van invoer van (dubbele) familienamen, namen van gehuwde vrouwen en weduwen, patroniemen, tussenvoegsels en voorletters vrij willekeurig geschied. Dit geldt tevens voor het scheiden van familienamen van voorletters en tussenvoegsels door een komma.

Daarnaast is het merendeel van de handgeschreven indexen in het verleden ingevoerd door typisten die weinig kennis hadden van Leeuwarder familienamen en toponiemen. Onvermijdelijk zijn hierdoor vele lees- en typefoutjes binnengeslopen in de namenvelden van kopers, verkopers en niaarnemers. Het is ondoenlijk gebleken om dit allemaal te controleren. Wel zijn alle straatnamen aangepast aan de officiële spellingswijze. Zie hiervoor ’W. Dolk, Leeuwarder Straatnamen’. Ook is soms extra informatie aan het opmerkingenveld toegevoegd.

Voornamen zijn incidenteel toegevoegd waar het de concordance op de proclamatieboeken betrof dan wel ruwweg de periode 1540-1592. Voor het zoeken op (een deel van een) naam wordt dan ook nadrukkelijk het gebruik van de wildcards (*) aanbevolen. Ook is bij de invoer van straatnamen niet altijd even consequent te werk gegaan. Soms is er een nadere aanduiding toegevoegd in de trant van ‘Blokhuis, bij het’ of ‘Bij de Put’. Straatnamen zijn pas officieel bij raadsbesluit vastgesteld vanaf de 19de eeuw. Hierdoor is vaak niet duidelijk of aanduidingen als ‘Bij de’, ‘Over de’, ‘Nevens het’ deel uitmaken van de straatnaam of dat ze als nadere plaatsbepaling zijn toegevoegd.

Ga naar 'Zoeken in alles'


NH Dopen Leeuwarden 1603-1813

Bij hoge uitzondering worden bij de hervormde doopinschrijvingen doopgetuigen genoemd. Pas in 1772 gaat men ertoe over om naast de doopdatum ook de geboortedatum te noemen. De naam van de moeder wordt pas vanaf 1727 structureel vermeld. Daarvoor slechts in uitzonderingsgevallen. Gedurende een korte periode in de 17de eeuw wordt ook wel een nadere adresaanduiding van de vader vermeld.In het resultatenscherm kunnen afkortingen voorkomen die mogelijk vraagtekens oproepen. Zo wordt in de loop van de 18de eeuw de kerk vermeld alwaar een kind is gedoopt: JK (Jacobijnerkerk), GK (Galileërkerk) en WK (Westerkerk). Een N.B. betekent dat de doopinschrijving meer informatie bevat zoals b.v. de naam van een of meer doopgetuigen, de naam van een natuurlijke vader in geval van buitenechtelijke verwekking van het kind. Ook worden regelmatig beroepen en/of functies van de vaders vermeld en in de 17de eeuw een enkele keer een nadere adresaanduiding van de vader.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Trouw en ondertrouw Leeuwarden 1594-1812

Bij "opmerkingen" is door middel van een code aangegeven of het huwelijk heeft plaatsgevonden voor het Gerecht (xX), de Nederduits Gereformeerde gemeente (xNH), de Waals Hervormde gemeente (xWA) of een van de zeven R.K. staties (xRK). In geval van ondertrouw wordt een o-tje weergegeven (oNH, oX, etc.). Het getal slaat op het nummer van de bladzijde in het originele (onder)trouwboek.
Het kan voorkomen dat een voorgenomen huwelijk in de kerk of voor het gerecht werd geproclameerd, doch dat deze afkondigingen werden gevolgd door een huwelijksvoltrekking elders (attestatie). Indien niet blijkt waar het voorgenomen huwelijk werd gesloten of wanneer huwelijksproclamaties door ’spiering’ werden gestuit (d.i. bezwaar, bijvoorbeeld in geval van trouwbelofte aan een ander, of huwelijksvoornemens van minderjarigen zonder toestemming van ouders), is dit in de codering uitgedrukt als 1p, 2p, 3p, att.
Meer gedetailleerde informatie over de registratie van de N-H doop, (onder)trouw en lidmatenregistratie vindt u in het artikel dat door oud-archiefmedewerker Wim Dolk in 1986 werd gepubliceerd in ’De Vrije Fries’.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Huwelijken Leeuwarderadeel (Noord en Zuid) 1594-1812

In deze database zijn de volgende huwelijksregisters opgenomen:

456. Leeuwarderadeel (Gerecht), 1613-1645*
457. Leeuwarderadeel (Gerecht), 1645-1731*
458. Leeuwarderadeel (Trouwboek), 1796-1802*
463. NH Gem. Finkum-Hijum, 1655-1810*
477. NH Gem. Stiens, 1619-1672, 1677-1811*
460. NH Gem. Britsum, 1599-1681, 1687-1810*
461. NH Gem. Cornjum, 1633-1810*
472. NH Gem. Jelsum, 1667-1810*
475. NH Gem. Lekkum-Miedum, 1772-1811
469. NH Gem. Huizum, 1763-1771
470. NH Gem. Huizum, 1772-1811
465. NH Gem. Goutum-Swichum, 1660-1810
467. NH Gem. Hempens-Teerns, 1693-1771
468. NH Gem. Hempens-Teerns, 1772-1811
480. NH Gem. Wirdum, 1622-1734
481. NH Gem. Wirdum, 1734-1772
483. NH Gem. Wirdum, 1772-1810
485. R.K. Par. Wijtgaard, 1744-1811

Uit de met een * gemerkte huwelijksregisters kunnen bij het Historisch Centrum Leeuwarden geen fotokopieën worden besteld! De originele huwelijksregisters van het Noordertrimdeel berusten namelijk bij het Fries Historisch en Letterkundig Centrum Tresoar. Middels het invullen van het bestelformulier van Tresoar kunt kopieën uit de betreffende bronnen bestellen. De nummers voor de huwelijksregisters corresponderen met de DTB-nummering van Tresoar.

Eveneens zijn toegevoegd de huwelijksinschrijvingen waarvan ondertrouw, proclamaties of Roomskatholieke/Evangelisch Lutherse/Doopsgezinde huwelijksinzegeningen te Leeuwarden hebben plaatsgevonden. Deze zullen dus tevens worden aangetroffen in de (Onder)trouwdatabase van Leeuwarden, 1594-1811.

De codes welke achter ’Gebeurtenis’ worden weergegeven slaan achtereenvolgens op ondertrouw (o), trouw (x), attestatie om elders te trouwen (a) en eerste, tweede of derde proclamatie (1, 2 of 3).

Ga naar 'Zoeken in alles'


Stadsbegraafboeken 1687-1692, 1723-1805

In de loop van de 17e eeuw werd er van overheidswege regelmatig aangedrongen op het aanleggen van begraafregisters, waarin zowel de doden zouden moeten worden geregistreerd die in kerken of op kerkhoven binnen de stadswallen werden begraven, als diegenen die per trekschuit de waterpoorten van de stad passeerden om elders te worden begraven. Gezien de veelvuldige resoluties die op deze voorschriften betrekking hadden, blijkt dat de kosters, die met de administratie over de aan hun toegewezen kerken en kerkhoven waren belast, het niet al te nauw namen. Pas in 1687 is er sprake van een sluitende registratie op de wijze die de Magistraat voorstond. Echter na vijf jaar kwam de klad er weer in, en duurde het tot 1723 voordat eindelijk de registratie van begrafenissen in de stad daadkrachtig ter hand werd genomen.

Anders dan de aanhef in het begraafboek van 1723 aangeeft, werden de buiten Leeuwarden begraven ingezetenen niet meer geregistreerd. Ook ontbreken de stadsarmen tot in de jaren zeventig van de 18de eeuw. Immers deze brachten toch geen penning in het laadje! Al met al is gebleken dat tot 1772 slechts een derde deel van alle binnen Leeuwarden overleden en gekiste ingezetenen ook daadwerkelijk werd geregistreerd. Na 1772 werd de registratie - althans van diegenen die in Leeuwarden werden begraven - vollediger. Binnen Leeuwarden waren twee kosters werkzaam die respektievelijk waren aangesteld om de grafgelden te innen van Oldehove en Westerkerk en van Jacobijner- en Galileërkerk. De naam van de kerk achter ’Begraafplaats’ wil dan ook geenszins zeggen dat de overledene in deze kerk is begraven, maar dat de koster van het betreffende godshuis het begraafbriefje had ingevuld en ingeleverd op het Raadhuis, alwaar een stadsklerk was belast met het bijhouden van de begraafregisters.

Mocht een in Leeuwarden overleden persoon niet in de reguliere begraafregisters te traceren zijn, dan kunt U proberen om via de database ’Aanvulling op de begraafboeken’ alsnog de overlijdensdatum (bij benadering) te achterhalen. Zie voor meer gedetailleerde informatie over de diverse kerkhoven, begrafenisgebruiken en regelgeving ten aanzien van het begraven op kerkhoven en in kerken, de Leeuwarder bijdrage aan Open Monumentendag in 1999.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Aanvulling op de Stadsbegraafboeken ca. 1550-1805

Deze database bevat een aanvulling van 16.178 personen op de reguliere stadsbegraafboeken van Leeuwarden, die slechts over de jaren 1687-1692 en 1723-1805 bewaard zijn gebleven. Het bronnenmateriaal waaruit is geput, is zeer heterogeen.

Met betrekking tot de 17e eeuw is onder meer geput uit de volgende bronnen:

  • de in de stadsaktenboeken geregistreerde akten van verzegeling van sterfhuizen;
  • het vergezellen van overleden begunstigers van het Old Burger - en het Nieuwe Stads Weeshuis naar hun laatste rustplaats door verpleegden van deze instellingen, de zgn. 'begrafenissen met de wezen';
  • inventarisatieboeken, waarin tot circa 1650 met redelijke nauwkeurigheid de overlijdensdata werden aangegeven van vele overledenen wier nagelaten boedel geïnventariseerd diende te worden;
  • vermeldingen in recesboeken van met schulden beladen nalatenschappen, waarvan de aanvaarding door de erfgenamen in beraad werd gehouden;
  • registers van het Old Burger Weeshuis en het Nieuwe Stadsweeshuis, waarin de administratie bijgehouden werd van weeskinderen die overleden begunstigers vergezelden naar hun laatste rustplaats.

Voor de 18de eeuw is het belangrijkste bronnenmateriaal:

  • de doodkistenadministratie van het Nieuwe Stadsweeshuis;
  • de verzoeken tot opname van wezen in het Nieuwe Stadsweeshuis;
  • de bedelingsadministraties van de diverse armeninstellingen en de proveniersboeken van enkele gasthuizen;
  • registratie van overleden in de R.K. Staties, dan wel zij die zijn voorzien van de Laatste Sacramenten, resp. de 'defuncti' en 'uncti'
  • gravenleggers van het Oldehoofster- en het Jacobijnerkerkhof waarin de begraven stadsarmen geregistreerd werden die deels niet in de hiervoor genoemde Stadsbegraafboeken zijn opgenomen;
  • enkele ego-documenten, zoals een kasboekje van een provenier van het St. Anthony Gasthuis (Hans Knoopmaker), waar achterin alle sterfgevallen binnen het gasthuis gedurende de periode 1695-1716 zijn opgetekend;
  • een handschrift van de familie Siderius met familieaantekeningen vanaf de 16e tot en met de 18e eeuw.

Let op: Het cijfer achter pagina in het resultatenscherm kan duiden op een paginanummer, folionummer, dossiernummer of dagtekening!

Ga naar 'Zoeken in alles'


Aangiften van overlijden in de regio Leeuwarden t.b.v. het successierecht 1806-1811

Per 1 januari 1806 werden na bevel van de rijksoverheid, in verband met invoering van het successierecht, in alle Nederlandse gemeenten overlijdensregisters aangelegd.

