Ruiterskwartier en Wilhelminaplein in de jaren 50-70
Artikelen gepubliceerd in de Zaailandkrant 2011
#1
Ruiterskwartier - achter Nieuwestad z.z. 108

Foto: Spelende kinderen achter het Old Burger Weeshuis, 1955-1960, Foto van Frans C.D. Popken, FDRUITKWB116.

Het Old Burger Weeshuis was van 1946 tot 1974 gevestigd in het patriciërshuis uit 1824 aan de Nieuwestad 108, het enige pand in deze straat dat geen winkelpui heeft. De grote achtertuin strekt zich uit tot het Ruiterskwartier. Vroeger hadden de voorname Nieuwestadbewoners hier hun koetshuizen. Er staat een bijna honderdvijftig jaar oude beuk, geplant bij de geboorte van freule Van Eysinga, de vroegere bewoonster van wie het Old Burger Weeshuis de woning in 1946 gekocht heeft.

Eerder was het weeshuis gevestigd aan het Zaailand. Maar de Duitse bezetter vorderde het gebouw in 1940 om er de Sicherheitsdienst onder te brengen. De wezen kregen gedurende de oorlog een onderkomen buiten de stad. In april 1945, een dag voor de bevrijding van Leeuwarden, stak de bezetter het weeshuisgebouw in brand.

De foto is uit de periode dat het zelf kinderloze echtpaar Bergsma-de Jong het weeshuis leidde, dat gemiddeld 15 kinderen herbergde. Alle bewoners vormden met elkaar één groot gezin. Er heerste een huiselijke sfeer, de ruime slaapzalen waren vrolijk ingericht en er was een hond als huisdier. De onderlinge gehechtheid was groot. In hun volwassen leven bleven de weeskinderen contact houden met hun "ouders". Het echtpaar Bergsma-de Jong was vaak getuige bij huwelijken en kreeg vele "kleinkinderen".

In de eerste helft van de 20e eeuw waren er ongeveer 70 weeskinderen opgenomen, waaronder ook halve wezen en kinderen van gescheiden ouders. Door de betere sociale voorzieningen werd dat aantal steeds kleiner. In 1974 woonden er nog maar 10 kinderen in het ondertussen veel te grote weeshuis. Zij verhuisden naar een villa in de Bilderdijkstraat, terwijl het pand aan de Nieuwestad ingericht werd als dagverblijf voor ongeveer 30 kinderen uit probleemgezinnen. Het pand kreeg toen de naam Auck Petershuis, naar de burgemeestersvrouw Auck Peters, die bij haar overlijden in 1538 haar huizen bij testament aanwees tot "verblijfplaats van tien arme wezen" en daarmee de eigenlijke oprichtster was van het Old Burger Weeshuis.
Tegenwoordig dient het Auck Petershuis als onderkomen voor
de belangrijkste organisaties voor het Waddengebied, het "Huis voor de Wadden".
[MtH]

#2
Ruiterskwartier 115*, hoek Oude Doelsteeg, woonhuis en kantoor

Ruiterskwartier 109-115
Foto: Ruiterskwartier 109-115 aan weerszijden van de Oude Doelsteeg,1962.
*Op de foto is huisnummer 121 bijgeschreven, maar dit is niet correct.

Het pand rechts op de hoek van de Oude Doelesteeg en het Ruiterskwartier is gesloopt in 1992. Het dateerde uit ongeveer 1870. Erachter lag een diepe ommuurde tuin, grenzend aan de Oude Doelsteeg. Op deze plek staat nu het vier bouwlagen hoge winkel- en kantorencomplex "De Erkers", tot voor kort in gebruik als bankgebouw.

Een van de eerste bewoners van het huis was Nicolaas Lobry van Troostenburg de Bruijn, geneesheer en directeur van het vaccinatiebureau, dat verderop aan het Zaailand gelegen was. De familie Van Troostenburg de Bruijn woonde er van 1881 tot 1918. Daarna kwam het pand in handen van de Noord-Amerikaanse Hypotheekbank. Voor dit doel werd het woonhuis gedeeltelijk verbouwd tot kantoor. Er werd een kluis aangebouwd, de voorgevel werd aangepast en de ruitjesindeling van de ramen verdween. Daarnaast bleef er woonruimte in het pand beschikbaar voor het gezin van huisbewaarder Benedictus Dumoré.

Het grote pand bood in dezelfde tijd ook nog ruimte aan een naaischool: een vestiging van de landelijk bekende mode-academie van Ida de Leeuw van Rees. De naailessen werden gegeven op de bovenverdieping, te bereiken via de ingang aan de Oude Doelesteeg. Ida de Rees van Leeuw gaf in de jaren twintig tot zestig ook naailessen via de radio; haar programma "Met naald en schaar" verwierf grote populariteit.

In 1939 vestigde verzekeringsmaatschappij De Waarborg zich in het pand. Toen de Duitse bezetter het gebouw in 1944 vorderde, moesten De Waarborg en de mode-academie tijdelijk verhuizen naar de Nieuwestad nummer 108, het tegenwoordige Auck Petershuis, dat een achteringang aan het Ruiterskwartier had.

De Waarborg liet in 1952 het kantoorgebouw uitbreiden en benutte hiervoor een deel van de tuin aan de achterkant. De hoge blinde muur aan de Oude Doelesteeg werd afgebroken tot op 1.20 meter hoogte. Men liep met deze uitbreiding vooruit op de plannen om een overkoepelend Agrarische Sociaal Fonds voor Nederland op te richten, waarvan het provinciale kantoor in het pand van De Waarborg gehuisvest zou worden. De extra kantoorruimte werd de eerste jaren verhuurd aan de afdeling werkeloosheidsverzekering van het Gemeenschappelijk Administratie Kantoor.

