door: Jan Folkerts

(Een verkorte versie van dit artikel verscheen op 6 mei 2006 in de Leeuwarder Courant)

De strijd tussen voor- en tegenstanders van het project Nieuw Zaailand is in volle gang. De beslissing zal vallen in een referendum, dat de bevolking een unieke kans geeft om directe invloed op de besluitvorming uit te oefenen. Referenda zijn ruim twee eeuwen lang een onbekend fenomeen geweest; het paste niet bij onze vorm van vertegenwoordigende democratie. Maar gedurende een korte tijd, na de Bataafse revolutie van 1795, was het anders. Zo’n referendum als toen werd gehouden op 13 november, krijgen we nooit meer. Een enorme opkomst en een uitslag die de opmaat vormde voor een staatsgreep in de stad, korte tijd later gevolgd door nog meer coups.


Voorgeschiedenis

Er is misschien wel geen periode geweest in de geschiedenis van Leeuwarden waarin de politiek zo het leven beheerste als in de jaren 1795 en 1796.

Toen in de winter van 1795 de legers van het revolutionaire Frankrijk oprukten naar het noorden en de Rijn overstaken, kraakte de oude Republiek der Verenigde Nederlanden al geruime tijd in haar voegen. De patriotten hadden verandering van het politieke bestel geëist, maar waren uiteindelijk door buitenlands ingrijpen verdreven. De belangrijkste leiders waren in 1787 naar Frankrijk gevlucht. In 1795 draaiden de rollen om.

Nog voor de komst van de Franse legers in februari werden de vertegenwoordigers van het oude regime, de gehate regenten in het gewestelijk bestuur en in Leeuwarden al naar huis gestuurd. Er ontspon zich nu een felle strijd tussen verschillende politieke groeperingen. Voor het eerst was de praktische politiek geen zaak meer van een kleine elite, maar bemoeiden zich ook mensen van geringere afkomst en minder opleiding met het bestuur.

In de ogen van de zogenaamde unitarissen moest de oude statenbond van de Republiek zo gauw mogelijk plaats maken voor een eenheidsstaat. De federalisten wilden niet tornen aan de gewestelijke souvereiniteit. In Friesland werd deze strijd op het scherpst van de snede gevoerd. Het nieuwe gewestelijke bestuur bestond in meerderheid uit federalisten, die de nationale eenwording afwezen. In Leeuwarden hadden radicale unitariërs de overhand. Voor hen was de eenheidsstaat ook een middel om van de overheersing van het Friese platteland over de steden af te komen. Anders dan in veel andere gewesten hadden de Friese steden immers eeuwenlang een ondergeschikte positie ingenomen in het gewestelijk bestuur.

De radicale revolutionairen verzamelden zich in de steden in volkssociëteiten. Die in Leeuwarden was gevestigd tegenover de Waag aan de Nieuwestad, van waaruit fel geageerd werd tegen iedereen die water in de revolutionaire wijn trachtte te doen. De sociëteit “Tot Handhaving der Rechten van de Mensch” was opgericht door de doopsgezinde leraar Abraham Staal en de uitgever Matthijs Koon, waarvan vooral de eerste zich als een belangrijke radicale leider ontpopte.

Het politieke extremisme aan de Nieuwestad was een doorn in het oog van het provinciaal bestuur dat hoofdzakelijk uit gematigden bestond. Na de verkiezingen van 10 april 1795 kwamen er door de politieke agitatie van de volkssociëteit en door de uitsluiting van een flink aantal politieke tegenstanders vrijwel uitsluitend unitarissen in het Leeuwarder gemeentebestuur, de municipaliteit.

Hooligans

Alles wat in de municipaliteit werd besproken kwam eerst aan de orde in de sociëteit aan de Nieuwestad, die daarmee feitelijk de politieke leiding had. Het radicale klimaat dat zo in Leeuwarden de overhand had gekregen leidde tot uitwassen. In augustus werden eerst bij aanhangers van de verdreven stadhouder de ruiten ingegooid en daarna grote vernielingen aangericht in de Grote Kerk, waarbij de revolutionaire hooligans de graven en grafmonumenten van de Nassaus aan diggelen sloegen. Dat het hier niet alleen om losgeslagen individuen ging bleek wel uit het feit dat korte tijd later een publieke verbranding plaatsvond van portretten, vaandels, schilden etc. van de stadhouderlijke familie en de ‘verderfelijke aristocraten’ van het ancien regime. Ook eisten de radicalen op hoge toon maatregelen tegen de aanhangers van het oude bewind.

