(Auteur: K. Zandberg in: Tusken Potmarge en Jokse; bydragen ta de Skiednis fan it Sudertrimdiel; Sudertrimdielrige V)

De oude administratie van het gemeentebestuur van Leeuwarderadeel, die sinds 1988 wordt bewaard in het Historisch Centrum Leeuwarden (het vroegere Gemeente Archief), is ooit rijk geweest aan gegevens over criminaliteit. Nagenoeg alle politierapporten moeten al decennia geleden verloren zijn gegaan en ook van de processen-verbaal is er wat betreft Wirdum, Swichum en Wytgaard niet meer bewaard gebleven dan een enkel boek. Dit register van processen-verbaal der gemeente Wirdum 1 vermeldt door de maire geregistreerde getuigenverklaringen en afschriften van brieven met betrekking tot een viertal misdrijven uit de jaren 1813-1816. Het meest uitvoerig worden de delicten van de Swichumer Ulbe Wietzes Wiersma beschreven. Hoewel het dossier dus niet compleet is, geeft deze zaak toch een beeld van de plaatselijke onveiligheid in het Sudertrimdiel en ook een indruk van het dagelijks leven in Swichum toentertijd.
Swichum met Ayttagasthuis en Ned. Hervormde Kerk aan de Ayttadyk rond 1910; tekening door J. Foppema uit 1985

 
Gedupeerden doen aangifte

De ‘zaak Wiersma’ begint officieel als op 9 maart 1813 een aantal gedupeerden bij de maire van Wirdum, Palsma, (zetelende in het huis van kastelein Bouwe van der Kooy) aangifte doet van dieverij vergezeld van huisbraak. De eerste klager, Gerrit Piers Goslinga, een 42-jarige huisman 2, die in Wirdum nr. 100 woont, verklaarde dat in de gepasseerde nacht in een zomervertrek staande bij zijn huizing is opengebrooken een glasvenster waar agter een ijzeren roede was geplaatst dat deeze braak met zeer veel geweld is gedaan naardien deeze roede in de muur was gemetzeld, na dat men als voorens aan de deur zulks vruchteloos had ondernomen. Hij mist een zeer groote koperen keeskeetel 3 zittende binnen huis vastgemetzeld wegende circa 116 ponden, dat verder is vermist de ijzeren roede uit ’t venster boven genoemd, een koperen handketel kenbaar aan een las onder de nagels van de rand zwaar na gissing negen pond, een oude koperen emmer zijde aan de rand gesoldeerd, dat hij verder vermist 12 schotels van ankers waaronder 3 of 4 extra zware zijn, wegende 20 pond ijzer ieder anker.

Er zijn geen daders bekend, maar Goslinga uit wel vermoedens omtrent twee personen welken zedert veele jaren algemeen bekend zijn als schuldig aan allenleije misdaden erger dan hier zijn vermeld. Hij noemt Ulbe Wietzes Wiersma (ook wel Wierdsma, Wierstra of Wierdstra genoemd), arbeider te Swichum die voor zijn levensonderhoud geen voldoende werkzaamheden verrigt en bovendien binnen korten tijd veele uitgaven heeft gedaan en Sjouke Piers Huizinga, koemelker te Goutum, welke met een zwaar huisgezin is belast en niet ten goeden naam en faam staat. Goslinga weet van Huizinga dat hij in november 1811 enkele schapen uit een weiland onder Boksum heeft geroofd en deze vervolgens weer doodleuk aan de eigenaar zijn terug gegeven onder voorwending dat hij de zelve had gekocht aanbood. Wiersma en Huizinga zouden zeer gemeenschappelijk met elkaar om gaan.

Ook Tjeerd Jans Tjaarda (58 jaar oud, koemelker, wonende te Swichum) doet tegelijkertijd aangifte van de diefstal van een muuranker weegende omtrent zwaar twee à drie pond ijser. Hij verdenkt Ulbe niet alleen van deze diefstal, maar ook van het ontvreemden van takken en hout (welke hij en andere zijnen gebuuren ondergaat). Tjaarda vertelt dat Ulbe algemeen verdagt is aan misdaden van een zwaren aard, mede omdat hij veeltijds des nachts omzwerft.

