Uit: ‘Hier wordt U, voor gij sterft, een lusthof aangeboden’, publikatie van de Stichting Aed Levwerd ter gelegenheid van Open Monumenten Dag 1999.

 

Het gebied van de gemeente Leeuwarden wordt sinds de zevende eeuw voor Christus bewoond. Zolang moeten er ook al mensen begraven zijn, maar uit de eerste tien eeuwen van de Leeuwarder bewoningsgeschiedenis zijn er geen aanwijzingen over de dodencultus bekend. Het oudste grafveld in de gemeente bevond zich te Huizum-Sixmastate. Hier werden vijf urnen gevonden die rond 500 begraven moeten zijn. Te Sixmastate waren heidenen begraven. In de periode van de zevende tot en met de eerste helft van de achtste eeuw werd het christendom geïntroduceerd. Aan het einde van de vroege Middeleeuwen had het christendom vaste voet in onze streken gekregen. Kerken werden gebouwd, aanvankelijk van hout, maar vanaf ca. 1000 van steen.

In Leeuwarden was het oudste kerkhof dat van Oldehove. Vanaf de twaalfde eeuw kon ook in en rond de St. Marie van Nijehove worden begraven. Nadien werd Leeuwarden verrijkt met verschillende kerken en kloosterkapellen, waar men begraven kon worden, zoals het in 1245 gestichte Jacobijnerklooster en de kapel van de Grauwe Begijnen: de rond 1500 gebouwde Westerkerk.

Lokale aanzienlijken en geestelijken lieten zich vanaf de elfde eeuw in de kerkvloer begraven, liefst zo dicht mogelijk bij het altaar. Dit was de meest heilige plaats. Minder belangrijke personen kregen een rustplaats rondom de kerk, op de godsakker. Hier stonden houten kruisen. Grafstenen waren vrijwel alleen in de kerk te vinden. Het kerkhof was gewoonlijk afgebakend door een heg of een afrastering.

Aanvankelijk werden de doden begraven in een lijkwade of een doodshemd. Later kwamen houten kisten of kleine grafkelders in zwang. Houten kisten werden tot 1675 door verschillende ambachtslieden vervaardigd. Op 19 februari 1676 verordonneerde het stadsbestuur dat grafkisten alleen - onder toezicht van een meester timmerman - door wezen van het Nieuwe Stads Weeshuis mochten worden vervaardigd en afgeleverd. Pas in 1807 werd dit monopolie opgeheven.

Begraven in een kerk werd door een groeiend aantal ‘Verlichte’ geesten als zeer onhygiënisch beschouwd. In 1775 schreef Onno Zwier van Haren: ‘zoo lang mij met enige kennis heugd, dat is zedert meer als vijftig jaar, nooyt in de Somer in de Westerkerk, voor al ’s namiddags, werd gepreedikt, zonder dat een, twee en dikwijls meer menschen flaauw uit de kerk werden gedragen; in die staat gebracht, niet door eenige onzeekere, maar door een bekende en gedecideerde cadavereuse reuk’.

In 1825 werd bij Koninklijk Besluit het begraven in kerken verboden. Bovendien moesten gemeenten met meer dan 1000 inwoners, begraafplaatsen buiten de stad aanleggen. In de late 19de eeuw werd onder andere in Duitsland gepleit voor het cremeren van doden. Het eerste crematorium in Nederland werd in 1914 in Velsen geopend. Dit was illegaal, maar werd gedoogd, pas in 1968 zijn begraven en cremeren bij de wet gelijkgesteld. In 1973 werd in Goutum een crematorium geopend.

Begrafenissen en grafrituelen

Begrafenissen waren van oudsher door tal van rituelen omgeven. De oudste schriftelijke overlevering van overheidsbemoeienis ten aanzien van begrafenisgebruiken in Leeuwarden werd in 1530 opgetekend door stads-secretaris Wilcko Folckerts. Oude en nieuwe regels werden erin vervat. Onder andere werd gestreefd naar meer soberheid bij diverse herdenkingen. Een merkwaardig gebruik was het houden van de zogenaamde ‘ommegang’. Tot 1580 werd op Sacramentsdag, ofwel de tweede donderdag na Pinksteren, ook in Leeuwarden nog een processie of ‘ommegang’ gehouden. In 1576 had Focke Hepckes ‘met zyn mede gesellen opten ommegangck mette duivelskoppen ommegelopen’. Een van de gebruiken bij sterfgevallen en begrafenisplechtigheden was het luiden van de kerkklokken, dan wel het ‘beluiden’ van de doden. In Leeuwarden was dit gratis, terwijl in andere steden, zoals Sneek, daarvoor betaald moest worden.

De begrafenis vond normaal gesproken voor 15.00 uur plaats. Welgestelden lieten zich vaak buiten reguliere tijden begraven, om zo de aandacht op hun status te vestigen. Sommige vermogende personen legateerden forse bedragen aan liefdadigheidsinstellingen zoals bijvoorbeeld de weeshuizen, waarbij evenredig aan het legaat, een aantal wezen bij de begrafenis aanwezig waren.

Sterven en begraven was tot in het begin van de 20ste eeuw een zaak van de gemeenschap. In geval van overlijden dienden buren hulp aan te bieden. De twee naaste buren werden direct gewaarschuwd. Zij namen de belangrijkste taken op zich en schakelden ongeveer vijf buren in voor lichte werkzaamheden. De buren stelden als eerste de dood vast en condoleerden de familie die daarna de sterfkamer verliet. De overledene werd gewassen en gekleed, familie en vrienden werden op de hoogte gebracht en de begrafenis geregeld. In sommige plattelandstreken komt de burenhulp nog steeds voor.

Het aanzeggen van een sterfgeval moest door de buren gedaan worden. Vanaf het einde van de 18de eeuw werd het tevens mode om een kennisgeving van overlijden in de krant te zetten. De rijken konden een aanspreker of doodbidder inhuren om familie en vrienden persoonlijk uit te nodigen. Hij ging de opgegeven adressen langs en las de naam van de overledene voor of gaf een gedrukte invitatie af. De taken van de aanspreker werden steeds uitgebreider; de rijken konden de organisatie van een begrafenis volledig uitbesteden. Omstreeks 1900 kwamen particuliere uitvaartondernemingen van de grond, zoals de coöperatieve uitvaartvereniging ‘Friese Uitvaart Verzorging’, opgericht in 1937. In 1990 fuseerde de FUV met de coöperatieve uitvaartvereniging (CUV) in Groningen en in 1994 met NUVA.