In deze database zijn opgenomen de Registers van Overledenen van onderstaande gemeenten, c.q. voormalige grietenijen:

924. Leeuwarden
459. Leeuwarderadeel*
499. Menaldumadeel*
059. Baarderadeel*
420. Idaarderadeel*

Uit de overlijdensregisters van de met een * gemerkte gemeenten kunnen bij het Historisch Centrum Leeuwarden geen fotokopieën worden besteld! De originele registers van deze gemeenten berusten namelijk bij het Fries Historisch en Letterkundig Centrum Tresoar. De nummers voor de gemeenten corresponderen met de DTB-nummering van Tresoar.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Schoorsteengeldregister Leeuwarden 1606

Vanouds werd in de Nederlandse steden een belasting op schoorstenen geheven. Voor elke in gebruik zijnde schoorsteen moest een bepaald bedrag aan belasting worden betaald. Dit schoorsteen- of haardstedengeld ging in Friesland in 1637 op in een nieuwe belasting, namelijk de zogenaamde ’vijf speciën’. Naast het schoorsteengeld werden het hoofdgeld, het hoorngeld, het paardengeld en het middel op de bezaaide landen onder deze nieuwe belasting samengebracht. De hier gepresenteerde bron bevindt zich in het Archief van de Rekenkamer van de Provincie Friesland (Fries Historisch en Letterkundig Centrum Tresoar). Vermeld worden de namen van huiseigenaren, bewoners, het espel of de wijk waar het huis stond en het aantal schoorstenen. In sommige gevallen wordt iets vermeld over de bedrijvigheid die in het pand plaatsvond.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Register der Quotisatie Leeuwarden 1808

Deze database bevat de namen van de Leeuwarder ingezetenen die werden aangeslagen in de quotisatie van 1808. Dit belastingregister bevindt zich in het Oud Administratief Archief van Leeuwarden (inv.nr. M600). Naast vermogende (kostwinnende/rentenierende) ingezetenen werden ook de armste bevolkingsgroepen - bedeelden uitgezonderd - aangeslagen. Leeuwarden telde blijkens de volkstelling van 1807/08 ongeveer 16.500 inwoners. Met behulp van het in 1843 in druk uitgegeven Wijkregister, zijn aan de huisnummers met bijbehorende wijkletter als extra informatie de straatnamen toegevoegd. Pas in 1877 is de huidige huisnummering (per straat) ingevoerd. Aangezien in 1811 in Leeuwarden nagenoeg geen gevolg is gegeven aan de bij Keizerlijk Decreet uitgevaardigde verplichting om een familienaam aan te nemen en te laten registreren, dan wel een bestaande familienaam te laten vastleggen, biedt dit Register der Quotisatie een redelijk alternatief om te achterhalen wie al wel en wie nog geen familienaam had.

Tot invoering van de genoemde eerste nationale ’inkomstenbelasting’ werd bij Wet van 30 maart 1808 besloten. Dit ter aflossing van een Staatslening van 30 miljoen gulden waarop tegen een rente van 7 procent kon worden ingeschreven. Tot het uitschrijven van deze Staatslening was besloten, om het begrotingstekort dat was ontstaan te dekken, en ’tot goedmaking van zoodanige kosten, de gewone inkomsten te boven gaande, welke door de omstandigheden van den oorlog, waarin het Rijk is gewikkeld, ongetwijfeld zullen veroorzaakt worden.’ Jaarlijks zou volgens een departementale verdeelsleutel 3 miljoen gulden belasting worden geheven. Friesland moest hierin 300.000 gulden ofwel 10 procent bijdragen. Grondslag van deze belasting vormde de zogenaamde ’vertering’, ofwel de uiterlijke kenmerken van een bepaald consumptieniveau. Er werden van tevoren geen inkomensklassen vastgesteld. Pas achteraf moest verantwoord worden hoeveel de verschillende inkomensgroepen hadden bijgedragen. De heffing is, na eenmaal geïnd te zijn, bij de wet van 17 april 1809 afgeschaft en vervangen door een verhoging van enkele bestaande middelen. Uit analyse van deze belastingheffing kan gedetailleerde informatie worden verkregen over de lokale inkomensverhoudingen.

De gegevens over deze quotisatie bevinden zich grotendeels in het Algemeen Rijksarchief, Archief Ministerie van Financiën, 1795-1813, inv.nrs. 850-866. Zie voor een uitgebreidere beschouwing van deze quotisatie: J.L. van Zanden, Inkomen en inkomensverdeling in Nederland in 1808, een bewerking van de quotisatie van f 3 miljoen, Amsterdam (VU) 1983.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Registre Civique Leeuwarden 1811

Volgens de Code Civil (of Code Napoleon), het burgerlijk wetboek, hadden mannen boven de 21 jaar het recht de leden van de ‘municipaliteit’ (een soort gemeenteraad) te kiezen. De lijsten van deze stemgerechtigden worden ’registres civiques’ genoemd.

De registers werden opgesteld door de plaatselijke overheid (mairie). Zij stuurde een exemplaar naar het departementsbestuur. Vaak hield men een tweede exemplaar ter plaatse. Aan de stemgerechtigde burgers werd een ‘carte civique’ uitgereikt, die dezelfde gegevens bevatte als de vermelding in de lijst. De cartes civiques zijn zeldzaam en worden slechts bij uitzondering in openbare archieven bewaard.

In deze oorspronkelijk handgeschreven nadere toegang op het Leeuwarder Registre Civique, vinden we achtereenvolgens het volgnummer, de familienaam of het patroniem, voorna(a)m(en), geboortejaar, beroep en het adres (wijkletter) van de betrokkene. Eventuele bijzonderheden worden in de kolom ‘Opmerkingen’ vermeld. Familienamen en patroniemen zijn in deze versie in één veld ingevoerd. Ook zijn de diverse varianten van een (familie)naam niet gestandardiseerd. Wel zijn er soms verwijzingen geplaatst, zoals bijvoorbeeld: ‘Adama, zie Adema’.

Ofschoon de oorspronkelijke lijsten soms in het Nederlands waren opgesteld, werden de gegevens meestal in het Frans vermeld. Zeker waar het de beroepen betreft, zou dit tot onduidelijkheid aanleiding kunnen geven. Iemand die als journalier te boek staat zal geen krantenverkoper zijn maar een dagloner, dit isl iemand die per dag in dienst was bij een werkgever en per dag betaald werd. Het cijfer achter de wijkletter duidt niet op een adres, maar op het paginanummer in het oorspronkelijke register.

Gepoogd is om met behulp van het zogenaamde Kohier van de Lantaarn-, Brandspuit en Nachtwachtgelden uit 1810 de juiste adressen en eventuele beroepen te achterhalen, hetgeen niet voor alle inwoners is gelukt. Voor deze gevallen is geprobeerd om de adressen toe te voegen vanuit het Register op de Patentplichtigen van 1815. Van deze optie is echter alleen gebruik gemaakt indien de betreffende persoon in dezelfde wijk werd aangetroffen als in het Registre Civique. Gemakshalve is er in een dergelijk geval vanuit gegaan dat de betreffende inwoner in de tussenliggende periode niet binnen de wijk is verhuisd, hetgeen in veel gevallen ook niet zal zijn gebeurd. Geheel zeker is dit echter niet. Indien een adres en/of een beroep vanuit deze laatste bron is toegevoegd is dit aangegeven middels het jaartal 1815. De overige adressen zijn toegevoegd vanuit het Kohier van de Lantaarn-Brandspuit-Nachtwachtgelden. Hoe volledig het Registre Civique is, valt moeilijk aan te geven. In ieder geval zullen de meeste ’armlastigen’ ontbreken.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Register van manspersonen van 20 tot 60 jaar in Leeuwarderadeel 1812

Nadat in 1810 het Koninkrijk Holland bij Frankrijk was ingelijfd, werd door keizer Napoleon de conscriptie (militaire diensplicht) ingevoerd en werden in veel plaatsen zogenaamde registers van weerbare mannen aangelegd. Dit waren gezonde volwassen mannen, die voor de militaire dienst, de landstorm, schutterij of landweer konden worden opgeroepen. Deze registers werden doorgaans adresgewijs per plaats opgemaakt. Het hier gepresenteerde register van volwassen manspersonen van 20 tot 60 jaren is opgemaakt in 1812 en biedt naast namen, adressen, beroepen en leeftijden ook vaak gegevens betreffende de lichaamsgesteldheid van de ingeschrevenen. De dorpen die in de voormalige gemeente Leeuwarderadeel - dus het noorder- en zuidertrimdeel - liggen, zijn van noord naar zuid: Hijum, Finkum (w.o. Oude Leije), Stiens, Britsum, Cornjum, Jelsum, Miedum, Lekkum (w.o. Snakkerburen), Huizum, Goutum, Hempens, Teerns, Wirdum (w.o. Wijtgaard) en Swichum.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Register van Leeuwarder Stemgerechtigden 1824

Het register van stemgerechtigden bevat namen van:

Leeuwarder mannelijke ingezetenen van 1824, exclusief gealimenteerden, vanaf de leeftijd van 23 jaar; dan wel vanaf de leeftijd van 18 jaar, wanneer redelijkerwijs mocht worden verwacht dat deze minderjarigen bij het bereiken van meerderjarigheid aan de gestelde eisen voor het stem- c.q. kiesrecht, vervat in het reglement van bestuur, zouden voldoen; of dat deze minderjarigen reeds op het moment van inschrijving voldoende belasting betaalden om het stem- c.q. kiesrecht over te dragen aan hun vaders die niet voldeden aan alle voor het stemrecht gestelde eisen; dan wel vrouwelijke ingezetenen, welke het stem-, c.q. kiesrecht op grond van de door hen betaalde belastingsom overdroegen aan hun meerderjarige zonen of echtgenoten die niet aan de gestelde eis van ¦ 20,-- of meer belastingbijdrage voldeden, doch wel aan alle andere gestelde eisen.

N.B. Aangevuld met in bovengenoemd register ontbrekende personen (w.o. gealimenteerden, ongehuwde vrouwen en weduwen) en beroepen, geschatte huurwaarden en huiseigenaren uit de Kohieren van het Stratenfonds en de Kohieren van de Lantaarn-, Brandspuit- en Nachtwachtgelden van de jaren 1824 en 1825.

De ruggengraat van deze ingang wordt gevormd door het "Register der Ingezetenen der Stad Leeuwarden, tevens bevattende de personen, die overeenkomstig Art. 2 en 23 van het Reglement voor het Bestuur der Stad Leeuwarden, gearresteerd bij ’s Konings besluit van den 5 Januarij 1824, No.50, bevoegd zijn tot de uitoefening van het Stemregt en om tot Kiezers te kunnen worden benoemd". (Archief Gemeentebestuur 1811-1850, inv.nr. 498).

De registratie van de Leeuwarder ingezetenen heeft per wijk in de periode van 25 september t/m 9 november 1824 plaatsgevonden:

25 sep. 1824 - 28 sep. 1824 Wijk A - huisnos. 1-288.
28 sep. 1824 - 29 sep. 1824 Wijk B - huisnos. 1-219.
30 sep. 1824 - 1 okt. 1824 Wijk C - huisnos. 1-300.
6 okt. 1824 - 9 okt. 1824 Wijk D - huisnos. 4-179.
8 okt. 1824 - 14 okt. 1824 Wijk E - huisnos. 1-417.
25 okt. 1824 - 28 okt. 1824 Wijk F - huisnos. 1-404.
28 okt. 1824 - 6 nov. 1824 Wijk G - huisnos. 2-243.
1 nov. 1824 - 2 nov. 1824 Wijk H - huisnos. 1-129.
3 nov. 1824 - 5 nov. 1824 Wijk I - huisnos. 1-345.
6 nov. 1824 - 9 nov. 1824 Wijk K - huisnos. 1-331.
28 sep. 1824 - 6 okt. 1824 Wijk L - huisnos. 2-276.
29 sep. 1824 - 8 okt. 1824 Wijk M - huisnos. 1-275.
6 okt. 1824 Wijk N - huisnos. 1-127.
7 okt. 1824 Wijk O - huisnos. 1-42.
9 okt. 1824 Wijk P - huisnos. 1-45.

Tot 24 okt. 1850 werden nog nieuwe ingezetenen ingeschreven die aan de gestelde eisen voor het Stemrecht voldeden, veelal door eigen aangifte.

Bij de aanleg van het register werden in principe alle mannelijke ingezetenen ouder dan 22 jaar ingeschreven (hoewel wat de leeftijd aangaat, op grond van art. 7 van het Reglement van Bestuur toch ook wel jongere personen - vanaf 18 jaar en ouder - worden vermeld). Doch gegeven het feit dat vele mannelijke bewoners van (onder)verhuurde "kamers" op één woonadres niet in het Register van Stemgerechtigden worden genoemd, lijkt er veelal een uitzondering te zijn gemaakt voor de geringste werklieden en zij die werden gealimenteerd door de diverse instellingen van armenzorg. Wel werden ook weduwen uit de gegoede burgerij ingeschreven, die zich beriepen op hetzelfde artikel in bovengenoemd Reglement van Bestuur, dat hen in staat stelde het stemrecht of kiezerschap op grond van de door hen betaalde belastingsom over te dragen aan hun meerderjarige zonen of niet gekwalificeerde echtgenoten. Van de mannelijke ingeschrevenen werden vermeld het woonadres (wijkletter + huisnummer), naam en voornamen, ouderdom op de datum van inschrijving, het aantal jaren dat men reeds in Leeuwarden woonachtig was, het bedrag dat betaald werd in de Verponding en verdere beschreven Rijksmiddelen, uitgezonderd het Patentrecht, of men wel of niet aan de Nationale Militie had voldaan (niet opgenomen in deze ingang op het register) en de datum van inschrijving in het register (alleen het jaar van inschrijving is vermeld in de ingang).