Later zijn er nog verschillende kantoren op nummer 115 gevestigd geweest. Makelaardij Friesland was de laatste gebruiker voor de afbraak in 1992. Het Agrarisch Sociaal Fonds liet het huidige complex bouwen als investeringsobject en verhuisde zelf naar de Oostergoweg.
[MtH]


#3
Ruiterskwartier 111 en 115
De plek aan het Ruiterskwartier ter weerszijden van de ingang van de Oude Doelesteeg is sterk verbonden met de geschiedenis van de banken en verzekeringsbedrijven in Leeuwarden.
Rond 1900 vestigt Erven B.L.C. de Haan’s Bank zich op de oostelijke hoek (tegenwoordig Yummi Yummi en DE-café). De bank werd in 1888 opgericht door Bernard Lodewijk Carel de Haan met als eerste kantoor Nieuwestad 55. In 1920 werd de bank geïntegreerd in de Nationale Bankvereniging.
Het rechterdeel van het (dubbele) bedrijfspand werd in 1935 afgebroken en architect Piet de Vries bouwde er een praktijkruimte en woning voor tandarts M. van Kollem. Na de oorlog vestigde Hoogstins er een verzekeringskantoor.
In 1919 verhuist de Noord-Amerikaansche Hypotheek Bank NV van de Van Swietenstraat, waar deze vanaf 1912 was gevestigd, naar Ruiterskwartier 115.
Geruggesteund door een aantal voorname Leeuwarder families probeert de bank beleggers te interesseren in pandbrieven waarvan de opbrengst belegd wordt in hypotheken in landbouwbedrijven in de Verenigde Staten. In de eerste jaren gaat het goed. Maar in 1923 gaat het mis. De agrarische sector in Amerika raakt in een crisis.
In 1925 blijken de problemen zo groot, dat het faillissement wordt aangevraagd.
Op 1 januari 1926 openen Pijselman & Zoon, kassiers en commissionairs in effecten, hun kantoor in het pand. Vader Gerrit Pijselman was eerder directeur van de Leeuwarder Bankvereeniging en later van de Nationale Bankvereeniging. Hij en zijn zoon Dirk hebben het tien jaar volgehouden. In mei 1936 wordt het bedrijf geliquideerd.
In 1939 verhuist de Onderlinge bedrijfsvereniging De Waarborg van de Willemskade naar Ruiterskwartier 115. De Waarborg gaat op den duur op in de FBTO. Het oude kantoorpand wordt in 1991 afgebroken.
In 1992 opent Commissaris der Koningin Hans Wiegel de vestiging van de VSB-bank in de nieuwbouw met de naam De Erkers. In 2000 gaat de VSB op in de Fortisbank.
De Fortisbank is een kort maar heftig leven beschoren. De Fortis-kantoren verdwenen in 2010 en werden in Leeuwarden opgenomen in de vestiging van ABN AMRO aan de Willemskade.
[KZ]                             

#4
Ruiterskwartier 119, koetshuis, tegenwoordig achteringang C & A.

Ruiterskwartier 119
Foto: Ruiterskwartier 119, foto van H.J. Zijlstra,1961. FRUITKWA079

In de 19e eeuw hadden de rijke bewoners van de herenhuizen aan de Nieuwestad vaak een koetshuis aan het Ruiterskwartier. Het koetshuis op de foto grensde aan de tuin van Nieuwestad 98, waar mr. Wilco Julius van Welderen baron Rengers woonde. Hij liet het koetshuis bouwen in 1877, toen hij burgemeester van Leeuwarden werd. In 1962 is het koetshuis afgebroken om plaats te maken voor de nieuwe winkel van C & A, die al in 1994 weer door nieuwbouw vervangen is.

De architect van het classicistisch koetshuis aan het Ruiterkwartier 119 was A.J. van Beek, die zijn opleiding zowel in Nederland als in Wenen en Boedapest genoten had. Van Beek had in Haarlem een architectuurprijsvraag gewonnen met zijn ontwerp voor een sociëteitsgebouw, dat nu nog steeds bestaat. In Leeuwarden, waar hij twee jaar gewoond heeft, deed Van Beek mee aan de prijsvraag voor het ontwerp van de Harmonie. Zijn ontwerp werd gekozen op voorwaarde dat de begroting omlaag ging. Het Harmoniebestuur schreef echter een nieuwe prijsvraag uit voor een goedkoper plan, waarop Van Beek verbolgen uit Leeuwarden vertrok. Het enige gebouw in Friesland dat van deze architect bewaard gebleven is, is de boterwaag in Gorredijk.

De bovenverdieping van het koetshuis diende als woning voor de koetsier. De eerste in deze functie was Gerrit Lentink, die in 1877 vauit Putten naar Leeuwarden kwam, als huisknecht bij Van Welderen Rengers aan de Nieuwestad. Toen Lentink koetsier werd ging hij in het koetshuis aan het Ruiterskwartier wonen, trouwde en kreeg zes kinderen, van wie er vijf overleden. In 1905 werd hij opgevolgd door koetsier Jacobus van der Burg, deze vertrok naar Den Haag in november 1912. De laatste koetsier of wagenmeester was Lodewijk Meijer, die het koetshuis verliet, nadat Van Welderen Rengers op 21 februari 1916 overleden was.