Maatregelen bij epidemieën

Door de eeuwen heen hebben epidemieën hun tol geëist in Leeuwarden. In de Middeleeuwen en in de 17de eeuw was de pest een gesel die de stadsbevolking geregeld teisterde. In 1656 sloeg de pest in alle hevigheid toe. Op één dag moesten tachtig doden ten grave worden gedragen, en dat op een bevolking van slechts 15.000 zielen. De stadsregering nam maatregelen om misstanden - veelal door doodgravers gepleegd - tegen te gaan. Vaak werd er door de doodgravers namelijk buitensporig hoog loon wegens verleende diensten in rekening gebracht. Er werd onder meer bepaald dat degene die de doodkist had vervaardigd deze ook aan het sterfhuis diende te bezorgen. De kist diende van tevoren met pek waterdicht te zijn gemaakt -dit om het wegsijpelen van (besmet) lijkvocht tegen te gaan. Niet meer dan zes mannen of vrouwen ‘van de naeste gehebuyren aen beyde zijden’ mochten worden ingeschakeld om het doodskleed te maken en om het lijk in de kist te leggen. De lijkkisten moesten binnen 24 uur na het overlijden door dezelfde kistenmaker die de kist had gemaakt worden dichtgespijkerd. De pestdoden dienden binnen drie dagen te worden begraven. Doden van buiten de stad werden linea recta vanaf het schip of de wagen naar het kerkhof gebracht.

Tegen besmettelijke ziekten werden voortdurend maatregelen genomen. Zo werd op 17 februari 1827 op last van de Gouverneur verordonneerd dat voorlopig geen graven mochten worden geopend, waarin lijken waren begraven van de aan de geheerst hebbende ziekte (malaria tertiana) gestorvenen.

Voortdurend heerste er angst voor uitbraak van besmettelijke ziekten. Op 28 april 1832 bezweek een gast in hotel ‘De Nieuwe Doelen’ aan een onbekende ziekte. De behandelende artsen vreesden cholera en lieten de dode begraven in een met pek waterdicht gesmeerde kist. Alvorens de kist dicht te timmeren werd het stoffelijk overschot bespoten met chloorkalk. Om geen paniek te zaaien werd de betrokkenen nadrukkelijk een zwijgplicht opgelegd. Een half jaar later brak er daadwerkelijk een cholera-epidemie uit; de procedure hoe om te gaan met gestorven choleralijders was toen al uitgestippeld.

Het beheer van de begraafplaatsen

Vanaf de 16de eeuw zijn er archiefstukken over de dagelijkse gang van zaken op de stadsbegraafplaatsen. De administratie en de jaarlijkse inning van de grafgelden - geheven om het onderhoud van de graven in de kerken en op de kerkhoven te bekostigen - lag in handen van de koster van de Oldehove en de Westerkerk. Het dagelijks beheer van de kerkhoven berustte bij de stadsdoodgravers. Ze dienden deze in een nette staat te houden. Een andere taak was de presiderende burgemeester schriftelijk in kennis te stellen wie ze wekelijks op het kerkhof of in de kerk hadden begraven.

In een reeks ordonnanties uit de jaren 1584, 1587 en 1613 dienden doodgravers er op toe te zien dat niemand zijn behoefte deed op het kerkhof en dat er geen straatspelen werd uitgeoefend. Verder dienden de doodgravers te voorkomen dat er dieren het kerkhof op kwamen om er hun kost te zoeken. Met name honden en varkens wroeten gewoonlijk in de grond en konden zich te goed doen aan ondiep begraven lijken. Met name in tijden dat er besmettelijke ziekten heersten was men hierop uiterst bedachtzaam. Tijdens de pestepidemie van 1581 mochten loslopende honden worden doodgeslagen. Hiervoor werden zelfs betaalde hondenmeppers aangesteld.

In 1656 werd in een doodgraversordonnantie vastgelegd dat doodskisten pas tien jaar na de begrafenis mochten worden geopend of weggehaald, tenzij bloedverwanten van de overledene hiervoor eerder toestemming gaven. Van geruimde graven moesten de nog gave planken voor hergebruik opgeslagen worden op een door de magistraat aangewezen plek. Op 7 december 1791 moesten twee doodgravers van het Jacobijnerkerkhof zich voor de magistraat verantwoorden voor het overtreden van dit artikel, aangezien zij ervan werden verdacht voor eigen gewin doodkistenhout aan omwonenden te hebben doorverkocht.

Stadsdoodgravers gingen niet altijd even piëteitsvol te werk. Op 28 maart 1653 had Pieter Alberts ‘een hoofft van een vroumensch, waeraen noch enigh vleesch ende oock de vlechten waren in een benekou gesmeten’. Op 1 april werd Pieter Alberts hiervoor uit zijn dienst gezet en uit de stad verbannen Het werk van de doodgravers kon door strenge kou ernstig worden belemmerd. Wekenlang konden ze soms geen schep de grond in krijgen. De lijken die op het Jacobijner- of Oldehoofsterkerhof moesten worden begraven werden dan noodgedwongen opgeslagen in het Klokhuis of in de Oldehove. Op 27 februari 1830 drong de Plaatselijke Commissie voor Geneeskundig Toevoorzicht erop aan dat ‘nu de dooi reeds is ingevallen, het aanmerkelijk getal lijken, aanwezig in de Oldehove, nu ten spoedigste te begraven’.

Verdwenen begraafplaatsen binnen de stadsgracht

In de huidige binnenstad herinnert een aantal straatnamen nog aan lang vervlogen tijden, toen het onze voorvaderen nog was toegestaan om hun dierbaren binnen de stadsvesten te begraven. Zo kan er heden ten dage nog steeds op - en binnen niet al te lange tijd onder - een ‘Oldehoofsterkerkhof’ worden geparkeerd, over een ‘Jacobijnerkerkhof’ worden gewandeld en tot voor een aantal jaren terug ook nog aan een ‘Hoeksterkerkhof’ worden gewoond. De jongste generatie Leeuwarders zal er geen moment bij stil staan dat in de afgelopen eeuwen duizenden stadsgenoten hier hun laatste rustplaats hebben gevonden, al zouden de weinig aan verbeeldingskracht overlatende straatnamen toch op zijn minst een belletje moeten doen rinkelen. Minder voor de hand ligt het dat stamboomonderzoekers met Joodse antecedenten zich er tijdens hun noeste speurwerk van bewust zijn dat hun op dat moment nog onbekende pakes en beppes misschien wel onder de fundamenten van het ‘Ryksargyf’ liggen of hebben liggen rusten. Hier herinnert werkelijk niets meer aan de in 1670 aangelegde oudste Joodse begraafplaats. En op de vraag wáár in Leeuwarden ooit het ‘Misdadigerskerkhof’’ heeft gelegen, zal zelfs de meest rechtgeaarde Leeuwarder het antwoord schuldig moeten blijven. Van tijd tot tijd echter zijn de wat oudere Leeuwarders toch ook wel weer op indringende wijze met het funeraire verleden van hun stad geconfronteerd. Wie herinnert zich niet de aanleg van de diepriolering dwars door het Jacobijnerkerkhof in het midden van de jaren zeventig of het afgraven in 1968 van het als bodeterrein gefungeerd hebbende Oldehoofsterkerkhof. Tachtig-plussers zullen zich misschien de vrachtwagens vol knekels en doodshoofden nog herinneren die in de jaren dertig naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan werden afgevoerd toen de voormalige dodenakker genoemde status van expeditieknooppunt verkreeg. Ook het ruimen van de voormalige Israëlitische Begraafplaatsen achter de Boterhoek en aan de Groeneweg eind jaren veertig zal menige Leeuwarder nog in het geheugen gegrift staan. Binnen niet al te lange tijd zal toch ook de jongste generatie Leeuwarders er waarschijnlijk weer aan moeten geloven, wanneer het Oldehoofsterkerkhof een ware metamorfose ondergaat en er een ondergrondse parkeervoorziening zal worden gegraven. Waarschijnlijk zullen na voltooiing van dit karwei de allerlaatste stoffelijke resten van het Oldehoofsterkerkhof zijn opgeruimd. Achtereenvolgens zullen hierna de verdwenen begraafplaatsen in de binnenstad in volgorde van buitengebruikstelling worden beschreven. En passant zal tevens aan de daarbij gelegen (klooster)kerken enige aandacht worden geschonken. Het voormalige Witte Nonnenklooster - de latere Waalse Kerk - alsmede de Lutherse Kerk, alwaar eveneens is begraven, hebben nimmer een kerkhof gekend en vallen derhalve buiten dit bestek. Een uitzondering zal worden gemaakt voor de Westerkerk, aangezien dit de laatste kerk is geweest waar nog tot in de vorige eeuw (1826) is begraven. Tot slot dient nog te worden vermeld dat ook vlak buiten het stedelijke gebied van Leeuwarden nog enkele verdwenen begraafplaatsen hebben gelegen, die vanwege de beperkte omvang van dit boekje helaas niet aan bod kunnen komen. Het kerkhof van Teerns (ter plaatse van de huidige afslag vanaf Leeuwarden naar Hempens) is al in het begin van de vorige eeuw volledig van de kaart geveegd. Vlakbij de kerk van Huizum (achter het huis met het huidige adres Huizum Dorp 64) bevond zich de kleine particuliere begraafplaats van de familie Sixma-Trip. In de jaren ’70 zijn de laatste resten van de grafkelder opgeruimd.