In de kolom aanmerkingen werd aangegeven of iemand, die aanvankelijk wel voldeed aan de gestelde eisen voor het stemrecht, onder het bodembedrag van ¦ 20,-- bijdrage in de Verponding en Rijksmiddelen was gezakt, en derhalve zijn stemrecht was kwijtgeraakt. Vaak is de oorspronkelijke belastingsom veranderd in een nieuw bedrag. In verreweg de meeste gevallen is het oorspronkelijke bedrag nog duidelijk herkenbaar, wat echter niet wegneemt dat er toch nog enkele vraagtekens overbleven daar waar dermate rigoreus is gekrast en geknoeid, waardoor deze bedragen niet meer konden worden achterhaald. In deze twijfelgevallen is een vraagteken achter het bedrag geplaatst. Verder werd aangegeven of het adres van de persoon in kwestie was gewijzigd, dan wel of hij was overleden of de stad had verlaten. Of dit laatste consequent is gebeurd is niet geheel zeker. Zie voor het complete Reglemement van Bestuur inv. nr. 454 van het Secretariearchief 1811-1851.

Vanwege de onvolledigheid van dit register, met name m.b.t. de vrouwelijke (beroeps)bevolking en gealimenteerden, is gepoogd door aanvulling uit diverse andere omslagkohieren ontbrekende adressen, personen en andere relevante gegevens aan deze nadere toegang toe te voegen, om de mogelijkheden van een sociale stratificatie van Leeuwarden rond 1825 niet onbenut te laten. Zo zijn van de kohieren van het Stratenfonds, aangelegd in 1819, om het op grote schaal bestraten van de stad en het onderhoud daarna te kunnen bekostigen, de hoofdkohieren van 1824 en 1825 en de twee supplementkohiertjes over dezelfde jaren, die de eigenaren van de percelen vermelden welke waren gelegen in stegen en achterbuurten, benut om de huiseigenaren toe te voegen. Een lacune echter vormen de percelen welke in onbestrate gedeelten der stad waren gelegen (woninkjes in gloppen en steegjes en achterwoningen aan binnenplaatsen en binnentuinen etc.), alsmede die, welke in de buitenbuurten (Vliet, Camstraburen, Oldegalileën, Stadsbuitensingel, Achter de Hoven) waren gelegen. Dit nadeel kon niet door raadpleging van andere kohieren worden gecompenseerd.

Verder wordt in de Stratenfondskohieren de aard van het betreffende perceel vermeld (woning, pakhuis, stokerij, zeepziederij, etc.), alsmede de lengte (in Ned. ellen) die het perceel langs de openbare straat inneemt. Voor wat betreft de geschatte huurwaarde van de percelen, alsmede de in het Register van Stemgerechtigden ontbrekende personen (voornamelijk niet gekwalificeerden voor het Stemrecht) en niet in het Register van Stemgerechtigden vermelde beroepen is teruggegrepen naar de kohieren voor de Lantaarn-, Brandspuit- en Nachtwachtgelden van de jaren 1824 en 1825. De recapitulatie van beide kohieren vond plaats op resp. 20 december 1824 en 22 november 1825, en zullen derhalve in de daaraan voorafgaande weken zijn opgemaakt. Dit moge een verklaring vormen voor het feit dat de ene keer het kohier van 1824 en dan weer het kohier van 1825 overeenkomt met de bewoningstoestand zoals weergegeven in het Register van Stemgerechtigden. Ook worden in het Register van Stemgerechtigden wel personen op een bepaald adres vermeld, dat met geen van de beide LBN-kohieren overeenkomt. Mocht een persoon uit laatstgenoemde kohieren zijn toegevoegd, dan is het adres gemerkt met een asterisk (*), en duidt het inschrijvingsjaar op het jaar waarin de persoon in dat kohier op vermeld adres is aangetroffen. Ten overvloede misschien is in zo’n geval tevens in de kolom opmerkingen aangegeven of de persoon in het LBN-kohier is aangetroffen in 1824, 1825 of in beide jaren. Ook een toegevoegd beroep is gemerkt met een asterisk.

Voor wat betreft de geschatte huurwaarde van de percelen, kennen de LBN-kohieren uit de betreffende jaren hetzelfde nadeel als de kohieren van het Stratenfonds: wederom worden de buitenbuurten niet vermeld! Dit nadeel kon echter worden ondervangen door raadpleging van het LBN-kohier van 1819, dat wel tegemoet komt aan de gewenste volledigheid. Vergelijking van reeds bekende huurwaarden in de binnenstad heeft aangetoond dat er tussen 1819 en 1824/25 geen hertaxatie van de huurwaarde heeft plaatsgevonden en dat derhalve door toevoeging uit een ouder kohier het plaatje van 1824/25 niet zou kunnen worden verstoord. Verder verdient het aanbeveling om ter vergelijking en aanvulling, bronnen als patentregisters, volkstellingsregisters uit 1829 en 1839, kadastrale leggers (vanaf 1832), etc. te raadplegen. Vanaf 1832 worden in de LBN-kohieren, indien een perceel meerdere gezinnen herbergde, de geschatte totaalhuurwaarden van percelen uitgesplitst in tiendedelen per gezinshoofd, zodat het geflatteerde beeld uit de voorafgaande jaren, waarin een simpele arbeider soms een huurprijs van meer dan honderd gulden leek te moeten betalen, meer wordt genuanceerd. Ook werden naast de LBN-kohieren registertjes van oninbare posten aangelegd (1817-1834), waarin tevens de reden van het in gebreke blijven werd vermeld: armoede, gealimenteerd worden, geen huisraad bezitten, etc. Helaas zijn de deeltjes over de jaren 1824 en 1825 niet bewaard gebleven, doch in veel gevallen zullen de deeltjes uit 1823 en 1826 nog overeenkomen met de bewoningstoestand van 1824/25.

Het verenigen van gegevens uit omslagkohieren van verschillende signatuur in één index kent naast het voordeel dat daardoor de totale beroepsbevolking in een breder perspectief kan worden beschouwd, ook het nadeel dat de weergave van de bevolking in ieder kohier slechts een momentopname is. Hierdoor is het onvermijdelijk dat personen dubbel, met soms een verbasterde familienaam, worden vermeld op meerdere adressen.

Enige relevante artikelen uit het Reglement van Bestuur zijn o.a.:

"(art. 2) Voor stemgeregtigden worden gehouden zij, die ten minste gedurende het laatst verloopene jaar ingezetenen der stad, of van derzelver grondgebied geweest, en nog werkelijk op het oogenblik zelve ingezetenen daarvan zijnde, den ouderdom van 23 jaren hebben vervuld, jaarlijks in de verponding, en verdere beschrevene Rijksmiddelen, buiten het patentregt, betalen niet beneden de twintig guldens, aan de wettelijke verpligtingen aangaande de nationale militie, naar aanleiding der grondwet op hun gelegd, tot op het oogenblik toe hebben voldaan, en niet vallen in de termen van uitsluiting, bij het volgende artikel bepaald.

(art. 3) Van de uitoefening van het stemregt zijn uitgesloten zij, die in dienst zijn, of pensioen genieten van eenige vreemde Mogendheid, buiten autorisatie des Konings; die zich in staat van geregtelijke interdictie bevinden, als mede die, aan welken geregtelijk een raadsman is toegevoegd; die in staat van faillissement zijn; die cessie van hunne goederen gedaan hebben; die een crimineel vonnis hebben ondergaan, door geene nadere uitspraak of beslissing krachteloos gemaakt; die ten tijde van de stem-opening nog in staat van criminele beschuldiging zijn.

(art. 7) Zij, welke gehuwd zijn, het zij in gemeenschap van goederen, of daar buiten, met vrouwen, die de bepaalde somme in de bovengemelde belastingen opbrengen, zullen, ofschoon ter zake van hunnen eigen aanslag niet bevoegd, niettemin ter uitoefening van het stemregt worden toegelaten, wanneer zij de overige vereischten in zich vereenigen; zoo als ook de vader van een minderjarig kind, hetwelk de bepaalde somme in de belastingen opbrengt, wanneer hij uit eigen aanslag niet reeds tot het stemregt mogt bevoegd zijn, tot de uitoefening van hetzelve zal toegelaten worden, indien hij de overige vereischten bezit, hetgeen even zeer het geval zal zijn ten opzigte van een meerderjarigen zoon, of eenen der meerderjarige zoons van eene moeder weduwe, welke zich in gelijk geval bevinden mogt.

(art. 8) Zoodanige moeders-weduwen, welke verlangen zouden, dat die uitoefening geschiede, zullen verpligt zijn den genen van derzelver zoons, door wien zij, bij voorkomende gelegenheden, de uitoefening tot wederopzeggings toe begeeren verrigt te hebben, aan het stedelijk Bestuur kenbaar te maken, om daarvan de noodige aanteekening te kunnen houden tot narigt; terwijl het voorschreven Bestuur de moeders-weduwen, voor zoo verre die aan hetzelve mogen bekend zijn, of door hetzelve ondersteld worden in de termen te dezen te verkeeren, met de vorenstaande bepaling zal bekend maken.

(art. 9) Het zal onverschillig zijn, of de opgegevene zoon gehuwd, of ongehuwd is, en al, of niet, bij de moeder inwone, mits hij, den ouderdom van 23 jaren vervuld hebbe, en alle verdere vereischten (dat omtrent de belastingsbetaling alleen uitgezonderd) in de stemgeregtigden gevorderd wordende, bezitte, voor zoo verre hij namelijk niet reeds uit eigen hoofde het stemregt uitoefent, daar er door eenen persoon niet meer dan eene stem kan worden uitgebragt.

(art. 23) Niemand kan binnen de stad kiezer zijn, ten zij hij den ouderdom van 25 jaren heeft vervuld, binnen het Rijk of deszelfs koloniën geboren is, of brieven van naturalisatie bekomen heeft, of wel bij wetduiding voor een inboorling der stad, of met eene burger dochter gehuwd zijnde, gedurende de laatste drie jaren, en voor een inboorling van het Rijk of genaturaliseerden, gedurende de laatste zes jaren, stads ingezeten is geweest (zonder dat echter afwezendheid ten gevolge van bedieningen, door of van wege den Koning opgedragen, in deze hinderlijk zal kunnen zijn), en voorts jaarlijks in de verponding en verdere beschrevene Rijksmidddelen, buiten het patentrecht, op den voet der stemgeregtigden betaalt eene som van ten minste vijftig guldens.

Tot kiezers zullen daarenboven niet kunnen worden benoemd zij, die van eenig ambt, post, of bediening, door den Koning mogten zijn ontzet, of wel ontslagen, anders, dan met vermelding, dat zoodanig ontslag op hun verzoek, of honorabel is gegeven, zoo lang zij door den Koning van de onbevoegdheid, om benoemd te worden, niet zullen zijn ontheven.

Ook zal tot kiezer niet kunnen benoemd worden hij, die aan eenen reeds benoemden kiezer in den eersten of tweeden graad van bloedverwantschap, of zwagerschap bestaat. Twee personen, zich zoodanig bestaande, te gelijker tijd wordende benoemd, zal het lot tussche hun beslissen; terwijl voorts de bepalingen van art.48, 49 en 50 ook in deze zullen toepasselijk zijn."

Ga naar 'Zoeken in alles'


Volkstelling Leeuwarderadeel 1829

De volkstellingsregisters van 1829 (en 1839) zijn belangrijke bronnen, omdat in die periode nog maar in een beperkt aantal plaatsen bevolkingsregisters waren aangelegd. De registers zijn in veel gemeenten bewaard gebleven en berusten in de gemeentelijke archieven. De registers zijn opgezet zoals de bevolkingsregisters van 1850: per huisadres bieden zij gegevens over de inwoners. In tegenstelling tot de latere bevolkingsregistratie bieden de volkstellingsregisters slechts een momentopname van de samenstelling van een gezin op een bepaald tijdstip, in dit geval 1829.

De dorpen die in de voormalige gemeente Leeuwarderadeel liggen liggen, zijn van noord naar zuid:
Hijum, Finkum (w.o. Oude Leije), Stiens, Britsum, Cornjum, Jelsum, Miedum, Lekkum (w.o. Snakkerburen), Huizum, Goutum, Hempens, Teerns, Wirdum (w.o. Wijtgaard) en Swichum. (Dit is het noorder- en zuidertrimdeel).

Ga naar 'Zoeken in alles'


Hoofdbewoners Leeuwarden 1872

Adresboeken kunnen worden beschouwd als de voorlopers van onze huidige telefoongidsen. Lange tijd hebben beide naast elkaar bestaan. Het publiceren van een adresboek hing echter in sterke mate af van de bevolkingsomvang van de betreffende gemeente. Drukkers en uitgevers zagen slechts brood in het het uitgeven van adresboeken die betrekking hadden op de grotere plaatsen. Zo nu en dan werden ook adresboeken voor de gehele provincie uitgegeven, zoals voor de provincie Friesland in 1916, 1928 en 1948.

