Over de historische band van Leeuwarden met het huis Oranje-Nassau

door Bearn Bilker

Het bezoek van prins Willem-Alexander en Máxima Zorreguieta op 10 oktober 2001 aan Fryslân, is natuurlijk dé gelegenheid om te kijken naar de historische banden die het Huis Oranje-Nassau met Fryslân heeft. En die zijn talloos: want onze huidige kroonprins is een rechtstreekse nazaat van de Friese stadhouders, die ruim anderhalve eeuw in Leeuwarden resideerden. Bearn Bilker, wethouder van de gemeente Leeuwarden en voorzitter van de Stichting Nassau en Friesland, licht de historische banden toe. Door op de blauwe links in de tekst te klikken worden de bijbehorende illustraties in een apart venster geopend.

willem4 Hoe zat dat ook al weer? Het Huis Nassau-Dietz, dat vanaf 1587 de stadhouders van Friesland leverde, erfde in 1702 de titel Prins van Oranje, toen de Hollandse tak met stadhouder-koning Willem III uitgestorven was.
Vanaf dat moment zette de Friese tak der Nassaus het Huis Oranje-Nassau voort. De toenmalige Friese stadhouder Johan Willem Friso werd de eerste prins van Oranje, maar hij verdronk in 1711 bij Moerdijk en zo werd zijn zoontje, dat enkele weken na zijn dood geboren werd, Willem Carel Hendrik Friso (Willem IV), de nieuwe prins van Oranje. Weer hing het Huis Oranje-Nassau aan een zijden draadje, want alles hing af van deze baby. Een sterke gezondheid had hij niet. Later trouwde hij met de Engelse koningsdochter Anna van Hannover. In 1747 riepen de verschillende gewesten in de Republiek der Nederlanden hem uit tot erfstadhouder van de Verenigde Nederlanden en daarmee verhuisde de Friese stadhouderlijke familie van Leeuwarden naar Den Haag. Daarmee kwam een eind aan Leeuwarden als hofresidentie, alhoewel de moeder van Willem IV, Maria Louise van Hessen-Kassel , beter bekend als Marijke Meu, er tot haar dood in 1765 bleef wonen.

De vele tastbare herinneringen aan de Friese Nassaus, zoals de Prinsentuin, het Princessehof, het Stadhouderlijk Hof , de Waalse Kerk, de Grote Kerk en de Stallen in Leeuwarden, maar ook de Nassaukooi op Ameland en Oranjewoud met zijn buitenplaatsen, vertellen over het Nassauverleden. Wat te zeggen van de vele archiefstukken, die zowel in het Historisch Centrum Leeuwarden, het Ryksargyf, maar vooral ook in het Koninklijk Huisarchief te Den Haag bewaard worden. Zij vertellen vaak letterlijk wat zich in Leeuwarden, Oranjewoud, op Ameland en dus in Fryslân heeft afgespeeld.

Ontvangsten

Als de vorst terugkwam van een verre reis of bij andere bijzondere gelegenheden, bijvoorbeeld wanneer hij in het verre buitenland in het huwelijk was getreden, dan werden er grootse ontvangsten georganiseerd.

Zo zien we dat Willem Carel Hendrik Friso (later Willem IV) stadhouder in 1729 glorieus in "zijn doorlugtigheids geboortestad van de burgerschap wierde ingehaalt". Een in onze ogen overdreven welkomstgroet, die namens die burgers werd gehouden door B. Idema, hopman over de Burgers van de Oost-Keimpema Espel.
Waarom vond deze plechtigheid plaats? De stadhouder was net achttien jaar geworden en werd daarom stadhouder van Groningen en Ommelanden en van Gelderland. In die gewesten kon met achttien jaar het stadhouderschap een aanvang nemen. In Friesland kon dat pas met twintig jaar. Er was nog een reden: Willem was net klaar met zijn studie, aangeduid als "zijn letteroefeningen". Dat moest ook gevierd worden.
De eerste zin van de welkomstgroet was meteen raak: "Welkom, Doorlugte Vorst, uit Keizerlijken Stam, die lange is verwagt en nu in Leeuwerd kwam."
Dat ooit eens een Nassau, Adolf van Nassau, van 1292 tot 1298 keizer van het toenmalige Duitse Rijk was geweest, was natuurlijk voor de familie Nassau een niet te verwaarlozen feit, dat voortdurend gememoreerd moest worden.
Idema liet duidelijk merken dat deze Prins van Oranje de redder van het land was. Hij refereerde aan de helden van Oranje, die eens de schrik van Spanje waren. Maar nu was er een prins die volop deugd bezat en die in het Friese en Stichtse Athene had gestudeerd, respectievelijk Franeker en Utrecht.
Willem IV werd ronduit "den vrijen Fries bezorger" genoemd. "Men zinge nu den Lof van Friso’s een’ge Zoon, wij zeggen dat gy zijt tot heil van ons geboren."
Tot slot sprak de spreker de wens uit, dat "Gy kort ontstoken door de Minne aan onze burgerij vertoont een gemalinne", zodat "onze Hoofdstad nog veel luisterrijker kan pralen."
Wat dat betreft kwam Idema’s wens uit, want toen Willem IV met zijn gemalin Anna van Hannover in Leeuwarden kwam , was deze prinses van Groot-Brittannië natuurlijk koninklijke pracht en praal gewend en voor Leeuwarden brak toen een vorstelijke tijd aan met een waar hofleven, waarin kunst en vooral muziek centraal stonden. De toespraak van Idema werd keurig gedrukt en uitgegeven bij boekhandel Hieronimus Koopmans op de Turfmarkt.