I. Nijehoofsterkerkhof, c.1200-1580

Het feit dat de St. Vituskerk in 1285 als liggend in ‘Oldehove’ wordt aangeduid, impliceert dat de parochiekerk van Nijehove - het nieuwe kerkhof - toen reeds bestond. Volgens recente inzichten zal deze aan Maria gewijde kerk rond het jaar 1200 op instigatie van de Cammingha’s zijn gesticht. Ondanks het feit dat schriftelijke bronnen weinig bijzonderheden aangaande deze kerk en nog minder over het daarbij gelegen kerkhof hebben overgeleverd, mag er toch van worden uitgegaan dat er reeds kort na de stichting in en rondom deze kerk werd begraven. Dát er in deze kerk werd begraven blijkt wanneer Ulbe Hinnesdochter op 2 november 1582 de somma van anderhalve goudgulden betaalt ‘ter cause van een legersteedt voor haer moer, dien tot Niehooff inder kercke begraven is’.

Na de reformatie werd besloten om in deze kerk geen godsdienstoefeningen meer te houden. Nadat een gedeelte van het kerkhof als tuingrond in huur was uitgegeven, moest echter worden geconcludeerd, dat de naaste omgeving, voornamelijk wegens gebrek aan een goede afwatering en een deugdelijke bestrating, in een dermate deplorabele toestand verkeerde, dat hierin dringend verbetering diende te worden aangebracht. In de jaren die volgden werd het kerkhof gedeeltelijk opgeruimd en met ettelijke scheepsladingen zand, alsmede de grafaarde welke aan de westzijde van de kerk lag opgehoopt en waaraan deze plek de naam van ‘De Modder’ dankte, opgehoogd en geëffend, om vervolgens met keien te worden bestraat. Nadat er tot 1608 pestlijders en oorlogsslachtoffers waren verpleegd, diende het gebouw een tiental jaren als opslagplaats voor ’s Lands krijgsbehoeften. In 1619 kreeg het gebouw een bestemming waaraan het de latere naam van ‘het Klokhuis’ ontleende. Een deel van het gebouw werd toen verhuurd aan Hans Falck van Neurenberg om als klokgieterij te dienen. In 1674 werd een gedeelte van het gebouw ingericht als turfschuur voor de armen van het Hoekster Espel. Een ander deel werd in 1678 bestemd voor de doodkistenfabricage, waarop het Nieuwe Stads Weeshuis het monopolie had verworven. Nadat de voormalige parochiekerk haar bestemming als klokgieterij had verloren, diende zij nog als armenschool en als pakhuis.

De bouwvallige staat waarin het gebouw verkeerde deed de Magistraat in 1765 besluiten om het gebouw te laten afbreken. Gedurende de hele zomer hield men zich hiermee bezig. Alvorens de grond te egaliseren werden er diepe kuilen gegraven om er de doodsbeenderen in te begraven welke tegen de muren van de voormalige kerk aan hadden gelegen en waaraan deze hoek van het kerkhof de naam ‘Bonkenburg’ ontleende. Overigens werd toen al lang niet meer van Nijehoofsterkerkhof gesproken, doch werd het gehele terrein als Jacobijner- of Groot Kerkhof aangeduid. Nadat stichting van een armhuis op deze plek financieel niet haalbaar was gebleken, werd in 1768 besloten om de grond tot erven uit te geven om er woningen te laten bouwen. Ruim een eeuw later moesten deze woningen weer plaats te maken voor het St. Elisabethsgesticht en de Joodse Dusnusschool. Door uitbreiding van het eerstgenoemde gebouw verdween in 1911 het tussen de Grote Kerkstraat en Perkstraat gelegen straatje ’De Modder’.

Toen er in 1930 bouwactiviteiten plaatsvonden aan de Grote Kerkstraat, stuitte men op een diepte van twee meter op funderingsresten van Friese kloostermoppen. Daaronder trof men een aantal lijkkisten aan die allen in oost-westelijke richting waren begraven. Na nog dieper te hebben gegraven werd er een schacht geopend die tot een dikte van een meter bleek opgevuld met doodsbeenderen en puin. De gebeenten die aan de oppervlakte kwamen behoorden toe aan overledenen die voor 1580 op het Nijehoofsterkerkhof ter aarde waren besteld, doch nadien herhaaldelijk waren verplaatst en zonder enig gevoel voor piëteit door elkaar waren gesmeten.

