In 1787 werd Hijum als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Hyem, gelegen aan de vaart Hyemer meer genoemd, welke de scheiding is van Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel. Dit dorpje is klein, doch het voornaame Stamhuis van de Aebinga’s, hebbende hier in de vyftiende eeuw gewoond. Feike Aebinga, Grietman van Leeuwarderadeels Noorder-Trimdel. Ook liggen hier de overblyfzels van het sterke Slot van Eminga, niet ver van Aebinga State. Weleer werden deeze Staten door twee haatdraagende zusters bewoond, welke een geweldigen kryg in deezen hoek veroorzaakten. Hyem heeft 14 stemmen."

In 419x Friesland, Van Slijkenburg tot Moddergat geeft de auteur - architectuur- en kunsthistoricus Peter Karstkarel - de volgende omschrijving:

Hijum is een terpdorp dat in de vroege Middeleeuwen is ontstaan op een kwelderwal nabij de monding van de Boarn. Vanaf de 11de eeuw is de terp in de vroegste bedijking – de huidige Lege Hearewei en Hijumerweg – opgenomen, waardoor de terp geheel binnendijks kwam te liggen. Hijum was met de Hijumervaart ontsloten. Deze komt in de buurt van het voormalige klooster Genezareth uit in de Finkumervaart om dan verbinding met de Dokkumer Ee te krijgen.

625-Hijum-Google Streetview-01
Gezicht op de Nederlands Hervormde Kerk van Hijum. Foto: Google Streetview: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht.

De terp heeft oorspronkelijk een radiale structuur, maar daar is weinig meer van te zien omdat op het rechthoekige, hoge kerkhof na, de terp omstreeks 1900 sterk is afgegraven. Het kerkhof met een bomenzoom ligt als een eiland in de open dorpskern. Het hoogteverschil valt vooral aan de westelijke zijde op: daar is dan ook de ijsbaan gekomen. Aan de noordzijde ligt het buurtje de Alde Ringwei en de ringweg is verder met enige moeite te herkennen langs Efter de Wâl en langs de sportvelden, Oerd en de Lege Hearewei. De Ljouwerterdyk is later oostelijk van het dorp verlegd en in 1900 kreeg het dorp een halte 3de klasse van de Noord Friesche Lokaal Spoorweg, die in 1936 werd opgeheven. Het stationsgebouw is bewaard gebleven, een bescheiden gebouw met een uitspringende partij. Het tracé van het spoor is nog in het landschap te zien.

Bij binnenkomst voert de Lege Hearewei scheef het dorp in en daar vraagt de gereformeerde kerk, de Bethelkerk, de aandacht. Het gebouw is in 1877 opgetrokken op een T-vormige plattegrond en heeft een aardig geveltorentje dat wordt bekroond door een opengewerkt houten spitsje. De oude dorpskerk, toegewijd aan Sint-Nicolaas, is in het tweede kwart van de 12de eeuw van tufsteen gebouwd. Zij heeft een vijfzijdig gesloten koor (15de eeuw) en een ingebouwde zadeldaktoren. Die vormt met de zijruimten een westwerk, waarvan de noordelijke zijruimte op de verdieping ook nog een tongewelf bezit. Het muurwerk van het schip vertoont spaarvelden, lisenen en rondboogfriezen.

Links:

Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Beschrijving op Wikipedia


Terug

 

In 1787 werd Finkum als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Finkum is een klein dorp, en in ’t Kerkelyke vereenigd met Hyum. Alhier stond weleer de heerlykheid Holdinga, van welke in 1640 Eigenaaresse was Gratiana van Holdinga. Finkum heeft 31 stemmen."

In 419x Friesland, Van Slijkenburg tot Moddergat geeft de auteur - architectuur- en kunsthistoricus Peter Karstkarel - de volgende omschrijving:

Finkum is een terpdorp dat omstreeks het begin van de jaartelling is ontstaan in het kweldergebied ten oosten van het stroomgebied van de Boarn. In de omgeving van Finkum waren meer terpen te vinden en daarvan ligt een huisterp nog heel duidelijk ten noorden van Finkum aan de Iestdyk in het landschap. Er staat nu een witgeschilderde boerderij op.

625-Finkum-Google Streetview-02
Het dorp Finkum. Foto: Google Streetview: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht.

