De geschiedenis van Café ‘De Smalle Brug’ reikt blijkens informatie uit het Historisch Centrum Leeuwarden - waar sedert 1985 het oud archief van de gemeente Leeuwarderadeel wordt bewaard - minstens terug tot 1614 en mogelijk zelfs tot 1579. De vroegste verkoopsproclamatie waarvan met zekerheid kan worden gezegd dat deze betrekking heeft op de destijds alhier aanwezige bebouwing, vond plaats op 24 juni 1626. Er is dan sprake van de voorgenomen verkoop door Jan Pijterszoon, herbergier, en Griet Cornelisdochter, echtelieden te Stiens, van ‘seeckere huijsinge, hovinge, bomen ende plantagie, ’t sampt plaetse met alle het gene daer in, om ende aen aerd spijcker ende naegelfast is, staende ende geleegen tot Stiens’. Blijkens de koopakte die reeds een jaar eerder, op 13 april 1625, was gepasseerd moest jaarlijks twee goudgulden en vierenhalve stuiver grondpacht aan de Armvoogden van Stiens worden betaald.

Aan de hand van bewaard gebleven boedelinventarissen van in Stiens overleden personen kon worden vastgesteld dat Jan Pijterszoon de herberg reeds in 1614 moet hebben bezeten. Boedelinventarissen bevatten doorgaans onder de noemer ’uitschulden’ - uitgaven die nog ten laste van het sterfhuis kwamen - onder andere de kosten die waren gemaakt voor het vervaardigen van een doodkist, het ter aarde bestellen van de overledene en de levering van de veelal overvloedig geconsumeerde dranken en spijzen. Vaak treffen we de dorpsherbergier in deze boedelinventarissen met naam en toenaam aan, zoals bijvoorbeeld in de op 20 juni 1616 geïnventariseerde boedel van Geert Sydses Jelgersma: "Jan Peters herbergier comt van bier 1 goudgulden en 11 stuivers" en op 23 augustus 1614 in de boedelbeschrijving van Cornelis Dirckzoon: "Jan Pieters compt van het ’luydersbier’ 2 caroligulden". Het ’luydersbier’ werd traditioneel voor rekening van de nabestaanden door de vrijwillige klokkenluiders uit het dorp genuttigd na het beluiden van een overledene. Gaan we nog verder terug, dan komen we op 9 november 1590 onder de crediteuren van wijlen Magdalena Cornelisdochter een zekere Jelle Pieters tegen, aan wie 14 stuivers moest worden betaald ’van ’t bier byden luijders gedroncken’. Zeer waarschijnlijk hebben we hier te maken met een voorganger van herbergier Jan Pieters. De vroegste schriftelijke overlevering van het bestaan van een herberg in Stiens treffen we aan wanneer Koning Philips II van Spanje op 16 april 1581 gratie verleent aan een zekere Engbert Pieterszoon, die wegens een doodslag, op Allerheiligen (1 november) 1579 gepleegd ten huize van de herbergier Alexius Martens te Stiens, de provincie was ontvlucht. Het relaas van wat er die noodlottige avond in de herberg heeft plaatsgevonden is verwoord in deze - overigens verloren gegane - ’Brief van Gratie en Remissie’ die zich ooit moet hebben bevonden onder de losse papieren van Grietman Tjalling Ædo Johan van Eysinga van Rauwerderhem en waarvan de inhoud is opgenomen in deel IV van het gedrukte ’Groot Charterboek van Vriesland’ (download hier de volledige tekst):

"Doen te wetene allen jegenwoerdige ende toecomende: dat wy, ontfangen hebben die oetmoedighe supplicatie van Engbert Pieterszoon, inhoudende, dat hy Suppliant op ten eersten dach Novembris in den jaere 1579 binnen Steens vergeselschapt is geweest met meer andere, ten huyse van Alexis Martens, Herbergier in denselven Dorpe, alwaer die Suppliant ende eenen Jan Menickezoen van Finckum by malcanderen stonden, is gecomen Pieter Janzoon, mede van Finckum voerschreven, seggende totten Lachgenoeten "wat twe stolte mannen staen daer by den anderen; ende heeft eenen Sytse Optzoen gesecht: "al zynse stolt, soe hebbense nochtans gheen moet"; waer op die Suppliant heeft geantwoordt: "all hebben wy gheen macht wat lecht dy daer aen"; waer op die voerszeyde Sythie gesecht heeft totten Suppliant: "ick geloeve nyet dat du (designerende den Suppliant) het alleene wilste regieren, met meer onbequaeme woorden van syn suster ende moeder, ende sulcx doende, is met dien den Suppliant aengevallen, ende met zyn hoeft op des Suppliants borst geloepen, dat die Suppliant aen de voergevel op een bancke gevallen is; ende voerts den Suppliant alsoe fortselyck aengegrepen, dat die Suppliant, in lyff noedt zynde, hem noetelycken moeste verweren, ofte zyn leven laeten; sulcx dat die Suppliant, crygende een broet mes in de hant, meinde van voorszeyde Sythie daer mede aff te keren, heeft die Sythie seeckere wonde gecregen, (soe de Laegesgenoeten seggen) hoewel hy Suppliant ’t selve voerseecker nyet en weet, allwaer aen die selve Sythie deser werelt (Godt betert) overleeden is. Ende hoewel den Suppliant gans geen schult aen den nederslach van den voerszeyde Sythie hadde, vresende nochtans rigeur van justitie, is vuyt dese Landen geweecken, ende all over ’t jaer daer vuyt geweest, ende middelertyt metten bloede versoent, nyet tegenstaende hy daer aff onschuldich werdt geholden, ende soude nochtans nyet vryelyck derffuen converseren ter plaetzen van zynder residentie, noch in eenighe van onsen Lande, sonder eerst ende alvoeren verworven te hebben onze opene brieven van gratie ende remissie, daer toe dienende, om die welcke hy ons met alder oetmoedt gebeeden heeft".