II. Hoekster- of Catharinakerkhof, 15de eeuw-1691

De St. Catharinakerk van Hoek is vermoedelijk in de 14de eeuw - eveneens door de Cammingha’s - als derde parochiekerk van Leeuwarden gesticht. In de kerkvloer van de St. Catharinakerk vonden vele aanzienlijken een laatste rustplaats. Evenals de oude parochiekerk van Nijehove werd deze kerk na 1580 voor de godsdienstoefeningen niet meer geschikt geacht. Toch werden in 1581 nog twee en in 1582 nog vier ‘legersteden’ in de Hoeksterkerk verkocht. Zo wordt op 5 februari 1582 melding gemaakt van de ontvangst van drie goudgulden die waren voldaan door ‘Rienck vaer, woonende inde kelder van mijn heer van Amelant, ende dat ter cause van een legersteede voor Rienck’s huijsvrou Hil, die inde Hoexter kercke begraven is’. Nadat ook daar een tijd lang pestlijders waren verpleegd stond het gebouw geruime tijd leeg, totdat het werd ingericht als ’s Lands Artillerie- en Ammunitiehuis. In 1691 verloor het deze bestemming weer om in 1695 verbouwd te worden tot Stads Werkhuis. In de eerste halve eeuw die na de reformatie was verstreken was behoorlijk inbreuk gemaakt op het recht van de stad op de grond van het Hoeksterkerkhof. Omwonenden hadden huizen en potkasten tegen de voormalige kerk aangebouwd, hetgeen de Magistraat in 1638 deed besluiten om hier grond tot erven uit te geven om een meer regelmatige bouw te bevorderen. Zo ontstond er een nieuwe brede straat die de naam van Hoeksterkerkhof bleef dragen en die in 1691 voor het eerst werd bestraat. Getuige de begraafboeken werd er tot 1691 begraven. Op 12 en 13 november van dat jaar vonden twee kinderen van het Vliet er als laatsten hun rustplaats. Saillant detail vormt de vermelding in een koopbrief uit 1710 die betrekking heeft op het perceel Voorstreek 112. Dat jaar verkoopt een weduwe haar deel van dit huis inclusief ‘twee graven daer aghter, tot een thuintje gebruickt wordende en door een stackettinge afgeschut’. In de jaren vijftig van deze eeuw bleek nog steeds de oorspronkelijke bestemming van dit terrein. Bij elk karwei waarbij de schep de grond in moest kwamen er skeletdelen naar boven. Toenmalige bewoners van het Hoeksterkerkhof konden mensen noemen bij wie ‘de bonken onder de drompels’ lagen. Bij raadsbesluit van 10 januari 1984 is de naam Hoeksterkerkhof ingetrokken.

III. Galileër- of ‘Misdadigerskerkhof’, c.1500-18de eeuw

In 1456 werd ten noordoosten van de stad het Minderbroedersklooster Galilea gesticht. In 1498 werd dit klooster uit veiligheidsoverwegingen gevestigd in het nog onbebouwde oostelijke deel van de stad. Blijkens een bij testament gedane schenking ten behoeve van de bouw van het nieuwe kloostercomplex waren in 1506 de werkzaamheden nog steeds niet afgerond. Na de reformatie in 1580 werd de voormalige kloosterkapel aangewezen om onder de naam van Galileërkerk als derde godshuis van de ‘gereformeerde gemeente’ te dienen. Tot dan toe hadden voornamelijk kloostermonniken op het terrein direkt ten noorden van de kapel een laatste rustplaats gevonden. Na 1580 werd het voormalige kloosterterrein verkaveld en werden er zowel in noord-zuidelijke als in oost-westelijke richting nieuwe straten aangelegd. Eén van die nieuwe straten was het Droevendal. Deze straat werd dwars over het voormalige monnikenkerkhof gerooid, zodat er van het voormalige uitgestrekte kerkhof nog slechts een klein deel overbleef dat haar oorspronkelijke bestemming bleef behouden. Echter vanaf dat moment zouden nog slechts ter dood gebrachte of in het gevang gestorven criminelen er hun laatste rustplaats vinden. Deze plek stond bij de Leeuwarders dan ook al snel bekend als het ‘Misdadigerskerkhof ’. Via een steeg in het Droevendal kon dit kerkhof worden bereikt, ware het niet dat een zware deur de vrije doorgang belemmerde. Over het kerkhof zelf is vrij weinig bekend, zodat niet exact bekend is tot wanneer er is begraven.

Alvorens in 1940 tot sloop van de kerk werd overgegaan, werden de zerken in de kerk gefotografeerd en beschreven. Een deel van de zerken is naar Minnertsga vervoerd, alwaar zij - omgekeerd - in de vloer van de N.H. kerk zijn verwerkt. Na de sloop van de kerk en de ten noorden daarvan gelegen bebouwing liet de PTT er eind jaren vijftig het ‘Telefoonkantoor’ bouwen. Het was op deze plek, aan de zijde van het Droevendal, waar in de zomer van 1961 een gebouwtje voor de bedrijfsarts van de PTT moest verrijzen. Hierover kon uit de mond van oud archiefmedewerker Wim Dolk de volgende anekdote worden opgetekend. Op een mooie zomerdag dat jaar zou toenmalig wethouder Jan Tiekstra een fietstochtje hebben gemaakt, waarbij deze op een gegeven moment de Grote Wielen passeerde. Hier zou zijn oog zijn getroffen door een berg uitgestorte modder waar her en der menselijke resten uitstaken. De volgende dag werd meteen aan Wim Dolk om opheldering gevraagd. Deze deed daarop navraag wie voor het transport van deze lugubere lading verantwoordelijk was en waar zij was gedolven. Toen hierover uiteindelijk duidelijkheid bestond, was het raadsel snel opgelost. Het betrof hier grond van een deel van het voormalige ‘Misdadigerskerkhof ’! Onderzoek ter plekke maakte duidelijk dat het hier niet om een doorsnee dodenakker ging. Zo waren de doodkisten bijzonder grof en onafgewerkt uitgevoerd en was er geen enkele regelmaat in de wijze van begraven te herkennen. De doden waren als het ware op een even onverschillige als onwillekeurige wijze ‘onder de groene zoden gesmeten’.

Dat niet iedere terechtgestelde het ‘voorrecht’ had om te worden begraven moge duidelijk zijn. Het hing van de strafmaat af of ‘het lichaem de begraeffenisse werd gegund’. Vele misdadigers werden ‘anderen ten exempel, ten prooije gelaten aan de vogelen des velds’. Dit hield in dat zij boven een gemetselde put in de Galgefenne - ongeveer ter plekke van het huidige kantoorgebouw van ’De Friesland’ aan de Harlingertrekweg - werden ophangen, totdat het voortschrijdende ontbindingsproces hen in de put deed storten. Tegenwoordig resteert er weinig meer dat ons nog aan deze ‘wrede’ periode in de Leeuwarder geschiedenis herinnert.

IV. Groot - of Jacobijnerkerkhof, 13de eeuw-1824

Nadat in 1245 de Dominicanen zich te Leeuwarden hadden gevestigd, zou rond 1275 zijn aangevangen met de eerste fase van de bouw van de kloosterkerk die we tegenwoordig nog kennen als de Grote - of Jacobijnerkerk. In 1484 legateerde Tyemck Wibren Boulsmedochter een aanzienlijk legaat aan de paters ‘to hiara tymmer to der tzerke’. Dit hield verband met de eerste uitbreiding van de kerk. De laatste grote uitbreiding vond rond 1500 plaats. Hoe het kloostercomplex er ongeveer uit heeft gezien weten we dankzij de recente ontdekking van een stadsplattegrond uit 1572 die ooit in opdracht van Caspar di Robles werd vervaardigd.