Net als tegenwoordig was de uitgever afhankelijk van adverteerders die de uitgave financieel mogelijk moesten maken. Het oudste bewaard gebleven adresboek voor de stad Leeuwarden dateert van 1857. Vanaf 1906 werden de inwoners van het toen nog in Leeuwarderadeel gelegen dorp Huizum eveneens in de Leeuwarder adresboeken vermeld.

Het adresboek van 1872 geeft behalve de namen, adressen en beroepen van de hoofdbewoners tevens aan of de betreffende ingezetene kiezer was van Leden voor de Gemeenteraad (G.R.) of van Leden voor de Provinciale Staten, de Tweede Kamer én de Gemeenteraad (P.S.).

In 1971 verscheen het laatste Leeuwarder adresboek. De telefoon was toen inmiddels gemeengoed geworden. De adresboeken zijn - zij het met enige hiaten - op de leeszaal van het Historisch Centrum Leeuwarden op microfiches raadpleegbaar.

Ga naar 'Zoeken in alles'


Leden Leeuwarder Groot-Schippersgilde ca. 1554-1823

Voor het overzicht van de leden van het groot-schippersgilde is gebruik gemaakt van de rekeningboeken van het groot-schippersgilde. Hierin werd de betaling van de gildegerechtigheid vermeld. In de rekeningboeken staan ook de begrafenissen van gildeleden en hun echtgenotes genoteerd. Voor het gebruik van de gilde-ornamenten tijdens begrafenissen moest namelijk een geldbedrag, het baargeld, worden betaald. In het overzicht zijn de namen van de echtgenotes met een asterisk (*) gemerkt.

Voor het overzicht is tevens gebruik gemaakt van de lijsten van gildebroeders, waarin schippers die vóór 1650 zijn toegetreden worden vermeld. Ook deze zijn met met een asterisk (*) gemerkt. Van de gildebroederszonen is aangenomen dat zij afkomstig waren uit Leeuwarden of omgeving, aangezien hun (voor)vaders het burgerrecht van Leeuwarden verworven hadden.

De leden staan genoteerd in volgorde van de plaats van herkomst. De geboorteplaatsen zijn met een asterisk (*) gemerkt. De plaatsen van herkomst en geboorteplaatsen zijn toegevoegd uit o.a. de burgerboeken, de beroepenklapper op de ondertrouwboeken en de trouwboeken.

Meer informatie over Friese Grootschippers en Buitenvaarders willen wij u hierbij verwijzen naar:  http://www.schippersgilden.nl/

Ga naar 'Zoeken in alles'


Protocol besteding wezen uit het Old Burger Weeshuis te Leeuwarden 1619-1824

In de protocollen van besteding (Archief OBW, inv.nrs. 124-127 en 129) werd vastgelegd bij wie de weesjongens werden uitbesteed, voor welk ambacht zij werden opgeleid, de vergoeding welke de betreffende ambachtsman aan het weeshuis diende te voldoen en de periode dat de pupil bij zijn meester onder contract stond. Afhankelijk van de leeftijd van de weesjongens werden deze contracten steeds weer voor een aantal jaren verlengd, totdat na het bereiken van de meerderjarige leeftijd uitzetting volgde. De meeste weesjongens worden dan ook meerdere malen genoemd. Ook kon na enige tijd blijken dat een weesjongen totaal ongeschikt was voor het uitoefenen van een ambacht, waarna uitbesteding bij een andere patroon volgde. Zo kon een kleermakersgezel wegens zweterige handen na verloop van tijd bij een timmerman of koperslager worden geplaatst. Soms kwam het voor dat met wezen wegens hun weerbarstige houding geen land te bezeilen viel, zodat de patroon genoodzaakt was bij de voogden van het weeshuis zijn beklag te doen. Dat wezen wegliepen was dan ook geen uitzondering. De meesten echter zouden na het voltooien van hun opleiding nog vele jaren als gerespecteerde vaklieden deel uit maken van de Leeuwarder gemeenschap.

Ga naar 'Zoeken in alles'

Terug

Doop-, (onder)trouw- en lidmatenregistratie in Leeuwarden


Uit: W. Dolk, ‘Meervoudige familienamen te Leeuwarden’, in: De Vrije Fries, deel LXVI, 1986.

Kerkelijke doop en trouw zullen, zodra het algemener worden van de schrijfkunst dat mogelijk maakte, schriftelijk zijn vastgelegd: het bijhouden van zulke registers in de 14e eeuw is voor wat betreft diverse plaatsen in Frankrijk en Noord-Italië aangetoond. Regels voor het aanhouden van doop-, trouw- en lidmatenboeken werden vastgesteld op de 24e zitting (1563) van het Concilie van Trente (waarbij tevens "heidense" doopnamen werden afgewezen en "christelijke" gevorderd). In ons land zijn de oudst-bewaarde doopboeken die van de Oude Kerk te Amsterdam (1564) en de St. Jan te ’s-Hertogenbosch (1565). In Friesland zijn zó oude registers niet aangetroffen.

Na de Reformatie schrijft het Convent van Wezel (1568) de aanleg van doopboeken voor. De Provinciale Synode van Dordrecht (1574) verlangt optekening der namen van de gedoopte kinderen, met die van ouders en getuigen; ook moeten trouw- en lidmatenboeken worden bijgehouden. Het geven van heiligennamen wordt niet nadrukkelijk verboden, maar het kerkvolk wordt wel vermaand, namen als Immanuel, Salvator, Engel en Baptista achterwege te laten. Bijbelse namen krijgen de voorkeur, en dat betekent in de praktijk vooral oud-testamentische als Abraham, Benjamin, Daniël, David, Eva, Sara, Susanna.

De resolutie van Gedeputeerde Staten van Friesland van 31 maart 1580 inzake de bestemming van de goederen van Rooms-Katholieke kerken en kloosters staat aan het begin van de opbouw van de organisatie van de Gereformeerde Kerk in deze provincie. In Leeuwarden wordt een lidmatenboek aangelegd (eerste nieuwe lidmaten 25 december 1581); ook zal daar toen met de registratie van doop en trouw zijn aangevangen, maar die opgaven zijn verloren gegaan.

De Leeuwarder reeks Gereformeerde trouw- en doopboeken begint nu in 1603, toen ds. Paschasius Baers op 13 februari zes huwelijken inzegende. Op dezelfde datum zijn vijf dopen geboekt: "Douwe Douwe Andrie(s) kint, Dirck Harmen Gerrits, Anna Schelte Tiepckes groffsmit dochter, Trin Sitze Sitzes zoon schuitefoerder van Fliedt kint, Frouck Hendrick Rintzes dochter". Dit oudste doopboek, Kerckenboeck van Lieuwerden aengaende de gedopende kinderen so olt als jonck en dit beginnende in Anno 1603, loopt tot 1612 en geeft uitsluitend doopdatum en namen van kind en vader. Opvallend is het grote aantal vaders met een toenaam, waarbij het niet steeds duidelijk is, of het al om een gefixeerde familienaam dan wel om een herkomst-, beroeps- of bijnwplacaatnaam gaat.

Eerst sedert 7 september 1727 geven deze Gereformeerde doopboeken tevens de naam van de moeder (en een enkele maal ook die van een getuige). De koster moest deze inschrijving doen aan de hand van een gedrukt, door de "wijkpredikant" getekend briefje: "Wert de Bedieninge des H. Doops bij deesen geaccordeert aan dit kind genaemt ... waarvan Vader is ... Moeder ... Getuige ... In kennisse van mij. Leeuwerden den ...". Een en ander was ingevoerd na ampele besprekingen in kerkeraad en magistraat, nadat gebleken was, dat "een paepsche vader" (Johannes Thomas) op 12 januari 1727 zijn drieling Gereformeerd had laten dopen (met het oog op onderstand?).

De doopboeken van andere kerkelijke gezindten - voorzover die bewaard zijn gebleven - geven al vanaf de aanvang de namen van beide ouders en getuigen: Eglise Wallone sedert 1659, Evangelisch Lutherse Gemeente sedert 1671, verschillende R.K. staties sedert 1699 (met hiaten). (Het geboorteboek der Leeuwarder Doopsgezinden is eerst 1785 aangelegd.)

Een op 28 februari 1772 door de Staten van Friesland uitgegeven Placaat omtrent het houden van Aantekeninge van de Ledematen der kerke, het Doopen der Kinderen, en der Persoonen die Getrouwd worden bepaalde in Artikel VI "In’t Boek van de Gedoopten zal de Predikant zorge draagen, dat de naam van de Gedoopte, nevens deszelfs Vader en Moeder en Getuigen, zoo wel als de dag van de maand en ’t jaar, zoo van de Geboorte als van ’t Doopen worden geannoteerd" (datum van ingang 1 mei 1772; vgl. ook Statenresolutie van 15 mei 1772). Van alle drie registers diende de koster een contra-boek bij te houden.

Na de inlijving bij Frankrijk werd hier 1 maart 1811 met de Franse wetgeving ook de Burgerlijke Stand ingevoerd. (Het eerste Leeuwarder register van geboorte-aangiften is 14 maart 1811 aangelegd.) De kerkelijke doop- en trouwboeken werden als retroacta van de registers van de Burgerlijke Stand beschouwd en dienden te worden ingeleverd bij de burgerlijke gemeenteadministratie.

Terug

Begraafplaatsen en begrafenisgebruiken in Leeuwarden

Uit: ‘Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden’, publikatie van de Stichting Aed Levwerd ter gelegenheid van Open Monumenten Dag 1999.

 

Het gebied van de gemeente Leeuwarden wordt sinds de zevende eeuw voor Christus bewoond. Zolang moeten er ook al mensen begraven zijn, maar uit de eerste tien eeuwen van de Leeuwarder bewoningsgeschiedenis zijn er geen aanwijzingen over de dodencultus bekend. Het oudste grafveld in de gemeente bevond zich te Huizum-Sixmastate. Hier werden vijf urnen gevonden die rond 500 begraven moeten zijn. Te Sixmastate waren heidenen begraven. In de periode van de zevende tot en met de eerste helft van de achtste eeuw werd het christendom geïntroduceerd. Aan het einde van de vroege Middeleeuwen had het christendom vaste voet in onze streken gekregen. Kerken werden gebouwd, aanvankelijk van hout, maar vanaf ca. 1000 van steen.

In Leeuwarden was het oudste kerkhof dat van Oldehove. Vanaf de twaalfde eeuw kon ook in en rond de St. Marie van Nijehove worden begraven. Nadien werd Leeuwarden verrijkt met verschillende kerken en kloosterkapellen, waar men begraven kon worden, zoals het in 1245 gestichte Jacobijnerklooster en de kapel van de Grauwe Begijnen: de rond 1500 gebouwde Westerkerk.

Lokale aanzienlijken en geestelijken lieten zich vanaf de elfde eeuw in de kerkvloer begraven, liefst zo dicht mogelijk bij het altaar. Dit was de meest heilige plaats. Minder belangrijke personen kregen een rustplaats rondom de kerk, op de godsakker. Hier stonden houten kruisen. Grafstenen waren vrijwel alleen in de kerk te vinden. Het kerkhof was gewoonlijk afgebakend door een heg of een afrastering.

Aanvankelijk werden de doden begraven in een lijkwade of een doodshemd. Later kwamen houten kisten of kleine grafkelders in zwang. Houten kisten werden tot 1675 door verschillende ambachtslieden vervaardigd. Op 19 februari 1676 verordonneerde het stadsbestuur dat grafkisten alleen - onder toezicht van een meester timmerman - door wezen van het Nieuwe Stads Weeshuis mochten worden vervaardigd en afgeleverd. Pas in 1807 werd dit monopolie opgeheven.

Begraven in een kerk werd door een groeiend aantal ‘Verlichte’ geesten als zeer onhygiënisch beschouwd. In 1775 schreef Onno Zwier van Haren: ‘zoo lang mij met enige kennis heugd, dat is zedert meer als vijftig jaar, nooyt in de Somer in de Westerkerk, voor al ’s namiddags, werd gepreedikt, zonder dat een, twee en dikwijls meer menschen flaauw uit de kerk werden gedragen; in die staat gebracht, niet door eenige onzeekere, maar door een bekende en gedecideerde cadavereuse reuk’.

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden. Bovendien moesten gemeenten met meer dan 1000 inwoners, begraafplaatsen buiten de stad aanleggen. In de late 19de eeuw werd onder andere in Duitsland gepleit voor het cremeren van doden. Het eerste crematorium in Nederland werd in 1914 in Velsen geopend. Dit was illegaal, maar werd gedoogd, pas in 1968 zijn begraven en cremeren bij de wet gelijkgesteld. In 1973 werd in Goutum een crematorium geopend.