In 1917 kwamen de panden van Van Welderen Rengers in het bezit van de gebroeders C. en A. Brenninkmeijer. Zij lieten het hele complex tussen Ruiterskwartier 119 en Nieuwestad 98 verbouwen tot één geheel. De modewinkel aan de Nieuwestad kreeg de tegenwoordige imposante, rijk versierde voorgevel. Veel ruimte werd in beslag genomen door een portiek met etalages rondom. Op de eerste verdieping werd ook winkelruimte gecreëerd, terwijl het voorste gedeelte, aan de straatkant, tot woning diende van leden van de familie Brenninkmeijer. Het koetshuis aan het Ruiterskwartier werd op de begane grond aangepast als kantoor- en dienstruimte. Hier werden ook de goederen aangevoerd. De bovenwoning bleef gehandhaafd. In 1934 liet de firma Brenninkmeijer het koetshuis opnieuw intern verbouwen ten behoeve van de kledingzaak C & A. "Voor het opwekken van electrische stroom in het winkelcomplex en het atelier" moesten dieselmotoren geplaatst worden. Hiervoor werd door de gemeente een vergunning verleend, mits de omwonenden geen overlast zouden ondervinden van stank, radiostoring, trillingen en lawaai.
[MtH]

#5
Ruiterskwartier 151

Ruiterskwartier 151
Foto: Ruiterskwartier nrs. 149-153 in 1962, collectie Historisch Centrum Leeuwarden [FDRUITKWA141]

In het pand aan het Ruiterskwartier 151, waar nu babyartikelenwinkel Prenatal gevestigd is, heeft bijna dertig jaar de roemruchte City Bar gezeten. In november 1952 opende Rein Ferwerda met zijn vrouw Sientje dit café, dat zij tot 1972 zouden runnen. In een interview ter gelegenheid van haar honderdste verjaardag, op 23 augustus 2004, vertelt Sientje dat de City Bar destijds de grootste bieromzet van Leeuwarden had. Toen Rein Ferwerda overleed, verkocht Sientje het café.

In februari 1972 nam de familie Van Rooy de City Bar over en in april 1978 werd J.A. Visser de nieuwe exploitant. Visser zag niet lang daarna de klandizie slinken, ten gevolge van de bouw van de parkeerkelder op het Wilhelminaplein. Die klandizie bestond namelijk voor een groot deel uit tippelaarsters, die hun "werkplek" op het parkeerterrein Wilhelminaplein hadden. Na gedane arbeid bezochten zij dan, vaak met hun klanten, de City Bar. Door de bouwwerkzaamheden moesten de tippelaarsters uitwijken naar een andere gebied in de stad. Toen het plein na de opening van de ondergrondse parkeergarage niet meer als parkeerterrein gebruikt mocht worden, zag Visser zich genoodzaakt zijn café te sluiten. Hij haalde volgens eigen zeggen nog maar 25 procent van zijn vroegere omzet. "Exploitatie in de huidige verkeerssituatie is geen haalbare kaart," heet het in een kennisgeving in de Leeuwarder Courant op de dag dat de nieuwe parkeergarage geopend werd, 28 november 1979.

Nadat de City Bar gesloten was, heeft café de Tapperij hier nog korte tijd gezeten. Tot aan de grote brand in maart 1981 - waarschijnlijk aangestoken - op de hoek van het Ruiterskwartier en de Lombardsteeg, waarbij het café en drie andere panden deels verwoest werden. Een jaar later werd het pand aan het Ruiterskwartier 151 in zijn beschadigde staat te koop aangeboden. Het is toen herbouwd, waarna het als winkel diende. In het jaar 2000 verhuisde Prenatal van de Nieuwestad naar deze plek.
[MtH]

#6
Ruiterskwartier 163, 165 en 173, tegenwoordig boekhandel Selexyz De Tille.

Ruiterskwartier 163165173
Foto: FDRUITKWA145 (1962), nr. 163, 165, 173

De drie panden op deze foto zijn in 1970 afgebroken om plaats te maken voor één nieuw, strak vormgegeven verenigingsgebouw voor de Doopsgezinde Gemeente, tegenwoordig het onderkomen van boekhandel De Tille. De nummering springt van 165 op 173, de ontbrekende nummers bevonden zich in de steeg de Blauwe Poort, waarvan de ingang schuilgaat achter de boom in het midden. Helemaal rechts is nog een stukje van het Fries Koffiehuis te zien.
Nummer 163 was al sinds 1928 in gebruik als verenigingsgebouw van de Doopsgezinden. Nummer 165 was oorspronkelijk een logement en werd in 1912 verbouwd tot kapperszaak en nummer 173 is in 1918 als kantoorgebouw ontworpen.
De Doopsgezinde Gemeente besloot dat het nieuwe gebouw de functie van open jeugdcentrum moest krijgen en verhuurde het pand voor dat doel aan de Stichting Ruiterskwartier. Op 1 september 1972 werd het "Jongerenontmoetings-, informatie- en adviescentrum Het Ruiterkwartier", zoals het voluit heette, geopend. Het centrum richtte zich op scholieren, studenten en werkende jongeren. Er was een bar met een moderne praatzitkuil, een mensa, een huisvestingsbureau, en een expositieruimte.
Al gauw ontstonden er wrijvingen tussen de verschillende groeperingen jongeren. De werkende jongeren stonden tegenover de studenten en de aanhangers van de Jezus-beweging tegenover de hash-hippies. De conflicten werden zo hevig - er vonden zelfs knokpartijen plaats - dat het centrum enige tijd dicht ging. Men ging toen een nieuwe koers varen met het jeugdcentrum, dat in 1976 Araloe ging heten. De organisatie zorgde voor een veelzijdig programma van concerten, filmvoorstellingen en cabaret. Maar Araloe bleek niet in een behoefte te voorzien en moest na een jaar sluiten. De jongeren gingen liever naar Hippopotamus in de Schoolstraat, dat in deze periode ook net opgericht was. Een nieuw plan om aan het Ruiterskwartier dan maar een centrum voor werkende jongeren, Krats, op te richten, sneuvelde bij voorbaat. De Doopsgezinde Gemeente was niet langer bereid haar gebouw te verhuren aan een jeugdcentrum.
Boekhandel De Tille werd de nieuwe huurder. Deze zaak zat sinds 1948 om de hoek aan de Wirdumerdijk. In het pand aan het Ruiterskwartier was meer ruimte voor de wetenschappelijke afdeling, ook kon hier een expositieruimte ingericht worden. Architectenbureau Vegter, dat het oorspronkelijke gebouw ontworpen had, paste het pand aan de winkelfuctie aan en in april 1978 kon de nieuwe boekhandel geopend worden.
[MtH]

#7
Wilhelminaplein, parkeerterrein

Wilhelminaplein. parkeerterrein
Zaailand 1956, "Parkeerproblemen op marktdag", foto Bas den Oudsten.