Al betrekkelijk vroeg zullen gefortuneerde Leeuwarders - doch ook vele aanzienlijken van buiten de stad - bij testament de wens te kennen hebben gegeven om in de pas gereed gekomen kloosterkerk te worden begraven. Een begrafenis in een convent kostte meer dan normaal en was bijgevolg alleen weggelegd voor de beter gesitueerden. Op 25 november 1407 testeerde Mammo Mammingha te Nijehove, waarbij deze de uitdrukkelijke wens te kennen gaf begraven te willen worden bij de Dominikanen of Predikbroeders te Leeuwarden. Voor zover traceerbaar lijkt dit de oudst bekende vermelding van een Leeuwarder die in de Jakobijnerkerk wenste te worden begraven.

Bij de restauratie van de Grote kerk in de jaren 1842/1843 werd de zerkenvloer aan het zicht onttrokken door het leggen van een houten vloer. Ten behoeve van de restauratie in 1972/1978 werd deze vloer weer weggenomen. Er kwam een werkelijk unieke zerkenvloer te voorschijn. Renaissance zerken, behorende tot de mooiste van Nederland, lagen her en der verspreid. Sommige met afmetingen van twee bij drie meter. Ook sarcofaagdeksels, later gebruikt als altaarsteen en als grafzerk werden aangetroffen, evenals grafstenen die ingelegd waren met koper. De opgegraven stoffelijke overblijfselen werden herbegraven. Na het aanbrengen van een betonnen vloer werden de grafzerken zoveel mogelijk op de oude plaats herlegd.

Op de scheiding van koor en schip liggen enige renaissance zerken die zijn gehakt door de beroemde zerkhouwers G.B. (Gerbrant Benedictus) en B.G. (Benedictus Gerbrants). Ze dekten graven van de familie Cammingha. Het hertje met kammen - ook het wapen van de voetbalclub Cambuur - is duidelijk te herkennen. Andere bijzondere zerken zijn een priesterzerk, met hierop een miskelk met hostie, een grote zerk in het koor waarop de rechtspraak van koning Salomo staat afgebeeld en een aantal fraaie kinderzerkjes.

Bijzonder is ook de zerk die het graf dekt van een bastaard van de hertogen van Brunswijk. Dwars door het afgebeelde wapen is een balk geslagen: er loopt een streepje door.

In het koor van de kerk is niet meer de koperen plaat te vinden die ooit het graf dekte van Gregorius Bertolf, president van het Hof van Friesland. Deze koperen plaat, met hierop de getabberde beeltenis van Bertolf (†1528), is in de depots van het Fries Museum opgeslagen.

In 1580 werd door de hervormden definitief bezit genomen van zowel kerk als klooster. Kosten noch moeite werden gespaard om het aanzien van de voormalige kloosterkerk te vergroten en haar te verheffen tot hoofdkerk. Verder werd het uitwendig aanzien van de voormalige kloosterkerk sterk verbeterd door het wegbreken van de knekelhuizen of ‘benekouwen’ - verzamelplaatsen van stoffelijke resten - welke zich tegen de buitenmuren van de kerk bevonden. Mogelijk heeft een deel van het oude Nijehoofsterkerkhof na 1580 lange tijd gefungeerd als verzamelplaats van beenderen die bij het ruimen van graven op het Jacobijnerkerkhof werden opgedolven. Op 3 november 1649 besloot het stadsbestuur ‘om een benekouw te maken aende noordkant van ’t Clockhuis, aende sijde van Agge Roepers bewoonde huisinge, ende de benen en doodshoofden aende suidsijde van ’t Clockhuis leggende, van daer te doen (over)brengen’. In 1766 werd door de Magistraat besloten ‘om de beenekouw, staande op het Jacobiner kerkhoff bij de Modder te laaten wegh breeken en de beenderen alle in graaven op gemelde kerkhoff laaten begraaven’. Het is niet ondenkbaar dat de aan de achterzijde van de gebouwen van de Fryske Akademy aan de Doelestraat (huisnr. 2-4 ) ingemetselde tekststeen ‘MORS OMNIA SOLVIT’ (De dood lost alles op), inclusief de voorstelling van een doodshoofd, afkomstig is van de in 1766 gesloopte benekouw aan De Modder.

In 1789 werd besloten om het westelijk gedeelte van het kerkhof, dat zich uitstrekte tot aan het Nieuwe Stads Weeshuis met gele klinkert te bevloeren. Hiertoe diende eerst het kerkhof met zand en verse modder te worden opgehoogd, en wel zo dat het naar alle kanten rond afliep. De twee inhammen, die zich bij de huizen aan de zuidzijde van het kerkhof bevonden, dienden tien duim extra te worden opgehoogd, zodat het overtollige hemelwater van daar naar het middenpad en vanaf de sluitboom voor de ingang van de Perkstraat - de tegenwoordige A.S. Levissonstraat - in de richting van het weeshuis haar weg kon vinden. In 1824 was het Jacobijnerkerkhof reeds zo overbezet dat het gemeentebestuur er op 10 april van dat jaar mee akkoord ging om er niet meer te begraven, maar om de grafzerken te verwijderen, het terrein te effenen en het met bomen te beplanten. In 1830 werd de kerkhofmuur afgebroken en werd het voormalige kerkhof door stenen palen met ijzeren baliën afgesloten. Toen in 1977 ten behoeve van het aanleggen van diepriolering een diepe sleuf dwars door het voormalige kerkhof moest worden gegraven, kon tot afgrijzen van menig stadsgenoot worden geconstateerd dat ‘het in vrede laten rusten van de doden’ slechts een relatief begrip is. Uit beide sleufwanden staken de doodkistplanken inclusief inhoud, die eeuwen eerder aan de aardse moederschoot waren toevertrouwd. Ook stuitte men op een omvangrijk knekelveld, waarin de doodsbeenderen van de eerder gesloopte ‘benekouwen’ waren herbegraven.

V. Joodse begraafplaatsen, 1670-1833

De zware tol die de eens zo omvangrijke - bijna 700 zielen tellende - Leeuwarder Joodse gemeenschap in de oorlogsjaren heeft moeten betalen, was na de bezettingsjaren evenzeer af te lezen aan het Joodse erfgoed hier ter stede. In tegenstelling tot de uit 1833 daterende nieuwe Israelitische Begraafplaats aan de Jelsumerstraat, die de oorlog betrekkelijk schadevrij had overleefd, verkeerden de oude dodenakkers achter de Boterhoek en op de hoek van het Tournooiveld en de Groeneweg in sterk verwaarloosde en gehavende toestand. Met name de in 1670 aangelegde begraafplaats achter de Boterhoek was zwaar geschonden doordat de bezetter er een loopgraaf dwars doorheen had laten gegraven. Ook was de ommuring grotendeels verdwenen. Gras en vooral brandnetels schoten hoog op tussen de enkele nog overgebleven, scheefgezakte zerken. De houten schutting die de uit 1786 daterende begraafplaats aan de Groeneweg gedeeltelijk had omgeven, was gedurende de laatste oorlogswinter in de Leeuwarder kachels en fornuizen verdwenen.

