(advocaat, later Staatsraad, met anderen van het Reisgezelschap Semper Idem)

(het origineel berust in de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam)

"Journaal van een reize door Gelderland en Overijssel na Groningen en Friesland gedaan"

Leeuwaarden
10 over 9 arriveerden wij te Leeuwaarden, bij G. de Vries in het Heeren Logement op de Wormerdijk, een zeer goede herberg, alwaar wij een soupé en slaapplaatsen besteld hadden, waarover wij zeer voldaan waren. Leeuwaarden bij de Friesen Liewerden uitgesprooken, is de fraaiste, grootste, en volkrijkste stad van de geheele provincie, waarvan ze ook de hoofdstad is. Zie U.Emm.de repl.fris.inter flev.et La vic. p.37 et 47.

Saturdag den 18 junij. Het was ons zeer aangenaam op Saturdag alhier te zijn, wijl de marktdag, die één der beroemste in geheel Nederland is, op deese dag gehouden word. Men heeft weinig dorpen in ’t grootste gedeelte van de geheele provincie, uit welke geen waaren op dien dag naar Leeuwaarden worden gevoerd. Zie Foeke Sjoerds beschrijv. van Friesl. 1D. 1st. bl. 232 en bl. 168 alwaar hij zegt, dat er jaarlijks door elkander gereekent op de ’s landswaagen in Friesland aangegeven worden 1.583.659 ponden zoete melks kaas, en 3.890.741 groove kaas, en van Maij 1762 tot Maij 1763 zijn er aangegeven 83206½ vierendeelen booter.

Wij wandelen met veel genoegen door een ontelbaare menigte van menschen over de markten, en waren zeer verwondert over de groote quantiteit booter, kaas, wol, schaapen etc., die aldaar te koop waren, waarbij in ’t najaar nog komt vleesch van beesten, die buiten de stad geslagt worden. Wijl de stad aan de zamenvloejing van verscheide trekvaarten gelegen is, is de af en toevoer van allerlij koopgoederen zeer gemakkelijk. Ook is de stad zelve door veele gragten verdeeld, over welke steenen bruggen gelegd zijn, die men Piepen noemt, waar van zommige zeer breed zijn, en den naam draagen van het geen er op de marktdag op verkogt word.

Om nu verders het merkwaardigste in Leeuwaarden te bezien namen wij een wegwijzer meede, wiens voornaam Oene was, zijnde een kleermaker van zijn handwerk, en in alle publique gebouwen, die de rijzende gaan zien, bekend.

Wij begaven ons eerst naar de Westerkerk, die op 5 pilaaren rust, welke in het midden van de kerk geplaatst zijn. ’t Orgel is klein. Er is een gestoelte voor de overleedene princes Douarière van Orange en Nassau met een schuifraam van vooren, maar zeer eenvoudig: doch dat van den Prins ’t welk verheeven is, en gemeenlijk door de officieren gebruikt was, is veel fraajer, als ook dat van de raadsheeren.

Stadhuis
’t Stadhuis op de plaats daar eertijds het oude gestaan heeft gesticht, is een zeer aanzienlijk gebouw. Uit een inscriptie boven den ingang blijkt, dat de eerste steen daarvan gelegt is den 2 Apr. 1715 door Willem Carel Hendk Friso, vader van den tegenwoordigen Stadhouder, wanneer hij 3 jaaren en 7 maanden oud was.

Voor eenige jaaren heeft men hetzelve aan de oostzijde merkelijk vergroot, waarvan den 12 Aug. 1760 de eerste steen gelegd is.

Men bewaart alhier twee zeer lange blanke zwaarden, welke men zegt van den beruchten Langenpier, en van zijn neeff grooter Wierd te zijn. Zie Hoogstr. Woordenboek, op ’t woord groote Pier.

In de fraaje raadkamer ziet men in paneelen de pourtraiten van Willem den 1, Willem Lodewijk, Ernst Casimir ec. Voor weinige jaaren gecopieerd door M. Accama en R. Keyert, na die in ’t landshuis berusten.

