In 1949 werden in een beperkte oplage de gedurende de oorlogsjaren op schrift gestelde ’Leeuwarder Jeugdherinneringen’ van Hendrik Burger (1864-1957) in druk uitgegeven. Het is een uiterst zeldzame publikatie die nooit in de boekhandel verkrijgbaar is geweest. Dit ego-document van de Leidse arts en hoogleraar keel- neus- en oorheelkunde telt 116 pagina’s. Door de benoeming in 1867 van zijn vader Combertus Pieter Burger (1825-1908) tot directeur van de Rijks Hogere Burger School alhier, leidde diens levenspad van zijn geboorteplaats Delft naar Leeuwarden, de stad die hem de rest van zijn leven altijd na aan het hart is blijven liggen en waaraan zijn dierbaarste herinneringen waren verbonden. Tot aan het overlijden van zijn stiefmoeder in 1927 bezocht hij de stad en het huis waar hij was opgegroeid, Bij de Put 15, nog ieder jaar. Met het klimmen der jaren voelde Hendrik Burger steeds meer de behoefte om zijn herinneringen voor het nageslacht op schrift vast te leggen. Dit in 1944 voltooide manuscript werd in 1949 voornamelijk voor verwanten en andere intimi van Hendrik Burger in druk uitgegeven. Het werkje is rijkelijk geïllustreerd met prenten en tekeningen, welke echter vanwege de matige kwaliteit niet in de onderstaande digitale versie van deze publikatie konden worden opgenomen.

De familie Burger ca. 1880, met geheel links Hendrik Burger (1864-1957)



INHOUD

 

Voorwoord

I. Een gezin van tien
II. Kleuterschool en lagere school
III. Leeuwarden
IV. Burgerschool en gymnasium
V. Mijn burgerschooltijd
VI. Mijn studententijd
VII. Na zeventig jaar

Bijlage: de kinderen van C.P. Burger en M.A. Haasloop Werner

 

Voorwoord

Deze herinneringen spelen in een sprookjesland, in een blijde wereld, in een huis vol kinderen, in een jeugd zonder zorgen. Zij spreken van baldadige jongens, van verstandige en onverstandige opvoeders, van vrijheid, saamhorigheid, familiezin en voorbereiding voor nuttige levensarbeid.

Is het wel juist, zo vraagt men mij, is het geoorloofd zich te koesteren in de warmte van een zonnig weleer, nu de mensheid van heden in rouw neerzit op de puinhopen van een vernielde wereld? Een Duits dichter uit de vorige eeuw heeft zich in een tijd, toen ook de wereld aan onrust en oorlog ten prooi was, dezelfde vraag gesteld; maar hij wierp het verwijt van zich. Zijn liederen van liefde, levenslust en schoonheid waren niet in lediggang zijn deel geworden; maar in kommer en nood waren zij hem ten zegen geweest:

Sie waren mir ein Talisman,
Der von mir nahm was mich betrübte,
Und auch wohl Andern üben kann
Die Wunderkraft, die mir geübte.

Zo ook zal voor een nieuw geslacht de levensvreugd van vroeger geen reden zijn tot afgunst; veeleer tot hoop en vertrouwen. En een spoorslag tot durf en arbeid.

Bij het op schrift stellen van deze herinneringen heb ik onmisbare steun genoten van twee oude vrienden: mr. C.B. Menalda en mr. J.D. van der Plaats, die van zo veel wat hier is geboekstaafd, de leemten en afwijkingen van mijn geheugen konden aanvullen en rechtzetten.

Als een smartelijk gemis heb ik de afwezigheid gevoeld van mijn jongste broeder, mr. A. Burger, die meer dan iemand anders behagen zou hebben geschept in het herontwaken van dit ons beiden dierbaar verleden. De donkerste schaduwkant van de ouderdom is het achtereenvolgens heengaan der tijdgenoten, een verlies dat door de toegenegenheid van jongeren wordt verzacht - zeer zeker -, maar niet ten volle kan worden vergoed. De kring van hen, die mijn verhaal van ganser harte kunnen meeleven, is bitter klein geworden. Het vullen van deze bladzijden is mij een weemoedige vreugde geweest.

Das strenge Herz, es fühlt sich mild und weich;
Was ich besitze seh ich wie im Weiten
Und was verschwand wird mir zu Wirklichkeiten.

H.B.

Amsterdam, voorzomer 1944.


HOOFDSTUK I

Een gezin van tien

Bij de Put 15

  - Volgens R. Visscher is dit huis - thans eigendom van de vrijmetselaarsloge De Friese Trouw - een der oudste huizen van de stad.

Waarschijnlijk is het in de tweede helft der zestiende eeuw gebouwd door Jacob Sybrants Auckama, die herhaalde malen burgemeester van Leeuwarden is geweest. Tot het begin der negentiende eeuw is het steeds bewoond geweest door grietmannen of leden van het Hof; in de tweede helft der zeventiende eeuw door de familie Van Harinxma thoe Slooten; in het begin der achttiende eeuw door Willem van Haren, grietman van Het Bildt en grootvader van de dichters Willem en Onno Zwier. Tot 1773 bleef het in het bezit der Van Harens.

In de roman van L. E(ngelberts), Een vergeten proces wordt van het grote huis herhaaldelijk gewag gemaakt. Voorts vind ik in een gedicht van A. Jeltema uit 1825: Ter verjaring van Willem V, 8 Maart 1765, deze regels:

De Hoofdstad kan haar blijdschap nauw verzwelgen.
Van Haren’s huis staat als in volle brand.
’t Herhaald geroep: Lang leef de hoop van Nederland
Getuigt der Friezen zucht voor d’eer van Nassau’s telgen.

Het zo rijk geïllumineerde huis behoorde toen aan (de jongere) Willem van Haren, maar werd als huurder bewoond door Jhr. Ulbo van Burmania.

Toen mijn vader in 1867 uit Holland naar Leeuwarden verhuisde, heeft hij dit huis gekocht. Na zijn heengaan in 1908 is zijn weduwe het blijven bewonen. Aldus is het, tot haar dood, in 1927, het middelpunt van onze naar alle kanten uiteengestoven familie gebleven.

Op de Put nam dit huis een dominerende plaats in. Ook door zijn gevel, maar vooral door zijn grote tuin, die achter de andere huizen aan die zijde van de Put en achter de huizen van dat deel der Speelmanstraat langs liep; zodat al deze woningen zich met een klein plaatsje moesten behelpen (Zie afbeelding).

De achtergrens van onze tuin was daar, waar later, in de Speelmanstraat, de ambachtsschool (tegenwoordig industrie- en huishoudschool) is gebouwd; terwijl aan de rechterzij de tuin werd begrensd door de brede lage achtergevel van de school van meester Roker, aan het Krommejat, die later verschillende gemeentediensten heeft geherbergd.

Van de stoep van het huis had men, als de voordeur openging, door een brede gang en door de glazen achterdeuren, een doorkijk tot achter in de tuin, waar een met riet gedekte theekoepel stond.

Mijn familie - vader, moeder en acht kinderen - kon een grote woning wel gebruiken; maar dit huis en deze tuin was voorwaar een hoofdprijs uit de loterij. Wanneer oudere en jongere broers elk met zijn eigen stel vrienden tegelijk in de tuin speelden, zijn botsingen niet uitgebleven.

Eerst als wij het rijk alleen hadden kon ons aangeboren speeltalent zich vrij ontplooien. En onze fantasie! Ik herinner mij, dat ik met een vriendje door de tuin draafde; de een was een rover of misschien een heel roverpak, de ander was soldaat en beiden zaten wij, in een bergland, te paard. Onder het draven draaide de rover zich om en schoot - pang! pang! - met een denkbeeldig pistool op zijn achtervolgers. Dezen - ook niet van gisteren! - knalden met geweren en schreeuwden even hard pang pang!. Dit ging zo een paar keer de tuin rond, totdat de rover er plotseling genoeg van had en op zijn beurt soldaat wou wezen.

Een ander maal waren wij onder de indruk van Oom Tom’s Negerhut, dat prachtige boek, dat zoveel heeft bijgedragen tot het bewerken van de openbare mening in Amerika tegen de slavernij. Op ons was de uitwerking van dit verhaal een heel andere. Mijn vriendje en ik waren blank-officieren en stapten, in sterk besef van meerderwaardigheid, met grote stappen over de plantage, waar de negers in gebukte houding, in het zweet huns aanschijns aan de arbeid waren. Alles wat wij zagen en deden of dachten te doen, schreeuwden wij elkaar luide toe. Wij hadden elk in de linkerhand een fantastische boterham, die al schreeuwende, steeds dikker werd. Van deze heel bijzondere lekkernij namen wij geweldige happen, om telkens, dadelijk daarna, met een denkbeeldige karwats op de gekromde slavenruggen te ranselen: pats, pats! Dan weer, met een verwaand gezicht, een grote hap en weer, naar terzij: pats! 

Mijn ouders.

  - Men kan het met zijn kinders slecht en goed treffen. Vader en moeder, beiden uit ordentelijke gezinnen afkomstig, hebben soms een kind, waarmee geen land is te bezeilen. Maar omgekeerd kunnen ook de kinderen het met hun ouders heel verschillend treffen. Zij hebben niet te kiezen - accepter et se taire! - de ouders zitten daar en delen de lakens uit.

Ons, Burgerschaar van de Put, is het lot buitengemeen goedgezind geweest. Welk een verstandige liefde van boven af: wat een bedrijvigheid en levensvreugde in dat grote gezin! Bij de maaltijden zaten in de kelderkamer op zijn minst drie grote mensen - vader, moeder en de Leeuwarder juf - zes broers en twee jongere zusjes om de langwerpig ronde tafel, en in de keuken twee Friese dienstmeisjes; ziedaar het tableau de la troupe. 

Vader

  kwam uit een voornaam Rotterdams koopmansgeslacht, waarvan de oorsprong bekend is tot in het begin der zeventiende eeuw. De cargadoorsfirma D. Burger & Zn., die zo vele Nederlanders naar Noorwegen heeft vervoerd, heeft sinds anderhalve eeuw aan de Boompjes te Rotterdam gezeteld maar sinds 1874 zit er geen Burger meer in de firma. De grondtrekken van dat geslacht waren degelijkheid, orde, eenvoud en afkeur van uiterlijk vertoon en dit ook was de geest, die mijn vader op zijn gezin heeft overgebracht. Hij was een geboren opvoeder, maar zijn stelsel stond niet zwart op wit. Het kende geen voorschriften, geen verbods- of strafbepalingen. Met zekere trots kon hij verklaren, dat zijn kinderen in vrijheid gedresseerd waren. Hoofdzaak was het voorbeeld, dat hijzelf gaf van plichtsbetrachting en van hulpvaardigheid. Zijn bereidheid om te raden en te helpen was onbegrensd. Uit zijn aard was hij driftig, maar strikt rechtvaardig. Hij genoot ons aller onbeperkt vertrouwen en naar mate wij ouder zijn geworden, is onze verering voor zijn nagedachtenis steeds gegroeid.

En evenzo had moeder onze hartelijke liefde. Zij heeft mijn vader twaalf kinderen geschonken, waarvan er vier, die ik niet heb gekend, jong zijn gestorven. Altijd was het huis vol mensen. De zoon van een oude vriend mijner ouders en later het zoontje van moeders enige broer zijn jarenlang als pleegkinderen met ons grootgebracht. Er waren vaak logé’s en steeds vrienden en vriendinnen van allerlei leeftijd over de vloer, en bij al die drukten was moeders opgewektheid onverstoorbaar. Ik geloof niet, dat zij ooit een buitenlands reisje heeft gemaakt. In de zomervacantie ging altijd het hele gezin ergens in Gelderland in pension.

Was vader voor de oudere kinders een nooit falende vraagbaak, moeder was de toevlucht voor alle in verdriet verkerende kleinen. Hoe dikwijls moest zij troosten bij werkelijk of vermeend onrecht, hun door oudere broers aangedaan. Een voorbeeld: broer Dijs komt de trap af en met een lang rietje, dat hij toevallig in de hand heeft, tikt hij een van de kleinen, die door de gang dribbelt, op het hoofd. Deze kijkt verbaasd om, ziet niemand, steekt de beide knuistjes in de ogen en loopt hard huilend naar moeder toe: moedér, moedér, ik weet niet wie slaat mij met een dikke stok op het hoofd. Een ander voorbeeld: Ik zit, als broekeman, op het schommelplankje, dat voor een oudere broer, die met zijn voeten aan weerskanten van mij staat, wordt op gang gebracht. Doordat ik mij blijkbaar niet vasthoud, vlieg ik aan het eind van een zwaai van het plankje af en kom, keurig rechtop zittend, op het grint terecht. Dadelijk ben ik overeind en ren naar binnen: moedér, moedér, Huib heeft mij van de schommel afgeschopt.

Een andere keer, ik denk een jaartje later, heb ik eens in een kapellennet drie bijen gevangen en ze in een lucifersdoosje weten te krijgen. Ik wil er dan nog eens naar kijken en doe het doosje met een klein spleetje open. In dit spleetje verschijnen dadelijk de drie bijenkoppen - naar ik meende. Om het doosje weer te kunnen sluiten druk ik met mijn vinger de drie kopjes naar binnen; maar op slag gil ik van de pijn en zitten de drie angeltjes in mijn vinger. En toen luid huilende naar moeder, die de pijn moest weg-troosten.

Aan tafel mochten wij niet klieken; geen verkeurdheden; wat op je bord lag moest worden opgegeten. Een uitstekend stelsel, waarvoor ik nog dankbaar ben. Maar zwilkjes van het vlees kon ik niet naar binnen krijgen. Ik probeerde ze wel eens te verdonkeremanen, in de servetring of onder de rand van het bord, maar dat lukte nooit. Eens was er zoveel zwilk en mijn tegenzin zó groot, dat ik weigerde het op te eten. Ik kreeg toen geen rijst en ’s avonds geen melk; eerst moest ik mijn bord leeg eten. Ook de volgende dag. Ik at niet aan de drie maaltijden; maar ’s avonds ging ik over stag. Honger is een scherp zwaard. Toen ik het laatste zwilkje had doorgeslikt, kwam moeder met een warm biefstukje met aardappelen en was ik, van schaamte en liefde, helemaal overstuur.

Ik zie ons nog staan, drie of vier kleuters, in de kelderkamer, voor de open provisiekast, waar moeder op een bekende sympathieke plank bezig is, en wij, in spreekkoord: lek-kers, lek-kers, lek-kers. Eens heb ik op één Zaterdagmiddag drie keer een broek gescheurd, telkens een grote dwarse scheur op de rechter knie. Jongens (en meisjes) met blote benen waren er toen nog niet. De eerste keer kreeg ik een andere broek aan en rende dadelijk weer naar buiten, naar mijn vriendjes. De tweede keer ging ik met een kloppend hart naar huis, maar er werd niet veel gezegd; ik kreeg een andere broek en was dadelijk weer weg. De derde keer durfde ik haast niet naar huis; maar op het gezicht van de derde kapotte broek en mijn benepen gelaat begon moeder zo onbedaarlijk te lachen, dat mijn verstand er bij stil stond.

Honderd jaar geleden heeft de Vlaamse dichter Ledeganck zijn moeder (en ook de onze) treffend geschilderd:

Zij mochten een voor een om hare gunst verlangen
Of komen al te saem en hangen aan haer zy,
De kring in ’t algemeen had gansch haer hart ontvangen,
En nog dacht iedereen: de voorrang is aen my.

Het gezin. -

  Ik was nog op de lagere school, toen mijn oudste broer, Dijs, kwam te overlijden. Hij had lang ziek gelegen, eerst boven; maar dan was hij naar de kelderkamer verhuisd. Hij scheelde ruim elf jaar met mij in leeftijd en stond daardoor ver van mij af. Ik zag met een zekere eerbied naar hem op, om zijn ouderdom en zijn ernst, gepaard met vriendelijkheid. Maar door zijn ziekbed, in de kelderkamer, waar wij dikwijls bij hem waren, is hij veel nader tot mijn hart gekomen. Voor mijn oudere broers was hij alles. Als ik uit school kwam, schrijft broer Bert in zijn Album Burger, was mijn gang altijd regelrecht naar vaders studeerkamer, waar Dijs werkte en zijn gesprekken waren, al spelende, de rijkste lessen van kennis over alle mogelijke dingen. Zijn dood, juist toen Huib en ik studenten waren geworden, was het eerste en misschien het allergrootste verlies in ons leven.

Wat ik in mijn broers bewonderde, waren hun grote daden. Broer Huib klom, op zolder van Put 15, door een dakraampje naar buiten en langs het pannendak omhoog. Daar, aan de tuinkant, op de nok van het hoge dak, heeft hij zijn geliefde zinnen luide zitten uitgalmen: Willem van Haren’s Helaas, helaas hoe vlieden onze dagen! en (uit vaders effectenkrantje) Hoe zal ik mijn geld beleggen? Gezien de ouderdom van die pannen was dit een levensgevaarlijk waagstuk. Huib was ook de eerste van de familie, die met goud is bekroond: de ring, die zijn medebestuursleden der Vélocipède-club hem bij zijn aftreden als kommandant hebben vereerd.

Mijn oprechte bewondering had ook broer Karel, om zijn technische bekwaamheden. Thuis werd hij enigszins spottend de schroevendraaier genoemd, maar hij deed scheppend werk. Van Nijkamp (Nappie) was hij verreweg de beste leerling. In zijn kamertje heeft hij, aan de zijkant, boven de schoorsteenmantel, een pijpenkastje getimmerd, waarin nog vele jaren na onze schooltijd een rijtje lange pijpen zijn blijven hangen. Op de pijpekoppen stond met inkt de naam der eigenaars, o.a. Piet Troelstra, die een vriend was van broer Adriaan.

Een grote daad van broer Karel is geweest, dat hij op zijn nummer soldaat is geworden. Dijs was overleden. Van de overblijvende vijf moesten er twee onder dienst. Voor Huib werd een remplaçant gekocht (ik meen voor negenhonderd gulden); hierdoor was ook Bert vrij. Toen nu Karel negentien was geworden, waren er juist bepalingen gemaakt, welke het soldatenleven minder bezwaarlijk zouden maken. Met name, men behoefde niet meer in de kazerne te slapen. Mijn vader was een voorstander van persoonlijke dienstplicht. Ook Karel stuitte het afkopen van een vaderlandse plicht tegen de borst en zo is hij in Leeuwarden de eerst en de enige uit onze bekendenkring geweest, die de studie tijdelijk in de steek heeft gelaten en de soldatenjas heeft aangetrokken. Dit was werkelijk een moedige daad, want een soldaat was toen nog geen persoon van fatsoen. Het is gebeurd, toen hij op een avond met een stel vrienden voor een koffiehuis een glas bier zat te drinken, dat een paar onder-officieren zich op hoge benen bij de kastelein gingen beklagen over de aanwezigheid van een soldaat!

Toen met de vacantie Bert thuiskwam, die zich in Leiden had aangewend ’s nachts te werken en de ochtend te verslapen, gebeurde het menigmaal, dat hij, naar bed gaande, Karel reeds aantrof, die om zes uur in de kazerne moest wezen. Wij jongeren, maakten uit, dat zij tweeën wel met één bed konden volstaan.

Van al de broers heeft voor mij verreweg het meest betekend Adriaan, die twee en een half jaar ouder was dan ik. Wij hadden natuurlijk elk onze eigen vriendenkring, maar in bepaalde omstandigheden was hij mijn leidsman en graag mijn beschermer. Ook in ons verdere leven is hij mij altijd een trouwe kameraad, een hartelijk belangstellende vriend geweest. Hij was een driftig heerschap, maar strikt rechtvaardig en dadelijk bereid om ongelijk te bekennen. Hij had een sterk gevoel voor recht, zodat hij in zijn latere rechterlijke betrekkingen de juiste man op de juiste plaats is geweest. De kleinste oneerlijkheid, b.v. het opnieuw gebruiken van een toevallig ongestempeld gebleven postzegel, nam hij kwalijk. Ook later heeft hij elke kleine, als het ware voor de hand liggende belastingontduiking verafschuwd. In dit alles was hij een goed zoon van zijn vader. 

Henkebonk.

  - Dit was een tijd lang de troetelnaam van de Benjamin, door allen verwend, maar die toch ook van al die grote broers heel wat had te verduren. Ik denk dat hij een niet al te welgemanierd ventje is geweest. Er is voor hem eens een uitnodiging gekomen om in de zomervacantie bij een bevriende familie in Dokkum te logeren; maar een poosje later is zijn vreugde over deze uitnodiging sterk bekoeld, toen het bleek, dat de hele verdere familie die zomer naar Driebergen zou gaan. Zo klein als hij was begreep hij toch, dat dit een doorgestoken kaart was en dat men hem in een ietwat deftig pension liever niet wilde vertonen.

Ik bezit een aantal verzen en tekeningen, door hem op heel jonge leeftijd gemaakt. Ziehier een vers, vermoedelijk van moeders hand, gevolgd door een, door Henk zelf heeft gemaakt. Bovenaan staan drie kalkomanie plaatjes.

Voor mijn lieven vader

 

25 April 1872


Hier komt de kleine Wildeman
Met teekening en presentje an
Hij weet dat va veel van hem houdt
Al was hij dikwijls ruw en stout
En daarom komt hij nu met spoed
U met zijn versje tegemoet.

Mijn wensch is dat God lang u spaar,
Uw leven voor verdriet bewaar,
En dat wij door gehoorzaamheid
U toonen onze dankbaarheid
Voor alles wat gij voor ons doet
Want niemand is als gij zoo goed!

Ik wil mijn best ook gaarne doen,
‘k Beloof het met een fiksen zoen,
‘k Wil toonen dat ik van u houd,
En dat mijn ondeugd mij berouwt
Dan word ik eens de lieve Hein,
Die zijnen Va tot vreugd zal zijn.



En dan, op bladzij 3, dit naschrift:


Leve onze lieve Va!
Heel veel heil en zegen!
Op u blij geboortefeest
Hebben we liever geen regen.

Leve onze lieve Va!
‘k Blijf veel van u houen
Ik wil worden lief en zoet
En niet meer miaawen.

Leve onze lieve va!
Gij krijgt nu geschenken
En wij willen met pleizier
Aan u feestdag denken.

Van uw zoon Hendrik

 

Zelf gemaakt.

 

Ik meen dat deze dichterlijke proeve knap werk is voor een zevenjarige; vooral om de gelijkwaardige vorm der drie koepletten. Hetzelfde mag gezegd van een klein-model schoolschrift met een achttal verzen in potlood-drukletter, elk met een daarbij behorende tekening en een lijstje losse woorden. Met moeders hand staat daarachter, met inkt geschreven:

Gedichten van Hendrik Burger om Antonia te leeren lezen. Najaar 1871. Antonia was het drie jaar jongere zusje. Hier volgen twee van deze gedichten:

I.

De zwaan is wit van kleur
Hij is een aardig dier
En vaart in de stroom
Dag beste zwaan.
Ik heb hier kruim van brood
Ze vaart daar in de sloot.

Ze heeft een lange hals
En zegt neen jongetje
Houd gij uw brood maar stil
Want ik weet zelf mijn brood
Te vinden in de sloot.

Neen, zegt de knaap
Dat doe ik niet
Ge krijgt mijn brood
Zie maar ik gooi het in de sloot.
Zoo dank u wel
Gij zijt een zoete knaap
En toch lijkt gij wel op een aap.

II.

 

Die man is dood
Die arme man
Zijn ouderdom was 25 jaar
En nu ligt hij daar

Zijn hoed ligt ginds
Daar in de sloot
Zijn lichaam is vergaan
Zijn voetjes die zijn bijden bloot
Hij kan er niet op staan

Zijn oogen bloeden en zijn neus
Zijn mond zit vol met stof
Zijn lijk wordt in een kist gedaan
He wat geeft dat een plof.

Of in deze beide verzen het verrassende slot als een vroegtijdige uiting van zin voor humor is te beschouwen, moeten de kinderpsychologen uitmaken.

Zo gauw Henk met inkt kon omgaan, was hij rap met briefschrijven. Aan een bejaarde, ongehuwde, deftige nicht uit Rotterdam, die op de Put had gelogeerd, schreef hij, kort na haar vertrek, een brief, die aldus aanving: Lieve nicht Kee! Hoe maakt u het? Bent u al getrouwd en hebt u al kindertjes? - Een ander voorbeeld: Broer Adriaan was genoemd naar een oom in Rotterdam, die ieder jaar zijn peetneefje op diens verjaardag een presentje stuurde en daarbij een A en B in grote platte, met hagel bestrooide chocoladeletters, welke wij heftig bewonderden. Toen deze broer een bedankbrief zat te schrijven, vatte ook Henk, die met het geval niets te maken had, de pen op en bedankte ook zijnerzijds voor de goede gaven aan zijn broer geschonken, met de bijvoeging dat hijzelf op 15 November jarig was!

Het is een voortreffelijke gedachte van mijn ouders geweest, hun reeks kinderen met twee meisjes te besluiten. Hoe hadden zij, na al die zoons, daarnaar verlangd. En hoe heeft dit tweetal, dat altijd samen was, kleur en poëzie gebracht in dat jongenshuishouden.

Een algemeen bemind lid van het gezin was juf Leverland. Algemeen bemind; ik ben er zeker van, dat in de 37 jaar, dat zij op de Put heeft gewoond, nooit een van ons tegen haar (noch zij tegen een van ons) ook maar één onvriendelijk woord heeft gezegd. Zij was moeders rechterhand; zij regelde de maaltijden, zorgde voor de was en het verstelwerk. Terwijl ’s avonds de familie in de tuinkamer bijeen was, bleef zij vaak nog een tijdje in de kelderkamer aan haar naaiwerk, maar dan verhuisde zij naar haar eigen kamertje boven. Als echte Friezin ging zij kaarsrecht; zij had een smal gezicht en scherpe neus en droeg een breed gouden oorijzer. Vaak deed zij de familie om haar Leeuwardse uitdrukkingen lachten. Zij was bescheiden, maar nam wel deel aan de gesprekken; vooral naar aanleiding van het feuilleton uit het Nieuws van den Dag, dat aan de koffie werd voorgelezen. s Zondags ging zij ter kerke, maar alleen bij rechtzinnige predikanten. Haar oude moeder woonde in het St. Anthony-gasthuis aan de Groeneweg. Ik ben daar, als jongetje, wel met haar op bezoek geweest. Daar hoopte ook zij, als haar taak bij ons zou zijn afgelopen, haar leven te eindigen. Vader had er voor haar een kamer ingekocht, maar toen het later eens ter sprake kwam, heeft zij niet van de Put (en de Put niet van haar) willen scheiden. Ik bezit nog enige brieven van haar, in mijn gehuwde tijd geschreven naar aanleiding van verjaardagen. Zo’n brief begint met: Waarde Heer Hendrik. In de tweede zin is het Hein; later Heintje en tegen het slot: Nu Waarde Heer Burger.