Tot 1940 waren deze - sedert 1833 in onbruik geraakte - begraafplaatsen door de Joodse gemeente naar behoren onderhouden. Na de oorlog ontbrak het de sterk gedecimeerde Joodse gemeenschap aan financiële middelen om beide begraafplaatsen weer in hun oorspronkelijke staat terug te brengen. Aangezien de stad er groot belang aan hechtte om het bezit van de beide begraafplaatsen te verwerven - onder andere met het oog op de dringend gewenste verbreding van de Groeneweg - werden al vrij spoedig onderhandelingen gevoerd met het Nederlands Israelitisch Kerkgenootschap. Overeengekomen werd dat overname zou kunnen geschieden zodra de begraafplaatsen waren geruimd. De stoffelijke resten en de grafzerken werden zoveel als doenlijk was naar de begraafplaats aan de Jelsumerstraat overgebracht.

Op 11 juni 1952 stemde de gemeenteraad in met het voorstel van B.&W. tot aankoop van beide percelen. Een jaar later werd het terrein aan de Groeneweg doorverkocht aan het Rijk ten behoeve van het bouwen van een gedeeltelijk ondergronds centrum ten behoeve van het korps Luchtwachtdienst, afdeling Friesland. Tegenwoordig wordt dit onderkomen gebruikt door musici die er, zonder angst het toegestane aantal decibels te overschrijden, naar hartelust kunnen oefenen en waaraan het de huidige naam ’popbunker’ heeft te danken.

Zonder twijfel kan het Oldehoofsterkerkhof worden aangeduid als de oudste en belangrijkste begraafplaats van Leeuwarden. Een vroegmiddeleeuws grafveld doet vermoeden dat hier ooit een houten kerk heeft gestaan. Pas in de 11de eeuw werd de terp van Oldehove uitgekozen voor de vestiging van een stenen kerk. In 1661 werd aan de noordkant van het kerkhof een stenen wal uit de doorgegraven binnengracht, die de Boterhoek van het kerkhof scheidde, opgemetseld. Aan de westzijde werd het kerkhof middels een ringmuur van de Torenstraat afgescheiden. Nog in 1843 kenden enkele woningen tussen de noordwesthoek van de Kleine Kerkstraat en het Oldehoofsterkerkhof de aanduiding ’Bij den Sluitboom’. Vanaf deze kant kon destijds het kerkhof met rijdend materieel worden bereikt. In 1679 werd aan de oostzijde van het kerkhof een fraaie nieuwe poort als toegang naar het kerkhof gebouwd. Het oorspronkelijke kerkhof bestond uit een noordelijk - en een zuidelijk gedeelte, ieder met een afzonderlijke regel- doch doorlopende grafnummering. Daarnaast konden welgestelden zich binnen de muurrestanten van de voormalige - in 1595 gesloopte - St.Vituskerk laten begraven. Nadat in 1706 deze muurrestanten door een kring lindebomen was vervangen werden alle graven welke niet met zerken gedekt waren, met bakstenen bevloerd. In 1752 werd door het stadsbestuur een bedrag van 2000 gulden uitgetrokken om het gehele kerkhof op te hogen en andere herstelwerkzaamheden uit te voeren. Het aantal graven op het kerkhof werd in 1754 op zo’n 4700 geschat. In 1786 werd besloten om het gehele kerkhof, voor zover de graven niet met zerken waren gedekt, met gele klinkert te bevloeren.

Nadat Friesland in het najaar van 1826 werd getroffen door een malaria-epidemie, met als gevolg een explosieve stijging van het aantal sterfgevallen, werden er eindelijk maatregelen getroffen die het begraven in oude binnensteden onmogelijk zouden maken. Allereerst werden op 13 november 1826 de gemeentebesturen in Friesland ‘op last van de Koning’ door de Gouverneur aangeschreven, ‘om zoo spoedig immer mogelijk, plaatsen buiten de Kerken aan te wijzen, geschikt om de lijken ter aarde te bestellen, en om te zorgen, dat niet meer in de Kerken begraven worde’. Nadat het gemeentebestuur kennis had genomen van dit Koninklijk Besluit werd op 9 april 1827 een raadscommissie samengesteld die moest nagaan of het noodzakelijk was om naast het Oldehoofsterkerkhof nog een tweede begraafplaats aan te leggen. Op 28 augustus 1827 - toen de commissie reeds druk met haar onderzoek bezig was - werd andermaal een Koninklijk Besluit uitgevaardigd, waarbij het begraven in kerken algemeen werd verboden en dat gemeenten met meer dan duizend inwoners zo spoedig mogelijk begraafplaatsen buiten de bebouwde kom dienden tot stand te brengen. Dit besluit diende voor 1 januari 1829 uitgevoerd te zijn. Ondanks het feit dat het gemeentebestuur in het geheel niet enthousiast was om geld uit te geven voor een nieuwe begraafplaats - het Oldehoofsterkerkhof was nog geen jaar eerder voor 1725 gulden verbeterd - werd dit Koninklijke Besluit doorgegeven aan de door haar ingestelde raadscommissie. Deze bracht in september 1827 verslag uit. Het was haar gebleken dat de lokatie van het Oldehoofsterkerkhof geen nadelige gevolgen voor de volksgezondheid zou hebben. Daarnaast zou het aantal graven op het kerkhof in combinatie met een sterftecijfer van circa 500 per jaar en een gemiddelde ‘rottingstijd’ van 7 jaar een tweede begraafplaats overbodig maken. Hierop besloten B.&W. om een verzoekschrift bij de koning in te dienen ‘ten einde de thans bij de Oldehoof alhier bestaande begraafplaats voorlopig te mogen behouden’. Dit verzoekschrift werd op 2 februari 1829 van de hand gewezen, waardoor de raad zich gedwongen zag de burgemeester te verzoeken om een voordracht te doen ‘ten aanzien van de plaats waar, en de wijze hoe eene nieuwe begraafplaats aan te leggen’. Hoewel er officieel vanaf 1 januari 1829 geen doden meer binnen de stad mochten worden begraven, is er van enige haast geen sprake. Uiteindelijk werd gekozen om de nieuwe begraafplaats aan te leggen ten noorden van de Spanjaardslaan. Er zou nog tot 3 juli 1833 op het Oldehoofsterkerkof worden begraven.