In de jaren vijftig ontstond door het steeds drukker wordende autoverkeer grote behoefte aan parkeerplaatsen in de binnenstad. In de straten en langs de grachten en kanalen werden zoveel mogelijk parkeerhavens aangelegd, maar dat was niet toereikend. Daarom kreeg het Wilhelminaplein, dat een grote lege vlakte was, de functie van parkeerterrein. Hier was plaats voor 600 auto's. Behalve op vrijdag, wanneer er markt was op het plein. Bovendien werd op vrijdag aan de Lange Marktstraat de veemarkt gehouden, wat extra veel verkeer naar de binnenstad trok.

Om het vrijdagse parkeerprobleem op te lossen zou de markt naar de Nieuwestad moeten verhuizen, wat ook gebeurde als er bijvoorbeeld kermis was op het Wilhelminaplein. Bij wijze van proef werd de markt in maart 1954 naar de Nieuwestad verplaatst, maar dit duurde slechts tot oktober. De marktkooplui vonden de Nieuwestad veel te langgerekt voor een markt, de mensen konden er geen "rondjes lopen". En de winkeliers van de chique Nieuwestad hadden een hekel aan de rommel die de markt achterliet. Tot ieders vreugde ging de markt terug naar het Wilhelminaplein. Alleen de politie vond het experiment geslaagd, omdat de parkeerproblemen op vrijdag voorbij waren. Voortaan werden op marktdag de auto's weer overal neergezet waar maar een plekje vrij was, zoals de foto laat zien.

Het Wilhelminaplein moest aldus op marktdagen vanaf 's morgens vijf uur vrij van auto's zijn. De markt- en havendienst plaatste de dag ervoor verkeersborden om de automobilisten te waarschuwen. Bleef er soms toch nog eens een auto op het plein staan, dan bouwden de marktkooplui hun kramen er gewoon omheen en aan de auto hingen ze een bordje met de mededeling "Niet bestemd voor de verkoop."

Pas in 1963 kwam er verlichting voor het parkeerprobleem in de binnenstad van Leeuwarden. De veemarkt werd toen verplaatst naar de Frieslandhal (tegenwoordig WTC Expo) aan de Heliconweg. Dit had een dubbel effect op de parkeergelegenheid: bezoekers voor de veemarkt kwamen niet meer naar de binnenstad en op het enorme veemarktterrein aan de Lange Marktstraat (waar nu het gebouw van de Aegon staat) kon een parkeerterrein aangelegd worden met plaats voor 700 auto's.
[MtH]


#8
Wilhelminaplein, stadsbusstation

Wilhelminaplein busstation
foto HCL 1973-1975

Op en rond het nieuw ingerichte Wilhelminaplein is tegenwoordig maar weinig ruimte voor autobusverkeer. De bussen kunnen elkaar nauwelijks passeren en de halteplaatsen tegenover het Paleis van Justitie veroorzaken opstoppingen. Sommigen zien een oplossing in een omleiding van de streekbusroute langs de Westersingel en een fietsbrug naar de binnenstad. Maar de politieke partijen, de middenstand en de bewoners zijn het niet met elkaar eens over dit 1,8 miljoen kostende plan.

Op de foto uit de jaren zeventig is het toenmalige stadsbusstation op het Wilhelminaplein te zien. Het gebouw rechts, op de hoek van de Zuiderstraat en het Zaailand, is van het waterleidingbedrijf. Het pand op de tegenoverliggende hoek is afgebroken. Daar staat nu een nieuw gebouw van de Friesland Bank.

Het station voor de stadsbussen is aangelegd in 1950. Het grensde aan het plantsoentje met de Mercuriusfontein. De bussen maakten gebruik van twee busbanen aan weerszijden van de 30 meter lange halte, zodat het overige verkeer geen last van oponthoud had bij het in- en uitstappen van de passagiers. Er was een kantoortje voor de stationschef, die het busverkeer moest regelen, en er waren toiletten en een kiosk. De Leeuwarders waren blij met de bouw van het nieuwe station voor de stadsbussen, want dit betekende dat de stadsdienst voorlopig niet uit de binnenstad zou verdwijnen.

In Leeuwarden had al eens eerder korte tijd een stadsbusdienst bestaan, van mei 1924 tot november 1925, maar die moest wegens onrendabiliteit gestaakt worden. Voor tien cent konden passagiers een ritje maken met een van de drie autobussen van de L.A.B.O. Dit kon niet uit en omdat de gemeente geen subsidie wilde verstrekken, werd de stadsdienst opgeheven. De L.A.B.O. opende toen een buslijn Leeuwarden-Harlingen en breidde daarna de streekvervoersdienst uit.

Behalve busreizigers, maakten ook postzegelverzamelaars dankbaar gebruik van het stadsbusstation op het Wilhelminaplein. Bij slecht weer verzamelden zij zich iedere zaterdag en zondag onder het afdak van de bushalte om daar hun postzegelbeurs te houden.

Halverwege de jaren zeventig werden de routes van de stads- en de streekbussen ingrijpend gereorganiseerd. Het busstation op het Wilhelminaplein werd opgeheven, waarna aan het Zaailand en aan de westzijde van het Wilhelminaplein, tegenover het Paleis van Justitie, nieuwe halteplaatsen kwamen.
[MtH]


#9
Wilhelminaplein, parkeerkelder

Wilhelminaplein parkeerkelder
Wilhelminaplein, bouw parkeerkelder, 1978, foto Dick van der Heijde jr.

In vroeger eeuwen liep in het gebied tussen het Zaailand en het Ruiterskwartier een brede gracht. Deze gracht werd rond 1850 gedempt, waardoor de ruimte voor een stadsplein ontstond. Toen prinses Wilhelmina in 1892 een bezoek bracht aan Leeuwarden, kreeg het plein haar naam. De Leeuwarders zelf noemen het meestal Zaailand.