Men deed alhier als iets zeldzaams en teffens konstig opmerken, hoe in de kamers, en vooral op de bovenzaal en in de raadkamer de grond bedekt was met wit zand, in ’t welke door een konstige handgreep met beezems zeer cierlijke parterres gemaakt zijn, die zoo dikmaals als de kamers gebruikt zijn, weder verandert worden, waartoe niet veel tijd vereischt werd.

Prinsenhoff
Tegenover ’t Stadhuis is het Prinsenhoff alwaar eertijds de stadhouders van Friesland hun verblijf hielden. Van welk voorrecht Leeuwaarden verstooken is, sedert Willem IV 1747 erfstadhouder over alle de Nederlandsche provincien geworden is. Alhoewel veele meublen naar Den Haag getransporteerd zijn, zijn er egter eenige die bezienswaardig zijn.

In de eetkamer, alwaar zeer fraaje schilderstukken zijn, is een tafel met goudstof en een kap met zilver ingelegd. Eenige kamers verders komt men in de keuken, die vol met porcelijn is; naast dezelve is een vertrekje waarin een bad van marmer gemaakt is. Boven de deur ziet men van ’t alleroudste Oostindische porcelein. Er is ook een fraai cabinetje, rondom met Chinees verlakt, in ’t zelve vertoont men een zeer kostbare tafel, spiegellijst, geridons van barnsteen zeer konstig gemaakt.

Voor de lange danszaal is een kabinetje, alwaar men vind de genealogie van Nassau, beginnende met Otto van Nassau uxor Magdalena van Sponheim 972.

Groote kerk
De Groote of Jacobijner kerk is fraai en verdient vooral bezien te worden, wijl men in ’t choor aan de linker zijde vind de graftombe van Willem Lodewijk Graaf van Nassau, Stadhouder van Friesland, Groningen en Ommelanden. Hij legt er na ’t leven in steen uitgehouwen. De inscriptie luid aldus:

Guilhielmus Ludovicus Jo.f. comes Nassovius Fris. Gron. et Omland.
Drentiaeque, gubernator heros reb. domi Militiaeque gests inclitus, verae
religionis et Belgicae libertatis post Guilhel. patruum et Mauric patruelem
Aurantiae principes, assertor praecipuus, animam Deo lubens coelestis
gloriae desiderio, reddidit; Ano Chri. CIC ICCXX Prid. Kal. Junii Aetat.
LX gubernationis Fris. XXXVI Gron. et Oml. XXVI corporis exuvias laetam
resurrectionem expectantes, Heic deposuit III eid. Julii Seq.
Anno CICICC XXV.

In ’t midden van ’t choor is de graftombe van zijne gemaalin Anna Gravinne van Nassau, dochter van Willem I zijn oom met welke hij den 2 Nov. 1587 binnen Leeuwaarden in den egt vereenigd is. Zie P. Bor. nederl.hist. 3D. bl.106, zij legt er ook na ’t leeven afgebeeld. Rondom leest men Anna illustriss. Princ. Auranii F. conjun D. Wilhelmi Ludo: com.a Nassau Catz: etc. gubern. Frisae et Oml. heic Jacet ob. XIII Juni CICCIC XXCIIX aet. XXVI.

Zie Bor.ned.hist. 3d. bl. 296, alwaar hij zegt, dat zij den 13 oude of 23 Junij nieuwe stijl zwanger zijnde overleeden is, en dat haar gemaal deeze tombe voor haar liet oprichten. Deese Willem Lodewijk heeft, volgens ’t getuigenis van Wag.Vad.Hist. 10d.b.408 den vereenigde gewesten veele jaren agtereen verscheide gewigtige diensten gedaan, met naame in den tijd van Leicester. Ook had hij de nieuwe krijgskunde eerst in gebruijk gebragt, die Maurits op zijn voorbeeld in grooter volmaaktheijd oeffende.