Begrafenissen en grafrituelen

Begrafenissen waren van oudsher door tal van rituelen omgeven. De oudste schriftelijke overlevering van overheidsbemoeienis ten aanzien van begrafenisgebruiken in Leeuwarden werd in 1530 opgetekend door stads-secretaris Wilcko Folckerts. Oude en nieuwe regels werden erin vervat. Onder andere werd gestreefd naar meer soberheid bij diverse herdenkingen. Een merkwaardig gebruik was het houden van de zogenaamde ‘ommegang’. Tot 1580 werd op Sacramentsdag, ofwel de tweede donderdag na Pinksteren, ook in Leeuwarden nog een processie of ‘ommegang’ gehouden. In 1576 had Focke Hepckes ‘met zyn mede gesellen opten ommegangck mette duivelskoppen ommegelopen’. Een van de gebruiken bij sterfgevallen en begrafenisplechtigheden was het luiden van de kerkklokken, dan wel het ‘beluiden’ van de doden. In Leeuwarden was dit gratis, terwijl in andere steden, zoals Sneek, daarvoor betaald moest worden.

De begrafenis vond normaal gesproken voor 15.00 uur plaats. Welgestelden lieten zich vaak buiten reguliere tijden begraven, om zo de aandacht op hun status te vestigen. Sommige vermogende personen legateerden forse bedragen aan liefdadigheidsinstellingen zoals bijvoorbeeld de weeshuizen, waarbij evenredig aan het legaat, een aantal wezen bij de begrafenis aanwezig waren.

Sterven en begraven was tot in het begin van de 20ste eeuw een zaak van de gemeenschap. In geval van overlijden dienden buren hulp aan te bieden. De twee naaste buren werden direct gewaarschuwd. Zij namen de belangrijkste taken op zich en schakelden ongeveer vijf buren in voor lichte werkzaamheden. De buren stelden als eerste de dood vast en condoleerden de familie die daarna de sterfkamer verliet. De overledene werd gewassen en gekleed, familie en vrienden werden op de hoogte gebracht en de begrafenis geregeld. In sommige plattelandstreken komt de burenhulp nog steeds voor.

Het aanzeggen van een sterfgeval moest door de buren gedaan worden. Vanaf het einde van de 18de eeuw werd het tevens mode om een kennisgeving van overlijden in de krant te zetten.  De rijken konden een aanspreker of doodbidder inhuren om familie en vrienden persoonlijk uit te nodigen. Hij ging de opgegeven adressen langs en las de naam van de overledene voor of gaf een gedrukte invitatie af. De taken van de aanspreker werden steeds uitgebreider; de rijken konden de organisatie van een begrafenis volledig uitbesteden. Omstreeks 1900 kwamen particuliere uitvaartondernemingen van de grond, zoals de coöperatieve uitvaartvereniging ‘Friese Uitvaart Verzorging’, opgericht in 1937. In 1990 fuseerde de FUV met de coöperatieve uitvaartvereniging (CUV) in Groningen en in 1994 met NUVA.

Maatregelen bij epidemieën

Door de eeuwen heen hebben epidemieën hun tol geëist in Leeuwarden. In de Middeleeuwen en in de 17de eeuw was de pest een gesel die de stadsbevolking geregeld teisterde. In 1656 sloeg de pest in alle hevigheid toe. Op één dag moesten tachtig doden ten grave worden gedragen, en dat op een bevolking van slechts 15.000 zielen. De stadsregering nam maatregelen om misstanden - veelal door doodgravers gepleegd - tegen te gaan. Vaak werd er door de doodgravers namelijk buitensporig hoog loon wegens verleende diensten in rekening gebracht. Er werd onder meer bepaald dat degene die de doodkist had vervaardigd deze ook aan het sterfhuis diende te bezorgen. De kist diende van tevoren met pek waterdicht te zijn gemaakt -dit om het wegsijpelen van (besmet) lijkvocht tegen te gaan. Niet meer dan zes mannen of vrouwen ‘van de naeste gehebuyren aen beyde zijden’ mochten worden ingeschakeld om het doodskleed te maken en om het lijk in de kist te leggen. De lijkkisten moesten binnen 24 uur na het overlijden door dezelfde kistenmaker die de kist had gemaakt worden dichtgespijkerd. De pestdoden dienden binnen drie dagen te worden begraven. Doden van buiten de stad werden linea recta vanaf het schip of de wagen naar het kerkhof gebracht.

Tegen besmettelijke ziekten werden voortdurend maatregelen genomen. Zo werd op 17 februari 1827 op last van de Gouverneur verordonneerd dat voorlopig geen graven mochten worden geopend, waarin lijken waren begraven van de aan de geheerst hebbende ziekte (malaria tertiana) gestorvenen.

Voortdurend heerste er angst voor uitbraak van besmettelijke ziekten. Op 28 april 1832 bezweek een gast in hotel ‘De Nieuwe Doelen’ aan een onbekende ziekte. De behandelende artsen vreesden cholera en lieten de dode begraven in een met pek waterdicht gesmeerde kist. Alvorens de kist dicht te timmeren werd het stoffelijk overschot bespoten met chloorkalk. Om geen paniek te zaaien werd de betrokkenen nadrukkelijk een zwijgplicht opgelegd. Een half jaar later brak er daadwerkelijk een cholera-epidemie uit; de procedure hoe om te gaan met gestorven choleralijders was toen al uitgestippeld.

Het beheer van de begraafplaatsen

Vanaf de 16de eeuw zijn er archiefstukken over de dagelijkse gang van zaken op de stadsbegraafplaatsen. De administratie en de jaarlijkse inning van de grafgelden - geheven om het onderhoud van de graven in de kerken en op de kerkhoven te bekostigen - lag in handen van de koster van de Oldehove en de Westerkerk. Het dagelijks beheer van de kerkhoven berustte bij de stadsdoodgravers. Ze dienden deze in een nette staat te houden. Een andere taak was de presiderende burgemeester schriftelijk in kennis te stellen wie ze wekelijks op het kerkhof of in de kerk hadden begraven.

In een reeks ordonnanties uit de jaren 1584, 1587 en 1613 dienden doodgravers er op toe te zien dat niemand zijn behoefte deed op het kerkhof en dat er geen straatspelen werd uitgeoefend. Verder dienden de doodgravers te voorkomen dat er dieren het kerkhof op kwamen om er hun kost te zoeken. Met name honden en varkens wroeten gewoonlijk in de grond en konden zich te goed doen aan ondiep begraven lijken. Met name in tijden dat er besmettelijke ziekten heersten was men hierop uiterst bedachtzaam. Tijdens de pestepidemie van 1581 mochten loslopende honden worden doodgeslagen. Hiervoor werden zelfs betaalde hondenmeppers aangesteld.

In 1656 werd in een doodgraversordonnantie vastgelegd dat doodskisten pas tien jaar na de begrafenis mochten worden geopend of weggehaald, tenzij bloedverwanten van de overledene hiervoor eerder toestemming gaven. Van geruimde graven moesten de nog gave planken voor hergebruik opgeslagen worden op een door de magistraat aangewezen plek. Op 7 december 1791 moesten twee doodgravers van het Jacobijnerkerkhof zich voor de magistraat verantwoorden voor het overtreden van dit artikel, aangezien zij ervan werden verdacht voor eigen gewin doodkistenhout aan omwonenden te hebben doorverkocht.

Stadsdoodgravers gingen niet altijd even piëteitsvol te werk. Op 28 maart 1653 had Pieter Alberts ‘een hoofft van een vroumensch, waeraen noch enigh vleesch ende oock de vlechten waren in een benekou gesmeten’. Op 1 april werd Pieter Alberts hiervoor uit zijn dienst gezet en uit de stad verbannen Het werk van de doodgravers kon door strenge kou ernstig worden belemmerd. Wekenlang konden ze soms geen schep de grond in krijgen. De lijken die op het Jacobijner- of Oldehoofsterkerhof moesten worden begraven werden dan noodgedwongen opgeslagen in het Klokhuis of in de Oldehove. Op 27 februari 1830 drong de Plaatselijke Commissie voor Geneeskundig Toevoorzicht erop aan dat ‘nu de dooi reeds is ingevallen, het aanmerkelijk getal lijken, aanwezig in de Oldehove, nu ten spoedigste te begraven’.

Verdwenen begraafplaatsen binnen de stadsgracht

In de huidige binnenstad herinnert een aantal straatnamen nog aan lang vervlogen tijden, toen het onze voorvaderen nog was toegestaan om hun dierbaren binnen de stadsvesten te begraven. Zo kan er heden ten dage nog steeds op - en binnen niet al te lange tijd onder - een ‘Oldehoofsterkerkhof’ worden geparkeerd, over een ‘Jacobijnerkerkhof’ worden gewandeld en tot voor een aantal jaren terug ook nog aan een ‘Hoeksterkerkhof’ worden gewoond. De jongste generatie Leeuwarders zal er geen moment bij stil staan dat in de afgelopen eeuwen duizenden stadsgenoten hier hun laatste rustplaats hebben gevonden, al zouden de weinig aan verbeeldingskracht overlatende straatnamen toch op zijn minst een belletje moeten doen rinkelen. Minder voor de hand ligt het dat stamboomonderzoekers met Joodse antecedenten zich er tijdens hun noeste speurwerk van bewust zijn dat hun op dat moment nog onbekende pakes en beppes misschien wel onder de fundamenten van het ‘Ryksargyf’ liggen of hebben liggen rusten. Hier herinnert werkelijk niets meer aan de in 1670 aangelegde oudste Joodse begraafplaats. En op de vraag wáár in Leeuwarden ooit het ‘Misdadigerskerkhof’’ heeft gelegen, zal zelfs de meest rechtgeaarde Leeuwarder het antwoord schuldig moeten blijven. Van tijd tot tijd echter zijn de wat oudere Leeuwarders toch ook wel weer op indringende wijze met het funeraire verleden van hun stad geconfronteerd. Wie herinnert zich niet de aanleg van de diepriolering dwars door het Jacobijnerkerkhof in het midden van de jaren zeventig of het afgraven in 1968 van het als bodeterrein gefungeerd hebbende Oldehoofsterkerkhof. Tachtig-plussers zullen zich misschien de vrachtwagens vol knekels en doodshoofden nog herinneren die in de jaren dertig naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan werden afgevoerd toen de voormalige dodenakker genoemde status van expeditieknooppunt verkreeg. Ook het ruimen van de voormalige Israëlitische Begraafplaatsen achter de Boterhoek en aan de Groeneweg eind jaren veertig zal menige Leeuwarder nog in het geheugen gegrift staan. Binnen niet al te lange tijd zal toch ook de jongste generatie Leeuwarders er waarschijnlijk weer aan moeten geloven, wanneer het Oldehoofsterkerkhof een ware metamorfose ondergaat en er een ondergrondse parkeervoorziening zal worden gegraven. Waarschijnlijk zullen na voltooiing van dit karwei de allerlaatste stoffelijke resten van het Oldehoofsterkerkhof zijn opgeruimd. Achtereenvolgens zullen hierna de verdwenen begraafplaatsen in de binnenstad in volgorde van buitengebruikstelling worden beschreven. En passant zal tevens aan de daarbij gelegen (klooster)kerken enige aandacht worden geschonken. Het voormalige Witte Nonnenklooster - de latere Waalse Kerk - alsmede de Lutherse Kerk, alwaar eveneens is begraven, hebben nimmer een kerkhof gekend en vallen derhalve buiten dit bestek. Een uitzondering zal worden gemaakt voor de Westerkerk, aangezien dit de laatste kerk is geweest waar nog tot in de vorige eeuw (1826) is begraven. Tot slot dient nog te worden vermeld dat ook vlak buiten het stedelijke gebied van Leeuwarden nog enkele verdwenen begraafplaatsen hebben gelegen, die vanwege de beperkte omvang van dit boekje helaas niet aan bod kunnen komen. Het kerkhof van Teerns (ter plaatse van de huidige afslag vanaf Leeuwarden naar Hempens) is al in het begin van de vorige eeuw volledig van de kaart geveegd. Vlakbij de kerk van Huizum (achter het huis met het huidige adres Huizum Dorp 64) bevond zich de kleine particuliere begraafplaats van de familie Sixma-Trip. In de jaren ’70 zijn de laatste resten van de grafkelder opgeruimd.

I. Nijehoofsterkerkhof, c.1200-1580

Het feit dat de St. Vituskerk in 1285 als liggend in ‘Oldehove’ wordt aangeduid, impliceert dat de parochiekerk van Nijehove - het nieuwe kerkhof - toen reeds bestond. Volgens recente inzichten zal deze aan Maria gewijde kerk rond het jaar 1200 op instigatie van de Cammingha’s zijn gesticht. Ondanks het feit dat schriftelijke bronnen weinig bijzonderheden aangaande deze kerk en nog minder over het daarbij gelegen kerkhof hebben overgeleverd, mag er toch van worden uitgegaan dat er reeds kort na de stichting in en rondom deze kerk werd begraven. Dát er in deze kerk werd begraven blijkt wanneer Ulbe Hinnesdochter op 2 november 1582 de somma van anderhalve goudgulden betaalt ‘ter cause van een legersteedt voor haer moer, dien tot Niehooff inder kercke begraven is’.