Onze lieve huisgenote

ELISABETH LEVERLAND,

die sinds 1 Sept. 1869 deelde in het lief en leed van ons gezin, viert heden, gezond en opgewekt, haar tachtigsten verjaardag.

Leeuwarden, 11 April 1904.
Familie Burger.

Deze advertentie in de Leeuwarder Courant doet kond van een allerhartelijkst familiefeest. Op het Jacobijner kerkhof kon men die dag, aan de hoge achtergevel van ons huis, de driekleur, die aan de tuinkant was uitgestoken, zien waaien.

Ruim een jaar daarna is de familie voltallig te Leeuwarden bijeen geweest, thans om aan deze brave, zo hartelijk beminde ziel de laatste eer te bewijzen. Al de jonge heren binne der foor over weest, zeiden de Puttenaars; se het ’n begraffenis had fan ’n koningin.

Het gezinsleven. -

  In de kelderkamer had ieder kind een eigen bergruimte, hetzij een van de twee schoollessenaars of een plank in een der kasten. De zoldering van de zestiende-eeuwse bouwmeester was niet door een kunstmatig plafond aan het oog onttrokken, maar vertoonde twee reusachtige lengtebalken en een aantal dunnere dwarsbalken. Deze heetten: de vaderbil, de moederbil en de kinderbilletjes. Aan de muur hingen, in mahonielijsten, twee gekleurde tekeningen van moeders vader: grootvader Haasloop Werner, die ik niet heb gekend, maar wiens avontuurlijke levensgeschiedenis ons telkens weer moest worden verhaald. Hij had in 1812 met Napoleons leger mee moeten uittrekken naar Rusland; op de terugtocht is hij wegens bevroren benen in een hospitaal te Danzig achtergebleven, van waar hij is overgelopen naar het Russisch-Duitse legioen. In het vaderland teruggekeerd nam hij dienst bij het 4e legioen Oranje-Holland en in 1815 bij de nationale militie. Hij is als kapitein gepensionneerd en leefde daarna te Elburg, waar hij zich tot aan zijn dood in 1864 heeft gewijd aan het bestuderen en in tekening brengen van al wat de Veluwe aan merkwaardigs aanbood: kerken, landhuizen, grafstenen, wapens, klederdrachten. Deze verzameling is overgegaan naar het Arnhemse museum. De twee tekeningen in de kelderkamer stelden een Veluws landhuis en een jachttafereel voor.

Iedere ochtend om half acht stond in de kelderkamer het ontbijt gereed: boterhammen (zonder belegging) naar believen, thee voor de grote mensen, melk voor de kinderen. Het eerst verschenen de burgerschoolmensen: eerst vader, die om precies kwart voor acht naar school ging; dan de jongens, die elk op zijn eigen houtje wegholden. Later pas kwamen de anderen, wier school om negen uur begon.

Aan de koffietafel om half een was het gezelschap voltallig. Op verjaardagen was er taart.

Mien, mijn jongste zusje ging op een partikulier fröbelschooltje, waar o.m. van gekleurde papierstrookjes aardige dingen werden gemaakt. Al sinds verscheidene dagen had zij aangekondigd, dat zij bezig was om voor juf iets bijzonder moois te maken. Op zekere dag vertelde zij bij het naar school gaan, dat het die ochtend klaar zou komen. Toen zij met de koffie thuis kwam, zat het gezelschap reeds aan tafel. Zij had een pakje in de hand, maar in plaats van dit aan juf te geven, deed zij geheimzinnig en stopte het in haar kastje. Gevraagd waar het beloofde geschenk voor juf bleef, kon zij daar blijkbaar niet van scheiden en zei snikkende: Ik wist niet, dat het zó mooi zou worden.

Aan de koffietafel kwamen veel verhalen los. Broer Karel begon geregeld zijn (niet al te geloofwaardige) geschiedenissen met de mededeling: Ik weet niet of ik het heb gedroomd of in een oude Kinderkrant gelezen. Dit blad is jarenlang zeer gewilde lektuur geweest. Ik herinner mij een verhaal, getiteld: Doodgemarteld door C.E. van Koetsveld; de geschiedenis van een afgetobde man, oud-leraar, die in zijn laatste ziekte wordt bijgestaan door een jonge dokter, aan wie hij zegt, dat die in zijn patiëntenboek achter zijn naam als doodsoorzaak gerust kan schrijven: doodgemarteld; want zó erg was hij op school door de leerlingen geplaagd. Dan wordt opeens bij de dokter de herinnering aan zijn eigen schooltijd wakker: deze patiënt was zijn leermeester geweest en snikkend zegt hij: Ik, ik heb u doodgemarteld. Dit verhaal heeft mij diep geroerd en, niettegenstaande zijn berouw, heb ik aan C.E. van Koetsveld niet kunnen vergeven, dat hij als schooljongen die arme man zo gemeen behandeld had! Is nu echter voor mij dit verhaal een les voor het leven geweest? - Wanneer ik aan mijn burgerschooljaren denk, moet ik bekennen: helaas, neen!

Een ander verhaaltje, niet uit de Kinderkrant, maar echt gebeurd, is dat waarmee een der broers aankwam: een met naam genoemde schoenmaker in de Pijlsteeg had aan zijn zoontje gevraagd, wat deze zou willen worden, waarop zoontje had geantwoord: Blauwe weesjongen; de vader was erg in zijn wiek geschoten. 

Het middageten

  - niet ’s middags, maar om vijf uur! - bestond als er geen gasten waren uit vlees, groente en aardappelen en een toespijs. De toespijs was meestal rijst; de grote mensen met boter en suiker, de kinderen met melk en suiker. Het Zondagse menu begon met soep. Op bijzondere dagen kregen wij bessensap op de rijst; dit noemden wij rijst met buitengewoon. ’s Avonds was er voor de kinders melk, Donderdagsavonds karnemelkse pap, supenbrij volgens juf. 

Vaders studeerkamer,

  boven, beantwoordde niet aan de eisen, die broer Bert aan een studeervertrek stelde, want alle kinderen hadden er, mits zij zich rustig gedroegen, toegang. De ene muur van deze kamer was één reusachtige boekenkast met groene gordijnen Op de onderste planken lagen ook boeken, die voor kinderen van belang waren. Het meest geliefd was et Kaapse boek: Kolbe’s beschrijving van de Hottentotten, een boek dat ook dienst deed om op een stoel te worden gelegd, wanneer een kleintje niet hoog genoeg boven de tafel kon uitkijken. Er was ook een hele stapel Illustrierte Zeitungen, die vader ieder jaar van zijn leesgezelschap ontving en dan liet innaaien. Onze kinderbelangstelling gold vooral de jaargangen 1870 en 1871 met de grote platen van de Frans-Duitse oorlog. Dit waren destijds geen foto’s, maar tekeningen van oorlogskorrespondenten: geweldige kavallerie-charges en gevechten van man tegen man. Aan die oorlog hadden wij een werkzaam aandeel gehad, door de vrouwen te helpen bij het maken van pluksel voor de Nederlandse ambulances.

Deze kamer was geheimzinniger; sprak meer tot je verbeelding dan de twee zonnige tuinkamers, waarin wij beneden huisden. De uitkijk was op de stille helft van de Put en het Oranje-poortje van de Grote Kerk met de twee gedraaide pilaren. In de kamer stonden een schrijfbureau en drie tafels, waarvan er een eigenlijk een kast was voor vaders verzameling Rotterdamse platen, die wij toevallig te zien kregen, wanneer vader ermee aan het werk was. Deze zeer waardevolle verzameling is na zijn dood aan het gemeentearchief van Rotterdam geschonken. Tegenover de boekenmuur stond een grote kachel, waarin turf en steenkool werd gestookt. Als deze laatste brandstof in de kachelbak er wat te droog uitzag, goot vader en een karaf water op leeg. Op de schoorsteenmantel lagen twee reusachtige, rosekleurige gladde schelpen, waarin men de zee kon horen ruisen. Aan weerskanten van de schoorsteen hing de muur vol met portretten van vaders leermeesters en van vrienden uit zijn studententijd, achter glas met een geplakt zwart randje, lithografieën, zoals men die destijds aan elkaar schonk.

Het belangrijkste van al die portretten was dat van een pikzwarte neger, met een kroeskop en een heel vriendelijk gezicht en keurig gekleed. In de rechter onderhoek stond, met verbleekte inkt: Aan mijnen vriend, C.P. Burger, Delft den 9den Mei 1850 en onder het portret, ook met schrijfletter, maar gedrukt: Die Freundschaft ist unabhängig von Alter, Stand, Entfernung, Volk, Religion und Verhältnissen; sie verbindet den kalten Norden mit dem glühenden Süden; ohne sie wäre diese Erde eine Wüstenei. Dresden, 27 September 1849. Aquasie Boachi.

In 1837, onder de regering van Willem I, was een gezantschap gezonden naar de koning van Ashanti, een van de machtigste negervorsten op onze toenmalige bezittingen aan de Afrikaanse Goudkust. Als waarborg voor de nakoming van de toen gesloten overeenkomst werden, als gijzelaars, twee prinsen meegenomen onder belofte, dat zij, als pupillen van onze koning, een Europeese opvoeding zouden ontvangen. Een van deze beiden was Boachi, de oudste zoon van de negerkoning. In Delft, waar zij op een kostschool zijn geplaatst, hadden zij, van 1837 tot 1843, een goede tijd. Zij werden bij Delftse families ontvangen en ook herhaaldelijk als gasten aan het paleis in Den Haag genodigd. De neef is als militair naar Afrika teruggegaan en heeft, na een droevig leven, de hand aan zichzelf geslagen.

Boachi, die veel begaafder was, werd student in mijnbouwkunde aan de voor kort gestichte Kon. Akademie te Delft, waar hij zeer gezien was en veel goede vrienden maakte. Hij voleindigde zijn studie aan de mijn-akademie te Freiberg in Saksen en ging in 1850 naar Indië. Hier heeft hij als ambtenaar drie allerongelukkigste jaren doorleefd. Zijn aanstelling luidde: als buitengewoon aspirant-ingenieur. Het buitengewoon zou betekenen, dat hij recht zou hebben op bijzondere gunsten met betrekking tot standplaats, werkkring en traktement; maar in Indië bleek dat woord door onwelwillende meerderen zo te worden opgevat, dat hij nooit chef van het mijnwezen zou kunnen worden en dat hij, met jongeren dienende, steeds hun mindere zou zijn. De grievende bejegening, in deze drie ambtenaarsjaren ondervonden, is hem zijn hele leven een bittere herinnering geweest. In 1856, voor beklag naar Europa gegaan, heeft hij bij koning Willem III een welwillend oor gevonden; zodat hij met een pensioen van f 500,-, later f 600,- per maand uit ’s lands dienst is ontslagen.

Zijn latere leven heeft hij in Indië met landontginning op kleine schaal, teruggetrokken doorgebracht. Niet zonder moeilijkheden; hij was een slecht financier en veel te goedgeefs en daardoor vaak in geldzorgen. Linse deelt mee, dat het Boachi aan waardering niet heeft ontbroken en dat Europeanen, met wie hij in aanraking kwam, zich door zijn voorname, sobere levenshouding aangetrokken voelden. Maar dit is toch niet algemeen het geval geweest. Uit mijn vaders papieren bezit ik een brief van Boachi van 27 Juli 1893, uit Soekasarie aan: Mijn goede, oude, trouwe vriend Burger, waarin hij met droefheid gewaagt van: wat ik als kleurling temidden eener Europeesche maatschappij, doch in een land van kleurlingen, dat door het blanke ras wordt overheerscht, van den rassenhaat heb moeten lijden en nog lijd, in een tijdperk van 43 jaren.

In 1893 werd hij tot erelid der Vereeniging van Delftsche ingenieurs benoemd. Inlanders, die hem kenden, groeten hem onderdanig, met eerbewijzing; terwijl ook de Indische regering hem meer en meer de eer van zijn koninklijke afkomst heeft gegeven en hem in haar onderscheidingen met Indische vorsten heeft gelijk gesteld. Bij buitengewone gelegenheden kon men hem op de recepties van de gouverneur-generaal ontmoeten. Zijn begrafenis in 1904 heeft met buitengewone eer en belangstelling, ook van de zijde van het gezag, plaats gehad.

De tuinkamer was, door vorm en aankleding, een allergezelligst woonvertrek. ’s Zomers stonden de brede glasdeuren naar de tuin wijd open. ’s Avonds zat ieder met zijn eigen werk om de grote ronde tafel: vader in een hooggerugde leunstoel met een sigaar (van 2½ cent) en met krant of boek; moeder aan het theeblad met een handwerk en de kinderen, dwars door al de gesprekken heen, lustig aan hun schooltaak. De ouderen, met meer ernstig werk belast, ontweken soms het rumoer naar vaders kamer. Sommigen, die met hun werk klaar waren, deden spelletjes, b.v. triktrak met het bakbeest, een geweldig zwaar, openklapbaar, eikenhouten familiestuk. Vader besloot zijn avond met een patience-kaartspel: dalbia, dat een vrij groot tafeloppervlak in beslag nam. Kwam er wel eens avondbezoek, dan veranderde dit niets aan de toestand; ieder bleef aan zijn werk. Eens, toen ik ’s avonds, thuis kwam, zat er een vreemde heer in vaders stoel, wat mij, als majesteitschennis, tegen de borst stuitte.

Tegenover ons op de Put was het bankierskantoor van Mispelblom Beyer. Het echtpaar kwam Zondagavonds nogal eens bij mijn ouders een kaartje leggen. Dit was toentertijd geen whist of bridge, maar hombre of quadrille. Het viertal zat dan aan een speeltafeltje en dronk een glas rode wijn (groenlak van Menalda). Wij, kroost, bleven om de ronde tafel. 

Kindervisites

  waren bij ons aan huis altijd een groot succes. Op een visite bij een van mijn vriendjes waren eens, op een Zondagavond, in een betrekkelijk kleine kamer veel te veel jongens saamgepakt, zonder dat voor behoorlijke speelgelegenheid was gezorgd. Het gevolg was verveling en opstandigheid, die zich - origineel genoeg - hierin uitte, dat een strooptocht naar de keuken werd op touw gezet. Iedere jongen had iets in de hand: een speeltuig, een kledingstuk, maar ook de vloermatjes uit de gang en al deze zaken werden, door de snel geopende keukendeur, als een wervelwind naar binnen gesmeten. Op het gerinkel van gebroken glaswerk - vermoedelijk van de voor ons bestemde malvezij - ondernamen wij een snelle vlucht, waarna de gastheer in felle verbolgenheid ons kwam melden, dat op onze aanwezigheid niet langer prijs werd gesteld.

Iets dergelijks is op de Put nooit voorgekomen. Of moeder (onzichtbaar) over onze feesten waakte? - ik weet het niet; maar de stemming is altijd uitmuntend geweest. Als wij in de tuin speelden was natuurlijk geen hulp van hogerhand nodig. Binnenskamers waren de meest gebruikelijke spelletjes om de tafel: harlekijn en ganzenbord. Betaalmiddelen waren peperneuten en kleine ronde kaakjes. Al dat spul werd in warme kinderhanden lang vastgehouden en ten slotte met smaak verorberd. Wij bouwden ook wel van de stoelen spoortreinen en andere zaken; bij dit soort spel werd veel geschreeuwd. De traktatie bestond uit taartjes, limonade en chocolade, gemaakt, niet van poeder, maar van bittere cacaokoekjes die, in warm water met veel suiker opgelost, een zeer gewaardeerde drank vormden.

Soms gingen jongensvisities naar de Kleine Bontekoe aan de Stienser straatweg. De troep kwam bijeen bij de feestgever en trok dan in rijtjes van drie of vier zeer ordelijk naar de plaats van ontspanning, begeleid door een paar dienstmeisjes, die trommels met koekjes en broodjes torsten. Buiten was het dan aan de gymnastiektoestellen en met brandjesmaken zeer vertierlijk; terwijl de gastvrouw, onder de veranda, met een paar gezellinnen en de dienstmeisjes, zat thee te drinken. Tegen donker ging het weer stadwaarts en werden de koepeltjes door een oudere generatie bevolkt.

Enkele malen, in de zomer, ging het met een grote tentwagen, waarin ook veel mondvoorraad, naar Hardegarijp, waar kastelein De Jong, de grootvader van de tegenwoordige beroemde wildhandel in de St. Jacobstraat, een herberg had met doorreed en met grote tuin. De voornaamste aantrekkelijkheid hier was een aap, Kees, die met een lange ketting beweeglijk aan een klimmast was verbonden. In latere jaren heeft men Kees nog lang kunnen zien staan, in opgezette vorm, in de gang van de herberg. Boven Kees hing toen een schilderijtje met drie figuren: 1. grenadier, 2. dominee en 3. boer, met het onderschrift: 1. ik vecht voor het land, 2. ik bid voor het land en 3. ik ben de kip, die de gouden eieren legt. Op zo’n rijtoer hoopte elke jongen, dat hij naast de koetsier op de bok zou mogen zitten.

Grote kinderpartijen - en nu voor jongens en meisjes - werden een keer of drie per winter door partikulieren gegeven bij Van der Wielen. Er werd gedanst onder leiding van meester De Jong; er was dus muziek en tot slot een souper, waarop wij ons zeer netjes gedroegen. Eens heeft, tot mijn hevige bewondering, de oudere broer van een mijner vriendjes het gedurfd, aan tafel op te staan en een (ongetwijfeld door zijn vader gedicht) vers voor te dragen, eindigend met de woorden: Dus feestgenoten, volgt mij na: Heil der familie Eysinga.

De fijnste traktaties op deze feesten waren chocolade, orsade, die naar amandelpers smaakte, en ijs. De chocolade was hier nóg lekkerder dan thuis, omdat hij werd gedronken uit grote koppen met dikke ronde rand. IJs was in die tijd iets héél buitengewoons. IJsporties van enkele centen, ja het hele ijsco-wezen, moesten nog worden uitgevonden.

Wij hadden dansles van de heer H. de Jong, oud-kapelmeester van de stafmuziek, later van het schutterij-orkest. Hij had een sigarenwinkel aan de Vleesmarkt, waarboven de danslessen werden gegeven. Het kon er op deze lessen wel eens rumoerig toegaan en er zijn wel eens ordeverstoorders weggestuurd, die toen beneden door mevrouw De Jong op taartjes zijn onthaald! Voor het raam van de winkel stond een gouden leeuwtje met het onderschrift De Jonge Leeuw, een woordspeling op de namen van het echtpaar De Jong-Leeuwin. Eens heeft De Jong bij Van der Wielen aan al zijn leerlingen een kinderbal gegeven, waartoe ook de ouders waren uitgenodigd. Boven de orkest-verhoging was een lange strook aangebracht met het opschrift: Hulde aan de lieve jeugd; waarop deze jeugd de variatie dichtte: Hulde aan de lieve jeugd, een hulde, die deze vlotte, prettige man wel verdiende. De onpaedagogische vriendelijkheid van mevrouw De Jong en het kinderbal van haar man hebben misschien wel in oorzakelijk verband gestaan met de mededinging van de Groninger dansmeester Bekker, welke een tijdje lang nogal gevaarlijk leek. Deze Bekker was de broer van de orkestdirecteur der Groninger harmonie. Wij onderscheidden hen als Bekker-hopsasa en Bekker-tralala. De hopsasa was beroemd wegens de sierlijke révérences die hij leerde. Hij heeft een tijdje bij ons op de Put aan een klein troepje en ook, bij Van der Wielen, aan een grotere schaar les gegeven; maar De Jong heeft de kamp gewonnen.

De christelijke feestdagen waren voor ons van groot belang om de daaraan verbonden vakanties; ook om de mildheid, waarmee de bakkers bij die gelegenheden hun klanten met bijzonder krentenbrood bedachten. Een werkelijk feest was alleen Pasen. Dit begon reeds op de dag vóór Palmzondag. Moeder zat dan, vóór en na het eten met het kleine volkje in de kelderkamer om de volgeladen tafel en hielp ons bij het vervaardigen van onze palmpasen: houten kruisen, die met gekleurd papier en met allerlei lekkers, met name mandarijntjes, vijgen en kleine broodjes, werden opgetuigd. Op Pasen zelf gingen wij ’s ochtends in de tuin de gekleurde Paaseieren zoeken, die hier en daar waren verstopt. Wij tikten mekaars ei, waarbij een van de twee werd ingedeukt. De Paaseieren waren heel hard gekookt; de dooiers zaken enigszins blauw. Wij geloofden vast, dat zij precies een kwartier moesten koken. Kookten zij langer, dan werden zij weer zacht.

Ook in gewone tijden bemoeide moeder zich veel met onze spelletjes. Ik herinner mij het maken van papieren soldaatjes, die op tafel konden staan. Er waren hele vellen papier, vol met rijen gekleurde soldaatjes, Duitse en Franse. De vellen werden op dun karton geplakt en elk soldaatje uitgeknipt, met een strookje aan het voeteneind. Wanneer dit werd omgevouwen, kon de soldaat staan. Zo maakten wij hele legers, waarmee per slot niets anders werd gedaan dan telkens weer verzetten. De paedagogen uit later tijd hebben dit soort kinderspel scherp afgekeurd, daar het militairistische neigingen zou aankweken. Bij mijn broers en bij mijzelf heb ik daarvan nooit iets bespeurd, al ben ik ook gefotografeerd met een papier sjako op het hoofd en een houten sabeltje in de hand.

Van alle geneugten uit mijn jeugd was het jaarlijkse bezoek van Sinterklaas het allerheerlijkste. Hij was werkelijk een heilige, met zijn rode mantel, zijn mijter en bisschopsstaf; met zijn witte baard en vriendelijke stem. Hij kwam met zijn zwarte knecht per stoomboot uit een andere wereld, welke Spanje heette, naar Leeuwarden, om de braafheid der kinderen te belonen en hun ondeugd te bestraffen. Hij reed op een wit paard over de daken der huizen en keek door de schoorstenen in de kamers en in de kinderharten. Hij was alwetend; al onze zonden, onze hebbelijkheden waren hem bekend; maar toch was zijn bezoek, ook voor de allerschuldigsten, een feest en niemand, die die avond niet naar bed ging, vol van zoetigheid, van zaligheid en dank.
Ik denk niet, dat thans nog zó oprecht in Sint Nikolaas kan worden geloofd als wij dat deden. Daarvoor is het aantal Sinterklazen te groot geworden. In Amsterdam kan het op een wandeling door het Centrum in de eerste Decemberweek gebeuren, dat men meer dan één Sint te zien krijgt, die niet helemaal op mekaar lijken. Een paar jaar geleden vermeldde de krant, dat op de Weteringschans twee Sinterklazen handgemeen waren geraakt en over het trottoir gerold. Ook zou er een bond of vakvereniging van Sinterklazen zijn opgericht.

Bij ons, kinderen, ontstond op een gegeven dag twijfel aan de echtheid van de Sint; òf door lasterpraat op school òf doordat de heilige of diens knecht wat al te veel deden denken aan een huisgenoot, die die middag aan tafel was beklaagd, omdat hij er ’s avonds niet bij zou kunnen wezen! Wanneer één uit de rij het geloof aan Sint had verloren, deed hij zijn uiterste best om bij de kleineren dat geloof te versterken. Zijn eigen ongeloof verhief hem tot een groter mens dan die anderen, die nog zo onnozel waren.

Maar ook voor de ouderen is 5 December iets heel bijzonders gebleven; evenals Oudejaar, een avond van intensief familieleven. Van de Kerstmisviering, die haar eigen bekoring heeft, wint voor mij de Sinterklaasavond het in geest en humor. Naar het voorbeeld van Sint zelf worden al de feilen en zwakheden der familieleden aan de kaak gesteld in een komisch licht, maar in een geest van vriendschap en vertrouwen. Het mooiste was, dat met uitzondering van vader, die zich dat alles in de beste stemming liet aanleunen, allen, maar elk apart, meededen aan de voorbereiding. Iedereen zond pakjes aan al de anderen. Het hardst werkte moeder, die meer dan een week tevoren al beslag had gelegd op de kamer naast de studeerkamer. Hier was dan de toegang verboden; maar als de deur ervan op een kier was gelaten, zagen wij stapels taai- en speculaaspoppen (klaasmannetjes) en andere reusachtige voorraden, die op inpakking en camouflage wachtten.

Op oudejaarsavond was, ter wille van het uitzitten de klok twee uur vooruitgezet - overdreven zomertijd! Het belangrijkste van zulk een viering was, dat het naar een vast programma verliep. Hiertoe behoorden, rondom de grote tafel in de tuinkamer, twee kaartspelen: kleuren en zwarte Piet. Er werd met fiches gespeeld en prijzen (van 25 en 10 cent) waren uitgestald. Bij de zomertijd-twaalf werd alleen maar gezoend; bij de echte (eveneens van de tuinkamerpendule) werd geklonken en daarna een tuindeur geopend om naar de torenklok en naar het schieten te luisteren. Onmiddellijk daarna was er spanning in de kamer: zouden de dienstmeisjes nieuwjaar komen wensen? Als zij niet kwamen betekende dit, dat zij tegen 12 Mei de dienst opzegden. Kwamen zij wel, dan was er hartelijk handen-geschud. Op dezelfde wijze was het al of niet prettige-kermis-wensen op de tweede Woensdag van Juli het teken van blijven of weggaan van de dienstbode op 12 November.