Terzijde van ’t choor komt men in een vertrek, alwaar men ziet de kist van Hendrik Casimir Graaf van Nassau, Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, die 1640 in een gevegt tegen de Spanjaarden bij Hulst door een kogel getroffen wierd, aan welke wond hij 8 dagen later den 12 Julij in de St. Annaschans overleeden is. Hij is den 7 Jan. 1641 met een pragtige lijkstatie alhier bijgezet. Zie Kron. van Gr. en de Ommel. bl. 232 en Wag.Vad.Hist. II d. bl. 291, 292, alwaar men zijn afbeeldsel zien kan door R. Keyert na ’t origineele op ’t Hoff te Leeuwaarden getekent. De kist is van lood en tin ondereen gesmolte gemaakt, en op zommige plaatzen verguld. Voorts zijn hier de volgende kisten van Willem Hendk Friso, zoon van Hk Casimir II geboren te Leeuwaarden 24 Junij 1685, gestorven 26 Junij 1686 en bijgezet 8 Julij 1686. (Zie Wag.Vad.hist. 15 d. bl. 389)

Van Joan Willem Friso Stadhouder van Friesland, Groningen en Drenthe, die den 14 Julij 1711 in ’t overvaaren van den Moerdijk naar het Strijensche Sas ongelukkiglijk verdronken is. Zijn lijk werd den 22 Julij door een schipper van de Klundert komende gevonden, en naar Dordrecht gebragt zijnde is het aldaar gebalsemd en den 25 Febr. 1712 met een heerlijke lijkstaatie bijgezet. Zie Wag.Vad.hist. 17 d. bl. 405 en 406 en aldaar zijn afbeeldsel, en Cronyk van Groningen bl. 124.

Dan Maria Louisa, dochter van den landgraaf van Hessen Kassel, gemaalin en naderhand weduwe van de gemelde Jo. Willem Friso, moeder van Willem den IV, en dus grootmoeder van den tegenwoordige Erfstadhouder. Zie Wag.Vad.hist. 17 d. bl. 407. Van de dochter van Willem Carel Hendk Friso of Willem IV die te Leeuwaarden den 22 Dec. 1739 in de geboorte gestorven, en dus niet gedoopt is. Van Anna, de vierde dochter van Willem Carel Hk. Friso, die den 15 Nov. 1746 te Leeuwaarden gebooren en den 29 Dec. daaraanvolgende overleden is. Men kan in deese kisten ’t overschot van de lijken door kleine glaasjes zien, behalven in die van Jo. Willem Friso en zijne gemalin, welke met zwart fluweel bekleed zijn.

Voor ’t choor is een grafzark, met koper gedekt, waarop men leest:

Hic. Schis est Dns Gregorius Bertolef vir clariss.
Frisiae Praeses primus invictiss. Cesaris caroli quiti
Cociliarius utriusque Juris licetiatus arti (?) Magister
patria Lovanien De cessit An. XVXXVII februa XXIIII
Verders is in deeze kerk een goed orgel, en een gestoelte voor de overleedene princes.

’t Landschapshuis
Van de Groote kerk wandelen wij naar ’t Landschapshuis alwaar de volmachten uit de 4 kwartieren, Oostergo, Westergo, Zevenwolden en de Steeden, representeerende den Souverein van den lande, ieder in een bijzonder vertrek jaarlijks 6 weeken agtereen vergaderen, beginnende met den eerste Maandag in februari. In de kamer van ’t kwartier Oostergo komen alle de kwartieren te samen om te resumeeren. Dit Collegie word de Edele Mogende Heeren Staaten van Friesland en de tijd, wanneer zij vergaderd zijn de groote landdag, genoemd. Zie Hubner geograph. door Cramer 2d. bl. 411-413 en Foeke Sjoerds beschr. van Fr. 2d. 1 st. 10de Hoofdst.

Behalven dit Collegie is er nog een ander op raad van Willem I opgerecht, waarvan de leden gedeputeerde Staaten genoemd worden, die de Staatsbesluiten uitvoeren, met ’t geen daartoe behoort, en de zaaken van de gemeene middelen waarnemen en eenige ampten begeeven. Zij vergaderen op de Markt in een daartoe geschikt huijs. Zie Hubner geogr. door Cramer 2d. bl. 414 en 415 en Foeke Sjoerds beschr. van fr. 12 Hoofdst. en U. Emm. de repl. Fris. int. Flev. et Lavic p. 23 et Seq:

Wijl het dikwils moejelijk is, de 4 kwartieren, welke uit 30 grietenijen en 11 steeden bestaan tot het zelfde gevoelen te brengen heeft men in Friesland een spreekwoord als men te kennen wil geeven dat het zwaarigheid heeft om iets in de grootste orde en netheid te brengen, men kan alles op zijn elf en dertigste niet hebben. Zie Hubner geogr. door Cramer 2d. bl. 413.