Na de reformatie werd besloten om in deze kerk geen godsdienstoefeningen meer te houden. Nadat een gedeelte van het kerkhof als tuingrond in huur was uitgegeven, moest echter worden geconcludeerd, dat de naaste omgeving, voornamelijk wegens gebrek aan een goede afwatering en een deugdelijke bestrating, in een dermate deplorabele toestand verkeerde, dat hierin dringend verbetering diende te worden aangebracht. In de jaren die volgden werd het kerkhof gedeeltelijk opgeruimd en met ettelijke scheepsladingen zand, alsmede de grafaarde welke aan de westzijde van de kerk lag opgehoopt en waaraan deze plek de naam van ‘De Modder’ dankte, opgehoogd en geëffend, om vervolgens met keien te worden bestraat. Nadat er tot 1608 pestlijders en oorlogsslachtoffers waren verpleegd, diende het gebouw een tiental jaren als opslagplaats voor ’s Lands krijgsbehoeften. In 1619 kreeg het gebouw een bestemming waaraan het de latere naam van ‘het Klokhuis’ ontleende. Een deel van het gebouw werd toen verhuurd aan Hans Falck van Neurenberg om als klokgieterij te dienen. In 1674 werd een gedeelte van het gebouw ingericht als turfschuur voor de armen van het Hoekster Espel. Een ander deel werd in 1678 bestemd voor de doodkistenfabricage, waarop het Nieuwe Stads Weeshuis het monopolie had verworven. Nadat de voormalige parochiekerk haar bestemming als klokgieterij had verloren, diende zij nog als armenschool en als pakhuis.

De bouwvallige staat waarin het gebouw verkeerde deed de Magistraat in 1765 besluiten om het gebouw te laten afbreken. Gedurende de hele zomer hield men zich hiermee bezig. Alvorens de grond te egaliseren werden er diepe kuilen gegraven om er de doodsbeenderen in te begraven welke tegen de muren van de voormalige kerk aan hadden gelegen en waaraan deze hoek van het kerkhof de naam ‘Bonkenburg’ ontleende. Overigens werd toen al lang niet meer van Nijehoofsterkerkhof gesproken, doch werd het gehele terrein als Jacobijner- of Groot Kerkhof aangeduid. Nadat stichting van een armhuis op deze plek financieel niet haalbaar was gebleken, werd in 1768 besloten om de grond tot erven uit te geven om er woningen te laten bouwen. Ruim een eeuw later moesten deze woningen weer plaats te maken voor het St. Elisabethsgesticht en de Joodse Dusnusschool. Door uitbreiding van het eerstgenoemde gebouw verdween in 1911 het tussen de Grote Kerkstraat en Perkstraat gelegen straatje ’De Modder’.

Toen er in 1930 bouwactiviteiten plaatsvonden aan de Grote Kerkstraat, stuitte men op een diepte van twee meter op funderingsresten van Friese kloostermoppen. Daaronder trof men een aantal lijkkisten aan die allen in oost-westelijke richting waren begraven. Na nog dieper te hebben gegraven werd er een schacht geopend die tot een dikte van een meter bleek opgevuld met doodsbeenderen en puin. De gebeenten die aan de oppervlakte kwamen behoorden toe aan overledenen die voor 1580 op het Nijehoofsterkerkhof ter aarde waren besteld, doch nadien herhaaldelijk waren verplaatst en zonder enig gevoel voor piëteit door elkaar waren gesmeten.

II. Hoekster- of Catharinakerkhof, 15de eeuw-1691

De St. Catharinakerk van Hoek is vermoedelijk in de 14de eeuw - eveneens door de Cammingha’s - als derde parochiekerk van Leeuwarden gesticht. In de kerkvloer van de St. Catharinakerk vonden vele aanzienlijken een laatste rustplaats. Evenals de oude parochiekerk van Nijehove werd deze kerk na 1580 voor de godsdienstoefeningen niet meer geschikt geacht. Toch werden in 1581 nog twee en in 1582 nog vier ‘legersteden’ in de Hoeksterkerk verkocht. Zo wordt op 5 februari 1582 melding gemaakt van de ontvangst van drie goudgulden die waren voldaan door ‘Rienck vaer, woonende inde kelder van mijn heer van Amelant, ende dat ter cause van een legersteede voor Rienck’s huijsvrou Hil, die inde Hoexter kercke begraven is’. Nadat ook daar een tijd lang pestlijders waren verpleegd stond het gebouw geruime tijd leeg, totdat het werd ingericht als ’s Lands Artillerie- en Ammunitiehuis. In 1691 verloor het deze bestemming weer om in 1695 verbouwd te worden tot Stads Werkhuis. In de eerste halve eeuw die na de reformatie was verstreken was behoorlijk inbreuk gemaakt op het recht van de stad op de grond van het Hoeksterkerkhof. Omwonenden hadden huizen en potkasten tegen de voormalige kerk aangebouwd, hetgeen de Magistraat in 1638 deed besluiten om hier grond tot erven uit te geven om een meer regelmatige bouw te bevorderen. Zo ontstond er een nieuwe brede straat die de naam van Hoeksterkerkhof bleef dragen en die in 1691 voor het eerst werd bestraat. Getuige de begraafboeken werd er tot 1691 begraven. Op 12 en 13 november van dat jaar vonden twee kinderen van het Vliet er als laatsten hun rustplaats. Saillant detail vormt de vermelding in een koopbrief uit 1710 die betrekking heeft op het perceel Voorstreek 112. Dat jaar verkoopt een weduwe haar deel van dit huis inclusief ‘twee graven daer aghter, tot een thuintje gebruickt wordende en door een stackettinge afgeschut’. In de jaren vijftig van deze eeuw bleek nog steeds de oorspronkelijke bestemming van dit terrein. Bij elk karwei waarbij de schep de grond in moest kwamen er skeletdelen naar boven. Toenmalige bewoners van het Hoeksterkerkhof konden mensen noemen bij wie ‘de bonken onder de drompels’ lagen. Bij raadsbesluit van 10 januari 1984 is de naam Hoeksterkerkhof ingetrokken.

III. Galileër- of ‘Misdadigerskerkhof’, c.1500-18de eeuw

In 1456 werd ten noordoosten van de stad het Minderbroedersklooster Galilea gesticht. In 1498 werd dit klooster uit veiligheidsoverwegingen gevestigd in het nog onbebouwde oostelijke deel van de stad. Blijkens een bij testament gedane schenking ten behoeve van de bouw van het nieuwe kloostercomplex waren in 1506 de werkzaamheden nog steeds niet afgerond. Na de reformatie in 1580 werd de voormalige kloosterkapel aangewezen om onder de naam van Galileërkerk als derde godshuis van de ‘gereformeerde gemeente’ te dienen. Tot dan toe hadden voornamelijk kloostermonniken op het terrein direkt ten noorden van de kapel een laatste rustplaats gevonden. Na 1580 werd het voormalige kloosterterrein verkaveld en werden er zowel in noord-zuidelijke als in oost-westelijke richting nieuwe straten aangelegd. Eén van die nieuwe straten was het Droevendal. Deze straat werd dwars over het voormalige monnikenkerkhof gerooid, zodat er van het voormalige uitgestrekte kerkhof nog slechts een klein deel overbleef dat haar oorspronkelijke bestemming bleef behouden. Echter vanaf dat moment zouden nog slechts ter dood gebrachte of in het gevang gestorven criminelen er hun laatste rustplaats vinden. Deze plek stond bij de Leeuwarders dan ook al snel bekend als het ‘Misdadigerskerkhof ’. Via een steeg in het Droevendal kon dit kerkhof worden bereikt, ware het niet dat een zware deur de vrije doorgang belemmerde. Over het kerkhof zelf is vrij weinig bekend, zodat niet exact bekend is tot wanneer er is begraven.

Alvorens in 1940 tot sloop van de kerk werd overgegaan, werden de zerken in de kerk gefotografeerd en beschreven. Een deel van de zerken is naar Minnertsga vervoerd, alwaar zij - omgekeerd - in de vloer van de N.H. kerk zijn verwerkt. Na de sloop van de kerk en de ten noorden daarvan gelegen bebouwing liet de PTT er eind jaren vijftig het ‘Telefoonkantoor’ bouwen. Het was op deze plek, aan de zijde van het Droevendal, waar in de zomer van 1961 een gebouwtje voor de bedrijfsarts van de PTT moest verrijzen. Hierover kon uit de mond van oud archiefmedewerker Wim Dolk de volgende anekdote worden opgetekend. Op een mooie zomerdag dat jaar zou toenmalig wethouder Jan Tiekstra een fietstochtje hebben gemaakt, waarbij deze op een gegeven moment de Grote Wielen passeerde. Hier zou zijn oog zijn getroffen door een berg uitgestorte modder waar her en der menselijke resten uitstaken. De volgende dag werd meteen aan Wim Dolk om opheldering gevraagd. Deze deed daarop navraag wie voor het transport van deze lugubere lading verantwoordelijk was en waar zij was gedolven. Toen hierover uiteindelijk duidelijkheid bestond, was het raadsel snel opgelost. Het betrof hier grond van een deel van het voormalige ‘Misdadigerskerkhof ’! Onderzoek ter plekke maakte duidelijk dat het hier niet om een doorsnee dodenakker ging. Zo waren de doodkisten bijzonder grof en onafgewerkt uitgevoerd en was er geen enkele regelmaat in de wijze van begraven te herkennen. De doden waren als het ware op een even onverschillige als onwillekeurige wijze ‘onder de groene zoden gesmeten’.

Dat niet iedere terechtgestelde het ‘voorrecht’ had om te worden begraven moge duidelijk zijn. Het hing van de strafmaat af of ‘het lichaem de begraeffenisse werd gegund’. Vele misdadigers werden ‘anderen ten exempel, ten prooije gelaten aan de vogelen des velds’. Dit hield in dat zij boven een gemetselde put in de Galgefenne - ongeveer ter plekke van het huidige kantoorgebouw van ’De Friesland’ aan de Harlingertrekweg - werden ophangen, totdat het voortschrijdende ontbindingsproces hen in de put deed storten. Tegenwoordig resteert er weinig meer dat ons nog aan deze ‘wrede’ periode in de Leeuwarder geschiedenis herinnert.

IV. Groot - of Jacobijnerkerkhof, 13de eeuw-1824

Nadat in 1245 de Dominicanen zich te Leeuwarden hadden gevestigd, zou rond 1275 zijn aangevangen met de eerste fase van de bouw van de kloosterkerk die we tegenwoordig nog kennen als de Grote - of Jacobijnerkerk. In 1484 legateerde Tyemck Wibren Boulsmedochter een aanzienlijk legaat aan de paters ‘to hiara tymmer to der tzerke’. Dit hield verband met de eerste uitbreiding van de kerk. De laatste grote uitbreiding vond rond 1500 plaats. Hoe het kloostercomplex er ongeveer uit heeft gezien weten we dankzij de recente ontdekking van een stadsplattegrond uit 1572 die ooit in opdracht van Caspar di Robles werd vervaardigd.

Al betrekkelijk vroeg zullen gefortuneerde Leeuwarders - doch ook vele aanzienlijken van buiten de stad - bij testament de wens te kennen hebben gegeven om in de pas gereed gekomen kloosterkerk te worden begraven. Een begrafenis in een convent kostte meer dan normaal en was bijgevolg alleen weggelegd voor de beter gesitueerden. Op 25 november 1407 testeerde Mammo Mammingha te Nijehove, waarbij deze de uitdrukkelijke wens te kennen gaf begraven te willen worden bij de Dominikanen of Predikbroeders te Leeuwarden. Voor zover traceerbaar lijkt dit de oudst bekende vermelding van een Leeuwarder die in de Jakobijnerkerk wenste te worden begraven.

Bij de restauratie van de Grote kerk in de jaren 1842/1843 werd de zerkenvloer aan het zicht onttrokken door het leggen van een houten vloer. Ten behoeve van de restauratie in 1972/1978 werd deze vloer weer weggenomen. Er kwam een werkelijk unieke zerkenvloer te voorschijn. Renaissance zerken, behorende tot de mooiste van Nederland, lagen her en der verspreid. Sommige met afmetingen van twee bij drie meter. Ook sarcofaagdeksels, later gebruikt als altaarsteen en als grafzerk werden aangetroffen, evenals grafstenen die ingelegd waren met koper. De opgegraven stoffelijke overblijfselen werden herbegraven. Na het aanbrengen van een betonnen vloer werden de grafzerken zoveel mogelijk op de oude plaats herlegd.