Het Wilhelminaplein is al vaak in meer of mindere mate van aanzicht veranderd. Maar de herinrichting die nu gaande is, behelst een totale reconstructie van het plein. De aanleiding hiervoor was het legaat van 18 miljoen euro van architect Abe Bonnema, bestemd voor de bouw van een nieuw Fries Museum op het Wilhelminaplein. Behalve een nieuw museum, komen er woningen en winkels, die een extra straatwand vormen langs het Ruiterskwartier, en een nieuwe, grotere parkeergarage.

De "oude" ondergrondse parkeergarage was gebouwd in de jaren zeventig, als oplossing voor de groeiende behoefte aan parkeerplaatsen in de Leeuwarder binnenstad. Doorslaggevend argument voor het besluit tot de bouw, was de subsidie die de gemeente Leeuwarden in 1977 van het Rijk kreeg, onder voorwaarde dat in een deel van de parkeergarage een publieke atoomschuilkelder gebouwd werd. Dat scheelde 3 miljoen gulden op de totale kosten van 13 miljoen. De schuilkelder bood ruimte aan 5000 personen, zes procent van de Leeuwarder bevolking.

Bij de officiële opening van de parkeergarage annex atoomschuilkelder in november 1979 verzamelden zich honderden demonstranten van de "Aksiegroep Leeuwarden Beeft". Zij protesteerden tegen de kernwapenwedloop en de daarmee samenhangende bouw van atoomschuilkelders. Dertig actievoerders braken door de afzetting en versperden de ingang van de kelder. De bouwvakkers, die twee jaar aan de parkeergarage gewerkt hadden, pikten dit niet en verwijderden de demonstranten hardhandig. De politie moest eraan te pas komen.

In de volgende jaren groeide het verzet tegen de atoomschuilkelder, zowel bij de bevolking als in de politiek. Het Leeuwarder Vredesoverleg werd opgericht en er kwamen meer protestdemonstraties. In 1981 stemde dan ook een meerderheid van de gemeenteraad tegen de verdere afbouw en inrichting van de atoomschuilkelder, die nog eens 470.000 gulden had moeten kosten. De voorzieningen om het verblijf in de kelder mogelijk te maken, zoals sanitair, een aggregaat en bedden, kwamen er dus nooit.

Aan de koude oorlog en de kernwapenwedloop die sinds de jaren vijftig aan de gang waren, kwam een einde in de jaren tachtig. De internationale wereldpolitiek ontspande zich en de nieuwe atoomstrategie maakte schuilkelders overbodig.Tien jaar na de bouw werd het schuilkeldergedeelte van de parkeergarage formeel overgedragen aan de exploitant, de Stichting Parkeergarages Leeuwarden. De atoomschuilkelder is met zijn extra verstevigde fundament wel altijd een veilige ondergrond voor zware kermisattracties geweest.
[MtH]

Door: L.F. van der Laan


Historie

Kort na 1500 werd het ’Zoete-Name-Jezus-Gild’ gesticht, uit de erflating van Wick Heentiama die bij de Brol woonde. Het gilde stelde zich ten doel “den nood der behoeftigen door werken van liefde te lenigen”, zoals stadshistoricus Wopke Eekhoff in 1849 schreef. Zorg voor armen dus, in eerste instantie door ze te voorzien van levensmiddelen, kleren en dergelijke. Het startkapitaal was het legaat van Wick Heentiama, die bij testament 1200 dukaten aan het gilde vermaakte. Nadien groeide het vermogen door nalatenschappen van andere kapitaalkrachtige burgers van de stad.
In 1539 kreeg het gilde bij testament van Lieuwe Pieters Oosterzee en Saapk Rinthie een eigen onderkomen en 18 rondom staande woninkjes achter de Nieuweburen en nog diverse woninkjes Bij de Put, de Breedstraat, de Slotmakersstraat en de Speelmansstraat. In 1547 was de belangrijkste schenking die van Ritske Boelema en hij bepaalde dat er een gast- of proveniershuis of hofje moest worden toegevoegd aan de bezittingen van het gilde. Eerder al had Boelema enkele huisjes aan de Speelmansstraat geschonken en deze werden reeds Ritske Boelema Gasthuis genoemd. In 1548 kreeg het gilde toestemming de erfenis van Boelema te aanvaarden en werd ze als instelling erkend. Bij de Hervorming in 1580 werd het gilde opgeheven en ging de instelling verder onder de naam Ritske Boelema Gasthuis.