Naar het oosten toe had Finkum een waterverbinding door de bijna zes kilometer lange Finkumervaart naar de Dokkumer Ee waar het buurdorp Oude Leije met een verbindingsvaartje ook van profiteerde. Het dorp lag bovendien vrij dichtbij oude zeedijken: de Lage Hereweg, die nu de Bredyk heet, en de Hege Hearewei. Ze konden als wegen worden gebruikt. Vanaf de Bredyk leidt nu de Holdingawei vrij hoekig door het dorp dat geen kom heeft maar uit een viertal buurten bestaat. De meest oostelijke buurt heeft vooral bebouwing ten zuiden van de weg, maar ook een noordelijk dwarsbuurtje. Dan volgt de voormalige kruising met het in het landschap nog herkenbare tracé van de Noord Friesche Lokaal Spoorweg. Finkum kreeg in 1900 een halte 3de klasse waar nu geen spoor meer van te herkennen is. Daarna volgt de kerkbuurt waarvan de bebouwing ten zuiden van de weg staat. Onmiddellijk na een haakse hoek is de derde buurt aan de westzijde gelegen en na de tweede hoek volgt de vierde buurt met bebouwing aan vooral de noordzijde en een dwarsbuurtje.

De kerk is toegewijd aan Sint-Vitus, net als de kerken van Leeuwarden en Stiens. Het is een eenvoudige, bakstenen, romaanse kerk uit de eerste helft van de 13de eeuw. Ooit met een halfrond koor en een ongelede zadeldaktoren uit het einde van de 13de eeuw. De laat-gotische ingang in een rechthoekig kader en met nissen in dezelfde vorm dateert mogelijk uit het begin van de 16de eeuw. De koorsluiting is vermoedelijk in de 17de eeuw weggehaald en toen is de rechte sluiting aangebracht. De kerk is in 1962/’64 ingrijpend gerestaureerd.

Links:

Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Beschrijving op Wikipedia

Terug

 

In 1787 werd Stiens als volgt beschreven in de Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland.

"Steens , weleer Steenstede en in de landstaal Stiens. Dit Dorp is een der fraaiste van de geheele Grietenye, versierd door verscheiden fraaien wooningen en een ruime nette Kerk, ingewyd op den naam van St. Vitus. Achter deeze Kerk ligt de plaats Hajema, naderhand, en denkelyk al voor 200 jaaren, bezeten door ’t geslagt van Burmania. Juckema State, een half uur gaans ten Noorden van Steens, is onder anderen bewoond geweest door Philip Boschhuizen met zyne vrouw Anna Eisinga. Hy overleed als Grietman van het Bildt in 1651. Petterhuister State werd in 1698 bewoond door den Heer A. H. Phuil. In de tyden der oude oneenigheden, tusschen de Landen en de Steden, werden hier ter plaatse meermalen de landsdagen gehouden. Steens heeft 69 stemmen."
 
Het Aarderijkskundig Woordenboek van Van der Aa vermeldt het volgende over Stiens:

“Ook Steens, Steense, Stense en Steensede genaamd. De eerste bekende vermelding dateert uit 1399. Stiens is het aanzienlijkste dorp van Leeuwarderadeel. men heeft er eene groote binnenbuurt langs de vaart en den hoofdweg en een aantal schoone boerenplaatsen, tusschen uitmuntende bouw- en weilanden, welke zich oostwaarts uitstrekken tot de Ee en het Wynzer-Tigchelwerk, dat met zijne buurt daartoe behoort. Men telt er 230 h. en 1780 inwoners, die in den landbouw hun bestaan vinden en voornamelijk aardappelen, haver, boonen, vlas, garst en koolzaad aankweeken. Ook heeft men er een steenbakkerij.”

De oudste plattegrond van een deel van het dorp Stiens uit ca. 1658

De oudste plattegrond van een deel van het dorp Stiens uit ca. 1658. Hierop staan de bezittingen weergegeven van het
Ritske Boelema Gasthuis in Leeuwarden. Te zien zijn een deel van de Aldlânsdyk, de Petterhús
terdyk, de Lutskedyk, de
Kakewei, It Kleaster en de bebouwing langs de Langebuorren oostzijde tussen
Pieter Jellessingel en Aeltsjemuoistege.
Bron: Archief Ritske Boelema Gasthuis

In 419x Friesland, Van Slijkenburg tot Moddergat geeft de auteur - architectuur- en kunsthistoricus Peter Karstkarel - de volgende omschrijving:

Stiens is een terpdorp dat enkele eeuwen voor het begin van de jaartelling is ontstaan op een kwelderwal ten oosten van de Boarnstroom. Van de grote reeks terpen ten noorden van Leeuwarden groeide Stiens uit tot het belangrijkste terpdorp. Het was een min of meer radiaal terpdorp en het rond het kerkhof lopende pad is ondanks de schaalvergroting van Smelbrêge en de Piter Jellessingel nog herkenbaar. Het is een van de belangrijkste ruimtelijke karakteristieken in de dorpskern, mede omdat het kerkhof is omzoomd door een drievoudige zoom van linden. Vooral het oostelijke segment rond deze kern raakte met radiaal en achterstraten en paden bebouwd.

