In de collectie van het Historisch Centrum Leeuwarden bevindt zich een lijst uit 1694 waarop alle wagens, schepen en andere vervoermiddelen in de stad en hun eigenaren zijn aangetekend. Daarnaast vermeldt deze lijst bijna altijd het woonadres van de genoemde personen en ook nog een flink aantal keren het beroep. Een bron die dus zeer nuttig kan zijn voor verscheidene historische en genealogische studies. De lijst is daarom getranscribeerd en van een register voorzien.
Waarom deze lijst is opgemaakt, is in één oogopslag duidelijk. Het is natuurlijk de bedoeling geweest om een belasting op vervoermiddelen in te voeren. Dit blijkt ook uit een op de lijst aangetekende klacht van de schippers Albert Beuwis en Gerrit Geerts, die buijtenlandts (d.i. buiten Friesland) voeren. Zij klagen „datse jarlix ijder 10 lb. lastgelt moeten betalen en daerom te sustineren datse van binnenlasten vrij behoorden te zijn, behalven noch de convoijgelden die haer te laste wert gelecht”. Dat de lijst inderdaad is aangemaakt om belasting te heffen blijkt uit een andere bron. Op 29 maart 1694 besloten de Staten van Friesland, „nodigh oordelende de finantien van dese provintie benificeren en te vermeerderen”, om de floreenrente te verhogen met één stuiver. Tevens besloten zij tot de invoering van een belasting op de „wagens, karren, schuiten en schepen binnen dese Provincie gevonden wordende”. Het Mindergetal kreeg opdracht hiertoe een reglement op te stellen. Hoe dit reglement eruit kwam te zien, is niet te achterhalen. Het journaal van het Mindergetal is voor 1694 niet bewaard gebleven.
Hoewel het reglement zelf dus niet is overgeleverd, is wel duidelijk dat dit snel op tafel lag. Op 13 april werden namelijk in de vergadering van de Leeuwarder magistraat de burgemeester Fenema en de bouwmeesters Acronius en Visscher gecommitteerd om een plan te maken om een lijst te maken van de wagens en schepen conform een missive van de Staten van Friesland. Drie dagen later presenteerden de genoemde heren hun plan aan de magistraat en nadat de laatste haar goedkeuring heeft verleend, werd besloten dat door „aanplackinge van billietten en tromslag daar van alomme in de stad bekentmakinge tot een ieders narigtinge magh worden gedaan”. Op 1 mei werden Fenema, Acronius en Visscher tevens gecommitteerd om de wagens etc. op te tekenen. Zij zijn echter niet de enigen geweest die uiteindelijk de lijst gemaakt hebben. Het aantal handschriften op de lijst is namelijk groter dan drie.
In Leeuwarden hebben de plannen van de Staten van Friesland om een belasting op vervoermiddelen in te voeren dus geleid tot het opmaken van een kohier. Of dit in andere steden en grietenijen ook het geval is geweest, is niet onderzocht. Onduidelijk blijft ook of de bewuste belasting ook daadwerkelijk ingevoerd is. In de geraadpleegde bronnen wordt ze in elk geval nergens meer genoemd.

Tot zover de achtergronden van de lijst. Nu nog enige opmerkingen betreffende de transcriptie. De gegevens uit het manuscript zijn zoveel mogelijk geüniformiseerd en in vijf kolommen gerangschikt. Hierbij is de volgende indeling gehanteerd:

1) Paginanummer
2) Nummer ten bate van register.
3) Adres. Hierbij is in de transcriptie de moderne schrijfwijze gehanteerd. Dus „op de dijck” wordt Wirdumerdijk etc. Waar dit wenselijk leek is echter de oude schrijfwijze gehandhaafd.
4) Naam en verdere bijzonderheden (beroepen etc.). Hierbij is doorgaans de originele schrijfwijze gehandhaafd.
5) Vervoermiddelen. Moderne schrijfwijze en aantallen in arabische cijfers.

Voor het overige is de volgorde van het manuscript gehandhaafd. De paginanummers in de transcriptie verwijzen naar de bladnummering van het origineel.

Hoewel het niet de bedoeling is om hier een compleet onderzoek aan de hand van deze lijst te presenteren, mogen de totaalcijfers toch niet ontbreken. Hierbij moeten ook een paar bronkritische aantekeningen geplaatst worden. In de eerste plaats moet men zich in betrekking tot totaalcijfers afvragen hoe volledig de lijst is. Hier valt helaas weinig over te zeggen, behalve dan dat de lijst een vrij volledige indruk maakt. Daar er verder niets op wijst dat de lijst onvolledig zou zijn, lijkt het dan ook verantwoord om er van uit te gaan dat deze inderdaad volledig is. Een ander, en eigenlijk groter probleem is, dat vaak niet altijd duidelijk is wat voor scheepstype er achter een bepaalde term schuil gaat. Met name in de categorie schuiten en pramen is de diversiteit groot. We treffen hier zowel zeewaardige schepen aan als kleine (roei)bootjes. Ondanks deze problemen zal hier toch een poging gewaagd worden om totaalcijfers van het aantal vervoermiddelen te geven.
De vaartuigen vallen voor het merendeel in de categorie pramen en schuiten, 407 stuks. Zoals gezegd zijn dit niet alleen bootjes voor vlak bij huis. Dit blijkt ook uit de cijfers voor vaartuigen die als binnenschepen konden worden geïdentificeerd. Naast 25 trekschepen treffen we slechts 10 andere binnenschepen in de stad c.a. aan. Ongetwijfeld zullen ook vaartuigen die in de categorie pramen en schuiten vallen, als binnenschip in gebruik zijn geweest. Zo zullen de drie bollepramen van de Dokkumer schipper Jurrien Sijmens waarschijnlijk beroepshalve gebruikt zijn. Ook zullen enige binnenschepen terechtgekomen zijn in de categorie jachten, omvattende 64 stuks. De meeste van deze schepen zullen voor particulier vervoer of vermaak hebben gediend, maar niet uit te sluiten valt dat ook enige zijn ingezet als bijvoorbeeld beurtschepen. De laatste categorie, zeewaardige schepen, omvat 27 schepen. Ook van deze categorie kunnen echter nog enige schepen in de categorie pramen en schuiten terecht zijn gekomen.
Van de rijtuigen e.d. werd het grootste deel gewoon als wagen aangegeven, in totaal 96 stuks. De meesten van deze zullen bij verschillende werkzaamheden gebruikt zijn, net als de hooiwagens (45 stuks), de boerenwagens (3 stuks) en het lichtere gereedschap, de karren (27 stuks) en de sleden (15 stuks). Voor het personenvervoer werd het meest gebruikgemaakt van sjezen (66 stuks) en hoornse wagens (63 stuks). Gerieflijker en luxueuzer waren de verdekte wagens (36 stuks). In het nog luxere segment worden 6 calessen, 6 karossen, 3 koetsen en 1 balijn aangetroffen. Onduidelijk is waar de 2 bolderwagens voor werden gebruikt.

Terug