Van de zeer talrijke familieleden, die op de Put hebben gelogeerd, was geen voor mij zo belangrijk als oom Herman Haasloop Werner. Hij was de enige broer van mijn moeder en had van zijn vader de zucht naar avontuur geërfd. Hij was kapitein bij de grote zeilvaart geweest en had op alle oceanen gezworven. van zijn ervaringen wist hij alleronderhoudendst te vertellen. Niet in groot gezelschap, maar toen hij in mijn latere burgerschooltijd lang op de Put heeft gelogeerd, was ik, meestal in de tuin, zijn gretige toehoorder. Toen oom wegens een slepend borstlijden de zee vaarwel moest zeggen, was hij in het Brabantse dorp Drimmelen gaan wonen. Een eenzaam bestaan; een dagelijks buurpraatje met de in hetzelfde huis eveneens en pension wonende ongetrouwde burgemeester. Wanneer deze logés had, kwamen ook zij geregeld bij oom op de bank voor zijn kamer zitten praten. Het merkwaardigste bezoek was dat van een adellijk heerschap uit Zuid-Limburg, die in Maastricht een wetenschappelijke lezing had bijgewoond van iemand uit Holland. Deze spreker had zijn gehoor aan het verstand willen brengen, dat de aarde rond draait! Wij lieten hem maar kletsen, zei de gast; wat draait, daar donder je toch af.

Al zeevarende was oom een groot heelmeester geworden. Op de zeilschepen had toenmaals de kapitein de sleutel van het medicijnkastje. Was er iemand ziek, dan kneep hij de ogen dicht, stak zijn hand in het kastje en nam er - God zegen de greep! - de fles uit, die de genezing moest brengen. Oom niet aldus; hij las de opschriften, lette op de uitwerking, bestudeerde populaire werkjes en kreeg een grote naam als dokter. Er waren matrozen, die om deze zijn kunst, alleen met hem wilden varen.

In Drimmelen had hij spoedig het vertrouwen der mensen gewonnen; hij wist overal raad voor. Landbouwzaken, huiselijke herstellingen, kokerij, vreemde talen, de wet, het menselijk lichaam, van alles was hij op hoogte. Vooral de meisjes kwamen voor allerlei bezwaren om raad. Men stuurde niet om de dokter, voordat men hem had gevraagd of het wel nodig was en als een geneesmiddel was voorgeschreven, kwam men hem vragen, of men het wel zou innemen. Al meer en meer ging hij ook zelf praktiseren; hij kreeg een heel apotheekje in huis.

Toen er in het naburige Made een nieuwe dokter kwam, vond deze in den beginne die kwakzalverende zeekapitein een onplezierige mededingen; maar al gauw zijn zij dikke vrienden en is hij een goede hulp voor de dokter geworden. Oom kon nog smakelijk lachen om het verhaal van de eerste aankomst van deze arts op zijn nieuwe standplaats, Made. Toen deze er ’s avonds, na een vermoeiende reis aankwam, werd hij geroepen bij een arbeidsman, die al enige dagen met longontsteking en hoge koorts te bed lag en reeds bediend was. De pastoor, die de mensen tegen de nieuwe dokter bij voorbaat had gewaarschuwd, stuurde de volgende ochtend iemand om te vragen hoe laat de man gestorven was. De knecht kwam terug met de boodschap, dat de dokter er was geweest en dat de zieke met een pijp in de mond voor de kachel zat. De patiënt had die nacht de zgn. crisis doorgemaakt. Maar de pastoor riep, in de grootste verbazing: dan kan die dokter wel toveren! Dit ging als een lopend vuur door het dorp en de pastoor zou geen kwaad meer van hem hebben kunnen zeggen.

Ook bij ons op de Put heeft oom Herman zich een duizendkunstenaar getoond. Ik schreef in een zakboekje alles op, wat in huis en tuin door hem was hersteld, een steeds aangroeiende lijst. Hij bracht de lang vergeten draaibank weer in ere en maakte aardige dingen voor de meisjes. Ondanks zijn slepende hoest rookte hij de hele dag. Hij zat vaak vóór de koepel met een lange pijp, een blauw papieren zak met tabak naast hem op tafel. Altijd was hij opgewekt en vol humor. Als hij uit vaders sigarenbeker een sigaar nam, zei hij plechtig: Wiens brood ik eet, diens sigaar ik rook. En dan, - hij had een buks en gebruikte die tegen de moordenaars onzer duiven. Voor katten hadden wij, schandelijk genoeg, geen gevoel.

Eens kwam oom Herman uit de tuin in de kamer en zei, kwansuis-onthutst: Daar heb ik bijna Methusalem doodgeschoten. Inderdaad slofte door de tuin, op pantoffels, in een kleurrijke sjamberloek en met een kalotje op het hoofd, een oeroude, gebogen man met witte baard, de ene hand steunende op een wandelstok, in de andere een lange Duitse tabakspijp. Dat was Levy Meijer, een Put-bewoner (twee huizen van ons af), aan wie vader had toegestaan in onze tuin te wandelen. Hij waardeerde dit als een groot voorrecht, waarvan hij een bescheiden gebruik maakte. De Put ligt aan de rand van het ghetto en vader was bij de joodse buurtgenoten een geëerde persoon; ook om zijn vriendelijke woorden tegen de kinderen op straat. Eens zei hij tegen een kleuter, die hem een handje wou geven: Zeg maar: dag ome!, waarop de moeder, een jodin met een zilveren oorijzer, denkende aan het instituut erf-oom, uit de grond van haar hart zei: Was dat maar waar! Alleen in Friesland, meent Johan Winkler, in geen enkel ander land, hebben de Israëlitische vrouwen de volkseigen klederdracht aangenomen. Joodse vrouwen met Friese oorijzers (zoals ik in mijn jeugd dagelijks zag) wekten de verwondering op van Duitse of Engelse joodse bezoekers. 

Renkum.

  - In de zomer ging de hele familie ergens in Gelderland in pension. Ik herinner mij, dat wij op een ochtend voor dag en dauw met een grote tentwagen, gevolgd door een kofferwagen, naar Heerenveen zijn gereden, om daar de eerste trein naar Arnhem te pakken. Dit moet in 1868 zijn geweest; in Januari van dat jaar was de spoorwegverbinding Heerenveen - Arnhem in gebruik genomen, in September die van Leeuwarden met Heerenveen. In Arnhem stonden tot mijn verwondering alweer de tentwagen en de kofferwagen op ons te wachten(!). Wij reden toen naar Renkum; ik zat op de bok en verbaasde mij over de hoge bergen, waar wij op- en afreden. Vader had voor de duur der zomervacantie de meisjeskostschool gehuurd en wij hadden in een der klasselokalen elk een eigen schoollessenaar voor de berging van onze eigendommen.

Daar waar de dorpsstraat zich ombuigt naar de Wageningse berg stond aan de weg een reusachtige kastanjeboom met een bank en niet ver vandaar een vriendelijk landhuisje, Simple Villa. Hier woonde mijn grootmoeder Haasloop Werner met haar twee ongetrouwde dochters: de tantes Line en Jeanne. Wij kwamen er elke dag en als wij de zomervacantie ergens anders doorbrachten, werd toch altijd ook grootmoeder in Renkum bezocht. Zij was een vriendelijke oude dame met een zwart-tulen plooimuts en een wijde zwartzijden rok, altijd in haar leunstoel, met een handwerkje. Ook tante Line ken ik alleen in zittende houding. Met de handen aan de wielen bewoog zij handig haar rolstoel door de kamer. Zij was verstijfd van de rheumatiek, maar kon nog heel wat doen met haar stijve vingers. Zij heeft mij het maken van portefeuilles geleerd: twee bladen karton, beplakt met gekleurd papier en voorzien van groene linten voor de sluiting. 

Tante Jeanne

  heeft de twee anderen lang overleefd. Tot haar dood is Simple Villa een bedevaartplaats voor de familie, ook weer voor onze kinderen, gebleven. Toen wij er in oude tijd eens te eten waren - verscheidene kinderen - kwam er tot slot een héél klein puddinkje op tafel, zodat wij elkaar met schuine ogen aankeken. Eerst toen dit schouwspel tante Jeanne voldoende had vermaakt, verscheen de grote familiepudding.

Renkum was in onze verbeelding het aardse paradijs, met zaligheden zonder eind: de brede rivier, de bossen, Doorwerth, Kwadenoord, de Oorsprong de papierfabriek, de beekjes met twee echte watervallen, de randwandeling op de Wageningse berg en ..... Nol in ’t Bosch met zijn onmetelijk speelterrein!


HOOFDSTUK II

Kleuterschool en Lagere School

Het Leeuwards.

  - Toen in 1867 mijn familie in Leeuwarden kwam wonen, werden wij zessen, broers, over verschillende scholen verdeeld. Ik, de nog geen driejarige, werd geplaatst op de beroemde Nutsbewaarschool van juffrouw Hutchinson (Hutsemuts) aan de Tuinen, waar nog altijd een, thans gemeentelijke bewaarschool is gevestigd. Men kwam in de school door een steeg. Er was een brede gang, waar de mutsen en jasjes hingen. Er was een pijpelavormige bestekamer met een rijtje zitplaatsen, waar Kee, de broekopbienster het bevel voerde.

Wat mij nooit is onderwezen, maar wat ik bij Hutsemuts heb geleerd was de Leeuwarder taal. Deze kennis ontstond door onbewust nabootsen. Het Hollands van de enkeling had geen invloed op de taal der schoolbevolking; omgekeerd daarentegen ging haar taal in korte tijd op het nieuwe kind over. Bij dit kind trad de nieuw verworven taal niet in de plaats van de huistaal; zij plaatste zich naast deze als gelijkwaardige. Het kind was tweetalig geworden; tot de huisgenoten sprak het Hollands, tot de vriendjes Leeuwards: huistaal en vriendentaal.

Het Leeuwards is een gemoedelijke, vriendelijke taal. Ook door de vele verkleinwoorden op tsje en ke: ’n bitsje, tuuntsje, huuske, kopke, wiefke, en de talrijke tussenwerpsels: hee, och heden, kiek, ei nou, kan ‘k je sègge. De gemoedelijkheid sluit uitbundigheid uit. De Friezen zijn in hun betuigingen van dank of hulde doodsbank voor overdrijving. Mijn vader, die zo velen van dienst is geweest, heeft er aan moeten wennen, dat, na een door hem bewerkt ongedacht succes van een oud-leerling, de vaders geen hoger lof konden vinden dan: ’t skeelt so feul niet.

Al is de woordenschat voor een groot deel Nederlands, toch zit de stadstaal vol met Friese uitdrukkingen. Onze Leeuwardse juf zegde, vol eerbied voor de lange waslijsten: Wat het so’n bleeker ’n ĝehassenskrap! Toen er ’s ochtends aan het ontbijt eens niet genoeg melk was, zei ze, tot haar verontschuldiging: ’k wist niet, dat ’t suupkalf soa feul supe sude. Het suupkalf was het jongste zoontje, dat ’s avonds de melkkan had leeggedronken. De kélderkamer noemde zij de kelderskámer. Dit is een Leeuwardse klemtoon. Een schoorsteenmantel heet skustienmántel. De Leeuwarder zegt: Prinsetúún, Eewál, Wuddemerdiék. Ik was bevriend met een zoon van de heer J. van Loon, die als gedeputeerde de Friese waterstaat beheerde. Kwam ik hem in zijn huis tegen - hij op pantoffels, met een kalotje en een lange pijp - dan was de vaste schertsende begroeting: dag meneer van Loon, hoe ĝaat ’t met de seediéken en met mefrouw?

Wanneer op warme zomerdagen in de school van Roker de grote ramen naar binnen waren opengevallen, konden wij in onze tuin van het onderwijs profiteren. Eens deed de meester zijn best om de kinderen goed Hollands te leren spreken. Hiervan is mij deze zin bijgebleven (denk om de Friese ĝ): een klein ĝlas is ĝien ĝlaske, maar ’n ĝlaaasje. En bij een andere gelegenheid, uit een geschiedkundig verhaal, deze aandoenlijke zin: en doe sei die ĝroate Koaning Loadewiek: O, ĝodd, o ĝodd, mien seun is doad. 

Leeuwarder humor -

  Bestaat er een specifiek Leeuwardse humor? Een mijner Leidse akademievrienden - men noemde hem Caput - was er vast van overtuigd. Hij was Dordtenaar en verloofd met een Leeuwardse schone. Hij vond zijn in Leeuwarden gedane ontdekking telkens weer bevestigd in het gezelschap van een paar oude, uit Leeuwarden afkomstige studiegenoten, met wie hij ’s zomers na den eten een kopje koffie placht te drinken, achter in de tuin van Zomerzorg. Men had daar een uitzicht over een grasland en, schuin naar links, een kijkje op het spoorwegstation. Van de mij door hem meegedeelde staaltjes van Leeuwardse humor heb ik er een paar onthouden: De trein uit Haarlem komt luid hijgend binnen, eerst in snel tempo: hh, hh, hh, dan langzamer: hhh, hhh, hhh, hhh, om ten slotte met een diepe zucht stil te staan. Hè, zegt een der oud-Leeuwarders, ik bin blied for him dattie d’r is. Een ander zegt: Hewwe jimme sien wat ’n mooie bloemen prefesser Ten Brink foor sien glazen het? - Ja, zegt de ander, ik hè sien, maar dat binne sien mooiste bloemen niet, want dat binne sien dochters. Caput was, met vakantie, in Dordrecht op een familiedineetje. Hier gebeurde het, dat een kat de kamer binnen kwam lopen en, voor de ogen der gasten, iets onbehoorlijks deed op het gebloemde vloerkleed. De te hulp snellende bediende zei, vergoelijkend glimlachend: de bloemen moesten een beetje water hebben. - Leeuwarder humor! denkt Caput en na tafel vraagt hij de bediende, waar deze thuis hoort. - In Leeuwarden, meneer.

Ik ben niet - en ook Caput was dat niet - in staat de kentekenen van de specifiek-Leeuwarder humor anders te omschrijven dan als gemoedelijk. Zeker hoort menige, helaas verloren gegane opmerking van onze Leeuwarder juf in deze groep thuis. Ik herinner mij alleen, dat toen een der onzen, na zijn verloving, met vakantie in Leeuwarden terug kwam en, met trots het portret van zijn aanstaande vertoonde, juf haar gelukwens aldus uitte: nou jonkje, jou kanne blied weze; jou hoeve teminsen niet oppe bonken te tuten. Ook de titel broekopbienster in de school van Hutsemuts en Brolsma’s term duumdrukkerspapierke voor het persoonsbewijs mogen tot deze rubriek worden gerekend.

Leeuwarder humor wordt niet ten beste gegeven om iets geestigs te zeggen. Hij ligt vanzelf in de gemoedelijke verteltrant opgesloten. Zo laat Eeltje Halbertsma (1836) de vader van het St. Anthonygasthuis de lekker verwarmde treemter binnentreden met de woorden: ’t Fries dat ’t ongelt; it sit hier ál so warm as in ’n Poolse sleed. Johan Winkler beschrijft (1900) een geschil tussen het gemeentebestuur van Leeuwarden en dat van andere steden aldus: Dat gaf fan sels ’n hopen roezje onder ‘e lui en ’n hopen geskrief en gewrief onder ‘e heeren. Want sien, ieder bleef fansels stief op sien stuk staan; dat is ’t oude Friese gebruuk soa en daar mut m’ien dan oek an houde; is ’t nou waar of niet.

Ook de reeds genoemde Friese term: ’t skeelt soa feul niet, als men bedoelt; ’t is prachtig, heeft een humoristische tint. In plaats van wat heerlijk weer! zegt de Fries: ’t kon wel minder.

In het oudste Stadfriese geschrift, Jeltema’s Vermaak der Slagterij (1768), krijgt de hoofdpersoon van zijn zwager het aanbod, hem op een goedkope manier aan vlees te helpen. Hij antwoord niet: Hartelijk dank! maar: ’k Mut bekenne, dat jouw priszentatie frij skiklik is, en als een buurman hem voorstelt tezamen een koe te slachten, zegt hij: Buurman, dat kan mij niet skeele, bedoelende: daar ben ik geweldig blij mee. En Rikus, de hoofdpersoon in Brolsma’s Gesprekken op de brug, wordt, bij zijn derde lustrum als brugbezoeker, aldus gelukgewenst: Nou, ik wil jou niet in jouw gezicht prize, mar der binne wel beroerder. 

De school van De Ruyter.

  - In September 1870 ben ik op de lagere school gekomen. Ik was vijf jaar; in November zou ik zes worden. Als de Benjamin van de school werd ik bij mijn binnenkomen, onder geleide van broer Adriaan, door een aantal lachende mannen enigszins als een bezienswaardigheid verwelkomd. De school lag aan een pleintje, dat nog altijd de wijdse naam draagt van Toernooiveld, een herinnering aan stadhouder Willem Lodewijk’s ren- en piquersplaetze op het terrein van de tegenwoordige Prinsentuin.

Mijn herinneringen aan de eerste schooltijd zijn vaag, maar zonnig. Meester Moezelaar, een ouderwets mannetje, was als geknipt om met kleutervolk om te gaan. Hij kende drie gebruiken van de lineaal: lijntjes trekken, handjeplak en bilkoek. De twee laatste gebruiken waren kennelijk strafplegingen, maar van een zeer zachthandig soort. Een inktvlek op je schrift kostte dertig strafregels: wie zijn schrift bemorst is een slordige knaap. Soms riep een jongen: Meester, ik heb een klad. Zal ik dertig regels schrijven? Sommige jongens hadden de dertig regels in voorraad. Als er thuis een belangrijke verjaring in zicht was, gingen wij op een Zondagachtend naar meesters huis om daar, met zijn hulp, een dichterlijke gelukwens te schrijven op gelinieerd papier met een kleuren- en bloemenrijk hoofd. Uit de volgende klas herinner ik mij de rode baard van meester Ris. Ik bezit nog een verbleekt fotografietje van mijn klas, waarop ik meester Ris en de 22 leerlingen kan onderkennen. Uit een der hogere klassen heb ik nog lang een leerboekje bewaard waarin, naast de gedrukte tekst, door mij met potlood was geschreven: moet nog van Platneus hebben: 1 mes, 6 knikkers, 3 centen, 2 toversleutels, allemaal speeltuig, waarop onder de lessen beslag was gelegd. Het gelaat met de platte neus van deze onderwijzer, die ook wel de buffel heette, staat mij nog flauw voor ogen.

Het moeten aan de school van De Ruyter wel voortreffelijke leerkrachten zijn geweest, want ondanks zoveel tijd met spel en luieren verdaan, zijn tocht, voor zover ik heb kunnen nagaan, vrijwel alle jongens behoorlijk terecht gekomen. Slechts één ongunstig type van onderwijzer is in mijn gedachten: een jonge onbeschofte vlegel, pas van buiten gekomen, die zich in weinige dagen onmogelijk heeft gemaakt. Wat een der leerlingen van mijn klas met hem had gehad, weet ik niet meer; maar op een Zaterdagochtend liet hij uit de klas naast de onze door een van zijn leerlingen die jongen roepen. Toen deze door de tussendeur was verdwenen, hoorden wij hem even daarna erbarmelijk schreeuwen. De paedagoog was bezig hem met een stok af te ranselen. De verontwaardiging in onze klas was heftig en riep om wraak, die de kinderbeul ten volle is toegemeten. Na het uitgaan van de school heeft onze hele klas hem staan opwachten en hem op een regen van sneeuwballen onthaald. Om zijn aanvallers te ontlopen heeft hij een onjuiste taktiek toegepast. In plaats van de Doelestraat en de Kerkstraat, waar hij wel door een agent zou zijn ontzet, koos hij de Boterhoek. Een troepje van tien of twaalf jongens is hem gevolgd, langs de Oldehove, over de Vrouwepoortsbrug en langs het hele Verlaat. Talloze malen is hij geraakt of is zijn hoed afgegooid. Een paar keer is hij, omdraaiend om ons te grijpen, uitgegleden en gevallen. De straf is waarlijk geweldig geweest. Die Maandagochtend hebben wij, in tegenwoordigheid van meneer De Ruyter, tegen hem moeten zeggen: Meneer, ik vraag u wel ekskuus en daarmee was voor ons de zaak afgelopen. Maar niet voor hem: wij hebben hem in de school niet teruggezien. Aldus heeft, door dit volksgericht, het Recht gezegevierd.

Meneer De Ruyter was de enige over wie nooit anders dan met de bijvoeging van meneer werd gesproken. Wij hebben nooit les van hem gehad; hij resideerde in de vervolgklasse. Het aan de school verbonden herenhuis was zijn ambtswoning. Op Nieuwjaarsochtend brachten alle leerlingen visitekaartjes van hun ouders aan het huis van meneer De Ruijter. De brievenbus zat dan dicht, zodat moest worden aangebeld. Als wij dan aan de dienstbode ons kaartje afgaven, kregen wij - hoogst praktisch! - dadelijk een bedankkaartje van meneer mee terug. 

Buiten de school.

  - Veel levendiger dan de school en het daar gegeven onderwijs staat mij voor de geest, wat buiten de school gebeurde: op het Toernooiveld, in de Doelenstraat en in de Kerkstraat. Er werd gespeeld, gestoeid, geschreeuwd; vooral tussen de twee schooltijden. Vaak was er handgemeen. Er waren ook wel eens twee grote partijen, die elkaar met felheid bevochten. Merkwaardig genoeg wisten wij nooit waarom er gevochten werd. Ook wisten wij niet waarom wij bij de ene partij behoorden en niet bij de andere. Alles was in de hand van enkele leiders. Zo’n oorlog duurde één dag, soms ook enkele dagen en was dan op eens, alweer zonder bekende reden, afgelopen. Er bleef geen spoor van wrok; trouwens ook gedurende de strijd was er geen vijandschap. Andere scholen waren er in onze buurt niet, zodat wij onze vechtlust op eigen terrein moesten uitvieren.

In de Doelenstraat was het drukbeklante snoepwinkeltje van Oate. Naast het diske op de stoep hadden vaste klanten - zij die vrij geregeld voor 1 of 2 centen kochten - recht op een zitplaats op de regenbak. Tot Oate’s koopwaar behoorden de kattesteerten. Dit waren verharde strooprollen, gerold in een stukje krant of beschreven papier. Zeer in trek wegens hun goedkoopte (2 voor 1 cent) waren steken, een slordig soort grote ulevellen, donker en hoekig, maar duurzaam in het gebruik. Een kleine rauwe wortel kostte 1 cent. Er waren ook (verkleurende) toverballen. Als er een kleur afgezogen was en voor een nieuwe had plaats gemaakt, ging de bal in een andere mond over. Met zijn tweeën kocht men (voor 3 cent) een dun schijfje Zeeuwse chocolade. Op de holle hand gelegd, werd er met de knokkel van de andere wijsvinger op getikt. Ging het in drieën dan moest de andere man betalen. Op bepaalde tijden van het jaar kon men op straat jongensstemmen horen uitgalmen: Wie-en-wie-salle-’s neutsje-skiete.....? Of korter de roep: Wie hèt knikkes? Het neutsje-skieten was een opwindende sport. De hazelnoten lagen in een lange rij; de meest linkse heette de magosse. Van een bepaalde afstand werd achtereenvolgens door de deelnemers met een noot gegooid. Werd er één uit de rij gemikt, dan was al wat rechts daarvan lag voor de gooier; wie de magosse raakte, won de hele rij. 

Knikkeren

  deed men meestal met z’n tweeën De knikker werd op ‘e flots van de gebogen wijsvinger met het nagellid van de duim weggeknipt. Raakte men de knikker van de tegenspeler dan was die voor jou. Miste men, dan was de ander aan de beurt. Dat ging soms zo hele straten lang voort. Men kon met knikkers ook pompen. Dit was een gokspel. Van elk der beide partijen had men een gelijk aantal knikkers in de hand. Met een plof werd dat hele zaakje gemikt op een kuiltje tussen de straatstenen. Bleef van de knikkers een oneven aantal buiten het kuiltje, dan waren de knikkers van jou, anders voor je maat.

Men kon destijds ook betalen met Brabantse centen, bronzen Belgische 2 centimes-stukken met een leeuw erop en van dezelfde grootte als onze toenmalige centen. Deze droegen ook een leeuwtje in het wapen. Wie bij een spel mocht beginnen, werd beslist door het opgooien van een cent; dit heette kop of luw. Had ik luw geraden en kwam de leeuw boven te liggen, dan mocht ik beginnen.

Een praktische natuurkundeproef - beginsel van de Maagdeburger halvebollen - was, dat men een vochtig gemaakt leertje (suuglapke), in het midden waarvan een touwtje was bevestigd, op een straatkei vaststampte. Dan gelukte het soms - en dit was een vorstelijk gezicht - aan het touw de steen uit de straat te trekken. 

Hoepelen

 gebeurde op de vrije Woensdag- en Zaterdagnamiddagen. Wanneer de Leeuwarder Vélocipède Club - jongens van de burgerschool en het gymnasium - op het Zaailand haar oefeningen hield, waren wij daar ook en aapten de groteren na door het oprichten van een Hoepelclub. Daar wij hen echter bij hun figuurrijden hinderden, hebben zij ons van het Zaailand verjaard. Wij hadden ook een Reglement opgesteld, waaruit ik mij het voorschrift herinner, dat de hoepelstok 35 cm lang moest wezen, een voorschrift waarvan het nu raadselachtig was, en waaraan geen der leden zich ooit heeft gestoord.

De kattepul was een venijnig schietwerktuig. Het bestond uit een wijdbenige houten vork met aan het eind van elk der benen een rond elastiek, waarvan de einden in een klein lapje samenkwamen. Terwijl men de steel van het instrument in de linkerhand stevig vasthield werd het lapje, met een steentje als projektiel, met de rechterhand aangetrokken en losgelaten. Stadslantaarns, katten en vogeltjes moesten het ontgelden. De politie had last, op alle kattepullen beslag te leggen.

Een heel andere sport was, dat men kort vóór de namiddagschooltijd, in de Kerkstraat, aan alle voorbijgangers heel beleefd vroeg: Weet u ook of ’t al twee uur is? Velen keken dan op hun horloge. Wij maakten dan een statistiek van de ja - en de nog niet-zeggers, Erger was de gewoonte van de straatjeugd, om mensen, die er enigszins bijzonder uitzagen, te beledigen, uit te jouwen of na te schreeuwen. Dit was geen speciaal Leeuwardse ondeugd. In meer dan één reisbeschrijving door ons overigens welgezinde buitenlanders wordt geklaagd over het onhebbelijk gedrag van onze straatjongens, vaak met lijdelijk toezien der ouderen. Geen kwaad wil ik zeggen van een paar mijner makkers, die een reiziger, die hun ’s avonds op straat naar een hotel had gevraagd, in enigszins plechtige optocht naar het politiebureau op het Hofplein hebben gebracht en toen het hazenpad kozen. Een pastoor liep op elke wandeling (misschien is het nog zo?) de kans geestigheden te horen over zijn japon of zijn soepjas. Iemand met welgedaan uiterlijk werd ongevraagd, altijd weer aan zijn omvang herinnerd. Als mijn vader met zijn tweede vrouw, die een half hoofd groter was dan hij, wandelde, werd hun nageroepen: anderhalve cent!, wat hem nogal vermaakte. Droeg iemand een grote hoef of van een vreemd model, dan riepen de Leeuwardse straatjongens: meneer!! as die hoed jongen krijt, krij ik er dan ien? Of het heette: hij su eerst gien hoed had hèwwe; nou het ie maar ’n kleintsje kregen.