De Geleidster kerk
Niet verre van ’t Landschapshuis is de Geleidsterkerk, welke naam van Galileerskerk door verbastering gekomen is. De pilaaren staan alle op een zijde er is ook een gestoelte voor den Princes. Wanneer men voor eenige jaaren een nieuw stuk aan deese kerk bouwde op den grond daar eertijds een kerkhof geweest was, zijn aldaar, zoo men ons verhaalde, beenderen van een ongemeene grootte opgegraaven.

De hoofdwagt
Voor de hoofdwagt zijn onlangs 4 kanonnen en 2 mortieren geplaast die aan de provincie gelegateerd zijn door den Baron van Ailva. Wanneer Maastricht in den Jaare 1748 door de Fransche belegerd wierd, wilde de gem. Baron, die aldaar bevelhebber was, de stad niet eerder overgeven, voordat hij van de Algemeene Staaten hiertoe verlof kreeg, die zulks toestonden, indien hij de gewoonelijke krijgseer bedingen konde, dat ook spoedig gelukte, bij welke gelegenheid hij deese stukken ontfing, waarop men leest: Praemium fidelitatis Aylvae 1748. Zie Wagen. Vad. hist. 20d. bl. 181 en 190.

Nadat wij dus den morgen met het bezien van het merkwaardigste doorgebragt, en met veel smaak gegeeten te hebben, deeden wij na den middag een wandeling over de stadswallen, vanwaar men fraaje gezichten heeft. Aan een kant van de stad zagen wij aan den buitencingel een zeer lange reeks welgetimmerde huisen, waarbij ook verscheide tuinen waren. Nabij de wal is het blok of gevangenhuis, waarbij de galg is, als ook de wooning van den beul.

De Cancellarij
Wijl men tegenwoordig de Cancellarij of het Hoff Provinciaal niet meer kan bezien, zoo vervoegden wij ons bij de vroedman Meinsma, die de vriendelijkheid had aan den Rollarius Ferwerda te laaten verzoeken om met ons derwaarts te gaan.

Dit Hoff Provinciaal bestaat uit 12 Raaden, uit ieder kwartier drie, behalven den griffier en den procureur generaal, wiens pligt het is na alle strafbaare misdaaden den Hove onderworpen onderzoek te doen, de misdadigers te laaten arresteeren, en regt te vorderen. Zie Foeke Sjoerds beschr. van Friesland 2d. 1 st. bl. 325 vervolg.

De uitspraak van alle lijfstraffelijke misdaaden in de Provincie van Friesland voorvallende, is aan dit Hof toevertrouwd, wijl geene steeden of grietenijen in Friesland halsregt oeffenen; dog in eenige steeden, vind men een kaak, en op ’t Stadhuis 2 zwaare steenen, die met een ketting om den hals van oneerbaare vrijsters gehangen worden. Door den weg van appel kunnen alle civiele processen voor dit hof betrokken worden. Zie Hubn.geogr. door Cramer 2 d. bl. 415 en Foeke Sjoerds beschr. van friesl. 1 d. 2 st. 13e hoofdst.

De reden waarom men dit gebouw veeltijds de cancellarij noemt, is dat het zelve eertijds gedient heeft tot een vergaderplaats voor de Provinciaale of cancellarij raaden, die 1499 door Albert van Saxen in Friesland aangesteld zijn, en macht hadden om te oordeelen over alle geschillen zoo civile als crimineele onder de ingezeetene ontstaande, en om de privilegien, vrijheeden, ampten, beneficien, en provisien door den landsheer verleend te handhaaven. Zie Foeke Sjoerds besch. van Friesland 1d. 2 st. bl. 861 en 862 en P. Bor ned.hist. 4e boek in ’t begin. Zie Ubb. Emm. De Fris. repl. inter Flev. et Lav. p. 19. Guicuard tot Belg. descr. part 3 p. 248 zegt Leovardiae Judicium concessus et cancellaria Frisiae totius est neque ab illo datur ulterior provocatio.