 
Sterke vermoedens tegen Ulbe

Teije Rinzes Feitsma (huisman 4, 36 jaar, te Swichum) verklaart eveneens dat kort geleden Eenige ankers zijn ontstoolen, welke van zijn huizinge zijn getrokken, weegende circa 14 pond ijzer. Ook hij heeft een sterk vermoeden wie de dader is.

Tenslotte verklaart Folkert Gerbens Rinsma (huisman te Wirdum, 52 jaar), dat woensdag twee ankers met veel geweld van zijn huizing zijn gebroken. Hij heeft geen suspicie, maar wel een kwaad vermoeden op Wiersma en Huizinga omdat de eerste bijna niets verrigt om zijn bestaan te vinden, terwijl de tweede met een zwaar huisgezin is belast, dat gemelde personen door geduurige bijeenkomsten hier toe aanleiding geeven omdat eenige dieverijen niet wel dan door twee of drie sterke personen konden worden uitgevoerd, zijnde het algemeen voor hunne verrigtingen zeer bevreesd, wordende sommige kleine dieverijen van hout, takken, appelen, aardappelen, zeer zelden ten kennissen gebragt. De klager vindt dit voldoende om nadeelige vermoedens die zeer oud zijn te sterken.

Nog dezelfde dag schrijft maire Palsma een brief naar de keizerlijke procureur bij het tribunaal in Leeuwarden (de rechterlijke macht in die jaren), waaruit blijkt dat ook de lokale overheid al meer wist over de vermoedelijke daders: De menigvuldige dieverijen die zich beginnen te openbaren na het eindigen der winter, geeven aanleiding tot het vermoeden dat zulks meer van [...] ondeugd dan armoede is. Ulbe Wiersma en Sjouke Huizinga worden algemeen verdagt van veele misdaden. Bovendien heeft de eerste een slecht caracter.
Slimme criminelen

Er worden nog enkele voorvallen genoemd in de rapportage aan Justitie: ‘Men heeft mij geinformeerd dat de huisvrouw van Jan Faber te Swichum hem dezen winter in den nagt zag passeeren met gepakt hout aan de huisman Hooghiemstra ontvreemd, terwijl de huisvrouw van Tjeerd Tjaarda hem zag met een gevulde zak toen dezelfde nagt en aardappelen waren gestolen. Men denkt dat er een bende actief is, want gezien het gewicht van het gestolene kan het onmogelijk het werk van één persoon zijn. Ook de wijze waarop men posten schijnt uit te zetten, die alle verrassing doet voorkomen waar toe de weinige bevolking hunner beide woonplaatzen aan hun voordeelig is om in de nagt epeditien niet te worden ontmoet wijst op meerdere daders. De criminelen pakken het vrij slim aan: Men heeft reden te geloven dat de gestolen goederen buiten aardappelen en brandhout niet in hunne woonhuizen komen dat zij koper en ijzer eenigen tijd doen zinken in’t water en naderhand vervoeren gelijk voor eenige jaren in dezen oord een koperen keesketel is gevonden, waar uit men een stuk had gesneden. Ook andere gestolen goederen werden waarschijnlijk niet direct na de diefstal verkocht, maar eerst verstopt. Men heeft in Swichum meermalen ingezouten vleesch in de grond verborgen gevonden. Echt hard bewijsmateriaal is er niet, maar het wordt wel heel aannemelijk gemaakt dat Ulbe een crimineel is: Het is opmerkelijk dat Ulbe Wijtzes Wierdstra in deezen winter oude schulden heeft betaald en geld uitgegeven meer dan zijn vermogen vereischte, waar van hij reden heeft gegeven dat hij zulks uit de loterij had getrokken, terwijl in het naburige Warga, arrondissement Sneek, een aanmerkelijke dieverij heeft plaats gehad in contanten, een weinig voordat zijne uitgaven de rijkdom van zijn bezitting deede kennen. Er valt niet te twijfelen aan de verkeerdheid en het misdadige van zijn levenswijs, waarvan kleine daden door enkele getuigen genoegzame redenen opleveren, terwijl zijn leedigheid en omzwerving bij nacht wanneer het weer ongunstig is voor iedere onderneming die geen noodzakelijkheid ten doel heeft. De maire verwacht dat de verdachten door de rechterlijke macht in de kraag worden gevat. Voor een verdere toelichting door andere getuigen, kan hij wel zorgen. De getuigen drukken de maire op het hart er voor te zorgen dat hun verklaringen niet bekend worden uit vrees voor de wraakzucht van Ulbe Wiersma.

