zijnde het dagboek van hunne reis te voet, per trekschuit en per diligence van Jacob van Lennep en zijn vriend Dirk van Hogendorp door de Noord-Nederlandsche provintiën in den jare 1823

Deel I, Vijfde hoofdstuk:

Leeuwarden; Princessetuin; Van de Kooi; Paleis; Tuchthuis; Schoolen; de Potmarge: Bezoeken en gesprekken enz.

Te half zeven kwamen wij te Leeuwarden, waar ik zeer verheugd was tijding van huis te vinden. - In het logement de Valk namen wij onzen intrek en stonden opgetogen toen de eerste mensch van kennis, dien wij in Leeuwarden ontmoet hadden, W. van de Poll bij ons kwam en wijn met ons dronk. Te half negen ging van Hogendorp die slaap kreeg, naar bed en bleef mijn oude vriend bij mij zitten tot twaalf ure en eenige flesschen wijn ledigden.

De westzijde van de Wirdumerdijk met op het eind de Wirdumerbinnenpoort met daarachter korenmolen ’De Leeuw’ en vanaf de hoek respectievelijk de logementen ’Het Lands Welvaren’, ’De Wijnberg’ en ’De Valk’. In 1834 geschilderd door W.F. Jansen, zadelmaker op de Wirdumerdijk

Vrijdag 13 Juny.

Te negen ure kwam van de Poll weder bij ons ontbijten. Te half elf trokken wij langs een modderig pad onder een stortregen buiten de Workummer poort naar het optrekje van den heer Beuker Andreae, dien wij tot onze spijt niet vonden. Vandaar begaven wij ons naar den beroemden geneesheer Vittringa Coulon, wiens zorg en moeite de gevangenis van Leeuwarden had daargesteld en gekrenkte eer uit de directie van de tuchthuizen gegaan. Zijn zoon mede sinds kort tot geneesheer gepromoveerd en zes weken te voren met een lief fraai vrouwtje gehuwd ontfing ons, daar de oude Heer uit was; na een kort gesprek bracht hij ons de stad rond, die fraai en luchtig gebouwd is, en wier bevolking jaarlijks met een duizendtal inwoners toeneemt, nu reeds 19.000 zielen bedragende, ’t geen bij de weinige huizen de huren ontzettend stijgen doet. Voor slecht gebouwde huizen zelfs betaalt men den koopprijs van ƒ 35.000.
Van buiten zijn de huizen bevallig; van binnen meestal misbouwd. Een decreet van burgemeesteren heeft eenigen tijd geleden al de inwoners hunne stoepen gelijkelijk aftezagen, zoodat er nu geen meer vooruitsteekt; en tegelijk verboden de luifels aan de huizen te hernieuwen. - Daar het marktdag was, waren de straten, niettegenstaande het slechte weer met menschen als opgepropt; de botermarkt inzonder was bijna niet te genaken. Te een uur nam onze vriendelijke leidsman afscheid van ons, na ons in de Princesse- nu de stadstuin geleid te hebben, waar hij ons in de societeit introduceerde. Die tuin is groot en lief aangeleid. Tegen de wallen aangelegen levert zij een fraai uitzicht op de zelve op, heeft voorts een kleine waterpartij, eenige heuveltjes en een breede laan. In ’t koffiehuis troffen wij den heer B. Andreae, den ontfanger Carbasius en andere heeren van kennis aan. Te twee ure aten wij in de Valk met zekeren advocaat Andre, een laffen en vermeend geestigen jongen; met zijnen confrater Binkes, den lompsten vlegel die ik ken, en De Ket, benevens eenige onbekende zouteloze lieden. Te half vier ure kwam de heer B. Andreae ons afhalen en bracht ons bij den beroemden schilder van de Kooi, waar wij de welgelijkende portretten der Heeren Van Burmania en van Welderen Rengers, van Mevr. Rengers, van den heer Suringar en zijne na haar dood geschilderde vrouw, van den luitenant der dragonders Rengers en zijne aanstaande de freule van Kempenaer, aantroffen.

Verrukt en opgetogen
Van ’t edel kunstvermogen
Dat met een koud penseel
Bevalligheid en leven
En geest had ingedreven
op ’t onbezield paneel;

Nu, vol van geestvervoering,
Dan door een stille ontroering
Vermeesterd en vermand,
Liet ik mijne oogen weiden
En zich in ’t schoon vermeiden
Dat prijkte aan elken wand.

Dan hemel! welke trekken
Vermeen ik ginds te ontdekken?
Of, zou ’t een droombeeld zijn?
Dat engelachtig wezen,
Zoo kiesch en uitgelezen ...
Is ’t waarheid en geen schijn?