In het begin vergaderde zij te Franeker, doch naderhand te Leeuwaarden, eerst in het blokhuis, daarna in een afzonderlijke cancellarij, en eindelijk in dit gebouw dat 1571 nadat men er 5 jaaren aan gewerkt had, voltooid is, hoewel men toen van gedagten schijnt geweest te zijn, om het zelve aan de eene zijde nog verder uit te timmeren, zoals men nu nog zien kan, waarom ook de deur niet in ’t midden is. Zie C. Schotan. gesch. van Friesl. bl. 761 Foeke Sjoerds beschr. van Friesl. 1d. 2 st. bl. 865 en 2d. 1 st. bl. 316. De voorgeevel is zeer aanzienlijk. Boven den ingang is een groote steen, waarin eertijds veele letters uitgehouwen geweest zijn, welke naderhand vernietigd zijn, zoodat men er nu alleen op leest:

Redemptoris incarnati
MD
LXXI.VII Id. Novemb.

De opgang is 1621 gemaakt. In de vierschaar is een fraaij schilderij, waarop Salomons eerste regt afgebeeld is. Ook ziet men hier in den muur een vuist of hand met dit zonderling bijschrift:

Deese fuijst is in de jaare MVC en LXXIII
De XXVII Octob. ter ordonnantie van den hove
gestelt tot memorie dat Karste luij
Tjerze va Stellingwerf oisteinde
in seeckere executie naar smaadighe
woorden, oick feytelick wedergestae
gewondt en ter aarde geslaghe heeft.

In de raadkamer is een zeer fraajen en welgestoffeerde biblioteek wijl men geen plaats genoeg had om de groote meenigte boeken te bergen, was men nu bezig een ruim vertrek boven daatoe te vertimmeren. In de raadkamer vind men de aanmerkelijke woorden van Cicero in orat. pro cluent. cap. 58 est Sapientis Judicis cogitare, tantum sibi esse permissum, quantum commissum et creditum sit. &c.

Vervolgens een wandeling door de stad gedaan hebbende keeren wij naar ons Logement, en zagen op de Brol voor het huis van den Heer de Vries Lector chirurgiae alhier een schoone lindeboom, waar in men uit het huis van dien Heer over planken koomen kan. In ’t midden van deese boom is ’t in den zomer zeer vermaaklijk te zitten, wijl men van alle kanten belommert is. Gemelde Heer vertoonde ons ook twee kinderen die van vooren aan malkander gegroeid waren. Te Leeuwaarden is geboren de historieschrijver van Friesland Suffridus Petri, die een boek geschreeven heeft de orig. frisiorum. Zie zijn leven beschreeven bij Foeke Sjoerds beschr. van Friesl. Inleid. bl. 12, 13 en 14. Zie Emm. de repl. Fris. inter Flev. Lavic. p. 49. Ook is Leeuwaarden de geboorteplaats van Georgius Ratallerus van wien U. Emm. de repl. fris. inter flav. et Lavic p. 49 schrijft:

monetario natus adsessori magno senatu
Mechliniensi, dein legatione
functus apud Regem Daniae
pro Margaretha Parmensi
Belgii gubernatrice deniq (?)
Praeses in curia provinciali apud
ultrajectinos designatus. cum eum
locum aliquamdiu cum laude tenuisset
in eadem dignitate vitam finiit Anno 1581
cujus eruditionem etiam nunc testanter
libri ab eo editi.

Zie ook Guicuard tot Belg. descript p. 3 p. 248.