Schrik van Swichum

Op 24 maart, Wiersma is dan al gearresteerd, stuurt de maire een tweede brief over deze zaak naar het gerecht met een procesverbaal van inlichtingen met veel geloofwaardige berigten van des zelfs misdadige handelingen. Daarin komt onder meer Folkert Epkema, onderwijzer der jeugd te Swichum, aan het woord. Epkema kent Wiersma goed en noemt hem een persoon van een zeer slecht levensgedrag welke bij aanhoudendheid door dreigen en moedwilligheden de schrik onder de ingezetenen der kleine gemeente Swichum en veelen van het nabuurig Wirdum heeft gebragt, dat hij des nachts gemeenlijk werkzaam is in zijn woning met zagen en houtkap, terwijl in hun dorp geene hekken of los hout kan blijven bewaard. Nog een bewijs van zijn diefachtigheid: toen Wiersma een keer op bezoek kwam bij Epkema heeft hij diens zilveren horloge verborgen (in zijn onderbroek) en wilde het kleinood pas na veel gezeur teruggeven.

Sijtske Minnes, huisvrouw van Jan Faber, arbeider te Swichum, oud 67 jaren verklaart dat ze Wiersma in de maand februari des avonds ten zeeven uuren zag dragen met stokken. Hij wierp gauw de stokken weg, toen hij haar zag, maar toen hij merkte dat ze alleen was nam hij dezelve op en ging zonder te spreken. Later hoorde ze dat die stokken van Hooghiemstra waren gestolen. Ze merkt ook nog op dat mensen hem sedert lange jaren aan veele misdaden heeft verdagt gehouden.

Ook de buurvrouw van Ulbe, Klaaske Rienks (echtgenote van Tjeerd Tjaarda, 58 jr), doet een duit in het zakje. Zij denkt dat Ulbe schuldig is aan zware misdaden en geeft een drietal voorbeelden. Zo zag ze hem deezen voorwinter met een zak aardappelen volgens zijn eigen gezegde van Wirdum gehaald des nacht ten twee uuren, terwijl de getuige bij geval buitens huis zag dat in dien zelven nagt een hoop aardappelen zijn gestolen van Tjitze Jans liggende in een hoop een quartier uur van Swichum. Haar man maakte in het najaar een slot op een hek, wat hem door Ulbe sterk werd afgeraden. En binnen een week was het slot met de ketting weg! Ook merkt ze op dat er geduurig hekken en staketten, takken en groetens worden vermist bij en om Swichum, maar ze kan niets anders dan vermoedens uitspreken.
Tal van getuigenissen

Een andere buurman (in het zelfde huis, doch afgescheiden), de 74-jarige arbeider Ruurd Wobbes Blomsma kent Ulbe waarschijnlijk al heel lang en is ronduit negatief. Ulbe is zonder bedrijf en leedig omloopend hoewel hij zich somtijds bezig houdt met een weinig visscherij. Dat hij meestentijds ’s nachts omzwerft en kennelijk nooit turf nodig heeft is bijzonder verdacht. Verder is opvallend dat na de dieverij te Wergea, bij boerin Afke Hessels (waar gewerkt goud, zilver en klinkende munthe zijn buitgemaakt), verscheidene uitgaven door Ulbe Wiersma zijn gedaan, zoals de aankoop van een schip voor 72 gulden en nieuwe kleren, schoon een weinig voor dien tijd zijne omstandigheden een veel armer aanzien hadden. Dit vermoeden wordt nog eens bevestigd door Rixtje Folkerts, dienstmeid onder Reduzum. Blomsma weet eindelijk iets concreets ten laste van Ulbe in te brengen. Hilbrand, de broer van Ulbe verklaarde na een onderlinge twist over verdwenen geld, dat zijn broer een vat boter onder het behoorde van Warga hadde gestolen, welke boter door hem met het vat in een stuk land was verborgen en door deszelfs broeder en zuster op een overdadige wijze geconsumeerd.