Als Bos met zijn bekend ezelwagentje door de stad reed, begroette hem de jeugd met de roep: twee ezels voor de wagen en ien op ‘e bok! Dit ezelspan was een unicum in Leeuwarden, evenals op zijn beurt ook de bokkenwagen van de hoedenfabrikant Zelle. Dikwijls heb ik zijn kinderen in dat wagentje zien rijden, zonder het minste voorgevoel, dat een van die kleine meisjes de befaamde Matahari zou worden, die in de eerste wereldoorlog te Parijs een zo tragisch einde heeft gevonden.

Ik weet niet of latere geslachten zich beter hebben gedragen, maar ons zat de baldadigheid in het bloed: tikker maken op de ramen! Dit werd bij voorkeur gedaan bij de avond-naai- en breischool in de Beierstraat, omdat daar op ons getik altijd werd gereageerd. En deurkeskelle! Ik herinner mij, dat wij in de Kerkstraat snel achter elkaar aan een hele rij huizen aan de bel trokken en dan op een afstand, met onnozele gezichten, bleven staan kijken naar al de opengaande huisdeuren. In de Beierstraat heeft eens een vriend van mij de hele trekker met een meter ijzerdraad uit de deurpost getrokken, een succes waarover hij zelf niet weinig beduusd was.

Eens op een Zaterdagochtend, toen wij met ons drieën na school door de Groeneweg naar huis wandenden, hadden wij de kwade inval, van een vrouw, die haar stoep aan het schrobben was, de wateremmer om te gooien. Wij waren er natuurlijk vandoor gegaan; maar die vrouw, razend, achter ons aan. Wij renden wat wij konden, over het Schoenmakersperk en het Jakobijnerkerkhof, maar zij zat ons op de hielen. Om de hoek van de Put stoven wij, door de gelukkig openstaande voordeur, ons huis binnen. Toen konden wij in de voorkamer door de glasgordijnen die vrouw zien aanstormen, even erg buiten adem als wij, en plotseling zien stilstaan, verbijsterd door onze verdwijning.

Toen bij ons thuis broer Dijs in de kelderkamer ziek lag en er een consult was van de huisdokter met chirurgijn Vos, ging ik met een paar vriendjes, die toevallig in de tuin waren, op de plaats vlak voor de kelderkamer, een spelletje doen, waarbij telkens moest worden geroepen: De vos komt, één, twee, drie.

In de Sint Anthonystraat staat de zijgevel van het Ned. Hervormd Diaconiehuis. Destijds - het huis is sedert verbouwd - was tegen een der ramen van de benedenverdieping, in het midden, tot boven toe, een schot zichtbaar, dat de ruimte daarachter in tweeën verdeelde. Toen ons dit was opgevallen zijn wij, niet zonder elkaars hulp, op de hoge vensterbank geklommen en konden toen over de onderste (gematte) ruiten heen kijken. Wat wij toen zagen was in hoge mate boeiend: Aan weerszijden tegen dat schot was een lange plank met een reeks van brilgaten. Rechts van dat schot zaten de vrouwen; links de oude mannetjes. Deze laatste afdeling bleek maar weinig in trek te zijn, maar de damesafdeling was druk bezocht. Hier zaten een heel rijtje wijfjes gezellig sociëteit te houden; totdat een van haar onze lachende gezichten gewaar werd. Toen ontstak heel de vrouwenclub in grote woede en de vuisten gingen tegen ons omhoog, waarop wij met tongen en lange neuzen antwoordden. Dit zwijgend gevecht kreeg plotseling een einde, doordat er pliesje! werd geroepen en wij de plaat poetsten.

Ik vrees, dat wij in onze jeugd bijzonder ongemanierd zijn geweest. Deze gedachte is beschamend bij mij opgekomen, toen ik, in veel later jaren, getuige mocht zijn van een familiefeest bij een ambtgenoot in Stockholm. Hier stond voor de jongeren een buffet met lekkernijen midden in de zaal opgesteld en het is mij opgevallen met welk een bescheidenheid de kinderschaar zich van deze weldaden bediende. Toen flitste door mijn hoofd de herinnering aan de feestviering bij het tienjarig bestaan der Leeuwarder R.H.B.S. in de zaal van Van der Wielen. Wij, eersteklassers, zaten op de voorste rij. Toen de kellners met grote schalen vol taartjes binnenkwamen, hebben zij niet rustig langs de rijen kunnen presenteren, maar werden de schalen door een woeste horde jongens bestormd en leeggeplunderd.


HOOFDSTUK III

Leeuwarden

Voor jongens was Leeuwarden een zalige stad. Niet te groot en niet te klein. Niet te groot: men kende alle personen van belang; men leefde mee met al wat er in de stad gebeurde en - waar men ook woonde - binnen het kwartier kon men buiten zijn bij de weilanden. Niet te klein: deze stad leefde; het meest op Vrijdag. Dan kwam heel Friesland in Leeuwarden saam; dan was er een drukte van belang; de stad vol met boeren en boerinnen; de grachten vol met schepen. En dan - in welke andere stad stond zulk een reusachtig plein als het Zaailand geheel ter beschikking van de schooljeugd?

Troelstra noemt in zijn gedenkschriften Leeuwarden een stijve stad. Zij had het karakter van vorstelijke residentie nog niet verloren. Hij verdeelde de bevolking in vier grote groepen: 1. De leidende kringen, deftig en hooghartig, hun verzamelpunt was de Grote Sociëteit; 2. De deftige burgerij, punt van samenkomst de Sociëteit Amicitia; 3. de kleine burgerij en 4. de loonarbeiders van wie destijds nog geen politieke invloed uitging. Oude Leeuwarders maakten een veel fijnere onderscheiding. Zij wisten de bevolking der stad in 28 standen te rangschikken. Gelukkig drong tot ons dat klassengedoe niet door, al was ook de school van De Ruyter officieel een gemeenteschool voor jonge heeren. Het jongeheerschap werd bepaald door het schoolgeld. Het was de school voor de jongens van Troelstra’s stand 1 en 2; maar in de school zelf - en ook later op de burgerschool en het gymnasium - bestond geen verschil van stand. Ook had iedereen toegang tot de Leeuwarder Vélocipède-club, waar over de toelating van nieuwe leden met bruine- en witte bonen werd gestemd, maar waar nooit een candidaat werd afgewezen. Daarentegen werden tot de kinderbals, die ’s winters door voorname families werden gegeven, alleen de kinders van Troelstra’s groep 1 genodigd.

Buiten de school genoot de Leeuwarder jeugd van een haast onbeperkte vrijheid. Alleen de politie vormde, preventief, een rem. Toch herinner ik mij één geval, waarin de eerbied voor de politie uit het oog werd verloren. Het was op het Zaailand. Eén uit een groepje jongens had gezondigd; althans een op een afstand staande agent haalde zijn aantekenboekje en potlood te voorschijn en riep dreigend: Jij ken ik. Hèèè, spotte de jongen, hij zeit jij ken ik. Hierop de agent: Wil je wel eens ophouden met te roepen hij zeit jij ken ik. En toen de jongen: Hèèè, hij zeit, wil je wel eens ophouden met te roepen hij zeit jij ken ik; waarop weer de agent: Wil je wel eens ....... en zo voort. 

Buiten

 . - Bij voorkeur ging het langs de begraafplaats naar de Drie dukatons, van waar een voetpad door de weilanden, om talloze hekken heen, eindeloos ver voortliep, evenwijdig aan de Stienser straatweg. Of door de Schrans, in de richting van Goutum. Hier bloeiden aan de slootkant, in sprookjesachtige omgeving, vergeetmijnietjes en kleine viooltjes. Een feestelijke daad was het, met een grote bos lichtpaarse pinksterbloemen thuis te komen.

Met schepnetjes vingen wij watergedierte: visjes, salamanders en grote, zwarte watertorren. Ik heb een aquarium gehad (verjaarsgeschenk): een wijde glazen kom, waarin vele kleine visjes door gebrek aan lucht en voedsel jammerlijk zijn omgekomen. Wel heb ik soms door een pijpesteel luchtbelletjes door het water geblazen; maar een afdoende voorziening is dat niet geweest.

Eens in mijn leven heb ik - bijna! - kievitseiers gevonden. Het was nog in mijn lagere-school-tijd dat er een livreibediende aan ons huis kwam vragen of de jongeheer Hendrik plezier had om Zaterdagmiddag met de jonker te gaan kievitseiers zoeken. Het gezelschap zoekers bestond, behalve uit ons tweeën, uit twee grote mannen: de koetsier en de palfrenier, niet in uniform, die ieder een polsstok droegen. Ergens op de Marsumerdijk ging het langs een hek het weiland in; toen nog om een paar hekken heen, totdat wij aan een brede sloot kwamen, waar overeen moest worden gesprongen. Ik kwam op de rug te zitten van de zwaar gebouwde koetsier, mijn vriendje op de rug van de palfrenier. Zij drieën kwamen over de sloot heen, maar daar onze pols brak, kwam ik midden in de sloot terecht en ging kopje-onder. Toen ik weer boven kwam, stonden tot mijn ontzetting, onze beide begeleiders met open monden hard te lachen. Hiermee was het avontuur ten einde en ging het huiswaarts. Op de Nieuwstad bij het huis der familie aangekomen, hebben wij nog naar zijn moeder gezocht, maar daar zij niet thuis was, kon ik niet, zoals het had behoord, voor het plezier bedanken. De volgende dag, Zondagnamiddag, kwam de moeder van mijn vriendje, bij wijze van condoléance, mijn moeder een bezoek brengen, waarmee deze, naar ik meende te bespeuren, niet weinig in haar schik was. 

Polsspringen

  is een mooi sport, die vlugheid en durf vereist en het gevaar van een nat pak meebrengt. Het gevaar ook van botsingen met de boeren, die op al dat ongenode bezoek niet gesteld zijn. Als er één over een sloot was gesprongen en een ander deinsde terug, dan werd hem smalend toegeroepen: een piekje, een piekje! Aldus een piekje te zijn gezet was een schande. Er zijn hele tochten gemaakt door de landen. De grootste, die ik mij herinner, bracht ons naar Barrehuus bij Wytgaard. Hier kon men een weiland zien met bruine koeien: roodbont IJselvee, heel bijzonder tussen al de zwartbonte Friese koeien! Hier ook stond in de tuin een ruiter, die, naar men ons verzekerde, zich omdraaide als hij de spoortrein zal aankomen. Een soortgelijke prestatie dus als die van de bronzen Erasmus te Rotterdam, die als hij de klok twaalf hoort slaan, een blad van zijn boek omslaat. Wanneer een jeugdige Rotterdammer voor het eerst met zijn vader naar dat wonder gaat kijken en Erasmus doet na de twaalf slagen niets, dan zegt zoonlief teleurgesteld: hij heeft het blad niet omgeslagen, waarop vader antwoordt: dan heeft hij de klok zeker niet gehoord. 

Roeien

  werd eveneens gedaan in de zomervakantie. De bootjes werden - à 10 cent per uur - op het Vliet gehuurd. De proviand, die wij meenamen, bestond uit cents-boltsjes en pofkes (kleine krentenbroodjes), die ik kocht bij de bakker op de hoek van Put- en Speelmanstraat.

Met zwemmen ben ik heel vroeg begonnen; vader was er een voorstander van. Toen ik met de oudere broers voor het eerst naar de zwemschool ging, heb ik niet in het water gedurfd; ik heb mij niet eens uitgekleed; maar de straf is mij niet ontgaan. Terwijl de ouderen aan het zwemmen waren, zat ik op het trapje van het diepe bassin en speel wat met mijn hand in het water, waarbij ik van het natte trapje afgleed en kopje-onder ging. Ik moest met een nat pak naar huis en kreeg daar nog een behoorlijk standje. Meisjes zijn pas veel later gaan zwemmen. De twee meisjes Burger van de Put zijn de eersten geweest. 

Op straat.

  - Van al wat er in de stad te zien was, heeft niets zozeer mijn belangstelling gewekt als huizenbouw. De Kanselarij, de Waag, de Oldehove, de Nieuwetoren waren voor ons niet zo veel waard als de bouw van een nieuw huis. Al dat oude was iets vanzelfsprekends; het had er altijd gestaan. Dat nieuwe daarentegen ontstond vóór onze ogen, het werd dagelijks groter; wij gingen geregeld er naar kijken en wanneer het huis onder de ka; was, met de wapperende driekleur er boven, dan was dit voor ons een even groot feest als voor de werklieden, die het met een borrel vierden. Soms hing zinnebeeldig boven aan de vlaggestok een lege fles.

Het waren niet slechts alledaagse woningen, die aldus onder ons toezicht zijn verrezen. Wij leefden in een tijd van herboren stedelijke veerkracht. In mijn kleuter- en lagere-school-jaren is de aanleg van het uitgestrekt bouwterrein tussen de huizen aan het Zaailand en het station tot stand gekomen. De Hooge Berg werd afgegraven; nieuwe straten werden gebouwd; de nieuwe veemarkt geschapen. Wij zijn getuigen geweest van de bouw van het postkantoor aan de Wortelhaven, van het Old burgerweeshuis en de spaarbank aan het Zaailand; ook van het kantongerecht aan de Oosterkade, van het gymnasium aan de Arendstuin en van het beursgebouw, ter plaatse van de afgegraven Wirdumerpoortsdwinger. Misschien zijn in de vijftien jaar van mijn schooltijd in Leeuwarden meer grote gebouwen gesticht dan in de vijftig jaar, die erop zijn gevolgd.

Eveneens in onze tijd is - naar het voorbeeld van Groningen - de Harmonie gebouwd, een machtige mededinger van het schouwburgje aan de overkant van de straat en van de concertzaal Van der Wielen, die zich intussen - thans als de zalen-Schaaf - heeft weten te handhaven.

Een herbouw, die wij, jeugd, betreurden, was die van het Sint Anthony-gasthuis aan de Groote Kerkstraat. Van het oude gebouw stond altijd de voordeur open en men had vrije doorgang door het huis en over een ruime binnenplaats, die omgeven was door vriendelijke, met bloemen voorziene ramen. In het midden was een plantsoentje met een echte schildpad erin en een heel ouderwetse stenen pomp. Een andere uitgang bracht ons dan, lans het koninklijk paleis, op het Hofplein. Door die verbouwing is deze enige wandeling verdwenen.

Soms beklommen wij de Oldehove. Wij brachten elk een stuiver aan de opzichter, ergens in de Boterhoek en kregen dan toegang tot de toren. Wij klommen naar de eerste ommegang, hingen daar wat om op de hekken en klommen dan verder naar het platte dak, waar men bij helder weer Ameland en Schiermonnikoog kan zien liggen. Wij jongens echter vonden het uitzicht lang zo belangrijk niet als het trappenhuis. Wij zijn eens naar beneden gegaan om dan dadelijk opnieuw de donkere, stoffige trap te bestijgen en verbeeldden ons dan, voor één stuiver twee maal in de Oldehoof te zijn geweest.

Van al de pijpen (de gewelfde stenen bruggen; spreek uit: piepen) over de binnengrachten was de Langepijp de deftigste. Hij scheen gemaakt als voorplein voor de Grote Sociëteit, waar bij goed weer in het borreluur de brede stoep vol zat met heren. 

Het garnizoen

 . - Een grote rol in het openbare leven speelden de hier liggende drie batiljons met de stafmuziek van het Eerste regiment infanterie. Veel vermaak schepten wij in het drillen van rekruten. Het Zaailand was dan vol met soldaten. De domsten en onhandigsten van de boertjes hadden onze grootste belangstelling, die wij niet op christelijke wijze toonden. Voor de woordenschat van sommige sergeants waren wij vol bewondering.

Een paar maal heb ik het gezien, dat het garnizoen van langdurige zomermanoeuvres in de stad terugkeerde en door de bevolking met roerende hartelijkheid werd ingehaald al die bruingebrande jongens! Het interessantste vonden wij de marketensters: een glimmend zwarte hoed, aan één kant opgeslagen, met oranjekokarde, en een jenevertonnetje met koperbeslag op de buik. 

De schutterij

  trad aan op het Zaailand, de eerste Maandag van iedere maand, om 5 uur namiddags. Vandaar ging het met de muziek voorop naar het exercitieveld Achter de Hoven. Een lange rij van jongens zat bij de oefeningen in het gras toe te kijken. De infanterie had een eigen exercitieterrein bij de Groninger straatweg, waar in mijn tijd ook een schietbaan is aangelegd. Op Koningsverjaardag, 19 Februari, en ook nog op andere feestdagen, was er grote parade op het Zaailand, die een ontzaglijke mensenmenigte lokte. De officieren droegen kepi’s met een pluim van groene haveveren. Tot slot ging het in optocht met twee muziekkorpsen door de stad; voorop de schutterij, onder kommando van kolonel De Bordes, die bij deze feestelijke gelegenheid op een paard zat. Overigens was de schutterij een gemoedelijk instituut. Op het Hofplein heb ik gehoord, dat tot de troep werd gekommandeerd: Rechtsom jongens, de Beierstraat in!

Een militaire begrafenis heb ik éénmaal bijgewoond, van een hoge officier en ik denk, dat het hele garnizoen heeft meegemarcheerd door de Spanjaardslaan. De trommels waren zwart omfloersd en het romm, romm van de tamboers klonk ernstig. Bij de terugmars van het kerkhof waren de floersen weg en de muziek speelde een lustig wijsje, iets als: En hij komt nooit weerom.

Voor ons, kinderen, was deze plechtigheid geen memento mori. Behalve in de eigen familie en de allernaaste omgeving trekken kinderen zich van de dood weinig aan. Dat grote mensen sterven was iets natuurlijks, maar de dood van een kind - een tienjarig meisje uit onze bekendenkring - heeft destijds op mijn gemoed een diepe, opstandige indruk gemaakt.

Des zomers wisselden de twee muziekkorpsen elkaar af, zowel Zondagsavonds in de Prinsentuin, als Zaterdagsavonds, van zeven tot negen, op de Langepijp. Dan zat het bordes van de Grote Sociëteit stampvol; het publiek mocht daar dan niet staan of voorbijlopen, maar overal elders op de pijp was een grote menigte bijeen. In de pauze werden de muzikanten binnen de Sociëteit door het bestuur onthaald.

Ook de Zondagavond-concerten in de Prinsentuin trokken veel publiek. Nu was het de meer gezeten burgerij, veel vrouwvolk vooral, die, aan tafeltjes met thee en gebak, het hele terrein tussen de vijver en het huis met de veranda’s vulde. Voor de jeugd waren er twee traktaties te krijgen: grote krakelingen, soesachtig, d.w.z. met veel lucht gevuld en jodenkoeken. Wij kochten ook wel vooraf onze versnaperingen bij Van Zuiden, onze overbuur op de Put, maar als ik daar jodenkoeken kocht, moest ik ze boterkoeken noemen.

Er waren elke zomer ook enige abonnemensconcerten van de Groninger Harmonie onder kapelmeester Bekker. Zij stonden hoger aangeschreven dan die van de twee Leeuwarder orkesten. Zij waren duurder en als kleine jongens kwamen wij er niet. Toch was het noodlot Bekker niet welgezind. Als het Bekkersconcert is, komt er regen, wisten de Leeuwarders.

Een heel gewoon tafereel - er was in Leeuwarden destijds op elke 90 inwoners 1 verkoper van gedistilleerd! - was het begeleiden van dronken volk door de politie naar het bureau op het Hof. Straatjongens liepen er achteraan, zingende:

Hij het de bok an ’t touw;
Hij het biet.
Hij het gien senten meer;
Hij is ferliet.

Of, in spreekkoor: Hij hèt ‘m. Hij houdt ‘m. De roes.

Iets bijzonders in het stadsbeeld waren, des zomers, de Duitse helpers bij de hooioogst, door de boeren mieren, door ons hannekemaaiers genoemd. In hele zwermen tegelijk kwamen zij, ik meen uit Oldenburg en, als het werk was afgelopen, vertrokken zij ook weer in grote troepen tegelijk. Aan de Vleesmarkt, de smalle zijde der Nieuwstad, stond destijds een katholieke kerk. Eens, op een Zondagochtend, heb ik op het voorplein van die kerk wel een honderd hannekemaaiers zien zitten en bidden. Men zegde, dat zij in de kerk onmogelijk konden worden toegelaten, vanwege hun doordringende geur. Want deze maaiers deden alles op grote schaal: eten, drinken, werken en ........ zweten; maar volgens mijn zegslieden, verkleedden en wasten zij zich ook in die hete zomermaand nooit. Wanneer zij in de stad kwamen, was er geen aanraking van hen met de bevolking; zij vormden een afgesloten groep. Wij, jongens, riepen dan wel eens hard: Karl! of Friedrich! en waren erg tevreden als er enigen omkeken. Wanneer zij, na afloop van hun werkperiode, in een al te groot aantal aan het station waren verschenen, kon men hen, met hun bundels, zien bivakkeren op het toen vóór het station aanwezige grasveld. Hier werden zij gewaarschuwd als de trein naar Groningen-Nieuweschans voor instappen gereed stonden. 

Bekende Leeuwarders van zeventig jaar geleden.

  - Ik bepaal mij tot die groep van plaatselijke beroemdheden, waaraan de geschiedschrijvers van beroep geen aandacht schenken. Iets heldhaftigs hebben zij nooit verricht deze helden van de straat. Hun beroemdheid danken zij aan hun uiterlijk of hun gedrag. Evengoed als de Nieuwetoren behoorden zij bij het stadsbeeld van die tijd. Mijn herinnering vond steun bij een schoolopstel van mijn hand uit 1882, De winter in onze stad, en voorts in gesprekken met enkele tijdgenoten. Dikke Willem, algemeen bekend als Kop en lippen, was een afstotelijke verschijning, een klein mannetje, vuil in de kleren, met een hoofd dat, ongelogen, wel drie maal zo groot was als dat van een gewoon mens. Zijn lippen waren twee reusachtige vlezige lappen, die een weinig van elkaar gingen als hij iets mompelde. Hij schuifelde veel langs de straat; deed niemand kwaad en werd ook door niemand lastig gevallen. Hij leefde, naar het heette, van een jaargeld van de Groninger snijkamer, waaraan hij zijn stoffelijk ik zou hebben verkocht(?). De moeder van Kop en Lippen heette Louise Boe Boe. Zij droeg geen oorijzer maar een topmuts en dankte haar naam aan de gewoonte om boe boe te zeggen als de jongens haar voor toverkol uitscholden.

Een andere beroemdheid, die, evenals Kop en Lippen, door de jeugd met rust werd gelaten, was Gekke Jaap, een blijmoedig man met heldere kijkers en op zijn hoofd, altijd scheef, een platte pet. Wat hij voor de kost deed wisten wij niet; hij was altijd op straat, hij was ons sympathiek. Hij kon een cent, die wij in de hoogte gooiden, in zijn mond opvangen. 

Peke de Jeud

  droeg altijd een zak op de rug, inhoud ons niet bekend. Hij woonde aan de Groeneweg en hield toezicht op de verlaten joodse begraafplaats tussen Groeneweg en Prinsentuin. Als hij ontdekte dat een van ons van het Toernooiveld over de schutting op het kerkhof was gekomen, werd hij razend en de boosdoener moest overhaast vluchten. Hij nam graag de petten van de jongens af en stopte die in zijn voddenzak. Een geestigheid van Peke was, dat hij van tollende jongens een tol afpakte. Als de jongen dan protesteerde, zei hij kwansuis grappig: Die kan ik lánger make. Maar de jongen wilde zijn tol terug hebben. Wijje ‘m niet lánger hewwe? vroeg Peke dan. Nee! riep de jongen. - Nou, a’ jou ‘m niet langer hèwwe wille, sal ik’m maar houde. Vrijdags kon hij met een steentje het aarden tabakspijpje, dat een boer in de mond had, zo goed raken, dat de kop van de pijp over de grond rolde en alleen het steeltje tussen de tanden van de boer bleef zitten.

Die bliksemse kwajonges, zei hij dan en bood een nieuwe pijp te koop aan; dezelfde taktiek als van de rijwielhersteller, die spijkertjes op het fietspad strooit. 

Pang,

  alias Zwarte Johannes, bij de burgerlijke stand: Corpiéds, woonde in de Boterhoek. Hij liep met bjinten en andere kleine negotie. Bij harddraverijen hielp hij met de lijsten en op koningsdagen verscheen hij op de kantoren, geheel in oranje en liet hij zich de fooien welgevallen. Op Pang’s zilveren bruiloft is er een groot feest geweest in de Boterhoek, dat met een ommegang rondom de Oldenhove zou worden besloten. Voorop in de feeststoet ging het zilveren bruidspaar, dan volgden de twee dochters, beiden in gezegende omstandigheden; de toekomstige echtgenoten vochten onder Neerlands vaan in de tropen. Toen is er, temidden van het feestgedruis, plotseling moord! geroepen, gevolgd door een paniek, waaraan de politie een eind wist te maken door het hele gezelschap over te brengen naar het honnegat op het Hofplein.

Een gevreesde persoon was Klep, zo geheten naar een pet, die - met een lange jas en een vervaarlijke wandelstok - zijn uniform als ordebewaarder in de Prinsentuin uitmaakte. Hij was alleen in funktie als er geen concert en de tuin dus open was. Wat wij daar eigenlijk voor kwaad uithaalden, herinner ik mij niet. Misschien was het alleen het zoeken naar eikels en kastanjes; mogelijk werden de eenden wel eens geplaagd of planten beschadigd. In ieder geval was de roep Klep! - evenals op straat de roep pliesje - een noodsein, waarop wij in wilde vlucht uiteenstoven, ook al was er niets misdreven.