Neen, ‘k voel het aan ’t genoegen
Dat heel’ mijn borst doet zwoegen
Daar is geen twijfel meer.
‘k Herken de zuivre schoonheid
Die haar gelaat tentoonspreidt.
Zij is ‘t, ik vind haar weer.

‘k Herken den blos dier koonen
Waar roos en lelie woonen
Door zachten band gepaard
Ik zie de lippen gloeien,
Als tedre knopjens bloeien
Tot lach en kus gewaard.

‘k Herken die blonde vlechten
Die liefde saam kwam hechten
Tot koorden voor zijn boog
‘k Herken dien malschen boezem
Zoo blank als lente bloezem
Waarin de mingod vloog.

‘k Herken haar die voordezen
Mij een’ vriendin wou wezen
Zoo ongeveinsd en trouw.
Eens ’t pronkjuweel der maagden
Die immer ’t oog behaagden,
Thands Frieslands eerste vrouw.

Haar, uit het bloed gesproten
Van de eelste Friesche grooten
Eens Asbecks vreugd en bloem.
Thands, nu de huwelijkskoorden
Haar zachte ziel bekoorden
Voor Renger huis en roem
.

‘k Herken die zachte lonken
Die ’t koelste hart ontfonken,
Die spiegels van ’t gemoed.
Dien aanblik zoo zachtzinnig
Zoo rein en zoo aanminnig
Zoo liefelijk en zoet.

Na den schilder bedankt te hebben, volgden wij onzen leidsman langs een fraaien omweg door de groote voorsteden naar zijn optrekje, waar wij zijne dochter eene schoone brunet, zijne vrouws zuster en eene andere juffer vonden en theedronken. Deze tuin had in vroeger tijd der moeder van Willem den Vierden, Princes Maria Louiza toebehoord. Een oud lakei dier vorsten had onlangs in dienzelfden tuin een kind van den kroonprins dus den kleinzoon in den vijfden graad van zijne oude meesteres op de armen gehad. Vele uitheemsche en fijne gewassen stonden in dien tuin, anders een toonbeeld van slechten smaak. De Heer Seerp Brouwer, Med. Dr, thands beroepen hoogleraar te Groningen, een academiekennis van Van Hogendorp kwam hier een bezoek afleggen. Uit de dames kon ik geen woord krijgen. Te zes ure trokken wij naarden jonge Coulon die ons voor den avond verzocht had. Wij vonden er den jongen advokaat van der Feen, acad. Vriend van van Hogendorp, thands reeds echtgenoot en vader, en een der voornaamste stads advokaten. Als ware studenten dronken wij wijn en spraken van den ouden tijd. Vervolgens deden wij eene heerlijke wandeling om de fraaie beplantte wallen en voorts buiten de stad. Te 10 ure nam de jonge Coulon afscheid van ons, daar wij bij van der Feen, wiens vrouw uit de stad was, tot twaalf ure zaten en ons wel vermaakten. Beide deze heeren waren uitnemend hartelijk en geheel anders als de andere Friezen.

Zaturdag 14 Juny. Na bij van de Poll ontbeten te hebben, haalden wij te half tien van der Veen af die ons naar de stadsschool bracht, waar de kinderen om den Zaturdag vacantie hadden. De localiteit was ruim en luchtig. Hierna bezichtigden wij het paleis dat veel van eene groote slecht gemeubileerde Brabantsche herberg had. In eene benedenzaal hingen de afbeeldsels van al de vorsten uit het Friesche huis Van Nassau waarbij eene waarlijk fraaie schilderij was. Vervolgens bracht hij ons naar het huis van arrest dat ons slechts matig beviel. De gedetineerden zitten in kleine akelige hokjens, schoon zij nog niet verwezen en misschien onschuldig zijn. Vandaar traden wij het belendend tuchthuis in en doorliepen het gansche gebouw. Verscheiden waren met weeven, de meesten met het maken van pijpe-dopjens bezig. De zalen zijn ruim en luchtig. Een keer daags verzamelden zich de bewoners van twee zalen op de plaats om lucht te scheppen. Het werk dat er verricht wordt is van weinig belang, daar een goed werkman die veel te doen krijgt slechts ƒ 37½ jaarlijks verdienen kan, waarvan een derde voor het land en een derde voor het gebouw afgezonderd wordt, zoodat hij slechts 12½ voor zich behoudt. Het getal der boeven bedraagt nu 299, terwijl het verleden jaar 389 waren, ofschoon het gebouw slechts voor 150 man ingericht is.