Folkert Epkema vult zijn eerder gedane verklaring nog aan met een tweetal opmerkingen: Allereerst dat Ulbe stroopt en jaagt bij dag en nacht met geweer en weitas in het veld, overtuigd dat geen landman wiens tamme eenden hij schiet hem durft aan te klagen. Verder heeft hij bij geruchte gehoord dat het eerder genoemde gestolen botervat door Ulbe
zou worden gebruikt ten behoeve van het tanen van netten. De letters, het merk en de kleur zouden zijn verwijderd.

Maire Palsma concludeert in zijn uitgebreide brief dat al vijftien jaar nadeelige vermoedens tegen Ulbe Wiersma bestaan en dat er wat hem betreft geen twijfel meer mogelijk is. Eindelijk heb ik geoordeeld den tegenwoordige gedetineerde Ulbe Wiersma om welke er zeer veele informatien zijn genomen, te moeten doen kennen voor een persoon van een slecht levensgedrag. De ergste misdaden en bewijzen worden nog eens opgesomd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schapedieverij, huisbraak, lood- en koperdieverij en brutale moedwilligheden. Veediefstal komt in deze zinsnede nog voor inbraak en werd misschien wel als minstens zo erg beschouwd.
Onbezorgde jeugd van Ulbe Wietzes Wiersma?

Helaas wordt het standpunt van de verdachte niet belicht in de eerder genoemde processen-verbaal. Zijn verklaring is kennelijk niet bewaard gebleven. Ook andere documenten geven zeker geen uitputtende informatie.4 Toch krijgen we enigszins een beeld van de schrik van Swichum als we de schaarse gegevens gaan interpreteren. Ulbe werd in 1773 geboren in Swichum, waar zijn ouders 13 jaar eerder in het huwelijk waren getreden. Wietze Beerns van Swichum en Baukje Hilbrands van Kollumerzwaag hadden voor Ulbe in ieder geval nog twee kinderen gekregen: Rinske (1763) en Hillebrand (1765). Ulbe was dus een halve wâldpyk! Mogen we concluderen dat hij zijn temperament van zijn moeder heeft meegekregen?

Waarschijnlijk genoot Ulbe van een tamelijk onbezorgde jeugd. Zijn vader pachtte immers zathe 24 (in 1832 kadastraal nr. C 38), een voorname boerderij even ten oosten van het dorp met 55 pondematen land. Eigenaars zijn de erven Aytta. Het gezin woont tientallen jaren op deze plaats. Ook na het overlijden van vader Wietze omstreeks 1795 bleven de weduwe en de kinderen er nog enkele jaren wonen. Na het overlijden van moeder Baukje omstreeks 1797 zullen de kinderen de boerderij noodgedwongen hebben moeten verlaten.

Enkele jaren later blijken Ulbe en zijn broer en zus een (deel van een) huisje te bewonen binnen de bebouwde kom van Swichum. Hoewel zelf doopsgezind, huren ze dit onderkomen van de Hervormde Gemeente. Er gaat kennelijk meer mis. In de bronnen worden Ulbe en Hillebrand meestal aangeduid als geen beroep hebbend of hoogstens als arbeider. Ulbe wordt afgekeurd voor de militaire dienst wegens een ongemak in de beenen en was misschien niet eens in staat om (normaal) werk te verrichten. Helaas is er geen signalement overgeleverd. In 1812 nemen de broers officieel de naam Wiersma aan als familienaam. Op dat moment zijn ze ongehuwd en dat zullen ze ook de rest van hun leven blijven.
Ulbe verdwijnt uit Swichum

Het lijkt er op dat justitie de bewijzen tegen Ulbe Wiersma toch niet hard genoeg heeft kunnen maken. Rechtbank- en gevangenisadministraties maken geen melding van een eventuele veroordeling. Wellicht hebben de maire, andere gezagsdragers of misschien zelfs de inwoners van Swichum een duidelijk signaal afgegeven aan Ulbe, zodat hij zijn biezen pakte. Zeker is in ieder geval dat hij na 1813 niet meer in de belasting- en bevolkingsregistratie van Swichum voorkomt.