Eveneens naar zijn hoofddeksel genoemd was Hoed. Uit mijn schoolopstel blijkt, dat hij in 1882 de enige nog levende was van de hierboven beschreven beroemdheden. Toen ik nog op de lagere school was, heette het reeds, dat Hoed niet sterven kòn. Hij was een stokoud, mager rondgaand barbiertje. In de winterkou zag zijn gezicht paars en hing een drop aan zijn neus. Hij droeg altijd een bruin-grauwe hoge hoed en werd op straat steeds nageschreeuwd: Hoed, Hoed! Vaak heeft hij geprobeerd ons te pakken; hij trilde dan van woede, maar het lukte nooit. Als er sneeuw lag, was Hoed’s hoed het algemene mikpunt en meer dan eens is het gebeurd dat de hoed werd afgegooid en dat daaruit een grote rode zakdoek en een koperen scheerbekkentje voor de dag kwamen. Om aan het eeuwige gescheld te ontkomen heeft Hoed op een goede dag het eerwaarde hoofddeksel verruild tegen een pet. Een kwade dag! want nu was het een algemeen gejouw, van hèèè, Hoed met een pet op! Wat hebben wij - op die leeftijd zonder medelij - dit mannetje een verdriet aangedaan. 

Stek

  stond, bij het africhten van de rekruten, met een buitengewoon lange handkar met appelen, peren, sinaasappelen, vijgen, krentenkoeken enz. op het Zaailand. In de rustpauze werd zijn kar door de soldaatjes bestormd; maar vóór de pauze deed Stek zich in de herbergen aan de Oude Veemarkt dusdanig aan sterke drank te goed, dat na de rust, op de thuisreis, de jongens moesten helpen om de kar naar huis te brengen. Voor ons een groot vermaak, want de kar kreeg rare duwen op zijn zigzag-koers.

Een heel ander type was Napoleon, eigenaar van een prachtig geverfde scharesliep, zelf keurig uitgedost met klompen, waarop messen en scharen waren geschilderd. Hij was een dik rood mannetje, die veel Engelse woorden mompelde, hem bijgebleven uit zijn oud beroep van scheepsbarbier. Meestal stond hij met zijn rijdende werkplaats op een van de piepen. ’s Avonds was hij zwaar beneveld en werd hij, op dezelfde manier als Stek, door joelende kwajongens geholpen en gehoond. 

Jentsje Tit

  was de zoon van Staande Pendule, die in een van de straatjes rechts van het Paleis van Justitie woonde; maar zij heeft niet veel genoegen aan deze telg beleefd. Toen hij op het Zaailand voor de krijgsdienst werd gedrild, bleek het ondoenlijk hem de eerste beginselen bij te brengen. Als rechtsom werd gekommandeerd en hij altijd weer de enige was, die naar links draaide, reageerde hij op deze ontdekking met een goedmoedige grijns. Hij bleek ongeneeslijk en moest uit ’s lands dienst worden ontslagen. Ook bij het Leger des Heils heeft men zijn diensten niet gewaardeerd. Het enige wat hij met animo verrichtte, was Vrijdags het vee drijven van de boten naar de veemarkt en vandaar naar het station, met het gevolg dat hij één dag in de week geheel onder water raakte. De zes andere dagen ontbraken hem hiertoe de middelen.

Van andere Leeuwarders uit mijn jeugd herinner ik mij nog Japik in ’t Wied, die zijn kar en het magere paard stalde ergens in het stegennet tussen de Bagijnestraat en de Kerkstraten. Het was een vreemd gezicht als men in de Grote Kerkstraat het paard van Jaap voor de dag zag komen uit het onmogelijk nauwe steegje naast de meisjesschool van juffrouw Plaat.

Ook enkele heren uit de hogere kringen waren door het publiek of door de jeugd, zeer oneerbiedig van bijnamen voorzien, maar zij werden nooit nagejouwd. De oude heer G.T.N. Suringar noemden wij, om zijn mager, verschrompeld gezicht: het perkamenten mantsje. De vader van een mijner schoolvrienden, een sieraad der gereformeerde gemeente, stond in de stad bekend als de iezeren Kristen. Een oud-burgemeester van Leeuwarden, die, met het oog op de houtopbrengst, de bomen van de Spanjaardslaan had willen laten omhakken, kreeg van zijn burgers de erenaam Durk Hak. Een burgemeester van Leeuwarderadeel was Ruten Aas, van wege de kleur en vorm van zijn neus. Een kleine en zeer mismaakte notaris was algemeen bekend als de Dokkumer inktpot. De oorsprong van deze naam lag in een door hem geleide verkoping te Dokkum, waarbij iemand uit het publiek zou hebben geroepen: Doe die inktpot wat opzij; wij kunnen de notaris niet zien. Mijn rij sluit met twee hoge belastingsambtenaren, wier bijnamen aan hun vak waren ontleend: Broeder Kwaadvermoeden en Dwangbevel. Deze laatste naam was zeer zeker niet typerend voor de gemoedelijke, dikke gemeente-ontvanger, van wie ik mijn vader nog heb horen vertellen, dat zijn opgewekt humeur, zijn voorkomendheid en vriendelijkheid het bepaald tot een genoegen maakten, aan hem je belastingpenningen af te dragen. 

Brand!

 - Iedere grote brand was een schouwspel, waartoe sinds oertijden heel Leeuwarden officieel werd uitgenodigd. Eertijds geschiedde dit des nachts door de wachter van de Nieuwetoren, die het brandsignaal blies, de klok luidde en een rode lantaarn uithing aan de zijde van de toren, waar hij de gloed had gezien. In mijn jeugd was deze taak overgenomen door de politie, die al toeterend door de straten rende. Dit moest wel, want de brandweerlieden waren eerzame burgers, die overal verspreid in de stad woonden. Eens, in een van mijn latere burgerschooljaren, ben ik midden in de nacht door vader uit mijn bed getrommeld om met hem te gaan kijken naar de brand van de Skating rink, de rolschaatsenbaan aan de Schrans. Ook herinner ik mij een brandende molen aan een van de vaarten. Straks gaan de wieken draaien voorspelden de toeschouwers, maar dit gebeurde niet. Behalve de brand zelf was ook het spuiten de moeite van het kijken waard: aan elke kant van de spuit een lange lat met een rijtje mannen, die rhythmisch de ruggen kromden. Water was er, door de vele grachten, gemakkelijk te krijgen. Als de afstand te ver was, werden twee spuiten gebruikt, waarvan de ene het water oppompte en naar de andere toespoot. 

Vrijdag.

  - De belangrijkste dag van de week! Na de ochtend- en vóór de namiddagschooltijd namen wij onze weg over de Nieuwstad, de Brol en de Kelders. De grootste marktdrukte was dan voorbij, maar er was toch heel wat meer te beleven dan op gewone dagen. Er waren nog veel schepen in de grachten en aan beide kanten waren de kooplui bezig hun uitstallingen op te ruimen. Maar in de vakanties waren wij Vrijdags de hele ochtend op straat.

Het is niet te geloven hoeveel voertuigen er in de vroege ochtenduren langs de straatwegen de stad kwamen binnenrijden: behalve diligences, vracht- en veewagens, ontelbare tilbury’s en kapsjezen, met boeren en boerinnen, ook handkarren en hondenwagens. De boerenwagens werden uitgespannen bij vast beklante herbergen. Wie uit het noorden en westen kwamen, spanden uit buiten de Vrouwepoortsbrug, bij Simon de Roos (De groene Weide). Deze was ook stalhouder en hij bediende de meeste trouwpartijen in de stad. De boeren uit het zuiden legden bij voorkeur aan bij Pieter de Boer, buiten de voormalige Wirdumerpoort. Hier kregen de boerenpaarden een door een hekje omzoomd, driehoekig grasveld tot hun beschikking. De De Boers waren echte paardenkenners, sommigen van hen goede pikeurs. Het grasveld (tussen Zuiderplein en Baljeestraat) is thans grotendeels volgebouwd, maar de herberg is er nog, verbouwd en herdoopt als café. De eigenaar van heden is een afstammeling van de beroemde schaatsen-hardrijder Marten Kastelein van Warrega. Het aankomen en uitspannen van al de wagens; het uitstappen van de boeren en de vrouwen en meisjes was een genoeglijk schouwspel.

Niet minder druk was het op de waterwegen. In het adresboek van 1872 zie ik, dat het aantal geregelde beurt- en vrachtschepen wel tweehonderd bedroeg, waarvan de meeste Vrijdags om 1 of 2 uur uit de stad weer afvoeren; stoomboten waren toen nog ver in de minderheid. Er waren destijds nog veel trekschuiten, door een jagertje getrokken. Langs alle grotere waterwegen was een jaag- of trekpad. Zeilschepen werden, als er niet kon worden gezeild, geboomd of door mensen getrokken. Voor grotere schepen liepen wel eens twee of drie mensen, elk aan een lijn, te trekken. Ook wel vrouwen zwoegende met de brede riem voor de borst; het heeft mij altijd pijn gedaan als ik het zag.

Destijds lagen in de binnenstad de grachten vol met schuiten; het Schavernek met trekschepen; bij de Waag tal van schepen, die boter en kaas hadden aangebracht en de boter weer vervoerden naar Harlingen, met bestemming Londen. Het vee werd grotendeels op pramen aangevoerd en gelost in de buurt van de Wirdumerpoortsbrug. Vandaar werd het naar de Veemarkt gebracht door drijvers, waarvan sommige onnodig veel hun stok gebruikten.

Langs de Kelders was een doorlopende rij van verkoopkarren en -tentjes, waar alle denkbare dingen te krijgen waren. En zo was het op de andere grachten, de Voorstreek, de Tweebaksmarkt en het meest van al op de Nieuwstad. Hier stonden, op de brede zijde, in een lange rij meer deftige kramen, waarvoor zich boerenvrouwen verdrongen. Stoffen werden met de ellestok uitgemeten. En ondanks deze mededinging was het ook in de winkels stampvol. Er stonden toen, broederlijk naast elkaar, twee reusachtige manufaktuurwinkels: Bahlmann en Sinkel. Deze laatste liep langs de gehele Bargesteeg door tot op het Ruiterskwartier. Al deze en ook kleinere winkels deden op die ene weekdag grote zaken.

Bijzonder boeiend was de botermarkt rondom dat zestiende eeuwse pronkjuweeltje, de oude Waag. De luifel van dit gebouwtje werd Vrijdags door brede houten luifels verlengd en verbreed, en daaronder was het geweldig druk. Het mooist vonden wij de boterkeuring. Een lange van onderen open, holle, metalen staaf werd door de boter heen tot op de bodem van het vat gestoken, zodat de boter er in bleef zitten. Er was een open rand in de staaf, zodat men de boter kon zien. De keurmeesters namen hier wat af; soms beten zij er hapjes uit en knikten dan goedkeurend. De staaf ging er dan weer in, op de oude plaats en werd er met de duim op de boter weer uitgetrokken. Straatjongetjes kregen op meegebrachte stukken brood wel eens een klodder boter.

Het slot van onze wandeling was altijd de veemarkt; eerst op het oostelijk deel van het Zaailand; van 1874 af op het nieuwe terrein tussen de Sophialaan en de Harlingervaart. Wat was het daar vol! En lawaaiig! En smerig! Wat een vies gekletter als zo’n koe, zonder waarschuwing, zijn boodschappen op de vloer deponeerde! En wat een knorrende protesten als een man in het varkensverblijf stapte om een der dieren hardhandig naar een bepaalde kant te drijven! Wat hoorden wij daar een Boerenfries praten! En wat een omslag, voordat zo’n koe eindelijk verkocht was! praten, praten en voelen aan de onderkant van het beest, en dan handjeplak: Klets, zegt de een dan de handen omgedraaid en klets, zegt de ander. En als de koop gelukt is, samen in de herberg. Het was eigenlijk een wonderlijke zaak, dat zonder jenever geen koe kon worden verkocht. Van de veemarkt ging onze tocht soms naar het station, waar het vee voor Engeland in de Harlingertrein werd geladen.

Wat aan de marktdag zo’n fleur en feestelijke stemming gaf, was het klokkenspel van de Nieuwetoren, dat buiten zijn gewone dienst elke Vrijdagochtend van elf tot twaalf zijn blijde tonen uitgoot over de stad. De bruingelokte beiaardier en pianostemmer Sartorius, bijna blind, werd iedere Vrijdag voor deze marktmuziek door een jongetje naar de toren begeleid. Veel meer dan de Oldehoof, die eerbiedwaardige steenklomp, die eenzaam en geërgerd daar staat in zijn armelijke omgeving, was de Nieuwetoren, oud en scheef, maar nog sierlijk en vol leven, het middelpunt der stad. Zijn gewone dagelijkse dienst was geen sinecure. Elk half kwartier deed zijn speelwerk zich horen; het langst op de hele uren, een paar tonen slechts op het halve kwartier, de klik. ’s Avonds was klik voor tien het sein voor de dienstmeisjes om zich van de pantoffelparade op de Nieuwstad en Voorstreek naar huis te spoeden. Het was een bekend grapje de Nieuwetoren te verwijten: Eerst speult ie en dan slaat ie. 

Harddraverij.

  - Tweemaal in het jaar - op Waterloodag, 18 Juni, en op de eerste Maandag van de kermis - was er harddraverij met paard en sjees op de Marsumerdijk. Deze dijk is bij de aanleg van de straatweg in 1840 dadelijk voor het harddraven ingericht. Op dit gedeelte, misschien een 400 m lang, stonden geen bomen. Aan weerskanten van de straat was de eigenlijke draversbaan.

Dit waren luisterrijke dagen voor Friesland en het was altijd heerlijk zomerweer. Op de Oldehoof woei de vlag met de pompebledden en bij het begin en het eind van de wedstrijd bromde indrukwekkend de zware torenklok. De weilanden aan beide zijden, door een sloot van de baan gescheiden, vormden een uitgestrekt terrein voor de toeschouwers. Er was geen tribune, maar stoelen en tafeltjes stonden bij het eind der baan op plankieren. Over de sloten waren bruggen geslagen, zonder leuning (barten) en de bouwers ervan riepen: een cent voor de batterij! Op het bevlagde terrein was het een drukte en gezelligheid van belang. Daar liepen hele rissen boerenmeisjes, sommigen ouderwets met oorijzers; andere rijtjes - uit dorpen, waar de Europese beschaving reeds was doorgedrongen - waren in moderne kledij. Er waren draaiorgels en daar waren Stek en konsorten met hun platte karren met koek, vruchten en kogelflesjes. Een andere van onze oude bekenden, Pang ventte met de gedrukte lijsten van de deelnemende paarden en bestuurders. Wie mut d’r nog ’n list? De kenners en echte liefhebbers stonden in kleine groepjes aan de slootkant bij de baan en bleven daar de hele middag op post; maar het grote publiek bleef aan de wandel.

Waar aan de stadskant bij het begin van de baan de bomen ophielden, stond een houten directietent. Hier verzamelden zich de deelnemers en werd voor elke rit een bel geluid. Op dit sein kwamen de twee sjezen op het appèl en gingen, niet stilstaand van de streep, maar met een flying start over de streep. Ging dit niet precies gelijk, dan werden zij door een stoot op de hoorn teruggeroepen. Aan het andere eind der baan, waar de bomen weer begonnen, zag men de hoge seinpaal, waarvan het vlaggetje naar rechts of links afzwenkte om de overwinnaar aan te duiden. Tegen het slot van de wedstrijd raakte er spanning in het publiek en drong alles saam bij de beide slootranden.

Zwepen met goud- en zilverbeslag, als prijzen bij harddraverijen zijn reeds van oude dagtekening. Er worden er bewaard in oude boerenfamilies, ook verscheidene in het Fries museum. Sedert Willem I werden om de twee jaar op Waterloodag een door de koning aangeboden gouden zweep en gouden oorijzer verreden. De kermisdraverij ging uit van de stad. De prijzen waren zilveren voorwerpen, zoals een presenteerblaadje met trommeltjes en dergelijke pronkstukken voor de boerenkamer. Zij werden door de burgemeester op de stoep van het stadhuis uitgereikt. Het officiële slot was de plechtige intocht van de overwinnaars in de stad, stapvoets; de blinkende prijzen in de hand, naar de Nieuwe Doelen voor de feestmaaltijd. Voor het publiek was de kroon op het feest het vuurwerk, op Waterloodag op het Zaailand, op kermismaandag in de Prinsentuin.

Thans hebben deze feesten hun oude fleur verloren. Wedrennen op de lange baan, om geldprijzen, beantwoorden aan hedendaagse begrippen; hun geest is internationaal. Maar daarmee ontberen zij het intieme, plaatselijk Leeuwardse karakter, de bekoring van een schone overlevering. Voor mijn gevoel kunnen - om een zéér stout beeld te gebruiken - de tribunes aan de Wilhelminabaan niet in de schaduw staan van de groene landen, aan weerszijden van de Marsumerdijk. 

Kermis

 . - De Leeuwarder kermis duurde oudtijds veertien dag: van de tweede tot de vierde Woensdag van Juli. Hij werd ingeluid door de klok van de Nieuwetoren, ’s morgens om tien uur. Dan was opeens als door toverslag de stad vol muziek. Overal draaiden de straatorgels en bliezen de blaaspoepen en ieder Leeuwarder was in een opgewekte stemming.

Het Zaailand (Wilhelminaplein), de Oude Veemarkt en de Nieuwstad waren per vierkante meter verpacht. Tal van kermiswagens kwamen de stad binnen en de opbouw van tenten en kramer was weldra in volle gang. Alle straatmuziek was gekeurd. Het kon gebeuren dat van een familiegroepje het orgel werd toegelaten, maar dat de viool en de stem van de vrouw werden afgekeurd. Op het Zaailand vormde de kermis een eigen stad. De draaimolens stonden ter hoogte van het weeshuis. Oorspronkelijk werden zij door mannen in beweging gebracht; later door paardekracht. De iets afhangende rand van het zeil van de molen had een aantal driehoekige uitlopers, op elke waarvan een schilderijtje met een tweeregelig versje, zoals: de heer en juffrouw Strips zien naar de maaneklips. De leeuwen (waarop wij bij voorkeur zaten) waren alle van één familie. Zij leken sprekend op elkaar en hielden de grijnzende lachende kop naar buiten gedraaid.

Achter het paleis stond een paardenspel, meestal dat van Carré, die ook persoonlijk (Oscar) bij de heren der haute volée in hoog aanzien stond. Hij deelde ook in de gunst van koning Willem III. Achter het paleis stond ook een, soms ook twee houten schouwburgtenten, die door bekende gezelschappen werden bespeeld, zoals het Antwerps toneel van Victor Driessens met Katharina Beersmans en het Rotterdams toneel van Albrecht en Van Ollefen.

Hoewel eigenlijk nog te klein heb ik, elf jaar oud, met broer Adriaan naar de schouwburg mogen gaan, naar het treurspel Marie Antoinette. Ik had nl. Jan ten Brinks premie-uitgave van het Nieuws van den Dag, Slachtoffers den helden der Franse revolutie gelezen en kende er stukken uit van buiten. Wij zaten die avond op een van de voorste (houten) banken en leefden met het stuk hartstochtelijk en soms hardop huilend mee. In ons diepgevoeld leed kwam maar één ogenblik van verademing, toen nl. tegen het eind de verraderlijke Philippe Egalité door twee gendarmes werd weggesleurd; welke scène wij door onze tranen heen uit alle macht toejuichten. Thuisgekomen was de stemming weer ver beneden nul en verklaarde ik nadrukkelijk: Ik wil nooit meer naar die smerige komedie toe.

Langs de brede zijde van de Nieuwstad stond een lange rij koopkramen, waarvoor de boerendames veel belangstelling toonden. Men kocht er o.a. platte koeken, waarop in sierlijk suikerschrift: Uit achting en erkentenis, maar ook omdat het kermis is. De Deventer koek- en banketkraam stond al voor de veertigste keer op de Nieuwstad. Er waren ook kramen met werkelijk mooie dingen als fijne handschoenen en Chinees porselein.

Bij mooi weer heerste er in de stad een allergenoeglijkste drukte. Veel gewandel, vooral moeders en kinderen met ballonnetjes, ratels en fluitjes; de draaimolens zaten vol met kindervolk. Men zag mooie boerenwagens, ook hoge gelakte sjezen met knappe jonge paartjes. Maar de echte kermis kwam pas ’s avonds. Het hooggetij was tussen zeven en acht, wanneer op het Zaailand voor al de speeltenten reclame werd gemaakt. Muziekliefhebbers konden hier hun hart ophalen; want al de orkesten en draaiorgels en alle artisten lieten zich gelijktijdig (maar niet unisono) in volle kracht horen. En allerwege stonden de verkopers hun waren en de spullebazen hun wereldberoemde artisten luide aan te prijzen. Het was vaak oorverdovend. En zo vol, dat men slechts voetje voor voetje vooruit kwam. Maar wat een geluk, dat men op deze kermis met bijna geen of ook helemaal zonder geld toch zoveel kon zien en zoveel plezier kon hebben.

Bij de grotere tenten kwamen op het bordes de hele kunstenaarsbent zich voorstellen: de muzikanten, de man met de biceps de komieken, die elkaar klinkende klappen toedienden en een paar maagden, glimlachend en verleidelijk in haar gymnastiekpakjes. Dan kwam uit de mond van een rijk gegalonneerde dignitaris de laatste waarschuwing om kaartjes te kopen: de lichten worden aangestoken en de muzikanten gaan naar binnen!

Op een stille hoek van het plein stond een zanger, die, begeleid door een draaiorgel, op een eentonige dreun een verhaal zong van huwelijksontrouw, dood en vergelding. Met een stok wees hij de bij het verhaal horende afbeeldingen aan op een in acht vakken verdeeld, uitgerold schilderij. Een enkel koeplet is mij bijgebleven, daar één regel ervan mij boeide:

Toen is hij naar bed getogen
en hij skriemde as ’n kien,
Met de slaapmuts over de ogen,
Zodat niemand hem kon zien.

In dit koeplet is niet alleen de slotregel verrassend, maar er is ook een Stadfriese regel in verzeild, die (vanwege het rijm) niet door een Hollandse kan worden vervangen.

In dezelfde bescheiden buurt werkte een stelletje akrobaten, die geen tent, maar alleen een stuk tapijt tot hun beschikking hadden. Zij werkten slechts, wanneer er een voldoend bedrag aan centen (ook wel eens dubbeltjes) op hun tapijtje was geworpen, waartoe de omstanders dringend werden aangespoord. Hier ligt de oorsprong van de in de mond van Brolsma’s bruggelingen geliefde term: Eerst mutte d’r senten oppet kleed komme!

Heb je niet gehoord
Van de dubbele moord,
Van de dubbele moord in het Haagje.
Daar hebben ze mevrouw van der Kouwen vermoord
En ze pakten de meid bij het kraagje.

Veel langer dan door dit lied is deze moordgeschiedenis vereeuwigd door het kermisspel de kop van Jut. Een op de grond staand houtblok, waarop aan de voorkant de grove afbeelding van een mannengezicht, was van boven plat en uit een gat in het midden stak een dikke houten stop uit. Als hierop werd geslagen, vloog van even boven de grond een stukje ijzer langs de schaalverdeling van een hoge paal naar boven en bleef ergens vast zitten. Vloog het ijzer tot geheel boven in de paal, dan hoorde men een knal als van een slaghoedje. Voor een dubbeltje mocht men met een grote houten hamer, drie keer slaan. Werd het toppunt bereikt dan kreeg men op de borst een medaille gespeld, waarvan er een aantal waren uitgestald op een fluwelen kussen, naast de paal.

Met Jut ben ik beland aan de dubbele bomenrij van het Ruiterskwartier, waar het vol stond met derderangs eetgelegenheden, meestal door kinderen Israëls bediend. Er waren tafeltjes (diskes) met dadels, (dalen), vijgen en andere zuidvruchten, met paling en zuur. Er was een bak waarin in een azijnachtig vocht augurken dreven. Men werd aangemoedigd met de roep: Cent ’n prik, halve cent een lik. Voor de cent kreeg men een vork te leen. Er waren verschillende dobbelgelegenheden en ook behendigheidsspelen, waar men meestal bij de neus werd genomen. Bij voorbeeld: op een tafeltje stonden een aantal zakmessen recht vastgeprikt en men kreeg voor een dubbeltje drie ringen om mee te gooien. Wanneer het lukte een ring om een mes heen te mikken, zou men het mes gewonnen hebben. Maar als dit ten slotte eens gebeurde, zei de messenman: nee, hij moet ook om het voetstuk een; elk mes stond op een vierkant blokje hout, waar de ring haast niet overheen kon. Een ander behendigheidsspel was het koekbakken. Op een houten blok sloeg men met een bijl op een dunne, slappe, rechthoekige koek en het was de kunst die in drie slagen geheel te klieven.

Er was op het Zaailand altijd wel één verversingstent. Men zat vóór de tent, op houten banken, aan lange tafels. Op mooie zomeravonden zat men daar, met zijn glaasje bier, buitengemeen goed; niet gehinderd, maar wel vermaakt door het kermisgewoel, en na de grote voorstellingen liep het er vol. Men zat ook lang niet kwaad in de roefjes der poffertjeskramen van Vulsma en Van der Zee en ik heb lang geloofd, dat er op eetgebied niets zaligers bestond dan een klassieke portie poffertjes, met zo’n grote klodder boter en rijke vracht suiker. En was er wel iets gezelligers te bedenken dan vóór de tent op haar hoge stoel, met een wit mutsje getooid, de waardige gestalte van de poffertjesbakster, die met gestrekte arm uit een lange lepel het witte beslag uitgoot over de rijen indeuksels in de reusachtige bakplaat.

Op de oude Veemarkt stond nog een hele rij kleinere vertoontenten. In een daarvan een vrouw met een baard, een grote zwarte baard, waaraan je mocht trekken. Daarnaast L’homme incombustible of de onverbrandbare man. Komende van Sierra Blanca in de binnenlanden van Californië aan de Ohio-stroom. Het slot van zijn programma luidde: drinkt kokende olie, danst in de vlammen en eet glas alsof het suiker ware.

Een ander jaar stond in diezelfde buurt het tentje van Admiraal Tom Pouce, Fries van geboorte, 70 cm lang. In de namiddag reed hij in een miniatuur equipage met twee dwergpaardjes over de Nieuwstad. Enkele jaren later heeft hij een opvolger gevonden in een andere eveneens Friese lilliputter, die het nog niet tot de admiraalsrang had gebracht, maar toch, acht jaar oud, reeds Kapitein Fourmi heette. Deze is later als heilsoldaat in Leeuwarden blijven hangen.