Dit noopt de regeering een nieuw gebouw er naast te stichten, dat voor ƒ 65.000 aangenomen is, hoewel de kosten op ƒ 80.000 getaxeerd waren. De kerkdienst is er zeer slecht ingericht. ’s Zondags te negen ure heeft de godsdienst voor de Hervormden plaats, waarbij ook de Roomschen en Joden tegenwoordig moeten zijn. Te elf ure komt de pastoor en begint den dienst die tot twaalf ure duurt.

Te twaalf ure ging ik een bezoek bij mevrouw Henriette Rengers geboren Van Asbeck afleggen, doch verkeerd onderricht zijnde, vroeg ik bij eene andere mevrouw Rengers beleg en gaf er kaartjens, daar die naar buiten was. Misnoegd keerde ik in ’t koffiehuis, daar, als ik naderhand hoorde, mijne oude vriendin door W. van de Poll van mijn voornemen verwittigd, mij tot half twee met de koffi had zitten wachten. In het koffyhuis vond ik een’ der heeren Rodenhuis en den Groninger koopman met wien wij naar Franeker gevaren waren. Te twee ure aten wij in de Valk en te drie ure trok ik nog eens naar van de Kooi bij wien ik nog andere schilderijen zag, onder andere een zoo hij zeide van van Dyck. Van der Kooi treft de gelijkenissen sprekend en heeft veel kunde van zijn vak: doch hij weet de aangenaamste en zuiverste kleuren niet te kiezen en bezit dat fijne, dat zachte en malsche niet hetgeen Hodges kenschetst.

Te vier ure, legden van Hogendorp en ik een bezoek af bij den Gouverneur, die ons opwachtte. Na eene poos gezeten te hebben kwamen deszelfs knecht in en zeide: "Mijnheer, zij wil niet binnen komen: zij heeft al gevraagd of de Heeren weg waren".- "Kom, kom," zeide de Gouverneur: "laat zij maar komen, de Heeren zullen haar niet opeten. Ik zal wel theeschenken". Vol verwondering zagen wij naar de deur.

Een oud vrouwtje, drie voeten hoog met een stijve kornet en gepoeierd haar, ouderwets Amsterdamsch gekleed en met eene groote ruiker viooltjes op den borst trad binnen, plaatste zich naast ons en begon te breien, terwijl de Gouverneur zeide: "Dat is een juffrouw van zeventig, neen zestig jaren".

De juffrouw sprak met mij over dominees enz., ook de knecht bemoeide zich nu en dan met met de conversatie. Van den Gouverneur trokken wij naar den ontfanger Robidé van der Aa, die een fraai huis bewoont en geheel ontdaan was van vreugd over de eer van ons bezoek. Doctor Brouwer, dien wij daarna bezochten, was niet te huis. Te acht ure dronken wij in de Princesse tuin eene flesche Rhijn-wijn. Het was in de societeit zeer droomerig: niemand sprak er een woord: de Gouverneur en drie andere heeren speelden boston om een dubbeltje. Te huis gekeerd schreven wij brieven en van Hogendorp had ’s nachts eene zware benaauwdheid van den Rhijnwijn, zoodat hij den knecht om spiritus op moest schellen.

Zondag 15 Juny. Daar van Hogendorp bij het opstaan slap en onlustig was, begrepen wij dat ons oogmerk van naar de kerk te gaan moest achterblijven: dus schreven wij brieven, terwijl van de Poll van tijd tot tijd aan kwam. Te half twaalf ure bezocht ons de Rector Bake, wien wij ’s avonds te voren vergeefs gezocht hadden. Ik liet hem bij van Hogendorp en ging met van de Poll den heer Hendrik Rengers en zijne vrouw bezoeken, die ons met veel vreugd ontfingen. Ik dronk er koffi en was spoedig weer op den ouden voet. Daar ik mij niet gewennen kon mevrouw te zeggen, noemd zij mij Ko en vergunde mij tot haar Henriëtte te zeggen. Zij was nog schooner dan voorheen, en sprak veel over het genoegen dat zij op het Manpad genooten had. Te twee ure verliet ik haar mijns ondanks en trok naar Coulon, bij wien ik van Hogendorp reeds vond, benevens den advokaat Wopke Brouwer, een zijner academiekennissen en Mejuffrouw Coulon. De receptie was buitengewoon hartelijk: wij dronken en aten goed en waren zeer vrolijk over tafel.

Dadelijk na de koffi wandelden wij de tuin rond, dronken daarop thee en wij heeren wandelden de buitencingels om. Teruggekomen zijnde dronken wij wijn, theologische disputen voerende met Brouwer, die mennist is. Te negen ure kwam de oude heer Coulon en zijn schoonzoon de heer Smedingh: de eerste schold zeer op de Maatschappij van Weldadigheid en op het plan van Suringar Nierstrasz en Warnsinck, waarmede buitendien gansch Friesland den gek steekt. Ook verhaalde hij ons meer belangrijke zaken en verzocht ons eindelijk een slaatje te blijven eten. Wij namen zijn gulhartig aanbod aan, begaven ons in zijne wooning die met die van zijn zoon ineen loopt, soupeerden met de dames en dronken daarna thee.