Zwichum
Niet verre van Leeuwaarden legt het dorp Zwichum, zijnde de geboorteplaats van Viglius ab Aita, die zich na dit noemde Viglius Zuichemus ab Aytta, en in de historien van ons land genoeg bekend is van wien Ubb. Emm. De repl. fris. inter flav. et Lav. fl. p. 49 zegt de quo tacere, quam non paria ejus gloriae dicere praestat: paria autem dicere difficillimum. Hij is geweest raadsheer in den geheimen en in den grooten raad te Mechalen, lid van den raad van Staaten, en Ridder van ’t gulde Vlies. Hij was zeer tegen de al te groote strafheid, en kon niet dulden dat men de Nederlanden door Spanjaarden liet regeeren. Zie Chr. Schotanus geschied. van Friesl. bl. 808 alwaar men ook zijn afbeeldsel vind, als ook bij Wagen. Vad. hist. 6d. 106

Deese Viglius ab Aytta word ook gehouden voor den opsteller van de crimineele ordonnantien van den 5 en 9 Julij 1570. Zie Wagen Vad. hist. 6d. bl. 292 en 293.

Zijn politique en historische brieven aan Joachimus Hopperus, die aan de historien van ons land veel ligt bijzetten, zijn door S. A. Gabbema uitgegeven en gedrukt te Leeuwaarden 1661. Ook heeft de Heer de la Court (die omtrent het jaar 1660 onder de letters V. H. of V. D. H. verscheide bekende werkjes geschreeven heeft) uit het Fransch vertaald, en uitgeven grondig berigt van ’t Nederlands oproer zoo onder de hertogin van Parma als den Hertog van Alba ’t fransch beschreeven door Viglius Zuichemus ab Aytta, het welk gevoegd is agter de historie der gravelike regeering in Holland van gemelden de la Court bl. 207 en volg. Van deezen Viglius ab Aytta schrijft Guicciard tot Belg. descr. p. 3 p. 249 aldus Leu plus minus Spatio leovardia distat amplissimus pagus Swinchemium, Locus celebris natalibus magni illius et jam pluries nobis laudati Viglii cognomento Zwicemi, viri equestri dignitate et juris utriusque Scientia eximii adeo ut paucos in Europa pares sibi habeat idem reliquarem insuper liberalium artium peritissimus aeri ingenio, et vana in dandis consiliis prudentia denique omnium virtutem, et qui eas sectantum, cultor summus et fautor est, ut non immerito ad Praesidis dignitatem in utroque regis consilio, Stat ut nempe et Sanctioris provectus fit. Postremo nequid dicam de ceteris viri Sacerdotiis, Divi Bavonis apud Gandenses praepositus.

Hij is 1577, 70 jaren oud zijnde te Brussel gestorven, en te Gend in de cathedraale kerk begraaven, onder een marmere graftombe. Zie Brieven en Document. tot de Friesch.hist. van Schotan. bl. 117. Zie ook bl. 116.

Indien de tijd het toegelaten had, hadden wij gaarne eens na Zwichum willen rijden, wijl men ons zeide dat er nog zeeker oud schilderij te zien was. Zondag den 19 Junij, ’s morgens ¼ over 7 vertrokken wij door de Vrouwepoort uit Leeuwaarden. De vaart van Leeuwaarden naar Franeker, en naar Bolswaard is 1507 begonnen gegraaven te worden. Zie Kr. der gesch. van de Vrije Friesen bl. 174.

Jelsum
¼ voor 8 zagen wij aan den regter hand Jelsum, zijnde de geboorteplaats van B. Bekker, die te Amsterdam predicant geweest is, en om het schrijven van zeker boekje de betoverde waereld genoemt afgezet is, waarna hij op een slot niet verre van hier, alwaar hij ook gestorven is. Zie Hubner geogr. door Cramer 2 d. bl. 429. Een weinig verder ziet men Kornjum. Zie Hubner geogr. ib. en Britsum, waarna wij door ’t fraaje dorp Stiens reeden, alle welke dorpen leggen in de Grietenij Leeuwaarderadeel, aldus genoemd na de Hoofdstad Leeuwaarden, die er midden in legt, waarvan J. Ulbo van Burmania 1765 tot Grietman verkooren is. Niet verre van Stiens legt het dorp Beetgum in de Grietenij Menaldumadeel waarbij een schoon sterk slot is, behoorende aan den Grietman Jn Georg Fredrik Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlandsberg die ’t groot placaat en charterboek van Friesland uitgegeven heeft, ’t welk gedrukt is te Leeuwaarden 1773 2 d. in fol.

Terug