In de jaren die volgden raakte het Oldehoofsterkerkhof snel in verval. Op 25 september 1837 werd door de gemeenteraad besloten tot de sloop van de Vrouwenpoort en het afgraven van de stadswal tussen de Oldehoofster- en Vrouwen-waterpoort. Hierna zou het hele gebied samen met het Oldehoofsterkerkhof ‘tot eene groote beplanting’ moeten worden aangelegd volgens een door architect Lucas Pieter Roodbaard ontworpen plan. Hiertoe dienden de nog aanwezige grafzerken, na toestemming van de eigenaren, te worden verwijderd. De graven zouden echter onaangeroerd blijven. In de winter van 1837/38 toog men voortvarend aan het werk. Het merendeel van de graven op het Oldehoofsterkerkhof was eigendom van de stad, terwijl vele andere particuliere graven zonder morren werden afgestaan. Het aantal graven dat met zerken was gedekt en waarvan de eigenaren in het grafregister konden worden getraceerd bedroeg 33 in totaal. Echter de oud-grietman van Hemelumer Oldeferd, Tjalling Minne Watze van Asbeck, had bij geruchte vernomen ‘dat men op last van de Burgemeester van Leeuwarden de hand had geslagen aan het Oudehoofdster Kerkhof, aldaar graven amoverende, doodkisten openende, de doodsbeenderen verroerende etcetera’. Hij protesteerde heftig, waarbij zelfs een brief ‘op poten’ aan Zijne Majesteit werd gezonden! B.&W. van Leeuwarden betitelden de inhoud van deze brief als pure ‘hoon en laster’ aan haar adres en dreigden zelfs met gerechtelijke stappen. Uiteindelijk werden de door Van Asbeck aangevoerde argumenten van tafel geveegd, waarna de werkzaamheden aan het kerkhof volgens plan konden worden afgerond.

Ook het Oldehoofsterkerkhof heeft tot 1837 een knekelhuis gekend, dat op afbeeldingen van de Oldehove en op stadsplattegronden is weergegeven. In deze uit 1613 daterende ‘benekouw’ zat een gedenksteen, waarvan het opschrift luidde:

Och Adams kinderen, bedenk U regt,
Hier legt de Heere bij de Knegt,
Edel, onedel, arm ende rijk,
Zijn alle geworden eerde en slijk,
Als gij nu zijt, zijn wij geweest,
Keert u tot God, dat is u best,
Als wij nu sijn, soo moet gij worden,
Verlaet de zonden, ’t zijn swaere borden,
Bereijd U huis en leert nu sterven,
So mogt gij na dit leeven het rijk Gods beërven.

Anno 1613

Het Leeuwarder gemeentebestuur vermeldde in een aan Gedeputeerde Staten gericht schrijven de sloop van dit knekelhuis: ‘Ten einde de aan te leggen wandelplaats op het Oldehoofdster Kerkhof van het gezigt eener verzameling van menschenbeenderen - die gewis meer dan twee eeuwen in een knekelhuis of beenderenkooi waren bijeengebragt en opgestapeld en hoog boven de muren uitstaken - te ontdoen, deze gelegenheid mede te baat is genomen, om die beenderen in de aan die beenderenkooi belendende gegraven kuilen over te brengen, en met aarde te bedekken, even gelijk zulks in andere Steden en plaatsen bij de ontruiming en vernietiging der knekelhuizen of beenderenkooien is bewerkstelligd’.

In het voorjaar van 1862, toen het gemeentebestuur naarstig op zoek was naar een geschikte locatie voor een te bouwen armenschool, viel het oog op het uitgestrekte Oldehoofsterkerkhof. Na het verkrijgen van de Koninklijke goedkeuring, werd het werk op 15 maart van dat jaar voor ¦ 17.000,-- aanbesteed. Tijdens de bouw van de school werd de zerk van Pieter van Dekema (†1568) en Catharina van Loo (†1581) ontdekt, welke tegenwoordig zit ingemetseld in de zuidmuur van de Oldehove. Na aanhoudende klachten over stank in de school - ’men meende er den reuk van het oude kerkhof in te bespeuren’ - werden na 1878 de klaslokalen stuk voor stuk opengebroken, uitgegraven en opnieuw bevloerd. Het gebouw heeft nog tot 1933 dienst gedaan, de laatste jaren als schippersschool, waarna het werd gesloopt in verband met het aan te leggen bodeterrein.

Tot dat jaar had het Oldehoofsterkerkhof er een volle eeuw ongebruikt en verlaten bijgelegen. Alleen het personeel van de aldaar gevestigde lijnbanen zag men er dag in dag uit hun baan achterwaarts aflopen. Verder diende het tot speelplaats voor de kinderen uit de nabijgelegen buurten en graasde er een enkele geit. Na verloop van tijd begon het vlakke terrein echter steeds meer kuilen en gaten te vertonen, doordat vele vermolmde doodkisten in de ondergrond de last niet meer konden dragen. Met name in het natte jaargetijde bleef het regenwater lange tijd in deze kuilen en gaten staan, waardoor het kerkhof in een onbegaanbare modderpoel veranderde en door iedereen angstvallig werd gemeden. Pas in 1933 kwam er een eind aan deze situatie. In de maanden juli, augustus en september vonden er grondwerkzaamheden plaats, waarbij het terrein - zij het slechts zeer oppervlakkig - werd afgegraven om het vervolgens met zand te egaliseren en met keien te bestraten. Alleen daar waar riolering moest worden aangelegd, werd dieper gegraven. Desalniettemin werden de werkzaamheden met meer dan gemiddelde belangstelling gevolgd, door zowel beroepsmatig geïnteresseerden als door de burgerij. Regelmatig deed de plaatselijke pers verslag van hetgeen er aan de oppervlakte kwam. Zo kwamen er enkele oude grafzerken aan het licht, waarvan er in ieder geval één het vermelden waard is. Zo werd na eeuwen de grafzerk van de beroemde Friese kunstschilder en Franeker burgemeester Jacobus Sibrandi Mancadan herontdekt. De tekst luidde:

‘ANNO 1680 DEN 4EN OCTOBER IS IN DEN HEERE GESTORVEN DEN EERSAMEN CONSTRIJKEN JACOBUS MANCADAN, IN LEVEN OLD-BORGEMEESTER DER STEDE FRANEQUER, OUDT 78 JAAR EN LEIT HIER BEGRAVEN’

Het totale aantal gevonden grafzerken viel echter behoorlijk tegen. Waarschijnlijk ging het hier om de in 1837 ‘vergeten zerken’ die eerder reeds onder de grond waren geraakt en daardoor over het hoofd werden gezien. Voor zover kon worden nagegaan waren de doodkisten, op een enkele uitzondering na, compleet vergaan. Maar liefst 33 vrachtwagens vol schedels en beenderen werden afgevoerd naar de oude begraafplaats aan de Spanjaardslaan om aldaar te worden herbegraven. Echter tal van schedels raakten in particuliere handen en dat waren vaak de handen van kwajongens. De meest opzienbarende ontdekking vormde wel de 17de-eeuwse grafkelder van het patriciërsgeslacht Bouricius. In de kelder werden vier ‘spitsverheven’, van zes centimeter dik eikenhout vervaardigde, doodkisten gevonden, waarop gegraveerde loden platen waren bevestigd met de namen van de overledenen. De kisten bevatten achtereenvolgens de gebeenten van Jacobus Bouricius ‘de oude’ (1542-1622), Hector Bouricius (1592-1636), Kempo van Hillema (1618-1653) en Houkje Hillema, de vrouw van Hector. Ook bevond zich nog een kinderkistje in de grafruimte, dat spontaan in elkaar viel toen het naar buiten werd gebracht. Het bevatte echter niets anders meer dan het zeegras, dat eens voor het hoofdkussentje had gediend. De kelder werd in 1933 in tact gelaten, zij het dat het boven het straatniveau uitstekende deel van het gewelf werd verwijderd en door een betonnen plaat werd afgedekt. De heer Tj. Postma uit Veenwouden deelde in 1933, als reactie op de verslaggeving van de opgravingen, mee dat hij in zijn jeugd vaak had horen vertellen dat zijn grootvader samen met diens drie broers, allen schippers, in de eerste helft van de vorige eeuw de zerken van het op te ruimen Oldehoofsterkerkhof hebben opgekocht en naar een of andere zeewering in Friesland hebben vervoerd.