De Hegebuorren in de oude dorpskern van Stiens. Google Streetview, 2010.
De Hegebuorren in de oude dorpskern van Stiens. Google Streetview, 2010: klik op de foto voor een digitale verkenning

Stiens was ontsloten over de Stienservaart die vanaf de terp eerst bijna 700 meter naar het zuiden liep om vervolgens in oostelijke richting naar de Dokkumer Ee af te buigen. Langs en nabij deze vaart volgden ontwikkelingen van woningbouw en bedrijvigheid.

De oude dijk van de Middelzee ten westen van het dorp is in 1847 tot Stiens tot straatweg verbeterd en in 1901 kreeg Stiens ook nog spoorverbindingen. In 1901 opende de Noord Friesche Lokaal Spoorweg de lijn naar Dokkum en spoedig daarna de lijn over Het Bildt naar Barradeel. Beide lijnen deden Stiens aan en het dorp kreeg een station 1ste klasse en een flink remisegebouw. Het personenvervoer is in 1936 gestaakt, maar het goederenvervoer voor voornamelijk een aardappelexportbedrijf van Leeuwarden-Stiens vv is tot in de jaren negentig blijven bestaan. Station en remise staan nog aan de Lutskedyk. Toen de reizende krantenman Jacob Hepkema Stiens bezocht, noteerde hij onder meer: ‘Dat Stiens een kapitaal- dorp is, behoeft de bezoeker niet te vragen, als hij den aanbouw van deftige renteniershuizen in oogenschouw neemt, welke hier de laatste jaren zijn verrezen langs de vaart en aan den hoofdweg, in grooter getale dan ergens elders ten platten lande gezien wordt, met kapitale herbergen advenant.’ Deze burger- en herenhuizen, waaronder verschillende middengangwoningen, zijn vooral te vinden aan de Lege Hearewei, Smelbrêge, Langebuorren en Uniawei.

De infrastructurele vernieuwingen gaven impulsen aan het dorp en Stiens groeide ook in de breedte, naar de straatweg en naar het spoor. Na de annexatie van het zuidertrimdeel in 1943, bleef van Leeuwarderadeel alleen het noordertrimdeel over en van deze kleine gemeente werd Stiens de hoofdplaats. Het duurde evenwel nog enkele tientallen jaren voordat het gemeentehuis ook naar Stiens verhuisde.

De Langebuorren in het centrum van Stiens. Google Streetview, 2010.
De Langebuorren in het centrum van Stiens. Google Streetview, 2010.

Na de oorlog, vooral sinds het midden van de jaren zestig, is Stiens als forensenplaats van Leeuwarden sterk gegroeid en als geheel is het dan ook een jonge plaats met een oude kern. Tegen de oostelijke marge van de middeleeuwse dorpskern is aan het einde van de 20ste eeuw een soort kleinstedelijk plein, het Sint- Vitusplein met winkels ontwikkeld. De Sint-Vituskerk is een robuuste kerk met een forse zadeldaktoren. Het romaanse tufstenen schip werd aan het einde van de 11de of het begin van de 12de eeuw gebouwd. De muren vertonen grote spaarvelden met daarin (dichtgezette) kleine rondboogvensters. Het koor is iets smaller dan het schip en is in de 13de eeuw van baksteen gebouwd. Dit koor bezit een vijfzijdige sluiting, die in de 19de eeuw nog eens is vernieuwd. Met de verhoging en de vele reparaties van het schip vertoont het muurwerk van de kerk een boeiend historisch tapijt. De toren dateert uit de 15de eeuw en is opgebouwd uit vier geledingen. Er hangen drie klokken in, één uit 1381, een tweede die Arent van Wou in 1509 goot en een derde uit 1607 van de hand van Gregorius van Hall. Het interieur bevat enkele 17de-eeuwse herenbanken en een 18de-eeuwse kansel. Onder de grafzerken valt een zeer grote portretzerk voor Philips van Boshuysen en diens vrouw Anna van Eysinga uit het midden van de 17de eeuw op.