In de loop van het najaar werd zowel in Den Haag als in Leeuwarden de partijstrijd grimmiger. Het gematigde gewestelijke bestuur trachtte op alle mogelijke manieren de Leeuwarder radicalen de wind uit de zeilen te nemen. In pamfletten en brochures bestookte men elkaar week in week uit. De radicalen maakten daarbij gebruik van hun eigen krant, de Friesche Courant. Het gewestelijk centrale comité van volkssociëteiten, dat op initiatief van de Leeuwarders was gesticht en fungeerde als een broeinest van politieke agitatie en feitelijk als een soort provinciale tegenregering optrad, werd op 8 oktober ontbonden. Onder luid protest van de radicalen werd een van de voornaamste leiders van het comité, Hector Feugen, de volgende dag gearresteerd en gevangen gezet in het Blokhuis, dat prompt de bijnaam van ‘Friese Bastille’ kreeg. De Leeuwarder burger M. Rosema beraamde een plan om Feugen met geweld uit het Blokhuis te bevrijden. Voor deze samenzwering kreeg hij vijf jaar tuchthuis en vijf jaar verbanning opgelegd.

Referendum

In deze verbeten sfeer vond op vrijdag 13 november een volksstemming plaats over de vraag of Friesland zich moest aansluiten bij de Nationale Vergadering, een belangrijke stap op weg naar de eenheidsstaat. Stemgerechtigd waren alle volwassen mannelijke inwoners die niet bedeeld werden. Ook dienstpersoneel was van stemming uitgesloten. Voor de late achttiende eeuw was dit een ongekende mate van volksinvloed, die in Nederland pas in het begin van de twintigste eeuw geëvenaard zou worden.

De organisatie van het referendum had weinig tijd. Op 26 oktober kreeg de municipaliteit aanwijzingen van de provincie over wat er geregeld moest worden, nog op 6 november gevolgd door nadere informatie. Er werd een plaatselijke kiescommissie benoemd bestaande uit de burgers Borgrink, van Asperen en Ros, en vier andere burgers werden aangewezen voor het opmaken van de ‘generale stemlijst’, de einduitslag.

Er werden in totaal drie vragen voorgelegd aan het volk, waarvan de eerste - voor of tegen de nationale vergadering - de belangrijkste was. De organisatoren hadden zich het niet gemakkelijk gemaakt door aan de voorstemmers vervolgens een subvraag voor te leggen en aan de tegenstemmers weer een andere vraag. Dit leidde tot voorspelbare problemen over de interpretatie van de uitslag. De provinciale commissie die uiteindelijk op 2 december de definitieve uitslag bekend maakte liet de einduitslag vergezeld gaan van een lange jammerklacht over de vele onregelmatigheden die men had aangetroffen. “De wijze van ’t voorstellen der verscheidene vragen is in de onderscheiden grondvergaderingen zo verschillend geweest, dat het (...) zeer bezwaarlijk voor ons geweest is de mening der grondstemming met genoegzame zekerheid te beslissen”. Ook in Leeuwarden waren er diverse ‘illegaliteiten’ ontdekt. Zo had men de vergaderingen niet steeds achter gesloten deuren gehouden. 


Schutters

De stad was verdeeld in veertien grondvergaderingen of stemdistricten: tien espels, drie buitenbuurten en de ‘klokslag’. Op vrijdag 13 november ’s morgens vroeg om 9 uur kwam in elk district de grondvergadering bijeen. Op de vergadering in de herberg Benthem werden zes jonge schutters geweigerd omdat zij nog geen twintig jaar waren. In een protestbrief klaagden zij dat zij wel de Vrijheid en het Vaderland moesten verdedigen, maar niet mochten stemmen. Van de veertien Leeuwarder districten stemden er vijf tegen de nationale vergadering, waaronder Oldegalileën en de klokslag. De door Leeuwarden ingeleverde uitslag wijkt sterk af van de officiële uitslag die op 2 december bekend werd gemaakt, en dat is geen wonder, want de overgeleverde originele stemlijsten laten veel ruimte voor interpretatie.