uitvaartmlHet was niet altijd feest bij de Nassaus en de Friezen. Het stadsbestuur voelde zich geregeld genoodzaakt om het de vorstelijke familie, die in Leeuwarden op het Stadhouderlijke Hof zetelde, zo aangenaam mogelijk te maken. Dat ging niet altijd van een leien dakje. Een vorstelijke familie binnen de stadsgrenzen veroorzaakte onkosten en het zo af en toe werd hardop de vraag gesteld, wie al die extra zaken moest betalen. Toen in 1765 prinses Maria Louise stierf en haar begrafenis moest worden geregeld, ontstond er een ware strijd tussen de stadsregering en de provinciale notabelen over de vraag wie al die onkosten voor zijn rekening moest nemen. Bovendien kreeg de "Hoge Commissie van Heren tot de verzorging van de hoge lijkstatie" grote onenigheid over wie er allemaal mee mochten lopen.
De burgemeester van Leeuwarden, Nicolaas Arnoldi, was er ontstemd over en hij schreef ronduit dat het "om de magt" ging. Het zag er naar uit dat de stad de meeste onkosten moest betalen. Ook het College van Gedeputeerde Staten was ’misnoegt’, moest dit nu zo, dit gedrag was ondankbaar jegens de overledene, die zoveel goeds had gedaan. Net voor de begrafenis werd het conflict opgelost: zowel de Hoge Magistraat als de Vroedschap mochten allen meelopen, zowel de heen- als de terugreis en de kosten werden gedeeld!
 

Prinsentuin

In februari 1648 werd een belangrijk besluit genomen door de magistraat van Leeuwarden.
De dwinger bij de Doele (het noordelijk stukje van het bolwerk) werd aan graaf Willem Frederik van Nassau afgestaan, voor het aanleggen van een tuin. Verder werd bepaald hoe met de toegestane ruimte te werk moest worden gegaan. Willem Frederik had er behoefte aan om vaker paard te kunnen rijden. Als ’s avonds de stadspoorten dicht waren, was er weinig gelegenheid om zich te verpozen. Zo kwam in dit jaar van de Vrede van Munster de Prinsentuin tot stand. Willem Frederik hoefde niet meer naar de slagvelden om er te strijden, hij kreeg meer tijd en de tuin achter het Stadhouderlijk Hof bood weinig ruimte. Zo bleek de binnenruimte van de Noorder- of Doeledwinger zeer geschikt voor dit doel. Die hoefde immers nu niet meer voor verdedigingsdoeleinden te gelden. Onder leiding van de Hofarchitect werd deze plek nu omheind en beplant en in de hoek van de dwinger werd een tuinmanswoning gebouwd. De stadsregering zorgde voor beplanting van de wal, zodat het "jeugdig" plantsoen beschermd werd.
In 1652, toen Willem Frederik met Albertina Agnes van Oranje in het huwelijk trad, werd de tuin vergroot en als lusthof betiteld. Een lusthof hoorde in de zeventiende eeuw bij de status van vorsten en Albertina Agnes, die Huis ten Bosch in Den Haag gewend was, moest natuurlijk in Leeuwarden ook in een tuin van enige allure kunnen wandelen. In die tijd liet Willem Frederik tal van planten en bomen uit Frankrijk overbrengen en zo was de Prinsentuin een zeer bijzondere vorstelijke lusttuin geworden. Op 5 juni 1653 kocht hij "12 cleine Oranieboomkens voor onze hoffhoudinge in Frieslant"

De stadsregering werkte graag mee aan deze verfraaiing van de stad, want het belang van een vorstelijke familie binnen de grenzen was groot. Zo kon Willem Frederiks zoon, Hendrik Casimir II, weer rekenen op een flinke uitbreiding van de tuin tot aan de Jacobijnerdwinger, waar wat grond overgebleven was. Daar wilde deze een moes- en keukentuin aan laten leggen. Hij had namelijk een groot gezin: één zoon en zeven dochters! De tuinmanwoning moest worden verplaatst om dichter bij de groentetuin te zijn. Hendrik Casimir liet ook een Oranjerie bouwen, waar ‘s winters de bloemen en planten werden bewaard.
Toen later de al eerder genoemde Willem IV met Anna van Hannover trouwde, moest er heel wat gebeuren in Leeuwarden: het Stadhouderlijk Hof werd drastisch verbouwd, maar ook de Prinsentuin werd opnieuw ingedeeld. De luister van het Huis Oranje-Nassau was immers vergroot met dit koninklijk huwelijk, dus het Leeuwarder stadsbestuur kon niet achterblijven. In opdracht van Willems moeder, Maria Louise, werd de tuin volgens de nieuwe richtlijnen van de Franse tuinen heringericht, zoals Le Nôtre, de toonaangevende Franse tuinarchitect, die had voorgeschreven. Alles werd strak aangelegd en de planten en hagen werden kort gesnoeid.
Na de Franse tijd werd de Prinsentuin op uitdrukkelijk verzoek van koning Willem I opengesteld voor het publiek.