Achter deze tentjes heeft op de oude Veemarkt jarenlang een Amerikaanse skating rink gestaan, een rolschaatsenbaan, die zijn voortreffelijkheid boven het echte schaatsrijden aldus aankondigde: De baan is glad, zonder scheuren of wakken en niemand heeft last van sneeuw of stof. Deze nieuwe sport maakte zoveel opgang, dat aan de Schrans een vaste Skating rink werd gebouwd.

Intussen was het in al de herbergen aan de oude Veemarkt nog urenlang stampvol met boerenvolk. Hier werd - niet op dansschoentjes! - de skotse trije gedanst. In deze overvulde lokalen had de muziek zwaar werk. Er werden ook wel komische voordrachten gehouden, maar vooral werd er in het zweet des aanschijns gedanst, gestampt, gezonden, geschreeuwd, gedronken en gevreeën. Drankwetten en sluitingsuren bestonden nog niet.

De kermis is uit de tijd geraakt. Hij heeft zich overleefd. De kerk en de drankbestrijding hebben tegen hem saamgespannen; laten hebben zij machtige bondgenoten gevonden in het rijwiel, de rolprent en de voetbalsport. Terugwensen kan men hem niet; maar dolgraag zou ik - ik beken het zonder schaamte - nog eens één avond willen rondwandelen op mijn oude Leeuwarder kermis; willen luisteren naar de grootspraak der tent-direkteuren; mij verlustigen in de aanblik van het poffertjes-bakbedrijf om tot slot met een glas bier en een paar goede vrienden neer te zitten voor de grote verversingstent en te lachen om al die mensen - grote kinderen, net als wij - die in dat geroezemoes en die kakofonie de droefheid van het heden vergeten. 

Winter. -

  Moderne schaatsen, geheel van metaal, zagen wij in onze tijd alleen wanneer een Hollandse logée er op ronddraaide, wat dan wel veel bekijks, maar geen rechte bewondering wekte. De Fries wil op de schaats snel vooruit. IJstochten zijn voor hem altijd hardrijderijen. Toen voor de eerste internationale schaatsenwedstrijd een der buitenlandse mededingers een paar dagen tevoren in Leeuwarden was aangekomen en zich op een der vaarten wat oefende, zag hij, naar hij heeft beschreven, met verbazing hele rissen boeren hem achterop en voorbijrazen. Op de binnengrachten waren banen voor de kinderen van de omwonenden. Veel hoger dan het baantjesrijden stonden de tochten. Als jongens reden wij naar de Froskepolle, later ook naar Birdaard of de Sneeker kant uit naar de Dille. Overal was het stikvol in de gelagkamers, waar alles op schaatsen klotste; waar de helpers van de kastelein zich in hemdsmouwen een weg baanden en waar het heel wat moeite kostte vóór men zijn koffie of soep bemachtigd had. Ik ben ook met een paar vrienden naar Idaard gereden, om daar te logeren bij de oude heer Bergsma, burgemeester (grietman, als velen van zijn voorvaders) van Idaarderadeel. Ook houtvester van Z.M. Willem III: groene uniform en pet met gouden band. Toen wij op schaatsen op Friesma State aankwamen, werden wij door de gastheer met een standje ontvangen omdat onze schaatsen, in plaats van met touwtjes, met platte leren riemen en gespen waren vastgemaakt.

De Leeuwarder IJsclub kwam altijd achteraan, zodat dikwijls wanneer de dooi ontijdig inviel, de rijderij werd verspeeld. De Leeuwarder hardrijderij, de beroemdste van alle, werd namelijk gehouden op de Singelgracht bij de Gouden Bal, d.w.z. op een water dat voor de scheepvaart zo lang mogelijk werd open gehouden. Bovendien moest voor een rijderij op de diepe gracht, waarbij meer dan duizend mensen werden verwacht, het ijs een dikte hebben van ten minste 15 cm. De hele breedte van de gracht was verdeeld in vier banen, de twee middelste, 160 m lang, voor de wedstrijd; de andere, daar omheen, voor de betalende toeschouwers. Aan de Oldehoof-kant stond op de wal een grote houten tribune. Daar tegenover vormde de glooiende wal van de Gouden Bal een natuurlijke tribune voor de duizenden niet-betalers. Een fleuriger toneel kan men zich niet denken: de rijk bevlagde baan, de door elkaar krioelende menigte over de hele breedte van de gracht, de mensenmassa aan weerszijden onder de hoge bomen, de Oldehove in vlaggetooi en dan de prettige stemming, die enig is voor het ijsvermaak! De bestuursleden der IJsclub reden rond met hoge hoed waaraan een groen lint, een jekker waarover om de hals een lint met een zilveren schaatsje; verder korte broek, dikke grijze kousen, onder de knie een rozet met een lang lint, lage schoenen met zilveren gespen. Het kostuum der hardrijders was minder vormelijk, nl. hun onderkleding de vrouwen in borstrok en gebreide onderrok, wat wij, jongens, nogal raar vonden.

Na afloop trok de stoet, bestaande uit de prijswinnaars, de bestuursleden en veel jong volk, achter de muziek door de stad naar de Nieuwe Doelen. s Avonds was er prijsuitdeling bij Van der Wielen, een groot feest, dat de weinig Friese naam frascati droeg. Gezellig was het daar en druk, hoofdzakelijk boerenmensen en op bijna alle tafeltjes een fles rode wijn. Het bestuur zat met de prijswinnaars op een verhoging. De prijzen werden uitgereikt door de voorzitter der IJsclub. Na een wedstrijd van mannen en vrouwen was het grote ogenblik de kus, die de voorzitter aan de beide (naast hem zittende) prijswinsters gaf. 

Internationale

  hardrijderijen werden in mijn jongenstijd hier te lande nog niet gehouden. Voor de toekomst beloven zij niet veel; daarvoor is hier de vorst te onzeker. Maar enkele keren is er toch een geweest. Het eerst, naar ik denk, op 28 Januari 1885 op de Grote Wielen, waar de prijs door Pieter Bruinsma, de premie door Renke van der Zee is gewonnen. Bij de prijsuitdeling heeft de ere-voorzitter getoast op de verbroedering der volken. Waarschijnlijk om door het internationale gezelschap goed te worden verstaan gebruikte hij hiervoor de Friese taal! Een (of misschien twee) jaar daarna zijn in Slikkerveer de Friezen geslagen. Te Leiden werden toen in de studentensocieteit de Friese studenten bespot met de boodschap: De Friezen rijden lelijk, maar ...... langzaam.:


HOOFDSTUK IV

Hogere Burgerschool en Gymnasium

De Burgerschool.

  Bij de invoering van de wet op het middelbaar onderwijs 1863 zijn van rijkswege een aantal hogere burgerscholen met vijfjarige cursus opgericht. Mijn vader, toen hoogleraar aan de Polytechnische school te Delft, was een geboren kindervriend en opvoeder, en het college-geven - uit de hoogte - zonder voldoende voeling met de studenten, verdroot hem. Hij wilde meeleven met zijn leerlingen en zo kwam hij er toe, te dingen naar de laatste nog open direkteursplaats, die te Leeuwarden. De omgekeerde volgorde - van leraar of direkteur tot hoogleraar - is méér in zwang! Thorbecke, wiens wet, uit de aard der zaak, een stap in het onzekere was, aanvaardde volgaarne de medewerking van een man, die bij het onderwijs zijn sporen reeds had verdiend en zo werd in September 1867, onder direkteurschap van prof. C. P. Burger, de Leeuwarder R.H.B.S. geopend.

Toentertijd verkeerde hier te lande het onderwijs in een bedroevende staat; met name dat voor kinderen van 12 tot 18 jaar. Er waren Latijnse en Franse scholen, M.U.L.O.- en kostscholen, maar de leermiddelen waren er gebrekkig, de onderwijskrachten onvoldoende, en een algemene regeling ontbrak. Tezamen beschouwd bestonden er voor de kinderen der gegoeden verschillende scholen, gemiddeld op zéér matig peil; voor de grote schaar der burgerij was er nagenoeg niets.

De proefneming van Thorbecke is volledig geslaagd. De burgerscholen hebben aan duizenden een met hun aanleg overeenkomende degelijke opleiding geschonken. Zij in de eerste plaats zijn de oorzaak geweest, dat na de inzinking in de eerste helft en ook nog na het midden der vorige eeuw, zowel de wetenschap als de nijverheid, de landbouw, de handel in ons land een tijdperk van bloei zijn ingetreden. In dit welslagen komt aan de Leeuwarder R.H.B.S. het volle aandeel toe.

Wie geregeld ’s ochtends wat tijdig vóór achten op het Zaailand was, kreeg daar zijn vaste klanten te zien: van de Schrans kwam Zaaijer, de natuurkundeman, jong en elastisch; uit de Schoolstraat, in trippelpas, Sampie, de man van de planten en dieren; uit de Oude Doelesteeg Cohen, aardrijkskunde en staatsinstellingen, en uit de Bargesteeg de direkteur, met driftige stappen. De laatste drie allen klein van stuk, met bril en hoge hoed. Wij zelf kozen niet de Bargesteeg, maar twee huizen meer west, de Hoedemakerssteeg. Deze heette in de volksmond de Jeneverscheur. Hij was zo nauw, dat een dronken man er aan weerskanten steun vond.

Acht uur vond men in Leeuwarden ál te vroeg. Er waren wel meer dingen, waaraan de ouders hebben moeten wennen; bv. dat zij niet het recht hadden eigenmachtig hun kind van school te houden om te gaan schaatsenrijden. Er zijn Friese ouders, die het ijs belangrijker vinden dan de school.

Uit de herdenkingsrede, die ik, op 13 October 1917, bij het gouden feest der school, in de Harmonie, heb uitgesproken, veroorloof ik mij een aanhaling: Bij de zilveren herdenking werd in deze zelfde zaal, voor een schaar van belangstellenden als deze, de feestrede uitgesproken door mijn onvergetelijken vader. Voorwaar met meer recht dan ik stond hij op deze plaats, die van den aanvang af de school had geleid en een zoo overwegend aandeel had gehad in haar buitengewonen bloei. In deze rede verklaarde hij, dat de verhuizing naar het hem nog geheel onbekende Leeuwarden hem nooit had berouwd. Immers in deze vijfentwintig jaar had hij de Friesche jeugd lief gekregen. Hij wist, dat er warme harten in hun boezem kloppen en dat zij toewijding beantwoorden met toewijding. Het geheim van zijn welslagen lezen wij uit zijn toespraak tot de oudleraren: getrouwe plichtsbetrachting is noodzakelijk, maar hooger staat de liefde tot het werk, tot de leerlingen. Zo sprak hij, die in de opleiding van de Friese jeugd een nuttigen en schoonen werkkring en rijke voldoening had gevonden.

Elke leerling was voor hem een voorwerp van warme belangstelling, ook nog jaren na hun vertrek van de school. Als student heb ik wel brieven van huis gekregen, waarin vader met grote vreugde vermeldde, dat Douwe de Vries bij de postdienst was opgeklommen of dat Tjipke Veldstra bij een maatschappij in Indië was geplaatst; terwijl ik die jongens niet had gekend. Deze belangstelling, niet alleen voor hun werk, maar voor de hele persoon van zijn leerlingen, legde de grondslag voor een verering, waarvan wij bij de gouden herdenking, in tal van brieven van oud-leerlingen, de meest treffende bewijzen hebben ontvangen.

Een mijner klasgenoten, een jongen uit Hardegarijp, die, al of niet door eigen schuld, in een moeilijk parket was geraakt, wendde zich tot vader om raad. Toen hij in ons kringentje terugkwam, was de vraag: wat zei pa Burger? Het gemelijke antwoord luidde: Pa Burger zei, ik was een soeg. Soeg is een Fries woord, dat vader wel niet zal hebben gebruikt; maar de bedoeling was duidelijk: de jonge man had zich knullig gedragen. Van deze uitspraak bestond geen hoger beroep. P.J. Troelstra schrijft in Wording over zijn moeilijkheden in Leeuwarden; over de standentrots van zijn vrienden, die hem er toe hadden genoopt zijn klub te verlaten. Slechts door den invloed van den zoo zeer door mij gerespekteerden direkteur der burgerschool werd ik bewogen, wederom tot haar toe te treden.

Troelstra heeft, met nòg een jongen, een tijdje lang een schoolkrantje uitgegeven, Mercurius, waarvan door enkele leerlingen der drie hoogste klassen afschriften werden gemaakt. In dit blaadje werd over de leraren zeer vrijmoedig gesproken. Troelstra meent dat de inhoud en toon van dit blaadje niet de verontwaardiging motiveerden, die het onder de leraren verwekte. Ik voor mij meen, dat de proeven, die Troelstra zelf van zijn redakteurswerk meedeelt, aantonen dat dit moeilijk in een school kon worden geduld. Uit Troelstra’s verhaal blijkt, dat de leraren in hoge mate vertoornd waren; dat men de direkteur beschuldigde met de leerlingen tegen hen samen te spannen en dat in de leraarsvergadering het voorstel werd gedaan de beide redakteurs van school te jagen. Maar dit voorstel werd door de direkteur afgewezen met de opmerking dat het verwijderen van leerlingen alleen op zijn voorstel kon geschieden en dat zodanig voorstel van hem niet was te verwachten. Troelstra, wegens kwajongensgeschrijf van school gejaagd! - men denke er zich in, voor welk een schande de directeur, door zijn verstandige en krachtige houding de Leeuwarder burgerschool heeft behoed. Dikwijls was hij in zijn denkbeelden zijn tijd vooruit. Toen er eens een leraar uitviel, wilde hij diens lessen tijdelijk laten waarnemen door een lerares van de meisjesburgerschool. Maar de inspekteur, dr. Steyn Parvé, hoewel een vriend van vooruitgang, vond het lesgeven van een vrouw aan een jongensschool wel wat al te kras. Een jongensschool! het eerste meisje is eerst in 1894 verschenen.

Aan het hoofd der school zegt Troelstra, stond als direkteur professor Burger, een hoogstaand man, met groote paedagogische eigenschappen, maar daaraan ontbrak het den meesten leeraren. Zo algemeen zou ik deze bewering niet kunnen onderschrijven; maar staaltjes van dit gebrek kan ik wel geven: Evert Brinkhuis, leerling der tweede klas, staat in de gymnastiekles te halteren. Hij doet dit zo sloom, dat de gymnastiekleraar zegt: Brinkhuis, heb je glazen handen? waarop deze, die dit als een belediging opvat, antwoordt: glazene hannen, die ’t seit! In de heftige woordenwisseling, die hierop volgt zegt eindelijk de gymnastiekleraar, buiten zichzelf: een van ons beiden is gek, jij of ik; waarop Evert: Ik niet! Hij wordt er uit gestuurd, naar de direkteur, die hem het ongepaste van zijn gedrag onder het oog brengt en hem doet beloven, dat hij de volgende dag de gymnastiekleraar om verschoning zal vragen. Aldus geschiedt; Evert stapt op de leraar af en zegt: meneer, ik vraag U excuus, waarop deze paedagoog zijn zaak grondig bederft met de vraag: zeg je dat nu omdat je het meent, of omdat meneer Burger het je gezegd heeft? en toen Evert (de kleine Stânfries!) prompt: omdat meneer Burger het gezegd heeft. 

Oome Koch

  was de kleine, breedgeschouderde Duitse leraar, die Troelstra de grijsgebaarde brombeer noemt en die inderdaad met een vervaarlijke stem door de klas kon brullen: Ruhe! Hij gaf ook les aan het gymnasium en daar was het, dat hij zich eens vreselijk boos heeft gemaakt, niet voor hem, maar voor de Franse leraar. Voor dit opstel had ik de illustraties geleverd. Het had tot titel Méditations et pensées à la gare de Leeuwarde au départ du train à Groningue, par A. Burger, avec illustrations colorées par H. Burger. Het waren eigenlijk niet zozeer overpeinzingen en gedachten als wel de beschrijving van het publiek in de stationswachtkamer, waarbij o.a. een ouderpaar met twaalf kinderen: ce qu’on nomme en hollandais un trap der jeugd. Dan wordt eerst de trein naar Harlingen, dan die naar Heerenveen afgeroepen en tenslotte die naar Groningen: A ce moment le trap der jeugd se lève. De Fransman vond het opstel wel aardig, maar Oome Koch was woedend: Dat had je mij niet moeten lappen! zei hij tegen Adriaan; met weinig reden, dunkt mij. Als men bij Oome Koch de klas werd uitgestuurd, was het een wedren wie het eerst bij de deur zou wezen, hij of de jongen. Was de brombeer er het eerst, dan werd de jongen er formeel uitgetrapt. Door een daad buiten de school is in de winter van 1880-’81 Oome Koch bij ons in hoge mate populair geworden. Dat was in de eerste boerenoorlog. Wij, vijfdeklassers, zaten op het schellinkje van de Stadsschouwburg bij een operavoorstelling van een Duits gezelschap, toen, tegen het eind der voorstelling, het bericht van Amajuba in de schouwburg bekend werd. Nooit te voren had ik zulk een algemene ontroering beleefd als toen. Dit ongelooflijk heldenfeit vloog als een lichtstraal door aller hart. Voor mij was het een openbaring. Daar ginds een stuk Nederland, worstelend om zijn volksbestaan! Niet slechts enkele landbouwers van Hollandse afkomst, maar een volk, hoe klein dan ook, een volk, dat de geschiedenis van onze eigen vrijheidskamp wam herhalen! De volgende ochtend hoorden wij, dat Oome Koch de vlag had uitgestoken en nu trok, om twaalf uur de halve school, vijftig man sterk, naar de Gouden Bal, hoek Spanjaardslaan, waar Oome Koch dat aardige villaatje bewoonde, het eerste huis, dat daar aan de Gouden Bal is gebouwd. En ja, in het voortuintje wapperde aan een hoge mast de vaderlandse driekleur.

Het gymnasium.

 - De Latijnse scholen of gymnasia leidden op voor de universiteit; maar, behalve in Latijn en Grieks, liet het onderricht er alles te wensen over. Hoe het met deze onderwijsinrichtingen was gesteld, toon ik u aan met een beschrijving van het Leeuwarder gymnasium uit omstreeks 1870, die ik ontleen aan het levensbericht van mr. A. Telting door mijn broer Bert (Leiden, 1909):

Dit was een instelling, zooals men zich die haast niet meer kan denken. In het Hofstraatje, een eng slop in de Bollemansteeg, stond een oud schoolgebouw, bestaande uit drie lokalen, met gewitte muren, zoo weinig schoolbanken als voor een twintigtal leerlingen noodig waren, en in ieder lokaal een kachel en een stoel. De drie kamers droegen de schoone namen van Rectorschool, Conrectorschool en Praeceptorschool. s Morgens om 9 uur kwam de claviger, een pokdalig oud man, die er, meen ik, een water-en-vuur-nering op na hield. Hij maakte ’s winters de kachels aan en posteerde zich, overeenkomstig zijn titel, met de sleutel in de hand, in de open deur. Dan kwamen achtereenvolgens de leerlingen en leraren; tegen half tien waren ze er zoo ongeveer alle, en dan begonnen de lessen. In de Praeceptorschool en Conrectorschool bleef men anderhalf jaar, in de Rectorschool twee jaren. In ’t geheel waren er tien halfjaarlijksche klassen, die echter niet steeds alle bezet waren en waarvan elk niet meer dan een drietal leerlingen telde.

Naar aanleiding van de kleine klassen een anekdote. Het gebeurde, dat de reeds genoemde Franse leraar onder de drie leerlingen van zijn klas de orde niet wist te bewaren en dat hij eerst één en later de tweede uit de les stuurde. Toen nam nummer drie een kloek besluit: hij pakte zijn boeken bij elkaar zeggende: dan zal ik ook maar weggaan, zodat de leraar alleen achterbleef.

Reeds spoedig na de stichting van de burgerschool is het in Leeuwarden gebruik geworden, dat jongens eerst een of twee jaar deze school bezochten, om dan naar het gymnasium over te gaan. Een uitstekende regeling: het lyceumdenkbeeld praktisch toegepast voordat er van lycea sprake was! Persoonlijk heb ik van deze gunstige instelling niet geprofiteerd. In mij heeft mijn vader, de verstandige opvoeder, zich toch vergist. Mijn aanleg was letterkundig. Dat ik, op dertienjarige leeftijd zee-officier wilde worden, was alleen te wijten aan de adelborst-uniform en de ponjaard met de lange gouden ketting, waarmee een mij bekende jongen uit Nieuwediep was thuisgekomen. Ik geloof niet dat ik ooit van mijn leven die dolk in een medemens zou hebben durven steken. Gelukkig ben ik om mijn ogen voor Nieuwediep afgekeurd. Wanneer ik, als zo velen mijner vrienden, uit de tweede burgerschoolklasse naar het gymnasium was overgegaan, zou ik heel waarschijnlijk in de letteren, misschien in de rechten, zijn gaan studeren. Nu stond ik na mijn eindexamen op zeventienjarige leeftijd voor een veel te beperkte keus. Zonder bepaalde reden ben ik naar de Indische inrichting te Delft gegaan en het daarop volgende jaar naar Leiden. Ik heb geen recht tot klagen. De geneeskundige studie is in hoge mate belangwekkend en het beroep van geneesheer het edelste dat men zich kan denken. Maar toch, nu ik in mijn levensavond tot mijn jeugdherinneringen en tot de taal mijner schooljaren ben teruggekeerd, betreur ik het gemis van een stevige taalkundige ondergrond.


HOOFDSTUK V

Mijn Burgerschooltijd

Wat was ik en wat vond ik mijzelf een klein ventje, toen ik, elf jaar oud, voor het eerst de burgerschool aan het Zaailand betrad, dat paleis met zijn brede gangen en zalen, zijn speelplaats, zijn gymnastiekgebouw en de tuin, waartoe alleen de jongens der hoogste klassen toegang hadden. Het onderwijs was in het begin een beetje overstelpend: zo veel nieuwe vakken en voor elk vak een eigen leraar. Oome Koch begon met de Duitse schrijfletter, waarin ik veel plezier had. Het bewijs, dat met de kindertijd was afgerekend, was dat ik als lid werd toegelaten tot de vélocipède-club, die in het schouwtoneel mijner jeugd een voorname rol heeft gespeeld. 

De Leeuwarder Vélocipède-Club.

  - De geschiedenis van het rijwiel begint hier te lande in 1869 met de stichting van Burgers’ Eerste Nederlandsche fabriek van vélocipèdes te Deventer. De vélocipèdes, die deze fabriek de eerste vijftien jaar heeft gemaakt, hadden houten wielen (naaf, velg en spaken). Het voorwiel was iets groter dan het achterwiel; beide hadden ijzeren banden. Het zadel was vastgeschroefd op een verende horizontale stalen band. Men zat ongeveer op dezelfde hoogte als op het tegenwoordige rijwiel. De trappers werkten onmiddellijk op de as van het voorwiel.

De eerste vélocipède-club hier te lande is in 1871 te Deventer opgericht; in 1874 volgde die te Leeuwarden. In Het boek der sporten noemt Burkes deze twee clubs de eerste voorloopers van het tegenwoordige wielrijden. De Leeuwarder club was een Oranjekind. Reeds enige tijd hadden de jongens van burgerschool en gymnasium ’s avonds op het Zaailand oefeningen gehouden in figuurrijden. Deze werden gekommandeerd door de stentorstem van Huibert Burger en trokken zo zeer de aandacht, dat de kommissie voor de feestviering ter gelegenheid van het 25-jarig koningschap van Willem III de jeugdige vélocipedisten verzocht aan de feestviering deel te nemen. Zo geschiedde. In het Groot Assaut en Turnfeest op het Plein voor het Paleis van Justitie op 12 Mei 1874 was het laatste programmanummer: Vélocipède-rijden door een gezelschap Leeuwarder jongelieden. De Leeuwarder Courant van 15 Mei bracht bijzondere hulde aan de 18 jonge heeren, die in hun bevallige tenue (zwarte frac, witte pantalon, kaplaarzen en brede oranjesjerp) er uit zagen als een soort eerewacht. Diezelfde dag werd in volle feeststemming tot de oprichting van een club besloten. De kommandant der oefeningen werd voorzitter.

Alle leden bereden roodgelakte Burgers-rijwielen (prijs f 48.-). Zij droegen (met het oog op de met olie gesmeerde wielassen) hoge leren beenkappen en op alle tochten het insigne: een zilveren vélocipèdetje aan een breed lintje in de Leeuwarder kleuren. Hiervoor werd gebruikt het ordelint van de Nederlandse Leeuw; waarom ook niet?

Op de Zondagse tochten werd in de dorpen op de hoorn geblazen. Dit gaf tot klachten aanleiding. In Miedum is het gebeurd, dat onder de preek de kerkbezoekers naar het venster liepen om de optocht te zien. Over de tochten mag overigens niet te licht worden gedacht. Zij gingen niet op gladde wegen en fietspaden en niet op luchtbanden. Het schokken, dat men over de keien rijdende onderging, wordt goed gekenschetst door de spotnaam boneshakers, die de nieuwe voertuigen in Engeland hebben ontvangen.

Naast de tochten was een hoofdnummer op het programma der club de jaarlijkse uitvoering in schoonrijden op een Zondagnamiddag, op het door touwen afgezette middengedeelte van het Zaailand. Rondom het uitvoeringsveld was een strook afgepaald voor het betalende publiek. Het kostuum der rijders was: een sjerp in de Leeuwarder kleuren; voorts een helmhoed van witte stof en het insigne. De uitvoering bestond in hoofdzaak uit carré-rijden, en het was de trots van de kommandant, dat bij het op elkaar inrijden van twee rijen van twaalf, op het ogenblik, dat deze door elkaar heen schoten, één kaarsrechte lijn werd gevormd. Er was een nummer penrijden, waarbij de rijder niet op het zadel zat, maar er naast stond: één voet op de pen (de step). Ook twee op één vélocipède, waartoe op de zadelstang twee zadels achter elkaar waren geschoven. De kroon spande het slotnummer Toomrijden. De deelnemers reden twee aan twee achter elkaar in een lange rij. Aan al de buitenste armen waren blauwe linten bevestigd en al deze teugellinten kwamen saam in de handen van de op de zadelstangen der twee laatste vélocipèdes staande kommandant; in mijn tijd Edo Bergsma. Aldus ging het, achter de stafmuziek der infanterie, het terrein rond en dan naar buiten voor een korte zegetocht door de stad.