Alexius Martens is op 18 januari 1589 nog onder de levenden, wanneer hij wegens een schuld voor het Nedergerecht van Leeuwarderadeel wordt gedaagd door Jan Jacopszoon. Voor 28 maart 1590 moet hij echter zijn overleden. Op deze datum is zijn nagelaten weduwe Et Dircxdr. eiseres in een proces tegen Frans Foeckesz. Op 26 januari 1604 vindt er een boedelinventarisatie plaats ten sterfhuize van Et Alexij weduwe. Zij bewoonde op het moment van haar overlijden een huis in de Kerckebuiren - dus de straat rondom kerk en kerkhof (tegenwoordig de Pieter Jellessingel en Smallebrug) - waaruit een goudgulden jaarlijkse grondpacht moest worden betaald aan de pastorie. De locatie zou ons kunnen doen vermoeden dat het hier om het huidige Café ’De Smalle Brug’ gaat, doch hieromtrent valt helaas niets met zekerheid te zeggen. Het gegeven dat reeds in 1590 een Jelle Pieters de dorstige kelen van de klokkenluiders smeerde, lijkt hiermee in strijd. Alexius vinden we na 1579 dan ook niet meer als herbergier vermeld. Het is niet ondenkbaar dat de schrik die de dodelijke steekpartij teweeg heeft gebracht hem zo heeft aangegrepen, dat hij het herbergiersbedrijf voor gezien heeft gehouden.

In 1626 werd voor 1408 goudgulden Nanne Claeszoon de nieuwe eigenaar. Deze zou de herberg in 1632 weer van de hand doen, om vervolgens in 1652 wederom een bod op zijn voormalige bezit uit te brengen. In 1646 is er voor het eerst sprake van een bijzondere overdrachtsbepaling die de bestemming van het pand voor de volgende eeuwen moest waarborgen. De toenmalige eigenaar/verkoper Albart Goslijckszoon zou niet elders in het dorp bier mogen tappen, alvorens de nieuwe eigenaar hiervoor genoegdoening te betalen. Onder deze voorwaarde ging de herberg vervolgens voor 2125 goudgulden over in andere handen. Nadien was er bij verkooptransacties herhaaldelijk sprake van de ‘gerechticheyt van een vrye tapperye’. Koopakten uit 1697 en 1721 delen ons mee dat de herberg ooit door een uithangteken werd gesierd: ‘seekere wel ter neringe staende huijsinge, staende en gelegen in de Kerckebuijeren, alwaer de roscam uijthanght’. De lokaliteit zal bij de toenmalige dorpsbewoners naar alle waarschijnlijkheid als ‘Herberg de Roskam’ bekend hebben gestaan.

Uit een omschrijving uit 1736 blijkt dat het herbergiersechtpaar Gercke Gerbens en Meijnouw Dirx, die de herberg in 1721 in eigendom hadden verkregen, het pand drastisch moeten hebben laten verbouwen. Er is dan sprake van een ‘seekere welgeleegene huisinge en voorname herberge bij het kerkhof, bestaande in een seer grote beneeden kamer, op de weg uytsiende, met twee bedsteeden; nog een grote kamer met twee bedsteeden en een spijskamer; een wijn- en bierkelder; daar boven een kamerke; een grote pleisierige boven kamer met twee bedsteeden; een kleer- en turfsouder; een groote stallinge voor sestien paarden met een reegenwatersbak en secreet; een grote hovinge en bleekveld’.