Het Sint Vitushûs na verwijdering van de pleisterlaag in augustus 2007. Foto: Jan Faber
Het Sint Vitushûs na verwijdering van de pleisterlaag in augustus 2007. Foto: Jan Faber 

Tegenover de zuidzijde van de kerk staat het kloeke, gepleisterde Sint-Vitushûs dat in het midden van de 19de eeuw als herberg Het Lands Welvaren is gebouwd. Schuin ertegenover staat De Smalle Brug die nog steeds als herberg functioneert.  


States:

Eminga- of Aemingastate:
Gelegen onder Stiens. Volgens de overlevering zou deze state tegen de state Ebinga onder Hijum bloedige oorlogen gevoerd hebben. Ter plaatse waar zij gestaan heeft, ziet men thans eene hoeve, in eigendom behoorende aan Reinder Pieters Miedema, van beroep landbouwer, en bewoond door Pieter Reinders Miedema. Hoewel tot Stiens, is deze state digter bij Finkum gelegen, waarvan zij ongeveer 10 minuten verwijderd ligt. Van de oude state zelve, op de kaart van Schotanus voorkomende, kan men nog eenige overblijfselen zien, aan de hoogte van den grondslag, alsmede aan de breede grachtswijze slooten, welke dezen in het virkant omsluiten, terwijl ook nog de singel zichtbaar is, hoewel de boomen, sedert ongeveer jaren, reeds zijn omgehouwen.

Eringastate:
State nabij het dorp, ook Boksreed genoemd naar de pleats ‘De Bok’, waarin in jaren bewoner was P. de Vries.

Burmaniastate te Stiens in 1723. Tekening: Jacob Stellingwerf.
Burmaniastate te Stiens in 1723. Tekening: Jacob Stellingwerf.

Hajema- of Haijomastate, ook Burmaniastate:
Noord-oost van de Kerk, circa 1750 afgebroken (zie afbeelding hierboven).
 
Haysmastate:
Ten noorden van Stiens.

Juckemastate te Stiens in 1722. Tekening: Jacob Stellingwerf.
Juckemastate te Stiens in 1722. Tekening: Jacob Stellingwerf.

Juckema- Jukkemastate:
Afgebroken in 1750. Terp ter plaatse afgegraven in 1899. Ter plaatse staat nu het ‘Terphuis’ aan de Hege Herewei (zie afbeelding hierboven).

Mellinga:
1,5 km. ten noorden van Stiens, aan de weg naar dichtbij Finkum (nu nog Mellinga-pleats). Afgebroken circa 1740.

Petterhuisterzate.

Riniastate:
Aan de oude weg naar Hijum, ter hoogte van de huidige rondweg om Stiens. Afgebroken in 1807.

Uniastate:
Ter plaatse van de voormalige gereformeerde kerk (nu opslag meubelen).

Het Witte Huis:
Landhuis, halverwege de huidige Wythústerwei, afgebroken in 1862.

Zie ook:

Ooit hing in Stiens bij Café De Smalle Brug de 'Roskam' uit!


Links:

Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Beschrijving op Wikipedia
Stiens vanuit de lucht
Herinneringen Pieter Jelles Troelstra (1860-1930)
Stinze Stiens (huis aan Smelbrêge 6 met de daarachter gelegen 'Vlaskamp-tuin'

Terug

 

In 419x Friesland, Van Slijkenburg tot Moddergat geeft de auteur - architectuur- en kunsthistoricus Peter Karstkarel - de volgende omschrijving:

Oude Leije is een streeknederzetting die in de late Middeleeuwen al is ontstaan maar pas na de oorlog de status van dorp heeft gekregen. Delen van de buurschap hebben lang bij drie grietenijen gehoord: het westelijke gedeelte bij Vrouwenparochie in Het Bildt, het noordoostelijke gedeelte bij Hallum in Ferwerderadiel en het zuidoostelijke gedeelte bij Finkum in Leeuwarderadeel. Door grenscorrecties en statusverhoging is het thans als geheel een dorp in Leeuwarderadeel.