In 1598 kocht men een groot huis met schuur op de hoek van Monnikemuurstraat en Bij de Put van Dirck Hobbes Baerdt. Het huis werd met toestemming van het stadsbestuur verbouwd tot gasthuis. De bezittingen aan de Speelmansstraat werden verkocht. In 1623 werd het hoekpand uitgebreid langs de Monnikemuurstraat en in 1631 kon het belendende huis ten noorden aan de Monnikemuurstraat verworven worden. Hier verrees een nieuw pand, identiek aan het deel uit 1623 en daarvan gescheiden door een fraai classicistisch entreepoortje. Het aantal kamers kwam zo op 16. In 1639 werd op het achterterrein een reeks van tien kamers bijgebouwd, waardoor het complex de vorm van een hofje kreeg rond een eigen binnenplaats. Kleinere aanpassingen volgden nadien (in de eerste helft van de 18de eeuw kregen de panden nieuwe vensters met ramen met een kleine roedenverdeling, deels binnen de 17de-eeuwse kozijnen, deels in nieuwe kozijnen) maar pas in 1823 bij het tweehonderdjarig bestaan van het gasthuis op deze plek kwamen er nogmaals twee kamers bij. In 1840 had de laatste uitbreiding plaats, met vier kamers, zodat op dat moment aan 32 arme oude vrouwen onderdak werd geboden.
Tien jaar later verhuisden de bewoners naar een nieuw gasthuiscomplex aan de Turfmarkt, gebouwd door architect Frederik Stoett. Het oude gasthuis verkeerde op dat moment waarschijnlijk niet meer in al te beste bouwkundige staat en bovendien zullen hygiënische beweegredenen van doorslaggevende betekenis zijn geweest voor het optrekken van een modern gebouw met goede sanitaire voorzieningen.
Het complex aan de Monnikemuurstraat werd verkocht en opgesplitst in kleinere eenheden. Woningen maar ook een timmerwerkplaats kregen er een plek. De zuidelijke helft van het hoekpand werd afgebroken en in plaats daarvan verrees rond 1870 een statig twee verdiepingen tellend pand met een beneden- en een bovenwoning. Rond dezelfde tijd kreeg dit pand een verbinding met de achterliggende ’camer’, welke bij die gelegenheid waarschijnlijk met een verdieping is verhoogd.
De rest van het complex bleef weliswaar in gebruik voor bewoning maar de bouwkundige staat ging achteruit. Een paar jaar na de inwerkingtreding van de Woningwet volgde de onbewoonbaar verklaring. Tussen 1905 en 1910 werd het noordelijke pand vervangen door een twee bouwlagen tellend dubbel pand met onder winkels en boven woningen, welke deels werd uitgebouwd in de voormalige binnenhof. Van de bijbehorende achterhuisjes werden de kappen vernieuwd en verhoogd. De niet-bewoonde timmerwerkplaats (de noordelijke helft van het zuidelijke pand) en de bijbehorende kamers op het achterterrein bleven voor sloop gespaard.

Beschrijving Bij de Put 14

Fors hoekpand uit ca. 1870 met een beneden- en bovenwoning met de voorgevel aan Bij de Put en de zijgeval aan de Monnikemuurstraat. Twee bouwlagen tellend hoofdpand met kap, met kelder onder noordoostelijk gedeelte. Met de oostgevel deels grenzend aan binnenplaats, alwaar een later aangebouwd, smal en twee verdiepingen tellend volume de verbinding vormt met een klein achterhuis van twee verdiepingen met kap.


Exterieur

Het pand heeft een twee bouwlagen hoge en drie raamvakken brede classicistische gevel, beëindigd door een forse houten lijstgoot met hieronder een vlakke gepleisterde architraaf. De openingen hebben getoogde bovendorpels en vlakke gemetselde hanenkammen. Op de begane grond aan de rechterzijde een onder een hanenkam samengevat breed deurkozijn met toegangsdeuren voor de onder- en de bovenwoning en bovenlichten. De geprofileerde gelakte mahoniehouten deuren (mogelijk jaren ’50) hebben een kleine glasopening. Van de schuifvensters zijn de bovenramen nog origineel en grotendeels voorzien van oorspronkelijk glas. De onderramen zijn gemoderniseerd en ontdaan van de oorspronkelijke verdeling. De kozijnen liggen verdiept in de gevel en hebben een forse uitstekende onderdorpel. Het bruine metselwerk is zeer verzorgd uitgevoerd in staand verband met gesneden voeg, een gepleisterde plint, hanekammen boven de gevelopeningen en blind ankerwerk. Op de gootlijst staat een dakkapel welke nog de oorspronkelijk vormgeving en detaillering bezit, met een tweedeling als bij de toegangsdeuren, naar binnen draaiende onderramen en vaste bovenramen. De dakkapel heeft een plat dak met geprofileerd lijstwerk en met zink beklede wangen met trotseerloodjes. Evenwijdig aan de voorgevel loopt een schilddak, waarvan het voorste dakvlak is gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen en de nokken zijn afgedekt met geglazuurde vorsten. De met zink beklede pinakels aan de uiteinden van de nokken zijn (te) fors uitgevoerd.
De zijgevel is eveneens geleed in drie raamtraveeën en eindigt met een eenvoudige blokgoot op houten gootklossen. De gevel is echter niet symmetrisch ingedeeld. Aan de rechter zijde twee getoogd gesloten vensters, zoals in de voorgevel afgedekt met een eenvoudige rollaag, dan een blind stuk metselwerk waarachter de schouwen zich bevinden, en dan twee maal twee eenvoudiger vensters met vlakke bovendorpel en rollaag. Van de schuifvensters zijn de bovenramen nog origineel. De onderramen zijn gemoderniseerd en hebben de oorspronkelijke verdeling verloren. Het in verband met de voorgevel gemetselde, roodbruine metselwerk is uitgevoerd in kruisverband met een voeg met dagstreep, rollagen boven de gevelopeningen en rozetankers ter hoogte van de balklagen. Boven de bakgoot aan de zuidzijde een gemetselde schoorsteen met afdekkende rollaag en boven het middelste raamvak een eenvoudige dakkapel met hijsbalk en een raam met de oorspronkelijke roedeverdeling. De wangen van de dakkapel zijn met zink afgedekt en een eenvoudige vlakke boei omgordt het platte dakje. Het zijvlak van het schilddak is eveneens gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen en de nok met geglazuurde vorsten. Het achterste dakvlak heeft de vorm van een zadeldak, ligt ten opzichte van het schilddak terug en eindigt in een slordig opgemetselde topgevel. Het vlak is gedekt met geglazuurde gegolfde Friese pannen. De achtergevels zijn eenvoudige lijstgevels van twee bouwlagen, waarbij het verbindingsvolume met het achterhuis minder hoog is. De gevels zijn alle gepleisterd en wit geschilderd. De vensteropeningen van het hoofdpand corresponderen met die in de straatgevel al zijn de twee linker later deels dichtgezet ten behoeve van het verbindingsvolume. Ter hoogte van de kelder zijn twee kleine vensters uitgespaard. Een bakgoot met houten klossen sluit het metselwerk van voor- en achterhuis af. Op de oostelijke dakvlakken van het voorhuis liggen bitumen shingles en steekt een gemetselde schoorsteen door het vlak van het zadeldak. Van het achterhuis maakt de onderbouw deel uit van de oorspronkelijke ‘cameren’, in de 19e eeuw met een verdieping en een kap verhoogd.
Aandachtspunt interieur: in de tussenbouw is een 17e-eeuwse ontlastingsboog met zandstenen blokken zichtbaar in de achtergevel van het naastliggende pand Bij de Put 12.