Deze omschrijving doet vermoeden dat de herberg - afgezien van de in de twintigste eeuw verdwenen ’trochreed’ en de aangebouwde serre - in grote trekken zijn huidige aanzien heeft gekregen. Het uithangteken ‘De Roskam’ zal bij de achttiende-eeuwse verbouwing waarschijnlijk zijn verwijderd. Pieter Jelles Troelstra (1860-1930), die van circa 1869 tot 1875 zijn jeugd in Stiens heeft doorgebracht, maakt in zijn gedenkschriften de volgende opmerking over de herberg:

Rondom het kerkhof stonden de pastorie, het doktershuis, het schoolhuis en aan den anderen kant een groote dorpsherberg, de zetel van de boeren-vereeniging, die daar haar hengsten had staan, zoowel ter verzorging als ter dekking, welk laatste natuurverschijnsel gewoonlijk onder groote deelneming der dorpsjeugd plaats had, en waar nu en dan het hynstebier (hengstebier), een soort potvertering, werd gehouden. Vóór deze herberg was een plein, waarop wij kinderen tegen den avond meermalen de bekende rondedans, Patertje-langs-den-kant uitvoerden. 

Logement P. Fierstra rond 1900. Foto: Documentatiestichting Leeuwarderadeel
Logement P. Fierstra rond 1900. Foto: Documentatiestichting Leeuwarderadeel

Volgens een serie artikelen over oude beroemde herbergen in Friesland van de hand van Reinder Sierks Roorda (1894-1965) uit Britsum, in 1944 gepubliceerd in de Leeuwarder Courant, zou Café "De Smalle Brug" in het begin van de vorige eeuw, toen herbergier Pieter Fierstra (1857-1911) er de scepter zwaaide, tevens bekend hebben gestaan als Herberg "De Springende Paarden". Ook Reinder Brolsma noemt deze herberg in zijn verhaal over de 'spekriderij'. Inderdaad tonen oude foto's boven de de monumentale ingang aan de voorzijde van het pand en rond 1910 boven de ingang van de serre een houten bord met opschrift dat in het midden onderbroken wordt door twee tegen elkaar opsteigerende paarden of hengsten. Dit bord is in 1920 door kastelein Wytze Smits (1880-1956) vervangen door een soortgelijk bord met in plaats van  de twee paarden zijn eigen naam. Overigens treffen we in 1875 voor het laatste maal een aankondiging van het traditioneel in de eerste week van maart aldaar gehouden 'hengstebier' in de Leeuwarder Courant aan.

Ondanks de brand die medio zestiger jaren van de vorige eeuw in het pand heeft gewoed - hetgeen tot gevolg had dat een deel van het interieur werd gemoderniseerd - heeft het pand de door gevelvernieuwingen ontstane negentiende-eeuwse uitstraling weten te behouden. Na het wegnemen van het uithangteken werd aan het pand steeds de naam van de uitbater gekoppeld, totdat begin jaren zeventig van de vorige eeuw de toenmalige kastelein Ingo Brandsma het door hem overgenomen Café Smits van de huidige naam liet voorzien.

Met het ingaan van het derde millennium is ‘Cafe-Restaurant De Smalle Brug’ de vijfde - mogelijk zelfs de zesde - eeuw van haar bestaan ingegaan, waarmee zij zonder enige twijfel als een van de oudste Friese bedrijfspanden, die nog aan haar oorspronkelijke bestemming voldoet, kan worden aangemerkt.

Logement P. Fierstra rond 1910
Logement P. Fierstra rond 1910

In het verleden bood de herberg onderdak aan vermoeide reizigers die niet meer voor het sluiten van de poorten de stad konden bereiken. Terwijl de paarden werden verwisseld in de stal of ‘trochreed’, genoten de reizigers een voedzame maaltijd in de spijskamer. In de avonduren konden de gasten in de gelagkamer onder het genot van een ‘soopje’, een kan bier of een glas wijn op verhaal komen.

De herberg was direct aan de Stienser vaart gelegen. Dit water liep vanaf de Dokkumer Ee dwars door Stiens tot aan een korenmolen, ver in het weiland richting Vrouwenparochie. In 1923 is men begonnen met het dempen van het deel van de vaart in het dorp, vanwege aanhoudende klachten over stankoverlast en de voortdurende kosten van onderhoud. Het scheepvaartverkeer was inmiddels door het wegvervoer verdrongen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verdween het laatste stukje water vanaf de Smalle Brug tot aan Vrouwenparochie. Graafwerk in verband met de uitbreiding van het militaire vliegveld ten behoeve van de ‘Deutsche Luftwaffe’ leverde de benodigde aarde om het dorp van haar stankoverlast te verlossen. Met het dempen van dorpsvaart behoorden ook de ‘smalle bruggen’ waaraan de herberg zijn naam heeft te danken voorgoed tot het verleden.

Terug naar Stiens