Het referendum zette niet alleen de tegenstelling tussen federalisten en unitarissen op scherp, maar ook die tussen Leeuwarden en het gewest. Waar het gewest in grote meerderheid tegen stemde, stemden de Leeuwarders - met de inwoners van de meeste andere steden - juist voor de aansluiting bij de Nationale Vergadering. De opkomst bedroeg maar liefst bijna 90% op een totaal van 2631 stemgerechtigden. 1573 inwoners stemden voor, 783 tegen. Een riante overwinning van de voorstanders dus, die al snel in teleurstelling omsloeg toen de gewestelijke cijfers bekend werden. Typerend is de wijze waarop de voorzitter van het tijdelijk provinciaal bestuur zijn politieke gelijk haalde toen de totaaluitslag voor Friesland bekend werd gemaakt: “Ik concludeer uit naam van het Vrije Vriesche Volk, ons Wettig Soeverein! dat er geene Nationale Vergadering volgens het Haagse plan ingerigt zal worden.”


Staatsgreep

Hoewel de Leeuwarder radicalen nu gewestelijk in een isolement leken te geraken, hadden zij machtige bondgenoten buiten de provinciegrenzen, waar vooral het gewest Holland hoe dan ook de eenheidsstaat wilde doorzetten.


Achter de tegenstelling federalist-unitariër en gematigd-radicaal ging in Friesland een veel diepere politieke kloof schuil. In wezen ging het zowel op provinciaal als op lokaal niveau om de verdediging van de eigen belangen en oude rechten tegenover bedreigende machten van buiten. De Friese gewestelijke bestuurders waren tegen de eenheidsstaat, maar binnen de provincie zagen zij zelf al te zelfstandige lokale besturen als een bedreiging. Het conflict tussen Leeuwarden en het gewest leidde op 12 januari 1796 tot een coup, waarbij het provinciaal bestuur de arrestatie gelastte van de gehele municipaliteit. De volgende dag al werd er een tijdelijk bestuur geïnstalleerd. Al twee weken later echter vond er een tegencoup plaats en grepen gesteund door agenten uit Holland de radicalen de macht, zowel in Leeuwarden als in Friesland. Een dag later, op 27 januari, besloot het nieuwe Friese bestuur tot de Nationale Vergadering toe te treden.

Schrikbewind

In Leeuwarden vestigde zich nu een waar schrikbewind, waarbij de radicalen jacht maakten op politieke tegenstanders en deze opsloten in het Blokhuis. Nog eens vond - nu met hulp van Franse militairen - een tegencoup plaats, en wel op 11 februari 1796. Op 23 februari kwam aan dit gematigde tussenbewind weer een einde, toen de vierde staatsgreep in twee maanden de macht voor langere tijd stevig in handen van de radicalen bracht. Het radicale bewind in Friesland bracht het gewest korte tijd in het brandpunt van de landelijke politiek, meer dan ooit daarna en daarvoor het geval is geweest.

Het verdere verloop van de ontwikkelingen valt buiten het bestek van dit verhaal. Om van Nederland een echte eenheidsstaat te maken, was in 1798 opnieuw een staatsgreep nodig, maar nu in Den Haag, waarbij de toenmalige Friese vertegenwoordigers samen met andere tegenstanders werden gearresteerd om de balans naar de gewenste kant te laten doorslaan.

In 1811 werd de voormalige Republiek bij het Franse keizerrijk van Napoleon ingelijfd en in november 1813 zette de zoon van de laatste stadhouder voet aan wal bij Scheveningen. Hij zou als koning Willem I aan het hoofd komen van een eenheidsstaat waarin Den Haag heel veel, en Leeuwarden heel weinig te zeggen had.

Bronnen: Historisch Centrum Leeuwarden, Stadsarchief 1425-1811, voorl.inv.nr. M127, f. 138 e.v.; Tresoar, Archieven gewestelijke besturen Franse tijd, inv.nrs. 177, 178.Verder hoofdzakelijk ontleend aan: S. Kuiper, “Tussen revolutie en reactie. De politieke elite van Leeuwarden in de jaren 1795-1798”. Ongepubliceerde doctoraalscriptie RU Groningen, 1986, en Jacques Kuiper, Een revolutie ontrafeld. Politiek in Friesland 1795-1798. Franeker 2002.

Terug