Monnikemuurstraat 72: Complex gebouwen en aanbouwen met werkplaats en opslag van voorheen installatiebedrijf Wybenga. Hoofdpand bestaat uit één bouwlaag met een langskap, een steil zadeldak met een noordelijk topgevel grotendeels stammend van 1623. De voorheen open zij- en achterhof zijn op eenvoudige wijze overkapt met platte daken.

EXTERIEUR: Eén bouwlaag hoog met aan de zuidzijde een uitgemetselde kajuit met hijsdeur, restant van de oorspronkelijke Vlaamse gevel, en aan de noordzijde de opgemetselde schouder van de noordelijke topgevel. De onderbouw is rond 1910 gemoderniseerd door er een halfsteens gevel voor te zetten met onder schoon metselwerk en boven de vensters een gepleisterde borstwering met uitgespaarde hanenkammen. Ongeveer in het midden een dubbel deurskozijn met middenstijl en ter weerszijden een fors historiserend raamkozijn, waarvan het linker exemplaar opgedeeld wordt door een kalf, met 15-ruits onderraam en 10-ruits bovenraam. In de linkerpenant is in 1992 een door Hans ’t Mannetje vervaardigde gevelsteen opgenomen met de tekst “Ritske Boelema Gasthuis 1623 - 1849” en een afbeelding van het gasthuis in gereconstrueerde vorm omstreeks 1650. De gevel wordt afgesloten door een houten bakgoot met klossen en een houten architraaf. Het steile dakvlak is gedekt met gesmoorde oude holle pannen.
De zijgevel is een tuitgevel met schouders en bekronende pinakel en afgedekt met zink en trotseerloodjes op houten planken. De schouders worden afgedekt door geprofileerde zandstenen schouderstukken. Het onderste deel van de gevel wordt deels afgedekt door een overkapping. Onder de overkapping is de gevel gepleisterd en is de aftekening van een centrale, later dichtgezette deur zichtbaar, evenals een aantal elkaar deels overlappende openingen / luiken. Boven de overkapping is het pleister deels van het 17e-eeuwse metselwerk gevallen en is de ontlastingsboog met zandstenen blokken van de voormalige deuropening zichtbaar. Daarboven is de geprofileerde zandstenen waterlijst nog nagenoeg geheel intact. De rest van de gevel boven de waterlijst is gepleisterd. Ter hoogte van de verdieping zitten twee vensters met middenkalf, waarvan de linker onder een oud 10-ruits en boven een nieuw 8-ruits raam heeft, en de rechter boven een 8-ruits en onder 2-ruits raam heeft. Oorspronkelijk hebben de twee vensters boven 8-ruits ramen en onder twee luiken gehad. In de top van de gevel zit een hoog venster wat onder is dichtgezet met een niet oorspronkelijk luik en bovenin met een oud, niet oorspronkelijk 9-ruits raam. Op de gevel zitten verder nog zeven grotendeels complete 17e-eeuwse gesmede knopankers met lelietop en een zinken vergaarbak.
De achtergevel is een eenvoudige lijstgevel van één bouwlaag, welke voor een deel is afgedekt door een platte aanbouw. De gevel is gepleisterd en wit geschilderd met nog een aantal eenvoudige schootankers. Vlak onder de overkapping is een oude ontlastingsboog met zandstenen blokken zichtbaar welke niet correspondeert met het eronder zittende venster. Beide nog aanwezige vensters hebben iets boven het midden een kalf, waarboven een voorliggend 8-ruits raam, en waaronder sponningen voor luiken en een 12-ruits binnenraam. Van het rechter venster is het onderraam verdwenen. Aan weerskanten van de vensters zitten smalle deurkozijnen, waarvan de linker in de negentiende eeuw is voorzien van een bovenlicht en waarbij de opgeklampte deur is voorzien van sierlijsten. De blokgoot rust op negentiende-eeuwse smeedijzeren gootbeugels en het dakvlak is voorzien van een rode verbeterde holle pan.
Via een smalle doorgang is er een verbinding met een recente overdekte stalling, welke op de plek staat van een rond 1970 afgebroken zeventiende-eeuws pand, wat mogelijk ook deel uitmaakte van het gasthuiscomplex. Restanten van dit pand zijn opgenomen in de stalling, waarvan de zuidoostelijke gevel van zorgvuldig rood metselwerk in kruisverband voorzien is van een merkwaardige dichtgezette opening met een driepas-sluiting.