Tenslotte ging het Oldehoofsterkerkhof in juli 1968 voorlopig voor de laatste maal op de schop. Dit ten behoeve van een reconstructie van het plein, die speciaal tot doel had aanpassing te verkrijgen bij de moderne bebouwing in deze omgeving. Nu werd echter behoedzamer te werk gegaan, waarbij de fundamenten van twee kerken te voorschijn kwamen, namelijk die van de in 1595 gesloopte St. Vituskerk en zijn uit plusminus de 11de eeuw daterende tufstenen voorganger. Te vrezen valt dat het uiterst belangrijke bodemarchief terplekke, dat nu nog inzicht kan verschaffen in de vroegste geschiedenis van onze stad, zeer binnenkort door bulldozers voor de eeuwigheid zal worden verwoest, zonder dat archeologen de tijd zal worden gegund de dieper gelegen lagen van het terrein in kaart te brengen, tenzij de politiek verantwoordelijken het belang ervan voor de wetenschap en hen die na ons komen onderkennen!


VII. De Westerkerk, c.1500-1826

Sinds de verbouwing in 1991 tot Theater Romein, is de naam Westerkerk voor de voormalige kloosterkapel van de Grauwe Bagijnen in de Bagijnestraat voltooid verleden tijd. De geschiedenis van deze kapel gaat terug tot het begin van de 16de eeuw, toen als voortzetting van het onveilige - buiten de stadswallen gelegen - klooster Fiswerd, hier het St. Annaklooster verrees. Nadat de kapel als gevolg van de Alteratie van 1580 aan haar oorspronkelijke bestemming was onttrokken, kreeg het gebouw in 1619 weer een kerkelijke bestemming, maar nu voor de hervormde eredienst. Wegens gebrek aan fondsen kon pas in 1637 worden begonnen met de herinrichting. De verbouwing werd grotendeels bekostigd door de verkoop van graven, die 50 gulden per stuk moesten opbrengen. Blijkbaar waren zij zeer gewild, want in 1638 besluit de stadsraad, ‘dat de Bouwmeesters hondert enckelde blauwe graffsteenen in Holland sullen doen copen om daermee de Westerkercke te vloeren’.

Het ruimtegebrek van de Leeuwarder kerken was met die verbouwing echter nog niet opgelost. Al spoedig erna deed zich de noodzaak tot verdere uitbreiding gevoelen. Het zou evenwel tot 1681 duren, voordat het stadsbestuur toestemming verleende de Westerkerk aan de noordkant met een nieuw schip te vergroten. Ten opzichte van de oude situatie werd de oppervlakte onder de oude en de nieuwe kap toen samen iets meer dan verdubbeld. Het gebouw kreeg daarmee zijn huidige afmetingen. Volgens een gravenlegger was deze ruimte met 361 graven in 1736 al geheel bezet.

Van de meeste grafzerken in de Westerkerk werden in 1795 de wapens en de titulatuur uitgekapt. De naar schatting 200 zerken verdwenen na een grondige verbouwing in 1845 onder een houten vloer, waardoor zij goed geconserveerd bleven en voor verdere afslijting werden behoed. Hierdoor was het mogelijk om een groot deel van de in de patriottentijd vernielde zerkopschriften te reconstrueren. Een totale inventarisatie van de in 1991 aangetroffen grafzerken is helaas (nog) niet mogelijk gebleken. Toch geven de 122 bewaarde zerken of fragmenten daarvan, die in de loop van 1994-’95 een plaats hebben kregen op een kunstmatige grafheuvel in het Leeuwarder bos en al wel zijn beschreven, een aardig beeld van wie er zoal werden begraven en welke plaats zij binnen de Leeuwarder samenleving innamen. Gebleken is dat het vooral leden van de plaatselijke elite waren die in de Westerkerk werden begraven. Men denke hierbij aan vertegenwoordigers van hoge bestuurscolleges zoals raadsheren en advocaten van het Hof van Friesland, secretarissen, vroedsmannen, gedeputeerden en officieren. Daarnaast vonden ook meergegoeden uit de lagere burgerstand - vertegenwoordigd in vele beroepsgroepen - er een laatste rustplaats. Hoewel de grafkelders van de stadhouderlijke familie zich in de Jacobijnerkerk bevonden, bezat ‘de vorstin douairière van de prins van Oranje Nassauw’, de weduwe van prins Johan Willem Friso, naast de consistorie aan de zuidzijde ook nog een graf. Van een bijzetting hierin is echter niets gebleken.

Enkele niet op de grafheuvel herplaatste zerken kunnen we hier de revue laten passeren, zoals die van de familie van Claes Bockes Balck (1748), de bouwmeester van het stadhuis. Deze zerk is - zoals vele anderen - na 1990 spoorloos verdwenen. Curieus mocht ook de afbeelding van de ‘Waakzaamheid’ in het alliantiewapen Langemach-Roeterich (1697) heten. Deze was weergegeven als een ooievaar - althans een langpotige vogel - die op één poot staat. Met de andere poot werd een steen vastgehouden, waarmee tot uitdrukking werd gebracht dat, indien de vogel zijn waakzaamheid zou verliezen, de steen op zijn andere poot zou vallen. Ook deze zerk is helaas verloren gegaan. Doch de fraaie zerk voor de hofarchitect Anthonius Coulon (1749), die in 1713 het huidige en destijds door hem zelf bewoonde hoofdgebouw van de Fryske Akademy bouwde, heeft - zeer toepasselijk - aldaar in de achtergevel een plaatsje gekregen. De Stichting Mr. Wiardus Willem Bumaleen ontfermde zich over de zerken van mr. Gerlacus Buma (1807) en diens echtgenote Bottje Dorhout (1808), om deze vervolgens naar de familiebegraafplaats in Weidum te laten overbrengen.

De ooit in de Westerkerk opgehangen rouwborden van de families Rhala, Haersma en Lycklama à Nijeholt zijn in 1795 als symbolen van het ancien regime op last van de autoriteiten verwijderd.

Terug