De nederzetting is ontstaan in het vroeg ingepolderde Nieuwland bij een zijl, een sluis, in de Stienzer Hegedyk, het gedeelte dat nu de Leijster Hegedyk heet. Eerst kwam bebouwing langs de vaart die zowel de verbinding vormde met de Finkumervaart als de Hijumervaart. Later, toen Het Bildt was ingepolderd, kwam haaks daarop lintbebouwing aan de dijk. In het midden van de 19de eeuw, toen er liefst 450 inwoners waren, was in het Aardrijkskundig Woordenboek van Van der Aa over ‘Leije’ onder meer te lezen: ‘Er lag vroeger eene buitensluis, langs welke Leeuwarderadeel en Ferwerderadeel hunne uitwatering in de Middelzee hadden; doch sedert het Bildt is ontstaan, was de Leije eene binnensluis geworden, welker zijlroede thans eene binnenvaart is, die zoowel met de binnenwaters van Oostergoo als met die van Westergoo gemeenschap heeft.

Die sluis is reeds voorlang weggeruimd. Het is thans eene groote buurt, meest uit arbeiderswoningen bestaande, ter wederzijden van den ouden dijk en de vaart naar Oude-Bildtzijl. Te midden daarvan staat het nieuwe en groote schoolgebouw van het dorp Finkum, waartoe dit gedeelte, ter zuidzijde der vaart, behoort.’

625-Oudeleije-Google Streetview-02
Het dorp Alde Leie. Foto: Google Streetview: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht.

Oude Leije heeft geen kerk bezeten en er zijn evenmin andere elementen die het vrij bescheiden dorpssilhouet verrijken. Aan de Leijster Hegedyk staat een woonhuis met jaartalankers die vertellen dat het in 1765 is gebouwd. Aan Oan ’e Slink staan twee oude monumentale boerderijen, nummer 1 dateert van 1769 en nummer 6 uit 1804. Het in het zuiden staande haltegebouw van de lokaalspoorweg hoort officieel ook bij Oude Leije, maar wordt hier bij Vrouwenparochie besproken.
 
Links:

Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Beschrijving op Wikipedia
Website Alde Leie
Muzikale ode aan Alde Leie door René Zoethout

 

In 1787 werd Britsum als volgt omschreven in de ’Tegenwoordige Staat der Vereenigde Nederlanden; veertiende deel; vervattende het vervolg der beschryving van Friesland’.

"Britzum, in de Friesche Historien beroemd wegens eene oude sterkte, welke alhier gestaan heeft, onder den naam van Britzenburg, om te dienen tot een voormuur tegen de invallen der zeeschuimende Noordsche volkeren. In laatere tyden vond men de fundamenten van ’t gebouw wel drie voeten diep in den grond, ’t geen voor een Friesch gebouw (vooral by onze voorouders, die doorgaans byna zonder fundamenten metzelden ) zeer groot is, naardien de vastheid van den grond dien van de meeste andere aan zee gelegene landen overtreft. Binnen den omtrek vond men een grauwen steen waar op te leezen stond:

Britzenburg ben ik genane
Ter eere Britzanus wel bekant.

Vier schreeden naar ’t Oosten vond men de grondslagen eener Capelle, en daar in vier zarken, op welker eerste men las:

Britzanus Joulsma
Defensor Frisiae
Hic sepultus
Obiit Anno 992. Id. Febr.

Men verhaalt, dat men, deeze Tombe openende, in dezelve vond het lyk eens mans van tiendehalve voet lengte, met eenen grooten baard, het welk aangetast terstond tot stof verviel.

Op de tweede Tombe las men:

Jiste Joulsma van moede groot /
Zeydt hier begraven ende doodt.
Syn Broeder Britzanus ende hy eenpaar /
Beschermden Friesland menig jaar.

En wat laager:

Jiste Joulsma sterft anno 993

De derde Tombe voerde tot Opschrift:

Jeltze Joulsma de name myn
Plach den Noorman verdrietig te zyn:
Door my zynze ’t allen tyden fyn /
Uit Friesland verdreven met verdriet:
Soo dat de Noordsche Heere dreng /
Myn doodt begeerde over leng.

Waar onder stond:
obiit 998.

Eindelyk las men op de vierde Tombe:

Hotze Joulsma was ik gehieten /
De Friezen mogten my genieten:
Uitgong was door my gerafeert /
En ganschelyk gedestrueerd
Om dat ik met hulpe van haarder handt
De Noorman zo dickwils verdreef met schandt.
Ick was de laatste van myn geslacht.
Siet waar toe heeft my de doodt gebracht.
 