Maandag 16 Juny. Daar ons voornemen de schoolen te zien onverhoeds ruchtbaar geworden was, hadden de curatoren er in tijds bij geweest om ons geene verkeerde indrukken te doen krijgen: de predikant der Walsche gemeente Delprat had ons den dag te voren in een briefje aangeboden ons naar de stadsschoolen te vergezellen; dit aanbod niet af kunnende slaan, wachteden wij hem gelaten af.

Te 10 ure verscheen hij en leidde ons naar de school No. 1, waar ruim vier honderd kinderen in een goed lokaal bijeen zaten. Binnen tredende meende ik in eene teekenacademie te komen, want elk kind zat met een voorbeeld voor zich. De meester een hupsch en zachtzinnig man, liet eenige kinderen komen en ondervroeg ze, ons toonende hoe hij ze leerde lezen. Daar mij dit papegaaigesnap verveelde voegde ik mij bij de oudere meisjes die over een gegeven onderwerp brieven schreven. Derzelve leezende prees ik deze oefening, in mij zelve, daar zij niet alleen den stijl vormt, maar ook het karakter openbaart. Een meisje onder anderen moet schrijven wat zij op haar verjaardag ontfangen had. Zij had dan ook gouden oorijzers en spelden, ringen enz. gekregen. Ik bespeurde hierin naar wat haar hartje wenschte en hoe de zucht naar ijdelheid haar bevangen had. Dies vroeg ik haar of zij, indien men haar zoveel gelds gaf, dat zij deze voorwerpen kopen kon, niet die som beter besteeden zou door kousen, schoenen, hemden enz. zich aan te schaffen. Dat moest zij haars ondanks, bekennen.

In de school no. 2 die nog grooter en ruimer is dan de eerste, zijnde dezelve voormaals een kerk der Jansenisten geweest, lazen de kinderen ons de geschiedenis voor van den goddeloozen koning Achab, over welke keus Van Hogendorp en ik elkander meesmuilend aanzagen. Ik vroeg de kinderen veel over de kaart van Friesland en de soorten van grond en voortbrengselen waarin zij wel thuis schenen. Hierna zongen zij op ons verzoek een door ons gekozen lied. Vrijwel voldaan keerden wij, bedankten den Heer Delprat en legden bij den advocaat Brouwer een bezoek af.

Te twaalf ure begaven wij ons naar den Rector Bake, die ons met zijne fraaie vrouw met chocolaad afwachtte. In ’t koffyhuis vonden wij den heer B. Andreae bij wien wij moesten eten. Te twee ure verzelden wij hem naar buiten en vonden er den Heer Delprat, benevens een Leeuwarder koopman. Wij aten en dronken zeer lekker; de schoone dochter van den gastheer was spraakzamer dan de vorige reis.

De Heer Beuker Andreae is een bij uitstek belezen en kundig man, vooral wat de geschiedenis van zijn land en de kruidkunde betreft. Hij heeft de fraaiste en rijkste boekerij uit Leeuwarden. Na den eten gebruikten wij koffi en wandelden of liever huppelden over een beploegd land achter de tuin naar de Potmarge, hoofdrivier van Friesland! Teruggekeerd bij de dames in de koepelkamer, dronken wij thee en zagen op een groot veld de schutterij exerceren. Het geluid der trom joeg twee fraaie paarden van den Heer Van Haarsma in het water. Met moeite werden de arme dieren eruit gehaald. Onderwijl liet ons de gastheer een plaatwerk zien in den smaak der Flora Batava, doch veel fraaier en minder duur, te Dusseldorp in steendruk uitgegeven. Ik herkende er vele onzer duinplanten in. Te acht ure namen wij afscheid van de familie, en begaven ons naar Hendrik Rengers. Van Hogendorp sprak drok met hem over de belastingen. Ik hield mij alleen met Henriëtte bezig en sprak met haar over den ouden en nieuwen tijd. Kort daarna kwam voor de verandering Ds. Delprat, meede genoodigd en de majoor Van Asbeck met zijne onbeduidende vrouw. Ik zat naast Henriëtte en had veel vermaak, als ook Van Hogendorp. Te twaalf ure keerden wij te huis. Ik was voor deze keer de wijste geweest en had ’s morgens mijne koffers gepakt, dus ging ik naar bed en sliep spoedig in, terwijl mijn reisgenoot eerst te één ure in bed geraken kon.

Terug