INTERIEUR: Entree. Na de voordeur is een kleine recente gang afgescheiden naar een doorbraak naar het hoekpand. Werkplaats. De rest van de begane grond is één grote ruimte met een oorspronkelijk enkelvoudig eiken balkenplafond en gepleisterde wanden. Op de balklaag is de aftekening van de oorspronkelijke indeling nog af te lezen, namelijk een middengang afgescheiden door halfsteens gepleisterde muren. Een centrale onderslagbalk vangt nu de balklaag op, waarvan een aantal een later aangebrachte console hebben, voorzien van een eenvoudig ojief. Verdieping. Een steile steektrap leidt naar de eerste verdieping waar zich de grotendeels 17e-eeuwse kap openbaart. Deze bestaat uit een Hollands stapelspant met eikenhouten krommers ten behoeve van de borstwering en grenenhouten dekbalken en vlieringen. De sporen zijn van grenenhout, evenals de brede halfhouts overlappende 17e-eeuwse vloerdelen. Aan de westzijde bevindt zich de gemetselde dakkapel, welke een restant is van de 17e-eeuwse Vlaamse gevel, waarvan de kilkeper nog aanwezig is in de kapconstructie. De brede hijsdeur zit in een kozijn wat een aantal maal is aangepast. Mogelijk is de basis nog het oude venster met boven en onderraam van de foto uit 1900. In de noordelijke buitenmuur zitten twee vensters met middenkalf. Ze zijn nog zeer gaaf en dateren mogelijk uit het midden van de 18e eeuw. Ze hebben de oorspronkelijke profilering tbv een 10-ruits raam boven en onder twee luiken. Inmiddels zijn de ramen al enkele malen vernieuwd en de luiken verdwenen. Kapverdieping. Op de kapverdieping zet de kilkeper van de voormalige Vlaamse gevel zich voort. Hier zijn de hanenbalken tbv de doorgangshoogte losgezaagd en op de vlieringbalk weer aangebracht. Ze zijn met de spantbenen gekoppeld door middel van elders aangevoerde verzaagde gecanneleerde pilasters. In de zuidelijke scheidingsmuur bevinden zich een aantal dichtgezette openingen waarvan niet geheel duidelijk is waarvoor ze gediend hebben. In de noordelijke buitenmuur zitten een drietal vensters. De twee onderste kozijnen met middenkalf zijn nog zeer gaaf en dateren mogelijk uit het midden van de 18e eeuw. Ze hebben de oorspronkelijke profilering tbv een 10-ruits raam boven en onder twee luiken. Inmiddels zijn de ramen al enkele malen vernieuwd. Het kozijn ter plaats van de kapverdieping is aan de onderzijde vernieuwd en mogelijk verlengd, maar verder grotendeels van de bouwtijd. Oorspronkelijk heeft ook deze een middenkalf gehad, en dus boven een raam en onder een luik. Mogelijk dateert huidige luik nog van de bouwtijd. Het metselwerk op de verdieping lijkt, voor zover zichtbaar, uitgevoerd te zijn in gemêleerde geeloranje baksteen met rode speklagen.

KAMERREEKS OP HET BINNENTERREIN: Achter de panden Monnikemuurstraat 72 en 80-82 belangrijke restanten van de reeks kamers uit 1639, deels eenlaags, deels nog met een kap, met ernaast een doorgang naar de achter nummers 80 en 82 gelegen overdekte stallingsruimte, ook bereikbaar via een doorgang noordelijk van nummer 82. De bouwmassa is 17e-eeuws maar de ramen met kleine roedenverdeling zijn het resultaat van een 18e-eeuwse modernisering (XVIII-A).
Achter nummer 72 bevindt zich het meest herkenbare restant van de zeventiende-eeuwse kamers. De kap en de verdiepingsvloer is verdwenen, maar het muurwerk is nog grotendeels aanwezig en oorspronkelijk met links een venster en rechts een smal en laag deurkozijn. De openingen hebben een ontlastingsboog met gefrijnde zandsteen blokken en geslepen metselwerk. Van het deurkozijn is alleen een stijl overgebleven, maar het venster is nog compleet aanwezig met een 8-ruits raam boven en een 12-ruits raam beneden. Het metselwerk wordt aan de bovenzijde afgesloten door een doorlopende geprofileerde en gefrijnde zandsteen waterlijst, waarop het twintigste-eeuwse platte dak rust. Achter nummer 80-82 gepleisterde onderbouw nog van het gasthuiscomplex, met kozijnen op de oorspronkelijke plekken. De kappen zijn vernieuwd rond 1905, waarbij het deel achter nummer 80 een mansardekap kreeg en het deel achter nummer 82 een plat dak met korte steile dakvlakken conform het hoofdpand. De zandstenen waterlijst welke het metselwerk afdekte is nog geheel aanwezig. De vensters van nummer 80 zijn nog oorspronkelijk evenals het deurkozijn, echter de kozijnen van nummer 82 zijn rond 1905 vernieuwd, waarbij ook de gevelankers zijn verdwenen.


CULTUURHISTORISCHE WAARDERING:

Bij de Put 14
1. Het pand is een gaaf voorbeeld van een wooncomplex op stand uit omstreeks 1870, gebouwd door een ontwikkelaar voor gegoede huurders. De structuur en het interieur van de bouwtijd zijn nog grotendeels aanwezig. De verbinding met het achterhuis is bijzonder te noemen.
2. Beide salons hebben een hoge monumentwaarde door de stucplafonds en de paneelbetimmeringen, blinden en fraaie schouwpartijen. Bovendien is de keuken op de verdieping van belang door zijn grotendeels 19e-eeuwse staat. 3. Een aantal laat-19e-eeuwse tegelvloeren zijn van kunsthistorisch belang.

Monnikemuurstraat 72
1. Het pand is de redelijk gaaf bewaard gebleven helft van een van de 17e-eeuwse hoofdgebouwen van het voormalige Ritske Boelema Gasthuis en het laatste 17e-eeuwse voorbeeld van een gasthuis met middengang in Leeuwarden. De structuur en het interieur zijn van monumentaal belang.
2. Hetzelfde geldt voor het achtergelegen 17e-eeuwse bouwwerk, waarvan vooral de westgevel monumentale waarde bezit.
3. De kapconstructie van het hoofdpand is met de dakkapel bouwhistorisch van monumentale waarde als gaaf voorbeeld van een 17e-eeuwse kapconstructie.
4. De restanten van een gesloopt 17e-eeuws pand op het achterterrein zijn bouwhistorisch van monumentale waarde door de opening met een driepas-sluiting.

Kamers op het binnenterrein achter de Monnikemuurstraat
1. De reeks kamers is van historisch belang als een op lokaal niveau zeldzaam restant van een 17e-eeuws gasthuis met kamers.
2. Het achterhuis is van bouwhistorisch belang vanwege het deels nog gave 17e-eeuwse metselwerk en de 18e-eeuwse vensters.

Terug