Het mag worden gezegd, dat tussen de talrijke zusterverenigingen in den lande de Leeuwarder Vélocipède-Club een geheel enige en roemenswaardige plaats heeft ingenomen. Overal elders was hardrijden troef. Het standaardwerk van Hogenkamp, hoewel aan Edo Bergsma opgedragen, behandelt de wielersport uitsluitend uit het oogpunt der rennerij; talloze foto’s van wedstrijden en van kampioenen met de borst vol medailles; maar er wordt niet gesproken over sport in de zin van lichaams-inspanning in de open lucht, het wielrijden uit plezier in de daad zelf. Deze ideale sport, gewijd aan toerisme en aan schoonrijden, heeft de L.V.C. op hoogst verdienstelijke wijze beoefend.

De traditie der L.V.C. was onafscheidelijk verbonden met de oude houten vélocipède. Hoe weinig gerieflijk deze eigenlijk was, blijkt wel uit het feit, dat van al die geestdriftige clubleden geen enkele na zijn eindexamen het voertuig heeft meegenomen naar de universiteit. Het studentengezelschap Leovardia te Leiden, bijna geheel bestaande uit oud-leden der L.V.C. hield wel vast aan de overlevering der lange piepen met Friese baai, maar de oude liefde voor het vélocipèderijden was verdwenen. 

Societas Corantalia.

  - De 28 Januari 1880 is te Leeuwarden door een paar burgerscholieren opgericht de vereniging Societas Corantalia. Twee schriften met de bijgehouden reglementen zijn nog in mijn bezit. De vereniging stelde zich tot doel: in het bezit te geraken van een prachtige verzameling couranten en daardoor de kennis der geschiedenis, zowel binnen- als buitenlandsche, der letterkunde, der politiek enz. in Nederland aan te kweeken. Het op die dag vastgestelde Reglement (Staatsblad No. 1) hield rekening met een geweldige groei der vereniging: Er zou een hoofdbestuur zijn en een bestuur, voorts leden, eereleden, hoofdagenten, onderafdelingen, zelfs een vereeniging van te Leeuwarden gevestigde hoofdagenten. Er waren echter nog maar twee leden; althans het Reglement is ondertekend: J. U. v. L., praeces; H. B., ab-actis; J. U. v. L., 1e quaestor; H. B., 2e quaestor; H. B., vijfde lid! In de talrijke vergaderingen, die in het eerste jaar zijn gehouden, werden nog een elftal Besluiten en Reglementen vastgesteld, waarin telkens weer wijzigingen zijn aangebracht. Ieder half jaar was er nieuwe bestuursverkiezing.

De middelen, die de vereniging ter bereiking van haar doel aanwendde, waren: A. wettige, B. onwettige middelen. Het berucht geworden art. 4 (van Staatsblad No. 1) luidde: De onwettige middelen zijn voornamelijk expedities voor het wegkapen van zaken, die der Vereeniging geschikt voorkomen. Ik herinner mij, op een Zondagmorgen voor mijn vader een brief te hebben gebracht naar het station, de enige plaats, waar op die dag een brievenbus werd gelicht. Daar aangekomen, zag ik mijn vriend, de praeses-eerste quaestor, bezig met een zakmes in de sleuf van de brievenbus te peuteren. Op mijn vraag, wat hij daar uitvoerde antwoordde hij, zonder om te kijken: artikel 4. Boeten (van 2½-15 cent) werden opgelegd wegens te laat komen of wegblijven van de vergaderingen. Ook werd boete betaald, wanneer men drie maal tot de orde werd geroepen wegens het gebruik van ongepaste uitdrukkingen, als vloek- en scheldwoorden, grove beleedigingen, of een der woorden: president, secretaris, penningmeester enz. Men ziet, dat de oprichters zowel bij de staatsinstellingen als bij de studentengezelschappen in de leer waren gegaan.

De ereleden werden niet overdreven hoffelijk behandeld: Art. 42 gaf hun het recht, voor zich het Reglement over te schrijven! Terwijl gewone leden werden beboet, als zij drie maal tot de orde waren geroepen, bepaalde art. 11 van het Reglement van Orde: wanneer eereleden of hoofdagenten éénmaal tot de orde worden geroepen, betalen zij een boete van f 0.05. Gebeurt het twee maal, dan moeten zij de vergadering verlaten. Ook mochten gewone leden stukken uit de verzameling gedurende veertien dagen ter lezing ontvangen; eereleden, hoofdagenten en anderen daarentegen slechts acht dagen. Of op deze zeer originele voorwaarden velen naar het erelidmaatschap hebben gedongen, is mij niet bekend.

Het ledental is, als ik mij wel herinner, tot zes of zeven aangegroeid. Ook hebben welwillende familieleden en vrienden zich het hoofdagentschap laten aanleunen en de vereniging met kleine, ook wel met belangrijke schenkingen bedacht. Aldus is een lijvige verzameling kranten (van elk één exemplaar) bijeengekomen, die in enige reusachtige portefeuilles (van de tekenles) werden bewaard. De vergaderingen werden doorgaans bij ons thuis gehouden, waar de krantenverzameling berustte. In de winter zaten wij, in mijn onverwarmde bovenkamertje aan de tuin, met de kragen van de overjas op, te debatteren, te verkleumen en zo hard mogelijk aan onze lange pijpen te dampen.

Corantalia heeft het op haar geweten, dat ik eens in een hoogst ongewone staat ben thuis gekomen. Wij hielden, vier man sterk, een avondvergadering ten huize van Johannes Ulbo van L. In tegenstelling tot de gewone soberheid van onze bijeenkomsten werden wij hier onthaald op bessenwijn. Deze ons nog niet bekende drank had een wonderdadige uitwerking. Hij bracht ons niet alleen in een bijzonder prettige stemming, maar had ook een gunstige invloed op onze werkzaamheid, die, zoals reeds duidelijk is gemaakt, bestond in redeneren, betogen, debatteren. Soms oreerden wij alle vier tegelijk. Deze gunstige invloed ontging ons niet, zodat, toen de aangeboden fles was geledigd, Johannes Ulbo verlof kreeg, de vergadering te verlaten om bij de kruidenier op de hoek voor de somma van veertig cent - uit de kas van Corantalia! - een tweede fles te kopen. Zulke winkels gingen in die tijd niet vóór tien uur dicht. Toen ook deze fles zijn plicht had gedaan, hebben wij - ditmaal uit eigen middelen (de persoon een dubbeltje) - een derde fles laten aanrukken. Hoe het mijn medeleden is gegaan, weet ik niet meer; maar ikzelf ben, al suizebollend, naar huis getuimeld. Het was half elf; de familie zat in de tuinkamer om de ronde tafel. Mijn binnenkomen was luidruchtig en maakte al de anderen sprakeloos; zodat ik mij er toe bepaalde, om de tafel heen te dansen; ze allemaal achtereenvolgens op het hoofd te tikken; te verkondigen, dat het hier een vervelende, saaie boel was en naar bed te verdwijnen.

In 1882 liep de vereniging op haar laatste benen. De oprichters en de meeste andere leden vertrokken naar de akademie. De krantenverzameling is beland in de Universiteits-bibliotheek te Amsterdam. Mogelijk is zij daar nog aanwezig en gaat zij, in de geest van Corantalia’s stichters, nog steeds voort met het aankweken van de taal-, geschied- en letterkundige kennis in Nederland.

...........- Deze rij van elf punten was de officiële naam der Stippelclub, die 6 Maart 1881 voor het eerst bijeenkwam en waarvan het notulenboek is bewaard gebleven. De leden noemden zich Stippelaars en zetten, vrijmetselaarsachtig, onder hun naam drie puntjes. In tegenstelling tot het groteske gedoe van Corantalia, waar de reglementen haast even belangrijk waren als de krantenverzameling zelf, had de Stippelclub maar één reglementje van 6 artikels, waaraan nooit is getornd.

Het leert ons, dat de vergaderingen om de andere Zondagavond bij een der leden aan huis werden gehouden; dat voorzitter en secretaris voor eeuwig waren gekozen en dat nieuwe leden alleen met algemene stemmen konden worden benoemd. Het aantal clubleden was oorspronkelijk vijf; weldra zes. Gasten zijn er in haast elke vergadering geweest.

In een der eerste vergaderingen heeft het geschenk van een zwarte baret door een der leden grote ontroering gebracht. Terstond is besloten, dat dit sieraad, dat op alle hoofden bleek te passen, door iedere spreker zou worden gedragen en tevens, dat voortaan de leden ter vergadering zouden verschijnen in zwart gewaad met witte das. De nevenstaande prentverbeelding doet zien, dat het denkbeeld van de zwarte jas niet is doorgevoerd, maar dat het witte strikje zich heeft gehandhaafd.

Behalve de reglementair voorgeschreven voordracht, memorisatie en improvisatie zijn er in de dertig vergaderingen dicht- en prozastukken van zestig verschillende schrijvers voorgelezen. Naar het aantal staan boven J.J. Cremer, Multatuli en Fiore della Neve; dan volgen Schiller, Goethe, De Genestet.

Voor de voordrachten en memorisaties werd van te voren flink gewerkt. Een memorisatie over Niks, waarin achtereenvolgens werd gewauweld over niks als verbastering van niets, over het Latijnse nix en over niks in de betekenis van stroomnymf, vond algemene afkeuring. Men betreurde dat de spreker niet een ernstiger onderwerp had gekozen. Dit laatste was dan ook regel. Men debatteerde met veel gewicht over vraagstukken van de dag, zoals zondagsrust, lijkverbranding, krediet, volksarmoede, over wetenschap en kunst; ook over meer wijsgerige zaken: de ouderdom, de vrees voor de dood, het geluk. Een lid zocht zijn stof bij voorkeur in de oude geschiedenis: de Trojaanse sagenkring, de strijd tussen Plebejers en Patriciërs, zelfs de mythe van Meleager volgens Homerus en volgens Ovidius, met het onverwachte resultaat, dat een der hoorders verklaarde, hoe langer hoe meer afkeer te krijgen van de Griekse goden, die aan zo lage hartstochten ten prooi waren.

Na een voordracht over luchtballon en luchtvaart (luchtvaart in 1882!) vond men, niet onaardig, dat spreker te laag bij den grond was gebleven. Met een memorisatie over: Wat wij zeker noemen is niets dan waarschijnlijkheid begaf een der leden zich op een wijsgerig terrein, waar anderen hem blijkbaar nog niet konden volgen. De stelling dat het volstrekt niet zeker is dat wij bestaan, werd onzin geheten. Als die geleerde inderdaad zijn gansche leven erover heeft nagedacht of hij wel bestaat, dan hoort die man thuis in het dolhuis.

Natuurlijk kwamen de meisjes meer dan eens in bespreking, maar de opvoeding van meisjes was toch wel een wonderlijke keuze. Een meisje, betoogde de improvisator, heeft een fijne educatie nodig, omdat zij de moeder van kinderen moet worden. Een rol van betekenis spelen in mijn jeugdherinneringen de meisjes niet. Mijn scholen - De Ruyter en de H.B.S. - waren jongensscholen. Er was een groepje meisjes met wie wij ’s winters schaatsreden en met wie wij dansten op de wekelijkse dansles bij meneer De Jong. Ook op de zeldzame avondgelegenheden, die met dans werden besloten. In zo’n geval gingen wij vooraf, met het balboekje gewapend, bij deze dames aan huis dansen bespreken. Buiten dit groepje waren vluchtige verliefdheden niet zeldzaam. Had men een vriend, die er aan leed, dan moest men telkens met hem meewandelen op het pad, waar hij zijn uitverkorene hoopte tegen te komen. En dan nog bleef het bij hoed afnemen en een gelukkig-makend lachje.

Terugkerend tot de Stippelclub zij vermeld dat men voor een improvisatie moest kiezen uit onderwerpen, door elk der anderen opgegeven; bedenktijd tien minuten. Een hachelijk ondernemen! Soms zocht de spreker zijn heil in het belachelijk maken van het onderwerp. Een spreker grinnikte zelf zoo, dat er weinig van te verstaan was. Een lid had uit de opgegeven onderwerpen gekozen: De voordeelen, die de scheiding van Nederland en België heeft opgeleverd. Hij wees op de overeenstemming tussen Vlamingen en Nederlanders; zoodat hij een verbinding van ons land met Vlaamsch België volstrekt niet zou afkeuren. Deze jeugdige grootnederlander is een vurig strijder voor de Dietsche gedachte geworden.

Niet woordelijk, maar toch vriendelijk bedoeld waren de uitbundige loftuitingen, die bij elke gelegenheid de Stippeldichter werden toegezwaaid. Deze trouwhartige jongeman die niemand ooit van dichterlijk talent had verdacht, had eens het gezelschap verrast met een viertal verzen: De vier jaargetijden. Zij zijn voor het nageslacht niet bewaard gebleven. Na de lezing ervan was de opgetogenheid algemeen. Men wond de grote dichter een erekrans om de slapen en benoemde hem bij acclamatie tot poet laureate der Stippelclub. Dit nieuwe ambt is voor hem geen sinecure geweest. Bij elke herdenking of feestelijkheid moest hij naar zijn harp grijpen en werd hij uitbundig toegejuicht. Deze hulde nam de man altijd weer in ontvangst met een gelukkige glimlach. Edle weite Herzen, zegt Heine, wissen stets in unsern Scherzen warme Freundschaft zu entdecken. En dat deed de Stippeldichter.

In het notulenboek ligt, met nog andere bescheiden een oproep in brede rouwrand, vermeldende: De vergadering van 11 September 1881, uitgesteld wegens het overlijden van Prins Frederik der Nederlanden, is vastgesteld op Zaterdag 17 September. Is dat niet iets geweldigs: de vergadering uitgesteld en de Stippelclub in de rouw!

Gedagtekend Augustus 1882 bevat het notulenboek van de hand van een der stippelaars, die zich ging laten ontgroenen, een dichterlijk Vaarwel aan mijne medestippelaars, waarin al de heerlijkheden van het stippelleven werden bezongen. Ook andere leden verlieten de stad. Maar nog gedurende het hele jaar 1883 zijn er in elke vakantie vergaderingen gehouden en waren allen bijeen. Zij stonden weer te memoriseren met de baret op het hoofd; zij kritiseerden met de oude vrijmoedigheid. Maar er werd meer wijn gedronken dan vroeger en meer gezongen. In de tweede helft van de avond werd de stemming kroegjoolachtig. Het stippellied wisselde af met studentenzangen. De geestdrift, zegt het notulenboek, stijgt ver boven het toppunt en met luid gejubel beweegt de opgetogen schare zich met knieheffing rondom den disch.

Was vergangen kehrt nicht wieder.
Ging es aber leuchtend nieder,
Leuchtet ’s lange noch zurück.

De Stadsschouwburg.

  - Een haast al te deftig opschrift voor het schouwburgje aan het Ruiterskwartier, dat ik mij niet anders kan voorstellen dan verwaarloosd. Wij waren, als hoogste-klassers van H.B.S. en gymnasium, hier vrij trouwe bezoekers en zaten dan voor een paar dubbeltjes op de galerij. Het werd geregeld bespeeld door het Leeuwarder toneelgezelschap van A. Bakker, die er stukken opvoerde als De man met het ijzeren masker, Jeanne de gevloekte, Pierre de galeiboef, Don Caeser de Bazan. Veel indruk maakte, als père noble, een oude heer Stoett(?), meer door de waardigheid van zijn houding en gebaren dan door het gesproken woord, want hij was tandeloos en onverstaanbaar.

Ook gezelschappen uit Holland traden in het schouwburgje op. Bij voorbeeld Le Gras, van Zuijlen en Haspels en Judels en Bouwmeester met De twee weezen; in de hoofdrollen N. Judels en mevrouw Frenkel-Bouwmeester. Als tegenhanger tegen de tragiek van Bakker voerde het Noord-Duitsche toneelgezelschap van M. Auberbach vrolijke stukken op, als Mein Leopold en Narciss, der Goldonkel; terwijl een gezelschap uit Bremen mij voor het eerst van mijn leven opera’s heeft doen genieten: Martha en Der Freischütz, waarvan niet de muziek, maar wel stukken uit de tekst mij tot heden zijn bijgebleven. 

Te voet naar Ameland.

  - Het ging in gezelschap van twee mijner broers, beiden student te Leiden, per stoomboot naar Dokkum, met het plan om van daar, op de vélocipède over Holwerd naar huis te rijden. In Holwerd dronken wij koffie en gingen toen, voordat wij onze tocht voortzetten, eens aan de zeedijk kijken. Hier werden wij zeer getroffen door de dam, die zich recht vóór ons, eindeloos ver in de zee uitstrekte. Aan arbeiders, die daar aan het werk waren, vroegen wij of men over die dam naar Ameland kon lopen en toen hun antwoord bevestigend luidde, beraadden wij ons niet lang en ondernamen het avontuur. Dit werd geen pleziertochtje. De ruim 9 km lange dam bestond uit grove keien en takkebossen en de wandeling (de worsteling!) gedurende verscheidene uren over deze onregelmatige, hoekige stenen was uitermate vermoeiend. Zoals bekend, heeft men met dit werk beoogd het Wad door aanslibbing tot demping te brengen. Dit plan is mislukt. In Wumkes Stads- en dorpskroniek lees ik (3 Oktober 1882), dat er in de dam grote gaten zijn geslagen. Van Ameland hebben wij maar weinig gezien; vermoeid als wij waren, zijn wij na het eten al gauw naar kooi gegaan. Om vier uur werden wij gewekt voor de terugtocht met het beurtschip. Op deze tocht bleek ons, dat de dam onder de vloed geheel verdwenen was en dat wij, die van de getijden niets hadden geweten, ons met onze wandeling aan levensgevaar hadden blootgesteld. Ik denk, dat er onder de levenden niet velen meer zijn, die deze zelfde tocht hebben gedaan.

Van het beurtschip ging het in een roeiboot naar de dijk. Op de wandeling van hier naar de herberg (waar de vélo’s waren achtergebleven) hadden wij kort kontakt met de inheemse bevolking: Een opgeschoten boerenjongen kwam naast ons lopen en informeerde: Bin jimme Wybrandi’s? Hierop kreeg hij drie verschillende antwoorden: Bert zei: ‘nee; ik zei: ja en Adriaan, die wat doof was, zei: ik weet ’t niet, waarop onze vriend aan dat zonderlinge stelletje de rug toedraaide. 

Moeders dood.

  - In mijn laatste burgerschooljaar stierf mijn moeder. Lang had zij rondgelopen met de dreiging van een ongeneeslijke aandoening. Een operatie had het gehoopte gevolg niet gehad. Zij wist dat haar dagen geteld waren en had zich op deze onvermijdelijkheid ingesteld met blijmoedige berusting. Haar persoonlijke bezittingen verdeelde zij onder familieleden. Een peetnichtje in Bennekom kreeg haar bruidsjapon, die zij dertig jaar lang zorgvuldig had bewaard.

Ook wij wisten welk lot ons boven het hoofd hing, maar de opgewektheid, waarmee moeder, als van ouds haar huiselijke werkzaamheden verrichtte, haar onverstoorbaar goed humeur, hielden een niet gerechtvaardigde hoop in ons wakker. Totdat zij bedlegerig werd en - evenals vroeger voor broer Dijs - in de kelderkamer voor ziekenverblijf werd ingericht. Welk een gezegende invloed gaat er uit van zulk een ziekbed. Nooit waren er velen tegelijk in de kamer; maar toch was hier het middelpunt van ons familieleven. Wij waren er telkens en onze gedachten waren er altijd. Wat zij in zo menig gesprek tot elk van ons heeft gezegd, laat zich niet alles weergeven; het had meestal een volstrekt persoonlijke waarde.

Ik vind het zo’n heerlijke gedachte, zei zij eens tot mij, dat ik die man met al die kinderen achterlaat. En tegen een mijner broers: Het spijt mij nog het meest voor vader.

Voor vader; niet voor haarzelf! Deze ziekte, deze dood hebben mijn geest telkens weer vervuld met het grote raadsel van het leven. Aan deze vrouw had het lot alles geschonken wat men op aard kon begeren: gezondheid van lichaam en geest, een opgewekt gemoed, een echtgenoot, hoogstaand als mens en door ieder geëerd, een hartelijk toegewijde kinderschaar, over wier toekomst zij gerust was en maatschappelijk de mogelijkheid, hun alles te geven wat voor hun vorming en opleiding nodig was. Op zes en vijftigjarige leeftijd - zo jong nog! - van dit alles afstand te doen in volmaakte zielevrede, haar kruis zo met blijheid te dragen, wij hebben het iedere dag weer aanschouwd met verbazing en bewondering.

Met verbazing, want de grote stap in het onbekende betekende voor haar niet de overgang naar een gelukkig hiernamaals. Zij steunde niet op het geloof ener kerk. Het is opmerkelijk hoe uit ons huis het kerkelijke leven zonder gerucht is verdwenen. Moeder kwam uit een ouderwets orthodox gezin. Ook vaders familie was niet ongelovig, niet onkerks. Het lidmaatschap der Remonstrantse broederschap was er een eerbiedwaardige overlevering. Vader was een afstammeling van Jan Bisschop, broeder van Simon Episcopius, de eerste hoogleraar aan het seminarium der Remonstranten. Hijzelf was tijdens zijn hoogleraarschap te Delft aldaar ouderling geweest. Bij een vakature in het leraarsambt kwamen geregeld de van buiten invallende dominees Zondags na de dienst bij hem aan huis koffiedrinken.

Wij kinderen zijn allen naar katechisatie gegaan. Behalve bij dominee Weerman heb ik ook privaat katechisatieles gehad van meester Grosjean en vroeger nog had ik de Zondagschool van de Protestantenbond bezocht, die in het schoolgebouw van onze buurman, meester Roker, werd gegeven. Aldus heb ik als kind veel bijbelse geschiedenis geleerd, waarvoor ik nog dankbaar ben. Toen ik nog klein was werd aan tafel geregeld gebeden, een vaste formule: Here, zegen deze spijs en drank, amen! en Dank U, Heer voor deze spijs en drank, amen! Moeder is aanvankelijk ’s Zondags ter kerke gegaan, maar dit heeft allengs opgehouden. Later is zij er wel mee geplaagd, dat zij met een oudejaarsavond-kerkgang het verzuim van een heel jaar meende goed te maken. Over godsdienst heb ik thuis heel weinig horen praten. Gespot werd er nooit; mijn ouders beleden en toonden eerbied voor andermans geloof en strikte verdraagzaamheid. Zij erkenden het Christendom als de beste der godsdiensten, omdat het liefde predikt en de liefde hoger stelt dan de hoop en het geloof. Hun wandel was die der rechtvaardigen. Moeders dood en later die van vader was het eind van een gezegend leven.

HOOFDSTUK VI

Mijn studententijd

Mijn studententijd te Delft (één jaar) en te Leiden betekende geen afscheid van Leeuwarden. Ik kwam er alle vakanties. In mijn klinische jaren duurde in Leiden de cursus precies vijf maanden; de vakanties besloegen zeven maanden van het jaar. De eerlijkheid gebiedt te zeggen, dat er in de vijf college-maanden hard werd gewerkt. Wij waren de hele dag in touw, in het ziekenhuis of in de laboratoria en gebruikten de avonden voor het uitwerken van diktaten. Alle boekenstudie moest gebeuren in de vakanties. Ik heb heel wat geblokt op vaders kamer. Maar zo bleef ik ook ten volle lid van het gezin. Op de reis van Leiden naar Leeuwarden werd vaak Amersfoort aangedaan voor een bezoek aan vaders oudste broer, Oom Dijs, die daar rector was van het gymnasium en die op het vasthouden van de familieband zeer gesteld was. Oom was een kleine, allervriendelijkste, hulpvaardige man, volgens zijn oud-leerling, prof. De Louter van een bijna kinderlijke goedhartigheid en vroomheid. De oude talen waren hem vertrouwd als zijn moedertaal. Zijn wijsgerige geest vertoefde gestadig in de klassieke oudheid, zodat de juiste blik op de hem omringende werkelijkheid hem wel eens ontging. Met telkens hernieuwde ontroering las De Louter op het schier vergeten graf van zijn oude rector: Disce puer virtutem ex me verumque laborem, (Leer, jongeling, van mij de deugd en de ware arbeid). Na de paas- en zomervakanties reisde ik, als ik gezelschap had, graag met de boot: ’s ochtends tien uur uit Harlingen; tegen vijf in Amsterdam. In Groot Mokum wisten wij ons die avond goed te ontspannen. Als er een kamerlid of ander hoog personage aan boord was, woei de driekleur van de achtersteven. De biefstuk op de boot was beroemd.

Om de te Leiden studerende Leeuwarders voor heimwee te behoeden was daar het gezelschap Leovardia, dat om de veertien dagen ’s Zaterdagsavonds om tien uur bijeenkwam; een vriendenkring, waar Luwaddes werd gesproken; waar men uit lange pijpen Friese baai van Taconis rookte en waar veel rode wijn werd gedronken. Grardus Murray Bakker uit Huzum, die om zijn lange gestalte ’t Reuske van ’t darp heette, was de dichter van het Leovardia-lied en van een drinklied, beide in het Leeuwards. Het refrein van dit laatste lid was het Haliwaat, haliwaat, haliwaturr, waarmee de Leeuwarder waterverkopers het water van de oude stadsvijver plachten rond te venten.

In Leeuwarden had men, zo gauw men student was, toegang tot de Grote Societeit op de Langepiep. Op het borreluur behoorden wij dan tot de vaste klanten: ’s winters achter de hoge spiegelruiten; ’s zomers buiten, op de brede stoep. Ik herinner mij, dat daar eens een uiterst welbespraakte goochelaar uit Amsterdam van de piep kwam aanwandelen, die spoedig kontakt kreeg met het gezelschap en die er veel vrolijkheid verwekte, door aan een zeer deftige notaris van de Nieuwstad diens hoge hoed te leen te vragen en dan van ’s mans kale schedel, een golfje klinkende rijksdaalders in de hoed te strijken. Ik heb er wel meegedaan aan de jaarlijkse onderlinge biljartwedstrijd.