Nog tal van andere besluiten van het Leeuwarder stadsbestuur, die te maken hebben met de aanwezigheid van de stadhouderlijke familie, komen we tegen in de archieven.
Het besluit van 17 november 1654 is een erg curieus besluit: De predikanten van Leeuwarden werden op het stadhuis ontboden, alwaar hen een boodschap van het stadsbestuur werd voorgelezen, waarin hen bevolen werd, de jong geboren Prins van Oranje steeds in hun gebeden te gedenken!
Elke keer als er een prins of prinses werd geboren of er was iets anders vreugdevols te vieren, werd het besluit genomen om een aantal kanonschoten af te vuren. Zo ook in 1657: op de tijding dat prinses Albertina was bevallen van een zoon, moesten zes stukken geschut zes maal worden afgeschoten, alle stadsklokken moesten luiden, de predikanten moesten deze blijde boodschap meedelen en verder werd door de magistraat gelast dat er muziek moest worden gemaakt.

Ook wanneer er droefenis was, moesten de vroede vaderen bijeen komen om besluiten te nemen: bij de tragische dood van Willem Frederik in 1664 (hij kwam om het leven toen een van zijn pistolen bij het schoonmaken afging) moesten dagelijks drie maal één uur lang de klokken luiden. Natuurlijk moesten in navolging van Gedeputeerde Staten ook de Heren van het Leeuwarder stadsbestuur bewijzen van rouwbeklag aanbieden aan de weduwe, prinses Albertina Agnes.
De orde moest goed worden bewaard tijdens de begrafenisplechtigheden. Dus vond op 7 december 1664 een bespreking plaats door de "politie" met de bevelhebber van het Leeuwarden garnizoen over de ordemaatregelen, die door de raad werden goedgekeurd.
Overal werd een compagnie soldaten geplaatst, om vanaf het Stadhouderlijk Hof, langs de St. Jacobstraat en de Nieuwestad aan beide zijden van de straten de burgerij in een rij te plaatsen. Bier- rogge- en kaasdragers werden daarbij ingezet om te assisteren. Die waren immers in dienst van de stad.

Op 16 augustus 1684 werd het volgende curieuze besluit genomen: "Omtrent het geven van een maaltijd of iets anders ter gelegenheid der inhuldiging van den Erfstadhouder en gemalin, wegens de schaarse tijden laten voorbijgaan."

Prinses Henriette Amalia van Anhalt-Dessau, de echtgenote van Hendrik Casimir II, pleegde ter kerke te gaan naar de Westerkerk en dus moest op 2 februari 1694 de raad besluiten dat er een gestoelte werd vergund aan de gemalin van de erfstadhouder. Later werd voor Maria Louise, Marijke Meu, een gesloten stoel in de Westerkerk geplaatst.
Toen Hendrik Casimir II in 1696 onverwacht stierf, waren er weer andere zorgen, nu in de Grote of Jacobijner Kerk. Wat was het geval? De architect had zonder overleg en vergunning zo diep gegraven, dat er gevaar voor instorten dreigde. Henriette Amalia liet een vergadering over de kwestie houden en de architect werd er streng over onderhouden. De uitbreiding van de grafkelder werd gezocht in het aanbieden van het "barehok" aan de prinses, zodat er een apart vertrek, de sepulture genaamd, gebouwd kon worden, waar leden van de stadhouderlijke familie bijgezet konden worden.

Toen in november 1729 Willem IV, zoals hierboven vermeld, weer in Leeuwarden terugkeerde, na zijn studie in Utrecht, kwam er een groot feest. De bewoners van de Wirdumerdijk kregen de aanzegging dat ze hun straat ruim moesten maken en houden en op de dag zelf moesten ze de straat schoon maken. Het programma werd overigens een uur eerder gestart dan de bedoeling was, want het werd al zo gauw donker. Roggedragers werden opgetrommeld om ruimte tussen de poorten te houden, turfdragers moesten er voor zorgen dat het volk niet te dicht op elkaar ging staan. Het liep allemaal goed af, dus werden de turfdragers en andere stadsdienaars die bij de ontvangst dienst hadden gedaan op enige tonnen bier getrakteerd, terwijl de bevelhebbers voor gedane diensten onthaald werden "op een glas wijn en op wat daarbij hoort…"

Nu de verre nazaat van Willem IV, prins Willem-Alexander met Máxima, acht generaties verder, Fryslân komt bezoeken, zullen de straten eveneens netjes gemaakt worden en burgers op afstand worden gehouden. Ongetwijfeld zal het paar worden toegejuicht, maar wat de beloning voor de huidige stadsdienaars zal zijn, is nog niet bekend…..

Terug