Deeze Hotze Joulsma was dan de laatste van zyn geslagt, en maakte, zo het schynt, zyne goederen aan de Kerk. Jammer is ‘t, dat de zo even aangehaalde rymen door den onbekenden verzamelaar van dezelve niet in hun oorsprongkelyk Latyn zyn gelaaten, maar in slegte Nederduitsche Versven overgebragt. Tot diep in de veertiende eeuw werden immers alle Grafschriften en diergelyke openbaare gedenktekenen altoos in ’t Latyn neêrgesteld. Had men ze derhalven nog in ’t oorsprongklyke, zo behoefde men niet aan den waaren zin van eenige regelen te twyffelen, die in de overzetting voorzeker bedorven zyn. By voorbeeld, in ’t laatste grafschrift wordt gezegd, dat Hotze Joulsma Uytgong razeerde, om dat hy met haar behulp dikwyls de Noomannen had verslagen. Zie daar eene volkomene ongerymdheid, welke echter kan worden weggenomen door met den Heer Chr. Schotanus (*) te leezen, Uytgong was om my gerafeert &c. wanneer de zin is, dat de Noormannen deeze plaats hebben vernield, wegens den bystand dien de bewooners aan Hotze Joulsma hadden verleend. Voorts telt men in dit Dorp nog heden de overblyfzels van zeven of acht Friesche Sloten, Stinzen genoemd, welke meerendeels gebouwd zyn geduurende de hevige verschillen tusschen de Schieringers en de Vetkoopers, in de veertiende en vyftiende eeuwen. Onder dit dorp is, in ’t jaar 1641 op Lettinga State, gebooren de onsterffelyke Krygsheld Menno Baron van Koehoorn; wordende deeze State thans bezeten en bewoond door den Heere H. H. van Wyekel, Secretaris der Ed. Mog. Heeren Gedeputeerde Staaten van Friesland. Britzum heeft 20 stemmen."

625-Britsum-Google Streetview-02
De Greate Buorren met Nederlands Hervormde Kerk in Britsum. Foto: Google Streetview, augustus 2010: klik op de foto voor een digitale verkenningstocht.

In 419x Friesland, Van Slijkenburg tot Moddergat geeft de auteur - architectuur- en kunsthistoricus Peter Karstkarel - de volgende omschrijving:

Britsum is een terpdorp dat in de vroege Middeleeuwen is ontstaan op een kwelderwal ten oosten van de Boornestroom die zich tot Middelzee had verbreed. De terp heeft een radiale structuur, maar na afgravingen aan vooral de zuid- en de oostzijde omstreeks 1900, is die niet overal meer te herkennen. Oude dorpsbebouwing is vooral ten westen en noorden van de kerk te vinden, aan de Greate Buorren, de Lytsedyk en Efter de Wâl. Dankzij de Stienservaart ten noorden van het dorp bestond een goede ontsluiting richting Dokkumer Ee.

Bij het dorp hebben enkele versterkte huizen gestaan, zoals het kasteel Britsenburg waarover weinig bekend is, Jornsmastate en bij de Middelzeedijk Lettingastate waar in 1641 vestingbouwer en strateeg Menno van Coehoorn is geboren. Van deze glorie resteert niets, maar er staan in de omgeving van Britsum wel monumentale boerderijen.

lettinga 
Achttiende-eeuwse weergave van Lettingastate in Britsum. Foto: Documentatiestichting Leeuwarderadeel

 

De kerk met gepleisterde toren en een vijfzijdig gesloten koor heeft de uiterlijke schijn van overdadig decoratieve vormen uit 1875. In de kerk zijn de Middeleeuwen te beleven door het romanogotische interieur. De Sint-Johanneskerk heeft een schip dat omstreeks 1250 gebouwd is achter een westwerk uit het einde van de 12de eeuw. In de ingebouwde toren van Britsum hebben beneden en boven rondbogige doorgangen in verbinding gestaan met de zijruimten en het schip. Dit westwerk is op een zorgvuldige wijze gemetseld van grote kloostermoppen. Binnen wordt het schip overdekt door tufstenen koepelgewelven. In de koorsluiting komen de ribben samen in een knoop; de andere gewelven kennen een vergaring met een ring of een zespuntige ster. Tijdens een recente restauratie zijn muurschilderingen uit ongeveer 1270 gevonden: op het absisgewelf een Maria met Kind en op de muren het beeldverhaal van de passie met overeenkomende verbeeldingen uit het Oude Testament.

Na de oorlog is Britsum eerst uitgebreid langs de bestaande wegen, onder meer de Menno van Coehoornwei en daarna, toen er forensen uit Leeuwarden gingen wonen, met buurten aan de oost- en zuidzijde waar ook de gereformeerde kerk uit 1965 staat.

 
Links:

Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Beschrijving op Wikipedia
Ald Britsum – Britsumer families uit heden en verleden

Terug

Subcategorieën