Op de scheiding van koor en schip liggen enige renaissance zerken die zijn gehakt door de beroemde zerkhouwers G.B. (Gerbrant Benedictus) en B.G. (Benedictus Gerbrants). Ze dekten graven van de familie Cammingha. Het hertje met kammen - ook het wapen van de voetbalclub Cambuur - is duidelijk te herkennen. Andere bijzondere zerken zijn een priesterzerk, met hierop een miskelk met hostie, een grote zerk in het koor waarop de rechtspraak van koning Salomo staat afgebeeld en een aantal fraaie kinderzerkjes.

Bijzonder is ook de zerk die het graf dekt van een bastaard van de hertogen van Brunswijk. Dwars door het afgebeelde wapen is een balk geslagen: er loopt een streepje door.

In het koor van de kerk is niet meer de koperen plaat te vinden die ooit het graf dekte van Gregorius Bertolf, president van het Hof van Friesland. Deze koperen plaat, met hierop de getabberde beeltenis van Bertolf (†1528), is in de depots van het Fries Museum opgeslagen.

In 1580 werd door de hervormden definitief bezit genomen van zowel kerk als klooster. Kosten noch moeite werden gespaard om het aanzien van de voormalige kloosterkerk te vergroten en haar te verheffen tot hoofdkerk. Verder werd het uitwendig aanzien van de voormalige kloosterkerk sterk verbeterd door het wegbreken van de knekelhuizen of ‘benekouwen’ - verzamelplaatsen van stoffelijke resten - welke zich tegen de buitenmuren van de kerk bevonden. Mogelijk heeft een deel van het oude Nijehoofsterkerkhof na 1580 lange tijd gefungeerd als verzamelplaats van beenderen die bij het ruimen van graven op het Jacobijnerkerkhof werden opgedolven. Op 3 november 1649 besloot het stadsbestuur ‘om een benekouw te maken aende noordkant van ’t Clockhuis, aende sijde van Agge Roepers bewoonde huisinge, ende de benen en doodshoofden aende suidsijde van ’t Clockhuis leggende, van daer te doen (over)brengen’. In 1766 werd door de Magistraat besloten ‘om de beenekouw, staande op het Jacobiner kerkhoff bij de Modder te laaten wegh breeken en de beenderen alle in graaven op gemelde kerkhoff laaten begraaven’. Het is niet ondenkbaar dat de aan de achterzijde van de gebouwen van de Fryske Akademy aan de Doelestraat (huisnr. 2-4 ) ingemetselde tekststeen ‘MORS OMNIA SOLVIT’ (De dood lost alles op), inclusief de voorstelling van een doodshoofd, afkomstig is van de in 1766 gesloopte benekouw aan De Modder.

In 1789 werd besloten om het westelijk gedeelte van het kerkhof, dat zich uitstrekte tot aan het Nieuwe Stads Weeshuis met gele klinkert te bevloeren. Hiertoe diende eerst het kerkhof met zand en verse modder te worden opgehoogd, en wel zo dat het naar alle kanten rond afliep. De twee inhammen, die zich bij de huizen aan de zuidzijde van het kerkhof bevonden, dienden tien duim extra te worden opgehoogd, zodat het overtollige hemelwater van daar naar het middenpad en vanaf de sluitboom voor de ingang van de Perkstraat - de tegenwoordige A.S. Levissonstraat - in de richting van het weeshuis haar weg kon vinden. In 1824 was het Jacobijnerkerkhof reeds zo overbezet dat het gemeentebestuur er op 10 april van dat jaar mee akkoord ging om er niet meer te begraven, maar om de grafzerken te verwijderen, het terrein te effenen en het met bomen te beplanten. In 1830 werd de kerkhofmuur afgebroken en werd het voormalige kerkhof door stenen palen met ijzeren baliën afgesloten. Toen in 1977 ten behoeve van het aanleggen van diepriolering een diepe sleuf dwars door het voormalige kerkhof moest worden gegraven, kon tot afgrijzen van menig stadsgenoot worden geconstateerd dat ‘het in vrede laten rusten van de doden’ slechts een relatief begrip is. Uit beide sleufwanden staken de doodkistplanken inclusief inhoud, die eeuwen eerder aan de aardse moederschoot waren toevertrouwd. Ook stuitte men op een omvangrijk knekelveld, waarin de doodsbeenderen van de eerder gesloopte ‘benekouwen’ waren herbegraven.

V. Joodse begraafplaatsen, 1670-1833

De zware tol die de eens zo omvangrijke - bijna 700 zielen tellende - Leeuwarder Joodse gemeenschap in de oorlogsjaren heeft moeten betalen, was na de bezettingsjaren evenzeer af te lezen aan het Joodse erfgoed hier ter stede. In tegenstelling tot de uit 1833 daterende nieuwe Israelitische Begraafplaats aan de Jelsumerstraat, die de oorlog betrekkelijk schadevrij had overleefd, verkeerden de oude dodenakkers achter de Boterhoek en op de hoek van het Tournooiveld en de Groeneweg in sterk verwaarloosde en gehavende toestand. Met name de in 1670 aangelegde begraafplaats achter de Boterhoek was zwaar geschonden doordat de bezetter er een loopgraaf dwars doorheen had laten gegraven. Ook was de ommuring grotendeels verdwenen. Gras en vooral brandnetels schoten hoog op tussen de enkele nog overgebleven, scheefgezakte zerken. De houten schutting die de uit 1786 daterende begraafplaats aan de Groeneweg gedeeltelijk had omgeven, was gedurende de laatste oorlogswinter in de Leeuwarder kachels en fornuizen verdwenen.

Tot 1940 waren deze - sedert 1833 in onbruik geraakte - begraafplaatsen door de Joodse gemeente naar behoren onderhouden. Na de oorlog ontbrak het de sterk gedecimeerde Joodse gemeenschap aan financiële middelen om beide begraafplaatsen weer in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. Aangezien de stad er groot belang aan hechtte om het bezit van de beide begraafplaatsen te verwerven - onder andere met het oog op de dringend gewenste verbreding van de Groeneweg - werden al vrij spoedig onderhandelingen gevoerd met het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap. Overeengekomen werd dat overname zou kunnen geschieden zodra de begraafplaatsen waren geruimd. De stoffelijke resten en de grafzerken werden zoveel als doenlijk was naar de begraafplaats aan de Jelsumerstraat overgebracht.

Op 11 juni 1952 stemde de gemeenteraad in met het voorstel van B.&W. tot aankoop van beide percelen. Een jaar later werd het terrein aan de Groeneweg doorverkocht aan het Rijk ten behoeve van het bouwen van een gedeeltelijk ondergronds centrum ten behoeve van het korps Luchtwachtdienst, afdeling Friesland. Tegenwoordig wordt dit onderkomen gebruikt door musici die er, zonder angst het toegestane aantal decibels te overschrijden, naar hartelust kunnen oefenen en waaraan het de huidige naam ’popbunker’ heeft te danken.

 


VI. Oldehoofsterkerkhof, 9de eeuw-1833

Zonder twijfel kan het Oldehoofsterkerkhof worden aangeduid als de oudste en belangrijkste begraafplaats van Leeuwarden. Een vroegmiddeleeuws grafveld doet vermoeden dat hier ooit een houten kerk heeft gestaan. Pas in de 11de eeuw werd de terp van Oldehove uitgekozen voor de vestiging van een stenen kerk. In 1661 werd aan de noordkant van het kerkhof een stenen wal uit de doorgegraven binnengracht, die de Boterhoek van het kerkhof scheidde, opgemetseld. Aan de westzijde werd het kerkhof middels een ringmuur van de Torenstraat afgescheiden. Nog in 1843 kenden enkele woningen tussen de noordwesthoek van de Kleine Kerkstraat en het Oldehoofsterkerkhof de aanduiding ’Bij den Sluitboom’. Vanaf deze kant kon destijds het kerkhof met rijdend materieel worden bereikt. In 1679 werd aan de oostzijde van het kerkhof een fraaie nieuwe poort als toegang naar het kerkhof gebouwd. Het oorspronkelijke kerkhof bestond uit een noordelijk - en een zuidelijk gedeelte, ieder met een afzonderlijke regel- doch doorlopende grafnummering. Daarnaast konden welgestelden zich binnen de muurrestanten van de voormalige - in 1595 gesloopte - St.Vituskerk laten begraven. Nadat in 1706 deze muurrestanten door een kring lindebomen was vervangen werden alle graven welke niet met zerken gedekt waren, met bakstenen bevloerd. In 1752 werd door het stadsbestuur een bedrag van 2000 gulden uitgetrokken om het gehele kerkhof op te hogen en andere herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het aantal graven op het kerkhof werd in 1754 op zo’n 4700 geschat. In 1786 werd besloten om het gehele kerkhof, voor zover de graven niet met zerken waren gedekt, met gele klinkert te bevloeren.

Nadat Friesland in het najaar van 1826 werd getroffen door een malaria-epidemie, met als gevolg een explosieve stijging van het aantal sterfgevallen, werden er eindelijk maatregelen getroffen die het begraven in oude binnensteden onmogelijk zouden maken. Allereerst werden op 13 november 1826 de gemeentebesturen in Friesland ‘op last van de Koning’ door de Gouverneur aangeschreven, ‘om zoo spoedig immer mogelijk, plaatsen buiten de Kerken aan te wijzen, geschikt om de lijken ter aarde te bestellen, en om te zorgen, dat niet meer in de Kerken begraven worde’. Nadat het gemeentebestuur kennis had genomen van dit Koninklijk Besluit werd op 9 april 1827 een raadscommissie samengesteld die moest nagaan of het noodzakelijk was om naast het Oldehoofsterkerkhof nog een tweede begraafplaats aan te leggen. Op 28 augustus 1827 - toen de commissie reeds druk met haar onderzoek bezig was - werd andermaal een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarbij het begraven in kerken algemeen werd verboden en dat gemeenten met meer dan duizend inwoners zo spoedig mogelijk begraafplaatsen buiten de bebouwde kom dienden tot stand te brengen. Dit besluit diende voor 1 januari 1829 uitgevoerd te zijn. Ondanks het feit dat het gemeentebestuur in het geheel niet enthousiast was om geld uit te geven voor een nieuwe begraafplaats - het Oldehoofsterkerkhof was nog geen jaar eerder voor 1725 gulden verbeterd - werd dit Koninklijke Besluit doorgegeven aan de door haar ingestelde raadscommissie. Deze bracht in september 1827 verslag uit. Het was haar gebleken dat de lokatie van het Oldehoofsterkerkhof geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid zou hebben. Daarnaast zou het aantal graven op het kerkhof in combinatie met een sterftecijfer van circa 500 per jaar en een gemiddelde ‘rottingstijd’ van 7 jaar een tweede begraafplaats overbodig maken. Hierop besloten B.&W. om een verzoekschrift bij de koning in te dienen ‘ten einde de thans bij de Oldehoof alhier bestaande begraafplaats voorlopig te mogen behouden’. Dit verzoekschrift werd op 2 februari 1829 van de hand gewezen, waardoor de raad zich gedwongen zag de burgemeester te verzoeken om een voordracht te doen ‘ten aanzien van de plaats waar, en de wijze hoe eene nieuwe begraafplaats aan te leggen’. Hoewel er officieel vanaf 1 januari 1829 geen doden meer binnen de stad mochten worden begraven, is er van enige haast geen sprake. Uiteindelijk werd gekozen om de nieuwe begraafplaats aan te leggen ten noorden van de Spanjaardslaan. Er zou nog tot 3 juli 1833 op het Oldehoofsterkerkof worden begraven.

In de jaren die volgden raakte het Oldehoofsterkerkhof snel in verval. Op 25 september 1837 werd door de gemeenteraad besloten tot de sloop van de Vrouwenpoort en het afgraven van de stadswal tussen de Oldehoofster- en Vrouwen-waterpoort. Hierna zou het hele gebied samen met het Oldehoofsterkerkhof ‘tot eene groote beplanting’ moeten worden aangelegd volgens een door architect Lucas Pieter Roodbaard ontworpen plan. Hiertoe dienden de nog aanwezige grafzerken, na toestemming van de eigenaren, te worden verwijderd. De graven zouden echter onaangeroerd blijven. In de winter van 1837/38 toog men voortvarend aan het werk. Het merendeel van de graven op het Oldehoofsterkerkhof was eigendom van de stad, terwijl vele andere particuliere graven zonder morren werden afgestaan. Het aantal graven dat met zerken was gedekt en waarvan de eigenaren in het grafregister konden worden getraceerd bedroeg 33 in totaal. Echter de oud-grietman van Hemelumer Oldeferd, Tjalling Minne Watze van Asbeck, had bij geruchte vernomen ‘dat men op last van de Burgemeester van Leeuwarden de hand had geslagen aan het Oudehoofdster Kerkhof, aldaar graven amoverende, doodkisten openende, de doodsbeenderen verroerende etcetera’. Hij protesteerde heftig, waarbij zelfs een brief ‘op poten’ aan Zijne Majesteit werd gezonden! B.&W. van Leeuwarden betitelden de inhoud van deze brief als pure ‘hoon en laster’ aan haar adres en dreigden zelfs met gerechtelijke stappen. Uiteindelijk werden de door Van Asbeck aangevoerde argumenten van tafel geveegd, waarna de werkzaamheden aan het kerkhof volgens plan konden worden afgerond.