Zus Rinske blijft tot haar dood in het dorp wonen. Zij wordt op 10 oktober 1818 begraven op het kerkhof van Swichum. Hillebrand overlijdt twee jaar later in Leeuwarden. Ook Ulbe komt in Leeuwarden terecht en -niet verbazingwekkend- aan de zelfkant. In 1829 bewoont hij een kamer in de Nauwesteeg tussen Weaze en Wirdumerdijk. Een decennium later verblijft hij in het Brandjesklooster (bij de Boterhoek), waar hij inwoont bij de vetspinder Van Leeuwen c.s. Hoe Ulbe precies in zijn levensonderhoud voorziet, blijft onduidelijk. In de registers van de kerkelijke en stedelijke armenzorg komt hij niet voor. Ulbe Wiersma overlijdt op 26 november 1842 om 23.30 uur. Volgens de overlijdensakte oud 75 jaaren zonder beroep geboren te Swichum wonende te Leeuwarden ongehuwd zijnde de voor- en toenamen zijner wijlen ouders onbekend. Drie dagen later wordt Ulbe begraven op het kerkhof van Swichum (regel 6, graf 3), naast zijn zuster Rinske.


Swichum in het begin van de negentiende eeuw

Swichum was een van de kleinere dorpen van Leeuwarderadeel. In januari 1815 telde het dorp 15 huisnummers, waaronder een aantal gesplitste woningen rond de kerk en het nog door Viglius van Aytta gestichte gast- en armhuis. Van de 57 inwoners waren er 29 van het vrouwelijk geslacht, 28 van het mannelijk geslacht. Daarvan waren 7 boven de 50, 12 beneden de 18 en dus (volgens de toenmalige indeling) maar 9 mannen in de kracht van hun leven. Swichum was toen nog een arbeidersdorp. Van de 15 volwassen mannen die er in 1812 woonden, werden er 8 arbeider genoemd. Verder woonden er 1 boereknegt, 4 boeren, 1 vee- en boterkoopman en 1 schoolmeester.

Het dorp lag, ondanks het inpolderen van o.a. het Hempensermeer in 1785, nog erg geïsoleerd. Een goede weg naar Wirdum kwam er pas in 1868. Rond 1812 vormde Swichum met Wirdum en Wytgaard de mairie Wirdum. In 1816 werden de oude grietenijgrenzen weer hersteld. De Hervormde Gemeente vormde nog steeds een geheel met Goutum, het enige dorp dat redelijk goed bereikbaar was vanuit Swichum. Misschien was de afgezonderde ligging en moeilijke bereikbaarheid van Swichum een reden waarom Ulbe zo lang ongestraft zijn gang kon gaan. Gezagsdragers kwamen er niet zo vaak en de sociale controle was vast minder sterk dan in dorpen met grotere bebouwde kom.

De instorting van het Napoleontische gezag stimuleerde ongetwijfeld criminaliteit. De greep van justitie zal in die periode tijdelijk wat minder krachtig zijn geweest. Veel gedeserteerde of vrijgelaten dienstplichtige soldaten en andere vluchtelingen zwierven rond in de jaren 1812-1814 en moesten maar zien hoe ze op weg naar huis aan de kost kwamen. Tot ieders verbazing veroorzaakten de oprukkende Russische troepen nauwelijks problemen. Zo gedroeg het detachement kozakken, dat op 16 november 1813 de herberg van Thomas Stornebrink te Wytgaard bezocht, zich voorbeeldig.

Hoewel Doeke Wiegers Hellema schrijft dat hij met name ’s nachts bang is voor rondzwervend gespuis, maakt hij maar een enkele maal melding van een misdrijf rond Wirdum in de eerste helft van de 19de eeuw. In 1827 werd er ingebroken in Barrahuis en in 1846 onder Wirdum. Uit andere bronnen weten we dat er in 1813 en 1816 eten en kleding werd gestolen te Wirdum en in 1816 een gigantische herbergruzie plaats vond in Wytgaard. Ook in die tijd was zeker niet alles pais en vree in het Sudertrimdiel, maar met de criminaliteit in het algemeen viel het mee.

Terug