Van deze kunst hadden wij reeds in de schooltijd de eerste beginselen geleerd, bij voorkeur in de dorpsherbergen in de omgeving der stad, waar dan onze drank een glaasje rood met suiker was. Ons avondbiertje nuttigden wij meestal bij Wagenaar, in het Friesch koffiehuis op de Wirdumerdijk. Destijds was, ook in Hollandse koffiehuizen, het voorste deel der zaal door een zwaar groen gordijn van de rest gescheiden. In deze voorste, niet verlichte afdeling zat men naar de voorbijgangers op straat te kijken, zonder door dezen te worden gezien.

In de eerste Kerstvakantie, die ik als student in Leeuwarden doorbracht, heb ik, op het ijs, een ietwat ontnuchterende levenservaring opgedaan. Op de gracht ontdekte ik een paar meisjes, met wie ik vroeger had gedanst en ook wel schaats gereden, in gezelschap van jonge officieren. Ik vroeg verlof mij aan te sluiten, wat mij werd toegestaan, maar blijkbaar niet recht van harte. Zij waren wel vriendelijk, maar konden het, dacht ik, ook wel zonder mij stellen. Op de Langepijp had ik mij een Heer gevoeld: hier op de gracht was ik, in de ogen van deze groot geworden meisjes, nog altijd een jochie, en ik voelde mij klein, het eerste jaarsstudentje met ten minste zeven studiejaren voor de boeg! 

Vaders tweede huwelijk.

  Anderhalf jaar ongeveer na moeders overlijden maakte vader ons deelgenoot van zijn plan voor een tweede huwelijk. Deze niet geheel onverwachte mededeling ontving ik met gemengde gewaarwordingen. Daar was voor mijn gevoel iets stuitends, iets van ontrouw tegen moeders nagedachtenis. Maar aan de andere kant toch ook de hoop, dat de toestand thuis zou veranderen. Er was naast juf een juffrouw gekomen, een werkelijke dame, die haar taak zeer wel verzorgde; maar toch er lag een domper op het gezin; vader was niet meer de opgewekte, energieke man van vroeger; de oude intieme sfeer was verdwenen. Vurig hoopte ik, dat vaders besluit een nieuw, gelukkig tijdvak zou inluiden; maar ik was niet gerust dat hij de juiste keus zou hebben gedaan. Wanneer de stiefmoeder in onze sfeer niet zou aarden, welk een ramp zou dit zijn, vooral voor de twee zusjes thuis! Zijn keus is voortreffelijk geweest. Zijn nieuwe vrouw was een Suringar, dochter van het merkamenten mantsje, een statige Friese verschijning, met innemend uiterlijk. Met bewonderenswaardig fijn gevoel beheerste zij de aanvankelijk voor haar allesbehalve gemakkelijke toestand: haar huwelijk met een bijna zestigjarige, het plotseling bezit van vijf volwassen zoons en twee dochters!

Wij hebben het haar niet moeilijk gemaakt. Daar is vrijwel dadelijk een wederzijds begrijpen geweest, een aanvoelen van bij elkaar passen, een innerlijke gerustheid omtrent het welslagen van dit nieuwe samenleven. Zij bleef de trouwe dochter van haar moeder, en ook wij waren alras geen vreemden meer in dat oude huis Achter de Geweldige, met zijn prachtige tuin.

Zij was een vrouw met meer dan gewone gaven. In het openbare leven gold haar belangstelling vooral het handwerkonderwijs. Van de naai- en verstelschool is zij meer dan vijftig jaar, eerst secretaresse, dan voorzitster geweest. Zij was ook vele jaren voogdes van het Blauwe weeshuis. Toevallig is zij het geweest, van wie ik als kind les heb gehad in de Zondagschool van de Protestantenbond.

Haar warme belangstelling in onderwijs paste uitstekend bij die van vader. Deze had, getrouw aan zijn dikwijls uitgesproken mening, dat men zichzelf niet moet overleven, in 1892, na het zilveren feest van zijn school, ontslag genomen als direkteur; maar hij bleef in Leeuwarden een van de grote vrienden van het onderwijs. Hij werd lid van de commissie van toezicht op het lager onderwijs, en hier deed hij, als tachtigjarige, de eerste stap om te komen tot bijzonder onderwijs aan achterlijke kinderen. Niet minder dan acht keer had hij de jaarvergadering der Vereeniging van leraren bij het Middelbaar Onderwijs gepresideerd. Hij bleef een warm strijder voor de toelating van de oud-burgerscholieren tot de akademische studie. Kenmerkend is, dat toen, in zijn oude burgerschool, enige jaren na zijn ontslag, tegen het eind van de cursus een leraar onverwacht uitviel, hij zich bij de direkteur aanmeldde, om aan de jongens van de vijfde klas, die dit, naar hij meende, voor hun eindexamen hoog nodig hadden, wiskundeles te geven. Hij is er dadelijk mee begonnen, zonder aanstelling en dus ook zonder betaling, maar met blijdschap en voldoening.

In de tijd van zijn tweede huwelijk zijn zijn kinderen getrouwd en verschenen er tal van frisse loten aan de oude stam. Voor een nieuw geslacht werd Bij de Put 15 een lustoord. In sterke mate heeft daartoe bijgedragen Grootma’s gave om met klein volk om te gaan. Zij was onuitputtelijk in het uitdenken van spelletjes, voor tuin en huis. Omgekeerd verwekte een bezoek van grootvader en grootma in onze jonge gezinnen hartelijke vreugd.

Zo is de melodie van vaders leven afgespeeld in volmaakte harmonie. Haast ongemerkt heeft de tijd zijn krachten gesloopt. Zonder ziekte is hij, werkelijk van ouderdom, gestorven. De avond vóór zijn dood heeft hij nog met huisgenoten een kaartje gelegd, waarbij hij telkens indommelde. Hij is vroeg naar bed gegaan; heeft zich ter ruste gelegd en is niet meer wakker geworden. Een benijdenswaardig eind van een gezegend leven. 

Grootma.

  - Het is voor ons een groot voorrecht geweest, dat na vaders dood het ouderlijk huis te Leeuwarden is blijven bestaan. Wij kwamen er natuurlijk niet zo dikwijls meer; elk van ons had zijn eigen gezin en zijn eigen dagtaak. Maar op familiedagen was ieder die zich kon vrijmaken er aanwezig. Een-en-twintig Juli, Grootma’s verjaardag, werd een vaste reuniedag. Vader zelf had de wens daartoe uitgesproken.

Het huis Bij de Put 15 is lang ongerept gebleven, maar de tuin onderging bedenkelijke veranderingen. De grote bomen verdwenen. Het eerst de acacia en de appelbomen voor het huis, reeds lang kwijnend van ouderdom. Maar dan ook - ik zag het niet zonder hartzeer - de reusachtige kastanje achter in de tuin, die de eeuwen scheen te kunnen trotseren; maar die, met zijn machtig bladerdak en steeds verder woekerende wortels een groot deel van de tuin voor bloemencultuur ongeschikt maakte. Ook de timmerkamer veranderde van aard. Op een goede dag vonden wij hem herbouwd tot bloemenserre.

Onverwoestbaar was Grootma’s levenslust en energie. Schaatsrijden bleef zij volhouden lang na haar zeventigste jaar. Zij was in Leeuwarden de enige dame van haar leeftijd, die deze Friese sport nog beoefende. En zeker ook de enige, die (op een driewieler), desnoods in haar eentje, lange fietstochten maakte. Ik lees hier in een brief van 16 Oktober 1912 - zij was toen 74 jaar - : Gister heb ik alweer gefietst; vertel een aan Wim: Marssum, Engelum, Beetgumermolen, Stiens en terug, zonder te rusten; het was een heel eind, maar heerlijk; mooi weer en de lange Dijk voor de wind. Drie jaar later nog heb ik met haar (zij op haar driewieler) gefietst van Arnhem naar Nijmegen; allebei tochten van ruim 20 km!

Aan deze sport heeft haar toenemende slepende rheumatiek een eind gemaakt. Niet aan haar opgewektheid en belangstelling. Toen zij veroordeeld was tot een duwwagentje, liet zij zich, voor belangrijke rolprentvertoningen, naar de bioskoop rijden. Zij werd daar met eerbied behandeld. Voordat het publiek werd toegelaten, reed men haar in het middenpad tot vrij voor in de zaal. Na de voorstelling bleef zij daar, totdat de menigte was afgetrokken.

Haar kloekheid van geest is het schoonst tot uiting gekomen in de wijze, waarop zij haar lichamelijk leed onderdrukte. Vooral in de nacht veroorzaakte de rheumatiek erge pijnen. Niemand weet, hoeveel zij in stilte heeft geleden. Herhaaldelijk heb ik, geruisloos langs haar half-open slaapkamerdeur gaande, haar in haar bed horen kreunen. Maar nooit heeft iemand een klacht uit haar mond vernomen. Een voorbeeld voor ons allen, niet alleen wilskracht, maar ook van levenswijsheid!

Na Grootma’s overlijden, in 1927, bleek, dat zij haar vermogen niet aan haar eigen familie, maar aan haar Burger-kinderen had nagelaten. Door deze beschikking heeft zij uiting willen geven aan haar dankbaarheid voor de waardering en liefde, haar bewezen in dit gezin, waar zij zich in werkelijkheid de tweede moeder had gevoeld.

Na Grootma’s overlijden en het teloorgaan van het ouderlijk huis is de jaarlijkse reunie, voortgezet als een familiedag, die - het eerst in 1927, ieder jaar ergens in het centrum van het land wordt gehouden en die in de regel wel veertig of vijftig nakomelingen van C. P. Burger (en aangetrouwden) bijeenbrengt.


HOOFDSTUK VII

Na zeventig jaar

Wie als een tweede Rip van Winkle, na een slaap van zeventig jaar zou ontwaken in Leeuwarden, de plaats zijner kinderjaren, hij zou dezelfde verbijstering ondervinden als zijn voorganger van de Hudson Valley bij diens terugkeer in de Village of Laughing Water. Het is zijn oude stad, maar alles is veranderd. De grond, waarop hij loopt, is dezelfde niet meer. De balstienen en het slecht hebben plaats gemaakt voor een gladde rijweg met een verhoogd voetpad langs de huizen. Al de aardige stoepen zijn verdwenen. Op de Nieuwstad zijn in de patriciërhuizen, ook het Burmaniahuis, zaken gevestigd. Zelfs de Grote Societeit op de Langepiep is een winkelpand geworden. Op de winkels staan onbekende namen; vele vertonen schreeuwerige reklames. Over de straat glijden, zonder paarden, dicht bij de grond, gesloten koetsen, door een onzichtbaar mechanisme bewogen en bestuurd door een achter een ruit zittende man, met twee handen aan een stuurrad. Deze koetsen rijden met een razende vaart en stoten onmuzikale geluiden uit. Als het avond wordt gaan, zonder lantaarnopsteker, hoog in de straat schelle lichten branden. Ook sommige winkels ontsteken illuminaties, die de ogen pijn doen ......

Ik kan Rip niet aldus laten voortgaan. Hij is te erg van de wijs. Door het vreemde licht verblind, ontgaat hem het blijde beeld van die mensenschaar, die ’s avonds, na volbrachte arbeid, over de Nieuwstad paradeert. Om te zien en gezien te worden. En zij mogen worden gezien, die meisjes en vrouwen, vooral om haar zelfbewuste, fiere gang, deze jonge-frouwen van Friesland, aan wie Starter, de eerste Leeuwarder dichter, drie eeuwen geleden zijn huldegroet heeft gebracht:

Opdat een ieder weet, dat binnen Frieslands lijn
De heusche, schoonste en beleefste vrouwen zijn.

Maar ook afgezien van de vrouwen heeft Rip groot ongelijk. Had hij niet zo onmatig lang liggen slapen, dan had hij wel begrepen, dat ook in Leeuwarden de klok niet zou stilstaan. Een billijke beoordeling wil Leeuwarden zien in de lijst van deze tijd. Uit dit oogpunt bezien sluit de balans van dit zeventigjarig tijdvak met een verheugend eindcijfer. Het zielental der stad is verdubbeld; het bebouwde oppervlak wel verviervoudigd. Aan de buitenzij zijn machtige fabriekskomplexen verrezen. De veemarkt, deze voor Leeuwardens bloei zo gewichtige zaak, heeft nooit gedachte uitbreidingen ondergaan. Een eeuw geleden prees Eekhoff de veemarkt aan het Ruiterskwartier als bijna niets te wensen overlatend. Maar de veel ruimere veemarkt, die in 1874 bij het station is gebouwd, is sedertdien herhaalde malen moeten worden vergroot. Totdat in 1929 een hoogst oorspronkelijk denkbeeld is verwezenlijkt en op de markt (een voor 6000 schapen ingerichte) betonnen verdieping is gezet, die op zichzelf een bezienswaardigheid is.

Vóór ik nu zelf op pad ga, sla ik de plattegrond van 1933 open en vind Leeuwarden, dat eertijds (behalve aan de Schrans en aan het Vliet) nauwelijks buiten zijn oude vestinggordel uitkwam, thans aan alle zijden door voorsteden ingesloten. De in de vier hoofdrichtingen lopende straatwegen, ook het Nieuwe Kanaal, liggen midden in een huizenzee. Thans bestijg ik de fiets om al de nieuwe buitenwijken te doorkruisen. Zij geven de indruk van netheid, vriendelijkheid zorg, voor licht en lucht. Er zijn veel huizen met voor- en achtertuintjes, kleine plantsoenen, grote schoolgebouwen, in West een statige kerk met een helaas niet al te fraaie toren.

Intussen hoe verdienstelijk de buitenwijken ook zijn ontworpen en hoeveel zij nog zullen groeien, toch zullen zij nimmer het karakter van de stad bepalen. Daarvoor is er teveel overeenkomst met de nieuwe buurten van al de steden van die grootte. De vreemdeling, die van Leeuwarden een gunstige indruk heeft ontvangen, zal thuis over de buitenwijken niet reppen; maar wel zal hij verhalen van het in plantsoen herschapen bolwerk, van de Oldehove en van de binnengracht, die in fraaie kromming de stad doorsnijdt. 

Bolwerken en poorten.

  - In het begin der vorige eeuw bezat Leeuwarden nog zijn volledige vestingwal, met zeven poorten en negen puntige bastions, die hier (met een mooi Nederlands woord) dwingers heetten. Tussen de jaren 1817 en 1846 zijn de wallen geslecht en al de poorten afgebroken. Ook enkele van de dwingers werden afgegraven; maar de meeste werden in plantsoen herschapen, dat de stad aan drie zijden omsloot. En naar oud voorbeeld, zijn op al de in stand gebleven dwingers korenmolens geplaatst, waarvan ik er in mijn jeugd nog een viertal heb zien draaien. Op de Wirdumerpoortsdwinger, waar nu het beurs- en waaggebouw staat, stond eertijds een grote molen, de Fortuin. Wij hebben in die buurt dikwijls gespeeld; totdat, in 1873, de molen is afgebroken en de rest van de dwinger geslecht. Een jaar daarop hebben wij de Verlaatsdwinger, de Hoge Berg, zien afgraven, een der meest geliefde wandelingen van Leeuwardens ingezetenen. Voorlopig bleef een deel van de dwinger, met de molen de Hoop, nog gespaard. Tien jaar later is de sloper zijn vernielingswerk komen voltooien. Waar de Hoge Berg, met zijn geboomte en zijn vrije kijk over het water, een lustoord voor de Leeuwarders is geweest, staat thans een rijtje banale huizen langs de kade.

De Vrouwenpoortsdwinger (thans Westerplantage) heeft zijn plantsoen behouden; maar het aardige molentje: de Arend, dat hem kroonde, is, toen het in 1901 bouwvallig was geworden, voor afbraak verkocht. De Oldehoofster dwinger, ’t Klein Fentsje (nu Noorder Plantage), was na het verdwijnen van de Hoge Berg, met de Prinsentuin de mooiste der dwingers. In 1882 is hij gedeeltelijk afgegraven, waarbij ook de molen de Leeuw is gevallen.

Vraagt men, waarom Leeuwarden zijn prachtige bolwerkwandeling, een zo uitzonderlijk sieraad, voor een groot deel heeft prijs gegeven, dan past daarop helaas geen ander antwoord dan: kruidenierspolitiek. Dat bij de grote uitbreiding-Zuid en de aanleg van de Willemskade de Zuiderdwinger moest worden opgeofferd, is duidelijk; maar de Hoge Berg! Volgens officiële gegevens is deze dwinger afgegraven, omdat de aarde er van zo goed kon dienen voor het ophogen van het terrein voor de nieuwe veemarkt. Met de kop van ’t Klein Fentsje is de Eewal gedempt. Alsof niet van elders zand had kunnen worden aangevoerd. In dezelfde gedachtenkring zou men de Oldehove kunnen afbreken om met de stenen er van het Oldehoofster kerkhof van een behoorlijk plaveisel te voorzien.

Terloops noemde ik het afbreken van de poorten. In de eerste helft der vorige eeuw heeft men dit een nuttig werk gevonden. In 1846 schreef Eekhoff, de verdienstelijke stads-archivaris: Geene verandering had voor het uiterlijk der stad zoo groote gevolgen en mogt zoo algemeenen bijval verwerven dan het wegbreken van de poorten en slechten van de wallen.

Gedurende de eerste helft van die eeuw en nog wat langer was het gevoel voor de waarde van oude bouwwerken, was de eerbied voor de kunst en het leven van vroegere geslachten volkomen zoek. In nagenoeg al onze steden werden karakteristieke gebouwen uit de gouden eeuw en schilderachtige stadspoorten, zonder enige bepaalde aanleiding, gesloopt. In Amsterdam zijn in een zelfde jaar de sierlijke Haringpakkerstoren en de Jan Roodenpoortstoren onder slopershanden gevallen. Zij stonden niemand in de weg; maar het is duidelijk, dat wanneer zij dit wèl hadden gedaan, niet de toren, maar de weg had moeten wijken. Toen dieper inzicht was geboren, heeft men in verscheidene plaatsen de verkeersweg verlegd: rondom een oude poort, in plaats van er doorheen. Zo is in Haarlem de mooie Amsterdamse poort behouden gebleven. In Leeuwarden had, althans met de Wirdumer en de Vrouwenpoort, hetzelfde zeer wel kunnen geschieden. Is het niet doodjammer, dat van de zeven stadspoorten (alle met dubbele toren) geen enkele is bewaard gebleven? 

De Nieuwetoren

  mis in 1884 afgebroken. Hij was voor herstel niet vatbaar. Reeds sinds lang was hij bedenkelijk scheef gaan staan. Toen de Decemberstorm van 1883 hem nog eens duchtig had geteisterd, heeft de Gemeenteraad tot afbraak besloten. Een voorstel tot herbouw is door de Raad (bij herhaalde staking van stemmen) verworpen. Afbraak dus en geen opbouw! goede raad is duur; slechte raad goedkoop. Die van zestig jaar geleden is een goedkope, maar geen goede Raad geweest. De afbraak heeft aan de stedelijke kas een voordeeltje van achthonderd gulden opgeleverd; maar de Nieuwetoren, die reeds op oude prenten het stadsbeeld van Leeuwarden beheerste, is verdwenen. Zie ook het titelprentje: de Brol met Nieuwe toren! 

Grachten.

  - Wat rijkdom aan grachten betreft was Leeuwarden in zijn aanleg een echt Nederlandse stad. Men vergelijke onderstaande grachtenkaartjes om te zien hoeveel water er tussen 1664 en 1933 is verdwenen. Of juister: in deze laatste eeuw; want op de kaart van 1845 zijn bijna al die zeventiende-eeuwse grachten nog aanwezig.

De stad bezit, schreef reeds lang geleden het weekblad De Bouwwereld, nog slechts enkele bouwwerken van betekenis en haar effect berust voor een groot deel op de oude grachten. Als die verdwijnen, is Leeuwarden een stad geworden van hopelooze banaliteit.

Men bedenke wel, dat bij iedere demping niet alleen een stukje geschiedenis, maar meestal ook veel moois en schilderachtigs verloren gaat, waarvan men in nieuwe stadswijken de wederga nimmer kan terug vinden. 

Het dodenpleintje

 . - In een Fries gedicht van Piet Troelstra uit 1920, It deade-doarp, naar mijn gevoel zijn allerbeste, komt hij, na een afwezigheid van veertig jaar, terug, in zijn oude dorp, het doden-dorp: in alle deuren staan doden en de meeste wenken hem en spreken hem aan. Evenzo ben ik, na lange, lange afwezigheid, teruggekeerd op de Put, het dorp van mijn kindertijd, en ook ik zag er niets dan doden.

Het pleintje zelf is niet veranderd; ik geloof niet, dat er één enkele gevel is vernieuwd in al die jaren. Daar, op de hoek van het Jacobijner kerkhof, staat nog altijd de Grote kerk berustend te zwijgen, maar ook zwijgend welsprekend te protesteren tegen de hem aangedane mishandeling. Een geslacht zonder smaak heeft de kerk gerestaureerd, door de eeuwenoude bakstenen gevel van onder tot boven met een mengsel van kalk en kiezel te bepleisteren. Van het ouderlijk huis op nummer 15 is, tot mijn teleurstelling, de stoep met de paaltjes en kettingen verdwenen en vervangen door een modern trottoir.

In het hoekhuis, tegenover ons, gaat de deur open. Vader Vonk, de timmerbaas, komt voor de dag. Ik groet hem, maar hij antwoordt niet. Piet, de zoon, mijn klasgenoot, treedt naar buiten, zijn schoolboeken onder de arm; maar ook hij ziet mij niet en alleen gaat hij op weg naar de burgerschool. In het brede huis naast Vonk, zit aan het raam, voor zijn lessenaar, de oude heer Mispelblom, met de witte bakkebaarden. Hij is druk aan het cijferen en kijkt niet op. Dichter bij de Breedstraat kan ik door een winkelraam de dikker heer Van Zuiden, beroemd om zijn jodenkoeken, bezig zien achter de toonbank. Zijn kostganger, Symon Jacob de Roos (nog ouder dan mijn vader), verschijnt op de stoep: een merkwaardig joods heertje met een goedaardig gezicht onder een heel hoge hoed en gekleed in een blauwlakense jas van oude dagtekening. Waarschijnlijk gaat hij naar de provinciale griffie, waar hij onder het personeel een enfant chéri is. Want hij is kinderlijk naïef, trouwhartig en hulpvaardig. Deze man heeft zijn baan zó lief gehad, dat toen zijn leeftijdsgrens was gekomen, hij er niet van heeft willen scheiden. De Commissaris, de vriendelijke heer Van Panhuys, heeft hem toen toegestaan, op de griffie te blijven werken, als volontair, met een klein traktementje, en dit heeft De Roos nog zeventien jaar volgehouden.

Het moet bepaald Zaterdag zijn, want van alle kanten gaan er mannen de Sacramentstraat in, naar de synagoge. Oudtijds heb ik dat gebouw niet durven binnengaan. Bij ons, jongens, had het een roep van ongastvrijheid. Als je even je pet afnam, heette het, spuwden de joden op je hoofd. Nu trek ik de stoute schoenen aan en wandel met de stroom naar binnen. Er is veel gegons van stemmen; maar iets onvriendelijks gebeurt er niet. Het is er stampvol; de meeste mannen in donkere kleren, allen met de hoeden op. Er wordt gegalmd en ook, door één hoge mannestem, prachtig gezongen. Maar toch voel ik mij opgelucht als ik weer behouden op de Put sta.

Kijk, daar op de stoep van nummer 15 staat de groenteman en, in de open deur, onze oude juf, met gouden oorijzer en witte muts. Zij zijn in druk gesprek. Reken maar, dat daar goed Luwaddes wordt gepraat en aan Leeuwarder humor geen gebrek! Zie juf eens hartelijk lachen om een kwinkslag van de groenteman. Hij is o, zo’n oude vriend van den huize. Wat heeft hij, bij jufs begrafenis, op het kerkhof aan de Spanjaardslaan, staan huilen, die lange, oude man.

Juf heeft de huisdeur op een kier laten staan. Ik kijk om de hoek; kindergejoel schatert op uit de tuin. Ik sluip op mijn tenen door de gang en gluur door de brede glazen tuindeur. Een fleurig tafereel! Mijn zusjes spelen croquet op het grintveld. Er zijn vriendinnen en er zijn nichtjes te logeren. Moeder komt uit de tuinkamer met een schaal met taartjes. Allen laten zij de ballen in de steek en rennen naar de taartjes, met een gejuich alsof elk van haar het spel had gewonnen. Mijn hart juicht mee; ik heb de hand aan de deurknop. Zal ik meedoen aan de taartjes-storm! - Arme, oude baas! Denk om je fatsoen en om je gladde kruin. Wou je de kneppel zijn in het hoenderhok? of misschien een tweede Levy Meyer? - Maar daarvoor ontbreekt je de lange baard. De jeugd van heden heeft wel eerbied voor de ouderdom, o ja, maar op een afstand. Ga maar naar huis met je tachtig jaren en neem een goede raad aan: Kom niet weer terug op het dodenpleintje, waar niemand je meer kent.

 

 

BIJLAGE

 

KINDEREN VAN COMBERTUS PIETER BURGER

(geboren te Rotterdam 25 April 1825)

EN MARIA AGNES HAASLOOP WERNER

(geboren te Kampen, 21 November 1825),

getrouwd te Elberg 9 Juli 1852

  1. DIONIJS, 1853-1875. Phil nat. docts., Leiden.
  2. HERMAN GOTTFRIED, 1855-1860.
  3. HUIBERT, 1856-1946. Phil. nat. doctor Leiden; leraar gymnasium en burgerschool Haarlem en Groningen.
  4. COMBERTUS PIETER, 1858-1936. Litt. class. et Jur. doctor Leiden; bibliothecaris Universtiteits-Bibliotheek, Amsterdam.
  5. KAREL, 1859- . Civ. ingenieur Delft; afdelingschef Ned. Spoorwegen, Utrecht.
  6. JEANNETTE HENRITTE, 1861-1862.
  7. ADRIAAN, 1862-1937. Jur. doctor Leiden; onder-voorzitter Raad van Beroep Ongevallenwet, Utrecht.
  8. ANNA, 1863-1863.
  9. HENDRIK, 1864- . Arts Leiden; Med. doctor Freiburg i.B. et h.c. Stockholm; hoogleraar Amsterdam.
  10. MARIA AGNES, 1866-1866.
  11. ANTONIA JACOBA,1867-1933. Getrouwd met E. BLOEMBERGEN.
  12. WILHELMINA LOUISE PETRONELLEA, 1869-1900.
    Getrouwd met F.A. VAN VALKENBURG.

Terug