Ook het Oldehoofsterkerkhof heeft tot 1837 een knekelhuis gekend, dat op afbeeldingen van de Oldehove en op stadsplattegronden is weergegeven. In deze uit 1613 daterende ‘benekouw’ zat een gedenksteen, waarvan het opschrift luidde:

Och Adams kinderen, bedenk U regt,
Hier legt de Heere bij de Knegt,
Edel, onedel, arm ende rijk,
Zijn alle geworden eerde en slijk,
Als gij nu zijt, zijn wij geweest,
Keert u tot God, dat is u best,
Als wij nu sijn, soo moet gij worden,
Verlaet de zonden, ’t zijn swaere borden,
Bereijd U huis en leert nu sterven,
So mogt gij na dit leeven het rijk Gods beërven.

Anno 1613

Het Leeuwarder gemeentebestuur vermeldde in een aan Gedeputeerde Staten gericht schrijven de sloop van dit knekelhuis: ‘Ten einde de aan te leggen wandelplaats op het Oldehoofdster Kerkhof van het gezigt eener verzameling van menschenbeenderen - die gewis meer dan twee eeuwen in een knekelhuis of beenderenkooi waren bijeengebragt en opgestapeld en hoog boven de muren uitstaken - te ontdoen, deze gelegenheid mede te baat is genomen, om die beenderen in de aan die beenderenkooi belendende gegraven kuilen over te brengen, en met aarde te bedekken, even gelijk zulks in andere Steden en plaatsen bij de ontruiming en vernietiging der knekelhuizen of beenderenkooien is bewerkstelligd’.

In het voorjaar van 1862, toen het gemeentebestuur naarstig op zoek was naar een geschikte locatie voor een te bouwen armenschool, viel het oog op het uitgestrekte Oldehoofsterkerkhof. Na het verkrijgen van de Koninklijke goedkeuring, werd het werk op 15 maart van dat jaar voor ¦ 17.000,-- aanbesteed. Tijdens de bouw van de school werd de zerk van Pieter van Dekema (†1568) en Catharina van Loo (†1581) ontdekt, welke tegenwoordig zit ingemetseld in de zuidmuur van de Oldehove. Na aanhoudende klachten over stank in de school - ’men meende er den reuk van het oude kerkhof in te bespeuren’ - werden na 1878 de klaslokalen stuk voor stuk opengebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd. Het gebouw heeft nog tot 1933 dienst gedaan, de laatste jaren als schippersschool, waarna het werd gesloopt in verband met het aan te leggen bodeterrein.

Tot dat jaar had het Oldehoofsterkerkhof er een volle eeuw ongebruikt en verlaten bijgelegen. Alleen het personeel van de aldaar gevestigde lijnbanen zag men er dag in dag uit hun baan achterwaarts aflopen. Verder diende het tot speelplaats voor de kinderen uit de nabijgelegen buurten en graasde er een enkele geit. Na verloop van tijd begon het vlakke terrein echter steeds meer kuilen en gaten te vertonen, doordat vele vermolmde doodkisten in de ondergrond de last niet meer konden dragen. Met name in het natte jaargetijde bleef het regenwater lange tijd in deze kuilen en gaten staan, waardoor het kerkhof in een onbegaanbare modderpoel veranderde en door iedereen angstvallig werd gemeden. Pas in 1933 kwam er een eind aan deze situatie. In de maanden juli, augustus en september vonden er grondwerkzaamheden plaats, waarbij het terrein - zij het slechts zeer oppervlakkig - werd afgegraven om het vervolgens met zand te egaliseren en met keien te bestraten. Alleen daar waar riolering moest worden aangelegd, werd dieper gegraven. Desalniettemin werden de werkzaamheden met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd, door zowel beroepsmatig geïnteresseerden als door de burgerij. Regelmatig deed de plaatselijke pers verslag van hetgeen er aan de oppervlakte kwam. Zo kwamen er enkele oude grafzerken aan het licht, waarvan er in ieder geval één het vermelden waard is. Zo werd na eeuwen de grafzerk van de beroemde Friese kunstschilder en Franeker burgemeester Jacobus Sibrandi Mancadan herontdekt. De tekst luidde:

‘ANNO 1680 DEN 4EN OCTOBER IS IN DEN HEERE GESTORVEN DEN EERSAMEN CONSTRIJKEN JACOBUS MANCADAN, IN LEVEN OLD-BORGEMEESTER DER STEDE FRANEQUER, OUDT 78 JAAR EN LEIT HIER BEGRAVEN’

Het totale aantal gevonden grafzerken viel echter behoorlijk tegen. Waarschijnlijk ging het hier om de in 1837 ‘vergeten zerken’ die eerder reeds onder de grond waren geraakt en daardoor over het hoofd werden gezien. Voor zover kon worden nagegaan waren de doodkisten, op een enkele uitzondering na, compleet vergaan. Maar liefst 33 vrachtwagens vol schedels en beenderen werden afgevoerd naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan om aldaar te worden herbegraven. Echter tal van schedels raakten in particuliere handen en dat waren vaak de handen van kwajongens. De meest opzienbarende ontdekking vormde wel de 17de-eeuwse grafkelder van het patriciërsgeslacht Bouricius. In de kelder werden vier ‘spitsverheven’, van zes centimeter dik eikenhout vervaardigde, doodkisten gevonden, waarop gegraveerde loden platen waren bevestigd met de namen van de overledenen. De kisten bevatten achtereenvolgens de gebeenten van Jacobus Bouricius ‘de oude’ (1542-1622), Hector Bouricius (1592-1636), Kempo van Hillema (1618-1653) en Houkje Hillema, de vrouw van Hector. Ook bevond zich nog een kinderkistje in de grafruimte, dat spontaan in elkaar viel toen het naar buiten werd gebracht. Het bevatte echter niets anders meer dan het zeegras, dat eens voor het hoofdkussentje had gediend. De kelder werd in 1933 in tact gelaten, zij het dat het boven het straatniveau uitstekende deel van het gewelf werd verwijderd en door een betonnen plaat werd afgedekt. De heer Tj. Postma uit Veenwouden deelde in 1933, als reactie op de verslaggeving van de opgravingen, mee dat hij in zijn jeugd vaak had horen vertellen dat zijn grootvader samen met diens drie broers, allen schippers, in de eerste helft van de vorige eeuw de zerken van het op te ruimen Oldehoofsterkerkhof hebben opgekocht en naar een of andere zeewering in Friesland hebben vervoerd.

Tenslotte ging het Oldehoofsterkerkhof in juli 1968 voorlopig voor de laatste maal op de schop. Dit ten behoeve van een reconstructie van het plein, die speciaal tot doel had aanpassing te verkrijgen bij de moderne bebouwing in deze omgeving. Nu werd echter behoedzamer te werk gegaan, waarbij de fundamenten van twee kerken te voorschijn kwamen, namelijk die van de in 1595 gesloopte St. Vituskerk en zijn uit plusminus de 11de eeuw daterende tufstenen voorganger. Te vrezen valt dat het uiterst belangrijke bodemarchief terplekke, dat nu nog inzicht kan verschaffen in de vroegste geschiedenis van onze stad, zeer binnenkort door bulldozers voor de eeuwigheid zal worden verwoest, zonder dat archeologen de tijd zal worden gegund de dieper gelegen lagen van het terrein in kaart te brengen, tenzij de politiek verantwoordelijken het belang ervan voor de wetenschap en hen die na ons komen onderkennen!


VII. De Westerkerk, c.1500-1826

Sinds de verbouwing in 1991 tot Theater Romein, is de naam Westerkerk voor de voormalige kloosterkapel van de Grauwe Bagijnen in de Bagijnestraat voltooid verleden tijd. De geschiedenis van deze kapel gaat terug tot het begin van de 16de eeuw, toen als voortzetting van het onveilige - buiten de stadswallen gelegen - klooster Fiswerd, hier het St. Annaklooster verrees. Nadat de kapel als gevolg van de Alteratie van 1580 aan haar oorspronkelijke bestemming was onttrokken, kreeg het gebouw in 1619 weer een kerkelijke bestemming, maar nu voor de hervormde eredienst. Wegens gebrek aan fondsen kon pas in 1637 worden begonnen met de herinrichting. De verbouwing werd grotendeels bekostigd door de verkoop van graven, die 50 gulden per stuk moesten opbrengen. Blijkbaar waren zij zeer gewild, want in 1638 besluit de stadsraad, ‘dat de Bouwmeesters hondert enckelde blauwe graffsteenen in Holland sullen doen copen om daermee de Westerkercke te vloeren’.

Het ruimtegebrek van de Leeuwarder kerken was met die verbouwing echter nog niet opgelost. Al spoedig erna deed zich de noodzaak tot verdere uitbreiding gevoelen. Het zou evenwel tot 1681 duren, voordat het stadsbestuur toestemming verleende de Westerkerk aan de noordkant met een nieuw schip te vergroten. Ten opzichte van de oude situatie werd de oppervlakte onder de oude en de nieuwe kap toen samen iets meer dan verdubbeld. Het gebouw kreeg daarmee zijn huidige afmetingen. Volgens een gravenlegger was deze ruimte met 361 graven in 1736 al geheel bezet.

Van de meeste grafzerken in de Westerkerk werden in 1795 de wapens en de titulatuur uitgekapt. De naar schatting 200 zerken verdwenen na een grondige verbouwing in 1845 onder een houten vloer, waardoor zij goed geconserveerd bleven en voor verdere afslijting werden behoed. Hierdoor was het mogelijk om een groot deel van de in de patriottentijd vernielde zerkopschriften te reconstrueren. Een totale inventarisatie van de in 1991 aangetroffen grafzerken is helaas (nog) niet mogelijk gebleken. Toch geven de 122 bewaarde zerken of fragmenten daarvan, die in de loop van 1994-’95 een plaats hebben kregen op een kunstmatige grafheuvel in het Leeuwarder bos en al wel zijn beschreven, een aardig beeld van wie er zoal werden begraven en welke plaats zij binnen de Leeuwarder samenleving innamen. Gebleken is dat het vooral leden van de plaatselijke elite waren die in de Westerkerk werden begraven. Men denke hierbij aan vertegenwoordigers van hoge bestuurscolleges zoals raadsheren en advocaten van het Hof van Friesland, secretarissen, vroedsmannen, gedeputeerden en officieren. Daarnaast vonden ook meergegoeden uit de lagere burgerstand - vertegenwoordigd in vele beroepsgroepen - er een laatste rustplaats. Hoewel de grafkelders van de stadhouderlijke familie zich in de Jacobijnerkerk bevonden, bezat ‘de vorstin douairière van de prins van Oranje Nassauw’, de weduwe van prins Johan Willem Friso, naast de consistorie aan de zuidzijde ook nog een graf. Van een bijzetting hierin is echter niets gebleken.

Enkele niet op de grafheuvel herplaatste zerken kunnen we hier de revue laten passeren, zoals die van de familie van Claes Bockes Balck (1748), de bouwmeester van het stadhuis. Deze zerk is - zoals vele anderen - na 1990 spoorloos verdwenen. Curieus mocht ook de afbeelding van de ‘Waakzaamheid’ in het alliantiewapen Langemach-Roeterich (1697) heten. Deze was weergegeven als een ooievaar - althans een langpotige vogel - die op één poot staat. Met de andere poot werd een steen vastgehouden, waarmee tot uitdrukking werd gebracht dat, indien de vogel zijn waakzaamheid zou verliezen, de steen op zijn andere poot zou vallen. Ook deze zerk is helaas verloren gegaan. Doch de fraaie zerk voor de hofarchitect Anthonius Coulon (1749), die in 1713 het huidige en destijds door hem zelf bewoonde hoofdgebouw van de Fryske Akademy bouwde, heeft - zeer toepasselijk - aldaar in de achtergevel een plaatsje gekregen. De Stichting Mr. Wiardus Willem Bumaleen ontfermde zich over de zerken van mr. Gerlacus Buma (1807) en diens echtgenote Bottje Dorhout (1808), om deze vervolgens naar de familiebegraafplaats in Weidum te laten overbrengen.

De ooit in de Westerkerk opgehangen rouwborden van de families Rhala, Haersma en Lycklama à Nijeholt zijn in 1795 als symbolen van het ancien regime op last van de autoriteiten verwijderd.

Terug